Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013

Geldend van 01-05-2015 t/m 18-06-2015

nl

Gedeputeerde staten van Zeeland

  • -

    Gelezen het voorstel van de afdeling FEZ, nr. FEZ A-01, stuknr. 12076926;

  • -

    Overwegende dat ter uitvoering van het door provinciale staten vastgestelde subsidiebeleid nadere regels dienen te worden gesteld voor het verstrekken van subsidies;

  • -

    Gelet op artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013;

besluiten vast te stellen het navolgende Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

§ 1.1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1.1

In dit uitvoeringsbesluit wordt verstaan onder:

  • a.

    instelling: een rechtspersoon, een vennootschap of een eenmanszaak;

  • b.

    arrangement: een vaste set van specifieke regels, voorwaarden en verplichtingen dat gerelateerd is aan de hoogte van het subsidiebedrag;

  • c.

    prestatieafspraak: één of meerdere activiteiten geformuleerd in de beschikking tot subsidieverstrekking, die dienen te worden gerealiseerd om in aanmerking te komen voor subsidie of voor een deel daarvan;

  • d.

    prestatiebewijs: een op basis van dit besluit dan wel in de beschikking tot subsidieverlening als zodanig aangeduid geheel van bewijsmiddelen waarmee onweerlegbaar wordt aangetoond dat de prestatieafspraak is gerealiseerd;

  • e.

    accountant: een accountant, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 55 van de Wet op de registeraccountants, of een Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde lid, van die wet;

  • f.

    financiële verantwoording: een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit en die zijn afgezet tegen de begrote kosten en opbrengsten;

  • g.

    integrale kosten subsidie: een subsidie waarbij alle kosten van een instelling subsidiabel zijn.

§ 1.2 Algemene weigeringsgronden

Artikel 1.2.1

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt aan een instelling.

  • 2.

    Subsidie wordt niet verstrekt indien:

    • a.

      de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie is gerealiseerd;

    • b.

      de subsidie is aangemerkt als ontoelaatbare staatssteun; of

    • c.

      de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 2.500.

§ 1.3 Subsidiabele kosten

Artikel 1.3.1

  • 1.

    Subsidiabel zijn de voor de te subsidiëren activiteit noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de betreffende activiteit.

  • 2.

    De in rekening te brengen BTW die kan worden teruggevorderd of op enigerlei wijze wordt terugbetaald, komt niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 1.3.2

  • 1.

    Personeelskosten zijn subsidiabel:

    • a.

      indien deze aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de activiteit en daartoe bij de instelling een door de accountant controleerbare urenadministratie wordt toegepast,

    • b.

      tegen een uurtarief dat overeenkomt met ten hoogste 1,2 procent van het betreffende bruto maandsalaris, in welk uurtarief worden geacht te zijn verwerkt, vakantiegeld, bijzondere uitkeringen, werkgeverslasten, feestdagen, verlof, improductieve uren, opslagen en overige directe of indirecte personeelskosten, ingeval van een deeltijd dienstverband om te rekenen naar een maandsalaris bij een voltijds dienstverband, en

    • c.

      tot een maximum van de in de begroting opgenomen personeelskosten.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde systematiek.

§ 1.4 De aanvraag voor de subsidie

Artikel 1.4.1

  • 1.

    Tenzij in dit besluit anders is bepaald, wordt de aanvraag voor de subsidie tenminste acht weken voor het begin van de activiteit ingediend.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde termijn.

Artikel 1.4.2

  • 1.

    De aanvraag voor de subsidie bevat ten minste:

    • a.

      een concrete beschrijving van de activiteit,

    • b.

      een uiteenzetting van de wijze waarop de activiteit bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen van de provincie Zeeland,

    • c.

      de duur van de activiteit,

    • d.

      het geografisch gebied waarop de activiteit betrekking heeft,

    • e.

      een concrete beschrijving van het verwachte resultaat en het na te streven kwaliteitsniveau,

    • f.

      een sluitende begroting van de activiteit,

    • g.

      een verklaring van het bestuur of de directie van de instelling waaruit blijkt dat de instelling voldoet dan wel niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013, en

    • h.

      een beschrijving van eventuele organisatorische verbanden met andere rechtspersonen en van eventuele banden van financiële aard die blijvend van invloed kunnen zijn op de hoogte van de kosten van subsidiabele activiteiten of op de opbrengsten daaruit.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen aanvullende informatie opvragen die zij relevant achten voor de beoordeling van de aanvraag van de subsidie.

Artikel 1.4.3

De sluitende begroting als bedoeld in artikel 1.4.2, eerste lid, onder f, vermeldt:

  • a.

    alle kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit,

  • b.

    of en bij welke instanties en tot welke bedragen voorts subsidies, sponsorgelden of andere bijdragen worden aangevraagd, en welke inmiddels zijn verleend,

  • c.

    tot welk bedrag men een beroep doet op de provincie Zeeland,

  • d.

    ter zake van personeelskosten het aan de activiteit toe te rekenen aantal uren per personeelslid, en

  • e.

    of de aanvrager van de subsidie wel of geen betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen.

§ 1.5 De beslissing op de aanvraag voor de subsidie

Artikel 1.5.1

Gedeputeerde staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor de subsidie de met de instelling in het verleden opgedane ervaringen met betrekking tot de naleving van de subsidieverplichtingen.

Artikel 1.5.2

  • 1.

    Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 2.

    Als de aanvraag voor de subsidie in verband met staatsteun aan de Europese Unie wordt voorgelegd, beschikken gedeputeerde staten daarop binnen acht weken na de beslissing van de Europese Unie.

Artikel 1.5.3

  • 1.

    Indien voor dezelfde activiteit een subsidie door het Rijk of de Europese Unie is verstrekt, dan sluit de provincie aan bij de voorwaarden, verplichtingen en de wijze van vaststelling van de hogere overheid.

  • 2.

    Indien voor dezelfde activiteit een hogere subsidie is verstrekt dan de subsidie van de provincie Zeeland door een andere dan in het eerste lid genoemde overheid kunnen gedeputeerde staten bepalen aan te sluiten bij de voorwaarden, verplichtingen en de wijze van bevoorschotting en vaststelling van de andere subsidieverstrekker.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen van het bepaalde in het eerste lid afwijken, indien:

    • a.

      de provincie een hogere subsidie verstrekt dan de subsidie van het Rijk of de subsidie van de Europese Unie; of

    • b.

      de provinciale subsidie wordt toegekend conform paragraaf 1.7: Arrangement 1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.

Artikel 1.5.4

Indien een subsidie wordt verstrekt aan een overheidsinstelling in het kader van een specifieke uitkering waarop de beginselen van Single information, Single audit van de artikelen 17a en 17b van de Financiële verhoudingswet van toepassing zijn, dan zijn verplichtingen en voorwaarden betreffende de subsidieverstrekking zoals bepaald in de artikelen 17a en 17b van de Financiële verhoudingswet van toepassing.

§ 1.6 Verplichtingen

Artikel 1.6.1

De instelling besteedt de subsidie niet in strijd met op haar rustende wettelijke verplichtingen.

Artikel 1.6.2

De instelling stelt gedeputeerde staten onverwijld schriftelijk in kennis zodra aannemelijk is dat:

  • a.

    de activiteit of de prestatieafspraak waarvoor subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zal worden verricht; of

  • b.

    niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden voorwaarden en verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 1.6.3

Activa aangeschaft met een subsidie van de provincie Zeeland dient:

  • a.

    de gehele economische gebruiksduur beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze is aangeschaft indien deze een economische gebruiksduur heeft van minder dan vijf jaar;

  • b.

    gedurende vijf jaar na vaststelling van de subsidie beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze is aangeschaft indien deze een economische gebruiksduur heeft van meer dan vijf jaar.

Artikel 1.6.4

Bij de subsidieverlening kunnen gedeputeerde staten de instelling ook andere verplichtingen tot verwezenlijking van het doel van de subsidie opleggen dan die bedoeld in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1.6.5

Als een subsidie is aangemerkt als toelaatbare staatssteun, voldoet de instelling aan de daaraan door de Europese Unie gestelde verplichtingen.

Artikel 1.6.6

  • 1.

    Aan een subsidie verbinden gedeputeerde staten de verplichting dat de instelling in zijn bekendmakingen of publiciteitsuitingen de provincie als subsidieverstrekker vermeldt.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen gelet op de hoogte van het subsidiebedrag of de aard van de activiteit besluiten dat het eerste lid niet van toepassing is op de subsidieverstrekking.

  • 3.

    Indien niet of niet volledig is voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichting, kan het uiteindelijke subsidiebedrag ten hoogste worden verlaagd met vijf procent, met een maximum van € 5.000.

§ 1.7 Arrangement 1

Artikel 1.7.1

Op het verstrekken van subsidie tot en met € 10.000 zijn de regels van arrangement 1 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf.

Artikel 1.7.2

Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 1 van toepassing is, vindt plaats in de vorm van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak.

Artikel 1.7.3

Bij een subsidie waarop arrangement 1 van toepassing is verlenen gedeputeerde staten een voorschot van honderd procent van de maximale subsidie.

Artikel 1.7.4

  • 1.

    Op basis van een steekproef besluiten gedeputeerde staten of de instelling wel of niet een aanvraag tot vaststelling moet indienen en stellen de instelling binnen tweeëntwintig weken na afloop van de gesubsidieerde activiteit op de hoogte van dit besluit.

  • 2.

    Indien de instelling geen aanvraag tot vaststelling hoeft in te dienen, stellen gedeputeerde staten de subsidie binnen tweeëntwintig weken na afloop van de gesubsidieerde activiteit ambtshalve vast.

Artikel 1.7.5

  • 1.

    Uiterlijk vier weken na ontvangst van het in artikel 1.7.4 eerste lid bedoelde besluit dient de instelling de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.

  • 2.

    Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 1.7.6

De aanvraag tot vaststelling bevat het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraak en de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden.

Artikel 1.7.7

Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast.

Artikel 1.7.8

De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaar alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het onderdeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling.

Artikel 1.7.9

  • 1.

    De subsidie wordt vastgesteld naar evenredigheid van de werkelijk gerealiseerde, uit het prestatiebewijs blijkende, prestatieafspraken.

  • 2.

    Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingsbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste lid wordt berekend.

§ 1.8 Arrangement 2

Artikel 1.8.1

Op het verstrekken van subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 zijn de regels van arrangement 2 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf.

Artikel 1.8.2

Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 2 van toepassing is vindt plaats in de vorm van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak.

Artikel 1.8.3

  • 1.

    Gedeputeerde staten verlenen bij een subsidie waarop arrangement 2 van toepassing is een voorschot van ten hoogste vijfenzeventig procent van de maximale subsidie.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat het voorschot wordt betaald in termijnen.

  • 3.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie kunnen gedeputeerde staten afwijken van het in het eerste lid bepaalde.

Artikel 1.8.4

  • 1.

    De instelling dient binnen twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2.

    Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 1.8.5

De aanvraag tot vaststelling bevat het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraak en de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden.

Artikel 1.8.6

Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast.

Artikel 1.8.7

De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaar alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het oordeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling.

Artikel 1.8.8

  • 1.

    De subsidie wordt vastgesteld naar evenredigheid van de werkelijk, uit het prestatiebewijs blijkende, gerealiseerde prestatieafspraak.

  • 2.

    Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste lid wordt berekend.

Artikel 1.8.9

Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen, op basis van een risicoafweging, besluiten om op een subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 arrangement 1 toe te passen.

§ 1.9 Arrangement 3

Artikel 1.9.1

Op het verstrekken van subsidie hoger dan € 50.000 zijn de regels van arrangement 3 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf.

Artikel 1.9.2

Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 3 van toepassing is vindt plaats op basis van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak en een percentage van de door gedeputeerde staten subsidiabel geachte kosten.

Artikel 1.9.3

  • 1.

    Gedeputeerde staten verlenen bij een subsidie waarop arrangement 3 van toepassing is een voorschot van ten hoogste vijfenzeventig procent van de maximale subsidie.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat het voorschot wordt betaald in termijnen.

  • 3.

    Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie kunnen gedeputeerde staten afwijken van het in het eerste lid bepaalde.

Artikel 1.9.4

  • 1.

    De instelling dient uiterlijk twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2.

    In geval de instelling een financiële verantwoording indient zoals bedoeld in artikel 1.9.5, tweede lid, dient de instelling uiterlijk twaalf weken na vaststelling van de jaarrekening een aanvraag tot vaststelling in.

  • 3.

    Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid en tweede lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 1.9.5

  • 1.

    De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraak,

    • b.

      de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden, en

    • c.

      een financiële verantwoording voorzien van een controleverklaring van de accountant.

  • 2.

    De financiële verantwoording zoals bedoeld in het eerste lid onder c kan onderdeel uitmaken van de vastgestelde jaarrekening van de instelling en hiervan worden gedeputeerde staten tijdig in kennis gesteld.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen uit economisch-rationele overwegingen afzien van de vereiste controleverklaring van de accountant en bepalen dat de vaststelling kan geschieden aan de hand van een beoordelingsverklaring dan wel bewijsstukken zoals kopieën van facturen en betalingsbewijzen van de gesubsidieerde kosten.

Artikel 1.9.6

Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast.

Artikel 1.9.7

De accountant voert zijn controle uit mede overeenkomstig het in Bijlage A bij dit besluit opgenomen controleprotocol.

Artikel 1.9.8

  • 1.

    De financiële administratie van een instelling ten behoeve van de verantwoording van de subsidie dient op een inzichtelijke wijze te worden gevoerd.

  • 2.

    De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaren of accountant inzage te verlenen in de administratie en alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het oordeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling.

  • 3.

    In aanvulling op het in het tweede lid bepaalde kan de externe accountant van de provincie op verzoek van gedeputeerde staten bij de accountant van de gesubsidieerde instelling een accountantsreview instellen.

Artikel 1.9.9

  • 1.

    De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de ingediende verantwoording, waarbij:

    • a.

      het maximale te ontvangen subsidiebedrag wordt bepaald aan de hand van de werkelijk gerealiseerde uit het prestatiebewijs blijkende prestatieafspraken, en

    • b.

      waarbij de werkelijke subsidie niet meer kan bedragen dan het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde percentage van de totale werkelijk gemaakte subsidiabel geachte kosten.

  • 2.

    Extra opbrengsten op de activiteit ten opzichte van de begroting bij de aanvraag van de subsidie worden in mindering gebracht op de totale werkelijk gemaakte subsidiabele geachte kosten.

  • 3.

    Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste en tweede lid wordt berekend.

Artikel 1.9.10

Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen, op basis van een risicoafweging, besluiten om op een subsidie hoger dan € 50.000 arrangement 2 toe te passen.

§ 1.10 Overige bepalingen

Artikel 1.10.1

  • 1.

    Indien na vaststelling van de subsidie blijkt dat de in artikel 1.6.3 genoemde activa is vervreemd en aldus de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de op basis van genoemd artikel aan de subsidie verbonden verplichting, kunnen gedeputeerde staten de beschikking tot subsidievaststelling ten nadele van de ontvanger wijzigen of intrekken.

  • 2.

    Indien de Europese Unie dat in verband met ontoelaatbare staatsteun vordert, wijzigen of trekken gedeputeerde staten de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling in.

Hoofdstuk 2 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van integrale kosten subsidie

§ 2.1 Weigeringsgronden

Artikel 2.1.1

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.2.1 komt een instelling slechts in aanmerking voor een integrale kosten subsidie indien:

    • a.

      wordt voldaan aan de maatstaven zoals gesteld in de subsidienota "resultaat met subsidie", en

    • b.

      de instelling is opgenomen in een door gedeputeerde staten samengestelde lijst.

  • 2.

    De in het eerste lid onder b genoemde lijst met instellingen die in aanmerking komen voor een integrale kosten subsidie stellen gedeputeerde staten vast op basis van de subsidienota "resultaat met subsidie" en overig provinciaal beleid.

  • 3.

    Gedeputeerde staten publiceren de lijst met instellingen en een eventuele wijziging hiervan in het provinciaal blad.

§ 2.2 Subsidiabele kosten en subsidiabele periode

Artikel 2.2.1

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1.3.1 eerste lid geldt ten aanzien van het verstrekken van een integrale kosten subsidie dat:

    • a.

      de kosten die direct en indirect zijn toe te rekenen aan de te subsidiëren activiteit, subsidiabel zijn,

    • b.

      de kosten op een realistische en transparante wijze worden toegerekend aan de te subsidiëren activiteit,

    • c.

      de toevoeging aan een voorziening gerekend wordt tot de subsidiabele kosten, en

    • d.

      de toevoeging aan een reserve niet gerekend wordt tot de subsidiabele kosten.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvraag van de subsidie, op gemotiveerd verzoek van de aanvrager, besluiten dat de toevoeging aan een reserve wordt beschouwd als subsidiabele kosten.

  • 3.

    Artikel 1.3.1 tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2.2.2

Artikel 1.3.2 is niet van toepassing op een integrale kosten subsidie.

Artikel 2.2.3

Een integrale kosten subsidie wordt verstrekt voor een periode van maximaal het boekjaar van de instelling.

§ 2.3 De aanvraag voor de subsidie

Artikel 2.3.1

  • 1.

    Een aanvraag voor integrale kosten subsidie wordt ingediend tenminste acht weken voor aanvang van het boekjaar van de instelling.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde termijn.

Artikel 2.3.2

  • 1.

    In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.4.2 eerste lid bevat de aanvraag voor subsidie ten minste:

    • a.

      een toelichting op de toerekening van de kosten en opbrengsten aan de te subsidiëren activiteiten, en

    • b.

      de meest recente jaarrekening van de instelling voorzien van een controleverklaring van een accountant.

  • 2.

    Artikel 1.4.2 tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.

Artikel 2.3.3

In afwijking van het bepaalde in artikel 1.4.3. vermeldt de begroting als bedoeld in artikel 1.4.2 eerste lid onder f, bij een aanvraag voor een integrale kosten subsidie voor het boekjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd:

  • a.

    alle kosten en opbrengsten van de instelling,

  • b.

    een overzicht van de kosten en opbrengsten per te subsidiëren activiteit,

  • c.

    tot welk bedrag men een beroep doet op de provincie Zeeland, en

  • d.

    of de aanvrager van de subsidie wel of geen betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen.

§ 2.4 De beslissing op de aanvraag

Artikel 2.4.1

  • 1.

    De artikelen 1.5.1 en 1.5.2 zijn van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.

  • 2.

    De artikelen 1.5.3 en 1.5.4 zijn niet van toepassing op een integrale kosten subsidie.

Artikel 2.4.2

  • 1.

    Bij de beoordeling van de aanvraag voor een integrale kosten subsidie wordt de financiële positie van de instelling betrokken.

  • 2.

    Indien de financiële positie van de instelling zo gunstig is dat de instelling over voldoende vrij besteedbare financiële middelen beschikt om activiteiten zelf te realiseren, kunnen gedeputeerde staten besluiten een lagere integrale kosten subsidie te verstrekken dan aangevraagd.

§ 2.5 Verplichtingen

Artikel 2.5.1

Op een integrale kosten subsidie zijn de artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.6 van overeenkomstige toepassing.

§ 2.6 Arrangement 3

Artikel 2.6.1

  • 1.

    Ter vervanging van paragraaf 1.9 zijn op een integrale kosten subsidie de regels van arrangement 3 (verstrekken van subsidies hoger dan € 50.000,--) van toepassing, zoals opgenomen in de paragrafen 2.6 tot en met 2.9. Paragrafen 1.7 (arrangement 1) en 1.8 (arrangement 2) zijn niet van toepassing op een integrale kosten subsidie.

  • 2.

    Artikel 1.9.2 is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.

§ 2.7 Voorschotten

Artikel 2.7.1

  • 1.

    Gedeputeerde staten verstrekken op een integrale kosten subsidie een voorschot van ten hoogste honderd procent van de maximale subsidie.

  • 2.

    Het voorschot op een integrale kosten subsidie zoals bedoeld in het eerste lid wordt in termijnen uitbetaald.

§ 2.8 Aanvraag tot vaststelling

Artikel 2.8.1

  • 1.

    Bij een integrale kosten subsidie dient de instelling binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling in.

  • 2.

    Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.

Artikel 2.8.2

De aanvraag tot vaststelling voor een integrale kosten subsidie bevat:

  • a.

    de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijzen,

  • b.

    de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden,

  • c.

    het jaarverslag over het boekjaar,

  • d.

    een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen activiteiten als onderdeel van de jaarrekening, en

  • e.

    de jaarrekening over het boekjaar van de instelling voorzien van een controleverklaring van de accountant.

§ 2.9 Vaststelling

Artikel 2.9.1

  • 1.

    De artikelen 1.9.6 tot en met 1.9.9 zijn van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.

  • 2.

    Artikel 1.9.10 is niet van toepassing op een integrale kosten subsidie.

§ 2.10 Overige bepalingen

Artikel 2.10.1

Artikel 1.10.1 is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie.

Hoofdstuk 3 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor verkeersveiligheid

§ 3.1 Algemeen

Artikel 3.1.1

Subsidie kan worden verleend voor activiteiten ter bevordering van de verkeersveiligheid in Zeeland, passend bij het vigerend Beleidsplan verkeersveiligheid.

Artikel 3.1.2

  • 1.

    De artikelen 1.2.1, eerste lid, en 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b zijn van toepassing op een subsidie voor verkeersveiligheid.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c wordt een subsidie voor verkeersveiligheid niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 100.

Artikel 3.1.3

De artikelen 1.3.1 tot en met 1.10.1 zijn van toepassing op een subsidie voor verkeersveiligheid.

Artikel 3.1.4

Voor de beoordeling van de aanvraag voor de subsidie voor verkeersveiligheid wordt advies gevraagd aan het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Zeeland.

§ 3.2 Zeeuws Verkeersveiligheidslabel

Artikel 3.2.1

Subsidie kan worden verleend voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel.

Artikel 3.2.2

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, wordt een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel slechts verstrekt aan een basisschool.

  • 2.

    Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en c, zijn niet van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel.

  • 3.

    Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel b is van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel.

Artikel 3.2.3

  • 1.

    Een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel bedraagt € 250 per behaald label.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.4.1, eerste lid, wordt een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel aangevraagd na ontvangst van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel-certificaat.

Artikel 3.2.4

In afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel-certificaat.

Artikel 3.2.5

Een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel wordt verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling.

Artikel 3.2.6

  • 1.

    De artikelen 1.3.1, 1.3.2, 1.4.1 tweede lid, 1.4.2 tweede lid, 1.4.3, 1.5.3, 1.5.4, 1.6.1 tot en met 1.6.6, 1.7.1, 1.7.3, 1.7.4, 1.7.5, 1.7.6, 1.7.7, 1.7.9 en 1.8.1 tot en met 1.10.1, eerste lid, zijn niet van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel.

  • 2.

    De artikelen 1.5.1, 1.5.2, , 1.7.2, 1.7.8 en 1.10.1, tweede lid, zijn van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel.

Hoofdstuk 4 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het doen draaien van molens

Artikel 4.1

Subsidie kan worden verleend voor het doen draaien van een windmolen, die in het register van beschermde rijksmonumenten is opgenomen als molen in de categorie Industrie- en poldermolen.

Artikel 4.2

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1 eerste lid wordt een subsidie voor het doen draaien van een windmolen verleend aan de eigenaar van de molen, ook indien dit een natuurlijk persoon betreft.

  • 2.

    Artikel 1.2.1 tweede lid onder a en c is niet van toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen.

  • 3.

    Artikel 1.2.1 tweede lid onder b is van overeenkomstige toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen.

Artikel 4.3

  • 1.

    In afwijking van de artikelen 1.3.1, 1.3.2 en 1.7.9 wordt een subsidie voor het doen draaien van een windmolen berekend op basis van het aantal omwentelingen van de bovenas tussen de voorlaatste tellerstand en de tellerstand op het moment van aanvraag geregistreerd door een goedgekeurde, functionerende telmachine, waarvan de verzegeling niet is verbroken.

  • 2.

    De subsidie voor het doen draaien van een windmolen bedraagt per jaar:

    • a.

      bij duizend tot zestigduizend geregistreerde omwentelingen: € 100; of

    • b.

      bij zestigduizend of meer geregistreerde omwentelingen: € 0,50 per 300 omwentelingen tot een maximum van € 2.000.

Artikel 4.4

In afwijking van artikel 1.4.1 wordt de aanvraag voor de subsidie voor het doen draaien van een windmolen ingediend voor 1 februari na afloop van de periode waarin de omwentelingen zijn gemaakt.

Artikel 4.5

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.4.2 eerste lid bevat de aanvraag voor de subsidie voor het doen draaien van een windmolen:

    • a.

      het aanvraagformulier voor het doen draaien van een windmolen;

    • b.

      naam en locatie van de molen;

    • c.

      naam, adres en rekeningnummer van de aanvrager;

    • d.

      de datum en hoogte van de voorlaatste tellerstand en de datum van de hoogte van de tellerstand op het moment van de aanvraag, en

    • e.

      een foto waarop de tellerstand op het moment van de aanvraag duidelijk afleesbaar is.

  • 2.

    Artikel 1.4.2 tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen.

Artikel 4.6

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.7.2 wordt een subsidie voor het doen draaien van een windmolen verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.7.3 vindt de betaling van de gehele subsidie voor het doen draaien van een windmolen in één bedrag plaats.

Artikel 4.7

  • 1.

    De artikelen 1.4.3, 1.5.3, 1.5.4, 1.6.3, 1.6.6, 1.7.1, 1.7.4, 1.7.5, 1.7.6, 1.7.7 en 1.8.1 tot en met 1.10.1 eerste lid zijn niet van toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen.

  • 2.

    De artikelen 1.5.1, 1.5.2, 1.6.1, 1.6.2, 1.6.4, 1.6.5, 1.7.8 en 1.10.1 tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen.

Hoofdstuk 5 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor restauratie rijksmonumenten

§ 5.1 Begripsbepalingen

Artikel 5.1.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    rijksmonument: zich in de provincie Zeeland bevindend beschermd monument als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel d, van de Monumentenwet 1988;

  • b.

    restauratie: het verrichten van die werkzaamheden, de normale instandhouding te boven gaand, die voor het herstel van een rijksmonument noodzakelijk zijn;

  • c.

    herbestemming: het geven van een nieuwe functie aan een rijksmonument of het herstellen van de functie die het rijksmonument had voor een periode van leegstand;

  • d.

    Sim: Subsidieregeling instandhouding monumenten.

  • e.

    restauratieplan: een plan bestaande uit:

    1°. een conform het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2013 adequaat overzicht van aard en omvang van de werkzaamheden en beschrijving van de daarmee beoogde resultaten in de vorm van een bestek inclusief tekeningen van de huidige en nieuwe situatie, gecombineerd met een projectplan voor de bestemming of herbestemming;

    2°. actuele overzichtsfoto's; en

    3°. een begroting van de restauratiewerkzaamheden gespecificeerd in hoeveelheden, manuren, materialen, stelposten en onderaannemers en niet ouder dan 2 jaar.

§ 5.2 Subsidieverlening

Artikel 5.2.1

Subsidie kan worden verleend voor de restauratie van een rijksmonument indien het rijksmonument door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het rijksmonument is gelegen bij gedeputeerde staten is voorgedragen voor restauratie.

Artikel 5.2.2

  • 1.

    Subsidie wordt verleend aan de eigenaar van het rijksmonument.

  • 2.

    Subsidie kan worden verleend aan een natuurlijke persoon.

Artikel 5.2.3

Een subsidie voor de restauratie van een rijksmonument bedraagt maximaal zeventig procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 1.000.000.

§ 5.3 Weigeringsgronden

Artikel 5.3.1

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a, wordt subsidie niet verstrekt indien op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie met de werkzaamheden waarvoor subsidie is aangevraagd al is begonnen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt:

    • a.

      indien voor de restauratie van het rijksmonument bij het Nationaal Restauratiefonds een financiering door middel van een Restauratiefonds plus-hypotheek mogelijk;

    • b.

      voor restauratie van:

      1°. een woonhuis als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel i, van de Sim, tenzij het een aanvraag betreft van een professionele organisatie voor monumentenbehoud, gemeente, waterschap of openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

      2°. een groen monument als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Sim; of

      3°. een archeologisch monument als bedoeld in art 1, aanhef en onderdeel c, van de Monumentenwet 1988;

    • c.

      indien naar het oordeel van gedeputeerde staten het reguliere onderhoud van het rijksmonument niet voor zes jaar na realisatie van de restauratie waarvoor subsidie wordt aangevraagd voldoende is gewaarborgd.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 100.000.

§ 5.4 Subsidiabele kosten

Artikel 5.4.1

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.3.1 en artikel 1.3.2 zijn subsidiabel de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als zodanig zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Sim is opgenomen.

  • 2.

    Indien voor de instandhouding van het rijksmonument een subsidie in het kader van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten is verstrekt, komen de in de beschikking tot subsidieverstrekking subsidiabel geachte kosten niet in aanmerking voor subsidie op basis van dit hoofdstuk.

§ 5.5 De aanvraag voor de subsidie

Artikel 5.5.1

  • 1.

    De aanvraag voor de subsidie wordt ingediend tussen 1 mei en 15 juni van het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar van restauratie van het rijksmonument.

  • 2.

    De behandelingstermijn van de aanvraag vangt aan na sluiting van de openstellingsperiode als bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen besluiten om in afwijking van het eerste lid een aanvullende openstellingsperiode voor de indiening van een aanvraag voor subsidie te bepalen.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten maken uiterlijk zes weken voor aanvang van de openstellingsperiode een besluit als bedoeld in het derde lid bekend in het Provinciaal Blad.

Artikel 5.5.2

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor restauratie rijksmonumenten:

    • a.

      een volledig ingevuld Aanvraagformulier subsidie restauratie rijksmonumenten Provincie Zeeland;

    • b.

      een restauratieplan voor het rijksmonument;

    • c.

      een sluitende begroting, indien van toepassing voorzien van stukken waaruit de toezegging van geldelijke bijdragen door derden aan de restauratie blijkt;

    • d.

      een niet meer dan twee jaar oud inspectierapport dat de technische of fysieke staat van het rijksmonument beschrijft en dat is opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie, zoals de Monumentenwacht Zeeland;

    • e.

      een exploitatieplan waaruit tevens blijkt dat het reguliere onderhoud voor zes jaar na afronding van de restauratie is gewaarborgd.

    • f.

      een door een erkend bureau opgestelde bouwhistorische verkenning, voor zover sprake is van herbestemming of herstel van de oorspronkelijke bestemming na leegstand, uitgevoerd conform de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek van de Rijksdiensten voor het Cultureel Erfgoed, 2009;

    • g.

      een plan waaruit blijkt hoeveel leerling werkplekken ten behoeve van de opleiding van vakmensen in de restauratie worden gecreëerd.

    • h.

      Een toelichting op de openbare toegankelijkheid waarin wordt aangegeven hoe vaak het pand is opengesteld.

  • 2.

    Artikel 1.4.2, tweede lid, is van toepassing voor een subsidie voor restauratie rijksmonumenten.

§ 5.6 Subsidieplafond en wegingsfactoren

Artikel 5.6.1

Gedeputeerde Staten stellen voor de openstellingsperiode als bedoeld in artikel 5.5.1 een subsidieplafond vast.

Artikel 5.6.2

  • 1.

    Indien de subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een afweging tussen de verschillende aanvragen op basis van de volgende wegingsfactoren:

    • a.

      de uniciteit van het rijksmonument;

    • b.

      de bouwkundige urgentie;

    • c.

      de openbare toegankelijkheid van het rijksmonument;

    • d.

      de mate waarin de aanvraag bijdraagt aan provinciale beleidsdoelstellingen.

  • 2.

    Een aanvraag wordt hoger gerangschikt naarmate deze meer voldoet aan de wegingsfactoren.

  • 3.

    Bij de beoordeling van de aanvragen kan de spreiding over verschillende categorieën rijksmonumenten en de regionale spreiding worden betrokken

§ 5.7 De beslissing op de aanvraag voor de subsidie

Artikel 5.7.1

De artikelen 1.5.1, 1.5.2, tweede lid, 1.5.3 en 1.5.4 zijn van toepassing op een subsidie voor restauratie rijksmonumenten.

Artikel 5.7.2

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag voor de subsidie binnen zestien weken na afloop van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen de beslistermijn eenmalig met maximaal vier weken verlengen.

Artikel 5.7.3

Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan een extern deskundige.

§ 5.8 Verplichtingen

Artikel 5.8.1

De artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.6 zijn van toepassing op een subsidie voor restauratie rijksmonumenten.

§ 5.9 Arrangement 3

Artikel 5.9.1

  • 1.

    De artikelen 1.7.1 tot en met 1.8.9 en artikel 1.9.10 zijn niet van toepassing op een subsidie voor restauratie rijksmonumenten.

  • 2.

    De artikelen 1.9.1 tot en met 1.9.9 en artikel 1.10.1 zijn van toepassing op een subsidie voor restauratie rijksmonumenten.

Hoofdstuk 6 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie ten behoeve van verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen.

§ 6.1 Begripsbepalingen

Artikel 6.1.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    agrarische onderneming: natuurlijke persoon of rechtspersoon die als economische activiteit gewassen teelt of dieren houdt met als doel deze, of de producten die daaruit voortkomen, te verkopen;

  • b.

    asbest: vezelachtige silicaten zoals actinoliet (CAS-nummer 77536-66-4), amosiet (CAS-nummer 12172-73-5), anthofylliet (CAS-nummer 77536-67-5), chrysotiel (CAS-nummer 12001-29-5), crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4) en tremoliet (CAS-nummer 77536-68-6);

  • c.

    asbestdak: dak, dakgoot of gevel dat asbest bevat;

  • d.

    agrarisch bouwblok: perceel met een agrarische bestemming, bedoeld om te worden bebouwd en gebruikt ten dienste van het agrarisch bedrijf;

  • e.

    gecertificeerd bedrijf: bedrijf dat beschikt over de volgende certificering ten behoeve van het inventariseren of verwijderen van asbest:

    1°. SC 530: Asbestverwijdering;

    2°. SC 540: Asbestinventarisatie;

  • f.

    SO: Standaardopbrengst, zijnde de gestandaardiseerde opbrengst per ha of per dier die met het gewas of de diercategorie gemiddeld op jaarbasis wordt behaald.

  • g.

    zonnepanelen: photovoltaïsche panelen die zonne-energie omzetten in elektriciteit

§ 6.2 Subsidieverlening

Artikel 6.2.1

Subsidie kan worden verleend voor het verwijderen en afvoeren van asbestdaken.

Artikel 6.2.2

In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan subsidie worden verleend aan:

  • a.

    een agrarische onderneming;

  • b.

    een voormalig agrarische onderneming;

  • c.

    eigenaren van een voormalig agrarisch bouwblok.

Artikel 6.2.3

  • 1.

    De hoogte van de subsidie bedraagt € 4,50 per m² asbestdak dat gesaneerd wordt, met een maximum van € 15.000,--.

  • 2.

    De totaal te verlenen subsidie aan een subsidieaanvrager over een periode van drie belastingjaren bedraagt maximaal € 15.000,--.

§ 6.3 Weigeringsgronden

Artikel 6.3.1

  • 1.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt indien niet wordt voldaan aan de volgende vereisten.

    • a.

      de aanvrager is eigenaar, erfpachter of pachter van het asbestdak dat wordt verwijderd en afgevoerd;

    • b.

      het asbestdak dat wordt verwijderd en afgevoerd, is gelegen op een agrarisch bouwblok in de provincie Zeeland;

    • c.

      het te verwijderen en af te voeren asbestdak heeft een oppervlakte van ten minste 250 m²;

    • d.

      de inventarisatie van het te verwijderen asbestdak is uitgevoerd door een daartoe gecertificeerd bedrijf;

    • e.

      de aanvrager beschikt over de noodzakelijke vergunningen en voldoet ook overigens aan de geldende procedurevoorschriften voor het uitvoeren van de subsidiabele activiteit en het plaatsen van zonnepanelen;

  • 2.

    Artikel 1.2.1, tweede lid aanhef en sub c is niet van toepassing voor een subsidie voor verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen.

  • 3.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie aan een aanvrager als bedoeld in artikel 6.2.2, onder a en onder b, niet verstrekt indien niet wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      sinds 1993 de landbouwtelling, bedoeld in artikel 24 van de Landbouwwet, ten minste een keer is ingevuld;

    • b.

      de onderneming op een agrarisch bouwblok wordt of werd uitgeoefend.

  • 4.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie aan een aanvrager als bedoeld in artikel 6.2.2, onder c, niet verstrekt indien niet wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het te verwijderen en af te voeren asbestdak of asbestdaken is gelegen op het voormalig agrarisch bouwblok;

    • b.

      het voormalig agrarisch bouwblok na 1 januari 1993 een agrarische bestemming heeft gehad.

§ 6.4 Subsidiabele kosten

Artikel 6.4.1

De artikelen 1.3.1 en 1.3.2 zijn niet van toepassing op een subsidie ten behoeve van het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen.

§ 6.5 De aanvraag voor de subsidie

Artikel 6.5.1

De aanvraag voor de subsidie wordt voor het begin van de activiteit ingediend.

Artikel 6.5.2

In afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen ten minste:

  • a.

    een volledig ingevuld aanvraagformulier 'Asbest eraf – Zonnepanelen erop';

  • b.

    een asbestinventarisatierapportage conform certificering SC-540 uit het Asbestverwijderingsbesluit 2005;

  • c.

    de noodzakelijke vergunningen of verrichte meldingen ten behoeve van het verwijderen en afvoeren van asbest;

  • d.

    de noodzakelijke vergunningen of verrichte meldingen voor het plaatsen van zonnepanelen.

  • e.

    een door de aanvrager getekende offerte of overeenkomst terzake de verwijdering van asbest;

  • f.

    een door de aanvrager getekende offerte of overeenkomst terzake de zonnepanelen.

  • g.

    indien sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 6.2.2, onder a of b, de gegevens van de meest recente landbouwtelling, bedoeld in artikel 24 van de Landbouwwet;

  • h.

    indien sprake is van een aanvrager als bedoeld in artikel 6.2.2, onder c, de gegevens van een landbouwtelling, bedoeld in artikel 24 van de Landbouwwet, in enig jaar na 1993

Artikel 6.5.3

Artikel 1.4.3 is niet van toepassing op een subsidie ten behoeve van het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen.

§ 6.6 Subsidieplafond

Artikel 6.6.1

  • 1.

    Gedeputeerde staten stellen het subsidieplafond voor subsidies voor het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen voor de periode van 1 juli 2013 tot 1 september 2015 vast op € 833.280,--

  • 2.

    Van het subsidieplafond, als bedoeld in het eerste lid, is maximaal 30 procent van het totale plafond ofwel € 249.984,-- beschikbaar voor subsidies ten behoeve van aanvragers als bedoeld in artikel 6.2.2, onder c.

§ 6.7 De beslissing op de aanvraag voor de subsidie

Artikel 6.7.1

Voor subsidies ten behoeve van het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen gelden de volgende behandelcriteria:

  • a.

    Subsidie wordt behandeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen;

  • b.

    Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de behandeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van ontvangst;

  • c.

    Voor zover door verstrekking van subsidie voor aanvragen die op dezelfde dag zijn ontvangen, het subsidieplafond wordt overschreden, vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats op basis van de hoogte van het aangevraagde subsidiebedrag, waarbij een lager aangevraagd subsidiebedrag voorgaat op een hoger aangevraagd subsidiebedrag;

  • d.

    Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat subsidieaanvragen op een gelijke plaats eindigen, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen bepaald door middel van loting.

Artikel 6.7.2

Artikel 1.5.3 is niet van toepassing op een subsidie ten behoeve van het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen.

Artikel 6.7.3

Artikel 1.5.4 is niet van toepassing op een subsidie ten behoeve van het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen.

§ 6.8 Verplichtingen

Artikel 6.8.1

Artikel 1.6.6, derde lid, is niet van toepassing op een subsidie ten behoeve van het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen.

Artikel 6.8.2

Voor de aanvrager van een subsidie ten behoeve van het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen gelden in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    het verwijderen en afvoeren van het asbestdak wordt uitgevoerd door een daartoe gecertificeerd bedrijf;

  • b.

    de aanvrager plaatst zonnepanelen;

  • c.

    de te plaatsen zonnepanelen worden geplaatst op een asbestvrij dak;

  • d.

    de te plaatsen zonnepanelen hebben een capaciteit van tenminste 5 kilowattpiek;

  • e.

    de te plaatsen zonnepanelen worden geplaatst op een dak van een gebouw dat gelegen is op dezelfde bedrijfslocatie als het te verwijderen en af te voeren asbestdak;

  • f.

    de aanvrager is eigenaar, erfpachter of pachter van het dak waarop de zonnepanelen worden geplaatst;

  • g.

    de aanvrager voldoet aan de meldings- en informatieverplichtingen op grond van het Asbestverwijderingsbesluit 2005;

  • h.

    de aanvrager voldoet aan de meldings- en informatieverplichtingen, bedoeld in het vorige onderdeel, in het Landelijk Asbestvolgsysteem zodra deze in werking is getreden;

  • i.

    de aanvrager geeft goedkeuring aan gedeputeerde staten tot inzage in de gegevens van het Landelijk Asbestvolgsysteem zodra deze in werking is getreden.

Artikel 6.8.3

Het verwijderen van de asbest en het plaatsen van zonnepanelen dient ten laatste op 31 oktober 2015 te zijn uitgevoerd.

§ 6.9 Arrangement 2

Artikel 6.9.1

Een subsidie ten behoeve van het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen wordt verstrekt na afloop van de activiteit.

Artikel 6.9.2

De artikelen 1.8.1, 1.8.2, 1.8.3 en zijn niet van toepassing op een subsidie ten behoeve van het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen.

§ 6.10 Overige bepalingen

Artikel 6.10.1

  • 1.

    De artikelen 1.7.1 tot en met 1.7.9 en 1.9.1 tot en met 1.10.1 zijn niet van toepassing op een subsidie ten behoeve van het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen.

  • 2.

    De artikelen 1.2.1 eerste lid, 1.4.1, 1.4.2 tweede lid, 1.5.1, 1.5.2, 1.6.1 tot en met 1.6.6 tweede lid en 1.8.4 tot en met 1.8.9 zijn van overeenkomstige toepassing op een subsidie ten behoeve van het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen.

Artikel 6.10.2

De bijzondere bepalingen ten behoeve van het verwijderen van asbest en plaatsen van zonnepanelen treden in werking met ingang van 1 juli 2013 met uitzondering van:

  • a.

    de artikelen 6.1.1, 6.2.2, 6.3.1, 6.5.2, 6.6.1, 6.8.2, 6.8.3, welke in werking treden met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal blad waarin het wordt geplaatst en werken terug tot en met 1 juli 2014;

  • b.

    artikel 6.2.3, eerste lid inzake de verhoging van het subsidiebedrag per m2, welke verhoging in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal blad waarin het wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 juli 2013.

Hoofdstuk 7 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland

Artikel 7.1

Subsidie kan worden verleend voor MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland met toepassing van de als supplement bij dit besluit opgenomen Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2015.

Artikel 7.2

De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing voorzover daarvan in de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2015 niet wordt afgeweken.

Supplement Hoofdstuk 7 Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2015

Gedeputeerde Staten van Zeeland;

 

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

 

Gedeputeerde Staten van Limburg;

Gelet op artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013;

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Gelet op artikel 5 van de Algemene Subsidieverordening 2012 Provincie Limburg;

 

Overwegende dat de 12 Nederlandse provincies, in landsdelig verband, op 11 december 2014 een Samenwerkingsagenda hebben ondertekend met de minister van Economische Zaken en vertegenwoordigers van de nationale topsectoren en MKB-Nederland, waarin onder andere is afgesproken om te komen tot stroomlijning van het financiële instrumentarium om innovatie bij het MKB te stimuleren;

Overwegende dat het Rijk middelen beschikbaar heeft gesteld voor een aantal gestandaardiseerde MKB-instrumenten die in alle regio’s van Nederland worden uitgevoerd;

Overwegende dat beoogd wordt om op kwaliteit sturen en hiertoe subsidieverstrekking op landsdelig niveau voor de drie Zuidelijke provincies samen noodzakelijk is;

Overwegende dat ter rechtvaardiging van deze subsidie daar waar sprake is van staatssteun, in het kader van rechtvaardiging van staatssteun, de volgende steunmaatregelen van toepassing worden geacht:

  • a.

    de artikelen 25 en 28 van verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014 (algemene groepsvrijstellingsverordening);

  • b.

    Verordening (EG) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013 (de-minimisverordening);

 

Besluiten, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft, vast te stellen de volgende regeling:

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    adviesorganisatie: organisatie, niet zijnde een kennisinstelling, die deskundigheid heeft op het gebied van de op grond van deze regeling te subsidiëren activiteiten en die als bedrijfsactiviteit adviesopdrachten uitvoert;

  • b.

    algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014;

  • c.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • d.

    crossover: samenwerkingsverbanden tussen partijen uit verschillende technologiedomeinen, waarin innovatieve producten en diensten worden ontwikkeld;

  • e.

    de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de de-minimisverordening;

  • f.

    de-minimisverordening: Verordening (EU) N1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013;

  • g.

    experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • h.

    Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg;

  • i.

    haalbaarheidsstudie: haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onder 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • j.

    industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onder 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • k.

    innovatieprogramma’s Topsectoren: thema’s zoals omschreven in de innovatieprogramma’s als bedoeld in artikel 3.4.2 van de Regeling nationale EZ-subsidies voor de topsectoren;

  • l.

    innovatieadviesdienst: innovatieadviesdienst als bedoeld in artikel 2, onder 94 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • m.

    internationale topclusters: drie in het RIS3 voor Zuid-Nederland aangewezen technologiedomeinen waarin bedrijfsleven en kennisinstellingen de potentie hebben om internationaal uit te blinken, te weten:

    • High Tech System & Materialen;

    • Chemie & Materialen;

    • Agrofood en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen;

  • n.

    kennisinstelling:

    • onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit;

    • andere dan onder 1º bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden;

    • een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde:

      • a.

        openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder 1º,

      • b.

        onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden;

    • een rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder 1º, 2º of 3º direct of indirect:

      • a.

        meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft;

      • b.

        volledig aansprakelijk vennoot is; of,

      • c.

        overwegende zeggenschap heeft;

    • een onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft om via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder 1º tot en met 4º;

  • o.

    MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 1, onder 28 van Verordening 1303/2013 en bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG);

  • p.

    nationale topclusters: vier in het RIS3 voor Zuid-Nederland aangewezen technologiedomeinen die sterk zijn op bovenregionaal niveau en specifieke potenties op internationaal niveau hebben, te weten:

    • Logistiek;

    • Life Sciences & Health;

    • Biobased;

    • Maintenance;

  • q.

    project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;

  • r.

    projectsubsidie: subsidie voor een project in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen;

  • s.

    Provinciale Staten: Provinciale Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg

  • t.

    regionale ontwikkelingsmaatschappij: organisatie opgericht met als doel de economische achterstand van de regio weg te werken en het versterken van de economie van de regio in het algemeen;

  • u.

    RIS3: Regionale Innovatie Strategie voor Slimme Specialisaties, vastgesteld op 24 september 2013 door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in de hoedanigheid van beoogd managementautoriteit van het OPZuid;

  • v.

    topsectoren: sectoren uit het landelijke Topsectorenbeleid waar Zuid-Nederland op wil excelleren, te weten:

    • Logistiek;

    • Agri & Food;

    • Chemie & Biobased;

    • Energie;

    • Hightech Systemen & Materialen inclusief ICT;

    • Life Sciences & Health;

    • Tuinbouw & Uitgangsmaterialen;

  • w

    Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.

Artikel 1.2 Doelgroep

Subsidie op grond van deze regeling kan worden verstrekt aan MKB-ondernemingen.

Artikel 1,3 Subsidievorm

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies.

  • 2. Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Weigeringsgronden algemeen

Subsidie op grond van deze regeling wordt geweigerd indien:

  • a.

    het aangevraagde bedrag minder bedraagt dan € 2.500;

  • b.

    gegronde reden bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of openbare orde;

  • c.

    de activiteit waarvoor subsidie is gevraagd niet een stimulerend effect als bedoeld in artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingverordening, heeft;

  • d.

    ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, uitstaat;

  • e.

    de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is.

Artikel 1.5 Vereisten algemeen

  • 1. Om voor subsidie op grond van deze regeling in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      aanvrager is gevestigd in Zuid-Nederland dan wel de subsidiabele activiteit komt ten goede aan Zuid-Nederland;

    • b.

      aanvrager, de uitvoerder van het project dan wel het te ontwikkelen innovatief product, productieproces of dienst maakt onderdeel uit van dan wel is gericht op:

      • internationale topclusters;

      • nationale topclusters; of,

      • crossovers van een of meerdere topclusters als bedoeld onder 1° of 2°;

    • c.

      het project past binnen een of meerdere thema’s uit de innovatieprogramma’s Topsectoren;

    • d.

      de aanvraag betreft een eenmalig project;

    • e.

      de aanvraag betreft niet de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager.

  • 2. Aan de aanvraag ligt ten grondslag:

    • a.

      een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten uit deze regeling;

    • b.

      een begroting en sluitend financieringsplan;

    • c.

      een samenvatting van het project ten behoeve van een voor eenieder toegankelijke publicatie.

Artikel 1.6 Berekeningswijze subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.3.2. van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 zijn ten aanzien van de berekening van de subsidiabele kosten de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzenuurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.7 Niet subsidiabele kosten

Onverminderd artikel 11 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, artikel 14 van de Algemene Subsidieverordening 2012 Provincie Limburg en artikel 1.3.1, tweede lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten gemaakt voorafgaand aan het indienen van de aanvraag, behoudens voorbereidingskosten;

  • b.

    kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.

Artikel 1.8 Vereisten subsidieaanvraag

Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten:

  • a.

    subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier;

  • b.

    een subsidieaanvraag bevat ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen.

Artikel 1.9 Beslistermijnen subsidieverlening

  • 1. In afwijking van artikel 1.5.2 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 beslissen Gedeputeerde Staten op een aanvraag voor subsidie binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag of na afloop van de tenderperiode.

  • 2. Overeenkomstig artikel 11 van de Algemene Subsidieverordening 2012 Provincie Limburg kan de termijn worden verdaagd.

Artikel 1.10 Verplichtingen algemeen

  • 1. De subsidieontvanger heeft in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      bij subsidies van € 25.000 en hoger overlegt de subsidieontvanger jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt;

    • b.

      bij subsidies van € 25.000 en hoger houdt de subsidieontvanger een administratie bij van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b, van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten.

  • 2. Artikel 1.6.6, derde lid en artikel 1.10.1, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijven buiten toepassing.

  • 3. Artikel 18 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant en artikel 22 van de Algemene Subsidieverordening 2012 Provincie Limburg zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies verleend voor de provincie Zeeland.

Artikel 1.11 Verantwoording

  • 1. Gedeputeerde Staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aantoont dat de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 2. In afwijking van paragraaf 1.7 en paragraaf 1.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 en in afwijking van de artikelen 13, 20 en 21 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant en de artikelen 28 en 29 van de Algemene Subsidieverordening 2012 Provincie Limburg, worden subsidies tot €50.000 respectievelijk tot €125.000 vastgesteld op basis van prestaties, werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten.

  • 3. Op de subsidies, bedoeld in het tweede lid, zijn de volgende artikelen van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 22 van de Algemene subsidieverordening Noord- Brabant met uitzondering van het tweede lid, onder b, en het vijfde lid, onderdeel a, onder 2 en onder b;

    • b.

      artikel 30 van de Algemene Subsidieverordening 2012 Provincie Limburg met uitzondering van het eerste lid, onder c;

    • c.

      artikel 1.9.5 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 met uitzondering van de accountantsverklaring genoemd in het eerste lid, onder c.

Artikel 1.12 Bevoorschotting en betaling

  • 1. In afwijking van artikel 1.8.3 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 worden subsidies tot € 25.000 100% bevoorschot.

  • 2. Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies van € 25.000 en hoger een voorschot van ten hoogste 75 % op het verleende subsidiebedrag.

  • 3. Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot, bedoeld in het tweede lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.

  • 4. Gedeputeerde Staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte van de termijnen en de tijdstippen van betaling in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

  • 5. De bevoorschotting, bedoeld in voorgaande leden, geschiedt ambtshalve en gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening.

Paragraaf 2 Innovatieadviesproject en haalbaarheidsproject

Artikel 2.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    het verkrijgen van een innovatieadviesdienst;

  • b.

    het uitvoeren van een haalbaarheidsproject.

Artikel 2.2 Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 1.4, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.1, onder a, geweigerd indien:

  • a.

    de aanvrager voorafgaand aan het indienen van de volledige subsidieaanvraag, reeds verplichtingen is aangegaan jegens de verstrekker van het innovatieadvies;

  • b.

    aan aanvrager reeds in hetzelfde kalenderjaar op grond van deze paragraaf subsidie is verstrekt.

Artikel 2.3 Vereisten innovatieadviesproject

  • 1. Onverminderd artikel 1.5, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd door een kennisinstelling of onafhankelijke adviesorganisatie;

    • b.

      de aanvrager en uitvoerder zijn organisatorisch en financieel onafhankelijk van elkaar;

    • c.

      de kennisinstelling of onafhankelijke adviesorganisatie is voldoende toegerust voor het uitvoeren van het project;

    • d.

      het project wordt uitgevoerd ter voorbereiding van de ontwikkeling van een innovatief product;

    • e.

      het project sluit voldoende aan bij het te ontwikkelen innovatief product, als bedoeld onder d;

    • f.

      het project betreft advies over:

      • een toepassingsgerichte kennisvraag met betrekking tot voor de aanvrager nieuwe kennis over een innovatief product; of,

      • 2°.

        het begeleiden van de marktintroductie van een innovatief product;

    • g.

      het project wordt niet geleverd in de vorm van:

      • het leveren van goederen;

      • het geven van cursussen; of,

      • het verrichten van activiteiten op het gebied van verkoop van producten of diensten;

    • h.

      het proces om te komen tot het innovatief product bestaat uit:

      • 1°.

        experimentele ontwikkeling; of,

      • industrieel onderzoek;

    • i.

      het project voldoet aan de vereisten uit artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • j.

      aan het project ligt ten grondslag:

      • een concrete offerte van de kennisinstelling of onafhankelijke adviesorganisatie;

      • een positief advies voor het projectplan van de regionale ontwikkelingsmaatschappij van de provincie waarin de activiteit wordt uitgevoerd of waaraan de activiteit ten goede komt.

  • 2. Onverminderd het eerste lid, wordt indien sprake is van staatssteun en het project niet voldoet aan het eerste lid, onder i, slechts subsidie verstrekt indien wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in de de-minimisverordening.

  • 3. Onder innovatief product, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan innovatief productieproces of innovatieve dienst.

Artikel 2.4 Vereisten haalbaarheidsproject

  • 1. Onverminderd artikel 1.5, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project bestaat voor:

      • tenminste 60 % uit haalbaarheidsstudie;

      • ten hoogste 40 % uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

    • b.

      het project wordt uitgevoerd ter voorbereiding van de ontwikkeling van een innovatief product;

    • c.

      het te ontwikkelen innovatief product waarop het project betrekking heeft, is in technische of financiële zin voldoende risicovol om het project te rechtvaardigen;

    • d.

      het project geeft voldoende inzicht in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen innovatief product;

    • e.

      het project voldoet aan de vereisten uit artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

    • f.

      aan het project ligt een positief advies ten grondslag voor het projectplan van de regionale ontwikkelingsmaatschappij van de provincie waarin de activiteit wordt uitgevoerd of waaraan de activiteit ten goede komt.

  • 2. Onder innovatief product, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan innovatief productieproces of innovatieve dienst.

Artikel 2.5 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1, onder a, in aanmerking de werkelijk gemaakte kosten van derden voor het leveren van externe kennis, onderzoeks- of ontwikkelcapaciteit.

  • 2. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1, onder b, de kosten in aanmerking genoemd in artikel 25, derde en vierde lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 2.6 Vereisten subsidieaanvraag

Onverminderd artikel 1.8 en in afwijking van artikel 1.4.1 van het Algemeen subsidiebesluit 2013 Zeeland worden subsidieaanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1 ingediend binnen de periode van 19 mei 2015 tot en met 1 september 2015.

Artikel 2.7 Subsidieplafond

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1 voor de periode, genoemd in artikel 2.6, vast op € 2.700.000.

Artikel 2.8 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1, onder a, bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 10.000.

  • 2. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1, onder b, bedraagt 40% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 50.000.

  • 3. Onverminderd de voorgaande leden, wordt, indien sprake is van staatssteun en niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 25 of artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat over een periode van drie belastingjaren het plafond voor de-minimissteun niet wordt overschreden.

Artikel 2.9 Verdeelcriteria

  • 1. Het subsidieplafond als bedoeld in artikel 2.7, wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 2.10 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. Onverminderd artikel 1.10 heeft de subsidieontvanger ten aanzien van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1, onder a, in ieder geval de verplichting om het project waarvoor de subsidie is verleend, binnen 12 maanden na de start van het project te realiseren.

  • 2. Onverminderd artikel 1.10 heeft de subsidieontvanger ten aanzien van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1, onder b, in ieder geval de volgende verplichtingen:

    • a.

      het project wordt uiterlijk vier maanden na de beschikking tot subsidieverlening gestart;

    • b.

      het project wordt uiterlijk 12 maanden na de start van het project gerealiseerd.

Paragraaf 3 R&D samenwerkingsproject

Artikel 3.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een R&D-samenwerkingsproject.

Artikel 3.2 Vereisten

Onverminderd artikel 1.5, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    aanvrager neemt deel aan een samenwerkingsverband van ten minste twee MKB-ondernemingen;

  • b.

    het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, is opgericht ten behoeve van de uitvoering van het project;

  • c.

    het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, heeft geen rechtspersoonlijkheid;

  • d.

    het project draagt de instemming van alle deelnemers aan het samenwerkingsverband;

  • e.

    deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn niet anderszins met elkaar verbonden dan in het samenwerkingsverband;

  • f.

    geen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, neemt meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening;

  • g.

    het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, is voldoende toegerust voor het uitvoeren van het project blijkens:

    • complementariteit van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;

    • capaciteiten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband;

    • de kwaliteit van de projectorganisatie;

  • h.

    ten minste 40% van de subsidiabele kosten van het project worden gedragen door MKB-ondernemers die zijn gevestigd in Zuid-Nederland;

  • i.

    het project is gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling;

  • j.

    het project draagt bij aan:

    • vernieuwing van producten, processen of diensten; of,

    • wezenlijke nieuwe toepassing van bestaande producten, processen of diensten;

  • k.

    het project draagt bij aan het creëren van economische waarde voor:

    • de deelnemers in het samenwerkingsverband; of,

    • de topclusters en topsectoren; of,

    • de Zuid-Nederlandse economie.

Artikel 3.3 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 de kosten in aanmerking genoemd in artikel 25, derde lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 3.4 Subsidieplafond

Subsidieaanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 worden ingediend binnen de tenderperiode van 19 mei 2015 tot en met 1 september 2015.

Artikel 3.5 Vereisten subsidieaanvraag

Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.1 voor de tenderperiode, genoemd in artikel 3.4 vast op € 6.300.000.

Artikel 3.6 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.1 bedraagt 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 200.000 per aanvraag.

  • 2. Onverminderd het eerste lid, wordt maximaal slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat per deelnemer aan het samenwerkingsverband ten minste € 25.000 en ten hoogste € 100.000 aan subsidie wordt verstrekt.

Artikel 3.7 Verdeelcriteria

  • 1. Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 3.5 te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht, te waarderen met 30 punten;

    • b.

      de mate waarin economische waarde wordt gecreëerd, te waarderen met 30 punten, voor:

      • de deelnemers aan het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder a,

      • de topclusters en topsectoren; of,

      • de Zuid-Nederlandse economie;

    • c.

      de mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder a, te waarderen met 30 punten, gezien de:

      • complementariteit van de deelnemers;

      • capaciteiten van de deelnemers;

      • kwaliteit van de projectorganisatie;

    • d.

      de mate waarin een vernieuwende crossover wordt gerealiseerd te waarderen met 10 punten.

  • 2. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 3.8 Externe adviescommissie

Gedeputeerde Staten leggen subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 3.1. voor advies over artikel 3.2, onder g, j en k en artikel 3.7 voor aan een externe adviescommissie.

Artikel 3.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Onverminderd artikel 1.10 heeft de subsidieontvanger ten aanzien van de subsidie, bedoeld in artikel 3.1, in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • 1.

    het project wordt uiterlijk zes maanden na het indienen van de volledige aanvraag gestart;

  • 2.

    het project wordt uiterlijk 24 maanden na de start van het project gerealiseerd.

Paragraaf 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 Evaluatie

Gedeputeerde Staten zenden in 2016 aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk.

Artikel 4.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2015 en vervalt met ingang van 30 april 2016.

Artikel 4.3 Citeertite

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2015.

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 21 april 2015

de voorzitter , Drs. J.M.M. Polman

de secretaris, A.W. Smit

’s-Hertogenbosch, 21 april 2015

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter, prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris, mw. ir. A.M. Burger

Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Limburg, gehouden op 21 april 2015

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter , dhr. drs. Th. J.F.M. Bovens

de secretaris, dhr. mr. A.C.J.M. de Kroon

Toelichting behorende bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2015.

Algemeen

Op 11 december 2014 is de Samenwerkingsagenda ondertekend, waarin de gezamenlijke provincies (op landsdelig niveau), het ministerie van EZ, de topsectoren en MKB-Nederland afspraken hebben gemaakt over afstemming van het brede innovatiebeleid t.a.v. het MKB. Onderdeel daarvan is een traject om te komen tot een samenhangende set financiële instrumenten voor het stimuleren van de eerste fases van innovatie, voor het MKB in het gehele land. Als eerste stap wordt daarbij gekeken naar de MKB-instrumenten in de OP-programma’s en de MKB-instrumenten in de nationale zogeheten MIT-regeling. Tussen EZ en landsdelen is afgesproken de uitvoering van die MIT-regeling zoveel mogelijk te decentraliseren. EZ is daartoe bereid, mits uitvoering plaatsvindt op landsdelig niveau. Dit om te voorkomen dat de middelen over 12 provincies worden versnipperd, met het risico op onderbenutting, respectievelijk om er voor te zorgen dat binnen de tender voor Samenwerking-sprojecten op landsdelig niveau de beste projecten worden gehonoreerd.

Voor 2015, dat geldt als pilotjaar, worden daartoe in Zuid-Nederland de instrumenten uit het OP-Zuid en de gedecentraliseerde MIT-instrumenten op elkaar afgestemd, maar nog los van elkaar in twee aparte regelingen uitgevoerd. Het streven is om vanaf 2016 te komen tot verdere integratie van de uitvoering, door 1 of meer van de MIT-instrumenten te integreren in het OP.

Leeswijzer

Deze toelichting bevat meer dan alleen de uitleg voor de aanvrager over de uitleg van de regeling. Tevens is verantwoord hoe is omgegaan met de regelgeving van de drie provincies.

Europese regelgeving in het kader van staatssteun

Bij subsidieverstrekking op grond van deze regeling kan sprake zijn van staatssteun, uitgaande van het volgende:

  • -

    aanvrager is een MKB-onderneming is en valt onder de definitie van onderneming in de zin van het Europees recht;

  • -

    het voordeel dat met de subsidie wordt verkregen, zou niet op de markt zijn verkregen, anders was de stimulans immers niet nodig geweest;

De subsidie geldt voor een specifieke sector en voor een specifieke regio;

De maatregel vervalt in potentie de mededinging of concurrentiepositie (dit vereist individuele beoordeling).

 

Staatssteun is in beginsel verboden maar uitzonderingen zijn mogelijk. Afhankelijk van het project wordt in deze regeling gebruik gemaakt van de volgende bepalingen uit de algemene groepsvrijstellingsverordenining:

  • -

    voor het innovatieadviesproject uit paragraaf 2, artikel 28, innovatiesteun voor KMO’s;

  • -

    voor het haalbaalheidsproject uit paragraaf 2 en voor het R&D- samenwerkingsproject uit paragraaf 3, artikel 25, steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie.

Indien sprake is van staatssteun, geen van de vrijstellingen uit de algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing is en het gevraagde subsidiebedrag onder de de-minimisdrempel blijft, dan wordt gebruik gemaakt van de de-minimisverordening.

 

In Europese regelgeving wordt een aantal specifieke eisen voorgeschreven ingeval de subsidie als staatssteun wordt aangemerkt. Deze regelgeving is pas van toepassing zodra sprake is van het subsidiëren van ondernemende activiteiten. Als toepassing van de Asv’s in strijd is met EU-regelgeving op dit vlak, gaat laatstgenoemde regelgeving voor. Veelal betreft dit verantwoordingsbepalingen omdat dergelijke subsidies veelal op basis van werkelijke kosten moeten worden afgerekend opdat aangetoond kan worden dat binnen de toegestane steunpercentages wordt gesubsidieerd en geen sprake is van overcompensatie. Deze bepalingen blijven buiten werking, overigens is dit in artikel 2, vierde lid, van de Algemene Subsidieverordening 2012 Provincie Limburg ook bepaald. Vanwege de eisen die de algemene groepsvrijstellingsverordening stelt aan subsidieregelingen die onder de algemene groepsvrijstelling vallen, wordt in de regeling wel opgenomen welke bepalingen uit de Asv’s buiten werking blijven.

Juridisch kader

De regeling is vastgesteld door de drie colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft. Dit betekent dat de regeling moet passen binnen de kaders die bij de verschillende provincies zijn gesteld. Iedere provincie heeft hiertoe een eigen algemene subsidieverordening vastgesteld: Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 (Asv 2013), Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013(Asb 2013), Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv), Algemene Subsidieverordening 2012 Provincie Limburg (ASV2012). De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de genoemde Asv’s liggen ten grondslag aan de regeling.

De Asv’s zijn kaderverordeningen. Deze beschrijven op hoofdlijnen voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt en bevatten verder delegatie- en bevoegdheidsbepalingen. Daarnaast geven de Asv’s van Limburg en Noord-Brabant algemene procedureregels voor subsidieverstrekking. In Zeeland is dit geregeld in het Asb 2013. De Asv’s verplichten de colleges van Gedeputeerde Staten om de inhoudelijke en beleidsmatige aspecten van het subsidiebeleid nader uit te werken in subsidieregelingen. Voor Zeeland is hiertoe het Asb 2013 aangewezen. Om die reden wordt deze regeling in Zeeland vastgesteld als supplement bij het Asb 2013.

Voor zover mogelijk worden onderwerpen die worden geregeld in de afzonderlijke Asv’s niet herhaald in de regeling, behoudens die onderwerpen die niet in alle drie de Asv’s op dezelfde wijze zijn geregeld.

Arrangementen

De provincies Limburg en Noord-Brabant volgen het rijkssubsidiekader voor het systeem van verantwoording en financieel beheer van de subsidies. Beide Asv’s hanteren dezelfde standaardarrangementen voor wat betreft uitvoerings- en verantwoordingseisen. Ook aan de Asv van Zeeland heeft het gedachtegoed van het rijkssubsidiekader ten grondslag gelegen, met een andere verdeling van arrangementen. In bijlage 1 bij deze toelichting zijn de verschillende arrangementen in schema gezet.

Om te verzekeren dat overcompensatie wordt uitgesloten is het bij subsidies waar sprake is van gerechtvaardigde staatssteun gebruikelijk af te rekenen op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten. Dit betekent dat ongeacht de hoogte van de arrangementen, in alle gevallen een vaststelling plaatsvindt en wordt afgerekend op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten. Hiertoe is niet in alle gevallen een accountsverklaring vereist maar kan ook volstaan worden met een financieel verslag.

Artikelsgewijs

§ 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Onder d. crossover

Een crossover kan een innovatie die nieuw is voor elk van de innovatiegebieden betreffen, of een bestaand product, dienst of lopende innovatie in een innovatiegebied die innovatie oplevert in een ander innovatiegebied. Dit vraagt samenwerkingsverbanden tussen partijen uit verschillende technologiedomeinen, waarin innovatieve producten en diensten worden ontwikkeld.

Onder j. innovatieprogramma’s Topsectoren

De innovatieprogramma’s topsectoren liggen volgens artikel 3.4.2. van de Regeling nationale EZ-subsidies ter inzage op het Ministerie van Economische Zaken. Voorts zijn deze digitaal beschikbaar bij de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg en op www.rvo.nl.

De Regeling nationale EZ-subsidies is een rijksregeling en te vinden op www.overheid.nl.

Onder n. kennisinstelling

De definitie van kennisinstelling is overgenomen uit de Subsidieregeling sterktes in innovatie. Dit is een rijksregeling, te vinden op www.overheid.nl

Onder p. nationale topclusters

In de RIS3 zijn de doelstellingen van Europa vertaald naar regionale, maatschappelijke uitdagingen en is focus aangebracht naar vier sterke nationale clusters. Deze clusters hebben een bredere reikwijdte dan de topsectoren.

Onder r. projectsubsidie

Het begrip projectsubsidie is gedefinieerd in de Asv’s van Noord-Brabant en Limburg.

De definitie van Limburg is een subsidie anders dan een waarderings- of exploitatiesubsidie. Omdat deze beide subsidies niet in de regeling voorkomen, is gekozen om aan te sluiten bij de definitie van Noord-Brabant.

Onder t. regionale ontwikkelingsmaatschappij

Zuid-Nederland heeft de volgende ROM’s: Economische Impuls Zeeland, BOM NV (Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij) en NV Industriebank LIOF (Limburgse ontwikkelings- en investeringsmaatschappij).

Onder u. RIS3

De afkorting staat voor Research & Innovation Strategy for smart specialisation Zuid-Nederland. In de begripsomschrijving is de Nederlandse vertaling gegeven.

De RIS3 is op 24 september 2013 door de beoogde Managementautoriteit Operationeel Programma EFRO Zuid-Nederland 2014-2020 (Managementautoriteit) voor heel Zuid-Nederland vastgesteld. Hiertoe is deze behalve door de Managementautoriteit ook in de drie colleges van Gedeputeerde Staten van de drie provincies behandeld. In de RIS3 is de innnovatiestrategie voor Zuid-Nederland voor de periode 2014-202 uiteengezet. De RIS3 maakt integraal onderdeel uit van het OPZuid en is daarnaast gebaseerd op een aantal onderleggers, zoals de provinciale economische agenda’s en de agenda’s van de Triple Helix organisaties en het nationale topsectorenbeleid.

Artikel 1.2 Doelgroep

In iedere Asv en aanverwant Asb is de doelgroep afgebakend. Dit betekent dat alleen die MKB-ondernemingen die binnen de afbakening uit de verschillende Asv’s en Asb past, in aanmerking kan komen voor subsidie.

In Zeeland is in artikel 1.2.1 van het Asb 2013 bepaald dat subsidie slechts wordt verstrekt aan een instelling. Onder instelling wordt blijkens artikel 1.1.1. onder a van het Asb 2013 verstaan: een rechtspersoon, vennootschap (niet zijnde rechtspersoon) of eenmanszaak. In Noord-Brabant is de doelgroep in artikel 6 van de Asv afgebakend tot rechtspersonen of natuurlijke personen. In Limburg is in artikel 4 van de ASV2012 de doelgroep afgebakend tot rechtspersonen, maatschappen of vennootschappen met een mogelijkheid tot uitbreiding tot natuurlijke personen indien dit voortvloeit uit de aard van de activiteit.

Dit betekent dat een MKB-onderneming die rechtspersoon of eenmanszaak (een natuurlijke persoon met inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel) tot de doelgroep van de regeling behoort.

Artikel 1.3 Subsidievorm

De Asv van Noord-Brabant noemt in artikel 7 vier subsidievormen en drie wijzen waarop subsidie verstrekt dient te worden. Dit artikel sluit aan bij de Asv van Noord-Brabant en loopt vooruit op de verplichting uit artikel 12 van de ASV2012 van Limburg waarin staat dat Gedeputeerde Staten bij de verlening aan moeten geven van welke soort subsidie sprake is. Overigens zijn een aantal bepalingen uit de verschillende Asv’s door de afbakening van de subsidie tot projectsubsidie, niet van toepassing omdat deze naar hun aard gericht zijn op exploitatie- of begrotingssubsidies.

Artikel 1.4 Weigeringsgronden algemeen

De weigeringsgronden gelden onverminderd de weigeringsgronden in artikel 4:25 (subsidieplafond) en 4:35 van de Awb en de weigeringsgronden in de drie Asv’s. Dit betekent dat de weigeringsgronden in de Asv’s onverkort gelden. Daar waar dit stroomlijning behoeft, is de weigeringsgrond opgenomen in artikel 1.4.

Artikel 4:35 van de Awb bepaalt dat subsidie wordt geweigerd indien gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

  • a.

    De activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

  • b.

    De aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen

  • c.

    De aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

En voorts indien de aanvrager:

  • a.

    in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid of

  • b.

    Failliet is verklaard of aan hem surseance ven betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel daartoe een verzoek bij de rechtbank is ingediend.

In het schema in bijlage 2 zijn de weigeringsgronden uit de drie Asv’s vergeleken. Tevens is de conclusie weergegeven voor de regeling.

Onder c. Stimulerend effect

Indien sprake is van staatssteun kan deze alleen worden vrijgesteld of anderszins gerechtvaardigd worden verstrekt, indien sprake is van een stimulerend effect. Stimulerend effect is aanwezig als door de subsidie het gedrag van de onderneming verandert. Er wordt bijvoorbeeld een project gerealiseerd dat niet van de grond zou komen zonder subsidie. Of de omvang van een project verandert door de subsidie. In artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de aanvraag om subsidie is ingediend voordat de activiteit aanvangt. Hiermee wordt niet uitgesloten dat activiteiten die eerder zijn aangevangen, ook een stimulerend effect hebben. Dit dient te worden aangetoond.. Omdat de doelgroep van deze regeling MKB-ondernemingen zijn en hier snel sprake is van een onderneming in de zin van Europees recht, is de weigeringsgrond breed opgenomen.

Onder d. Deggendorf clausule

Een van de verplichtingen die gelden om gebruik te kunnen maken van een vrijstelling op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is het opnemen van de zogeheten Deggendorf clausule. Deze houdt in dat betaling van steun uitgesloten aan een onderneming waarbij eerdere steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. Tegen de onderneming is in dat geval een terugvorderingsbevel gegeven.

Onder e. Onderneming in moeilijkheden

In de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructeringssteun aan ondernemingen in financiële moeilijkheden (PbEU 2004/C244/02) is aangegeven in welke gevallen een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. Bij het indienen van een aanvraag, dient hiervoor een verklaring te worden gevoegd waarin wordt verklaard dat de aanvrager niet in financiële moeilijkheden verkeert.

 

Artikel 1.5 Vereisten algemeen

Deze algemene vereisten gelden voor alle aanvragen op grond van deze regeling en onverminderd de algemene vereisten die in de drie Asv’s zijn opgenomen. Daarnaast zijn de in de bijzondere paragrafen aanvullende vereisten opgenomen die specifiek voor de betreffende subsidiabele activiteit gelden.

In bijlage 3 zijn de algemene vereisten die reeds in de drie Asv’s zijn bepaald, opgenomen:

Overigens staan deze inhoudelijke vereisten los van de vereisten aan de aanvraag (indieningsvereisten), stukken ten grondslag aan de aanvraag zijn in bovenstaande gevallen tevens inhoudelijke toetsingsgronden. Deze komen verder in de regeling aan de orde voor de specifieke subsidiabele activiteit.

d. eenmalig project & e. reguliere bedrijfsvoering

Dit vereiste hangt nauw samen met het kenmerk van de subsidie: een projectsubsidie, een subsidie voor producten, activiteiten of een samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd. De in het kader van het project uitgevoerde activiteiten behoren op het moment van de subsidieaanvraag niet tot de alledaagse bedrijfsvoering, het gaat om eenmalige en specifiek projecten die zonder subsidie niet tot stand zouden komen.

Tweede lid

Een aanvraag dient volledig te zijn om in behandeling te worden genomen. Dit betekent dat een aantal bijlagen dient te worden aangeleverd. In het aanvraagformulier staat duidelijk beschreven welke bijlagen dienen te worden aangeleverd, gebaseerd op inhoudelijke vereisten die in deze regeling zijn gesteld. De bijlagen die niet blijken uit de vereisten of anderszins, zijn, voor zover geldend voor de hele regeling, opgesomd in het tweede lid. Als een van deze bijlagen ontbreekt, is de aanvraag niet volledig.

Onder a. projectplan

In het projectplan bevat een beschrijving van het project en een beschrijving of het project voldoet aan de vereisten uit de regeling. De omvang van het projectplan is afhankelijk van de grootte van het project. In het aanvraagformulier wordt een concept of format van het projectplan gegeven. Als het projectplan onvoldoende is, dan kan de subsidie geweigerd worden, omdat aan de hand van het projectplan wordt getoetst of aan de vereisten is voldaan en een project haalbaar is te achten. Weigering vindt in dat geval plaats op grond van de bepalingen in de Awb.

Onder b. begroting en sluitend financieringsplan

Een sluitend financieringsplan wordt gevraagd om inzicht te hebben in de subsidiabele kosten en alle kosten, opbrengsten en financiering van het project. Het omvat onder andere dan ook een overzicht van alle kosten en opbrengsten die direct gerelateerd zijn aan het project, de subsidies, bijdragen, sponsorgelden van andere instanties, de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag. De omvang van het financieringsplan en begroting is afhankelijk van de omvang van het project.

Onder c. Voor een ieder toegankelijke publicatie

Deze samenvatting wordt gevraagd opdat Gedeputeerde Staten de mogelijkheid heeft te publiceren over de projecten waarvoor subsidie wordt verstrekt. Deze eis staat los van de verplichting, die in alle drie de Asv’s is opgenomen, voor de subsidieontvanger om in eigen publicaties te vermelden dat het project is gerealiseerd met subsidie van een van de provincies.

 

Artikel 1.6 Berekeningswijze subsidiabele kosten

In de Asb2013 van Zeeland is bepaald op welke wijze personeelskosten subsidiabel zijn. Van deze regeling kan worden afgeweken. Voor Limburg en Noord-Brabant zijn gelijksoortige regels vastgesteld door Gedeputeerde Staten op grond van de Asv Voor Limburg zijn dit de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzenuurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies vastgesteld.. Voor Noord-Brabant is hiertoe bepaald dat voor het berekenen van subsidiabele kosten de uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen, opgenomen in een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde regeling, worden gehanteerd. Door in het artikel de Nadere regels van Limburg van toepassing te verklaren, bepalen Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in dit geval dat de Nadere regels voldoen aan hetgeen bepaald in de Asv van Noord-Brabant.

 

Artikel 1.7 Niet subsidiabele kosten

In de drie provincies is bepaald dat verrekenbare of compensabele BTW niet voor subsidie in aanmerking komt. Daarnaast is in artikel 14 van de ASV2012 van Limburg bepaald dat niet subsidiabel zijn:

  • 1.

    kosten die samenhangen met financiële of contractuele verplichtingen die zijn aangegaan voordat een projectsubsidie is aangevraagd, tenzij sprake is van voorbereidingskosten zoals kosten voor onderzoek, voorlichtingsactiviteiten of het ontwikkelen van plannen met betrekking tot de in de aanvraag genoemde activiteiten;

  • 2.

    kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd;

  • 3.

    kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties.

Kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd, zijn reeds uitgesloten op basis van staatssteunregelgeving (overcompensatieverbod, transparantiebeginsel en maximale steunpercentages).

 

Artikel 1.8 Vereisten subsidieaanvraag

Dit artikel bevat indieningsvereisten en is een aanvulling op hetgeen reeds is bepaald voor de drie provincies. In Zeeland zijn in artikel 1.4.2 van het Asb 2013 de in te dienen gegevens opgesomd. Deze opsomming wordt in het aanvraagformulier opgenomen. Hetzelfde geldt voor de opsomming in artikel 10 van de ASV2012 van Limburg.

 

Artikel 1.9 Beslistermijn subsidieverlening

De beslistermijnen voor subsidieverlening wijken onderling van elkaar af in de provincies. Omdat de subsidies uit een gezamenlijk plafond worden verstrekt, is het van belang gelijke termijnen te hanteren. De kortste termijn wordt gehanteerd door Zeeland. Dit is een termijn van acht weken en wordt niet haalbaar geacht voor de subsidies uit deze regeling. Omdat deze termijn is opgenomen in het Asb2013, kan hier gemotiveerd van worden afgeweken. Van de Asv’s van Noord-Brabant en Limburg kan echter niet worden afgeweken. Derhalve is de kortste termijn van deze twee provincies aangehouden: 12 weken.

 

Artikel 1.10 Verplichtingen algemeen

De provinciale regelgeving van alle drie de provincies geeft de colleges van Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om de verplichtingen uit de Asv’s of het Asb aan te vullen. De verplichtingen zijn in het algemene deel en bijzondere deel aangevuld of gelijkgesteld voor de drie provincies waar dit noodzakelijk is geacht.

De analyse die hieraan ten grondslag ligt is opgenomen in bijlage 4

Eerste lid

In artikel 19 van de Asv van Noord-Brabant is expliciet en in artikel 17 van de ASV2012 van Limburg impliciet bepaald dat voor subsidies tot € 25.000 respectievelijk € 125.000 geen verplichting wordt opgelegd tot het overleggen van een tussentijds voortgangsverslag. In lijn van deze bepaling is voor de drie provincies tezamen bepaald dat de verplichtingen in het eerste lid, onder a, gelden voor subsidies van € 25.000 en hoger. Overigens is dit in overeenstemming met artikel 29, derde lid van de ASV2012 van Limburg, waarin wordt bepaald dat voor subsidies waarvoor moet worden afgerekend op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten deze administratieverplichting mag worden opgelegd. Hetzelfde geldt voor de verplichting tot het bijhouden van een administratie.

 

Artikel 1.11 Vaststelling

De elementen van vaststelling van de subsidies (aanvraagtermijn, beslistermijn en wijze van verantwoording) zijn in de drie provincies bepaald door de hoogte van de subsidie en het hieraan verbonden arrangement. Omdat de subsidies onder de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn gebracht, grotendeels, gelden voor de verantwoording onverkort de Europese verplichtingen inzake staatssteunrecht en dient te worden afgerekend op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten. Ter zake van arrangement 1 en 2 van alle drie de provincies betekent dit dat de verantwoordingsverplichtingen verzwaard zijn tot ten minste een financieel verslag, mogelijk zelfs accountantsverklaring, en prestatieverantwoording. Dit is tot uiting gebracht in eerste lid.

De aanvraagtermijn en beslistermijn zijn voor alle drie provincies verschillend geregeld. Voor de beslistermijn wordt aangesloten bij de kortste termijn zoals vastgelegd in de ASV2012 van Limburg: 12 weken. Dit sluit aan bij de termijn van de Asb2013 van Zeeland en past binnen de termijn van Noord-Brabant. De verdagingsmogelijkheid die in de ASV2012 van Limburg is opgenomen, geldt op grond van artikel 4:14, eerste lid van de Awb ook voor Zeeland en Noord-Brabant en is derhalve niet geregeld in de regeling.  

Ter zake de aanvraagtermijn waarbinnen de subsidieontvanger zijn aanvraag om vaststelling in moet dienen, hanteren de drie provincies drie verschillende termijnen. In de beschikking tot subsidieverlening wordt de aanvraagtermijn voor de aanvraag tot vaststelling opgenomen zodat voor de aanvrager duidelijk is welke Asv van toepassing is.

 

Artikel 1.12 Bevoorschotting en betaling

In het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is voor subsidies tot € 10.000 bepaald dat de subsidie 100% wordt bevoorschot. Een soortgelijke bepaling is opgenomen voor het eerste arrangement, dus tot € 25.000, in Noord-Brabant en Limburg.

Voor het tweede en derde arrangement is in Zeeland een maximale bevoorschotting van 75% bepaald en voor Limburg en Noord-Brabant is dit niet bepaald in de Asv’s. Wel is in Limburg in beleidsregels, artikel 2, onder B, van de Beleidsregels bevoorschotting en uitbetaling van subsidies, bepaald dat bij projectsubsidies van € 25.000 tot € 125.000 direct bij de subsidieverleningsbeschikking een voorschot worden verleend van 90%. Voor projectsubsidies vanaf € 125.000,00 is ingevolge artikel 2, onder C, van voornoemde beleidsregels bepaald dat vooraf bij de subsidieverlening op basis van de ingediende liquiditeitsprognose van de aanvrager, een schema van de bevoorschottingautomatisch zal worden opgenomen tot maximaal 90%. Voorts is bepaald dat dit voorschot binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking zal worden overgemaakt op de rekening van de subsidieontvanger. In artikel 3, van voornoemde beleidsregels staat dat de bevoorschotting conform de in beleidsregels geschetste beleidslijn worden toegepast, tenzij Gedeputeerde Staten anders bepalen.

 

Met de huidige bepaling in de regeling wordt afgeweken van het beleid omwille van de eenduidigheid tussen de drie provincies en ten voordele van de aanvragers. Voor de hoogte van de bevoorschotting is aangesloten bij Zeeland, binnen de arrangementenhoogtes van Limburg en Noord-Brabant.

 

§ 2 Innovatieadviesproject en haalbaarheidsproject

Artikel 2.2 Weigeringsgronden

De weigeringsgronden zijn afgeleid uit paragraaf 3.4 van de Regeling nationale EZ-subsidies (centrale regeling te vinden op www.overheid.nl).

 

Artikel 2.3 Vereisten innovatieadviesproject

Eerste lid, onder e

De kennisvraag die wordt voorgelegd aan de kennisinstelling of onafhankelijke adviesorganisatie dient voldoende aan te sluiten bij het innovatietraject waarop het vooruitloopt.

Eerste lid, onderdeel g, onder 3

Activiteiten op het gebied van verkoop van producten of diensten kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het ontwikkelen en vervaardigen van marketinginstrumenten en verkoopondersteunend promotiemateriaal.

Eerste lid, onder i

Artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening stelt een aantal vereisten om in aanmerking te komen voor de vrijstelling voor innovatiesteun voor KMO’s.

Deze vereisten zijn veelal vertaald in de regeling, voor die vereisten die niet reeds zijn vertaald is onderdeel i. als vangnet opgenomen.

Eerste lid, onderdeel j, onder 2

De aanvrager dient in zijn eigen provincie, de provincie waarin hij het project uitvoert of waaraan de resultaten van het project ten goede komen, een advies te vragen over zijn project bij de betreffende ROM.

 

Artikel 2.4 Vereisten haalbaarheidsproject

Onder e

Artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening stelt een aantal vereisten om in aanmerking te komen voor de vrijstelling voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, in dit geval een combinatie van een haalbaarheidsstudie en industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. Deze vereisten zijn veelal vertaald in de regeling, voor die vereisten die niet reeds zijn vertaald is onderdeel e. als vangnet opgenomen.

Onder f

De aanvrager dient in zijn eigen provincie, de provincie waarin hij het project uitvoert of waaraan de resultaten van het project ten goede komen, een advies te vragen over zijn project bij de betreffende ROM.

 

Artikel 2.5 Subsidiabele kosten

Eerste lid

De subsidiabele kosten zijn afgeleid uit artikel 18 van de algemene groepsvrijstellingverordening.

 

Artikel 2.6 Vereisten subsidieaanvraag

In artikel 1.4.1 van het Asb2013 van Zeeland is bepaald dat aanvragen tenminste acht weken voor het begin van de activiteit worden ingediend. Op grond van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten in een individueel geval besluiten af te wijken van deze termijn. In de regeling wordt afgeweken van deze bepaling als volgt:

  • -

    aanvragen worden geweigerd indien het stimulerend effect ontbreekt. Veelal zal dit zijn vanwege het starten van de activiteit voor de aanvraag.

  • -

    Projecten moeten uiterlijk een jaar na de start van het project zijn afgerond.

In artikel 9 van de ASV2012 van Limburg is bepaald dat subsidieaanvragen het hele jaar door kunnen worden ingediend tenzij in nadere regels anders is bepaald.

Overige vereisten aan de aanvraag zijn opgenomen in artikel 1.8.

 

In het artikel wordt gesproken over een indieningstermijn. Op grond van de Awb is een aanvraag tijdig indien deze voor het einde van de indieningstermijn is ontvangen.

 

Artikel 2.8 Subsidiehoogte

Algemeen

De aanvraag is leidend bij de bepaling van de subsidiehoogte. Dit betekent dat een aanvrager minder ontvangt, indien hij minder aanvraagt. Dit volgt reeds uit de Algemene wet bestuursrecht.

Tweede lid

Het subsidiepercentage is als volgt tot stand gekomen: Het project bestaat voor tenminste 60% uit haalbaarheidsstudie. Op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening kan over dit deel van de kosten maximaal 50% subsidie worden verstrekt, over het totaal bezien betekent dit 30% van de subsidiabele kosten kan uit subsidie voor haalbaarheidsstudie bestaan. Het project bestaat ten hoogste voor 40% uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. Op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening kan over dit deel van de kosten 25% subsidie worden verstrekt, (uitgaande van het laagste percentage). Over het totaal bezien betekent dit 10% van de subsidiabele kosten kan uit subsidie voor experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek bestaan. Samen komt dit uit op 40% subsidie van de subsidiabele kosten.

 

§ 3 R&D samenwerkingsproject

Artikel 3.2 Vereisten

In de Regeling nationale EZ-subsidies (centrale regeling te vinden op www.overheid.nl) is een definitie van R&D-samenwerkingsproject en R&D-samenwerkingsverband opgenomen. De vereisten onder a tot en met c en e zijn afgeleid uit deze begripsomschrijvingen.

R&D-samenwerkingsproject:

Research and Development-project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerking en voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een R&D-samenwerkingsverband;

R&D-samenwerkingsverband:

Research and Development-verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject.

Onder d instemming

Instemming van alle deelnemers omvat onder andere instemming met de sluitende begroting en sluitend financieringsplan. Hierdoor kan getoetst worden wat ieders bijdrage in de subsidiabele kosten is en hoe de subsidie over de subsidiabele kosten van de deelnemers verdeeld wordt.

Bijlage 1 bij de Toelichting behorende bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2015.

 

Limburg art. 12, 3e lid, 13, 2e lid, 27- 30 ASV2012

Brabant (art. 13, 20- 23 Asv)

Zeeland artikel 3 Asv

conclusie

Arr. 1

Tot € 25.000 directe vaststelling

• Steekproefsgewijze controle

• Vast bedrag of vast bedrag per te verrichten prestatie-eenheid

• Voorschot in beleidsregels

• Beslistermijn vaststelling 12 weken en 12 weken verdagen

 

Tot € 25.000 directe of ambtshalve vaststelling

• Desgevraagd aantonen activiteit verricht en verplichtingen voldaan

• Vast bedrag of vast bedrag per te verrichten prestatie-eenheid

• Voorschot 100% of bedrag in een keer

• Geen verplichtingen tot administratie en rekening en verantwoording ex. 4:37 eerste lid onder b en f Awb

• Beslistermijn vaststelling 13 weken of 22 weken

 

Tot € 10.000 directe of Ambtshalve vaststelling of steekproefsgewijze op aanvraag

§ 1.7 Asb2013:

• vast bedrag per prestatieafspraak, voorschot 100% in een keer

• aanvraagtermijn vaststelling 4 weken

beslistermijn vaststelling 22 weken

Vanwege rechtstreekse toepassing van Europees staatssteunrecht en uitsluiten overcompensatie afrekenen op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten dus:

- vaststelling op verzoek

- prestatieverantwoording en financieel verslag

Bevoorschotting aansluiten bij Zeeland en Noord-Brabant, ook voor overlap voor Zeeland vanwege grootste gemene deler.

Aanvraagtermijn 4 weken

Beslistermijn aansluiten bij kortste termijn van 13 weken

Arr. 2

€ 25.000-€ 125.000

aantonen activiteiten verricht en verplichtingen voldaan

• vast bedrag of vast bedrag per te verrichten prestatie-eenheid

• voorschot in beleidsregels

• In principe geen verplichtingen bijkomende financiële verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten en geen controle verklaring accountant Tenzij ...

• aAanvraagtermijn vaststelling 6 maanden

• beslistermijn vaststelling 12 weken en 12 weken verdagen

GS kunnen besluiten tot directe vaststelling en tot minder verplichtingen bij prestatieverantwoording

€ 25.000-€ 125.000

aantonen activiteiten verricht en verplichtingen voldaan

• vast bedrag of vast bedrag per te verrichten prestatie-eenheid

• voorschot in subsidieregeling, ambtshalve

• In principe geen verplichtingen tot administratie en rekening en verantwoording ex. 4:37 eerste lid onder b en f Awb en overleggen accountantsverklaring Tenzij…

• aanvraagtermijn vaststelling 13 weken

• beslistermijn vaststelling 22 weken

• GS kunnen arrangement 1 van toepassing verklaren

€ 10.000-€ 50.000 prestatieverantwoording

§ 1.8 Asb2013:

• vast bedrag per prestatieafspraak

• voorschot max 75% in termijnen

• aanvraagtermijn vaststellen 12 weken

• beslistermijn vaststellen 12 weken

GS kunnen besluiten arrangement 1 toe te passen

Vanwege rechtstreekse toepassing van Europees staatssteunrecht en uitsluiten overcompensatie afrekenen op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten dus:

- prestatieverantwoording en financieel verslag

Bevoorschotting vanaf 25.000 tot 125000 aansluiten bij Zeeland, dus max. 75%

Aanvraagtermijn 12 weken

Beslistermijn aansluiten bij termijn van 22 weken, afwijken van Asb2013.

Arr. 3

€ 125.000 en hoger

aantonen activiteiten verricht en verplichtingen voldaan met financieel verslag en controleverklaring accountant

• hoogte het bedrag dat GS noodzakelijk achten om activiteit te realiseren

• voorschot in beleidsregels

• aanvraagtermijn vaststelling 6 maanden

• beslistermijn vaststelling 12 weken en 12 weken verdagen 

€ 125.000 en hoger

aantonen activiteiten verricht en verplichtingen voldaan met financieel verslag en controleverklaring accountant

• hoogte op basis van prestaties en gerealiseerde kosten

• voorschot in subsidieregeling, ambtshalve

• aanvraagtermijn vaststelling 13 weken

• beslistermijn vaststelling 22 weken

• GS kunnen arrangement 2 van toepassing verklaren

 

€ 50.000 en hoger prestatieverantwoording en financiële verantwoording w.o. controle verklaring accountant en mogelijk jaarrekening en accountantsreview

§ 1.9 Asb2013:

• vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak en percentage van subsidiabele kosten

• voorschot 75% max in termijnen

• aanvraagtermijn vaststellen 12 weken

• beslistermijn vaststellen 12 weken

GS kunnen besluiten tot vervallen/verminderen verantwoordingsvereisten of arrangement 2 toe te passen

Rechtstreeks toepassing van het staatssteunrecht heeft ic geen gevolgen. Hoogte verschillen in arrangementen wel want vanaf 50.000 voor Zeeland in principe accountantsverklaring. Hier van mag worden afgeweken in het Asb2013. In dit geval ten behoeve van eenduidigheid en grootste gemene deler tot 125.000 geen accountantsverklaring maar afrekenen met financieel verslag.

Bevoorschotting aansluiten bij Zeeland, dus max. 75%

Aanvraagtermijn 12 weken

Beslistermijn aansluiten bij termijn van 22 weken, afwijken van Asb2013.

 

 

 

GS kunnen ander arrangement toepassen, in Asb2013: zou volgens toelichting wegens Rijkssubsidiekader alleen lager arrangement kunnen zijn, tenzij Sisa-systematiek

 

Bijlage 2 bij de Toelichting behorende bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2015.

Zeeland (art. 2, 4 – als vereisten opgenomen- , 5 Asv2013, art. 1.2.1 Asb2013)

Noord-Brabant (art. 8)

Limburg (art. 15)

Conclusie

Ondergrens aanvraag € 2.500

Ondergrens aanvraag € 1.000

 -

Ondergrens Zeeland opgenomen in regeling

Draagt niet bij aan realisering van een of meer beleidsdoelstellingen, tenzij bijzondere gebeurtenis

Subsidie niet in voldoende mate in het algemeen provinciaal belang

Subsidieverlening past niet binnen het beleid van Limburg

Geborgd in drie Asv’s

-

Activiteiten aanvrager niet gericht op de provincie Noord-Brabant

-

Voldoende eenduidige toetsing door vereiste in regeling dat ziet op Zuid-Nederland

-

Activiteiten aanvrager komen niet aantoonbaar ten goede aan de inwoners van Noord-Brabant

Activiteiten aanvrager komen niet aanwijsbaar ten goede aan ingezetenen van Limburg

Voldoende eenduidige toetsing door vereiste in regeling dat ziet op Zuid-Nederland

-

Ontvanger handelt op enigerlei wijze in strijd met fundamentele rechtsbeginselen

Aanvrager beoogt doelstellingen of zal activiteiten ontplooien ins strijd met de wet, het algemeen belang of openbare orde

Omschrijving niet hetzelfde maar beogen hetzelfde. Om te borgen dat deze ook voor Zeeland geldt, is deze ter aanvulling opgenomen in de regeling

-

-

Gelden worden niet of niet in voldoende mate besteed voor het doel waarvoor de subsidie is aangevraagd

Eenduidigheid geborgd door afbakening tot projectsubsidie en bepalingen in artikel 4:35 van de Awb

Gevraagde subsidie noodzakelijk om activiteit uit te voeren

-

Aanvrager kan ook zonder subsidie over voldoende middelen voor activiteit beschikken

Weigeringsgrond ter zake het stimulerend effect ziet mede hierop.

-

-

Continuïteit aanvrager onvoldoende gewaarborgd

Artikel 4:35 Awb borgt voldoende eenduidigheid in toetsing op deze weigeringsgrond

Ontoelaatbare staatssteun

-

Ongeoorloofde steun in de zin van artikel 107 VWEU of in strijd met verplichting ingevolgde door de staat gesloten verdrag

Als een aangevraagde subsidie zou leiden tot verstrekking van onrechtmatige staatssteun, kan de provincie deze weigeren. Omdat de plicht tot het naleven van het Europees staatssteunrecht al rechtstreeks volgt uit het Europees recht, behoeft de bevoegdheid om subsidie te weigeren op grond van het staatssteunrecht geen grondslag in de Asv of een subsidieregeling

-

In Noord-Brabant wordt wel register bijgehouden.

Aanvrager staat geregistreerd wegens misbruik en/of oneigenlijk gebruik van een eerder verstrekte subsidie

Aanvragen van subsidieontvangers, waarop in het verleden een sanctie is toegepast, kunnen ook op grond van artikel 4:35 Awb preventief geweigerd worden. Voldoende eenduidigheid.

Behoefte aan activiteit (vereiste)

-

-

Behoefte aan activiteit is onderdeel van het beleid en de vereisten en op die wijze voldoende eenduidigheid

Redelijkerwijze mag worden verwacht dat de activiteit wordt gerealiseerd (vereiste)

-

-

Artikel 4:35 Awb borgt voldoende eenduidige toetsing

Bezoldingsnorm

-

-

Geldt voor exploitatiesubsidies

Activiteit is gerealiseerd op moment ontvangst subsidieaanvraag

-

-

Artikel 4:29 Awb borgt voldoende eenduidigheid

Bijlage 3 bij de Toelichting behorende bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2015.

Zeeland

(voorzover in artikel 4 Asv2013 reeds meegenomen bij weigeringsgronden)

Noord-Brabant, artikel 9, eerste lid Asv

Limburg artikel 10 ASV2012

Conclusie

 

eenmalige aanspraak op financiële middelen

 

Voldoende geborgd met begripsomschrijving projectsubsidie

 

eenmalig project

 

 

opgenomen in de regeling

 

niet reguliere bedrijfsvoering aanvrager

 

opgenomen in de regeling

Stukken ten grondslag aan de aanvraag:

1. Concrete beschrijving activiteit;

2. Uiteenzetting wijze van bijdragen aan beleid provincie;

3. Duur activiteit

4. Geografisch gebied waarop activiteit betrekking heeft

5. Concrete beschrijving resultaat en na te streven kwaliteitsniveau

6. Sluitende begroting cf artikel 1.4.3.

7. Verklaring bezoldiging

8. Beschrijving organisatorische verbanden mbt invloed hoogte subsidiabele kosten

 

Stukken ten grondslag aan de aanvraag

1. Activiteitenplan met beschrijving van activiteiten, doelen, resultaten..;

2. ..

3. ..

4. ..

5. ..

6. Begroting

7. ..

8. Beschrijving organisaties verbanden mbt invloed hoogte subsidiabele kosten..

9. Igv aanvraag hoger dan €125.000 ook een raming van de liquiditeitsbehoefte

1. Opgenomen in artikel 1.5,2e lid onder a: projectplan

2. Zie 1 en in vereisten 1.5. en bij specifieke paragraaf

3. indien toetsingsgrond opgenomen in specifieke vereisten;

4. verplichting hiertoe volgt uit vereiste 1.5, onder a, komt in projectplan;

5. komt in projectplan ogv artikel 1.5 onder b en c

6. opgenomen in artikel 1.5, tweede lid, onder b

7. nvt

8. …

9. …

Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen

Artikel 8.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    particuliere woning: een pand in eigendom van een particulier, met een individueel adres, een eigen nutsaansluiting, al dan niet grond gebonden, bedoeld en geschikt om in te wonen, waarop de planologische bestemming Wonen rust, niet zijnde een bedrijfs- of dienstwoning of een 1- of 2- kamerappartement;

  • b.

    ongewenste particuliere woning: een bestaande particuliere woning met een lagere WOZ-waarde dan € 170.000 en gebouwd voor 1970;

  • c.

    ongewenste particuliere woningvoorraad: het totaal van ongewenste particuliere woningen in Zeeland;

  • d.

    toekomstbestendige woning: woning die voldoet aan de huidige en toekomstige eisen van gebruikers, al dan niet na investeringen in de woning;

  • e.

    regionale woningmarktafspraken: afspraken die gemeenten binnen een regio met elkaar maken over de omvang en kwaliteit van te bouwen en te herstructureren woningen in de komende tien jaar, zoals omschreven in het Omgevingsplan 2012-2018;

  • f.

    sociale huurwoning: een goedkope huurwoning die meestal eigendom is van een woningcorporatie, met een maximum huur tot waar sprake is van € 710,86 (in 2015);

  • g.

    Z4: de gebieden gelegen binnen de Grens bestaand bebouwd gebied van de steden Goes, Middelburg, Terneuzen en Vlissingen;

  • h.

    krimpgebied: de gebieden die behoren tot de gemeenten Hulst, Terneuzen, Schouwen-Duiveland, Sluis en Vlissingen;

  • i.

    transformatiegebied: vier door de betreffende gemeenten afgebakende gebieden in de vier Zeeuwse steden die een transformatie ondergaan van industriegebied naar woongebied. Het gaat hierbij om de Goese Schans in Goes, Axelse Dam in Terneuzen, Ramsburg in Middelburg en Schelde- kwartier in Vlissingen;

  • j.

    innovatie: de mate waarin binnen een activiteit onderdelen zijn opgenomen die nog nooit op deze wijze in Zeeland of daarbuiten zijn uitgeprobeerd;

  • k.

    cultuurhistorie: een door het Rijk op grond van de Monumentenwet 1988 aangewezen stads- of dorpsgezicht, een door het Rijk geselecteerd wederopbouwgebied dat van nationaal belang is of een ander waardevol cultuur historisch erfgoed dat is opgenomen in de Cultuur Historische Hoofdstructuur van Zeeland;

  • l.

    duurzaamheid: de mate waarin binnen een activiteit maatregelen worden genomen in het kader van het zuinig omgaan met energie, water, grondstoffen en het terugdringen of vermijden van vervuiling;

  • m.

    gezondheid: de mate waarin binnen een activiteit bij de herinrichting van de openbare ruimte maatregelen worden genomen op het gebied van veilige inrichting en de stimulering van buiten spelen en ontmoeting.

  • n.

    bestaand bebouwd gebied: de begrenzing van het gebied zoals deze in kaart 19 van het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 is opgenomen;

  • o.

    landelijke bebouwingsconcentratie: concentratie van bebouwing in het landelijk gebied, ook wel buurtschap genoemd, met overwegend een woonfunctie. De grens van de landelijke bebouwingsconcentratie eindigt daar waar de bebouwing zijn aaneengesloten karakter verliest.

Artikel 8.2

Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft:

  • a.

    het verminderen van de ongewenste particuliere woningvoorraad;

  • b.

    het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveel particuliere woningen;

  • c.

    het omvormen van minimaal drie ongewenste particuliere woningen tot toekomstbestendige woningen;

  • d.

    de verdunning van de sociale huurwoningvoorraad in een wijk, door sloop of samenvoeging van de woningen;

  • e.

    het verbeteren van de openbare ruimte van een gebied; of

  • f.

    het geven van een andere functie aan een beeldbepalend pand, ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van de woonomgeving

Artikel 8.3

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid kan aan een natuurlijk persoon subsidie worden verstrekt voor een activiteit zoals genoemd in artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b en f.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b wordt subsidie niet verstrekt, indien:

    • a.

      de activiteit drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, zoals bedoeld in artikel 8.5 eerste lid, niet is gerealiseerd;

    • b.

      de activiteit een bezwaar vormt voor het gemeentelijk beleid of geldende verordeningen van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd;

    • c.

      de activiteit plaatsvindt in een regio waar geen actuele en door de provincie onderschreven regionale woningmarktafspraken zoals bedoeld in het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 beschikbaar zijn;

    • d.

      de activiteit op basis van artikel 8.9 tweede lid onder a geen punten scoort;

    • e.

      de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie zoals bedoeld in artikel 8.5 eerste lid.

    • f.

      de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand bebouwd gebied en de landelijke bebouwingsconcentratie.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.000.

Artikel 8.4

De artikelen 1.3.1 en 1.3.2 zijn niet van toepassing op een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen.

Artikel 8.5

  • 1.

    Een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten beslissen op de aanvraag binnen 12 weken na afloop van de termijn van het openstellingsbesluit als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste 4 weken verdagen.

Artikel 8.6

In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen:

  • a.

    een volledig ingevuld projectformulier Provinciale Impuls Wonen zoals beschikbaar gesteld op de website van de Provincie Zeeland;

  • b.

    een beschrijving van de tijdplanning van het project;

Artikel 8.7

Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een extern deskundige.

Artikel 8.8

De hoogte van de subsidie bedraagt:

  • a.

    indien er sprake is van het verminderen van de ongewenste particuliere woningvoorraad door sloop: maximaal € 40.000 per onttrokken woning;

  • b.

    indien er sprake is van het verminderen van de ongewenste particuliere woningvoorraad door middel van het samenvoegen van één of meerdere woningen: maximaal € 25.000,00 per samenvoeging;

  • c.

    indien er sprake is van het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveel particuliere woningen

    • i.

      maximaal € 10.000 ten behoeve van de sloop en afvoerkosten per woning; en

    • ii.

      maximaal € 10.000 ten behoeve van de kosten van het saneren van ernstige vormen van verontreiniging.

  • d.

    indien er sprake is van het omvormen van minimaal drie ongewenste particuliere woningen tot toekomstbestendige woningen: maximaal 25 procent van de totale subsidiabele kosten  met een minimum van € 5.000  tot maximaal € 10.000 per omgevormde woning.

  • e.

    indien er sprake is van de verdunning van de sociale huurwoningvoorraad in een wijk, door sloop of samenvoeging van de woningen: maximaal € 15.000 per onttrokken woning.

Artikel 8.9

  • 1.

    Als de subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria:

    • a.

      soort fysieke ingreep;

    • b.

      locatie;

    • c.

      innovatie;

    • d.

      cultuurhistorie;

    • e.

      duurzaamheid;

    • f.

      gezondheid.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten kennen voor de rangschikking bedoeld in het eerste lid de volgende punten toe:

    • a.

      criterium soort fysieke ingreep:

      • I.

        vermindering ongewenste particuliere woningen: ten hoogste vijfhonderd punten;

      • II.

        sloop en evenveel nieuwbouw particuliere woningen: ten hoogste tweehonderdvijftig punten;

      • III.

        toekomstbestendige woningen: ten hoogste tweehonderdvijftig punten;

      • IV.

        verdunning sociale huurwoningvoorraad, door sloop of samenvoeging van de woningen: ten hoogste honderd punten;

      • V.

        verbeteren openbare ruimte: ten hoogste tweehonderd punten;

      • VI.

        hergebruik beeldbepalende panden voor woningen: ten hoogste vijftig punten.

    • b.

      criterium locatie:

      • I.

        Z4: ten hoogste vijftig punten;

      • II.

        krimpgebied: ten hoogste vijftig punten;

      • III.

        transformatiegebied: ten hoogste vijftig punten.

    • c.

      criterium innovatie: ten hoogste tweehonderd punten;

    • d.

      criterium cultuurhistorie: ten hoogste vijftig punten;

    • e.

      criterium duurzaamheid: ten hoogste vijftig punten;

    • f.

      criterium gezondheid: ten hoogste vijftig punten.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking.

Artikel 8.10

  • 1.

    De artikelen 1.5.2 en 1.7.1 tot en met 1.7.9 zijn niet van toepassing op een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen.

  • 2.

    De artikelen 1.5.1 en 1.5.3 tot en met 1.6.6 en 1.8.1 tot en met 1.10.1 zijn van toepassing op een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen.

Hoofdstuk 9 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor een kernsportevenement

Artikel 9.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    Kernsport: wieler-, water- en strandsport waarbij gebruik wordt gemaakt van het Zeeuwse landschap;

  • b.

    Wielersport: een sport erkend door de Internationale Wielerunie UCI en NFTU;

  • c.

    Watersport: een sport erkend door één van de aan het NOC*NSF gelieerde watersportbonden;

  • d.

    Strandsport: een sport die wordt uitgeoefend op het strand en erkend wordt door één van de aan het NOC*NSF gelieerde bonden.

Artikel 9.2

  • 1.

    Subsidie kan worden verleend voor een kernsportevenement, dat:

    • a.

      door de landelijke sportbond of het NOC*NSF wordt gekwalificeerd als hoogste niveau in de betreffende tak van sport voor de betreffende leeftijdscategorie;

    • b.

      potentie voor Zeeland heeft in de zin van de promotie van de provincie Zeeland door internationale of nationale zichtbaarheid en waarmee de provincie als regio wordt geprofileerd; of,

    • c.

      een economische impuls levert voor de regio.

  • 2.

    Subsidie wordt niet verstrekt voor een evenement waarbij er geen sprake is van verbreding van het evenement door sportontwikkeling, talentontwikkeling, breedtesport of gehandicaptensport.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie voor een kernsportevenement niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 1.000.

Artikel 9.3

  • 1.

    De subsidie bedraagt:

    • a.

      maximaal € 75.000 voor een nationaal of internationaal evenement met regionale en nationale en beperkte internationale media-aandacht, met een publieksbereik ook buiten Zeeland, een groot aantal sporters op het hoogste niveau, een groot aantal side-events en georganiseerd door een professionele organisatie;

    • b.

      maximaal € 25.000 voor een nationaal of provinciaal evenement met provinciale en beperkte nationale media-aandacht, een groot aantal sporters op hoog niveau, een provinciaal publieksbereik en georganiseerd door een semi-professionele organisatie;

    • c.

      maximaal € 5.000 voor een meerdaags evenement met nationale of internationale deelnemers en een regionale uitstraling;

    • d.

      € 2.500 voor een eendaags evenement met nationale deelnemers en een regionale uitstraling.

  • 2.

    De subsidie bedraagt maximaal 10 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum zoals genoemd in het eerste lid.

Artikel 9.4

  • 1.

    1. De aanvraag voor een subsidie wordt ingediend voor 1 januari van het kalenderjaar waarin de activiteit wordt aangevangen.

  • 2.

    2. De behandelingstermijn van de aanvraag vangt aan op 1 januari.

  • 3.

    3. In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag voor subsidie voor een activiteit in 2014 ingediend voor 15 mei 2014.

  • 4.

    4. In afwijking van het tweede lid vangt de behandelingstermijn van de aanvraag voor subsidie in 2014 aan op 15 mei 2014.

Artikel 9.5

Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan SportZeeland.

Artikel 9.6

  • 1.

    Als de subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de aanvragen voor subsidie beoordeeld en geselecteerd aan de hand van de criteria:

    • a.

      Spreiding over de drie kernsporten;

    • b.

      Publieksbereik van het evenement;

    • c.

      Niveau van de sporters die deelnemen aan het evenement;

    • d.

      Provinciaal belang van het evenement;

    • e.

      De publieke uitstraling van het evenement;

    • f.

      Verbreding van het evenement naar een groot publiek.

  • 2.

    Indien na selectie op basis van het eerste lid de subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de te verstrekken subsidies naar rato van de aangevraagde subsidiebedragen verlaagd, tenzij het aangevraagde subsidiebedrag het maximum uit artikel 9.3, eerste lid overschrijdt, dan wordt de subsidie verlaagd naar rato van de in het betreffende artikel genoemde bedrag.

Artikel 9.7

Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

Artikel 9.8

Bij de subsidieverlening kunnen gedeputeerde staten de instelling verplichten medewerking te verlenen aan de toolkit evenementen.

Artikel 9.9

De artikelen 1.2.1, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, en 1.3.1 tot en met 1.10.1 zijn van toepassing op een subsidie voor een kernsportevenement.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

§ 10.1 Intrekken

Artikel 10.1.1

Het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2007 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft voor subsidiebesluiten die zijn genomen op grond van de Algemene subsidiebesluit Zeeland 2007.

§ 10.2 Inwerkingtreding en aanhaling

Artikel 10.2.1

  • 1.

    Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

  • 2.

    Dit besluit wordt aangehaald als: "Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013", afgekort tot "Asb 2013".

Bijlage A als bedoeld in artikel 1.9.7 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013

Hoofdstuk 1 Uitgangspunten

1.1 Doelstelling

Dit controleprotocol heeft betrekking op subsidies die de provincie Zeeland verstrekt aan instellingen op grond van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 (afgekort Asb 2013).

Dit controleprotocol is opgesteld om duidelijkheid te scheppen over de aspecten waar de accountant zijn controle ten minste op dient te richten. Hierin worden de verwachtingen van gedeputeerde staten van Zeeland vastgelegd ten aanzien van de werkzaamheden van de accountant bij de controle van de aanvraag tot vaststelling.

Het bestuur van de subsidieontvanger is verantwoordelijk voor de correcte samenstelling, getrouwheid en rechtmatigheid van de aanvraag tot vaststelling, bestaande uit de prestatiebewijzen, de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden en de financiële verantwoording opgesteld overeenkomstig de indeling van de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting.

De accountant verricht zijn onderzoek, gericht op het verkrijgen van een hoge mate van zekerheid over de financiële verantwoording die onderdeel uitmaakt van de aanvraag tot vaststelling. De accountant controleert de financiële verantwoording met inachtneming van de voorgeschreven aandachtspunten in hoofdstuk 2 van dit controleprotocol. De accountant rapporteert zijn bevindingen in een controleverklaring.

1.2 Definities

In dit controleprotocol wordt verstaan onder:

  • a.

    subsidieverstrekker: provincie Zeeland,

  • b.

    subsidieontvanger: instelling die subsidie ontvangt van de provincie Zeeland,

  • c.

    accountant: accountant die de aanvraag tot vaststelling controleert, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 55 van de Wet op de Registeraccountants, of een accountant-administratieconsulent, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 36, derde lid van de Wet op de Accountant-administratieconsulent,

  • d.

    aanvraag tot vaststelling: het geheel aan documenten dat dient te worden ingediend voor de verantwoording van de subsidie.

  • e.

    financiële verantwoording: een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit en die zijn afgezet tegen de begrote kosten en opbrengsten;

  • f.

    subsidie conform arrangement 3: een subsidie conform paragraaf 1.9 Arrangement 3 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.

  • g.

    integrale kosten subsidie: een subsidie conform hoofdstuk 2 Integrale kosten subsidie van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.

1.3 Procedures

In het geval van een subsidie conform arrangement 3 wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend door de subsidieontvanger binnen 12 weken nadat de projecttermijn is verstreken, tenzij hiervoor uitstel is verleend, of is afgesproken via de beschikking tot subsidieverlening dat de subsidie in de jaarrekening wordt verantwoord. In het geval van een integrale kosten subsidie wordt de aanvraag tot vaststelling zes maanden na afloop van het boekjaar ingediend door de subsidieontvanger.

De aanvraag tot vaststelling van een subsidie conform arrangement 3 bestaat uit:

  • 1.

    het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijs,

  • 2.

    overige in de beschikking tot subsidieverlening genoemde bescheiden,

  • 3.

    een financiële verantwoording.

Product accountant: Controleverklaring over de financiële verantwoording.

De aanvraag tot vaststelling van een integrale kosten subsidie bestaat uit:

  • 1.

    het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijs,

  • 2.

    overige in de beschikking tot subsidieverlening genoemde bescheiden,

  • 3.

    het jaarverslag over het boekjaar,

  • 4.

    een financiële verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen activiteiten als onderdeel van de jaarrekening.

Product accountant: Controleverklaring over de financiële verantwoording.

De subsidieontvanger heeft een actieve meldplicht. Dit houdt in dat iedere afwijking van de beschikking tot subsidieverlening of de aanvraag voor de subsidie dient te worden gemeld. Niet tijdig melden kan consequenties hebben voor de hoogte van de subsidie. Wijzigingen op de subsidie worden altijd schriftelijk door de subsidieverstrekker bevestigd.

Conform artikel 1.9.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is het mogelijk dat door de externe accountant van de provincie Zeeland, of een door de provincie Zeeland aan te wijzen ambtenaar of accountant, een review wordt uitgevoerd bij de accountant van de instelling.

Hoofdstuk 2 Onderzoeksaanpak

2.1 Controleaanpak

De onderzoeksaanpak is primair de verantwoordelijkheid van de accountant. Dit controleprotocol geeft nadere aanwijzingen, die de accountant bij zijn onderzoeksaanpak ten minste moet betrekken.

De controle van de financiële verantwoording dient te omvatten de getrouwheid, de rechtmatige besteding van de subsidie en de naleving van de financiële verplichtingen en voorwaarden.

2.2 Financiële verantwoording

Van de accountant wordt verwacht dat hij controleert dat de in het verslag opgenomen financiële gegevens getrouw zijn weergegeven en rechtmatig zijn. Dit houdt in dat:

In het geval van een subsidie conform arrangement 3:

  • -

    de uitgaven rechtstreeks aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de gesubsidieerde activiteit (Artikel 1.3.1 eerste lid Asb 2013);

  • -

    geen verrekenbare en compensabele BTW als lasten zijn opgevoerd, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald (Artikel 1.3.1 tweede lid Asb 2013);

  • -

    de personeelskosten aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de activiteit en gebaseerd zijn op een controleerbare urenadministratie (Artikel 1.3.2 eerste lid onder a Asb 2013);

  • -

    de subsidiabele personeelskosten in de financiële verantwoording zijn berekend aan de hand van een uurtarief dat overeenkomt met ten hoogste 1,2 procent van het betreffende bruto maandsalaris, in geval van een deeltijd dienstverband omgerekend naar een maandsalaris bij een voltijdsdienstverband (Artikel 1.3.2 eerste lid onder b Asb 2013);

  • -

    de subsidiabele personeelskosten in de financiële verantwoording het met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde in begroting opgenomen bedrag aan personeelskosten niet overschrijden (Artikel 1.3.2 eerste lid onder b Asb 2013);

  • -

    de kosten zijn opgenomen onder de juiste kostensoorten en geen kostensoorten in de verantwoording zijn opgenomen die niet in de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting zijn opgenomen (Artikel 1.9.5 eerste lid onder c jo. artikel 1.1.1 onder f Asb 2013);

  • -

    de (extra)inkomsten alsook de bijdragen, subsidies, giften, nog te verwachten bijdragen, etc. die aan de gesubsidieerde activiteit toebehoren volledig in de financiële verantwoording zijn verwerkt (Artikel 1.9.5 eerste lid onder c jo. artikel 1.1.1 onder f Asb 2013);

  • -

    de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen financiële voorwaarden en verplichtingen zijn nagekomen (Artikel 1.9.5 eerste lid onder b Asb 2013);

  • -

    of, indien op de subsidie ook een ander hoofdstuk (bijvoorbeeld hoofdstuk 3 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor verkeersveiligheid) uit het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 dan hoofdstuk 1 en 2 van toepassing is, ook aan de financiële voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan.

In het geval van een integrale kosten subsidie:

  • -

    dat de kosten op de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde wijze zijn toegerekend aan de gesubsidieerde activiteiten (Artikel 2.2.1 eerste lid onder b Asb 2013);

  • -

    dat er geen toevoegingen aan reserves zijn toegerekend aan de subsidiabele kosten (Artikel 2.2.1 eerste lid onder d Asb 2013);

  • -

    geen verrekenbare en compensabele BTW als lasten zijn opgevoerd, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald (Artikel 1.3.1 tweede lid Asb 2013);

  • -

    de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen overige financiële voorwaarden en verplichtingen zijn nagekomen (Artikel 2.8.2 onder d Asb 2013);

  • -

    de kosten zijn opgenomen onder de juiste kostensoorten en geen kostensoorten in de verantwoording zijn opgenomen die niet in de met de beschikking tot subsidieverlening geaccordeerde begroting zijn opgenomen (Artikel 2.8.2 eerste lid onder d);

  • -

    de (extra)inkomsten alsook de bijdragen, subsidies, giften, nog te verwachten bijdragen, etc. die aan de gesubsidieerde activiteit toebehoren volledig in de financiële verantwoording zijn verwerkt (Artikel 2.8.2 eerste lid onder d).

2.3 Referentiekader

Het wettelijk kader voor dit controleprotocol is:

  • -

    de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013;

  • -

    het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013;

  • -

    de in de beschikking tot subsidieverlening aanvullende subsidieverplichtingen en subsidievoorwaarden;

  • -

    de overige van toepassing zijnde besluiten en correspondentie met betrekking tot de verleende subsidie.

2.4 Betrouwbaarheid en nauwkeurigheid

Bij zijn oordeelsvorming over de naleving van de voorwaarden en de verplichtingen verbonden aan de financiële verantwoording streeft de accountant naar een hoge mate van zekerheid. De controle moet worden uitgevoerd met een betrouwbaarheid van 95 procent.

Financiële informatieEen controleverklaring met een goedkeurende strekking impliceert dat, gegeven eerder genoemde betrouwbaarheid, de meest waarschijnlijke fout niet groter is dan één procent van de verantwoording van de totale subsidiabele kosten.

Als deze norm overschreden wordt, is de hieronder vermelde tabel van toepassing:

-

Strekking controleverklaring

-

-

-

Goedkeuringstolerantie

Goedkeurend

Beperking

Oordeelonthouding

Afkeurend

Fouten in de aanvraag tot vaststelling

≤ 1%

> 1% ≤ 3%

-

≥ 3%

Onzekerheden in de controle

≤ 3%

> 3% ≤ 10%

-

-

De rapporteringstolerantie is gelijk aan de controletolerantie.

Hoofdstuk 3 Accountantsproducten

De accountant gebruikt het meest recente model controleverklaring zoals opgenomen in de Handleiding Regelgeving Accountancy (HRA), deel 3, Sectie II, 10.3 basis voorbeeldtekst goedkeurende controleverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector. In de controleverklaring wordt tevens vermeld dat de controle mede in overeenstemming met dit controleprotocol is uitgevoerd.

In de controleverklaring ten behoeve van de provincie Zeeland dient ten minste te worden gemeld,

  • a.

    in de paragraaf "verklaring betreffende de jaarrekening/xxx" een verwijzing naar de beschikking tot subsidieverlening, inclusief datum en kenmerk;

  • b.

    in de paragraaf "verantwoordelijkheid van het bestuur" een verwijzing naar de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013;

  • c.

    in de paragraaf "verantwoordelijkheid van de accountant" naast het Nederlands recht een verwijzing opnemen naar dit controleprotocol en de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen subsidievoorwaarden en verplichtingen;

  • d.

    in de paragraaf "oordeel" een verwijzing naar de financiële verantwoording en een verwijzing naar dit controleprotocol en de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen subsidievoorwaarden en subsidieverplichtingen;

Een voorbeeldtekst, gebaseerd op Handleiding Regelgeving Accountancy (HRA), deel 3, Sectie II, 10.3 basis voorbeeldtekst goedkeurende controleverklaring bij een subsidiedeclaratie in de publieke sector, zoals de provincie Zeeland wil ontvangen ten minste voorzien van alle hiervoor benoemde essentiële onderdelen is te vinden in de bijlage bij dit controleprotocol.

Bijlage bij het controleprotocol voor de accountant

CONTROLEVERKLARING VAN DE ONAFHANKELIJKE ACCOUNTANT

Afgegeven ten behoeve van de provincie Zeeland

Aan: Opdrachtgever

Wij hebben bijgaande financiële verantwoording ingevolge de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 van ... (naam entiteit(en)) te ... (statutaire vestigingsplaats) inzake de subsidie/ de integrale kosten subsidie voor het jaar … verleend met brief van ../../… met kenmerk voor het project ………. gecontroleerd.

Verantwoordelijkheid van het bestuurHet bestuur van de entiteit is verantwoordelijk voor het samenstellen van de aanvraag tot vaststelling en de bijbehorende financiële verantwoording in overeenstemming met de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013, het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 en de voorwaarden zoals benoemd in de beschikking tot subsidieverlening. Het bestuur is tevens verantwoordelijk voor een zodanige interne beheersing als het noodzakelijk acht om het samenstellen van de aanvraag tot vaststelling en de bijbehorende financiële verantwoording mogelijk te maken zonder afwijkingen van materieel belang als gevolg van fraude of fouten.

Verantwoordelijkheid van de accountantOnze verantwoordelijkheid is het geven van een oordeel over de financiële verantwoording op basis van onze controle. Wij hebben onze controle verricht in overeenstemming met Nederlands recht, waaronder de Nederlandse controlestandaarden en het controleprotocol behorende bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013. Dit vereist dat wij voldoen aan de voor ons geldende ethische voorschriften en dat wij onze controle zodanig plannen en uitvoeren dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat financiële verantwoording geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Een controle omvat het uitvoeren van werkzaamheden ter verkrijging van controle-informatie over de bedragen en de toelichtingen in de financiële verantwoording. De geselecteerde werkzaamheden zijn afhankelijk van de door de accountant toegepaste oordeelsvorming, met inbegrip van het inschatten van de risico’s dat de financiële verantwoording een afwijking van materieel belang bevat als gevolg van fraude of fouten.

Bij het maken van deze risico-inschattingen neemt de accountant de interne beheersing in aanmerking die relevant is voor het samenstellen van de financiële verantwoording door de entiteit, gericht op het opzetten van controlewerkzaamheden die passend zijn in de omstandigheden. Deze risico-inschattingen hebben echter niet tot doel een oordeel tot uitdrukking te brengen over de effectiviteit van de interne beheersing van de entiteit. Een controle omvat tevens het evalueren van de geschiktheid van de gebruikte grondslagen voor het samenstellen van de financiële verantwoording, alsmede een evaluatie van het algehele beeld van de financiële verantwoording.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen controle-informatie voldoende en geschikt is om een onderbouwing voor ons oordeel te bieden.

OordeelNaar ons oordeel geeft de financiële verantwoording ingevolge de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 van ... (naam entiteit(en)) inzake de subsidie/ de integrale kosten subsidie voor het jaar … verleend met brief van ../../… met kenmerk voor het project ……….in alle van materieel belang zijnde aspecten juist weer, in overeenstemming met het controleprotocol behorende bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013.

Beperking in gebruik en verspreidingskringDe financiële verantwoording is opgesteld voor ... (naam subsidiegever) met als doel ... (naam entiteit(en)) in staat te stellen te voldoen aan de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 en het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013. Hierdoor is de financiële verantwoording mogelijk niet geschikt voor andere doeleinden. De financiële verantwoording met onze controleverklaring is derhalve uitsluitend bestemd voor ... (naam entiteit(en)) en de provincie Zeelanden dient niet te worden verspreid aan of te worden gebruikt door anderen.

Plaats en datum

Toelichting bij het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013

Algemeen (hoofdstuk 1)

In de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 (Asv) bepalen provinciale staten dat gedeputeerde staten regels moeten stellen voor het verstrekken van subsidies. Ter uitvoering van deze bepaling hebben gedeputeerde staten dit Algemene subsidiebesluit Zeeland 2013 (Asb) geformuleerd. Het Asb bevat de algemene subsidieregels. Daarnaast zijn ook specifieke beleidsafhankelijke subsidieregels opgenomen in dit subsidiebesluit. Daardoor is de wijze van subsidieverstrekking zoveel mogelijk uniform gehouden.

Bij het opstellen van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is rekening gehouden met:

  • -

    de beleidsnota "resultaat met subsidie",

  • -

    het rijkssubsidiekader,

  • -

    het collegeprogramma "stuwende krachten",

  • -

    de Wet dwangsom,

  • -

    de verantwoordingssystematiek van Single informatie Single Audit,

  • -

    de evaluatie van het subsidieproces, en

  • -

    staatssteun.

Het rijkssubsidiekaderDe algemene subsidieverordening schrijft een arrangementensysteem voor. Dit systeem wordt ook gehanteerd binnen het rijkssubsidiekader. Er zijn drie arrangementen. Hieronder worden deze kort toegelicht aan de hand van de kenmerken.

Arrangement 1 – tot en met € 10.000Met dit arrangement worden subsidies tot en met € 10.000 verstrekt waarbij op basis van een steekproef wordt bepaald of een prestatieverantwoording moet worden ingediend. In de beschikking tot subsidieverlening wordt de prestatieafspraak opgenomen en de wijze van prestatieverantwoording geformuleerd. Verder meldt deze beschikking dat de prestatieverantwoording binnen 22 weken na afloop van de activiteit op basis van een steekproef door de provincie kan worden opgevraagd. Subsidies die niet in de steekproef vallen ontvangen binnen 22 weken na afloop van de activiteit een ambtshalve vaststelling. Dit houdt in dat de subsidie wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling moet indienen. Subsidies die wel in de steekproef vallen, worden vastgesteld op basis van de prestatieverantwoording. De wijze waarop de steekproef wordt gehouden is door gedeputeerde staten vastgelegd in beleidsregels.

De subsidie wordt bij de verlening volledig bevoorschot. Daarnaast moet de instelling melding maken van fundamentele afwijkingen ten opzichte van de afspraken uit de beschikking tot subsidieverlening. Het niet voldoen aan deze verplichting heeft consequenties voor de subsidieverstrekking.

Arrangement 2 – hoger dan € 10.000 – tot en met € 50.000.Met dit arrangement worden subsidies hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 verstrekt die verantwoord moeten worden met een prestatieverantwoording. In de beschikking tot subsidieverlening wordt een prestatieafspraak opgenomen. De definitieve subsidie wordt bepaald aan de hand van de gerealiseerde prestatieafspraak. Op de subsidie wordt een voorschot verleend van maximaal 75 procent van het subsidiebedrag. Er is geen standaardverplichting tot het indienen van tussentijdse rapportages. De instelling moet wel melding maken van fundamentele afwijkingen ten opzichte van de afspraken uit de beschikking tot subsidieverlening. Het niet voldoen aan deze verplichting heeft consequenties voor de subsidieverstrekking.

Arrangement 3 – hoger dan € 50.000Met dit arrangement worden subsidies hoger dan € 50.000 verstrekt die verantwoord moeten worden met een prestatieverantwoording en een financiële verantwoording. De definitieve subsidie wordt bepaald aan de hand van de gerealiseerde prestatieafspraak en op basis van de werkelijke besteding van de subsidie. Op de subsidie wordt een voorschot verleend van maximaal 75 procent van het subsidiebedrag. Er is geen standaardverplichting tot het indienen van tussentijdse rapportages. De instelling moet wel melding maken van fundamentele afwijkingen ten opzichte van de afspraken uit de beschikking tot subsidieverlening. Het niet voldoen aan deze verplichting heeft consequenties voor de subsidieverstrekking.

Artikelsgewijze toelichting (hoofdstuk 1)

Artikel 1.1.1

Met de definiëring van het begrip 'instelling' wordt helder dat elk bedrijf, vereniging of stichting als instelling kan worden aangemerkt.

De definitie van arrangement geeft aan dat dit een vaste set van regels, verplichtingen en voorwaarden betreft. Het gaat hierbij om specifieke regels voor de wijze van verlenen, de wijze van verantwoorden van de subsidie en de wijze van subsidievaststelling. Daarnaast betreffen het voorwaarden en verplichtingen die aan de subsidieverstrekking verbonden kunnen worden.

De prestatieafspraak wordt altijd opgenomen in de beschikking tot subsidieverstrekking. Het doel is om de prestatieafspraak zo SMART mogelijk te formuleren. SMART staat voor Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden.

Het prestatiebewijs dient als "bewijs" dat de prestatieafspraak is behaald. Het benodigde prestatiebewijs wordt in de beschikking tot subsidieverlening beschreven. Het doel is om het bewijs zo eenvoudig mogelijk te laten zijn. Daarnaast is het doel om de kosten van het prestatiebewijs voor de instelling zo beperkt mogelijk te houden. Het prestatiebewijs kan zijn een foto, een filmopname, het op te leveren rapport, een kaartje van het concert, etc.

Artikel 1.2.1

In dit artikel zijn situaties opgenomen waarin gedeputeerde staten besluiten om geen subsidie te verstrekken.

Het eerste lid bepaalt dat alleen instellingen als gedefinieerd in artikel 1.1.1 een subsidie kunnen ontvangen. De definitie van een instelling is ruim omschreven. Het komt er op neer dat alleen natuurlijke personen niet in aanmerking komen voor subsidie. Er zijn wel hoofdstukken met specifieke regels in het Asb die van deze algemene regel afwijken.

Het tweede lid sub a bepaalt dat een subsidie niet na realisatie van de activiteit wordt verleend. Het meetpunt is hierbij het moment van de ontvangst van de subsidieaanvraag. Dus een subsidieaanvraag die wordt ingediend nadat de te subsidiëren activiteit is gerealiseerd wordt afgewezen. Dit artikel is opgenomen in relatie met de artikelen 2 en 4 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013. Deze artikelen bepalen dat een subsidie wordt verleend voor de realisatie van beleidsdoelstellingen en dat de gevraagde subsidie nodig moet zijn voor realisatie van de activiteit.

Het tweede lid, sub c geeft aan dat er onder de € 2.500 geen subsidie wordt verstrekt. Dit houdt in dat aanvragen voor een subsidie van minder dan € 2.500 direct worden afgewezen. Echter ook subsidieaanvragen voor een hoger bedrag kunnen worden afgewezen. Dit is het geval als gedeputeerde staten op basis van hun beoordeling van de subsidieaanvraag en de begroting tot de conclusie komen dat een subsidiebedrag lager dan € 2.500 verstrekt zou moeten worden.

Artikel 1.3.1

Niet alle kosten opgenomen in een begroting van de activiteit zijn subsidiabel. Slechts de kosten die rechtstreeks samenhangen met de activiteit worden gesubsidieerd.

Dit betekent dat met name de indirecte (vaste) kosten van een instelling als niet subsidiabel worden aangemerkt. Voorbeelden van dergelijke kostenposten zijn de kosten van gebruik van ruimten, apparatuur en deskundigheid waarover de instelling permanent beschikt, kosten die behoren tot de normale exploitatielasten van de instelling, kosten die niet direct en uitsluitend noodzakelijk zijn voor de gesubsidieerde activiteit en ook kosten van reguliere onderhoud- of herstelwerkzaamheden van de instelling.

Het tweede lid bepaalt dat BTW alleen subsidiabel is als het ook een werkelijke kostenpost is voor de instelling. Als betaalde BTW kan worden verrekend met ontvangen BTW of kan worden gecompenseerd via het BTW-compensatiefonds, dan is de BTW niet subsidiabel. De kostenposten in de begroting en in de eventuele subsidieverantwoording moeten dan exclusief BTW worden opgenomen. Indien de instelling de BTW niet kan verrekenen of compenseren kunnen de kostenposten inclusief BTW worden opgenomen in de begroting en in de eventuele subsidieverantwoording.

Artikel 1.3.2

Voor subsidiabele directe personeelskosten wordt een uniforme rekenmethode toegepast voor het bepalen van een uurtarief. Deze methode gaat er vanuit dat de personeelskosten met een tarief per uur worden toegerekend aan de activiteit. Het maximaal subsidiabele uurtarief wordt berekend door het bruto maandsalaris te vermenigvuldigen met 1,2%. De uitkomst van deze berekening is een all-in uurtarief. Dit uurtarief wordt geacht voldoende te zijn voor de dekking van alle directe personeelskosten van de instelling. Naast salarissen gaat het dan om bijvoorbeeld de werkgeverslasten, een eindejaarsuitkering en vakantiegeld.

Personeelskosten zijn echter pas subsidiabel als zij direct zijn toe te rekenen aan de activiteit. Zo kunnen er geen loonkosten worden gesubsidieerd van een personeelslid dat niet direct aantoonbaar heeft gewerkt aan de gesubsidieerde activiteit.

In het tweede lid is een afwijkmogelijkheid opgenomen voor individuele gevallen. Gedeputeerde staten nemen na ontvangst van een schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager per geval een afzonderlijk besluit. Het gebruikmaken van de afwijkmogelijkheid kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als een instelling een uurtarief hanteert dat is goedgekeurd door de Europese Unie.

Artikel 1.4.1

Het is mogelijk af te wijken van de termijn van acht weken. Het gebruik maken van de afwijkmogelijkheid kan echter niet strijdig zijn met artikel 1.2.1.

Artikel 1.4.2

In dit artikel worden de minimale eisen van de subsidieaanvraag aangegeven. In veel gevallen kan subsidie worden aangevraagd met een aanvraagformulier. Door op een juiste manier gebruik te maken van het aanvraagformulier wordt doorgaans voldaan aan de bepalingen van dit artikel.

Lid 1 sub g bepaalt dat de instelling dient te verklaren dat wordt voldaan aan het eerste, tweede en derde lid van artikel 5 van de Asv over de provinciale norm voor topinkomens. Indien het aanvraagformulier voor de subsidie hierin niet voorziet kan de volgende tekst worden gehanteerd: 'ik verklaar/ wij verklaren hierbij dat van geen van onze bestuurders, directeuren of medewerkers het belastbaar loon en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn het belastbaar loon van de ministers te boven gaat'.

Lid 1 sub h is van toepassing op de situatie waarbij de te subsidiëren activiteit tot stand komt door middel van een samenwerkingsverband. Een dergelijk samenwerkingsverband mag niet leiden tot extra kosten voor het project. Daarom wordt gevraagd om inzicht in de afspraken van eventuele samenwerkingsverbanden. Indien een samenwerkingsverband zorgt voor hogere kosten kan dit invloed hebben op het besluit over de subsidiabele kosten en/of de hoogte van de subsidie.

Het tweede lid bepaalt dat gedeputeerde staten nadere informatie kunnen opvragen. Deze nadere informatie wordt opgevraagd als de instelling bijvoorbeeld voor de eerste keer een subsidie ontvangt van de provincie. Daarnaast kunnen gedeputeerde staten van dit artikel gebruik maken ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik.

Artikel 1.4.3

Op grond van dit artikel dient de instelling de kosten en opbrengsten in de begroting zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen. Uit de opbrengsten moet nadrukkelijk blijken bij welke andere instanties of afdelingen van de provincie Zeeland een subsidieaanvraag is gedaan. Deze gegevens worden namelijk meegenomen in de afweging om al dan niet subsidie te verlenen of om de hoogte van de subsidie te bepalen.

Als twee of meer aanvragen bij de provincie worden ingediend en als die aanvragen betrekking hebben op dezelfde activiteit worden de aanvragen intern afgestemd. Indien mogelijk worden de aanvragen samengevoegd zodat de gevraagde subsidies met één beschikking worden verstrekt.

Mocht na de verstrekking van de subsidie blijken dat niet is vermeld dat er meerdere subsidieaanvragen zijn gedaan (zowel binnen de provincie, als bij andere subsidiënten) dan kan intrekking van de subsidie of een lagere vaststelling volgen op grond van artikel 4:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen Awb). Dat artikel staat intrekking of een lagere vaststelling van de subsidie toe in geval van het niet of niet volledig plaatsvinden van de activiteit, het niet nakomen van verplichtingen of het verstrekken van onjuiste gegevens op het moment van de aanvraag.

Op grond van dit artikel moet daarnaast in de begroting exact worden opgenomen hoeveel de personeelskosten bedragen. Dit gebeurt per functie. Dit zorgt ervoor dat de rekenmethode van het uurtarief niet persoonsafhankelijk is, maar is gekoppeld aan een functie en bijbehorende waardering. Zo wordt inzicht verkregen in de opbouw van de berekening van de loonkosten.

De instelling moet aangeven of ze wel of geen betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen. Op basis daarvan is het mogelijk om te bepalen of de eventueel in de begroting opgenomen BTW subsidiabel is.

Artikel 1.5.1

Het verlenen van een subsidie is gebaseerd op wederzijds vertrouwen, namelijk dat het geld rechtmatig wordt besteed en dat de (administratieve) verplichtingen bij de subsidie worden nagekomen. Subsidiegelden zijn publieke middelen en moeten derhalve ook zorgvuldig en doeltreffend worden ingezet. Daarom kunnen gedeputeerde staten bij een nieuwe subsidieaanvraag altijd de opgedane ervaringen uit het verleden van de instelling betrekken bij de beoordeling van de aanvraag. Ervaringen uit het verleden kunnen voor gedeputeerde staten aanleiding zijn om geen subsidie te verlenen.

Artikel 1.5.2

Gedeputeerde staten hebben voor de beoordeling van de subsidie acht weken de tijd. Daarna volgt een beschikking. Dit kan een beschikking tot subsidieverlening zijn, maar ook een beschikking tot afwijzing. Indien een instelling onvoldoende informatie verstrekt aan de provincie om een beslissing te nemen, wordt aanvullende informatie opgevraagd. De tijd die instellingen wordt gegeven om het gevraagde aan te leveren, schort de termijn van acht weken op.

In het geval dat staatsteun een rol speelt bij de subsidieverstrekking, wordt de aanvraag voorgelegd aan de Europese Commissie. In dat geval zal de beoordeling van de aanvraag meer tijd in beslag nemen. Pas na uitspraak van de Europese Commissie zal gedeputeerde staten besluiten op de aanvraag. Gedeputeerde staten zal de aanvrager op de hoogte stellen, indien de betreffende aanvraag wordt voorgelegd aan de Europese Commissie.

Artikel 1.5.3

Het komt voor dat de Europese Unie en/of het Rijk en de Provincie Zeeland een subsidie verlenen voor hetzelfde project. De provincie wil in dat geval de instelling niet confronteren met verschillende soorten voorwaarden en verplichtingen. In dergelijke gevallen wordt daarom de subsidieverstrekking afgestemd op de subsidievoorwaarden van de subsidieverstrekking van deze hogere overheid. Dit gebeurt doorgaans door alleen de beschikking tot subsidievaststelling van het Rijk op te vragen als verantwoording. De provincie stelt de provinciale subsidie vast aan de hand van de definitieve vastgestelde rijkssubsidie.

In het derde lid is bepaald dat gedeputeerde staten hiervan kunnen afwijken als de provincie een hogere subsidie verleent dan de hogere overheid. Ook als de subsidie in arrangement 1 valt kan worden besloten om af te wijken. Dit gebeurt dan om de administratieve lasten van de instelling en de provincie zoveel mogelijk te beperken.

In het tweede lid wordt bepaald dat gedeputeerde staten bij subsidieverstrekking ook kunnen aansluiten bij de subsidievoorwaarden van lagere overheden. Dit gebeurt op dezelfde wijze als het aansluiten bij de subsidievoorwaarden van een hogere overheid. De beschikking tot subsidievaststelling van de lagere overheid is het uitgangspunt voor de provinciale vaststelling. Wordt een bedrag in één keer verstrekt, dan doet de provincie dit ook. Deze mogelijkheid kan alleen worden gebruikt als de provinciale subsidie lager is dan de subsidie van de lagere overheid. Daarnaast vindt een risicoafweging plaats alvorens gedeputeerde staten besluiten om aan te sluiten bij de subsidievoorwaarden van een lagere overheid.

Artikel 1.5.4

De Single informatie Single audit verantwoordingssystematiek is een systematiek voor de verantwoording van subsidies tussen overheden. In een aantal gevallen is het verplicht om deze systematiek toe te passen. Hierbij maakt de hoogte van de subsidie niet uit. In dit artikel is geregeld dat op alle subsidies waarop de systematiek van Single informatie Single audit van toepassing is, het arrangementensysteem niet van toepassing is.

Artikel 1.6.1

Een subsidie moet correct worden besteed. Op een overheid rust bijvoorbeeld de verplichting dat zij opdrachten en diensten Europees aanbesteden. Doet zij dit niet dan wordt de subsidie besteed in strijd met de op de overheid rustende wettelijke verplichtingen.

Artikel 1.6.2

Eén van de kenmerken van het rijkssubsidiekader is de meldplicht. Deze houdt in dat de instelling zaken meldt, die van invloed kunnen zijn op de hoogte of het verkrijgen van de subsidie. Dit is bijvoorbeeld het geval als een prestatieafspraak niet wordt gerealiseerd of er extra opbrengsten zijn. Zaken die onderdeel uitmaken van de meldplicht worden ook aangehaald in de beschikking tot subsidieverstrekking.

Als achteraf op welke wijze dan ook blijkt dat de instelling niet heeft voldaan aan de meldplicht, dan kan dit op grond van artikelen 4:46 en 4:49 van de Awb gevolgen hebben voor de hoogte van de subsidie. Op basis van redelijkheid wordt bepaald welke gevolgen het niet naleven heeft voor de hoogte van de subsidie.

Artikel 1.6.3

Het komt voor dat instellingen bepaalde activa verwerven met een deel van of de gehele subsidie. Een investering in activa heeft vaak tot doel om een bepaalde activiteit van de grond te krijgen en een bepaalde mate van continuïteit te borgen na de start. Het is niet de bedoeling dat de verworven activa direct na afloop van de activiteit wordt verkocht. De activa zal de gehele economische gebruiksduur voor dezelfde activiteit als waarvoor deze is aangeschaft moeten worden gebruikt. Dit geldt niet voor activa met een economische gebruiksduur van 5 jaar of langer. In dat geval dient de activa gedurende vijf jaar na vaststelling van de subsidie beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze is aangeschaft. Na deze periode zal vervreemding van deze activa geen gevolgen meer hebben voor de hoogte van de subsidie.

Artikel 1.6.4

Naast het bepaalde in artikel 4:37 Awb – op grond waarvan gedeputeerde staten acht standaardverplichtingen aan de subsidieontvanger kunnen opleggen - zijn gedeputeerde staten bevoegd om ook andere verplichtingen op te leggen. Het moet dan gaan om verplichtingen die redelijkerwijs noodzakelijk en geschikt zijn om het beoogde subsidiedoel te verwezenlijken. Het Asb dient hiervoor als wettelijke basis.

Artikel 1.6.5

Als een subsidie is verleend en deze is aangemerkt als toelaatbare staatssteun, dan dient de instelling zich te houden aan de verplichtingen die Europa stelt.

Artikel 1.6.6

Teneinde het voor de Zeeuwse burger meer zichtbaar te maken waar de provincie haar geld aan uitgeeft, moet in beginsel bij een gesubsidieerde activiteit duidelijk worden gemaakt dat deze (mede) mogelijk is gemaakt door de provincie Zeeland. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van een bord met daarop een dergelijke tekst of door plaatsing van het provincielogo op het toegangskaartje van een voorstelling. Het niet nakomen van deze verplichting kan bij de vaststelling leiden tot een verlaging van het uiteindelijke subsidiebedrag. De hoogte van de korting wordt bepaald door 5 procent te nemen van de maximale subsidie zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.

In sommige gevallen is deze verplichting niet gewenst. Gedeputeerde staten kunnen dan besluiten deze verplichting niet op te nemen in de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 1.7.2

Over de te realiseren activiteit of deelactiviteiten wordt in de beschikking tot subsidieverlening een SMART prestatieafspraak gemaakt. In arrangement 1 wordt aan deze prestatieafspraak een vast bedrag gekoppeld. Indien de prestatieafspraak wordt gerealiseerd, dan heeft de subsidieontvanger recht op het bedrag van de prestatieafspraak. Omdat dit bedrag een vast bedrag is, wijzigt dit bedrag niet.

Artikel 1.7.4

Binnen arrangement 1 wordt op basis van een steekproef bepaald of een prestatieverantwoording moet worden ingediