Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013

Geldend van 09-09-2022 t/m 29-09-2022

Intitulé

Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013

Gedeputeerde staten van Zeeland

  • -

    Gelezen het voorstel van de afdeling FEZ, nr. FEZ A-01, stuknr. 12076926;

  • -

    Overwegende dat ter uitvoering van het door provinciale staten vastgestelde subsidiebeleid nadere regels dienen te worden gesteld voor het verstrekken van subsidies;

  • -

    Gelet op artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013;

besluiten vast te stellen het navolgende Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

§ 1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1.1

In dit uitvoeringsbesluit wordt verstaan onder:

  • a.

    instelling: een rechtspersoon, een vennootschap of een eenmanszaak;

  • b.

    arrangement: een vaste set van specifieke regels, voorwaarden en verplichtingen dat gerelateerd is aan de hoogte van het subsidiebedrag;

  • c.

    prestatieafspraak: één of meerdere activiteiten geformuleerd in de beschikking tot subsidieverstrekking, die dienen te worden gerealiseerd om in aanmerking te komen voor subsidie of voor een deel daarvan;

  • d.

    prestatiebewijs: een op basis van dit besluit dan wel in de beschikking tot subsidieverlening als zodanig aangeduid geheel van bewijsmiddelen waarmee onweerlegbaar wordt aangetoond dat de prestatieafspraak is gerealiseerd;

  • e.

    accountant: een accountant, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 55 van de Wet op de registeraccountants, of een Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde lid, van die wet;

  • f.

    financiële verantwoording: een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit en die zijn afgezet tegen de begrote kosten en opbrengsten;

  • g.

    integrale kosten subsidie: een subsidie waarbij alle kosten van een instelling subsidiabel zijn.

§ 1.2 Algemene weigeringsgronden

Artikel 1.2.1

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan een instelling.

  • 2.

    Subsidie wordt niet verstrekt indien:

    • a.

      de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie is gerealiseerd;

    • b.

      de subsidie is aangemerkt als ontoelaatbare staatssteun; of

    • c.

      de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 2.500.

§ 1.3 Subsidiabele kosten

Artikel 1.3.1

  • 1.

    Subsidiabel zijn de voor de te subsidiëren activiteit noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de betreffende activiteit.

  • 2.

    De in rekening te brengen BTW die kan worden teruggevorderd of op enigerlei wijze wordt terugbetaald, komt niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 1.3.2

  • 1.

    Personeelskosten zijn subsidiabel:

    • a.

      indien deze aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de activiteit en daartoe bij de instelling een door de accountant controleerbare urenadministratie wordt toegepast,

    • b.

      tegen een uurtarief dat overeenkomt met ten hoogste 1,2 procent van het betreffende bruto maandsalaris, in welk uurtarief worden geacht te zijn verwerkt, vakantiegeld, bijzondere uitkeringen, werkgeverslasten, feestdagen, verlof, improductieve uren, opslagen en overige directe of indirecte personeelskosten, ingeval van een deeltijd dienstverband om te rekenen naar een maandsalaris bij een voltijds dienstverband, en

    • c.

      tot een maximum van de in de begroting opgenomen personeelskosten.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde systematiek.

§ 1.4 De aanvraag voor de subsidie

Artikel 1.4.1

  • 1.

    Tenzij in dit besluit anders is bepaald, wordt de aanvraag voor de subsidie tenminste acht weken voor het begin van de activiteit ingediend.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde termijn.

Artikel 1.4.2

  • 1.

    De aanvraag voor de subsidie bevat ten minste:

    • a.

      een concrete beschrijving van de activiteit,

    • b.

      een uiteenzetting van de wijze waarop de activiteit bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen van de provincie Zeeland,

    • c.

      de duur van de activiteit,

    • d.

      het geografisch gebied waarop de activiteit betrekking heeft,

    • e.

      een concrete beschrijving van het verwachte resultaat en het na te streven kwaliteitsniveau,

    • f.

      een sluitende begroting van de activiteit,

    • g.

      een verklaring van het bestuur of de directie van de instelling waaruit blijkt dat de instelling voldoet dan wel niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013, en

    • h.

      een beschrijving van eventuele organisatorische verbanden met andere rechtspersonen en van eventuele banden van financiële aard die blijvend van invloed kunnen zijn op de hoogte van de kosten van subsidiabele activiteiten of op de opbrengsten daaruit.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen aanvullende informatie opvragen die zij relevant achten voor de beoordeling van de aanvraag van de subsidie.

Artikel 1.4.3

De sluitende begroting als bedoeld in artikel 1.4.2, eerste lid, onder f, vermeldt:

  • a.

    alle kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit,

  • b.

    of en bij welke instanties en tot welke bedragen voorts subsidies, sponsorgelden of andere bijdragen worden aangevraagd, en welke inmiddels zijn verleend,

  • c.

    tot welk bedrag men een beroep doet op de provincie Zeeland,

  • d.

    ter zake van personeelskosten het aan de activiteit toe te rekenen aantal uren per personeelslid, en

  • e.

    of de aanvrager van de subsidie wel of geen betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen.

§ 1.5 De beslissing op de aanvraag voor de subsidie

Artikel 1.5.1

Gedeputeerde staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor de subsidie de met de instelling in het verleden opgedane ervaringen met betrekking tot de naleving van de subsidieverplichtingen.

Artikel 1.5.2

  • 1.

    Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 2.

    Als de aanvraag voor de subsidie in verband met staatsteun aan de Europese Unie wordt voorgelegd, beschikken gedeputeerde staten daarop binnen acht weken na de beslissing van de Europese Unie.

Artikel 1.5.3

  • 1.

    Indien voor dezelfde activiteit een subsidie door het Rijk of de Europese Unie is verstrekt, dan sluit de provincie aan bij de voorwaarden, verplichtingen en de wijze van vaststelling van de hogere overheid.

  • 2.

    Indien voor dezelfde activiteit een hogere subsidie is verstrekt dan de subsidie van de provincie Zeeland door een andere dan in het eerste lid genoemde overheid kunnen gedeputeerde staten bepalen aan te sluiten bij de voorwaarden, verplichtingen en de wijze van bevoorschotting en vaststelling van de andere subsidieverstrekker.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen van het bepaalde in het eerste lid afwijken, indien:

    • a.

      de provincie een hogere subsidie verstrekt dan de subsidie van het Rijk of de subsidie van de Europese Unie; of

    • b.

      de provinciale subsidie wordt toegekend conform paragraaf 1.7: Arrangement 1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.

Artikel 1.5.4

Indien een subsidie wordt verstrekt aan een overheidsinstelling in het kader van een specifieke uitkering waarop de beginselen van Single information, Single audit van de artikelen 17a en 17b van de Financiële verhoudingswet van toepassing zijn, dan zijn verplichtingen en voorwaarden betreffende de subsidieverstrekking zoals bepaald in de artikelen 17a en 17b van de Financiële verhoudingswet van toepassing.

§ 1.6 Verplichtingen

Artikel 1.6.1

De instelling besteedt de subsidie niet in strijd met op haar rustende wettelijke verplichtingen.

Artikel 1.6.2

De instelling stelt gedeputeerde staten onverwijld schriftelijk in kennis zodra aannemelijk is dat:

  • a.

    de activiteit of de prestatieafspraak waarvoor subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zal worden verricht; of

  • b.

    niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden voorwaarden en verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 1.6.3

Activa aangeschaft met een subsidie van de provincie Zeeland dient:

  • a.

    de gehele economische gebruiksduur beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze is aangeschaft indien deze een economische gebruiksduur heeft van minder dan vijf jaar;

  • b.

    gedurende vijf jaar na vaststelling van de subsidie beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze is aangeschaft indien deze een economische gebruiksduur heeft van meer dan vijf jaar.

Artikel 1.6.4

Bij de subsidieverlening kunnen gedeputeerde staten de instelling ook andere verplichtingen tot verwezenlijking van het doel van de subsidie opleggen dan die bedoeld in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1.6.5

Als een subsidie is aangemerkt als toelaatbare staatssteun, voldoet de instelling aan de daaraan door de Europese Unie gestelde verplichtingen.

Artikel 1.6.6

  • 1.

    Aan een subsidie verbinden gedeputeerde staten de verplichting dat de instelling in zijn bekendmakingen of publiciteitsuitingen de provincie als subsidieverstrekker vermeldt.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen gelet op de hoogte van het subsidiebedrag of de aard van de activiteit besluiten dat het eerste lid niet van toepassing is op de subsidieverstrekking.

  • 3.

    Indien niet of niet volledig is voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichting, kan het uiteindelijke subsidiebedrag ten hoogste worden verlaagd met vijf procent, met een maximum van € 5.000.

§ 1.7 Arrangement 1

Artikel 1.7.1

Op het verstrekken van subsidie tot en met € 10.000 zijn de regels van arrangement 1 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf.

Artikel 1.7.2

Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 1 van toepassing is, vindt plaats in de vorm van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak.

Artikel 1.7.3

Bij een subsidie waarop arrangement 1 van toepassing is verlenen gedeputeerde staten een voorschot van honderd procent van de maximale subsidie.

Artikel 1.7.4

  • 1.

    Op basis van een steekproef besluiten gedeputeerde staten of de instelling wel of niet een aanvraag tot vaststelling moet indienen en stellen de instelling binnen tweeëntwintig weken na afloop van de gesubsidieerde activiteit op de hoogte van dit besluit.

  • 2.

    Indien de instelling geen aanvraag tot vaststelling hoeft in te dienen, stellen gedeputeerde staten de subsidie binnen tweeëntwintig weken na afloop van de gesubsidieerde activiteit ambtshalve vast.

Artikel 1.7.5

  • 1.

    Uiterlijk vier weken na ontvangst van het in artikel 1.7.4 eerste lid bedoelde besluit dient de instelling de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

  • 2.

    Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 1.7.6

De aanvraag tot vaststelling bevat het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraak en de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden.

Artikel 1.7.7

Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast.

Artikel 1.7.8

De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaar alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het onderdeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling.

Artikel 1.7.9

  • 1.

    De subsidie wordt vastgesteld naar evenredigheid van de werkelijk gerealiseerde, uit het prestatiebewijs blijkende, prestatieafspraken.

  • 2.

    Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingsbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste lid wordt berekend.

§ 1.8 Arrangement 2

Artikel 1.8.1

Op het verstrekken van subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 zijn de regels van arrangement 2 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf.

Artikel 1.8.2

Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 2 van toepassing is vindt plaats in de vorm van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak.

Artikel 1.8.3

  • 1.

    Gedeputeerde staten verlenen bij een subsidie waarop arrangement 2 van toepassing is een voorschot van ten hoogste vijfenzeventig procent van de maximale subsidie.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat het voorschot wordt betaald in termijnen.

  • 3.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie kunnen gedeputeerde staten afwijken van het in het eerste lid bepaalde.

Artikel 1.8.4

  • 1.

    De instelling dient binnen twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2.

    Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 1.8.5

De aanvraag tot vaststelling bevat het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraak en de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden.

Artikel 1.8.6

Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast.

Artikel 1.8.7

De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaar alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het oordeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling.

Artikel 1.8.8

  • 1.

    De subsidie wordt vastgesteld naar evenredigheid van de werkelijk, uit het prestatiebewijs blijkende, gerealiseerde prestatieafspraak.

  • 2.

    Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste lid wordt berekend.

Artikel 1.8.9

Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen, op basis van een risicoafweging, besluiten om op een subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 arrangement 1 toe te passen.

§ 1.9 Arrangement 3

Artikel 1.9.1

Op het verstrekken van subsidie hoger dan € 50.000 zijn de regels van arrangement 3 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf.

Artikel 1.9.2

Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 3 van toepassing is vindt plaats op basis van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak en een percentage van de door gedeputeerde staten subsidiabel geachte kosten.

Artikel 1.9.3

  • 1.

    Gedeputeerde staten verlenen bij een subsidie waarop arrangement 3 van toepassing is een voorschot van ten hoogste vijfenzeventig procent van de maximale subsidie.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat het voorschot wordt betaald in termijnen.

  • 3.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie kunnen gedeputeerde staten afwijken van het in het eerste lid bepaalde.

Artikel 1.9.4

  • 1.

    De instelling dient uiterlijk twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2.

    In geval de instelling een financiële verantwoording indient zoals bedoeld in artikel 1.9.5, tweede lid, dient de instelling uiterlijk twaalf weken na vaststelling van de jaarrekening een aanvraag tot vaststelling in.

  • 3.

    Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid en tweede lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 1.9.5

  • 1.

    De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraak,

    • b.

      de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden, en

    • c.

      een financiële verantwoording voorzien van een controleverklaring van de accountant.

  • 2.

    De financiële verantwoording zoals bedoeld in het eerste lid onder c kan onderdeel uitmaken van de vastgestelde jaarrekening van de instelling en hiervan worden gedeputeerde staten tijdig in kennis gesteld.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen uit economisch-rationele overwegingen afzien van de vereiste controleverklaring van de accountant en bepalen dat de vaststelling kan geschieden aan de hand van een beoordelingsverklaring dan wel bewijsstukken zoals kopieën van facturen en betalingsbewijzen van de gesubsidieerde kosten.

Artikel 1.9.6

Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast.

Artikel 1.9.7

De accountant voert zijn controle uit mede overeenkomstig het in Bijlage A bij dit besluit opgenomen controleprotocol.

Artikel 1.9.8

  • 1.

    De financiële administratie van een instelling ten behoeve van de verantwoording van de subsidie dient op een inzichtelijke wijze te worden gevoerd.

  • 2.

    De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaren of accountant inzage te verlenen in de administratie en alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het oordeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling.

  • 3.

    In aanvulling op het in het tweede lid bepaalde kan de externe accountant van de provincie op verzoek van gedeputeerde staten bij de accountant van de gesubsidieerde instelling een accountantsreview instellen.

Artikel 1.9.9

  • 1.

    De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de ingediende verantwoording, waarbij:

    • a.

      het maximale te ontvangen subsidiebedrag wordt bepaald aan de hand van de werkelijk gerealiseerde uit het prestatiebewijs blijkende prestatieafspraken, en

    • b.

      waarbij de werkelijke subsidie niet meer kan bedragen dan het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde percentage van de totale werkelijk gemaakte subsidiabel geachte kosten.

  • 2.

    Extra opbrengsten op de activiteit ten opzichte van de begroting bij de aanvraag van de subsidie worden in mindering gebracht op de totale werkelijk gemaakte subsidiabele geachte kosten.

  • 3.

    Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste en tweede lid wordt berekend.

Artikel 1.9.10

Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen, op basis van een risicoafweging, besluiten om op een subsidie hoger dan € 50.000 arrangement 2 toe te passen.

§ 1.10 Overige bepalingen

Artikel 1.10.1

  • 1.

    Indien na vaststelling van de subsidie blijkt dat de in artikel 1.6.3 genoemde activa is vervreemd en aldus de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de op basis van genoemd artikel aan de subsidie verbonden verplichting, kunnen gedeputeerde staten de beschikking tot subsidievaststelling ten nadele van de ontvanger wijzigen of intrekken.

  • 2.

    Indien de Europese Unie dat in verband met ontoelaatbare staatsteun vordert, wijzigen of trekken gedeputeerde staten de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling in.

Hoofdstuk 2 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van integrale kosten subsidie

§ 2.1 Weigeringsgronden

Artikel 2.1.1

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 komt een instelling slechts in aanmerking voor een integrale kosten subsidie indien:

    • a.

      wordt voldaan aan de maatstaven zoals gesteld in de subsidienota "resultaat met subsidie", en

    • b.

      de instelling is opgenomen in een door gedeputeerde staten samengestelde lijst.

  • 2.

    De in het eerste lid onder b genoemde lijst met instellingen die in aanmerking komen voor een integrale kosten subsidie stellen gedeputeerde staten vast op basis van de subsidienota "resultaat met subsidie" en overig provinciaal beleid.

  • 3.

    Gedeputeerde staten publiceren de lijst met instellingen en een eventuele wijziging hiervan in het provinciaal blad.

§ 2.2 Subsidiabele kosten en subsidiabele periode

Artikel 2.2.1

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1.3.1 eerste lid geldt ten aanzien van het verstrekken van een integrale kosten subsidie dat:

    • a.

      de kosten die direct en indirect zijn toe te rekenen aan de te subsidiëren activiteit, subsidiabel zijn,

    • b.

      de kosten op een realistische en transparante wijze worden toegerekend aan de te subsidiëren activiteit,

    • c.

      de toevoeging aan een voorziening gerekend wordt tot de subsidiabele kosten, en

    • d.

      de toevoeging aan een reserve niet gerekend wordt tot de subsidiabele kosten.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvraag van de subsidie, op gemotiveerd verzoek van de aanvrager, besluiten dat de toevoeging aan een reserve wordt beschouwd als subsidiabele kosten.

  • 3.

    Artikel 1.3.1 tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.2.2

Artikel 1.3.2 is niet van toepassing op een integrale kosten subsidie.

Artikel 2.2.3

Een integrale kosten subsidie wordt verstrekt voor een periode van maximaal het boekjaar van de instelling.

§ 2.3 De aanvraag voor de subsidie

Artikel 2.3.1

  • 1.

    Een aanvraag voor integrale kosten subsidie wordt ingediend tenminste acht weken voor aanvang van het boekjaar van de instelling.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde termijn.

Artikel 2.3.2

  • 1.

    In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.4.2 eerste lid bevat de aanvraag voor subsidie ten minste:

    • a.

      een toelichting op de toerekening van de kosten en opbrengsten aan de te subsidiëren activiteiten, en

    • b.

      de meest recente jaarrekening van de instelling voorzien van een controleverklaring van een accountant.

  • 2.

    Artikel 1.4.2 tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.

Artikel 2.3.3

In afwijking van het bepaalde in artikel 1.4.3. vermeldt de begroting als bedoeld in artikel 1.4.2 eerste lid onder f, bij een aanvraag voor een integrale kosten subsidie voor het boekjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd:

  • a.

    alle kosten en opbrengsten van de instelling,

  • b.

    een overzicht van de kosten en opbrengsten per te subsidiëren activiteit,

  • c.

    tot welk bedrag men een beroep doet op de provincie Zeeland, en

  • d.

    of de aanvrager van de subsidie wel of geen betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen.

§ 2.4 De beslissing op de aanvraag

Artikel 2.4.1

  • 1.

    De artikelen 1.5.1 en 1.5.2 zijn van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.

  • 2.

    De artikelen 1.5.3 en 1.5.4 zijn niet van toepassing op een integrale kosten subsidie.

Artikel 2.4.2

  • 1.

    Bij de beoordeling van de aanvraag voor een integrale kosten subsidie wordt de financiële positie van de instelling betrokken.

  • 2.

    Indien de financiële positie van de instelling zo gunstig is dat de instelling over voldoende vrij besteedbare financiële middelen beschikt om activiteiten zelf te realiseren, kunnen gedeputeerde staten besluiten een lagere integrale kosten subsidie te verstrekken dan aangevraagd.

§ 2.5 Verplichtingen

Artikel 2.5.1

Op een integrale kosten subsidie zijn de artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.6 van overeenkomstige toepassing.

§ 2.6 Arrangement 3

Artikel 2.6.1

  • 1.

    Ter vervanging van paragraaf 1.9 zijn op een integrale kosten subsidie de regels van arrangement 3 (verstrekken van subsidies hoger dan € 50.000,--) van toepassing, zoals opgenomen in de paragrafen 2.6 tot en met 2.9. Paragrafen 1.7 (arrangement 1) en 1.8 (arrangement 2) zijn niet van toepassing op een integrale kosten subsidie.

  • 2.

    Artikel 1.9.2 is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.

§ 2.7 Voorschotten

Artikel 2.7.1

  • 1.

    Gedeputeerde staten verstrekken op een integrale kosten subsidie een voorschot van ten hoogste honderd procent van de maximale subsidie.

  • 2.

    Het voorschot op een integrale kosten subsidie zoals bedoeld in het eerste lid wordt in termijnen uitbetaald.

§ 2.8 Aanvraag tot vaststelling

Artikel 2.8.1

  • 1.

    Bij een integrale kosten subsidie dient de instelling binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2.

    Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 2.8.2

De aanvraag tot vaststelling voor een integrale kosten subsidie bevat:

  • a.

    de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijzen,

  • b.

    de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden,

  • c.

    het jaarverslag over het boekjaar,

  • d.

    een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen activiteiten als onderdeel van de jaarrekening, en

  • e.

    de jaarrekening over het boekjaar van de instelling voorzien van een controleverklaring van de accountant.

§ 2.9 Vaststelling

Artikel 2.9.1

  • 1.

    De artikelen 1.9.6 tot en met 1.9.9 zijn van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.

  • 2.

    Artikel 1.9.10 is niet van toepassing op een integrale kosten subsidie.

§ 2.10 Overige bepalingen

Artikel 2.10.1

Artikel 1.10.1 is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.

Hoofdstuk 3 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor verkeersveiligheid

§ 3.1 Algemeen

Artikel 3.1.1

Subsidie kan worden verleend voor activiteiten ter bevordering van de verkeersveiligheid in Zeeland, passend bij het vigerend Beleidsplan verkeersveiligheid.

Artikel 3.1.2

  • 1.

    De artikelen 1.2.1, eerste lid, en 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b zijn van toepassing op een subsidie voor verkeersveiligheid.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c wordt een subsidie voor verkeersveiligheid niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 100.

Artikel 3.1.3

De artikelen 1.3.1 tot en met 1.10.1 zijn van toepassing op een subsidie voor verkeersveiligheid.

Artikel 3.1.4

Voor de beoordeling van de aanvraag voor de subsidie voor verkeersveiligheid wordt advies gevraagd aan het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Zeeland.

§ 3.2 Zeeuws Verkeersveiligheidslabel

Artikel 3.2.1

Subsidie kan worden verleend voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel.

Artikel 3.2.2

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, wordt een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel slechts verstrekt aan een basisschool.

  • 2.

    Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en c, zijn niet van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel.

  • 3.

    Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel b is van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel.

Artikel 3.2.3

  • 1.

    Een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel bedraagt € 250 per behaald label.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.4.1, eerste lid, wordt een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel aangevraagd na ontvangst van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel-certificaat.

Artikel 3.2.4

In afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel-certificaat.

Artikel 3.2.5

Een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel wordt verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling.

Artikel 3.2.6

  • 1.

    De artikelen 1.3.1, 1.3.2, 1.4.1 tweede lid, 1.4.2 tweede lid, 1.4.3, 1.5.3, 1.5.4, 1.6.1 tot en met 1.6.6, 1.7.1, 1.7.3, 1.7.4, 1.7.5, 1.7.6, 1.7.7, 1.7.9 en 1.8.1 tot en met 1.10.1, eerste lid, zijn niet van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel.

  • 2.

    De artikelen 1.5.1, 1.5.2, , 1.7.2, 1.7.8 en 1.10.1, tweede lid, zijn van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel.

Hoofdstuk 4 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het doen draaien van molens

Artikel 4.1

Subsidie kan worden verleend voor het doen draaien van een windmolen, die in het register van beschermde rijksmonumenten is opgenomen als molen in de categorie Industrie- en poldermolen.

Artikel 4.2

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, wordt een subsidie voor het doen draaien van een windmolen verleend aan de eigenaar van de molen, ook indien dit een natuurlijk persoon betreft.

  • 2.

    Een subsidie voor het doen draaien van een windmolen wordt niet verleend aan een gemeente.

  • 3.

    Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en c is niet van toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen.

  • 4.

    Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder b is van overeenkomstige toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen.

Artikel 4.3

  • 1.

    In afwijking van de artikelen 1.3.1, 1.3.2 en 1.7.9 wordt een subsidie voor het doen draaien van een windmolen berekend op basis van het aantal omwentelingen van de bovenas tussen de voorlaatste tellerstand en de tellerstand op het moment van aanvraag geregistreerd door een goedgekeurde, functionerende telmachine, waarvan de verzegeling niet is verbroken.

  • 2.

    De subsidie voor het doen draaien van een windmolen bedraagt per jaar:

    • a.

      bij duizend tot zestigduizend geregistreerde omwentelingen: € 100; of

    • b.

      bij zestigduizend of meer geregistreerde omwentelingen: € 0,50 per 300 omwentelingen tot een maximum van € 2.000.

Artikel 4.4

In afwijking van artikel 1.4.1 wordt de aanvraag voor de subsidie voor het doen draaien van een windmolen ingediend voor 1 februari na afloop van de periode waarin de omwentelingen zijn gemaakt.

Artikel 4.5

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.4.2 eerste lid bevat de aanvraag voor de subsidie voor het doen draaien van een windmolen:

    • a.

      het aanvraagformulier voor het doen draaien van een windmolen;

    • b.

      naam en locatie van de molen;

    • c.

      naam, adres en rekeningnummer van de aanvrager;

    • d.

      de datum en hoogte van de voorlaatste tellerstand en de datum van de hoogte van de tellerstand op het moment van de aanvraag, en

    • e.

      een foto waarop de tellerstand op het moment van de aanvraag duidelijk afleesbaar is.

  • 2.

    Artikel 1.4.2 tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen.

Artikel 4.6

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.7.2 wordt een subsidie voor het doen draaien van een windmolen verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.7.3 vindt de betaling van de gehele subsidie voor het doen draaien van een windmolen in één bedrag plaats.

Artikel 4.7

  • 1.

    De artikelen 1.4.3, 1.5.3, 1.5.4, 1.6.3, 1.6.6, 1.7.1, 1.7.4, 1.7.5, 1.7.6, 1.7.7 en 1.8.1 tot en met 1.10.1 eerste lid zijn niet van toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen.

  • 2.

    De artikelen 1.5.1, 1.5.2, 1.6.1, 1.6.2, 1.6.4, 1.6.5, 1.7.8 en 1.10.1 tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen.

Hoofdstuk 5 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor restauratie rijksmonumenten

§ 5.1 Begripsbepalingen

Artikel 5.1.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    rijksmonument: een zich in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

  • b.

    restauratie: het verrichten van die werkzaamheden, de normale instandhouding te boven gaand, die voor het herstel van een rijksmonument noodzakelijk zijn;

  • c.

    herbestemming: het geven van een nieuwe functie aan een rijksmonument of het herstellen van de functie die het rijksmonument had voor een periode van leegstand;

  • d.

    Sim: Subsidieregeling instandhouding monumenten;

  • e.

    restauratieplan: een plan bestaande uit:

    • een adequaat overzicht van aard en omvang van de werkzaamheden en beschrijving van de daarmee beoogde resultaten in de vorm van een bestek inclusief tekeningen van de huidige en nieuwe situatie, gecombineerd met een projectplan voor de bestemming of herbestemming;

    • actuele overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het rijksmonument en zijn gebreken; en

    • een begroting van de restauratiewerkzaamheden gespecificeerd in hoeveelheden, manuren, materialen, stelposten en onderaannemers en niet ouder dan 2 jaar;

  • f.

    deskundig restauratiebedrijf: een bedrijf dat de restauratiewerkzaamheden uitvoert volgens de in de beroepsgroep geldende kwaliteitsrichtlijnen en normen, voor zover deze zijn vastgesteld door het College van Deskundigen Restauratiekwaliteit van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg.

§ 5.2 Subsidieverlening

Artikel 5.2.1

Subsidie kan worden verleend voor de restauratie van een rijksmonument indien het rijksmonument vóór het einde van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het rijksmonument is gelegen bij gedeputeerde staten is voorgedragen voor restauratie.

Artikel 5.2.2

  • 1.

    Subsidie wordt verleend aan de eigenaar van het rijksmonument.

  • 2.

    Subsidie kan worden verleend aan een natuurlijke persoon.

Artikel 5.2.3

Een subsidie voor de restauratie van een rijksmonument bedraagt maximaal zeventig procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 750.000,-.

§ 5.3 Weigeringsgronden

Artikel 5.3.1

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a, wordt subsidie niet verstrekt indien met de activiteiten, waarvoor subsidie wordt aangevraagd, is aangevangen voordat de subsidie is verleend.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt:

    • a.

      indien niet schriftelijk wordt aangetoond dat:

      • 1°.

        een aanvullend geldbedrag boven het maximaal door het Nationaal Restauratiefonds te financieren leningsbedrag noodzakelijk is om te voorzien in de totale financieringsbehoefte van de restauratie; of

      • 2°.

        financiering van de restauratie door het Nationaal Restauratiefonds niet mogelijk is;

    • b.

      voor restauratie van:

      • 1°.

        een woonhuis als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel j, van de Sim, tenzij het een aanvraag betreft van een professionele organisatie voor monumentenbehoud, gemeente, waterschap of openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

      • 2°.

        een groen monument als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel b, van de Sim; of

      • 3°.

        een archeologisch monument als bedoeld in art 1.1 van de Erfgoedwet;

    • c.

      indien naar het oordeel van gedeputeerde staten het reguliere onderhoud van het rijksmonument niet voor zes jaar na realisatie van de restauratie waarvoor subsidie wordt aangevraagd voldoende is gewaarborgd.

  • 3.

    Het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing wanneer de subsidie wordt aangevraagd door een overheid.

  • 4.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 100.000,-, behoudens het geval een aanvullend geldbedrag boven het maximaal door het Nationaal Restauratiefonds te financieren leningsbedrag noodzakelijk is om te voorzien in de totale financieringsbehoefte van de restauratie, in welk geval subsidie niet wordt verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 50.000,- of minder bedraagt.

§ 5.4 Subsidiabele kosten

Artikel 5.4.1

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.3.1 en artikel 1.3.2 zijn subsidiabel de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als zodanig zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Sim is opgenomen.

  • 2.

    Indien voor de instandhouding van het rijksmonument een subsidie in het kader van de Sim is verstrekt, komen de in de beschikking tot subsidieverstrekking subsidiabel geachte kosten niet in aanmerking voor subsidie op basis van dit hoofdstuk.

§ 5.5 De aanvraag voor de subsidie

Artikel 5.5.1

Een subsidie voor restauratie rijksmonumenten kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

Artikel 5.5.2

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor restauratie rijksmonumenten:

  • a.

    een volledig ingevuld aanvraagformulier subsidie restauratie rijksmonumenten Provincie Zeeland;

  • b.

    een restauratieplan voor het rijksmonument;

  • c.

    een sluitende begroting inclusief dekkingsplan, voorzien van stukken waaruit de toezegging van geldelijke bijdragen door derden aan de restauratie blijkt;

  • d.

    een kopie van de (gedeeltelijke) toekenning dan wel de afwijzing door het Nationaal Restauratiefonds inzake de financieringsaanvraag

  • e.

    een niet meer dan twee jaar oud inspectierapport dat de technische of fysieke staat van het rijksmonument beschrijft en dat is opgesteld door een ter zake deskundige en onafhankelijke persoon of instantie, zoals de Monumentenwacht Zeeland;

  • f.

    een exploitatieplan waaruit tevens blijkt dat het reguliere onderhoud voor zes jaar na afronding van de restauratie is gewaarborgd;

  • g.

    indien rijkssubsidie is ontvangen of is aangevraagd in het kader van de Sim, een kopie van de subsidiebeschikking dan wel de ontvangstbevestiging van de subsidieaanvraag;

  • h.

    een door een erkend bureau opgestelde bouwhistorische verkenning, voor zover sprake is van herbestemming of herstel van de oorspronkelijke bestemming na leegstand, uitgevoerd conform de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek van de Rijksdiensten voor het Cultureel Erfgoed, 2009;

  • i.

    een lijst van minimaal drie deskundige restauratiebedrijven die worden uitgenodigd om een offerte uit te brengen voor de uitvoering van het restauratieplan;

  • j.

    een bewijs waaruit blijkt hoeveel leerling werkplekken ten behoeve van de opleiding van vakmensen in de restauratie worden gecreëerd;

  • k.

    een toelichting op de openbare toegankelijkheid waarin wordt aangegeven hoe vaak het rijksmonument is opengesteld voor het publiek.

Artikel 5.5.3

Een onvolledige aanvraag voor een subsidie voor restauratie rijksmonumenten kan na het einde van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1, alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft.

§ 5.6 Subsidieplafond en wegingsfactoren

Artikel 5.6.1

Gedeputeerde staten stellen voor de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1, een subsidieplafond vast.

Artikel 5.6.2

  • 1.

    Indien de subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen door middel van het toekennen van punten op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de uniciteit van het rijksmonument, maximaal 25 punten;

    • b.

      de bouwkundige urgentie, maximaal 30 punten;

    • c.

      de herbestemming of herstel van de oorspronkelijke bestemming na leegstand, maximaal 10 punten;

    • d.

      de mate waarin het rijksmonument aantoonbaar toegankelijk is voor het publiek, maximaal 10 punten;

    • e.

      indien de aanvraag bijdraagt aan prioritaire provinciale beleidsdoelstellingen, namelijk instandhouding van kerkgebouwen, agrarisch erfgoed en industrieel erfgoed: 5 punten.

  • 2.

    Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.

  • 3.

    Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

  • 4.

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 5.

    In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.

  • 6.

    Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.

§ 5.7 De beslissing op de aanvraag voor de subsidie

Artikel 5.7.1

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag voor de subsidie binnen zestien weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslistermijn eenmalig met maximaal vier weken verlengen.

Artikel 5.7.2

Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan een extern deskundige.

§ 5.8 Verplichtingen

Artikel 5.8.1

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      voor de duur van de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, wordt een casco-all-risk verzekering afgesloten;

    • b.

      de restauratiewerkzaamheden worden uitgevoerd volgens de in de beroepsgroep geldende normen, voor zover deze zijn vastgesteld door het College van Deskundigen Restauratiekwaliteit van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg;

    • c.

      na afloop van de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, wordt het betreffende rijksmonument minimaal zes jaar bewaard en onderhouden in de staat waarin het door de werkzaamheden, waarvoor de subsidie is verleend, is gebracht;

    • d.

      de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, worden binnen tien maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart;

    • e.

      de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, worden binnen 36 maanden na afloop van de openstellingsperiode afgerond;

  • 2.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder d en e.

Hoofdstuk 6 Vervallen

Hoofdstuk 7 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland

Artikel 7.1

Subsidie kan worden verleend voor MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland met toepassing van de als supplement bij dit besluit opgenomen Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025.

Artikel 7.2

De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing voorzover daarvan in de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 niet wordt afgeweken.

Hoofdstuk 7 Supplement Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025

Onderwerp

Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincies Limburg, Noord-Brabant en Zeeland van 9 maart 2021, houdende regels omtrent subsidieverstrekking ten behoeve van MKB-ondernemingen door de Zuidelijke provincies van Nederland (Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025)  

Gedeputeerde Staten van Zeeland,

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Gedeputeerde Staten van Limburg,

Gelet op artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013;

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Gelet op artikel 5 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v.;

Overwegende dat de 12 Nederlandse provincies, in landsdelig verband, op 11 november 2019 een Kennis- en Innovatieconvenant 2020-2023 hebben ondertekend tezamen met het Rijk, publiekrechtelijke wetenschappelijke organisaties en kennisinstellingen en Topsectoren waarin afspraken zijn gemaakt om de focus te leggen op de vier maatschappelijke thema’s van het missiegedreven kennis- en innovatiebeleid, de verdere ontwikkelingen van sleuteltechnologieën en het maatschappelijk verdienvermogen;

Overwegende dat het Rijk middelen beschikbaar heeft gesteld voor een aantal gestandaardiseerde MKB-instrumenten die in alle regio’s van Nederland worden uitgevoerd;

Overwegende dat beoogd wordt om op kwaliteit te sturen en hiertoe subsidieverstrekking op landsdelig niveau voor de drie Zuidelijke Provincies samen noodzakelijk is en dit een voorzetting is van de werkwijze in de afgelopen jaren;

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

§ 1 Haalbaarheidsproject

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg;

haalbaarheidsproject: project dat geheel of grotendeels bestaat uit haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onder 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onder 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

innovatief product: technologisch nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product;

innovatief productieproces: technologisch nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces;

innovatieve dienst: technologisch nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst;

KIA’s: kennis- en innovatieagenda’s als bedoeld in bijlage 1;

MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;

projectsubsidie: subsidie in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen, verleend voor een eenmalig project van een subsidieaanvrager, ten behoeve van de gehele of gedeeltelijke dekking van de begroting van dat project;

Provinciale Staten: Provinciale Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg;

Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door MKB-ondernemingen.

Artikel 1.3 Subsidievorm

Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een haalbaarheidsproject.

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

  • Subsidie op grond van deze paragraaf wordt geweigerd indien:

    • a.

      de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 2.500;

    • b.

      gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of de openbare orde;

    • c.

      reeds voor de indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project;

    • d.

      ten aanzien van de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • e.

      de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • f.

      aan aanvrager voor dezelfde activiteiten reeds subsidie is verstrekt.

Artikel 1.6 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      aanvrager is gevestigd in Zuid-Nederland dan wel de subsidiabele activiteit komt ten goede aan Zuid-Nederland;

    • b.

      het project moet passen binnen of uitvoering geven aan een KIA zoals uitgewerkt in bijlage 1 te weten:

      • 1°.

        de KIA energietransitie en duurzaamheid;

      • 2°.

        de KIA landbouw, water en voedsel;

      • 3°.

        de KIA gezondheid en zorg;

      • 4°.

        de KIA veiligheid;

      • 5°.

        de KIA sleuteltechnologieën;

      • 6°.

        de KIA maatschappelijk verdienvermogen in combinatie met een KIA genoemd in het eerste lid, onder b onderdeel 1 tot en met 5.

    • c.

      de aanvraag betreft niet de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager;

    • d.

      het project bestaat voor:

      • 1°.

        tenminste 60 % van de subsidiabele kosten uit haalbaarheidsstudie;

      • 2°.

        ten hoogste 40 % van de subsidiabele kosten uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

    • e.

      het project wordt uitgevoerd ter voorbereiding van de ontwikkeling van een innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst;

    • f.

      het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of de innovatieve dienst waarop het project betrekking heeft, is in technische of financiële zin voldoende risicovol om het project te rechtvaardigen;

    • g.

      het project geeft voldoende en realistisch inzicht in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of de innovatieve dienst.

  • 2.

    Aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

    • a.

      op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten uit deze regeling;

    • b.

      een begroting en sluitend financieringsplan;

    • c.

      een samenvatting van het project ten behoeve van een voor eenieder toegankelijke publicatie.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de kosten voor het haalbaarheidsproject voor subsidie in aanmerking.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.3.2 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 zijn ten aanzien van de berekening van de subsidiabele kosten de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzen uurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Voor de toepassing van de berekeningswijze van loonkosten op basis van kosten per kostendrager voor indirecte kosten, bedraagt het opslagpercentage voor de indirecte kosten, 50%.

  • 4.

    Voor de toepassing van een forfaitair vastgesteld uurtarief bedraagt het uurtarief voor loonkosten per gewerkt uur, € 60.

  • 5.

    Het forfaitair vastgesteld uurtarief, bedoeld in het vorige lid, wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten.

Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 11 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, artikel 15 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. en artikel 1.3.1, tweede lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten gemaakt voor de startdatum van het project;

  • b.

    kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1.

    Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.4.1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 worden subsidieaanvragen ingediend van 12 april 2022, vanaf 09.00 uur tot en met 9 september 2022, tot 17.00 uur.

Artikel 1.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor de periode, genoemd in artikel 1.9, vast op € 3.424.000.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 20.000.

Artikel 1.12 Verdeelcriteria

  • 1.

    Subsidie op grond van deze paragraaf wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

  • 4.

    De subsidie wordt overeenkomstig de rangschikking verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 1.13 Beslistermijnen subsidieverlening

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 beslissen Gedeputeerde Staten op een aanvraag voor subsidie binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    De termijn, genoemd in het eerste lid, kan met 12 weken worden verdaagd.

Artikel 1.14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    De subsidieontvanger start het project uiterlijk vier maanden na verlening van de subsidie;

  • 2.

    De subsidieontvanger realiseert het project uiterlijk 12 maanden na de start van het project.

  • 3.

    Artikel 1.6.6, derde lid en artikel 1.10.1, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijven buiten toepassing.

  • 4.

    Artikel 18 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant is van overeenkomstige toepassing op subsidies verleend voor de provincie Zeeland.

Artikel 1.15 Verantwoording

De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een rapport van het haalbaarheidsproject.

Artikel 1.16 Betaling

De betaling van het subsidiebedrag vindt in een keer plaats.

Artikel 1.17 Vaststelling

In afwijking van paragraaf 1.7 en paragraaf 1.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 en op basis van artikel 20, eerste lid onder a van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant en artikel 31 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. worden subsidies in deze paragraaf tot en met € 20.000 direct vastgesteld.

Artikel 1.18 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2023 en vervolgens elke twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid van de effecten van deze paragraaf in de praktijk.

§ 2 R&D samenwerkingsproject

Artikel 2.1 Begripsbepalingen

algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187);

experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg;

industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onder 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

innovatief product: technologisch nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product;

innovatief productieproces: technologisch nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces;

innovatieve dienst: technologisch nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst;

KIA’s: kennis- en innovatieagenda’s als bedoeld in bijlage 1;

MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;

projectsubsidie: subsidie in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen, verleend voor een eenmalig project van een subsidieaanvrager, ten behoeve van de gehele of gedeeltelijke dekking van de begroting van dat project;

Provinciale Staten: Provinciale Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg;

Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.

Artikel 2.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan uitsluitend worden aangevraagd door MKB-ondernemingen in een samenwerkingsverband.

Artikel 2.3 Subsidievorm

  • Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een R&D-samenwerkingsproject.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

Subsidie op grond van deze paragraaf wordt geweigerd indien:

  • a.

    gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of de openbare orde;

  • b.

    reeds voor de indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project;

  • c.

    ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • d.

    de subsidieaanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • e.

    aan aanvrager voor dezelfde activiteiten reeds subsidie is verstrekt.

Artikel 2.6 Vereisten

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      aanvrager is gevestigd in Zuid-Nederland dan wel de subsidiabele activiteit komt ten goede aan Zuid-Nederland;

    • b.

      het project moet passen binnen of uitvoering geven aan een KIA zoals uitgewerkt in bijlage 1 te weten:

      • 1°.

        de KIA energietransitie en duurzaamheid;

      • 2°.

        de KIA landbouw, water en voedsel;

      • 3°.

        de KIA gezondheid en zorg;

      • 4°.

        de KIA veiligheid;

      • 5°.

        de KIA sleuteltechnologieën;

      • de KIA maatschappelijk verdienvermogen in combinatie met een KIA genoemd in het eerste lid, onder b, onderdeel 1 tot en met 5.

    • c.

      het samenwerkingsverband dient te bestaan uit ten minste twee MKB-ondernemingen;

    • d.

      het samenwerkingsverband is opgericht ten behoeve van de uitvoering van het project;

    • e.

      het samenwerkingsverband heeft geen rechtspersoonlijkheid;

    • f.

      het project draagt de instemming van alle deelnemers aan het samenwerkingsverband;

    • g.

      deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn niet anderszins met elkaar verbonden dan in het samenwerkingsverband;

    • h.

      geen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband, neemt meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening;

    • i.

      ten minste 50% van de subsidiabele kosten van het project worden gedragen door MKB-ondernemingen die zijn gevestigd in Zuid-Nederland;

    • j.

      het project is gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

    • k.

      het project draagt bij aan het creëren van economische waarde voor:

      • 1°.

        de deelnemers in het samenwerkingsverband; of,

      • 2°.

        de Zuid-Nederlandse economie;

    • l.

      het samenwerkingsverband is voldoende toegerust voor het uitvoeren van het project blijkend uit:

      • 1°.

        complementariteit van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;

      • 2°.

        capaciteiten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; 

      • 3°.

        de kwaliteit van de projectorganisatie;

    • m.

      het project draagt bij aan:

      • 1°.

        vernieuwing van producten, processen of diensten; of,

      • 2°.

        wezenlijk nieuwe toepassing van bestaande producten, processen of diensten;

    • n.

      het project heeft een positieve maatschappelijke impact op de onderwerpen genoemd in een of meerdere KIA’s uit bijlage 1;

    • o.

      het project scoort ten minste 10 punten op de afzonderlijke verdeelcriteria, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a tot en met d;

    • p.

      de totale score van het project op de verdeelcriteria, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, bedraagt ten minste 50 punten.

  • 2.

    Aan het project ligt een projectplan ten grondslag waarin in ieder geval is opgenomen:

    • a.

      op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten uit deze regeling;

    • b.

      een begroting en sluitend financieringsplan;

    • c.

      een samenvatting van het project ten behoeve van een voor eenieder toegankelijke publicatie.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      loonkosten;

    • b.

      kosten derden;

    • c.

      afschrijvingskosten.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.3.2 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 zijn ten aanzien van de berekening van de subsidiabele kosten de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzen uurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Voor de toepassing van de berekeningswijze van loonkosten op basis van kosten per kostendrager voor indirecte kosten bedraagt het opslagpercentage voor de indirecte kosten, 50%.

  • 4.

    Voor de toepassing van een forfaitair vastgesteld uurtarief bedraagt het uurtarief van loonkosten per gewerkt uur, € 60.

  • 5.

    Het forfaitair vastgesteld uurtarief, bedoeld in het vorige lid, wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten.

Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 11 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, artikel 15 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. en artikel 1.3.1, tweede lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten gemaakt voor de startdatum van het project;

  • b.

    kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.

Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag

  • 1.

    Een subsidieaanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.4.1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 worden subsidieaanvragen ingediend van 1 juni 2022, vanaf 09.00 uur tot en met 13 september 2022, tot 17.00 uur.

Artikel 2.10 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4 voor de tenderperiode genoemd in artikel 2.9 vast op € 7.989.333 met dien verstande dat maximaal 50% van het subsidieplafond beschikbaar is voor aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000.

Artikel 2.11 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 350.000 per subsidiabele activiteit.

  • 2.

    De totale subsidie wordt niet verstrekt, indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat het deel van de subsidie dat aan een deelnemer aan het samenwerkingsverband toekomt:

    • a.

      minder bedraagt dan € 25.000; of,

    • 2b.

      meer bedraagt dan:

      • 1°.

        € 100.000 indien het subsidiebedrag maximaal € 200.000 is; of

      • 2°.

        € 175.000 indien het subsidiebedrag hoger is dan € 200.000.

Artikel 2.12 Verdeelcriteria

  • 1.

    Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.10, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht, te waarderen met maximaal 25 punten;

    • b.

      de mate waarin economische waarde wordt gecreëerd, te waarderen met maximaal 25 punten, voor:

      • 1°.

        de deelnemers aan het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.6,

      • 2°.

        de Zuid-Nederlandse economie;

    • c.

      de mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.6, te waarderen met maximaal 25 punten, gezien de:

      • 1°.

        complementariteit van de deelnemers;

      • 2°.

        capaciteiten van de deelnemers;

      • 3°.

        kwaliteit van de projectorganisatie;

      • 4°.

        mate waarin maatschappelijke impact wordt gerealiseerd, te waarderen met maximaal 25 punten.

  • 2.

    Indien na toepassing van het eerste lid, en artikel 2.6, eerste lid, onder p, blijkt dat de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.10, te boven gaan, worden de aanvragen gerangschikt op volgorde van puntenaantal waarbij de aanvraag met de meeste punten bovenaan eindigt.

  • 3.

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat meer dan 50% van het subsidieplafond wordt verstrekt aan aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000, wordt subsidie niet verstrekt aan aanvragen die het maximum van 50% van het subsidieplafond overschrijden.

  • 4.

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

  • 5.

    De subsidie wordt overeenkomstig de rangschikking verdeeld over opeenvolgende aanvragen die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 2.13 Externe adviescommissie

Gedeputeerde Staten leggen aanvragen voor subsidie voor advies over artikel 2.6, eerste lid, onder k, l, m, n, o en p en artikel 2.12, eerste en tweede lid, voor aan een door hen in te stellen adviescommissie als bedoeld in artikel 82 van de Provinciewet.

Artikel 2.14 Beslistermijnen subsidieverlening

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 beslissen Gedeputeerde Staten op een aanvraag voor subsidie binnen 12 weken na afloop van de tenderperiode.

  • 2.

    De termijn, genoemd in het eerste lid, kan met 12 weken worden verdaagd.

Artikel 2.15 Verplichtingen

  • 1.

    De subsidieontvanger:

    • a.

      start het project uiterlijk zes maanden na het indienen van de volledige aanvraag;

    • b.

      rondt het project uiterlijk 24 maanden na de start van het project af;

    • c.

      overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • d.

      houdt een administratie bij van de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

  • 2.

    Artikel 1.6.6, derde lid en artikel 1.10.1, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijven buiten toepassing.

  • 3.

    Artikel 18 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant is van overeenkomstige toepassing op subsidies verleend voor de provincie Zeeland.

Artikel 2.16 Beslistermijnen vaststelling

  • 1.

    Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag tot vaststelling binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    De termijn, genoemd in het eerste lid, kan met 12 weken worden verdaagd.

Artikel 2.17 Verantwoording

  • 1.

    Bij subsidies tot € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

    • a.

      een inhoudelijk eindverslag;

    • b.

      bewijsstukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 2.

    Bij subsidies boven de € 125.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van:

    • a.

      een inhoudelijk eindverslag;

    • b.

      bewijsstukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • c.

      een controleverklaring.

Artikel 2.18 Bevoorschotting

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies een voorschot van ten hoogste 75% op het verleende subsidiebedrag.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte van de termijnen en de tijdstippen van betaling in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot als bedoeld in het tweede lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 4.

    De bevoorschotting als bedoeld in de voorgaande leden, geschiedt ambtshalve en gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 2.19 Subsidievaststelling

  • 1.

    Gedeputeerde Staten stellen de subsidie op grond van deze paragraaf ingevolge artikel 7, eerste lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening vast op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.

  • 2.

    Overeenkomstig artikel 1.9.4 van het Asb Zeeland 2013 dienen aanvragen tot vaststelling binnen twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend te worden ingediend.

  • 3.

    Op de subsidies tot € 125.000, zijn de volgende artikelen van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 22 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant met uitzondering van het derde lid, vierde lid, zesde lid, zevende lid onderdeel a onder 2, zevende lid onderdeel b, achtste lid en twaalfde lid van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

    • b.

      artikel 33 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. met uitzondering van het eerste lid onder c;

    • c.

      artikel 1.9.5 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 met uitzondering van de accountantsverklaring genoemd in het eerste lid, onder c.

  • 4.

    Paragrafen 1.7 en 1.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijven buiten toepassing.

Artikel 2.20 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2023 en vervolgens elke twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid van de effecten van deze paragraaf in de praktijk.

§ 3 Slotbepalingen

Artikel 3.1 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 3.2. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025.

9 maart 2021,

Gedeputeerde Staten van Zeeland,

de voorzitter, drs. J.M.M. Polman

de secretaris, A.W. Smit

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter, mr. I.R. Adema

de secretaris, drs. M.J.A. van Bijnen MBA

Gedeputeerde Staten van Limburg,

de voorzitter, drs. Th.J.F.M. Bovens

de secretaris, drs. G.H.E. Derks MPA

Bijlage 1 bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025

In de verschillende regionale MIT-regelingen en de landelijke regeling wordt verwezen naar deze bijlage. Deze bijlage is juridisch maatgevend voor de onderwerpen (de KIA’s) waar een project zich op kan richten en voor de maatschappelijke impact waarop een R&D-Samenwerkingsproject mede wordt gerangschikt. Verderop wordt nader toegelicht waar de verschillende kennis- en innovatie-agenda’s zich op richten, en waar uw project zich dus op kan richten. In de algemene en artikelsgewijze toelichting op de Subsidieregeling wordt aangegeven hoe deze informatie dient te worden geinterpreteerd binnen de MIT-regeling en respectievelijk de aanvraag.

Verdeelcriteria en score R&D-project

R&D-Samenwerkingsprojecten kunnen op meerdere maatschappelijke gebieden impact hebben. Dit is een gevolg van het feit dat de missies en Kennis- en Innovatieagenda’s (KIA’s) op zichzelf en onderling overlap vertonen. Ook kan de oplossing voor de ene missie negatief uitwerken op een andere. Iets vergelijkbaars geldt voor de bevordering van sleuteltechnologieën. Bij de toedeling van punten op het onderdeel maatschappelijke impact weegt de beoordelende commissie het totaal aan maatschappelijke baten op de genoemde terreinen.

Nadere informatie en voorbeelden

Er is voor gekozen de informatie in deze bijlage zo beperkt mogelijk te houden. Nadere informatie over de achtergronden en context van de verschillende missies en over de verschillende onderzoeksprogramma’s in de KIA’s kunt u vinden via de relevante URL’s. In de achterliggende documenten kunt u ook voorbeelden vinden van recente innovaties.

KIA 1. Energie en Duurzaamheid

https://www.topsectoren.nl/publicaties/publicaties/2019-publicaties/oktober/161019/kia-energietransitie-en-duurzaamheid

Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een klimaatneutraal energie- en grondstoffensysteem in 2050 of aan een circulaire economie in hetzelfde jaar. Ze dragen daarmee automatisch bij aan de tussendoelen voor 2030. Combinaties zijn logischerwijze mogelijk, daar waar deze thema’s elkaar overlappen. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

  • I.

    Verlaging van het gebruik van fossiele energie c.q. van de uitstoot van CO2 of andere broeikasgassen.

  • II.

    Verhoging van de productie of benutting van duurzame energie en de integratie en de integratie in het energiesysteem.

  • III.

    Verlaging van het gebruik van primaire grondstoffen (rekening houdend met de ecologische voetafdruk).

  • IV.

    Vergroting van het hoogwaardig gebruik van circulaire materialen, onder meer door gebruik van gerecycleerde grondstoffen of duurzaam geproduceerde en verkregen bio-based componenten.

  • V.

    Beperking van de uitstoot van schadelijke stoffen naar het milieu dan wel vervanging van deze schadelijke stoffen door stoffen die veel minder schadelijk of onschadelijk worden geacht.

Vergroten van de efficiency van het mobiliteitssysteem, verkeersveiligheid, ladingveiligheid, cybersecurity, veilig datagebruik en databeheer en het beperken en mitigeren van geluidhinder, fijnstof en andere emissies, trillingen als gevolg van transportbewegingen of –systemen.

De energie-, klimaat- en grondstoffen- gerelateerde aspecten van mobiliteit zijn onderdeel van de punten I t/m V. Punt VI verwijst naar de deel-KIA “Toekomstbestendige Mobiliteitssystemen”, voor het brede thema mobiliteit, waaronder alle milieu- en hinderaspecten naast CO2 voor landgebonden transport, innovaties in luchtvaart en maritiem transport, alsmede veiligheids- en bereikbaarheidsaspecten van alle verkeersmodaliteiten zijn opgenomen.

KIA 2. Gezondheid en Zorg

https://www.health-holland.com/sites/default/files/downloads/missiedocument-gezondheid-en-zorg.pdf

Een samenvatting van het missiethema, de beleidscontext en de landelijke aanpak vindt u in deze flyer: https://www.health-holland.com/sites/default/files/downloads/flyer-gezondheid-en-zorg.pdf. Ook op https://www.health-holland.com/publications/useful-documentsgoed kan meer informatie gevonden worden over deze KIA.

Projecten dienen binnen deze KIA bij te dragen aan de missie Gezondheid en Zorg. De centrale missie daarin is dat in 2040 alle Nederlanders tenminste vijf jaar langer in goede gezondheid leven, en dat de gezondheids¬verschillen tussen de laagste en hoogste sociaaleconomische groepen met 30% zijn afgenomen. Als uitwerking zijn onderliggende missies geformuleerd gericht op i. leefstijl & leefomgeving, ii. verplaatsing van de zorg naar de leefomgeving, iii. verhoging van de participatiegraad van mensen met een chronische ziekte of levenslange beperking en iv. verhoging van de kwaliteit van leven van mensen met dementie. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

  • I.

    Preventie van ziektes of aandoeningen.

  • II.

    Gezondheidswinst voor patiënten die lijden aan één of meer ziektes of aandoeningen.

  • III.

    Verbetering van de opsporing of behandeling van ziektes of aandoeningen of van het herstel daarna.

  • IV.

    Verlaging van de kosten van de zorg, bij zorgverzekering of verzekerde.

  • V.

    Innovaties, bijvoorbeeld hulpmiddelen, die het organiseren van zorg in de eigen leefomgeving in plaats van in zorginstellingen vergemakkelijken.

  • VI.

    Verhoging van deelname aan de samenleving van mensen met een chronische ziekte of levenslange beperking, naar wens en vermogen.

  • VII.

    Verbetering van de kwaliteit van leven van mensen met dementie.

Veel innovaties breken niet door op de markt, zeker ook binnen de KIA gezondheid en zorg. Voordat wordt overgegaan op de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject onder de KIA Zorg en Gezondheid wordt de ondernemer aangeraden het instituut “Health Innovation NL” (HI-NL) te betrekken. HI-NL weet in een vroeg stadium aan te geven of de kans reëel is dat een project succesvol kan worden. Meer informatie over dit instituut is te vinden op https://www.healthinnovation.nl/

KIA 3. Landbouw, Water en Voedsel

https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/

Projecten dienen bij te dragen aan het missiethema Landbouw, Water en Voedsel. Dit thema is onderverdeeld in zes deelmissies, voor elk daarvan is een KIA opgesteld.

KIA 3.a. Kringlooplandbouw

https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/kringlooplandbouw/

Doel is dat in 2030 in de land- en tuinbouw het gebruik van grondstoffen en hulpstoffen substantieel is verminderd en alle eind- en restproducten zo hoog mogelijk worden verwaard. De emissies naar grond- en oppervlaktewater zijn dan tot nul gereduceerd. Ecologische omstandigheden en processen vormen het vertrekpunt voor voedselproductie waardoor biodiversiteit zich herstelt en de landbouw veerkrachtiger wordt. Opgemerkt wordt dat deze KIA 3.a. kan worden gezien als een specifiek onderdeel van de bredere circulariteitsagenda onder missie 1. Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

KIA 3.b. Klimaatneutrale landbouw en voedselproductie

https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/klimaatneutrale-productie/

Doel is een netto klimaatneutraal systeem van landbouw en natuur in 2050. Dit onderdeel is de sectorspecifieke invulling van het klimaatakkoord uit bovengenoemde missie 1. Specifiek voor de landbouw en voedselproductie en vertaald naar projecten voor het MKB binnen de MIT-regeling dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:

KIA 3.c. Klimaatbestendig landelijk en stedelijk gebied

https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/klimaatbestendige-inrichting/

KIA 3.d. Gewaardeerd, gezond en veilig voedsel

https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/gewaardeerd-gezond-en-veilig/

Het doel is in 2030 gezond, veilig en duurzaam voedsel te produceren. Het voedselproductiesysteem is dan robuust en groene producten leveren een waardevolle bijdrage aan hun omgeving. Consumenten waarderen de sector en zijn bereid eerlijke prijzen te betalen. Innovaties dienen de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:

KIA 3.e. Duurzame en veilige Noordzee en andere wateren

https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/duurzame-en-veilige-wateren/

LNV Duurzame visserij en aquacultuur

Aansluitend op KIA 3E is er binnen de MIT-regeling tevens een LNV programma Duurzame visserij en aquacultuur, waarin ondernemers in de visserij en aquacultuur ondersteuning krijgen bij de verdere verduurzaming met behoud van een gezonde bedrijfsvoering. Bij verduurzaming gaat het om gezonde visbestanden en het verlagen van de impact op het ecosysteem door verspilling, ongewenste bijvangst en bodemberoering zoveel mogelijk terug te dringen. Duurzame visserij vereist dat natuur en economie met elkaar in balans komen en blijven. Verduurzamen van de visserij is het vertrekpunt voor de inzet van de innovatiemiddelen via de topsector Agri&Food. De scope is de primaire visserij, inclusief de mossel- en oestervisserij/-kweek. Ook alternatieve vistechnieken en aquacultuur in windparken vallen binnen de scope. Projecten moeten bijdragen aan:

  • I.

    Methoden of vistuigen om selectiever te vissen.

  • II.

    Vismethoden of -tuigen die minder bodemberoering tot gevolg hebben dan de huidige boomkorvisserij.

  • III.

    Minder impact op klimaat of milieu door visserijactiviteiten.

  • IV.

    Alternatieve duurzame vangst- of kweekmethoden van primaire visserij, inclusief de mossel- en oestervisserij/-kweek.

KIA 3.f. Nederland is en blijft de best beschermde en leefbare delta

https://kia-landbouwwatervoedsel.nl/best-beschermde-delta/

KIA 4. Veiligheid

https://www.hollandhightech.nl/sites/www.hollandhightech.nl/files/inline-files/KIA%20Veiligheid%20-%2020191015%20definitief_0.pdf

Projecten dienen bij te dragen aan het missiethema Veiligheid. De missies zijn in nauwe samenwerking met de ministeries van Justitie en Veiligheid en Defensie opgesteld. De overkoepelende ambitie is (potentiële) tegenstanders steeds een stap vóór blijven: “always ahead of the threat’’ met slimme oplossingen in dienst van een veilige maatschappij.

Deelprogramma’s

  • I.

    Integrale aanpak van georganiseerde criminaliteit

    • o

      Interventies en organisatie

    • o

      Real time digitale observatie en ondersteuning

    • o

      Bruikbare data en handelingsperspectief

  • II.

    Maritieme hightech voor een veilige zee

    • o

      Smart kill-chains - Radar en geïntegreerde sensorsuites

    • o

      Smart operations

    • o

      Smart manning & automation

    • o

      Zero emission and survivable warships

    • o

      Smart design and maintenance

    • o

      Smart concepts

  • III.

    Veiligheid in en vanuit de ruimte

    • o

      Robuuste plaatsbepaling- en tijdsynchronisatiesystemen

    • o

      Nationale situational awareness, surveillance & tracking capaciteit

    • o

      Grondgebonden situational awareness capaciteit

    • o

      Laser voor veilige communicatie en vergrote transmissiecapaciteit

    • o

      (Gedeeltelijk) eigen satellietcapaciteit met tijdige en veilige toegang

  • IV.

    Cyberveiligheid

    • o

      Bestrijden cybercrime

    • o

      Bevorderen ontwikkeling cybercompetenties

    • o

      Defensieve cybertechnologie

    • o

      Offensieve cybertechnologie

    • o

      Ketenweerbaarheid en governance

  • V.

    Genetwerkt optreden op land en vanuit de lucht

    • o

      Innovatie in ontwerp en aansturing van netwerken

    • o

      Informatie als wapen

    • o

      Aansturing van genetwerkte logistieke operaties

    • o

      Counter DRAM (Drone, Rocket, Artillery & Mortar)

    • o

      Smart service logistics

  • VI.

    Samen sneller innoveren voor een adaptieve krijgsmacht

    • 1.

      Toepassing van robots/autonome systemen/drones (RAS/RPAS)

    • 2.

      3D-printen voor onderdelen, lokale bouw en materiaalontwikkeling

    • 3.

      Energiesystemen & circulariteit

  • VII.

    Data en intelligence

    • o

      Privacy-bestendige informatiedeling

    • o

      Beslissingsondersteuning

  • VIII.

    De veiligheids-professional

    • o

      Qualified-self, Digitaal wapenen middels nieuwe (leer)methodes

    • o

      Quantified-self, Meetbare prestatie en vitaliteit van veiligheidsprofessionals

    • o

      Digitaal uitgerust - Waarneming en communicatie

    • o

      Reframing veiligheid

KIA 5. Sleuteltechnologieën

https://www.hollandhightech.nl/kia-sleuteltechnologieen

Ook voor de aanpak van sleuteltechnologieën is een KIA geformuleerd. Sleuteltechnologieën worden gekenmerkt door een generiek karakter met een breed toepassingsgebied of bereik in innovaties en/of sectoren. Bij de projecten die voor de missies (KIA 1-4) worden ingediend zal dus veelal gebruik worden gemaakt van een of meer van die sleuteltechnologieën, waarbij sprake kan zijn van doorontwikkeling voor de specifieke toepassing. Projecten die specifiek voor de KIA Sleuteltechnologieën worden ingediend, moeten bijdragen aan de generieke ontwikkeling van (een of meer) sleuteltechnologieën, door:

  • I.

    Een ondersteunende bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van kennis over sleuteltechnologieën, bijvoorbeeld ten behoeve van het onderzoek daarnaar.

  • II.

    Een ondersteunende bijdrage te leveren aan verbrede of versnelde toepassing van een of meer sleuteltechnologieën, bijvoorbeeld door de integratie er van in producten, processen of diensten te vergemakkelijken.

Hierbij wordt benadrukt dat onder optie I het doen van puur onderzoek naar sleuteltechnologieën en onder optie II het puur toepassen ervan in een willekeurige sector anders dan binnen de missies geen basis is voor toekenning van een subsidie. Gezocht wordt naar innovaties die de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van sleuteltechnologieën verbeteren, en die als product verkoopbaar zijn.

De volgende groepen van Sleuteltechnologieën zijn vanuit het perspectief van de potentiële bijdrage van technologie aan maatschappelijke uitdagingen in Nederland aangewezen door het Ministerie van EZK:

  • Chemical Technologies

  • Digital Technologies

  • Engineering and Fabrication Technologies

  • Photonics and Light Technologies

  • Advanced Materials

  • Quantum Technologies

  • Life science technologies

  • Nanotechnologies

Voor meer informatie over bovenstaande groepen en een verdere onderverdeling daarvan is te vinden op https://www.hollandhightech.nl/sites/www.hollandhightech.nl/files/inline-files/20191024%20KIA-ST%20Bijlage%20B%20-%20MJP%27s%20overzicht_0.pdf

KIA 6. Maatschappelijk verdienvermogen

https://www.clicknl.nl/kia-verdienvermogen-2020-2023/

Maatschappelijk verdienvermogen wordt versterkt, wanneer de (beoogde) innovaties bijdragen aan de doelstellingen van de maatschappelijke uitdagingen zoals beschreven in de KIA’s 1 t/m 5, deze oplossingen maatschappelijk gewenst zijn en tegelijk economisch rendabel en schaalbaar zijn. De waarschijnlijkheid dat dit kan worden bereikt, dient in het projectplan te worden onderbouwd. Projecten onder deze KIA dienen derhalve altijd te worden gekoppeld aan één van de KIA’s 1 t/m 5.

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025

I. Algemeen

De Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 sluit aan op de bestuurlijke keuze om het innovatiebeleid te richten op een viertal thematische missies, op ondersteunende sleuteltechnologieën en op maatschappelijk verdienvermogen. Deze aanpak is vastgesteld door het kabinet en is in grote lijnen overgenomen door alle provincies in hun economisch beleid en/of de Research and Innovation Strategies for Smart Specialisation (Regionale innovatiestrategieën; RIS3). Op nationaal niveau zijn de missies en de aanpak voor Sleuteltechnologieën door de topsectoren uitgewerkt in een zestal Kennis- en Innovatie-Agenda’s (KIA’s) waarnaar in bijlage 1 wordt verwezen. In november 2019 zijn deze agenda’s geconcretiseerd in het Kennis- en Innovatieconvenant (KIC), dat ook is ondertekend door de provincies: https://www.topsectoren.nl/binaries/topsectoren/documenten/kamerstukken/2019/november/12-11-19/kic-2020-2023/Kennis--en-Innovatieconvenant-2020-2023.pdf

In de verschillende regionale MIT-regelingen en de landelijke regeling wordt verwezen naar bijlage 1, waar de KIA’s zijn vertaald naar zo concreet mogelijk doelen, die volgen uit de missies, de sleuteltechnologieënagenda en het beoogde verdienvermogen.

Relevantie voor MKB en MKB-innovaties

Missies omvatten een breed scala aan veranderingen en aanpassingen in ons dagelijks leven en ons patroon van produceren en consumeren. Zoals ook in de voorwaarden is aangegeven is de MIT-regeling gericht op het stimuleren van technologische innovaties. De KIA’s bevatten deels concrete vraagstukken binnen elk van de missies waarvoor technologische innovaties evident een bijdrage kunnen leveren. Andere vraagstukken beschrijven de noodzaak tot systeemveranderingen, een andersoortige aanpak of ander gedrag. Technologische innovaties zullen daar veelal een deeloplossing brengen of de veranderingen ondersteunen. Duidelijk moge zijn dat alleen subsidie wordt verstrekt voor het onderzoeken van de haalbaarheid van een innovatie respectievelijk het ontwikkelen ervan, met het bijbehorende innovatierisico, en niet voor het toepassen van een innovatieve werkwijze of een innovatief product in bijvoorbeeld het agrarisch bedrijf, in het stedelijk gebied, rivieren en zeeën of in de zorg.

Aansluiting op bestaande kennis en op onderzoeksagenda’s

Waar een innovatie is gericht op de missiethema’s zijn er geen verplichtingen ten aanzien van het gebruik van (sleutel)technologieën; de innovativiteit en de economische potentie zijn in dat opzicht doorslaggevend. Om vernieuwend en competitief te zijn is het in het algemeen relevant hoogwaardige actuele kennis en kunde in uw innovatie te benutten en/of te combineren. Om competitief te blijven is het een voordeel om aansluiting te (kunnen) vinden op verdere ontwikkeling van die kennis en kunde in eigen land of regio. Om die reden is het advies om goed kennis te nemen van recent binnen de topsectoren en KIA’s ontwikkelde kennis respectievelijk van lopende onderzoeksprogramma’s en -projecten.

Waar de innovatie is gericht op doorontwikkeling of ondersteuning van de implementatie van een sleuteltechnologie, wordt verwezen naar de opsomming van sleuteltechnologieën in KIA 5 en de nadere informatie daar.

Leeswijzer

In deze toelichting wordt aangegeven hoe de informatie dient te worden geïnterpreteerd binnen de MIT-regeling respectievelijk de aanvraag.

De regeling is vastgesteld door de drie colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft. Dit betekent dat de regeling moet passen binnen de kaders die bij de verschillende provincies zijn gesteld. Iedere provincie heeft eerder een eigen algemene subsidieverordening vastgesteld: Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 (Asv 2013), Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 (Asb 2013), Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv), Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. (Asv 2017). De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de genoemde Asv’s liggen ten grondslag aan de regeling. De Asv’s zijn kaderverordeningen. Deze beschrijven op hoofdlijnen voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt en bevatten verder delegatie- en bevoegdheidsbepalingen. Daarnaast geven de Asv’s van Limburg en Noord-Brabant algemene procedureregels voor subsidieverstrekking. In Zeeland is dit geregeld in het Asb 2013. De Asv’s verplichten de colleges van Gedeputeerde Staten om de inhoudelijke en beleidsmatige aspecten van het subsidiebeleid nader uit te werken in subsidieregelingen. Voor Zeeland is hiertoe het Asb 2013 aangewezen. Om die reden wordt deze regeling in Zeeland vastgesteld als supplement bij het Asb 2013. Voor zover mogelijk worden onderwerpen die worden geregeld in de afzonderlijke Asv’s niet herhaald in de regeling, behoudens die onderwerpen die niet in alle drie de Asv’s op dezelfde wijze zijn geregeld.

Arrangementen

De provincies Limburg en Noord-Brabant volgen het rijkssubsidiekader voor het systeem van verantwoording en financieel beheer van de subsidies. Beide Asv’s hanteren dezelfde standaardarrangementen voor wat betreft uitvoerings- en verantwoordingseisen. Ook aan de Asv van Zeeland heeft het gedachtegoed van het rijkssubsidiekader ten grondslag gelegen, met een andere verdeling van arrangementen. Voor wat betreft de verantwoording van de staatssteun wordt gebruikt gemaakt van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Steun onder die vrijstelling moet gestaafd zijn met actuele en specifieke bewijsstukken. Afrekening op basis van een eindverantwoording en werkelijke kosten voldoet daar helemaal aan. Subsidies op basis van paragraaf 1 worden verleend en direct vastgesteld, zonder eindverantwoording waarmee op andere wijze voorzien moet zijn in actuele en specifieke bewijsstukken. Vooraf wordt daarom vanuit de uitvoerbaarheid van het project nadrukkelijk toegezien op een realistische urenplanning en achteraf wordt steekproefsgewijs gecontroleerd op behaalde resultaten (ongeveer 10%). Daarmee wordt in hoge mate voldaan aan het criterium van actuele en specifieke bewijsstukken. Tegelijkertijd is het maximum steunpercentage op grond van de vrijstelling tussen de 60 en 70%, terwijl paragraaf 1 maar 40% vergoed, waarmee het risico op overcompensatie wordt verkleind.

Voor de subsidies op grond van paragraaf 2 wordt afgerekend op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten om te verzekeren dat overcompensatie wordt uitgesloten. De noodzaak van het indienen van een controleverklaring is afhankelijk van de hoogte van de subsidie.

II. Artikelsgewijs

Artikel 1.5 Weigeringsgronden

De weigeringsgronden gelden onverminderd de weigeringsgronden in artikel 4:25 (subsidieplafond) en 4:35 van de Awb en de weigeringsgronden in de drie Asv’s. Dit betekent dat de weigeringsgronden in de Asv’s onverkort gelden. Daar waar dit stroomlijning behoeft, is de weigeringsgrond opgenomen in artikel 1.4.

Artikel 4:35 van de Awb bepaalt dat subsidie wordt geweigerd indien gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

  • a.

    De activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

  • b.

    De aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen

  • c.

    De aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

En voorts indien de aanvrager:

  • a.

    in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid of

  • b.

    Failliet is verklaard of aan hem surseance ven betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel daartoe een verzoek bij de rechtbank is ingediend.

Onder c. Stimulerend effect

Indien sprake is van staatssteun kan deze alleen worden vrijgesteld of anderszins gerechtvaardigd worden verstrekt, indien sprake is van een stimulerend effect. Stimulerend effect is aanwezig als door de subsidie het gedrag van de onderneming verandert. Er wordt bijvoorbeeld een project gerealiseerd dat niet van de grond zou komen zonder subsidie. Of de omvang van een project verandert door de subsidie. In artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de aanvraag om subsidie is ingediend voordat de activiteit aanvangt. Hiermee wordt niet uitgesloten dat activiteiten die eerder zijn aangevangen, ook een stimulerend effect hebben. Dit dient te worden aangetoond. Omdat de doelgroep van deze regeling MKB-ondernemingen zijn en hier snel sprake is van een onderneming in de zin van Europees recht, is de weigeringsgrond breed opgenomen.

Onder d. Deggendorf clausule

Een van de verplichtingen die gelden om gebruik te kunnen maken van een vrijstelling op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is het opnemen van de zogeheten Deggendorf clausule. Deze houdt in dat betaling van steun is uitgesloten aan een onderneming waarbij eerdere steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. Tegen de onderneming is in dat geval een terugvorderingsbevel gegeven.

Onder e. Onderneming in moeilijkheden

In artikel 2 onder 18 van de AGVV is aangegeven in welke gevallen een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. Bij het indienen van een aanvraag, dient hiervoor een verklaring te worden gevoegd waarin wordt verklaard dat aanvrager niet in financiële moeilijkheden verkeert.

Artikel 1.6 Vereisten

De vereisten (zowel algemeen als specifiek) gelden voor alle aanvragen op grond van deze paragraaf en onverminderd de algemene vereisten die in de drie Asv’s zijn opgenomen.

Eerste lid onder b onderdeel 5

Ten aanzien van projecten gericht op de KIA sleuteltechnologieën is het doen van puur onderzoek naar sleuteltechnologieën en/of het puur toepassen ervan in een willekeurige sector anders dan binnen de missies geen basis voor toekenning van een subsidie. Gezocht wordt naar innovaties die de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van sleuteltechnologieën verbeteren, en die als product verkoopbaar zijn.

Artikel 1.7 Subsidiabele kosten

Eerste lid onder a

Binnen een haalbaarheidsproject zijn de kosten die direct betrekking hebben op het project subsidiabel. Dit zijn loonkosten en kosten derden. Onder loonkosten worden verstaan de kosten van: onderzoekers, technici en ander personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden. Loonkosten kunnen worden berekend op twee manieren: ofwel via het forfaitair uurtarief van € 60 ofwel via het bruto jarsalaris opgeslagen met 50% voor overige lasten. Het forfaitair vastgestelde uurtarief wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen die in loondienst zijn bij de aanvragende organisatie en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten. Dit tarief kan ook toegepast worden indien personen van een verbonden onderneming (inclusief holding B.V. en management B.V.) betrokken zijn in de projectuitvoering. Ook eigenaren van ondernemingen die niet worden verloond op basis van een dienstverband kunnen gebruik maken van het forfaitair uurtarief van € 60.

Voor een stagiair die een niet-marktconforme vergoeding ontvangt, is er sprake van fictieve dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief van € 60,- niet. Bij een marktconforme vergoeding is er wel sprake van dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief dus wel. Een marktconforme vergoeding is bijvoorbeeld het minimumjeugd- of cao-loon. De stagiair is bij zo’n stagevergoeding, net als bij gewone werknemers in ‘echte’ dienstbetrekking.

Eerste lid onder b

Kosten derden omvat alle kosten, gemaakt en betaald binnen de projectperiode, waar een factuur en betaal bewijs tegenover staat. Van belang is dat deze kosten op factuurbasis direct betrekking hebben op het project. Indirecte kosten, zoals overheadkosten, vallen niet onder kosten derden en worden meegenomen in de loonkosten. De kosten derden omvatten de kosten voor onderzoek, bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

Tweede, derde, vierde en vijfde lid

In artikel 1.3 van het Asb2013 van Zeeland is bepaald op welke wijze personeelskosten subsidiabel zijn. Van deze regeling kan worden afgeweken. Voor Limburg en Noord-Brabant zijn gelijksoortige regels vastgesteld door Gedeputeerde Staten op grond van de Asv. Voor Limburg zijn dit de Nadere regels met betrekking tot berekeningswijzen uurtarieven en uniforme kostenbegrippen in het kader van het verstrekken van subsidies. Op grond van artikel 3 van de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzen uurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies, schrijft de subsidieverlener een standaardberekeningswijze en de wijze waarop deze berekeningswijze wordt uitgevoerd, voor. Voor Noord-Brabant is door Gedeputeerde Staten Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen uurtarieven subsidies Noord-Brabant vastgesteld. Voor de berekeningswijze van uurtarieven op basis van kosten per kostendrager voor indirecte kosten hanteren Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een opslagpercentage voor indirecte kosten van 25% op arbeidskosten en loonkosten. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan afwijken in een subsidieregeling.

Voor berekeningswijze van uurtarieven op basis van een fortfaitair uurtarief hanteren Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een uurtarief van € 50. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant kunnen hiervan afwijken in een subsidieregeling.

Door in dit artikel de Nadere regels van Limburg van toepassing te verklaren, bepalen Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in dit geval dat de Nadere regels voldoen aan hetgeen bepaald in de Asv van Noord-Brabant. In artikel 1.6 is hiertoe aangegeven welk opslagpercentage en welk forfaitair uurtarief een subsidieaanvrager dient te hanteren in zijn aanvraag. Er wordt in deze regeling uitgegaan van een opslagpercentage van 50% voor indirecte kosten en een uurtarief van € 60 gehanteerd.

Artikel 1.8 Niet Subsidiabele kosten

In de drie provincies is bepaald dat verrekenbare of compensabele BTW niet voor subsidie in aanmerking komt. Daarnaast is in artikel 15 van de ASV 2017 van Limburg bepaald dat niet subsidiabel zijn:

  • 1.

    kosten die samenhangen met financiële of contractuele verplichtingen die zijn aangegaan voordat een projectsubsidie is aangevraagd, tenzij sprake is van voorbereidingskosten of het ontwikkelen van plannen met betrekking tot de in de aanvraag genoemde activiteiten;

  • 2.

    kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd;

  • 3.

    kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.

Kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd, zijn ook al reeds uitgesloten op basis van staatssteunregelgeving (overcompensatieverbod, transparantiebeginsel en maximale steunpercentages).

Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag

In artikel 1.4.1 van het Asb2013 van Zeeland is bepaald dat aanvragen tenminste acht weken voor het begin van de activiteit worden ingediend. Op grond van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten in een individueel geval besluiten af te wijken van deze termijn.

In artikel 10 van Asv 2017 Limburg is bepaald dat gedeputeerde staten in nadere regels een termijn of uiterlijke datum waarbinnen respectievelijk waarop een subsidieaanvraag moet zijn ingediend of ontvangen.

Dit artikel bevat indieningsvereisten en is een aanvulling op hetgeen reeds is bepaald voor de drie provincies. In Zeeland zijn in artikel 1.4.2 van het Asb2013 de in te dienen gegevens opgesomd. Deze opsomming wordt in het aanvraagformulier opgenomen. Hetzelfde geldt voor de opsomming in artikel 11 van de ASV2017 van Limburg.

Artikel 1.11 Subsidiehoogte

De aanvraag is leidend bij de bepaling van de subsidiehoogte. Dit betekent dat een aanvrager minder ontvangt, indien hij minder aanvraagt. Dit volgt reeds uit de Algemene wet bestuursrecht.

Het subsidiepercentage is als volgt tot stand gekomen: Het project bestaat voor tenminste 60% uit haalbaarheidsstudie. Op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening kan over dit deel van de kosten maximaal 50% subsidie worden verstrekt.

Artikel 1.13 Beslistermijnen subsidieverlening

De beslistermijnen voor subsidieverlening wijken onderling van elkaar af in de provincies. Omdat de subsidies uit een gezamenlijk plafond worden verstrekt, is het van belang gelijke termijnen te hanteren. De kortste termijn wordt gehanteerd door Zeeland. Dit is een termijn van acht weken en wordt niet haalbaar geacht voor subsidies uit deze paragraaf. Omdat de termijn is opgenomen in het Asb2013, kan hier gemotiveerd van worden afgeweken. Van de Asv’s van Noord-Brabant en Limburg kan echter niet worden afgeweken. Derhalve is de kortste termijn van deze twee provincies aangehouden: 12 weken. Er geldt dus voor deze paragraaf vanwege de verdeelsystematiek volgorde van binnenkomst dat er in principe binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag een beslissing op wordt genomen.

Artikel 1.14 Verplichtingen algemeen

De provinciale regelgeving van alle drie de provincies geeft de colleges van Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om de verplichtingen uit de Asv’s of het Asb aan te vullen.

Derde lid

Artikel 1.6.6, derde lid van de Asb2013 van Zeeland bepaalt dat indien een instelling niet of niet volledig aan zijn plicht tot bekendmakingen of publiciteitsuitingen heeft voldaan door de provincie als subsidieverstrekker te noemen, de subsidie kan worden verlaagd met vijf procent, met een maximum van € 5.000. Ook wordt van artikel 1.10.1 van de Asv2013 van Zeeland afgeweken waarin is bepaald dat indien na vaststelling van de subsidie blijkt dat activa is vervreemd binnen 5 jaar en aldus de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de op basis van artikel 1.6.3 genoemde verplichting. De subsidievaststelling wordt in dat geval niet ten nadele van de ontvanger gewijzigd of ingetrokken.

Deze verplichting kennen de Asv’s Limburg en Noord-Brabant niet. Het opleggen van een sanctie in één van de provincies schaadt de eenduidigheid en gelijke behandeling. Vanwege de uniformiteit tussen de drie provincies is ervoor gekozen om deze sanctie op geen enkele subsidie die wordt verleend in het kader van deze regeling toe te passen en buiten toepassing te verklaren.

Vierde lid

In de Asb2013 van Zeeland zijn geen bepalingen met betrekking tot vermogensvorming opgenomen. De bepalingen van de Asv’s van Limburg en Noord-Brabant zijn gelijkluidend. De bepaling van de Asv van Noord-Brabant is dan ook van toepassing verklaard op Zeeuwse subsidies.

Artikel 1.16 Betaling

In het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is voor subsidies tot € 10.000 bepaald dat een voorschot van 100% van de maximale subsidie wordt verleend. Een soortgelijke bepaling is opgenomen voor het eerste arrangement, dus tot € 25.000, in Limburg en Noord-Brabant. In het Asb2013 is in artikel 1.8.9 een mogelijkheid opgenomen om arrangement 1 toe te passen op subsidies hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 in individuele gevallen, op basis van een risicoafweging.

Er kan dus gemotiveerd van worden afgeweken om subsidies tot en met € 20.000 voor Zeeland 100% uit te betalen. Vanwege de eenduidigheid en uniformiteit wordt deze subsidies dus in één keer uitbetaald bij verlening.

Artikel 1.17 Vaststelling

De elementen van vaststelling van de subsidies (aanvraagtermijn, beslistermijn en wijze van verantwoording) zijn in de drie provincies bepaald door de hoogte van de subsidie en het hieraan verbonden arrangement. Ter zake van arrangement 1 geldt dat in afwijking van artikel 1.7 en paragraaf 1.8 van het Algemeen subsidiebesluit subsidies tot met € 20.000 direct worden vastgesteld. De Asv’s van Noord-Brabant en Limburg kennen deze mogelijkheid.

§ 2 R&D samenwerkingsproject

Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten

In de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (centrale regeling te vinden op www.overheid.nl) is een definitie van R&D-samenwerkingsproject en R&D-samenwerkingsverband opgenomen.

R&D-samenwerkingsproject: Research and Development-project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerking en voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een R&D-samenwerkingsverband;

R&D-samenwerkingsverband: Research and Development-verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject.

Artikel 2.5 Weigeringsgronden

De weigeringsgronden gelden onverminderd de weigeringsgronden in artikel 4:25 (subsidieplafond) en 4:35 van de Awb en de weigeringsgronden in de drie Asv’s. Dit betekent dat de weigeringsgronden in de Asv’s onverkort gelden.

Artikel 4:35 van de Awb bepaalt dat subsidie wordt geweigerd indien gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

  • a.

    De activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

  • b.

    De aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen

  • c.

    De aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

En voorts indien de aanvrager:

  • a.

    in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid of

  • b.

    Failliet is verklaard of aan hem surseance ven betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel daartoe een verzoek bij de rechtbank is ingediend.

Onder b. Stimulerend effect

Indien sprake is van staatssteun kan deze alleen worden vrijgesteld of anderszins gerechtvaardigd worden verstrekt, indien sprake is van een stimulerend effect. Stimulerend effect is aanwezig als door de subsidie het gedrag van de onderneming verandert. Er wordt bijvoorbeeld een project gerealiseerd dat niet van de grond zou komen zonder subsidie. Of de omvang van een project verandert door de subsidie. In artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de aanvraag om subsidie is ingediend voordat de activiteit aanvangt. Hiermee wordt niet uitgesloten dat activiteiten die eerder zijn aangevangen, ook een stimulerend effect hebben. Dit dient te worden aangetoond. Omdat de doelgroep van deze regeling MKB-ondernemingen zijn en hier snel sprake is van een onderneming in de zin van Europees recht, is de weigeringsgrond breed opgenomen.

Onder c. Deggendorf clausule

Een van de verplichtingen die gelden om gebruik te kunnen maken van een vrijstelling op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is het opnemen van de zogeheten Deggendorf clausule. Deze houdt in dat betaling van steun is uitgesloten aan een onderneming waarbij eerdere steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. Tegen de onderneming is in dat geval een terugvorderingsbevel gegeven.

Onder d. Onderneming in moeilijkheden

In artikel 2 onder 18 van de AGVV is aangegeven in welke gevallen een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. Bij het indienen van een aanvraag, dient hiervoor een verklaring te worden gevoegd waarin wordt verklaard dat aanvrager niet in financiële moeilijkheden verkeert.

Artikel 2.6 Vereisten

De vereisten onder d tot en met f en h zijn afgeleid uit begripsomschrijvingen uit de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.

Eerste lid onderdeel b

De missies, sleuteltechnologieën en het maatschappelijk verdienvermogen, zijn vertaald in de KIA’s.

In bijlage 1 behorende bij de Subsidieregeling is een verwijzing en uitwerking opgenomen van de KIA’s waar een project binnen moet passen danwel uitvoering aan moet geven.

Eerste lid onderdeel g instemming

Instemming van alle deelnemers omvat onder andere instemming met de begroting en een sluitend financieringsplan. Hierdoor kan getoetst worden wat ieders bijdrage in de subsidiabele kosten is en hoe de subsidie over de subsidiabele kosten van de deelnemers verdeeld wordt.

Eerste lid onderdeel h verbondenheid

Er wordt aangesloten bij de definitie van verbonden ondernemingen uit artikel 3 van bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Eerste lid onderdeel i niet meer dan 70%

Deze bepaling is opgenomen om er voor te zorgen dat er echt sprake is van een evenwichtig samenwerkingsverband door te voorkomen dat één van de partijen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening neemt.

Eerste lid onder o impact

Het project heeft een positieve bijdrage, positieve impact op één of meerdere missies, danwel is er sprake van impact op kennisontwikkeling of versterkte implementatie van een sleuteltechnologie. Om de projecten uit de verschillende KIA’s/missies zo goed mogelijk te kunnen beoordelen, en die baten met punten te waarderen, dienen de verwachte baten van de innovatie zoveel mogelijk te worden gekwantificeerd (in aantallen en/of getallen). Dat kan door onder andere een vergelijking te maken met producten, diensten of processen die al op de markt beschikbaar zijn. Ook de waarschijnlijkheid dat die baten kunnen worden bereikt, dient in het projectplan te worden onderbouwd. De impact dient waar mogelijk gekwantificeerd te worden, zodat blijkt wat de omvang ervan is.

De verschillende vormen die de impact in de verschillende missies kan krijgen, zijn toegelicht in bijlage 1.

Artikel 2.7 Subsidiabele kosten

Eerste lid onder a

Binnen een R&D Samenwerkingsproject kunnen loonkosten, afschrijvingskosten en kosten derden worden verantwoord. Onder loonkosten worden verstaan de kosten van: onderzoekers, technici en ander personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden. Loonkosten kunnen worden berekend op twee manieren: ofwel via het forfaitair uurtarief van € 60 ofwel via het bruto jaarsalaris opgeslagen met 50% voor overige lasten. Het forfaitair vastgesteld uurtarief wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen die in loondienst zijn bij de aanvragende organisatie en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten. Dit tarief kan ook toegepast worden indien personen van een verbonden onderneming (inclusief holding B.V. en management B.V.) betrokken zijn in de projectuitvoering. Ook eigenaren van ondernemingen die niet worden verloond op basis van een dienstverband kunnen gebruik maken van het forfaitair uurtarief van € 60.

Voor een stagiair die een niet-marktconforme vergoeding ontvangt, is er sprake van fictieve dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief van € 60,- niet . Bij een marktconforme vergoeding is er wel sprake van dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief dus wel. Een marktconforme vergoeding is bijvoorbeeld het minimumjeugd- of cao-loon. De stagiair is bij zo’n stagevergoeding, net als bij gewone werknemers in ‘echte’ dienstbetrekking.

Eerste lid onder b

Kosten derden omvat alle kosten, gemaakt en betaald binnen de projectperiode, waar een factuur en betaalbewijs tegenover staat. Van belang is dat deze kosten op factuurbasis direct betrekking hebben op het project. Indirecte kosten, zoals overheadkosten, vallen niet onder kosten derden en worden meegenomen in de loonkosten. De kosten derden omvatten de kosten voor contractonderzoek, bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

Eerste lid onder c

Onder afschrijvingskosten wordt verstaan de kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd.

Tweede, derde, vierde en vijfde lid

In artikel 1.3 van het Asb2013 van Zeeland is bepaald op welke wijze personeelskosten subsidiabel zijn. Van deze regeling kan worden afgeweken. Voor Limburg en Noord-Brabant zijn gelijksoortige regels vastgesteld door Gedeputeerde Staten op grond van de Asv. Voor Limburg zijn dit de Nadere regels met betrekking tot berekeningswijzen uurtarieven en uniforme kostenbegrippen in het kader van het verstrekken van subsidies. Op grond van artikel 3 van de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzen uurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies, schrijft de subsidieverlener een standaardberekeningswijze en de wijze waarop deze berekeningswijze wordt uitgevoerd, voor. Voor Noord-Brabant is door Gedeputeerde Staten Regeling uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen uurtarieven subsidies Noord-Brabant vastgesteld. Voor de berekeningswijze van uurtarieven op basis van kosten per kostendrager voor indirecte kosten hanteren Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een opslagpercentage voor indirecte kosten van 25% op arbeidskosten en loonkosten. Gedeputeerde Staten kunnen hiervan afwijken in een subsidieregeling.

Voor berekeningswijze van uurtarieven op basis van een fortfaitair uurtarief hanteren Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een uurtarief van € 50. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant kunnen hiervan afwijken in een subsidieregeling.

Door in dit artikel de Nadere regels van Limburg van toepassing te verklaren, bepalen Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in dit geval dat de Nadere regels voldoen aan hetgeen bepaald in de Asv van Noord-Brabant. In artikel 1.6 is hiertoe aangegeven welk opslagpercentage en welk forfaitair uurtarief een subsidieaanvrager dient te hanteren in zijn aanvraag. Er wordt in deze regeling uitgegaan van een opslagpercentage van 50% voor indirecte kosten en een uurtarief van € 60 gehanteerd.

Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten

In de drie provincies is bepaald dat verrekenbare of compensabele BTW niet voor subsidie in aanmerking komt. Daarnaast is in artikel 15 van de ASV 2017 van Limburg bepaald dat niet subsidiabel zijn:

  • 1.

    kosten die samenhangen met financiële of contractuele verplichtingen die zijn aangegaan voordat een projectsubsidie is aangevraagd, tenzij sprake is van voorbereidingskosten of het ontwikkelen van plannen met betrekking tot de in de aanvraag genoemde activiteiten;

  • 2.

    kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd;

  • 3.

    kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.

Kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd, zijn reeds uitgesloten op basis van staatssteunregelgeving (overcompensatieverbod, transparantiebeginsel en maximale steunpercentages).

Artikel 2.9 Vereisten subsidieaanvraag

In artikel 1.4.1 van het Asb2013 van Zeeland is bepaald dat aanvragen tenminste acht weken voor het begin van de activiteit worden ingediend. Op grond van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten in een individueel geval besluiten af te wijken van deze termijn.

In artikel 10 van Asv 2017 Limburg is bepaald dat gedeputeerde staten in nadere regels een termijn of uiterlijke datum waarbinnen respectievelijk waarop een subsidieaanvraag moet zijn ingediend of ontvangen.

Artikel 2.9 bevat indieningsvereisten en is een aanvulling op hetgeen reeds is bepaald voor de drie provincies. In Zeeland zijn in artikel 1.4.2 van het Asb2013 de in te dienen gegevens opgesomd. Deze opsomming wordt in het aanvraagformulier opgenomen. Hetzelfde geldt voor de opsomming in artikel 11 van de ASV2017 van Limburg.

Artikel 2.10 Subsidieplafond

In dit plafond is een onderscheid gemaakt tussen zogenoemde grote projecten, projecten waarvoor een subsidie tussen € 200.000 tot en met € 350.000 wordt toegekend, en kleine projecten, met een subsidie tot € 200.000, om te voorkomen dat het gehele subsidieplafond wordt toebedeeld aan grote projecten.

Artikel 2.11 Subsidiehoogte

De aanvraag is leidend bij de bepaling van de subsidiehoogte. Dit betekent dat een aanvrager minder ontvangt, indien hij minder aanvraagt. Dit volgt uit de Algemene wet bestuursrecht.

Tweede lid

Uit dit artikel volgt dat de gehele subsidieaanvraag wordt geweigerd indien de subsidiehoogte en verdeling van de subsidie over de deelnemers van het samenwerkingsverband er toe leidt dat een of meer deelnemers minder dan € 25.000 ontvangen of juist meer dan € 100.000 respectievelijk meer dan € 175.000 (afhankelijk van het totaal aangevraagde bedrag).

Artikel 2.12 Verdeelcriteria

Onder eerste lid onder d Impact

R&D-Samenwerkingsprojecten kunnen op meerdere maatschappelijke gebieden (missies) impact hebben en daarmee bijdragen aan de KIA’s zoals beschreven in bijlage 1. Dit is een gevolg van het feit dat de missies en KIA’s op zichzelf en onderling overlap vertonen. Ook kan de oplossing voor de ene missie negatief uitwerken op een andere. Iets vergelijkbaars geldt de bevordering van sleuteltechnologieën. Bij de toedeling van punten op het onderdeel maatschappelijke impact weegt de beoordelende commissie het totaal aan maatschappelijke kosten en baten op de genoemde terreinen.

Artikel 2.14 Beslistermijnen subsidieverlening

De beslistermijnen voor subsidieverlening wijken onderling van elkaar af in de provincies. Omdat de subsidies uit een gezamenlijk plafond worden verstrekt, is het van belang gelijke termijnen te hanteren. De kortste termijn wordt gehanteerd door Zeeland. Dit is een termijn van acht weken en wordt niet haalbaar geacht voor subsidies uit deze paragraaf. Omdat de termijn is opgenomen in het Asb2013, kan hier gemotiveerd van worden afgeweken. Van de Asv’s van Noord-Brabant en Limburg kan echter niet worden afgeweken. Derhalve is de kortste termijn van deze twee provincies aangehouden. Omdat er in deze paragraaf sprake is van een tender geldt er een termijn van 12 weken na afloop van de tenderperiode.

Artikel 2.18 Bevoorschotting

Eerste lid

In het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is een maximale bevoorschotting bepaald van 75% voor het tweede en derde arrangement en voor Limburg en Noord-Brabant is dit niet bepaald in de Asv’s.

In Limburg is in beleidsregels bepaald, artikel 3, onder B, van de Beleidsregels subsidies, dat bij projectsubsidies van € 25.000 tot € 125.000 direct bij subsidieverleningsbeschikking een voorschot worden verleend van 90%. Dit voorschot zal binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking worden overgemaakt op de rekening van de subsidieontvanger. Voor projectsubsidies vanaf € 125.000 is ingevolge artikel 3, onder C, van voornoemde Beleidsregels bepaald dat op basis van de ingediende liquiditeitsprognose van de subsidieontvanger, een schema van de bevoorschotting worden opgenomen tot maximaal 90%. De momenten van uitbetaling van de voorschotten zullen worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking. In artikel 4, tweede lid, van voornoemde Beleidsregels, staat dat de bevoorschotting conform de geschetste beleidslijn worden toegepast, tenzij Gedeputeerde Staten anders bepalen.

Met de huidige bepaling in de regeling wordt afgeweken van het beleid omwille van de eenduidigheid tussen de drie provincies en ten voordele van de aanvragers. Voor de hoogte van de bevoorschotting is aangesloten bij Zeeland, binnen de arrangementenhoogtes van Limburg en Noord-Brabant.

Artikel 2.19 Vaststelling

Eerste lid

Subsidies op grond van deze paragraaf worden vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten. Hierbij gaat het om factuurbewijzen, urenstaten en betaalbewijzen (zoals een bankafschrift waaruit volgt dat er een betaling is verricht).

Tweede lid

Ter zake de aanvraagtermijn waarbinnen de subsidieontvanger zijn aanvraag om vaststelling in moet dienen, hanteren de drie provincies drie verschillende termijnen in de Asv’s. Vanwege de uniforme uitvoering is aansluiting gezocht bij de termijn zoals genoemd in het Asb2013.

9 maart 2021,

Gedeputeerde Staten van Zeeland,

de voorzitter, drs. J.M.M. Polman

de secretaris, A.W. Smit

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter, mr. I.R. Adema

de secretaris, drs. M.J.A. van Bijnen MBA

Gedeputeerde Staten van Limburg,

de voorzitter, drs. Th.J.F.M. Bovens

de secretaris, drs. G.H.E. Derks MPA

Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen

Artikel 8.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    woning: een pand met een individueel adres, een eigen nutsaansluiting, al dan niet grondgebonden, bedoeld en geschikt om in te wonen, waarop de planologische bestemming Wonen rust, niet zijnde een bedrijfs- of dienstwoning of een 1- of 2- kamerappartement;

  • b.

    particuliere woning: een woning in eigendom van een particulier die niet wordt verhuurd;

  • c.

    sociale huurwoning: een woning, meestal in eigendom van een woningcorporatie, die wordt verhuurd in de gereguleerde sector, met een huurprijs van maximaal € 737,14;

  • d.

    vrije sector huurwoning: een woning in eigendom van een particulier of onderneming die wordt verhuurd in de vrije sector;

  • e.

    ongewenste particuliere woning: een verouderde, voor 1975 gebouwde, particuliere woning met een meest recente WOZ-waarde of een maximaal twee jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag door een beëdigd taxateur bepaalde taxatiewaarde (inclusief bijbehorende grond) gelijk aan of lager dan € 190.000;

  • f.

    ongewenste sociale huurwoning: een verouderde, voor 1975 gebouwde, sociale huurwoning met een meest recente WOZ-waarde of een maximaal twee jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag door een beëdigd taxateur bepaalde taxatiewaarde (inclusief bijbehorende grond) gelijk aan of lager dan € 190.000;

  • g.

    ongewenste vrije sector huurwoning: een verouderde, voor 1975 gebouwde, vrije sector huurwoning met een meest recente WOZ-waarde of een maximaal twee jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de subsidieaanvraag door een beëdigd taxateur bepaalde taxatiewaarde (inclusief bijbehorende grond) gelijk aan of lager dan € 190.000;

  • h.

    sloop van een woning: het geheel verwijderen van een woning, met inbegrip van de fundering;

  • i.

    terugbouwen van een woning: het nieuw bouwen van een woning waarbij de regels van toepassing zijn inzake nieuwbouw conform het Bouwbesluit 2012;

  • j.

    toekomstbestendig maken van een woning: het aanpassen van een woning zodanig dat deze voldoet aan de huidige en toekomstige eisen van gebruikers en verandert in minimaal een levensloopbestendige en/of energieneutrale woning;

  • k.

    levensloopbestendige woning: een woning die geschikt is of eenvoudig geschikt is te maken voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners. Vereiste daarbij is dat de woning zonder trappen van buiten af bereikbaar en rolstoeltoegankelijk is, waarbij de zogenaamde 'primaire ruimtes' (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden;

  • l.

    energieneutrale woning: een woning die op jaarbasis zelf voldoende energie opwekt om te voorzien in het huishoudelijk verbruik (elektra, warm water, koken, verwarming) bij een normaal leefpatroon en een hoog comfortniveau;

  • m.

    onttrokken woning: een woning die is gesloopt en niet meer wordt teruggebouwd waarbij de bestemming 'Wonen' niet meer van toepassing is, waarbij het adres/huisnummer is komen te vervallen, zichtbaar via Basisregistratie adressen en gebouwen (BAG);

  • n.

    regionale woningmarktafspraken: afspraken die gemeenten binnen een regio met elkaar maken over de omvang en kwaliteit van te bouwen en te herstructureren woningen in de komende tien jaar, zoals omschreven in het Omgevingsplan Zeeland 2018;

  • o.

    bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

  • p.

    landelijke bebouwingsconcentratie: een concentratie van bebouwing in het landelijk gebied, ook wel buurtschap genoemd, met overwegend een woonfunctie. De grens van de landelijke bebouwingsconcentratie eindigt daar waar de bebouwing zijn aaneengesloten karakter verliest;

  • q.

    innovatie: de mate waarin binnen een activiteit onderdelen zijn opgenomen die nog nooit op deze wijze in Zeeland of daarbuiten zijn uitgeprobeerd;

  • r.

    cultuurhistorie: een door het Rijk op grond van de Monumentenwet 1988 aangewezen stads- of dorpsgezicht, een door het Rijk geselecteerd wederopbouwgebied dat van nationaal belang is of een ander waardevol cultuurhistorisch erfgoed dat is opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van Zeeland;

  • s.

    duurzaamheid: de mate waarin binnen een activiteit maatregelen worden genomen in het kader van het zuinig omgaan met energie, water, grondstoffen en het terugdringen of vermijden van vervuiling;

  • t.

    Z4: de gebieden gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied van de steden Goes, Middelburg, Terneuzen en Vlissingen;

  • u.

    krimpgebied: de gebieden behorend tot de gemeenten Hulst, Terneuzen, Schouwen-Duiveland, Sluis en Vlissingen.

Artikel 8.2

Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft:

  • a.

    het slopen van ongewenste particuliere woningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen of het samenvoegen van twee of meer woningen waaronder ten minste één ongewenste particuliere woning;

  • b.

    het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveel woningen;

  • c.

    het toekomstbestendig maken van minimaal drie aaneengesloten ongewenste particuliere woningen waarbij de minimale investering € 40.000 per woning bedraagt;

  • d.

    het slopen van ongewenste sociale huurwoningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen;

  • e.

    het slopen van ongewenste vrije sector huurwoningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen.

Artikel 8.3

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar van de woning(en) waarop de activiteit, bedoeld in artikel 8.2, betrekking heeft.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan aan een natuurlijk persoon subsidie worden verstrekt voor een activiteit als bedoeld in artikel 8.2.

  • 3.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, wordt subsidie niet verstrekt indien:

    • a.

      de activiteit is aangevangen eerder dan vier weken na beëindiging van de openstellingspe- riode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, als bedoeld in artikel 8.5, eerste lid;

    • b.

      de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 8.5, eerste lid;

    • c.

      de activiteit niet is gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie bedoeld in artikel 8.5, eerste lid;

    • d.

      de activiteit een bezwaar vormt voor het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd;

    • e.

      de activiteit plaatsvindt in een regio waarvoor geen geldende en door de provincie onder- schreven regionale woningmarktafspraken beschikbaar zijn;

    • f.

      de activiteit geen punten scoort op basis van artikel 8.9, tweede lid, aanhef en onderdeel a;

    • g.

      de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied en de landelijke bebouwings- concentratie.

  • 4.

    Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het derde lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.

  • 5.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000.

Artikel 8.4

De artikelen 1.3.1 en 1.3.2 zijn niet van toepassing op een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen.

Artikel 8.5

  • 1.

    Een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 8.6

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen:

  • a.

    een volledig ingevuld aanvraagformulier Provinciale Impuls Wonen, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland;

  • b.

    een beschrijving van de tijdplanning van het project.

Artikel 8.7

Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een externe deskundige.

Artikel 8.8

De hoogte van de subsidie bedraagt:

  • a.

    1°. bij het slopen van ongewenste particuliere woningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen: maximaal € 40.000 per onttrokken woning;

  • 2°. bij het samenvoegen van twee of meer woningen waaronder ten minste één ongewenste particuliere woning: maximaal € 25.000 per samenvoeging;

  • b.

    bij het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveel woningen:

  • 1°. maximaal € 10.000 per gesloopte woning; en

    2°. maximaal € 10.000 ten behoeve van de kosten van het saneren van ernstige vormen van verontreiniging per gesloopte woning;

  • c.

    bij het toekomstbestendig maken van minimaal drie aaneengesloten ongewenste particuliere woningen waarbij de minimale investering € 40.000 per woning bedraagt: maximaal € 10.000 per toekomstbestendig gemaakte woning;

  • d.

    bij het slopen van ongewenste sociale huurwoningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen: maximaal € 15.000 per onttrokken woning;

  • e.

    bij het slopen van ongewenste vrije sector huurwoningen en het niet of minder in aantal terugbouwen van woningen: maximaal € 15.000 per onttrokken woning.

Artikel 8.9

  • 1.

    Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      soort fysieke ingreep;

    • b.

      locatie;

    • c.

      innovatie;

    • d.

      cultuurhistorie;

    • e.

      duurzaamheid.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe:

    • a.

      criterium soort fysieke ingreep:

      • 1°.

        het slopen van ongewenste particuliere woningen en het niet of minder in aantalterugbouwen van woningen of het samenvoegen van twee of meer woningenwaaronder ten minste één ongewenste particuliere woning: ten hoogste vijfhonderdpunten;

      • 2°.

        het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveelwoningen: ten hoogste tweehonderdvijftig punten;

      • 3°.

        het toekomstbestendig maken van minimaal drie aaneengesloten ongewensteparticuliere woningen: ten hoogste honderdvijftig punten, waarbij geldt voor alleenlevensloopbestendige woningen: 75 punten en voor alleen energieneutrale woningen:75 punten;

      • 4°.

        het slopen van ongewenste sociale huurwoningen en het niet of minder in aantalterugbouwen van woningen: ten hoogste honderd punten;

      • 5°.

        het slopen van ongewenste vrije sector huurwoningen en het niet of minder in aantalterugbouwen van woningen: ten hoogste honderd punten.

    • b.

      criterium locatie:

      • 1°.

        Z4: vijftig punten;

      • 2°.

        krimpgebied: vijftig punten;

    • c.

      criterium innovatie: ten hoogste tweehonderd punten;

    • d.

      criterium cultuurhistorie: ten hoogste vijftig punten;

    • e.

      criterium duurzaamheid:

      • 1°.

        particuliere woningen: ten hoogste honderd punten;

      • 2°.

        sociale huurwoningen en vrije sector huurwoningen: ten hoogste tachtig punten;

  • 3.

    Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.

  • 4.

    Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

  • 5.

    Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, en hun plaats in de rangschikking zodanig is dat de som van de toe te kennen maximale subsidiebedragen het subsidieplafond overstijgt, wordt met inachtneming van het subsidieplafond subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium bedoeld in het tweede lid, onderdeel a. Indien ook hierbij sprake is van een gelijk puntenaantal, wordt met inachtneming van het subsidieplafond subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.

  • 6.

    In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.

  • 7.

    Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten zal uitvoeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.

Hoofdstuk 9 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor een kernsportevenement

Artikel 9.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Kernsport: wieler-, water- en strandsport waarbij gebruik wordt gemaakt van het Zeeuwse landschap;

  • b.

    Wielersport: een sport erkend door de Internationale Wielerunie UCI en NFTU;

  • c.

    Watersport: een sport erkend door één van de aan het NOC*NSF gelieerde watersportbonden;

  • d.

    Strandsport: een sport die wordt uitgeoefend op het strand en erkend wordt door één van de aan het NOC*NSF gelieerde bonden.

Artikel 9.2

  • 1.

    Subsidie kan worden verleend voor een kernsportevenement, dat:

    • a.

      door de landelijke sportbond of het NOC*NSF wordt gekwalificeerd als hoogste niveau in de betreffende tak van sport voor de betreffende leeftijdscategorie;

    • b.

      potentie voor Zeeland heeft in de zin van de promotie van de provincie Zeeland door internationale of nationale zichtbaarheid en waarmee de provincie als regio wordt geprofileerd; of,

    • c.

      een economische impuls levert voor de regio.

  • 2.

    Subsidie wordt niet verstrekt voor een evenement waarbij er geen sprake is van verbreding van het evenement door sportontwikkeling, talentontwikkeling, breedtesport of gehandicaptensport.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie voor een kernsportevenement niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 1.000.

Artikel 9.3

  • 1.

    De subsidie bedraagt:

    • a.

      maximaal € 75.000 voor een nationaal of internationaal evenement met regionale en nationale en beperkte internationale media-aandacht, met een publieksbereik ook buiten Zeeland, een groot aantal sporters op het hoogste niveau, een groot aantal side-events en georganiseerd door een professionele organisatie;

    • b.

      maximaal € 25.000 voor een nationaal of provinciaal evenement met provinciale en beperkte nationale media-aandacht, een groot aantal sporters op hoog niveau, een provinciaal publieksbereik en georganiseerd door een semi-professionele organisatie;

    • c.

      maximaal € 5.000 voor een meerdaags evenement met nationale of internationale deelnemers en een regionale uitstraling;

    • d.

      € 2.500 voor een eendaags evenement met nationale deelnemers en een regionale uitstraling.

  • 2.

    De subsidie bedraagt maximaal 10 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum zoals genoemd in het eerste lid.

Artikel 9.4

  • 1.

    1. De aanvraag voor een subsidie wordt ingediend voor 1 januari van het kalenderjaar waarin de activiteit wordt aangevangen.

  • 2.

    2. De behandelingstermijn van de aanvraag vangt aan op 1 januari.

  • 3.

    3. In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag voor subsidie voor een activiteit in 2014 ingediend voor 15 mei 2014.

  • 4.

    4. In afwijking van het tweede lid vangt de behandelingstermijn van de aanvraag voor subsidie in 2014 aan op 15 mei 2014.

Artikel 9.5

Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan SportZeeland.

Artikel 9.6

  • 1.

    Als de subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de aanvragen voor subsidie beoordeeld en geselecteerd aan de hand van de criteria:

    • a.

      Spreiding over de drie kernsporten;

    • b.

      Publieksbereik van het evenement;

    • c.

      Niveau van de sporters die deelnemen aan het evenement;

    • d.

      Provinciaal belang van het evenement;

    • e.

      De publieke uitstraling van het evenement;

    • f.

      Verbreding van het evenement naar een groot publiek.

  • 2.

    Indien na selectie op basis van het eerste lid de subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de te verstrekken subsidies naar rato van de aangevraagde subsidiebedragen verlaagd, tenzij het aangevraagde subsidiebedrag het maximum uit artikel 9.3, eerste lid overschrijdt, dan wordt de subsidie verlaagd naar rato van de in het betreffende artikel genoemde bedrag.

Artikel 9.7

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 9.8

Bij de subsidieverlening kunnen gedeputeerde staten de instelling verplichten medewerking te verlenen aan de toolkit evenementen.

Artikel 9.9

De artikelen 1.2.1, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, en 1.3.1 tot en met 1.10.1 zijn van toepassing op een subsidie voor een kernsportevenement.

Hoofdstuk 10 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor kavelaanvaardingswerken

Artikel 10.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU, L 352 van 24 december 2013;

  • b.

    kavelaanvaardingswerken: cultuurtechnische werken die een bijdrage leveren aan de landbouwkundige structuurverbetering van toegedeelde kavels in een kavelruil;

  • c.

    Kavelruilbureau Zeeland: het bij besluit van gedeputeerde staten van 6 februari 2017 ingestelde Kavelruilbureau Zeeland;

  • d.

    onderneming: één onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013.

Artikel 10.2

  • 1.

    Subsidie kan worden verleend voor kavelaanvaardingswerken.

  • 2.

    De kavelaanvaardingswerken hebben betrekking op toegedeelde kavels bij een kavelruil van landbouwgronden via het Kavelruilbureau Zeeland die na 4 februari 2022 door het Kavelruilbureau Zeeland is goedgekeurd en waarvan de notariële akte is gepasseerd. 

Artikel 10.3

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verleend aan de bij een kavelruil betrokken grondeigenaar die onderneming is die actief is in de primaire productie van landbouwproducten.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt geen subsidie verstrekt indien reeds eerder subsidie is verstrekt voor kavelaanvaardingswerken die betrekking hebben op dezelfde door het Kavelruilbureau Zeeland goedgekeurde kavelruil.

  • 3.

    Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c is niet van toepassing.

Artikel 10.4

De subsidie:

  • a.

    bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 500 per bij de kavelruil toegedeelde hectare; en

  • b.

    wordt verleend in de vorm van de-minimissteun en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 en bedraagt per onderneming, tezamen met eventueel andere verleende de-minimissteun, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen maximaal € 20.000 over een periode van drie belastingjaren.

Artikel 10.5

  • 1.

    De aanvraag voor de subsidie wordt voor het begin van de activiteit ingediend.

  • 2.

    Artikel 1.4.1, tweede lid, is niet van toepassing.

Artikel 10.6

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor de subsidie:

    • a.

      een volledig ingevuld en ondertekend Aanvraagformulier subsidie kavelaanvaardingswerken Provincie Zeeland; en

    • b.

      een volledig ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, aanhef en onder d, bevat de aanvraag voor de subsidie het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop de activiteit betrekking heeft.

Artikel 10.7

  • 1.

    Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 3.

    Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 4.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 10.8

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in § 1.6 is de subsidieontvanger verplicht de activiteit binnen 24 maanden na passering van de notariële akte van de kavelruil, bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, te realiseren.

  • 2.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid.

Hoofdstuk 11 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het nalaten van verjaging van beschermde inheemse ganzen in ganzenrustgebieden

Artikel 11.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU, L 352 van 24 december 2013;

  • b.

    Faunafonds: zelfstandig bestuursorgaan, onder meer belast met het toekennen van tegemoetkomingen in door beschermde diersoorten aangerichte schade aan de landbouw;

  • c.

    ganzenrustgebied: door gedeputeerde staten van Zeeland begrensde percelen landbouwgrond waar overwinterende beschermde inheemse ganzen ongehinderd kunnen foerageren gedurende de periode van 1 november tot 1 april;

  • d.

    gewasperceel: een perceel landbouwgrond dat in gebruik is bij één grondgebruiker, op grond van één gebruikstitel en dat wordt beteeld met één gewas;

  • e.

    grondgebruiker: degene die op titel van eigendom, (erf)pacht dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst gerechtigd is de als ganzenrustgebied aangewezen gewaspercelen in gebruik te hebben en die onderneming is actief in de primaire productie van landbouwproducten;

  • f.

    onderneming: één onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013;

  • g.

    schadehectare: (deel van een) hectare waarop door het Faunafonds een tegemoetkoming in de door beschermde inheemse ganzen aangerichte schade aan de landbouw als bedoeld in de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade (Staatscourant 2014 nr. 22309) wordt verstrekt;

  • h.

    verjaging: opzettelijke verontrusting van beschermde inheemse ganzen.

Artikel 11.2

Subsidie kan worden verleend voor het nalaten van verjaging van beschermde inheemse ganzen in ganzenrustgebieden gedurende de periode van 1 november tot 1 april.

Artikel 11.3

  • 1. Subsidie wordt slechts verleend aan de grondgebruikers van als ganzenrustgebied begrensde gewaspercelen, voor zover deze gebruikers voor de desbetreffende percelen op grond van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van het Faunafonds in de door beschermde inheemse ganzen aangerichte schade aan de landbouw in de periode van 1 november tot 1 april.

  • 2. Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing.

Artikel 11.4

De subsidie

  • a.

    bedraagt in afwijking van de artikelen 1.3.1, 1.3.2 en 1.7.9 € 50,00 per schadehectare van als ganzenrustgebied begrensde gewaspercelen; en

  • b.

    wordt verleend in de vorm van de-minimissteun en bedraagt per onderneming, tezamen met eventueel andere verleende de-minimissteun, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen maximaal € 15.000,00 over een periode van drie belastingjaren.

Artikel 11.5

  • 1. De aanvraag voor subsidie wordt ingediend binnen zes weken na de datum van verzending van het besluit van het Faunafonds op grond van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade omtrent de hoogte van de uit te betalen tegemoetkoming in de door beschermde inheemse ganzen veroorzaakte schade in de periode waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, wordt de aanvraag voor subsidie met betrekking tot de periode van 1 november 2014 tot 1 april 2015 ingediend uiterlijk op 1 december 2015.

Artikel 11.6

  • 1. In afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor de subsidie:

    • a.

      een volledig ingevuld en ondertekend Aanvraagformulier subsidie ingevolge hoofdstuk 11 van het Asb Zeeland 2013,

    • b.

      een volledig ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring, én

    • c.

      een verklaring waaruit blijkt dat de aanvrager voldoet aan het vereiste van artikel 11.2 om voor subsidie in aanmerking te komen.

  • 2. Artikel 1.4.2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11.7

In afwijking van de artikelen 1.8.1 en 1.8.9 wordt op een subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 15.000 arrangement 1 toegepast.

Artikel 11.8

  • 1. In afwijking van artikel 1.7.2 wordt de subsidie verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling.

  • 2. In afwijking van artikel 1.7.3 vindt de volledige betaling van de subsidie plaats na vaststelling.

  • 3. De artikelen 1.6.6, 1.7.4 tot en met 1.7.8, artikel 1.7.9, tweede lid, en 1.8.1 tot en met 1.10.1 zijn niet van toepassing.

Hoofdstuk 12 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van openbaar vervoer per buurtbus

Artikel 12.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    buurtbus: een door de concessiehouder beschikbaar gesteld motorrijtuig, ingericht voor het vervoer van ten hoogste 8 personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, dat wordt ingezet door de concessiehouder voor exploitatie van een lijn, uitgevoerd door in een buurtbusvereniging georganiseerde onbezoldigde chauffeurs;

  • b.

    buurtbusproject: een initiatief van vrijwilligers, waarbij een buurtbus een vaste route rijdt met bepaalde intervallen, in een bepaalde bedieningsperiode en halterend bij bepaalde halten, zoals aangegeven in de dienstregeling;

  • c.

    buurtbusvereniging: een vereniging, die bij notariële akte is opgericht en de dagelijkse uitvoering van het buurtbusproject coördineert;

  • d.

    concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder aan wie de concessie is gegund voor het openbaar vervoer over de weg in het betreffende concessiegebied;

Artikel 12.2

  • 1. Een eenmalige subsidie kan worden verleend voor de oprichting van een buurtbusvereniging, indien:

    • a.

      de statuten van de nieuwe vereniging bij notariële akte zijn gepasseerd; en

    • b.

      de ledenlijst uit minimaal 20 vrijwilligers bestaat die

      • zich hebben aangemeld als buschauffeur;

      • beschikken over een geldig rijbewijs B; en

      • beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts.

    • c.

      er een concreet buurtbusproject, zoals benoemd in artikel 12.3, eerste lid, aanwezig is.

Artikel 12.3

  • 1. Subsidie kan worden verleend voor de uitvoering van een buurtbusproject, indien:

    • a.

      het buurtbusproject vervoer per buurtbus tussen kernen verzorgt; en

    • b.

      het buurtbusproject onderdeel uitmaakt van de voor het openbaar vervoer over de weg opgestelde dienstregeling; en

    • c.

      de buurtbusvereniging voor het buurtbusproject een overeenkomst heeft afgesloten met de concessiehouder; en

    • d.

      gemiddeld 125 reizigers per maand gebruik maken van het buurtbusproject.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen besluiten af te wijken van het in het eerste lid, onder d genoemde aantal reizigers per maand.

Artikel 12.4

  • 1. In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor de oprichting van een buurtbusvereniging ten minste:

    • a.

      de bij notariële akte gepasseerde statuten van de nieuwe vereniging;

    • b.

      een ledenlijst, bestaande uit minimaal 20 vrijwilligers, waarbij duidelijk blijkt dat zij:

      • zich hebben aangemeld als buschauffeur; en

      • beschikken over een geldig rijbewijs B; en

      • beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts.

Artikel 12.5

  • 1. In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor een buurtbusproject ten minste:

    • a.

      een ledenlijst van vrijwillige buschauffeurs, waarbij duidelijk blijkt dat zij:

      • beschikken over een geldig rijbewijs B; en

      • beschikken over een geneeskundige verklaring als bedoeld in het Besluit Personenvervoer, waaruit blijkt dat ze medisch zijn goedgekeurd door een andere arts dan de eigen huisarts.

    • b.

      een opgave van het aantal reizigers dat het afgelopen kalenderjaar van het buurtbusproject gebruik heeft gemaakt.

Artikel 12.6

  • 1. De subsidie bedraagt:

    • a.

      voor de oprichting van een buurtbusvereniging: eenmalig een vergoeding van € 1.000,--;

    • b.

      voor de werving van vrijwilligers voor een buurtbusproject: een vast bedrag van € 1.000,-- per jaar;

    • c.

      oor de uitvoering van een buurtbusproject: een vast bedrag van € 3.000,-- per jaar;

    • d.

      voor elke ingezette vrijwillige buschauffeur en voor elk bestuurslid, niet zijnde buschauffeur, per vereniging: een vast bedrag van € 100,-- per jaar.

  • 2. De in het eerste lid onder c en d bepaalde bedragen worden naar rato berekend, indien er sprake is van een gedeelte van het jaar.

Hoofdstuk 13 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor opruiming van drugsafval provincie Zeeland 2021-2024

Artikel 13.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

bodem: vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming alsmede de bodem en oevers van een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet;

drugsafval: afval dat ontstaat bij de productie van synthetische drugs;

dumping van drugsafval: in strijd met wet- en regelgeving achterlaten van drugsafval in of op de bodem, dan wel het lozen of storten van drugsafval in oppervlaktewater;

kosten derden: kosten die op factuur aantoonbaar aan derden verschuldigd zijn en die direct ten behoeve van de subsidiabele activiteit worden gemaakt;

oppervlaktewater: vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen;

sanering van de bodem: nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd teneinde verontreiniging van de bodem en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken als bedoeld in artikel 13 van de Wet bodembescherming en artikel 6.8 van de Waterwet;

synthetische drugs: uit chemische grondstoffen geproduceerde verdovende middelen;

verwijdering: verwijdering als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Artikel 13.2 Doelgroep

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt aan:

    • a.

      gemeenten, omgevingsdiensten of waterschappen;

    • b.

      natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen die eigenaar of erfpachter zijn van een locatie waar drugsafval is gedumpt;

    • c.

      Staatsbosbeheer als eigenaar van een locatie waar drugsafval is gedumpt.

  • 2.

    Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en c is niet van toepassing.

Artikel 13.3 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op herstel van bodem en oppervlaktewater in geval van dumping van drugsafval, in de vorm van:

  • a.

    afvoer en verwijdering van gedumpt drugsafval;

  • b.

    afvoer en verwijdering van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; of

  • c.

    sanering van de bodem die is verontreinigd als rechtstreeks gevolg van de aanwezigheid van gedumpt drugsafval.

Artikel 13.5 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is uitgevoerd in de provincie Zeeland;

    • b.

      het project is gericht op herstel van bodem of oppervlaktewater in geval van dumping van drugsafval, in de vorm van:

      • 1°.

        afvoer en verwijdering van gedumpt drugsafval;

      • 2°.

        afvoer en verwijdering van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater; of

      • 3°.

        sanering van de bodem die is verontreinigd als rechtstreeks gevolg van de aanwezigheid van gedumpt drugsafval;

    • c.

      de locatie waarop drugsafval is gedumpt:

      • 1°.

        is in geval van een aanvrager als bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, onder a, gelegen binnen de territoriale bevoegdheid van de aanvrager; of

      • 2°.

        behoort in geval van een aanvrager als bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, onder b of c, tot het eigendom respectievelijk erfpachtrecht van de aanvrager;

    • d.

      de afvoer en verwijdering van het drugsafval heeft plaatsgevonden in de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2024;

    • e.

      aan het project ligt ten grondslag:

      • 1°.

        een bewijs van melding of aangifte bij de politie van de dumping van het drugsafval in de vorm van een meldingsnummer of proces-verbaalnummer;

      • 2°.

        een beschrijving en foto’s van het gedumpte drugsafval alsmede een kaart met de locatie waar het drugsafval is aangetroffen; en

      • 3°.

        een bewijs van de gemaakte kosten voor de afvoer en verwijdering van het drugsafval of het oppervlaktewater dan wel de sanering van de bodem.

  • 2.

    Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.3, onder a of b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het aangetroffen drugsafval dan wel verontreinigde oppervlaktewater is afgevoerd en verwijderd conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving;

    • b.

      aan het project ligt een bewijs van afvoer en verwijdering van het drugsafval dan wel verontreinigde oppervlaktewater ten grondslag in de vorm van een afvoerbon.

  • 3.

    Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 13.3, onder c, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de bodem is gesaneerd conform de daarvoor geldende wet- en regelgeving;

    • b.

      aan het project ligt een bewijs van sanering van de bodem ten grondslag in de vorm van een saneringsverslag.

Artikel 13.6 Subsidiabele kosten

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.3.1, eerste lid, komen, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, voor subsidie in aanmerking de daadwerkelijk gemaakte kosten derden met betrekking tot:

    • a.

      het afvoeren en verwijderen van gedumpt drugsafval;

    • b.

      het afvoeren en verwijderen van door gedumpt drugsafval verontreinigd oppervlaktewater;

    • c.

      het saneren van de uit de dumping voortvloeiende verontreinigde bodem.

  • 2.

    Artikel 1.3.2 is niet van toepassing.

Artikel 13.7 Subsidieaanvraag

Een subsidieaanvraag voldoet aan de volgende vereisten:

  • a.

    subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier;

  • b.

    een subsidieaanvraag bevat, in afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen;

  • c.

    subsidieaanvragen worden ingediend na afloop van het project.

Artikel 13.8 Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen worden ingediend van:

  • a.

    17 november 2021 tot en met 31 december 2021;

  • b.

    1 januari 2022 tot en met 31 december 2022;

  • c.

    1 januari 2023 tot en met 31 december 2023;

  • d.

    1 januari 2024 tot en met 31 januari 2025.

Artikel 13.9 Subsidieplafond

Gedeputeerde staten stellen het subsidieplafond vast op:

  • a.

    € 27.414 voor de periode, genoemd in artikel 13.8, onder a;

  • b.

    € 27.414 voor de periode, genoemd in artikel 13.8, onder b;

  • c.

    € 27.414 voor de periode, genoemd in artikel 13.8, onder c;

  • d.

    € 27.414 voor de periode, genoemd in artikel 13.8, onder d.

Artikel 13.10 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt:

  • a.

    ingeval de grond of het water waar het project betrekking op heeft eigendom is van een natuurlijke persoon, privaatrechtelijke rechtspersoon of Staatsbosbeheer, dan wel de subsidieaanvrager een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon is die de grond in erfpacht heeft: 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999;

  • b.

    ingeval de grond of het water waar het project betrekking op heeft eigendom is van een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 13.2, eerste lid, onder a: 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999.

Artikel 13.11 Verdelingswijzen

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4.

    De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen van hoog naar laag worden gerangschikt in volgorde van trekking.

  • 5.

    Subsidie wordt verdeeld over opeenvolgende aanvragen in de rangschikking die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 13.12 Subsidievaststelling

  • 1.

    Gedeputeerde staten stellen de subsidie direct vast.

  • 2.

    De betaling van het subsidiebedrag vindt in een keer plaats.

  • 3.

    De artikelen 1.7.1 tot en met 1.7.7 en 1.7.9. tot en met 1.9.10 zijn niet van toepassing.

Artikel 13.13 Overige bepalingen

De artikelen 1.5.3 en 1.6.6 zijn niet van toepassing.

Hoofdstuk 14 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen (Fonds Impuls Bedrijventerreinen)

Artikel 14.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    actueel regionaal bedrijventerreinprogramma: een door gedeputeerde staten na 1 januari 2016 bekrachtigd programma waarin gemeenten in regionaal verband hun bedrijventerreinbeleid afstemmen; 

  • b.

    bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie; 

  • c.

    herstructurering: alle eenmalige ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebben de veroudering van het terrein of delen ervan tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud gerekend worden. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden:

    • -

      facelift;

    • -

      revitalisering;

    • -

      zware revitalisering;

    • -

      herprofilering;

    • -

      transformatie; 

  • d.

    veroudering: technische, economische, maatschappelijke of ruimtelijke veroudering, met als gevolg het economisch suboptimaal functioneren van de gevestigde bedrijven, verpaupering of verrommeling van de omgeving, inefficiënt ruimtegebruik, een onnodige impuls voor de ontwikkeling van nieuwe uitleglocaties of onveiligheid;  

  • e.

    zeehaventerrein: een als zodanig op kaart 1 van het Omgevingsplan Zeeland 2018 aangegeven terrein van minimaal één hectare bruto dat onderdeel vormt van het beheersgebied van Zeeland Seaports.

Artikel 14.2

Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft het realiseren van een kwaliteitsimpuls voor een bedrijventerrein door middel van herstructurering waardoor het regionaal aanbod aan bedrijventerreinen zo goed mogelijk aansluit bij de vraag.

Artikel 14.3

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, wordt subsidie niet verstrekt indien:

    • a.

      de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 14.6, eerste lid;

    • b.

      de activiteit niet is gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 14.6, eerste lid;

    • c.

      de activiteit plaatsvindt buiten een bedrijventerrein;

    • d.

      de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van een nieuwe economische drager, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A bij de Omgevingsverordening Zeeland 2018 alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland 2018 toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen de bebouwde kom;

    • e.

      de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein;

    • f.

      de activiteit plaatsvindt in een regio waar geen actueel regionaal bedrijventerreinprogramma beschikbaar is;

    • g.

      de activiteit op basis van artikel 14.9, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b tezamen, minder dan 30 punten scoort of de som van de punten op basis van artikel 14.9, tweede lid, aanhef en onderdeel a tot en met e, minder bedraagt dan 60 punten;

    • h.

      de gevraagde subsidie hoger is dan 50% van het totaal van de subsidiabele kosten van de activiteit.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het tweede lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.

  • 4.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie alleen verstrekt indien de te verstrekken subsidie meer dan € 50.000,- bedraagt.

Artikel 14.4

De subsidie bedraagt maximaal € 1.000.000,-.

Artikel 14.5

  • 1.

    De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten voor marketing en promotie;

    • b.

      kosten voor het afwaarderen van de boekwaarde van de gronden;

    • c.

      kosten voor bodemsanering voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 14.6

  • 1.

    Een subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen acht weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 14.7

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie in het kader van de kwaliteitsimpuls voor bedrijventerreinen:

  • a.

    een volledig ingevuld aanvraagformulier Fonds Impuls Bedrijventerreinen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland;

  • b.

    een beschrijving van de tijdplanning van het project;

  • c.

    voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering.

Artikel 14.8

Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.

Artikel 14.9

  • 1.

    Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      kwaliteitsverbetering:

      de mate van vooruitgang die geboekt wordt in de verbetering van het vestigingsklimaat van het bedrijventerrein voor bedrijven;

    • b.

      locatie:

      de bijdrage die de ontwikkeling op die specifieke locatie levert aan een toekomstbestendige bedrijventerreinvoorraad;

    • c.

      hefboom:

      de verhouding tussen de subsidie en de maatschappelijke meerwaarde. Dit komt tot uitdrukking in de bereidheid van andere partijen om in het project te investeren en de aansluiting bij een visie of uitvoeringsplan;

    • d.

      innovatie:

      de mate waarin gebruikelijke barrières worden doorbroken door het toepassen van een vernieuwende werkwijze;

    • e.

      duurzaamheid en leefomgeving:

      de mate waarin ingrepen bijdragen aan de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie en vergroting van de biodiversiteit op bedrijventerreinen en het terugdringen en vermijden van vervuiling.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe:

    • a.

      kwaliteitsverbetering: ten hoogste 40 punten. Wanneer het project enkel bestaat uit investeringen in de openbare ruimte: ten hoogste 20 punten;

    • b.

      locatie: ten hoogste 40 punten;

    • c.

      hefboom: ten hoogste 25 punten;

    • d.

      innovatie: ten hoogste 25 punten;

    • e.

      duurzaamheid en leefomgeving: ten hoogste 40 punten;

  • 3.

    Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.

  • 4.

    Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

Hoofdstuk 15 Vervallen

Hoofdstuk 16 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor versterking van kennis- en innovatienetwerken

Artikel 16.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    triple helix netwerk: een netwerk waar minimaal tien bedrijven, minimaal twee onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen en minimaal één overheidsinstelling deel van uitmaken;

  • b.

    kennis- en innovatienetwerk: een georganiseerd triple helix netwerk gevormd door meerdere partijen binnen een economische sector met de intentie om kennis en ervaring te delen met als doel de sector te versterken en innovatie binnen de sector te stimuleren;

  • d.

    innovatieve projecten of programma’s: projecten of programma’s gericht op de ontwikkeling van:

    • 1.

      nieuwe producten, processen of diensten;

    • 2.

      wezenlijk nieuwe toepassingen van bestaande producten, processen of diensten;

  • d.

    meerjaren agenda: gezamenlijke strategische meerjaren visie inclusief jaarlijks uitvoeringsprogramma;

  • e.

    uitvoeringsprogramma: programma bestaand uit innovatieve projecten of programma’s die door deelnemende partijen binnen het netwerk worden gedefinieerd, georganiseerd en opgevolgd en waarbij de vraag vanuit de ondernemers leidend is.

Artikel 16.2

Subsidie kan worden verleend voor de versterking van het organiserend vermogen van een bestaand kennis- en innovatienetwerk:

  • a.

    dat bijdraagt aan de versterking van de Zeeuwse concurrentiekracht;

  • b.

    dat actief is binnen een van de volgende Zeeuwse economische sectoren:

    • 1.

      industrie en maintenance;

    • 2.

      havens en logistiek;

    • 3.

      agrofood en seafood;

    • 4.

      water en energie;

    • 5.

      vrijetijdseconomie;

    • 6.

      zorg;

  • c.

    dat van toegevoegde waarde is binnen de betreffende economische sector in Zeeland, in die zin dat er geen of beperkte inhoudelijke overlap is met andere netwerken;

  • d.

    dat de vraag vanuit de ondernemers als belangrijkste uitgangspunt neemt;

  • e.

    dat ten minste Zeeland breed acteert;

  • f.

    dat beschikt over een meerjaren agenda;

  • g.

    waarbij de resultaten van de activiteiten van het netwerk overwegend ten goede komen aan Zeeland;

  • h.

    dat connecties of samenwerkingen heeft met programma’s en clusters elders in of buiten Zeeland en bijdraagt aan provinciale beleidsdoelstellingen en zo mogelijk het nationale en Europese beleid in de betreffende sector;

  • i.

    dat in het betreffende kalenderjaar niet eerder provinciale subsidie heeft ontvangen voor de versterking van het organiserend vermogen.

Artikel 16.3

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt aan een kennis- en innovatienetwerk dan wel aan één van de deelnemende partijen binnen het netwerk.

Artikel 16.4

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, zijn de subsidiabele kosten de kosten voor:

    • a.

      het initiëren en organiseren van activiteiten en bijeenkomsten voor de leden of partners van het netwerk;

    • b.

      het initiëren en organiseren van activiteiten met als doel het werven van nieuwe leden of partners van het netwerk;

    • c.

      het onderhouden van contacten met leden of partners;

    • d.

      de ondersteuning bij het ontwikkelen en updaten van de meerjaren agenda;

    • e.

      het initiëren en organiseren van samenwerking met andere regionale, landelijke en Europese netwerken;

    • f.

      public relations en communicatie omtrent de activiteiten van het netwerk;

    • g.

      vertegenwoordiging van het netwerk op regionaal, nationaal en internationaal niveau.

  • 2.

    Niet subsidiabel zijn de kosten voor het uitvoeren of managen van projecten die voortkomen uit het uitvoeringsprogramma van het netwerk.

Artikel 16.5

  • 1.

    Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van een aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 3.

    Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 4.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 16.6

In aanvulling op artikel 1.4.2 bevat de aanvraag voor de subsidie:

  • a.

    een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Kennis- en Innovatienetwerken;

  • b.

    een schriftelijk vastgestelde meerjaren agenda, inclusief het uitvoeringsprogramma voor het komende kalenderjaar;

  • c.

    een beschrijving van de connecties of samenwerkingen die het netwerk heeft of zal aangaan met programma’s en clusters elders in of buiten Zeeland en op welke wijze het netwerk bijdraagt aan provinciale beleidsdoelstellingen en zo mogelijk het nationale en Europese beleid in de betreffende sector;

  • d.

    een beschrijving op welke wijze bedrijven, onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen en overheidsinstellingen betrokken zijn bij het netwerk en op welke op welke wijze en hoeveel overige bedrijven, onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen en overheidsinstellingen het netwerk gaat betrekken bij de uitvoering van projecten en andere activiteiten.

Artikel 16.7

Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan een extern deskundige.

Artikel 16.8

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,-.

Hoofdstuk 17 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Zeeland in Stroomversnelling

Paragraaf 17.1 Algemene bepalingen

Artikel 17.1.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

    consortium: een samenwerkingsverband van ten minste drie partijen, waaronder ten minste één onderneming en één kennispartner, dat als doel heeft om op basis van een gezamenlijke strategische agenda systeemversterkende projecten te realiseren die een bijdrage leveren aan de versterking van de Zeeuwse concurrentiepositie;

  • c.

    demonstratieproject: een project dat kwalificeert als experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening : het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten. Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vast staan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden;

  • d.

    De-minimisverordening:

    • Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013; of

    • Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, Pb L 352/9 van 24 december 2013; of

    • Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, Pb L 190/45 van 28 juni 2014;

  • e.

    Deskundigencommissie: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht en overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet;

  • f.

    haalbaarheidsonderzoek: het onderzoek en de analyse van het potentieel van een project, met als doel de besluitvorming te ondersteunen door objectief en rationeel de sterke en zwakke punten van een project, de kansen en risico’s in kaart te brengen, waarbij ook wordt aangegeven welke middelen nodig zijn om het project te kunnen doorvoeren en wat uiteindelijk de slaagkansen zijn;

  • g.

    innovatief product: nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product;

  • h.

    innovatief productieproces: nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces;

  • i.

    innovatieve dienst: nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst;

  • j.

    kennispartner: een organisatie, die kennis levert aan het consortium en deelt binnen het netwerk;

  • k.

    kmo: kleine en middelgrote ondernemingen die aan de in Bijlage I van de Algemene groepsvrijstellingsverordening vastgestelde criteria voldoen;

  • l.

    strategische agenda: gezamenlijke strategische visie met uitvoeringsprogramma, waarin gewerkt wordt aan structuurversterking in de Zeeuwse economische clusters, per cluster vastgelegd in de volgende documenten:

    • 1°.

      industrie en maintenance

      • Smart Delta Resources Regioplan 2030-2050, Smart Delta Resources, september 2020;

      • SDR Roadmap, CE Delft, maart 2018;

      • Meerjarenplanning KicMPi 2020-2023, Kennis- en innovatiecentrum Maintenance Procesindustrie, 12 juni 2020;

      • Schelde Safety Network Strategische Agenda 2021-2023, Schelde Safety Network, 30 maart 2021;

    • havens en logistiek:

      • Visie en actieplan Logistiek Zeeland 2019-2023, Zeeland Connect, 2019;

    • agrofood en seafood:

      • Verbinden en versterken Visserij Zuidwest Nederland Agenda 2022, Stuurgroep Visserij-innovatie Zuidwest Nederland, december 2018;

      • Driejarenplan 2022-2024 voor begeleiding van het kennis- en innovatienetwerk FoodDelta Zeeland, FoodDelta Zeeland, 4 februari 2022;

      • Samen werken aan het Zeeuwse platteland!, Ambitiedocument voor uitvoeringsprogramma landelijk gebied: landbouw en natuur, provincie Zeeland, 19 oktober 2019;

      • Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030, provincie Zeeland, 10 juni 2021;

    • water en energie:

      • Smart Maintenance Fieldlab Zephyros, Strategische agenda (update 2022), Fieldlab Zephyros, 10 maart 2022;

      • Regionale Energiestrategie Zeeland (RES 1.0), stuurgroep RES Zeeland, februari 2020;

      • Kennis- & Innovatienetwerk Circulair Bouwen, meerjarenagenda, Kennis- & Innovatienetwerk Circulair Bouwen, oktober 2021;

      • 10-jarenplan 2020-2030 Stichting Circular Biobased Delta, Stichting Circular Biobased Delta, mei 2020;

    • vrijetijdseconomie:

      • Strategische Agenda Toerisme voor Zeeland 2020-2030, TUA/TOZ, mei 2019;

    • zorg:

      • Visie op Zorg in Zeeland in 2025, Commissie Toekomstige Zorg in Zeeland 2025, juli 2015;

      • Deltaplan arbeidsmarkt zorg & welzijn Zeeland 2020-2024, Viazorg, oktober 2019.

Artikel 17.1.2

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan een consortium werkzaam binnen één of meer van de volgende Zeeuwse economische clusters:

    • a.

      industrie en maintenance;

    • b.

      havens en logistiek;

    • c.

      agrofood en seafood;

    • d.

      water en energie;

    • e.

      vrijetijdseconomie;

    • f.

      zorg.

  • 2.

    Indien het consortium geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, subsidie slechts verstrekt aan één van de deelnemende partijen binnen het consortium; en

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het consortium.

Artikel 17.1.3

In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt indien:

  • a.

    de subsidie geen stimulerend effect heeft, als bedoeld in artikel 6 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • b.

    ten aanzien van de aanvrager een bevel tot terugvordering, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening uitstaat;

  • c.

    de aanvrager een onderneming in moeilijkheden, als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening is.

Artikel 17.1.4

Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de aanvrager is gevestigd in Zeeland;

  • b.

    de aanvrager acteert ten minste op Zeeuws regionaal niveau

  • c.

    de subsidiabele activiteit komt overwegend ten goede aan Zeeland; en

  • d.

    de subsidiabele activiteit behoort niet tot de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager;

  • e.

    de subsidiabele activiteit neemt de vraag vanuit de ondernemers als belangrijkste uitgangspunt;

  • f.

    de subsidiabele activiteit draagt bij aan de realisatie van de strategische agenda van het cluster;

  • g.

    de resultaten die voortvloeien uit de subsidiabele activiteit zijn openbaar en worden op niet-exclusieve en niet-discriminerende basis breed verspreid onder (Zeeuwse) ondernemingen en instellingen die geen deel uitmaken van het consortium;

  • h.

    de deelnemende partijen aan het consortium vormen in het kader van de subsidiabele activiteit een evenwichtig samenwerkingsverband, zowel wat betreft de verdeling van de kosten als wat betreft de inbreng in de activiteit. Geen van de deelnemende partijen neemt meer dan 70% van de kosten voor haar rekening.

Paragraaf 17.2 Haalbaarheidsonderzoeken

17.2.1 Artikel

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek ter voorbereiding van de ontwikkeling van:

  • a.

    een innovatief product;

  • b.

    een innovatief productieproces;

  • c.

    een innovatieve dienst.

Artikel 17.2.2

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 10.000,- of minder bedraagt.

  • 2.

    Voor zover sprake is van staatssteun wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.

  • 3.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, voldoet het project aan de volgende criteria:

    • a.

      het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie vanuit een strategische agenda;

    • b.

      het project is voldoende innovatief; en

    • c.

      het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.

Artikel 17.2.3

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, zijn de subsidiabele kosten uitsluitend de kosten van het haalbaarheidsonderzoek.

  • 2.

    Kosten komen slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze worden gemaakt na ontvangst van de volledige aanvraag.

Artikel 17.2.4

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17.2.1 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.

  • 3.

    In het openstellingsbesluit kunnen gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot de economische clusters waarbinnen het consortium werkzaam moet zijn.

Artikel 17.2.5

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie:

  • a.

    een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling - haalbaarheidsonderzoek'; en

  • b.

    een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting.

Artikel 17.2.6

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000,-

 

Artikel 17.2.7

  • 1.

    Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie vanuit een strategische agenda;

    • b.

      de mate van innovativiteit van het project; en

    • c.

      de kwaliteit van het projectplan.

  • 2.

    Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

Artikel 17.2.8

  • 1.

    Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17.2.1 voor advies over artikel 17.2.2, derde lid, en artikel 17.2.7, voor aan de Deskundigencommissie.

  • 2.

    Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag mondeling toe. 

Artikel 17.2.9

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17.2.4, eerste lid.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 17.2.10

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen

    • a.

      het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart;

    • b.

      het project wordt binnen 18 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.

  • 2.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.

Paragraaf 17.3 Demonstratieprojecten

Artikel 17.3.1

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een demonstratieproject gericht op de ontwikkeling van:

  • 1.

    een innovatief product;

  • 2.

    een innovatief productieproces;

  • 3.

    een innovatieve dienst.

Artikel 17.3.2

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 50.000,- of minder bedraagt.

  • 2.

    Voor zover sprake is van staatssteun, wordt subsidie slechts verstrekt indien:

    • a.

      het project kwalificeert als experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • b.

      het project daadwerkelijke samenwerking behelst:

      • tussen ondernemingen waarvan er ten minste één een kmo is, of wordt uitgevoerd in ten minste twee lidstaten, en geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor haar rekening neemt, of

      • tussen een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onder 83, van de Algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de subsidiabele kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren;

    • c.

      de projectresultaten ruim worden verspreid via conferenties, publicaties, open-access-repositories, of gratis opensource-software.

  • 3.

    Voor zover sprake is van staatssteun en het project niet voldoet aan de vereisten in het tweede lid, wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.

  • 4.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, voldoet het project aan de volgende criteria:het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.

    • a.

      het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie vanuit een strategische agenda;

    • b.

      het project is voldoende innovatief;

    • c.

      het project heeft voldoende economisch perspectief; en

    • d.

      het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.

Artikel 17.3.3

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, zijn de subsidiabele kosten:

    • a.

      personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

    • b.

      kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige

      beginselen, als subsidiabele kosten beschouwd;

    • c.

      kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de afschrijvingskosten overeenstemmend met de looptijd van het project, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als subsidiabele kosten beschouwd. Wat gronden betreft, zijn

      de kosten voor de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten subsidiabel;

    • d.

      kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

    • e.

      bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

  • 2.

    Kosten komen slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze worden gemaakt na ontvangst van de volledige aanvraag.

Artikel 17.3.4

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17.3.1 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.

  • 3.

    In het openstellingsbesluit kunnen gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot de economische clusters waarbinnen het consortium werkzaam moet zijn.

Artikel 17.3.5

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie:

  • a.

    een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Zeeland in Stroomversnelling - demonstratieproject; en

  • b.

    een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting.

Artikel 17.3.6

De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 200.000,-

Artikel 17.3.7

  • 1.

    Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie vanuit een strategische agenda;

    • b.

      de mate van innovativiteit van het project;

    • c.

      het economisch perspectief van het project; en

    • d.

      de kwaliteit van het projectplan.

  • 2.

    Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

Artikel 17.3.8

  • 1.

    Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17.3.1 voor advies over artikel 17.3.2, vierde lid, en artikel 17.3.7, voor aan de Deskundigencommissie.

  • 2.

    Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag mondeling toe.

Artikel 17.3.9

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17.3.4, eerste lid.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 17.3.10

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart;

    • b.

      het project wordt binnen 30 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.

  • 2.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.

Hoofdstuk 17A Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Zeeland in Stroomversnelling: Human Capital Agenda

Artikel 17A.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    consortium: een samenwerkingsverband van ten minste drie partijen, waaronder ten minste één onderneming en één kennispartner, dat als doel heeft om op basis van een gezamenlijke agenda systeemversterkende projecten te realiseren die een bijdrage leveren aan de versterking van de Zeeuwse concurrentiepositie;

  • b.

    De-minimisverordening:

    • -

      Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013; of

    • -

      Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, Pb L 352/9 van 24 december 2013; of

    • -

      Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, Pb L 190/45 van 28 juni 2014;

  • c.

    Deskundigencommissie: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht en overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet;

  • d.

    kennispartner: een organisatie, die kennis levert aan het consortium en deelt binnen het netwerk;

  • e.

    sociale innovatie: het streven naar een originele oplossing met een meetbare of waarneembare sociale impact op een hardnekkig maatschappelijk probleem. De innovatie kan gelegen zijn in de ontwikkeling van een nieuwe organisatorische vorm (samenwerkingsverbanden, relaties) en/of de ontwikkeling van een nieuw product, een nieuwe dienst of een nieuwe methode.

Artikel 17A.2

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten:

  • a.

    die bijdragen aan het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt; en

  • b.

    die gericht zijn op de ontwikkeling van een sociale innovatie die betrekking heeft op één of meer van de volgende thema’s:

    • i.

      Dynamisch managen: nieuwe managementvaardigheden en –methodieken;

    • ii.

      Slimmer werken: uitgaan van competenties van medewerkers;

    • iii.

      Flexibel organiseren: innovatieve organisatievormen;

    • iv.

      Co-Creatie sectoren: hoogwaardige samenwerkingsverbanden binnen één of meer sectoren of cross-sectoraal;

    • v.

      Werknemer in eigen kracht: mobiliteit, flexibiliteit en lef op de arbeidsmarkt;

    • vi.

      Mobiliteit leren en ontwikkelen: de juiste mensen op de juiste plek met de juiste kwalificaties;

    • vii.

      Duurzame inzetbaarheid: stimuleren van eigenaarschap bij medewerkers op het gebied van vitaliteit, flexibiliteit en maatschappelijke weerbaarheid;

    • viii.

      Leven lang leren en ontwikkelen: wendbare, flexibele werknemers die zich kunnen blijven ontwikkelen en mee kunnen met de nieuwste ontwikkelingen; en

  • c.

    waarbij een methodiek wordt ontwikkeld die overdraagbaar is.

Artikel 17A.3

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan een consortium werkzaam binnen één of meer van de volgende Zeeuwse economische clusters:

    • a.

      industrie en maintenance;

    • b.

      havens en logistiek;

    • c.

      agrofood en seafood;

    • d.

      water en energie;

    • e.

      vrijetijdseconomie;

    • f.

      zorg;

    • g.

      onderwijs.

  • 2.

    Indien het consortium geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, subsidie slechts verstrekt aan één van de deelnemende partijen binnen het consortium; en

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het consortium.

Artikel 17A.4

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de aanvrager is gevestigd in Zeeland;

    • b.

      de subsidiabele activiteit komt overwegend ten goede aan Zeeland;

    • c.

      de subsidiabele activiteit behoort niet tot de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager;

    • d.

      de vraag vanuit de ondernemers vormt het belangrijkste uitgangspunt;

    • e.

      de projectresultaten en ontwikkelde methodieken zijn openbaar en worden ruim verspreid onder (Zeeuwse) ondernemingen en instellingen die geen deel uitmaken van het consortium;

    • f.

      het project is additioneel aan gemeentelijke activiteiten en projecten;

    • g.

      het project voldoet aan het geheel van de volgende criteria:

      • i.

        het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt;

      • ii.

        het project is voldoende innovatief voor Zeeland;

      • iii.

        het project heeft voldoende perspectief;

      • iv.

        het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 10.000,- of minder bedraagt.

  • 3.

    Voor zover sprake is van staatssteun wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.

Artikel 17A.5

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17A.2 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.

Artikel 17A.6

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie:

  • a.

    een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling Human Capital Agenda'; en

  • b.

    een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting.

Artikel 17A.7

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000,-.

Artikel 17A.8

  • 1.

    Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt;

    • b.

      de mate van innovativiteit van het project voor Zeeland;

    • c.

      het perspectief van het project;

    • d.

      de kwaliteit van het projectplan.

  • 2.

    Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

Artikel 17A.9

  • 1.

    Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17A.2 voor advies over artikel 17A.4, eerste lid, onder g, en artikel 17A.8, voor aan de Deskundigencommissie.

  • 2.

    Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag mondeling toe.

Artikel 17A.10

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17A.5, eerste lid.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 17A.11

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart;

    • b.

      het project wordt binnen 24 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.

  • 2.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.

Hoofdstuk 17B Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Zeeland in Stroomversnelling: Vestigingsklimaat

Paragraaf 17B.1 Algemene bepalingen

Artikel 17B.1.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    bovenlokaal effect: een effect dat zijn neerslag heeft in ten minste twee Zeeuwse gemeenten;

  • b.

    consortium: een samenwerkingsverband van ten minste twee partijen, waaronder ten minste één rechtspersoon, dat als doel heeft om een project te realiseren dat een bijdrage levert aan de versterking van de leefbaarheid en daarmee het vestigingsklimaat voor (potentiële) werknemers;

  • c.

    De-minimisverordening: Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, Pb L 352/9 van 24 december 2013; of Verordening (EU) Nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector, Pb L 190/45 van 28 juni 2014;

  • d.

    Deskundigencommissie: adviescommissie ingesteld op grond van artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht en overeenkomstig artikel 82 van de Provinciewet;

  • e.

    leefbaarheid: de mate waarin een omgeving goed aansluit bij de behoeften van de mensen die er wonen en tegelijkertijd aantrekkelijk is voor nieuwe inwoners en toekomstige generaties.

Artikel 17B.1.2

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan een consortium.

  • 2.

    Indien het consortium geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 1.2.1, eerste lid, subsidie slechts verstrekt aan één van de deelnemende partijen binnen het consortium; en

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het consortium.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, en onverminderd het bepaalde in artikel 1.4.1, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.

Artikel 17B.1.3

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de aanvrager is gevestigd in Zeeland;

    • b.

      de subsidiabele activiteit komt overwegend ten goede aan Zeeland;

    • c.

      de subsidiabele activiteit behoort niet tot de reguliere bedrijfsvoering of activiteiten van de aanvrager;

    • d.

      de subsidiabele activiteit past binnen de provinciale ambitie uit het Coalitieakkoord 2019-2023 ‘Samen verschil maken’ op het gebied van leefbaarheid, waar vanuit een aanvullende rol ingezet wordt op de bereikbaarheid en beschikbaarheid van voorzieningen, onderwijs, zorg en een gezonde en veilige leefomgeving met als doel de aantrekkelijkheid van Zeeland voor jongeren, ouderen en nieuwe Zeeuwen te behouden en te versterken;

    • e.

      het project heeft een bovenlokaal effect;

    • f.

      de behoefte van de (potentiële) werknemers vormt het belangrijkste uitgangspunt;

    • g.

      de projectresultaten en ontwikkelde werkwijzen zijn openbaar en worden ruim verspreid onder (Zeeuwse) partijen die geen deel uitmaken van het consortium; en

    • h.

      het project is additioneel aan gemeentelijke activiteiten en projecten.

Paragraaf 17B.2 Onderzoeken

Artikel 17B.2.1

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een onderzoek ter voorbereiding op de ontwikkeling van projecten:

  • a.

    die bijdragen aan het vergroten van de leefbaarheid, waardoor het aantrekkelijker wordt voor (potentiële) werknemers om zich in een Zeeuwse gemeente te vestigen; en

  • b.

    die gericht zijn op de ontwikkeling van een voorziening (bijvoorbeeld op sociaal, cultureel, zorg- of onderwijsgebied) of de bereikbaarheid van voorzieningen; en

  • c.

    waarbij een onderzoek of werkwijze wordt ontwikkeld die overdraagbaar is.

Artikel 17B.2.2

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder dan € 5.000,- bedraagt.

  • 2.

    Voor zover sprake is van staatssteun wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.

  • 3.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, voldoet het project aan de volgende criteria:

    • a.

      het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het vergroten van de leefbaarheid; en

    • b.

      het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.

Artikel 17B.2.3

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17B.2.1 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.

Artikel 17B.2.4

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie:

  • a.

    een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling Vestigingsklimaat Onderzoeken; en

  • b.

    een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting; en

  • c.

    een bewijs van commitment van ten minste één gemeente middels het format ‘Instemmingsverklaring gemeenten’.

Artikel 17B.2.5

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, komen kosten slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze worden gemaakt na ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 2.

    De subsidie bedraagt maximaal 65% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 25.000,-.

Artikel 17B.2.6

  • 1.

    Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het vergroten van de leefbaarheid;

    • b.

      de kwaliteit van het projectplan.

  • 2.

    Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

Artikel 17B.2.7

  • 1.

    Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17B.2.1 voor advies over artikel 17B.2.2, derde lid, en artikel 17B.2.6 voor aan de Deskundigencommissie.

  • 2.

    Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag toe.

Artikel 17B.2.8

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17B.2.3, eerste lid.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 17B.2.9

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart;

    • b.

      het project wordt binnen 18 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.

  • 2.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.

Paragraaf 17B.3 Pilots

Artikel 17B.3.1

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een pilot:

  • a.

    die bijdraagt aan het vergroten van de leefbaarheid, waardoor het aantrekkelijker wordt voor (potentiële) werknemers om zich in een Zeeuwse gemeente te vestigen; en

  • b.

    die gericht is op de ontwikkeling van een voorziening (bijvoorbeeld op sociaal, cultureel, zorg- of onderwijsgebied) of de bereikbaarheid van voorzieningen; en

  • c.

    waarbij een onderzoek of werkwijze wordt ontwikkeld die overdraagbaar is.

Artikel 17B.3.2

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 10.000,- of minder bedraagt.

  • 2.

    Voor zover sprake is van staatssteun wordt subsidie slechts verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de De-minimisverordening.

  • 3.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, voldoet het project aan de volgende criteria:

    • a.

      het project draagt voldoende bij aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het vergroten van de leefbaarheid;

    • b.

      het project heeft voldoende perspectief op continuïteit; en

    • c.

      het projectplan heeft een voldoende kwaliteit.

Artikel 17B.3.3

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 17B.3.1 kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.

Artikel 17B.3.4

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie:

  • a.

    een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Subsidie Zeeland in Stroomversnelling Vestigingsklimaat Pilots; en

  • b.

    een projectplan met een sluitende (meerjaren)begroting; en

  • c.

    een bewijs van commitment van ten minste één gemeente middels het format ‘Instemmingsverklaring gemeenten’.

Artikel 17B.3.5

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.3, komen kosten slechts voor subsidie in aanmerking voor zover deze worden gemaakt na ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 2.

    De subsidie bedraagt maximaal 65% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000,-.

Artikel 17B.3.6

  • 1.

    Indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de structuurversterking van de Zeeuwse economie door het vergroten van de leefbaarheid;

    • b.

      de mate van perspectief op continuïteit van het project;

    • c.

      de kwaliteit van het projectplan.

  • 2.

    Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

Artikel 17B.3.7

  • 1.

    Gedeputeerde staten leggen aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 17B.3.1 voor advies over artikel 17B.3.2, derde lid, en artikel 17B.3.6 voor aan de Deskundigencommissie.

  • 2.

    Aanvragers van subsidie lichten op verzoek van de Deskundigencommissie hun subsidieaanvraag toe.

Artikel 17B.3.8

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 17B.3.3, eerste lid.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 17B.3.9

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      het project wordt binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode gestart;

    • b.

      het project wordt binnen 24 maanden na afloop van de openstellingsperiode gerealiseerd.

  • 2.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.

Hoofdstuk 18 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van de verbeteringvan de toegankelijkheid van bestaande halteplaatsen in Zeeland.

Artikel 18.1

In dit hoofdstuk wordt onder halteplaats verstaan: onderdeel van een bushalte, waar zich één bustegelijkertijd kan opstellen voor het laten in- en uitstappen van reizigers.

Artikel 18.2

In het kader van de verbetering van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer in Zeeland, kan subsidie worden verstrekt voor het toegankelijk maken van:

  • a.

    halteplaatsen voor de buurtbus, de zomerbus of de haltetaxi zodat zij voldoen aan de toegankelijkheidseisen voor visueel beperkten zoals gesteld in de van toepassing zijnde Richtlijn toegankelijkheid van het CROW; en

  • b.

    de halteplaatsen voor het kernnet, spitsnet of scholierennet zodat zij voldoen aan de toegankelijkheidseisen voor visueel- en motorisch beperkten zoals gesteld in de van toepassing zijnde Richtlijn toegankelijkheid van het CROW.

Artikel 18.3

  • 1.

    Subsidie kan slechts worden verstrekt aan gemeenten binnen de provincie Zeeland.

  • 2.

    Subsidie kan worden verleend, indien de subsidie betrekking heeft op halteplaatsen die:

    • i.

      door een reguliere bus of buurtbus worden aangedaan, mits de som van het aantal in- en uitstappers in het jaar 2018 meer was dan 100;

    • ii.

      alleen door een haltetaxi worden aangedaan, mits de som van het aantal in- en uitstappers in het jaar 2018 meer was dan 1000; of

    • iii.

      in het jaar 2018 alleen door de zomerbus werden aangedaan, mits de halteplaatsen onderdeel zijn van een busstation.

Artikel 18.4

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 25.000 per halteplaats.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.1, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de aanlegkosten van een nieuwe halteplaats;

    • b.

      de kosten voor het plaatsen van (nieuwe) voorzieningen op een bestaande halteplaats;

    • c.

      kosten voor de vervanging van een bestaande toegankelijke abri door een nieuwe toegankelijke abri.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.3.2, eerste lid, komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 18.5

  • 1.

    Het subsidieplafond voor het tijdvak 2019-2020 bedraagt € 800.000.

  • 2.

    Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, waarbij de datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van binnenkomst.

Artikel 18.6

In afwijking van artikel 1.4.1, eerste lid, wordt de aanvraag in de periode van 1 februari 2019 tot en met 1 juli 2019 ingediend.

Artikel 18.7

Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.6, is de subsidieontvanger verplicht de activiteiten uiterlijk op 1 juli 2020 af te ronden.

Hoofdstuk 19 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak

Artikel 19.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    bedrijfspand: een gebouw waarin één of meerdere bedrijven kantoor houden dan wel dat bestemd is om daarin een bedrijf uit te oefenen, in eigendom van een particulier, met een individueel adres en eigen nutsaansluiting en waaronder tevens begrepen een garage gelegen op hetzelfde perceel;

  • b.

    eigenaar: eigenaar van een woning of pand, dan wel opstaller, erfpachter of vruchtgebruiker ervan;

  • c.

    gecertificeerd bedrijf: een bedrijf gecertificeerd met het ‘Groenkeur keurmerk’, verschaft door Stichting Groenkeur, of een bedrijf dat een persoon in dienst heeft met het persoonsgebonden certificaat ‘Dak- & Gevel Basismedewerker’ dan wel het persoonsgebonden certificaat ‘Dak & Gevel Gevorderde’;

  • d.

    groen dak: een plat of hellend dak van een woning of pand met begroeiing, die kan bestaan uit struiken, bomen, vetplanten zoals vetkruid (sedum), kruiden, mos of gras)

  • e.

    particuliere woning: een pand in eigendom van een particulier, met een individueel adres en eigen nutsaansluiting, bedoeld en geschikt om in te wonen, waarop de planologische bestemming Wonen rust, waaronder tevens begrepen een garage gelegen op hetzelfde perceel en niet zijnde een appartementencomplex;

  • f.

    VvE: een bij de Kamer van Koophandel geregistreerde vereniging van eigenaars van de appartementsrechten van de woningen die tot een appartementencomplex behoren.

Artikel 19.2

Subsidie kan worden verleend voor het aanleggen van een groen dak op een particuliere woning, een bedrijfspand of een appartementencomplex.

Artikel 19.3

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar van de particuliere woning of het bedrijfspand dan wel aan de VvE van het appartementencomplex waarop het groene dak wordt aangelegd.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan subsidie worden verstrekt aan een natuurlijke persoon.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a, wordt subsidie niet verstrekt indien op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie met de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie is aangevraagd, is gestart.

  • 4.

    Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, is voor een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak niet van toepassing.

Artikel 19.4

Voor een aanvraag van subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak gelden de volgende vereisten:

  • a.

    subsidie wordt slechts eenmaal per adres of per appartementencomplex verstrekt;

  • b.

    alleen bestaande woningen, bedrijfspanden en appartementencomplexen komen in aanmerking voor subsidie;

  • c.

    de woning, het bedrijfspand of het appartementencomplex waarop het groene dak wordt aangelegd, is gelegen binnen de bebouwde kom;

  • d.

    de waterbergingscapaciteit van het groene dak is minimaal 20 l/m²;

  • e.

    het groene dak bevat minimaal een wortelwerende laag, een drainagelaag, een substraatlaag en een vegetatielaag;

  • f.

    de oppervlakte van het groene dak is minimaal 10 m²;

  • g.

    de hellingshoek van het groene dak is maximaal 35°;

  • h.

    het groene dak wordt aangelegd door een gecertificeerd bedrijf.

Artikel 19.5

  • 1.

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 25,- per m² aan te leggen groen dak.

  • 2.

    De subsidie voor het aanleggen van een groen dak bedraagt maximaal vijftig procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,-.

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.1, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten van advisering ten behoeve van het aanleggen van een groen dak;

    • b.

      de kosten voor het onderhouden van een groen dak;

    • c.

      de kosten voor de sloop en afvoer van een bestaand dak.

Artikel 19.6

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak:

  • a.

    een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘subsidie groene daken’;

  • b.

    de ondertekende offerte van een gecertificeerd bedrijf dat het groene dak gaat aanleggen waar in ieder geval het volgende in is opgenomen:

    • de waterbergingscapaciteit van het groene dak;

    • de lagen van het aan te leggen groene dak;

    • de oppervlakte van het groene dak;

    • de hellingshoek van het groene dak.

Artikel 19.7

  • 1.

    Een subsidie ten behoeve van het aanleggen van een groen dak kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen;

  • 3.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van ontvangst;

  • 4.

    Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag, waarbij een lager aangevraagd subsidiebedrag voorgaat op een hoger aangevraagd subsidiebedrag;

  • 5.

    Indien toepassing van het vierde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald door middel van loting.

Artikel 19.8

Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1.6 heeft de subsidieontvanger de verplichting om het project binnen zes maanden na verlening van de subsidie te realiseren.

Hoofdstuk 20 Bijzondere bepalingen voor het verstrekken van cofinanciering voor het EFRO Programma Zuid-Nederland 2021-2027

Artikel 20.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb EU L 187/1 van 26 juni 2014;

  • b.

    Beheerautoriteit: Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant aangewezen als beheerautoriteit als bedoeld in artikel 71 van verordening 2021/1060 voor het EFRO Programma Zuid-Nederland 2021-2027;

  • c.

    de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/1 van 24 december 2013;

  • d.

    EFRO programma Zuid-Nederland 2021-2027: gezamenlijk programma als bedoeld in artikel 22 van verordening 2021/1060 van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, goedgekeurd door de Europese Commissie op 29 juni 2022, voor activiteiten die in Zuid-Nederland financiering kunnen ontvangen uit het EFRO;

  • e.

    Gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van provincie Zeeland;

  • f.

    REES: Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies;

  • g.

    RIS3 Zuid-Nederland 2021-2027: Regionale Innovatie Strategie Slimme Specialisatie voor programma’s Europese fondsen vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland, de provincie Noord-Brabant en de provincie Limburg op 21 april 2020;

  • h.

    Subsidieregeling OPZuid: Subsidieregeling OPZuid 2021-2027.

Artikel 20.2 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door de penvoerder die namens een samenwerkingsverband subsidie heeft aangevraagd op grond van de Subsidieregeling OPZuid.

Artikel 20.3 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten die innovatie bevorderen binnen een van de volgende maatschappelijke transities uit de RIS3 Zuid-Nederland 2021-2027 die in het EFRO Programma Zuid-Nederland 2021-2027 centraal staan:

  • a.

    gezondheid;

  • b.

    landbouw en voeding;

  • c.

    energie;

  • d.

    klimaat;

  • e.

    grondstoffen.

Artikel 20.4 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      oor het project wordt subsidie verleend op grond van artikel 2.2 van de Subsidieregeling OPZuid;

    • b.

      de subsidie wordt aangevraagd als cofinanciering op de subsidie op grond van de Subsidieregeling OPZuid;

    • c.

      het project komt ten goede aan de provincie Zeeland.

  • 2.

    Het project komt ten goede aan de provincie Zeeland als bedoeld in het eerste lid, onder c, als:

    • a.

      meer dan de helft van de subsidiabele kosten wordt gemaakt door deelnemers aan het project die zijn gevestigd in de provincie Zeeland; en

    • b.

      de resultaten van het project overwegend zijn gericht op de provincie Zeeland.

  • 3.

    In het projectplan, bedoeld in artikel 2.5, onder a, van de Subsidieregeling OPZuid, wordt opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan het eerste lid, onder c.

Artikel 20.5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Onverminderd artikel 1.3.1, eerste lid, is artikel 1.3 van de REES van toepassing.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.3.2 wordt, als de aanvrager gebruik maakt van de kostensoort personeelskosten, de berekeningswijze, genoemd in de artikelen 1.3 tot en met 1.3b van de REES gehanteerd.

Artikel 20.6 Vereisten indiening subsidieaanvraag

  • 1.

    Op verzoek van aanvrager wordt de aanvraag om subsidie op grond van de Subsidieregeling OPZuid aangemerkt als aanvraag om subsidie op grond van dit hoofdstuk.

  • 2.

    Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode die door Gedeputeerde Staten is vastgesteld in een openstellingsbesluit.

Artikel 20.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen per tenderperiode als bedoeld in artikel 20.6, tweede lid, een subsidieplafond vast in een openstellingsbesluit.

Artikel 20.8 Subsidiehoogte

  • 1.

    De subsidie bedraagt 15% van de subsidiabele kosten tot een maximum van €428.571,-.

  • 2.

    Als de aanvrager minder dan 15% van de subsidiabele kosten, bedoeld in het eerste lid, aanvraagt, wordt, onverminderd het eerste lid, slechts maximaal het gevraagde percentage aan subsidie verstrekt.

  • 3.

    Onverminderd de voorgaande leden, wordt, indien sprake is van staatssteun:

    • a.

      maximaal een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het van toepassing zijnde percentage uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening niet wordt overschreden; of

    • b.

      en geen van de vrijstellingen uit de Algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing is, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidies verstrekt dat voor het totale bedrag aan overheidsbijdragen over een periode van drie belastingjaren het maximumbedrag aan de-minimissteun niet wordt overschreden.

Artikel 20.9 Verdeelcriteria

  • 1.

    Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het daarvoor vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, wordt, in geval door de Beheerautoriteit op grond van artikel 2.9 van de Subsidieregeling OPZuid een rangschikking is gemaakt, subsidie verleend op grond van de volgorde van die rangschikking.

  • 2.

    Indien de in het eerste lid bedoelde rangschikking niet is gemaakt door de Beheerautoriteit, is artikel 2.9 van de Subsidieregeling OPZuid van toepassing op subsidieverlening op grond van dit hoofdstuk.

Artikel 20.10 Beslissing op de subsidieaanvraag

In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, is de beslistermijn van artikel 4.2.4 van de REES van toepassing.

Artikel 20.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1.

    Artikel 1.5 van de Subsidieregeling OPZuid is van toepassing.

  • 2.

    De artikelen 1.6.3 en 1.6.6, derde lid, zijn niet van toepassing.

Artikel 20.12 Vaststelling

  • 1.

    Onverminderd artikel 1.6 van de Subsidieregeling OPZuid en gelet op de toepasselijke Europese regelgeving, worden de verleende subsidies vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten.

  • 2.

    Op verzoek van de subsidieontvanger wordt de aanvraag tot vaststelling op grond van de Subsidieregeling OPZuid aangemerkt als aanvraag tot vaststelling op grond van dit hoofdstuk.

  • 3.

    De beslistermijn van artikel 4.2.17 van de REES is van toepassing.

Artikel 20.13 Betaling en bevoorschotting

  • 1.

    Gedeputeerde staten verstrekken een voorschot van ten hoogste 100% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2.

    Gedeputeerde staten betalen het voorschot in een keer.

Hoofdstuk 21 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het uitvoeren van duurzaamheidsscans voor bedrijven en bedrijventerreinen

Artikel 21.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie;

  • b.

    biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in een bepaald gebied;

  • c.

    circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren;

  • d.

    energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot;

  • e.

    klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen op te kunnen vangen;

  • f.

    verduurzaming: maatregelen die tot doel hebben om de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie of vergroting van de biodiversiteit op bedrijventerreinen en bij bedrijven te realiseren en daarmee bestaande bedrijven en bedrijventerreinen duurzaam in exploitatie te houden.

Artikel 21.2

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor het laten uitvoeren van onderzoek waarbij de kansen voor verduurzaming worden geïnventariseerd van:

    • a.

      een bedrijventerrein en de daarop gevestigde bedrijven of een deel daarvan; of

    • b.

      een groep van ten minste 20 bedrijven die niet gevestigd zijn op een bedrijventerrein en waarop afdeling 2.6 Energiebesparing van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is.

  • 2.

    Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, dient zich, naast energietransitie, op ten minste twee van de drie andere onder artikel 21.1, onderdeel b tot en met e, genoemde vormen van verduurzaming te richten.

  • 3.

    Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, dient zich ten minste op energietransitie te richten, met inbegrip van de omschakeling naar hernieuwbare energiebronnen.

Artikel 21.3

Het onderzoek, bedoeld in artikel 21.2, dient in ieder geval inzicht te geven in de volgende onderwerpen:

  • a.

    ten aanzien van het resultaat van het onderzoek:

    • i.

      de verwachte mate van reductie van de CO2-uitstoot bij toepassing van de geïnventariseerde verduurzamingsmaatregelen;

    • ii.

      de verwachte resultaten bij toepassing van de geïnventariseerde maatregelen op het gebied van circulaire economie, klimaatadaptatie en biodiversiteit;

  • b.

    ten aanzien van kennisdeling en uitvoering:

    • i.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan kennisdeling;

    • ii.

      de mate waarin opschaling van de geïnventariseerde maatregelen plaats kan vinden;

    • iii.

      de wijze waarop de uitvoering van de geïnventariseerde maatregelen wordt voorzien, met een daarbij behorende tijdsplanning;

    • iv.

      indien mogelijk, een voorstel voor een pilot- of demonstratieproject met het oog op de uitvoering van de geïnventariseerde maatregelen.

Artikel 21.4

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, wordt subsidie niet verstrekt indien:

    • a.

      de activiteit niet aanvangt binnen drie maanden na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 21.7, eerste lid;

    • b.

      de activiteit niet is gerealiseerd binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 21.7, eerste lid;

    • c.

      de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland 2018 toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het tweede lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.

Artikel 21.5

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 40.000,-.

Artikel 21.6

  • 1.

    Kosten voor marketing en promotie komen niet voor subsidie in aanmerking.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 21.7

  • 1.

    Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 3.

    Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 4.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 21.8

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie:

  • a.

    een plan van aanpak voor de uitvoering van het onderzoek, inclusief tijdsplanning;

  • b.

    de offerte van het bedrijf dat het onderzoek gaat uitvoeren;

  • c.

    een beschrijving van de wijze waarop aandacht wordt besteed aan de verschillende vormen van verduurzaming: energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie en biodiversiteit;

  • d.

    in geval van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a: het aantal bedrijven dat gevestigd is op het bedrijventerrein en deelneemt aan het onderzoek;

  • e.

    in geval van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b: het aantal, de bedrijfsnaam en de locatie van de bedrijven.

Artikel 21.9

Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.

Hoofdstuk 22 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van Hergebruik Leegstaande Pandenvoor Wonen

Artikel 22.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    beeldbepalend gebouw: een leegstaand gebouw, dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, een belangrijke bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld;

  • b.

    eeldverstorend verpauperd gebouw: een leegstaand gebouw dat door een combinatie van het ontbreken van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, en zo mogelijk ook door de slechte staat van onderhoud, een negatieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld;

  • c.

    bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

  • d.

    herbestemmen: het geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw die, zo nodig, juridisch wordt vastgelegd in een bestemmings- of inpassingsplan;

  • e.

    herontwikkelen: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte;

  • f.

    leegstaand: het niet of niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht in gebruik zijn;

  • g.

    rijksmonument: een zich in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

  • h.

    slopen: het afbreken, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik;

  • i.

    transformeren: het verrichten van ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen of verlaging van de milieucategorie in het kader van het wegnemen van milieuhinder voor de woonomgeving.

Artikel 22.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft:

  • a.

    het herbestemmen of transformeren van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen naar een woonfunctie;

  • b.

    het slopen van beeldverstorende verpauperde gebouwen die niet meer zinvol kunnen worden herbestemd of getransformeerd, gevolgd door herontwikkeling of een andere herinvulling van de vrijgekomen ruimte gericht op wonen.

Artikel 22.3 Doelgroep en weigeringsgronden

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan de eigenaar van het gebouw waarop de subsidiabele activiteit betrekking heeft.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan subsidie worden verstrekt aan een natuurlijk persoon.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.

  • 4.

    Subsidie wordt voorts niet verstrekt indien:

    • a.

      de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan starten binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid;

    • b.

      de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan worden gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid;

    • c.

      de activiteit in strijd is met het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd;

    • d.

      de activiteit op basis van artikel 22.10, tweede lid, aanhef en onderdeel a en c tezamen, minder dan 75 punten scoort of de som van de punten op basis van artikel 22.10, tweede lid, aanhef en onderdeel a tot en met f, minder bedraagt dan 300 punten;

    • e.

      de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied;

    • f.

      het gebouw minder dan één jaar leegstaat.

  • 5.

    Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager in een individueel geval afwijken van het in het vierde lid, aanhef en onderdeel f bepaalde.

  • 6.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000,-.

Artikel 22.4 Subsidiehoogte

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000,-.

Artikel 22.5 Vooroverleg

  • 1.

    Voordat een aanvraag wordt ingediend, kan er een vooroverleg plaatsvinden aan de hand van het op de website van de provincie Zeeland beschikbaar gestelde vooroverlegformulier. Het vooroverleg vindt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van het vooroverlegformulier plaats.

  • 2.

    Tijdens het vooroverleg wordt in ieder geval aan de orde gesteld:

    • a.

      locatie en eigenaarschap van de locatie;

    • b.

      huidige en beoogde situatie van het project, inclusief leegstandsduur;

    • c.

      de financiële haalbaarheid van het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • d.

      of de activiteit niet in strijd is met het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd;

    • e.

      de duurzaamheidsmaatregelen van het project;

    • f.

      de informatie die bij de aanvraag moet worden ingediend.

Artikel 22.6 Niet-subsidiabele kosten

De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor marketing en promotie;

  • b.

    waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren;

  • c.

    kosten voor bodemsanering voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen;

  • d.

    kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen zoals opgenomen in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten is opgenomen;

  • e.

    kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen;

  • e.

    kosten van planschade.

Artikel 22.7 Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn

  • 1.

    Een subsidie als bedoeld in artikel 22.2 kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 22.8 Nadere eisen aan de aanvraag

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 22.2:

  • a.

    een volledig ingevuld aanvraagformulier subsidie Hergebruik Leegstaande Panden voor wonen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland;

  • b.

    een plan van aanpak, met daarin:

    • een locatieaanduiding waaruit blijkt welke bouwwerken en percelen de bedoelde locatie omvat;

    • een algemene beschrijving van de herbestemming, transformatie, stedelijke herstructurering of herontwikkeling in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd;

    • een onderbouwing op welke wijze en in welke mate het project bijdraagt het terugdringen van leegstand, de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en waar van toepassing de cultuurhistorie;

    • een toelichting van de te nemen maatregelen, inclusief de duurzaamheidsmaatregelen;

    • tekeningen van de bestaande en gewenste situatie, plattegrond(en) en gevelaanzichten;

  • c.

    een (onderbouwde) financieringstoelichting van het project met in ieder geval:

    • een uitgebreide begroting met een (onderbouwde) raming van de kosten per maatregel;

    • recente taxaties van de waarde van de gronden en opstallen die verband houden met de realisering van het project;

    • de waarde van de gronden en opstallen of de opbrengst door verkoop of verhuur na voltooiing van het project;

  • d.

    een beschrijving van de tijdplanning van het project;

  • e.

    een bewijs van eigendom van de locatie;

  • f.

    een schriftelijke verklaring dat de gemeente medewerking verleent aan de voorgenomen subsidiabele activiteit;

  • g.

    eeen toelichting waaruit de oorzaak en duur van de leegstand van het pand of de panden blijkt;

  • h.

    voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering;

  • i.

    informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden.

Artikel 22.9 Extern deskundige

Voor het vooroverleg en de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.

Artikel 22.10 Verdeelprocedure

  • 1.

    Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de onderstaande criteria:

    • a.

      kwaliteitsverbetering: de mate waarin het project door hergebruik en door de bouwkundige en esthetische verbetering van het gebouw bijdraagt aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;

    • b.

      impact: de mate waarin het project leidt tot een verbetering in de omgeving;

    • c.

      herbestemming: de mate waarin door herbestemming, transformatie of herontwikkeling wordt bijgedragen aan de woonbehoefte of maatschappelijke doelen;

    • d.

      duurzaamheid: de mate waarin het project zorgt voor de verduurzaming van het gebouw;

    • e.

      cultuurhistorie: de mate waarin het project bijdraagt aan de cultuurhistorische waarden van het gebouw en de omgeving.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe:

    • a.

      kwaliteitsverbetering: ten hoogste 150 punten;

    • b.

      impact: ten hoogste 100 punten;

    • c.

      herbestemming: ten hoogste 100 punten;

    • d.

      duurzaamheid: ten hoogste 100 punten;

    • e.

      cultuurhistorie: ten hoogste 50 punten.

  • 3.

    Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.

  • 4.

    Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

  • 5.

    Indien toepassing van het eerste en tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium kwaliteitsverbetering, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 6.

    In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.

  • 7.

    Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.

Artikel 22.11 Verplichtingen

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      de activiteit start binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid;

    • b.

      de activiteit wordt binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 22.7, eerste lid,

  • 2.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.

Hoofdstuk 23 Bijzondere bepalingen Samen in zee: versterking cultuur in Zeeland

Artikel 23.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • Adviescommissie: Adviescommissie Samen in zee: versterking cultuur in Zeeland;

  • bovenlokale uitwerking: uitwerking die zijn weerslag heeft in ten minste twee Zeeuwse gemeenten;

  • culturele instelling: instelling met rechtspersoonlijkheid die blijkens haar statuten het uitvoeren van culturele activiteiten tot doel heeft of een zelfstandige die beroepsmatig werkzaam is in de culturele sector;

  • duurzame samenwerking: samenwerking die structureel van karakter is;

  • nieuwe maker: cultuurprofessional of ambachtsbeoefenaar, die maximaal vijf jaren voorafgaand aan het indienen van een subsidieaanvraag een diploma kunstvakonderwijs heeft behaald of staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel als zelfstandige.

  • publieksbereik: het publiek dat wordt bereikt met het culturele aanbod;

  • verdienmodel: wijze om omzet te genereren;

  • vrijwilligerspotentieel: potentieel aan vrijwilligers en het potentieel aan kennis en kunde onder vrijwilligers dat nog niet is ingezet.

Artikel 23.2 Subsidieplafond

Gedeputeerde staten stellen een subsidieplafond vast, ten laste waarvan aanvragen kunnen worden ingediend gedurende een openstellingsperiode als bedoeld in artikel 23.9, eerste lid.

Artikel 23.3 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van projecten die zijn gericht op het versterken van de culturele sector in Zeeland en betrekking hebben op één van de volgende onderwerpen:

    • a.

      het verbreden van het publieksbereik tot doelgroepen die nu niet of beperkt gebruik maken van het aanbod in de culturele sector;

    • b.

      de totstandkoming van duurzame samenwerking binnen en buiten de culturele sector;

    • c.

      het scheppen van randvoorwaarden voor het opbouwen van een beroepspraktijk ten behoeve van nieuwe makers;

    • d.

      het versterken van het vrijwilligerspotentieel;

    • e.

      het doen van onderzoek naar een of meer van de onderwerpen genoemd onder a tot en met d.

  • 2.

    Voor het doen van onderzoek als bedoeld in het eerste lid, onder e, worden per openstellingsperiode maximaal twee subsidies toegekend.

Artikel 23.4 Subsidieontvanger - penvoerder

  • 1.

    Subsidie wordt uitsluitend aangevraagd door en verstrekt aan een penvoerder van een samenwerkingsverband van tenminste twee instellingen.

  • 2.

    De penvoerder is werkzaam binnen één of meer van de volgende culturele disciplines:

    • a.

      audiovisuele kunsten;

    • b.

      beeldende kunsten, architectuur en vormgeving;

    • c.

      bibliotheekwerk;

    • d.

      cultureel erfgoed;

    • e.

      letteren;

    • f.

      podiumkunsten.

  • 3.

    De penvoerder is een culturele instelling met rechtspersoonlijkheid en het aanspreekpunt voor het bevoegd gezag voor alle zaken die de subsidie betreffen.

Artikel 23.5 Subsidievoorwaarden

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt wanneer:

  • a.

    de penvoerder is gevestigd in Zeeland;

  • b.

    het project binnen zes maanden na afloop van de openstellingsperiode als bedoeld in artikel 23.9, eerste lid, wordt gestart en binnen 24 maanden na afloop van deze periode wordt gerealiseerd.

Artikel 23.6 De-minimissteun

  • 1.

    Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.

  • 2.

    Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op deminimissteun (PbEU 2013, L352 /1) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.

  • 3.

    Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de penvoerder op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar.

Artikel 23.7 Hoogte subsidiebedrag en niet subsidiabele kosten

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 70% van de kosten als bedoeld in artikel 1.3.1, tot een maximum van € 50.000,- per project.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.3.1 wordt geen subsidie verstrekt voor kosten waarvoor door gedeputeerde staten of een ander bestuursorgaan al subsidie is verstrekt.

Artikel 23.8 Indieningsvereisten

In afwijking van artikel 1.4.2 wordt bij de aanvraag overgelegd:

  • a.

    een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Samen in Zee: versterking cultuur in Zeeland;

  • b.

    het projectplan van maximaal 8 pagina’s A4 waarin het volgende wordt beschreven:

    • 1.

      een omschrijving van het project, waaronder de projectopzet en de uit te voeren activiteiten;

    • 2.

      een onderbouwing van de haalbaarheid van het project en de daarmee beoogde resultaten, waaronder de projectplanning en de risicofactoren die in de weg kunnen staan aan het behalen van het beoogde resultaat;

    • 3.

      de mate waarin het project bijdraagt aan de versterking van de Zeeuwse culturele sector;

    • 4.

      de meerwaarde ten opzichte van bestaande producten, processen, diensten, onderzoeken of ontwikkelingen;

    • 5.

      de verwachte bovenlokale uitwerking;

    • 6.

      de mate waarin de resultaten overdraagbaar of toepasbaar zijn op andere disciplines binnen de culturele sector;

  • c.

    de samenwerkingsovereenkomst tussen de deelnemers aan het samenwerkingsverband;

  • d.

    een sluitende begroting als bedoeld in artikel 1.4.3, voorzien van specificatie en toelichting.

Artikel 23.9 Indieningstermijn

  • 1.

    Subsidie kan worden aangevraagd gedurende een openstellingsperiode die gedeputeerde staten hebben vastgesteld.

  • 2.

    Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.

Artikel 23.10 Beslistermijn

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 23.9, eerste lid.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 23.11 Beoordelingscriteria

  • 1.

    De Adviescommissie beoordeelt en rangschikt de aanvragen op volgorde van verlening op grond van de beoordelingscriteria genoemd in het tweede lid en adviseert gedeputeerde staten over de volgorde van verlening en over het toepassen van de weigeringsgronden als genoemd in artikel 23.13, eerste lid.

  • 2.

    Een aanvraag wordt beoordeeld op basis van de volgende beoordelingscriteria:

    • a.

      de haalbaarheid van het project en de daarmee beoogde resultaten;

    • b.

      de mate waarin de beoogde resultaten van het project bijdragen aan de versterking van de culturele sector in Zeeland;

    • c.

      de mate waarin het project bovenlokale uitwerking heeft;

    • d.

      de mate van samenwerking binnen en buiten de culturele sector.

  • 3.

    Aan ieder criterium als genoemd in het tweede lid wordt een score toegekend op basis van de bij dit artikel behorende scoretabel. Naarmate een project meer bijdraagt aan het realiseren van een criterium wordt een hogere score toegekend.

  • 4.

    Na de toekenning van de scores worden de aanvragen gerangschikt op basis van de totaalscore, waarbij de aanvraag met het hoogste puntenaantal als eerste in de rangschikking wordt opgenomen.

  • 5.

    De volgorde van gelijk geplaatste subsidieaanvragen wordt als volgt bepaald wanneer subsidieverlening voor die aanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond:

    • prioriteit wordt gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op het beoordelingscriterium als genoemd in het tweede lid, onder b;

    • in het geval dat nog steeds sprake is van een gelijke score, wordt prioriteit gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op het beoordelingscriterium als genoemd in het tweede lid, onder a;

    • in het geval dat nog steeds sprake is van een gelijke score, wordt prioriteit gegeven aan een aanvraag die het beste scoort op het beoordelingscriterium als genoemd in het tweede lid, onder d;

    • als ook dan nog steeds sprake is van een gelijke score, vindt loting tussen die betreffende aanvragen plaats. De loting wordt uitgevoerd door een notaris.

  • 6.

    Wanneer door toekenning van een aanvraag het subsidieplafond wordt overschreden, wordt de subsidie niet verleend.

  • 7.

    Rangschikking blijft achterwege wanneer de subsidieverlening voor de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie, niet zal leiden tot overschrijding van het subsidieplafond.

  • 8.

    In geval van het zevende lid toetst de Adviescommissie of sprake is van een weigeringsgrond als genoemd in artikel 23.13, eerste lid en brengt daarover advies uit aan gedeputeerde staten.

Scoretabel behorend bij artikel 23.11, derde lid:

beoordelingscriteria

score

  • a.

    de haalbaarheid van het project en de daarmee beoogde resultaten

onvoldoende: 0 punten

voldoende: 5 punten

goed: 10 punten

excellent: 15 punten

  • b.

    de mate waarin de beoogde resultaten van het project bijdragen aan de versterking van de culturele sector in Zeeland

onvoldoende: 0 punten

voldoende: 10 punten

goed: 20 punten

excellent: 30 punten

  • c.

    de mate waarin het project bovenlokale uitwerking heeft

onvoldoende: 0 punten

voldoende: 5 punten

goed: 10 punten

excellent: 15 punten

  • d.

    de mate van samenwerking binnen en buiten de culturele sector

onvoldoende: 0 punten

voldoende: 5 punten

goed: 10 punten

excellent: 15 punten

totaalscore (a+b+c+d)

maximaal 75 punten

Artikel 23.12 Verplichtingen

  • 1.

    Onverminderde het bepaalde in de artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.5 is de subsidieontvanger verplicht:

    • a.

      de projectresultaten en ontwikkelde methodieken openbaar te maken en te verspreiden onder Zeeuwse instellingen;

    • b.

      de Governance Code Cultuur, Code Diversiteit en Inclusie en de Code Fair Practice bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten toe te passen dan wel toe te lichten waarom de codes niet of niet geheel worden toegepast.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.6.6, eerste lid, verbinden gedeputeerde staten aan de subsidie de verplichting dat de instelling in zijn bekendmakingen of publiciteitsuitingen vermeldt dat het project mede mogelijk wordt gemaakt door de Zeeuwse gemeenten en de provincie Zeeland en wordt hiertoe het logo van Samen in Zee afgebeeld.

  • 3.

    Artikel 1.6.6, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23.13 Weigeringsgronden

  • 1.

    Gedeputeerde staten weigeren de subsidie wanneer op één of meer van de beoordelingscriteria de score ‘onvoldoende’ wordt toegekend.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2.1, tweede lid, onder c, weigeren gedeputeerde staten de subsidie wanneer de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 5.000,-.

Hoofdstuk 24 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie bij planvorming ten behoeve van toekomstbestendige bedrijventerreinen (Toekomstbestendige bedrijventerreinen– planvorming)

Artikel 24.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschiktis voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie;

  • b.

    biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in eenbepaald gebied;

  • c.

    circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van productenen grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren;

  • d.

    collectieve fysieke maatregelen: fysieke maatregelen die bedrijven en overheden kunnen nemendie impact hebben op een (groot) deel van het bedrijventerrein en meerdere van de daarop gevestigde bedrijven;

  • e.

    energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naarvolledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen vanCO2-uitstoot;

  • f.

    gebiedsproces: een proces gericht op het koppelen van belangen en het verbinden van partijenin een gebied voor een goede afweging van te realiseren doelen;

  • g.

    herstructurering: alle eenmalige ruimtelijke ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebbende kwaliteit van het terrein te verbeteren en veroudering tegen te gaan en die niet tot het reguliereonderhoud worden gerekend. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden:

    • facelift;

    • revitalisering;

    • zware revitalisering;

    • herprofilering;

    • transformatie;

  • h.

    klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslagen hogere temperaturen op te kunnen vangen;

  • i.

    toekomstbestendig bedrijventerrein: een bedrijventerrein dat inspeelt op toekomstige kansen enopgaven op het gebied van economie, energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie,biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit, waardoor het terrein aantrekkelijk blijft als vestigingslocatie;

  • j.

    verduurzaming: maatregelen die tot doel hebben om de energietransitie, circulaire economie,klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit op bedrijventerreinen en bij bedrijvente stimuleren;

  • k.

    zeehaventerrein: terrein dat onderdeel is van het beheersgebied van North Sea Port;

  • l.

    zero-emissie mobiliteit: mobiliteitsoplossingen die geen (CO2-)uitstoot veroorzaken.

Artikel 24.2

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor de planvorming van collectieve fysieke maatregelen ten behoeve van het toekomstbestendiger maken van bestaande bedrijventerreinen die zich richt op het opzetten en uitvoeren van een gebiedsproces, het inventariseren van kansen en knelpunten (w.o. duurzaamheidsscan), het onderzoeken van de haalbaarheid of het uitwerken van ruimtelijke plannen.

  • 2.

    Deze planvorming van collectieve fysieke maatregelen dient betrekking te hebben op minimaal drie van de volgende thema’s:

    • a.

      herstructurering in de vorm van zware revitalisering, herprofilering of transformatie, voor zover deze bijdraagt aan de verduurzaming van het bedrijventerrein of de verduurzaming van de daarop gevestigde bedrijven mogelijk maakt;

    • b.

      energietransitie;

    • c.

      circulaire economie;

    • d.

      klimaatadaptatie;

    • e.

      biodiversiteit;

    • f.

      zero-emissie mobiliteit.

Artikel 24.3

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan:

    • a.

      ondernemingen gevestigd op het bedrijventerrein waarop de subsidiabele activiteit ziet;

    • b.

      gemeenten binnen de provincie Zeeland.

  • 2.

    Subsidie wordt slechts verstrekt als de collectiviteit van de activiteiten voldoende wordt aangetoond.

  • 3.

    Onverminderd het eerste lid wordt, indien subsidie wordt aangevraagd door ondernemingen, subsidie slechts verstrekt als de activiteit wordt ondersteund door de gemeente waarin het bedrijventerrein zich bevindt.

  • 4.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.

  • 5.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder b en c, wordt subsidie niet verstrekt indien:

    • a.

      de activiteit niet aanvangt binnen zes maanden na de datum waarop de subsidieaanvraag is ingediend;

    • b.

      de activiteit niet wordt gerealiseerd binnen vijftien maanden na de datum waarop de subsidieaanvraag is ingediend;

    • c.

      de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland 2018 toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied;

    • d.

      de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein.

  • 6.

    Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het vijfde lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.

Artikel 24.4

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000,- per aanvraag.

Artikel 24.5

Onverminderd artikel 1.3.1 en in afwijking van artikel 1.3.2 zijn uitsluitend subsidiabel de kosten van derden gemoeid met de inhuur van of uitbesteding aan een externe organisatie.

Artikel 24.6

  • 1.

    Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 3.

    Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 4.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 24.7

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie:

  • a.

    een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Toekomstbestendige bedrijventerreinen – planvorming’;

  • b.

    een plan van aanpak voor de uitvoering van de activiteit, inclusief tijdsplanning;

  • c.

    een offerte voor de inhuur van of uitbesteding aan een externe organisatie;

  • d.

    indien subsidie wordt aangevraagd door ondernemingen: een ondersteuningsbrief van de gemeente waarin het bedrijventerrein zich bevindt.

Artikel 24.8

  • 1.

    Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.

  • 2.

    Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op deminimissteun (PbEU 2013, L352 /1) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.

  • 3.

    Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de aanvrager op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar.

Artikel 24.9

Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.

Artikel 24.10

  • 1.

    Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Hoofdstuk 25 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor de flexibele inzet voor versnelling van de Zeeuwse woningbouwopgave

Artikel 25.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

  • b.

    collectief particulier opdrachtgeverschap: collectief van toekomstige bewoners van een woningbouwproject waarbij zij gezamenlijk opdrachtgever zijn voor de gehele realisatie van de woningen;

  • c.

    externe expertise: externe deskundige met expertise op het gebied van woningbouw of op het gebied van knelpunten die zich binnen een specifiek project afspelen, die een gemeente ondersteunt bij het oplossen van het betreffende knelpunt;

  • d.

    flexwonen: woonvorm waarbij sprake is van een tijdelijk pand of locatie voor bewoning dan wel een permanent pand met huurwoningen bedoeld voor urgente woningzoekenden die hier in afwachting van doorstroming naar een reguliere woning tijdelijk onderdak kunnen vinden;

  • e.

    herstructureringsproject: project dat ten doel heeft meerdere woningen in een afgebakend gebied te renoveren of slopen en nieuw terug te bouwen;

  • f.

    innovatieve woonvormen: woonvormen die qua concept, product of proces niet eerder zijn toegepast in de Zeeuwse woningbouwsector en die de mogelijkheid bieden op te schalen of waarvan de leereffecten elders kunnen worden toegepast;

  • g.

    internationale werknemer: economisch-actieve burger afkomstig uit een ander land, die tijdelijk in Zeeland verblijft om hier te werken, maar niet van plan is zich voor langere tijd te vestigen;

  • h.

    knelpunt: specifiek voorliggend probleem dat de doorgang van actieve woningbouw of herstructurering van de woningvoorraad stagneert;

  • i.

    kwetsbare doelgroepen: dak- en thuislozen en spoedzoekers. Spoedzoekers zijn mensen die met haast een woning nodig hebben, maar niet in aanmerking komen voor een urgentiestatus, omdat er geen sprake is van een levensbedreigende situatie of acuut probleem (bijvoorbeeld mensen die door een scheiding hun huis verliezen of statushouders);

  • j.

    levensloopbestendige woningen: woningen die geschikt zijn of eenvoudig geschikt zijn te maken voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners. Vereiste daarbij is dat de woning zonder trappen van buitenaf bereikbaar en rolstoeltoegankelijk is, waarbij de zogenoemde 'primaire ruimtes' (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden;

  • k.

    middeldure huurwoningen: woningen met een huurprijs hoger dan € 752,33 (dit is de liberalisatiegrens op 1 januari 2021) en tot € 1.100,00, met inachtneming van de indexering van de rijksoverheid die geldt voor woningen tot de liberalisatiegrens;

  • l.

    overtollige plancapaciteit voor woningbouw: planologische mogelijkheid om woningen toe te voegen aan de woningvoorraad waarvan de benutting ervan ongewenst is verklaard door het verantwoordelijke gemeentebestuur;

  • m.

    tijdelijke capaciteit: inhuur van capaciteit omdat de gemeente niet over voldoende capaciteit beschikt om knelpunten in het kader van woningbouw op te lossen;

  • n.

    transformatieproject: project dat ten doel heeft de ruimtelijke functie van een gebouw of gebied te transformeren voor de functie ‘Wonen’, waarbij zowel een ruimtelijke ingreep of verbouwing noodzakelijk is, evenals het vastleggen van de nieuwe bestemming in een bestemmings- of inpassingsplan;

  • o.

    wooncoöperatie: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt om haar leden in staat te stellen zelfstandig te voorzien in het beheer en onderhoud van de door hen bewoonde woongelegenheden en de direct daaraan grenzende omgeving.

Artikel 25.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise ter bevordering van de snelheid in de voorfase van woningbouwactiviteiten, ten behoeve van:

  • a.

    de vergunningverlening van woningbouwprojecten;

  • b.

    het uitwerken van een woningbouwproject;

  • c.

    het sluiten van anterieure overeenkomsten met marktpartijen; of

  • d.

    het opstellen van een bestemmingsplan en het doorlopen van de bijbehorende procedure.

Artikel 25.3 Criteria

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt indien de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise waarvoor subsidie wordt gevraagd betrekking heeft op een van de volgende woningbouwactiviteiten:

    • a.

      het wegnemen van overtollige plancapaciteit voor woningbouw;

    • b.

      het versnellen van herstructureringsprojecten;

    • c.

      het versnellen van transformatieprojecten;

    • d.

      het versnellen van woningbouwprojecten voor flexwonen, levensloopbestendige woningen, middeldure huurwoningen, kwetsbare doelgroepen, internationale werknemers, collectief particulier opdrachtgeverschap, wooncoöperaties of innovatieve woonvormen;

    • e.

      het versnellen van woningbouwprojecten voor overige doelgroepen.

  • 2.

    Subsidie wordt slechts verstrekt indien de woningbouwactiviteiten plaatsvinden binnen het bestaand stedelijk gebied.

Artikel 25.4 Doelgroep

Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente in de provincie Zeeland.

Artikel 25.5 Weigeringsgronden

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000,-.

Artikel 25.6 Subsidiehoogte

  • 1.

    Indien de activiteit betrekking heeft op een woningbouwactiviteit als bedoeld in artikel 25.3, eerste lid, onder a, b, c of d, bedraagt de subsidie maximaal 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 45.000,- per aanvraag.

  • 2.

    Indien de activiteit betrekking heeft op een woningbouwactiviteit als bedoeld in artikel 25.3, eerste lid, onder e, bedraagt de subsidie maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 30.000,- per aanvraag.

  • 3.

    Per aanvrager wordt maximaal €100.000 subsidie verstrekt.

Artikel 25.7 Subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 1.3.1 en in afwijking van artikel 1.3.2 zijn uitsluitend subsidiabel de kosten van derden gemoeid met de inhuur van tijdelijke capaciteit of externe expertise en voor zover zij zien op de periode tot uiterlijk 31 december 2022.

Artikel 25.8 Openstelling, subsidieplafond en verdeelmethode

  • 1.

    Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Het subsidieplafond wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 3.

    Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 4.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige aanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 25.9 Nadere eisen aan de aanvraag

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie:

  • 1.

    een volledig ingevuld aanvraagformulier subsidie Tijdelijke Inhuur Capaciteit en Expertise voor Woningbouw zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland;

  • 2.

    een plan van aanpak, met daarin de beschrijving van de werkzaamheden en de woningbouwactiviteit waarvoor de tijdelijke capaciteit of externe expertise wordt ingezet;

  • 3.

    een offerte voor de tijdelijke inhuur van capaciteit of externe expertise.

Artikel 25.10 Verplichtingen

Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

  • 1.

    de activiteit start binnen twee maanden na subsidieverlening;

  • 2.

    de activiteit is uiterlijk op 31 december 2022 afgerond.

Artikel 25.11 SiSa-verantwoording

Voor de verantwoording van de subsidie is artikel 1.5.4 van toepassing.

Hoofdstuk 26 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de Gebiedsgerichte Aanpak Wonen (GAW)

Artikel 26.1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;

  • b.

    biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in een bepaald gebied;

  • c.

    circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren;

  • d.

    complementaire woningtypen: woningtypen waar een gebrek aan is of in de toekomst een gebrek aan ontstaat, zoals levensloopbestendige woningen, middeldure huurwoningen, woonzorg-woningen en flexwoningen;

  • e.

    energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot;

  • f.

    exploitatiegebied: afgebakend gebied waarbinnen de activiteiten ten behoeve van de gebiedsgerichte aanpak tot uitvoering worden gebracht;

  • g.

    flexwoningen: woonvorm waarbij sprake is van een tijdelijk pand of locatie voor bewoning dan wel een permanent pand met huurwoningen bedoeld voor urgente woningzoekenden die hier in afwachting van doorstroming naar een reguliere woning tijdelijk onderdak kunnen vinden;

  • h.

    gebiedsgerichte aanpak: de projectmatige integrale aanpak van een afgebakend gebied in het bestaand stedelijk gebied waarmee een sterke bijdrage wordt geleverd aan de verbetering van de woonkwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit;

  • i.

    herstructurering: activiteit waarbij door woningtoevoeging (nieuwbouw en splitsing) en/of woningonttrekking (sloop en samenvoeging) de samenstelling van de bestaande woningvoorraad binnen bestaand stedelijk gebied verandert zonder ingrijpende wijziging van de planologische functie;

  • j.

    klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen op te kunnen vangen;

  • k.

    kwetsbaar overschot: woningen die naar verwachting op de korte of middellange termijn leeg komen te staan, omdat ze slecht scoren op een combinatie van woningkenmerken (energieprestatie, levensloopgeschiktheid, waardeontwikkeling, uitstraling) en buurtkenmerken (voorzieningenniveau, openbare ruimte, veiligheid, sociaaleconomische standaard);

  • l.

    kwetsbare woningvoorraad: woningen die op korte of middellange termijn slecht in de markt komen te liggen, met onderscheid in het kwetsbare overschot en overige kwetsbare woningen;

  • m.

    levensloopbestendig: geschikt of eenvoudig geschikt te maken voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners. Vereiste daarbij is dat de woning zonder trappen van buiten af bereikbaar en rolstoeltoegankelijk is, waarbij de zogenaamde 'primaire ruimtes' (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden;

  • n.

    middeldure huurwoningen: woningen met een huurprijs hoger dan € 763,47 (dit is de liberalisatiegrens op 1 januari 2022) en tot € 1.100,00, met inachtneming van de indexering van de rijksoverheid die geldt voor woningen tot de liberalisatiegrens;

  • o.

    overige kwetsbare woningen: relatief kwetsbare woningen zonder risico op leegstand, maar waarvoor een inspanning (opwaardering en isolatie) wenselijk is;

  • p.

    regionale woningmarktafspraken: afspraken die gemeenten binnen een regio met elkaar maken over de omvang en kwaliteit van te bouwen en te herstructureren woningen in de komende tien jaar, zoals omschreven in de Zeeuwse Omgevingsvisie (vastgesteld door Provinciale Staten op 12 november 2021, te consulteren op: www.zeeland.nl);

  • q.

    renovatie: het uitvoeren van ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw om de woonfunctie aan te passen naar de eisen van de tijd, zoals verduurzaming en levensloopbestendig maken;

  • r.

    ruimtelijke kwaliteit: de balans tussen de gebruikswaarde (functionaliteit, nut en noodzaak), belevingswaarde (beeldkwaliteit, eigenheid, gevoel van gebruikers) en toekomstwaarde (het vermogen om veranderingen op te vangen) van gebieden, projecten en gebouwen.

  • s.

    rijksmonument: een zich in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

  • t.

    sloop: het afbreken van gebouwen, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik;

  • u.

    transformatie: activiteit waarbij door woningtoevoeging in gebouwen of op (bebouwde) gronden (nieuwbouw en functiewijziging) in bestaand stedelijk gebied de planologische functie van het gebouw of de (bebouwde) grond verandert, met uitzondering van agrarische gronden en (onbebouwde) gronden met gebruik als stedelijk groen zoals sportvelden;

  • v.

    verduurzaming: het treffen van maatregelen voor het verminderen van het energieverbruik en het opwekken van duurzame energie van bestaande woningen;

  • w.

    woonzorgwoningen: nultredenwoningen binnen een complex of buurtje dat zo is opgezet dat senioren zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen, maar eenzaamheid voorkomen wordt;

Artikel 26.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor een gebiedsgerichte aanpak binnen het bestaand stedelijk gebied, waarbij sprake is van een verbetering van de kwaliteit van de woningvoorraad door middel van renovatie, herstructurering of transformatie, gecombineerd met een herinrichting van de openbare ruimte en passend in een actuele gemeentelijke visie op de ontwikkeling van het gebied.

Artikel 26.3 Doelgroep en weigeringsgronden

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland die initiatiefnemer is van de gebiedsgerichte aanpak waarop de subsidiabele activiteit betrekking heeft.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 50.000,- of minder bedraagt.

  • 3.

    Subsidie wordt voorts niet verstrekt indien:

    • a.

      de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan starten binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 26.6, eerste lid;

    • b.

      de aanvrager niet kan aantonen dat de activiteit kan worden gerealiseerd uiterlijk op 31 december 2023;

    • c.

      de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand stedelijk gebied;

    • d.

      de activiteit plaatsvindt in een regio waarvoor geen geldende en door de provincie onderschreven regionale woningmarktafspraken beschikbaar zijn.

Artikel 26.4 Subsidiehoogte

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 750.000,-.

Artikel 26.5 Niet-subsidiabele kosten

De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor marketing en promotie;

  • b.

    waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren;

  • c.

    verwerving of inbrengwaarde van onroerende zaken die in de exploitatie van het project zijn opgenomen en met een hogere waarde dan de actuele getaxeerde marktwaarde op basis van het huidige gebruik of leegstand;

  • d.

    kosten voor bodemsanering voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen;

  • e.

    kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen ten behoeve van de instandhouding van rijksmonumenten of zelfstandige onderdelen zoals opgenomen in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten is opgenomen;

  • f.

    kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen;

  • g.

    kosten van planschade; 

  • h.

    kosten van bovenwijkse voorzieningen;

  • i.

    kosten die zijn gemaakt voor ontvangst van de volledige subsidieaanvraag;

  • j.

    kosten waarvoor door gedeputeerde staten of een ander bestuursorgaan al subsidie is verstrekt.

Artikel 26.6 Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn

  • 1.

    Een subsidie als bedoeld in artikel 26.2 kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen acht weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 26.7 Nadere eisen aan de aanvraag

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 26.2:

  • a.

    een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier Subsidie Gebiedsgerichte Aanpak Wonen zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland;

  • b.

    een plan van aanpak, met daarin:

    • een kaart waarop het exploitatiegebied is aangegeven en waaruit blijkt welke bouwwerken en percelen de bedoelde locatie omvat;

    • een algemene beschrijving van de beoogde renovatie, herstructurering en/of transformatie in het kader waarvan de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd, inclusief het aantal particuliere woningen en het aantal sociale huurwoningen waarop het project betrekking heeft;

    • een onderbouwing op welke wijze en in welke mate het project bijdraagt aan de verbetering van de kwaliteit van de woningvoorraad door:

      • de toevoeging van complementaire woningtypen;

      • de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad;

      • het levensloopbestendig maken van de bestaande woningvoorraad;

    • een onderbouwing op welke wijze en in welke mate het project bijdraagt aan een verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte:

      • de herinrichting van de openbare ruimte;

      • de inrichtingsmaatregelen die bijdragen aan de leefbaarheid en gezondheid van bewoners;

    • een onderbouwing op welke wijze de gebiedsgerichte aanpak extra kwaliteit levert door middel van bovenwettelijke maatregelen die bijdragen aan de volgende doelen:

      • circulaire economie;

      • klimaatadaptatie;

      • biodiversiteit;

      • energietransitie;

      • belevingswaarde

    • een onderbouwing op welke wijze deze aanpak past binnen een gemeentelijke visie op de ontwikkeling van het gebied;

    • een toelichting op de te nemen maatregelen en een onderbouwde raming van de kosten per maatregel;

    • tekeningen of schetsen van de bestaande en gewenste situatie;

    • grond- en opstalexploitaties, waarbij uitgegaan wordt van nominale waarden, inclusief verwachte en verleende subsidies, behorende bij het exploitatiegebied;

  • c.

    een onderbouwde financieringstoelichting van het project met daarin:

    • grond- en opstalexploitaties, waarbij uitgegaan wordt van nominale waarden, inclusief verwachte en verleende subsidies, behorende bij het exploitatiegebied;

  • d.

    een realistische planning die aantoont:

    • welke werkzaamheden van het project voor de indiening van de aanvraag zijn uitgevoerd;

    • dat de uitvoering van het project binnen een jaar na beëindiging van de openstelling kan starten;

    • dat het project uiterlijk op 31 december 2023 kan worden afgerond;

  • e.

    voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering;

  • f.

    informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden.

Artikel 26.8 Extern deskundige

Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.

Artikel 26.9 Verdeelprocedure

  • 1.

    Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      realisatie complementaire woningtypen: de mate waarin de activiteit door middel van renovatie, herstructurering of transformatie voorziet in de realisatie van woningtypen die complementair zijn aan de bestaande woningvoorraad;

    • b.

      aard van de aanpak: de mate waarin er sprake is van , herstructurering, renovatie van de kwetsbare woningvoorraad en/of transformatie;

    • c.

      particulier eigendom: de mate waarin er sprake is van particulier woningbezit bij aanvang van het project;

    • d.

      anpak openbare ruimte: de mate waarin de openbare ruimte ingericht wordt ter bevordering van de leefbaarheid en de gezondheid van bewoners;

    • e.

      verbetering van de ruimtelijke kwaliteit: de mate waarin de activiteit door het opnemen van bovenwettelijke maatregelen bijdraagt aan circulaire economie, biodiversiteit, klimaatadaptatie, energietransitie en/of de belevingswaarde van de gebouwen.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe :

    • a.

      realisatie juiste woningen: ten hoogste 50 punten

    • b.

      aard van de aanpak: ten hoogste 45 punten;

    • c.

      particulier eigendom: ten hoogste 25 punten;

    • d.

      aanpak openbare ruimte: ten hoogste 30 punten;

    • e.

      verbetering van de ruimtelijke kwaliteit: ten hoogste 50 punten.

  • 3.

    Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

  • 4.

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt subsidie verleend aan de aanvraag met de hoogste score behaald op basis van het criterium a, bedoeld in het eerste lid.

  • 5.

    In het geval een subsidie niet volledig verleend kan worden als gevolg van het bereiken van het subsidieplafond, vindt verlening plaats ter hoogte van het nog beschikbare bedrag.

  • 6.

    Indien naar het oordeel van gedeputeerde staten niet aannemelijk is dat de subsidieaanvrager na gedeeltelijke verlening van de subsidie de activiteiten uit zal voeren, zijn gedeputeerde staten bevoegd de subsidie te weigeren en de subsidie aan de eerstvolgende in de rangschikking te verlenen.

Artikel 26.10 Verplichtingen

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in § 1.6 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

    • a.

      de activiteit start binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 26.6, eerste lid;

    • b.

      de activiteit wordt uiterlijk op 31 december 2023 gerealiseerd.

  • 2.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager, kunnen gedeputeerde staten afwijken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b.

Hoofdstuk 27 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van mobiliteitshubs Zeeland 2022-2024

Paragraaf 27.1 Algemene Bepalingen

Artikel 27.1.1 Begripsbepalingen

  • a.

    buurthub: een openbaar toegankelijk uitgifte- of inleverlocatie voor deelmobiliteit, gelegen in een wijk waar reizigers gebruik van maken voor korte verplaatsingen als voor- of natransport voor langere reistafstanden met het openbaar vervoer of de auto die is geparkeerd op afstand;

  • b.

    deelmobiliteit: mobiliteitsvorm verzorgd door deelvoertuigen zoals deelfietsen, e-deelfietsen, e-deelscooters en e-deelauto’s;

  • c.

    deelmobiliteithub: buurthub, wijkhub en regiohub;

  • d.

    e-: elektrische;

  • e.

    halte: herkenbare plek die deel uitmaakt van een gestrekte buslijn, waar de reiziger kan opstappen op de grote bus, dat beschikt over tenminste de volgende voorzieningen:

    • een toegankelijke halte voor bussen en stopplek voor flextaxi;

    • haltevertrekstaat en contactinformatie;

    • duidelijke bewegwijzering;

  • f.

    hub: reguliere hub, regionale hub en stationshub;

  • g.

    knooppunt: een punt in het vervoersnetwerk waar een overstap tussen meerdere openbaar vervoerswijzen gefaciliteerd wordt;

  • h.

    regiohub: een openbaar toegankelijk uitgifte- of inleverlocatie voor deelmobiliteit, gelegen in landelijk gebied bij of een intercity-station, of een park & ride aan een grotere weg, of aan de rand of op enige afstand van een stad bij een openbaar vervoerverbinding, waar reizigers gebruik van maken als voor- of natransport voor langere reistafstanden met het openbaar vervoer of de auto die is geparkeerd op afstand;

  • i.

    regionale hub: een knooppunt met een grote regionale functie en dat beschikt over tenminste de volgende voorzieningen:

    • een toegankelijke halte voor bussen en stopplek voor flextaxi;

    • een kiss & ride-zone;

    • duidelijke bewegwijzering op de hub;

    • routeinformatie, omgevingskaarten en een overzicht van hubs en deelmobiliteithubs;

    • parkeer- en stallingsmogelijkheden voor deelmobiliteit;

    • overdekt fietsparkeren en voldoende aanbindpunten;

    • volgens de in de betreffende gemeente geldende parkeernorm voldoende ruimte voor parkeren van niet e-auto’s;

    • voorzieningen voor laadpunten voor e-fietsen, e-scooters en e-auto’s;

    • overdekte en afgesloten wachtruimte;

    • wifi en een watertappunt;

  • j.

    reguliere hub: knooppunt dat beschikt over tenminste de volgende voorzieningen:

    • een toegankelijke halte voor bussen en stopplek voor flextaxi;

    • routeinformatie, omgevingskaarten en een overzicht van hubs en deelmobiliteithubs;

    • overdekt fietsparkeren

    • autoparkeren en een kiss & ride-zone;

    • overdekte wachtruimte.

  • k.

    stationshub: een regionale hub nabij treinstation waar reizigers de mogelijkheid hebben om tussen modaliteiten over te stappen;

  • l.

    TOMP API: Transport Operator to Mobility Provider-Application Programming Interface;

  • m.

    wijkhub: een openbaar toegankelijk uitgifte- of inleverlocatie voor deelmobiliteit, gelegen op een centrale plek in een wijk of aan de rand van een wijk bij een openbaar vervoerverbinding, waar reizigers gebruik van maken voor korte verplaatsingen als voor- of natransport voor langere reistafstanden met het openbaar vervoer of de auto die is geparkeerd op afstand;

Artikel 27.1.2 Algemene subsidievoorwaarden

Subsidie wordt alleen verstrekt wanneer:

  • a.

    de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, passen in de Regionale mobiliteitsstrategie Zeeland zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 17 december 2021;

  • b.

    de halte, hub of deelmobiliteithub gelegen is in de openbare ruimte en voor alle reizigers toegankelijk is;

  • c.

    voor alle voertuigen wordt gezorgd voor een goede ondergrond, belijning en bebording;

  • d.

    de halte, hub of deelmobiliteithub past binnen het bestemmingsplan en ruimtelijk wordt ingepast;

  • e.

    de subsidieaanvrager die niet tevens eigenaar is van de grond waarop de subsidiabele activiteiten plaatsvinden, daarvoor toestemming van die eigenaar heeft.

Artikel 27.1.3 Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger is verplicht voor het regelen van de exploitatie en het beheer en onderhoud van een halte, hub of deelmobiliteithub tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie.

Artikel 27.1.4 Weigeringsgrond

GS weigeren de subsidie voor zover de activiteit in een vergelijkbare vorm naar het oordeel van GS, middels al verleende subsidie of (in)directe financiering, door de provincie Zeeland financieel wordt ondersteund.

Artikel 27.1.5 Niet subsidiabele kosten

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.3.2 zijn personeelskosten van medewerkers die in dienst zijn van gemeenten niet subsidiabel.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid zijn niet subsidiabel:

    • a.

      de onderhoudskosten aan infrastructuur of voorzieningen en de kosten als gevolg van achterstallig onderhoud;

    • b.

      de kosten voor de onderdelen van de infrastructuur of dienst die niet direct leiden tot het bereiken van de doelstellingen van de Regionale mobiliteitsstrategie Zeeland;

    • c.

      de kosten voor de aanschaf en het plaatsen van laadpalen;

    • d.

      de kosten voor de aanschaf en exploitatie van deelvoertuigen.

Artikel 27.1.6 Aantal halte, hub en deelmobiliteithub

Gedurende het tijdvak 2022-2024 wordt subsidie verleend voor maximaal drie stationshubs, vijf regionale hubs, acht reguliere hubs, tien haltes en dertig deelmobiliteithubs.

Artikel 27.1.7 Indieningstermijn, subsidieplafond en verdeling subsidieplafonds

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie kan uitsluitend worden ingediend als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld.

  • 2.

    Gedeputeerde staten stellen per openstellingsperiode een subsidieplafond vast.

  • 3.

    Subsidieaanvragen die op de uiterste indieningsdatum niet volledig zijn ontvangen, worden afgewezen.

  • 4.

    Aanvragen worden tenminste 8 weken voor aanvang van de subsidiabele activiteiten ingediend.

  • 5.

    De subsidieplafonds worden op volgorde van ontvangst van de aanvragen verdeeld.

  • 6.

    De datum van ontvangst is het tijdstip waarop de aanvraag volledig is ingediend.

  • 7.

    Voor zover aanvragen op hetzelfde tijdstip zijn ingediend en toekenning van die aanvragen zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, bepaalt het college door middel van loting in welke volgorde de aanvragen worden behandeld.

Paragraaf 27.2 Realisatie halte en hub

Artikel 27.2.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de realisatie van een nieuwe halte in Zeeland;

  • b.

    de realisatie van een hub.

Artikel 27.2.2 Subsidieontvanger

Subsidie kan worden verstrekt aan gemeenten in de provincie Zeeland.

Artikel 27.2.3 Aanvullende weigeringsgrond

In aanvulling op het bepaalde in artikel 27.1.4, zal GS de subsidie weigeren als het niet aannemelijk is dat de realisatie van een nieuwe halte, hub wordt binnen twee jaar na indiening van de aanvraag om subsidie is afgerond.

Artikel 27.2.4 Indieningsvereisten

  • 1.

    Subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier ‘halte en hub realisatie’, te vinden op www.zeeland.nl.

  • 2.

    Een subsidieaanvraag bevat, in afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, ten minste de volgende bijlagen:

    • a.

      het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen;

    • b.

      sluitende begroting met kostenraming en dekkingsposten;

    • c.

      Plan van Aanpak met minimaal de volgende onderdelen:

      • onderbouwing per locatie

      • planning

    • d.

      foto’s van de huidige locatie;

    • e.

      (ontwerp)schetsen toekomstige invulling.

Artikel 27.2.5 Hoogte van de subsidie

Het subsidiebedrag bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van:

  • a.

    € 50.000,- voor de realisatie van een nieuwe halte;

  • b.

    € 150.000,- voor de realisatie van een reguliere hub;

  • c.

    € 300.000,- voor de realisatie van een regionale hub;

  • d.

    € 500.000,- voor de realisatie van een stationshub.

Paragraaf 27.3 Realisatie deelmobiliteithub

Artikel 27.3.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de realisatie van een deelmobiliteithub in Zeeland, mits deze parkeer- en stallingsruimte biedt voor minimaal de volgende deelmobiliteit:

  • a.

    5 deelvoertuigen als het gaat om een buurthub;

  • b.

    10 deelvoertuigen als het gaat om een wijkhub;

  • c.

    15 deelvoertuigen als het gaat om een regiohub.

Artikel 27.3.2 Subsidieontvangers

Subsidie kan worden verstrekt aan:

  • a.

    gemeenten in de provincie Zeeland;

  • b.

    exploitanten van deelmobiliteithubs.

Artikel 27.3.3 Aanvullende subsidievoorwaarden deelmobiliteithub

In aanvulling op het bepaalde in artikel 27.1.2, geldt voor de realisatie van een deelmobiliteithub de volgende voorwaarden:

  • a.

    voor fietsen, e-fietsen en e-scooters wordt een stalling gerealiseerd;

  • b.

    voor e-deelvoertuigen wordt voldoende laadinfrastructuur gerealiseerd, met een aansluiting op het net;

  • c.

    in het geval de subsidieaanvraag afkomstig is van een exploitant van deelmobiliteithub stemt de betreffende gemeente in met de voorgestelde locatie;

  • d.

    de realisatie van een deelmobiliteithub is binnen een jaar na indiening van de aanvraag om subsidie afgerond.

Artikel 27.3.4 Verplichtingen subsidieontvanger

De subsidieontvanger is verplicht ervoor zorg te dragen dat:

  • a.

    alle deelmobiliteitaanbieders in beginsel kans maken om deelmobiliteit aan te bieden op de deelmobiliteithub onder gelijke condities via een vergunningenstelsel of openbare aanbesteding;

  • b.

    deelmobiliteitsaanbieders contractueel of in een vergunning worden verplicht om de TOMP APIte implementeren;

  • c.

    deelmobiliteitsaanbieders juridisch verplicht zijn om geanonimiseerde data te leveren over het gebruik van de deelmobiliteit.

Artikel 27.3.5 Indieningsvereisten

  • 1.

    Subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde aanvraagformulier ‘deelmobiliteithub , te vinden op www.zeeland.nl.

  • 2.

    Een subsidieaanvraag bevat, in afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen.

Artikel 27.3.6 Hoogte van de subsidie

Het subsidiebedrag bedraagt voor de realisatie van een deelmobiliteithub maximaal 75% van de subsidiabele kosten tot een maximum van:

  • a.

    € 20.000,- in het geval van een buurthub;

  • b.

    € 35.000,- in het geval van een wijkhub;

  • c.

    € 50.000,- in het geval van een regiohub.

Artikel 27.3.7 De-minimissteun

  • 1.

    Gedeputeerde staten toetsen voor subsidieverlening of die is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie.

  • 2.

    Indien sprake is van een steunmaatregel, dan wordt deze verleend op basis van de Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L352 /1) en uitsluitend voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden van die verordening.

  • 3.

    Wanneer de subsidieverlening is aan te merken als een steunmaatregel, legt de penvoerder op verzoek van gedeputeerde staten een de-minimisverklaring over met een opgave van alle andere ontvangen de-minimissteun in de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar.

Hoofdstuk 28 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor de uitvoering van fysieke maatregelen ten behoeve van toekomstbestendige bedrijventerreinen (Toekomstbestendige bedrijventerreinen – fysieke maatregelen)

Artikel 28.1 Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    bedrijventerrein: een terrein van ten minste één hectare bruto dat planologisch bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie;

  • b.

    biodiversiteit: de verscheidenheid in het voorkomen van verschillende dieren en planten in een bepaald gebied;

  • c.

    circulaire economie: een economisch systeem dat bedoeld is om herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren;

  • d.

    collectieve fysieke maatregelen: fysieke maatregelen die bedrijven en overheden kunnen nemen die impact hebben op een (groot) deel van het bedrijventerrein en meerdere van de daarop gevestigde bedrijven;

  • e.

    energietransitie: besparing van energie én de omschakeling van fossiele energiebronnen naar volledig hernieuwbare energiebronnen zoals zon, wind en water, gericht op het verminderen van CO2-uitstoot;

  • f.

    herstructurering: alle eenmalige ruimtelijke ingrepen op een bedrijventerrein die tot doel hebben de kwaliteit van het terrein te verbeteren en veroudering tegen te gaan en die niet tot het reguliere onderhoud worden gerekend. Er zijn vijf vormen van herstructurering te onderscheiden:

    • facelift;

    • revitalisering;

    • zware revitalisering;

    • herprofilering;

    • transformatie;

  • g.

    klimaatadaptatie: aanpassing aan klimaatverandering om effecten als droogte, extreme neerslag en hogere temperaturen op te kunnen vangen;

  • h.

    toekomstbestendig bedrijventerrein: een bedrijventerrein dat inspeelt op toekomstige kansen en opgaven op het gebied van economie, energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit, waardoor het terrein aantrekkelijk blijft als vestigingslocatie;

  • i.

    verduurzaming: maatregelen die tot doel hebben om de energietransitie, circulaire economie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en zero-emissie mobiliteit op bedrijventerreinen en bij bedrijven te stimuleren;

  • j.

    zeehaventerrein: terrein dat onderdeel is van het beheersgebied van North Sea Port;

  • k.

    zero-emissie mobiliteit: mobiliteitsoplossingen die geen (CO2-)uitstoot veroorzaken.

Artikel 28.2 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor de realisatie van collectieve fysieke maatregelen met inbegrip van de procesbegeleiding ten behoeve van het toekomstbestendiger maken van bestaande bedrijventerreinen.

  • 2.

    Deze collectieve fysieke maatregelen dienen betrekking te hebben op één of meerdere van de volgende thema’s:

    • a.

      herstructurering in de vorm van zware revitalisering, herprofilering of transformatie, voor zover deze bijdraagt aan de verduurzaming van het bedrijventerrein of deze de verduurzaming van de daarop gevestigde bedrijven mogelijk maakt;

    • b.

      energietransitie;

    • c.

      circulaire economie;

    • d.

      klimaatadaptatie;

    • e.

      biodiversiteit;

    • f.

      zero-emissie mobiliteit.

Artikel 28.3 Doelgroep, voorwaarden en weigeringsgronden

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan een gemeente binnen de provincie Zeeland.

  • 2.

    Subsidie wordt slechts verstrekt als:

    • a.

      er sprake is van een tekort in de financiering van de activiteit;

    • b.

      de activiteit aantoonbaar bijdraagt aan het toekomstbestendiger maken van het bedrijventerrein;

    • c.

      de activiteit een multiplier effect heeft voor ontwikkelingen op het bedrijventerrein;

    • d.

      de collectiviteit van de te realiseren fysieke maatregelen voldoende wordt aangetoond.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, wordt subsidie niet verstrekt indien de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie reeds is gestart.

  • 4.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder b en c, wordt subsidie niet verstrekt indien:

    • a.

      de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie;

    • b.

      de activiteit niet wordt gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie;

    • c.

      de activiteit plaatsvindt op een bedrijventerrein bestemd voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, waterwinning, afvalstort, nutsvoorzieningen, horeca- en recreatiebedrijven, agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage A van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 alsmede overige krachtens de Omgevingsverordening Zeeland 2018 toegelaten bedrijvigheid, overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid en solitaire bedrijvigheid binnen bestaand stedelijk gebied;

    • d.

      de activiteit plaatsvindt op een zeehaventerrein;

    • e.

      de som van het aantal toegekende punten aan de activiteit op basis van artikel 28.8, tweede lid, minder bedraagt dan 60.

  • 5.

    Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het vierde lid, aanhef en onderdeel b bepaalde.

Artikel 28.4 Subsidie hoogte

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 500.000,- per aanvraag.

Artikel 28.5 Niet-subsidiabele kosten

  • 1.

    De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten gemaakt voor de indiening van de aanvraag;

    • b.

      kosten voor marketing en promotie;

    • c.

      kosten voor het afwaarderen van de boekwaarde van de gronden en opstallen;

    • d.

      kosten voor bodemsanering, voor zover deze de waardevermeerdering van het terrein als gevolg van de bodemsanering niet overstijgen.

    • e.

      kosten van maatregelen die gerekend kunnen worden tot het regulier onderhoud van de gemeente.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.3.2 komen personeelskosten van de aanvrager niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 28.6 Openstelling, subsidieplafond en beslistermijn

  • 1.

    Een subsidie kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na beëindiging van de openstellingsperiode.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen.

Artikel 28.7 Nadere eisen aan de aanvraag

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie:

  • a.

    een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier ‘Toekomstbestendige bedrijventerreinen – fysieke maatregelen’, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland;

  • b.

    een plan van aanpak voor de uitvoering van de activiteit, inclusief uitgewerkte meerjarenbegroting en realistische tijdsplanning;

  • c.

    voor zover subsidie wordt gevraagd voor de kosten van bodemsanering: een door een onafhankelijke deskundige opgestelde taxatie van de waardestijging van het terrein als gevolg van de bodemsanering;

  • d.

    informatie waaruit blijkt dat de staatssteun- en aanbestedingsregels niet worden overtreden.

Artikel 28.8 Verdeelprocedure

  • 1.

    Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      impact: de mate waarin de maatregel bijdraagt aan het vergroten van de toekomstbestendigheid van het bedrijventerrein;

    • b.

      multiplier: de mate waarin de subsidie een multipliereffect heeft op ontwikkelingen op het bedrijventerrein;

    • c.

      kwaliteit: de kwaliteit en haalbaarheid van het plan van aanpak.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe:

    • a.

      impact: ten hoogste 50 punten;

    • b.

      multiplier: ten hoogste 30 punten;

    • c.

      kwaliteit: ten hoogste 20 punten.

  • 3.

    Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.

  • 4.

    Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

Artikel 28.9 Extern deskundige

Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.

Hoofdstuk 29 Slotbepalingen

§ 29.1 Intrekken

Artikel 29.1.1

Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2007 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft voor subsidiebesluiten die zijn genomen op grond van de Algemene subsidiebesluit Zeeland 2007.

§ 29.2 Inwerkingtreding en aanhaling

Artikel 29.2.1

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

  • 2.

    Dit besluit wordt aangehaald als: "Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013", afgekort tot "Asb 2013".

Bijlage A als bedoeld in artikel 1.9.7 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013

Hoofdstuk 1 Uitgangspunten

1.1 Doelstelling

Dit controleprotocol heeft betrekking op subsidies die de provincie Zeeland verstrekt aan instellingen op grond van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 (afgekort Asb 2013).

Dit controleprotocol is opgesteld om duidelijkheid te scheppen over de aspecten waar de accountant zijn controle ten minste op dient te richten. Hierin worden de verwachtingen van gedeputeerde staten van Zeeland vastgelegd ten aanzien van de werkzaamheden van de accountant bij de controle van de aanvraag tot vaststelling.

Het bestuur van de subsidieontvanger is verantwoordelijk voor de correcte samenstelling, getrouwheid en rechtmatigheid van de aanvraag tot vaststelling, bestaande uit de prestatiebewijzen, de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden en de financiële verantwoording opgesteld overeenkomstig de indeling van de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting.

De accountant verricht zijn onderzoek, gericht op het verkrijgen van een hoge mate van zekerheid over de financiële verantwoording die onderdeel uitmaakt van de aanvraag tot vaststelling. De accountant controleert de financiële verantwoording met inachtneming van de voorgeschreven aandachtspunten in hoofdstuk 2 van dit controleprotocol. De accountant rapporteert zijn bevindingen in een controleverklaring.

1.2 Definities

In dit controleprotocol wordt verstaan onder:

  • a.

    subsidieverstrekker: provincie Zeeland,

  • b.

    subsidieontvanger: instelling die subsidie ontvangt van de provincie Zeeland,

  • c.

    accountant: accountant die de aanvraag tot vaststelling controleert, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountants, of een accountant-administratieconsulent, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 36, derde lid van de Wet op de Accountant-administratieconsulent,

  • d.

    aanvraag tot vaststelling: het geheel aan documenten dat dient te worden ingediend voor de verantwoording van de subsidie.

  • e.

    financiële verantwoording: een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit en die zijn afgezet tegen de begrote kosten en opbrengsten;

  • f.

    subsidie conform arrangement 3: een subsidie conform paragraaf 1.9 Arrangement 3 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.

  • g.

    integrale kosten subsidie: een subsidie conform hoofdstuk 2 Integrale kosten subsidie van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.

1.3 Procedures

In het geval van een subsidie conform arrangement 3 wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend door de subsidieontvanger binnen 12 weken nadat de projecttermijn is verstreken, tenzij hiervoor uitstel is verleend, of is afgesproken via de beschikking tot subsidieverlening dat de subsidie in de jaarrekening wordt verantwoord. In het geval van een integrale kosten subsidie wordt de aanvraag tot vaststelling zes maanden na afloop van het boekjaar ingediend door de subsidieontvanger.

De aanvraag tot vaststelling van een subsidie conform arrangement 3 bestaat uit:

  • 1.

    het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijs,

  • 2.

    overige in de beschikking tot subsidieverlening genoemde bescheiden,

  • 3.

    een financiële verantwoording.

Product accountant: Controleverklaring over de financiële verantwoording.

De aanvraag tot vaststelling van een integrale kosten subsidie bestaat uit:

  • 1.

    het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijs,

  • 2.

    overige in de beschikking tot subsidieverlening genoemde bescheiden,

  • 3.

    het jaarverslag over het boekjaar,

  • 4.

    een financiële verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen activiteiten als onderdeel van de jaarrekening.

Product accountant: Controleverklaring over de financiële verantwoording.

De subsidieontvanger heeft een actieve meldplicht. Dit houdt in dat iedere afwijking van de beschikking tot subsidieverlening of de aanvraag voor de subsidie dient te worden gemeld. Niet tijdig melden kan consequenties hebben voor de hoogte van de subsidie. Wijzigingen op de subsidie worden altijd schriftelijk door de subsidieverstrekker bevestigd.

Conform artikel 1.9.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is het mogelijk dat door de externe accountant van de provincie Zeeland, of een door de provincie Zeeland aan te wijzen ambtenaar of accountant, een review wordt uitgevoerd bij de accountant van de instelling.

Hoofdstuk 2 Onderzoeksaanpak

2.1 Controleaanpak

De onderzoeksaanpak is primair de verantwoordelijkheid van de accountant. Dit controleprotocol geeft nadere aanwijzingen, die de accountant bij zijn onderzoeksaanpak ten minste moet betrekken.

De controle van de financiële verantwoording dient te omvatten de getrouwheid, de rechtmatige besteding van de subsidie en de naleving van de financiële verplichtingen en voorwaarden.

2.2 Financiële verantwoording

Van de accountant wordt verwacht dat hij controleert dat de in het verslag opgenomen financiële gegevens getrouw zijn weergegeven en rechtmatig zijn. Dit houdt in dat:

In het geval van een subsidie conform arrangement 3:

  • -

    de uitgaven rechtstreeks aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de gesubsidieerde activiteit (Artikel 1.3.1 eerste lid Asb 2013);

  • -

    geen verrekenbare en compensabele BTW als lasten zijn opgevoerd, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald (Artikel 1.3.1 tweede lid Asb 2013);

  • -

    de personeelskosten aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de activiteit en gebaseerd zijn op een controleerbare urenadministratie (Artikel 1.3.2 eerste lid onder a Asb 2013);

  • -

    de subsidiabele personeelskosten in de financiële verantwoording zijn berekend aan de hand van een uurtarief dat overeenkomt met ten hoogste 1,2 procent van het betreffende bruto maandsalaris, in geval van een deeltijd dienstverband omgerekend naar een maandsalaris bij een voltijdsdienstverband (Artikel 1.3.2 eerste lid onder b Asb 2013);

  • -

    de subsidiabele personeelskosten in de financiële verantwoording het met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde in begroting opgenomen bedrag aan personeelskosten niet overschrijden (Artikel 1.3.2 eerste lid onder b Asb 2013);

  • -

    de kosten zijn opgenomen onder de juiste kostensoorten en geen kostensoorten in de verantwoording zijn opgenomen die niet in de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting zijn opgenomen (Artikel 1.9.5 eerste lid onder c jo. artikel 1.1.1 onder f Asb 2013);

  • -

    de (extra)inkomsten alsook de bijdragen, subsidies, giften, nog te verwachten bijdragen, etc. die aan de gesubsidieerde activiteit toebehoren volledig in de financiële verantwoording zijn verwerkt (Artikel 1.9.5 eerste lid onder c jo. artikel 1.1.1 onder f Asb 2013);

  • -

    de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen financiële voorwaarden en verplichtingen zijn nagekomen (Artikel 1.9.5 eerste lid onder b Asb 2013);

  • -

    of, indien op de subsidie ook een ander hoofdstuk (bijvoorbeeld hoofdstuk 3 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor verkeersveiligheid) uit het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 dan hoofdstuk 1 en 2 van toepassing is, ook aan de financiële voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan.

In het geval van een integrale kosten subsidie:

  • -

    dat de kosten op de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde wijze zijn toegerekend aan de gesubsidieerde activiteiten (Artikel 2.2.1 eerste lid onder b Asb 2013);

  • -

    dat er geen toevoegingen aan reserves zijn toegerekend aan de subsidiabele kosten (Artikel 2.2.1 eerste lid onder d Asb 2013);

  • -

    geen verrekenbare en compensabele BTW als lasten zijn opgevoerd, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald (Artikel 1.3.1 tweede lid Asb 2013);

  • -

    de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen overige financiële voorwaarden en verplichtingen zijn nagekomen (Artikel 2.8.2 onder d Asb 2013);

  • -

    de kosten zijn opgenomen onder de juiste kostensoorten en geen kostensoorten in de verantwoording zijn opgenomen die niet in de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting zijn opgenomen (Artikel 2.8.2 eerste lid onder d);

  • -

    de (extra)inkomsten alsook de bijdragen, subsidies, giften, nog te verwachten bijdragen, etc. die aan de gesubsidieerde activiteit toebehoren volledig in de financiële verantwoording zijn verwerkt (Artikel 2.8.2 eerste lid onder d).

2.3 Referentiekader

Het wettelijk kader voor dit controleprotocol is:

  • -

    de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013;

  • -

    het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013;

  • -

    de in de beschikking tot subsidieverlening aanvullende subsidieverplichtingen en subsidievoorwaarden;

  • -

    de overige van toepassing zijnde besluiten en correspondentie met betrekking tot de verleende subsidie.

2.4 Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid

Bij zijn oordeelsvorming over de naleving van de voorwaarden en de verplichtingen verbonden aan de financiële verantwoording streeft de accountant naar een hoge mate van zekerheid. De controle moet worden uitgevoerd met een betrouwbaarheid van 95 procent.

Financiële informatieEen controleverklaring met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven eerder genoemde betrouwbaarheid, de meest waarschijnlijke fout niet groter is dan één procent van de verantwoording van de totale subsidiabele kosten.

Als deze norm overschreden wordt, is de hieronder vermelde tabel van toepassing:

-

Strekking controleverklaring

-

-

-

Goedkeuringstolerantie

Goedkeurend

Beperking

Oordeelonthouding

Afkeurend

Fouten in de aanvraag tot vaststelling

≤ 1%

> 1% ≤ 3%

-

≥ 3%

Onzekerheden in de controle

≤ 3%

> 3% ≤ 10%

-

-

De rapporteringstolerantie is gelijk aan de controletolerantie.

Hoofdstuk 3 Accountantsproducten

De accountant gebruikt het meest recente model controleverklaring zoals opgenomen in de Handleiding Regelgeving Accountancy (HRA), deel 3, Sectie II, 10.3 basis voorbeeldtekst goedkeurende controleverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector. In de controleverklaring wordt tevens vermeld dat de controle mede in overeenstemming met dit controleprotocol is uitgevoerd.

In de controleverklaring ten behoeve van de provincie Zeeland dient ten minste te worden gemeld,

  • a.

    in de paragraaf "verklaring betreffende de jaarrekening/xxx" een verwijzing naar de beschikking tot subsidieverlening, inclusief datum en kenmerk;

  • b.

    in de paragraaf "verantwoordelijkheid van het bestuur" een verwijzing naar de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013;

  • c.

    in de paragraaf "verantwoordelijkheid van de accountant" naast het Nederlands recht een verwijzing opnemen naar dit controleprotocol en de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen subsidievoorwaarden en verplichtingen;

  • d.

    in de paragraaf "oordeel" een verwijzing naar de financiële verantwoording en een verwijzing naar dit controleprotocol en de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen subsidievoorwaarden en subsidieverplichtingen;

Een voorbeeldtekst, gebaseerd op Handleiding Regelgeving Accountancy (HRA), deel 3, Sectie II, 10.3 basis voorbeeldtekst goedkeurende controleverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector, zoals de provincie Zeeland wil ontvangen ten minste voorzien van alle hiervoor benoemde essentiële onderdelen is te vinden in de bijlage bij dit controleprotocol.

Bijlage bij het controleprotocol voor de accountant

CONTROLEVERKLARING VAN DE ONAFHANKELIJKE ACCOUNTANT

Afgegeven ten behoeve van de provincie Zeeland

Aan: Opdrachtgever

Wij hebben bijgaande financiële verantwoording ingevolge de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 van ... (naam entiteit(en)) te ... (statutaire vestigingsplaats) inzake de subsidie/ de integrale kosten subsidie voor het jaar … verleend met brief van ../../… met kenmerk voor het project ………. gecontroleerd.

Verantwoordelijkheid van het bestuur

Het bestuur van de entiteit is verantwoordelijk voor het samenstellen van de aanvraag tot vaststelling en de bijbehorende financiële verantwoording in overeenstemming met de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013, het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 en de voorwaarden zoals benoemd in de beschikking tot subsidieverlening. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het samenstellen van de aanvraag tot vaststelling en de bijbehorende financiële verantwoording mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountant

Onze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de financiële verantwoording op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het controleprotocol behorende bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013. Dit vereist dat wij voldoen aan de voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat financiële verantwoording geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de financiële verantwoording. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de financiële verantwoording een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.

Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het samenstellen van de financiële verantwoording door de entiteit, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de entiteit. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor het samenstellen van de financiële verantwoording, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de financiële verantwoording.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.

Oordeel

Naar ons oordeel geeft de financiële verantwoording ingevolge de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 van ... (naam entiteit(en)) inzake de subsidie/ de integrale kosten subsidie voor het jaar … verleend met brief van ../../… met kenmerk voor het project ……….in alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer, in overeenstemming met het controleprotocol behorende bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.

Beperking in gebruik en verspreidingskring

De financiële verantwoording is opgesteld voor ... (naam subsidiegever) met als doel ... (naam entiteit(en)) in staat te stellen te voldoen aan de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013. Hierdoor is de financiële verantwoording mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. De financiële verantwoording met onze controleverklaring is derhalve uitsluitend bestemd voor ... (naam entiteit(en)) en de provincie Zeelanden dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.

Plaats en datum

Toelichting bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013

Algemeen (hoofdstuk 1)

In de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 (Asv) bepalen provinciale staten dat gedeputeerde staten regels moeten stellen voor het verstrekken van subsidies. Ter uitvoering van deze bepaling hebben gedeputeerde staten dit Algemene subsidiebesluit Zeeland 2013 (Asb) geformuleerd. Het Asb bevat de algemene subsidieregels. Daarnaast zijn ook specifieke beleidsafhankelijke subsidieregels opgenomen in dit subsidiebesluit. Daardoor is de wijze van subsidieverstrekking zoveel mogelijk uniform gehouden.

Bij het opstellen van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is rekening gehouden met: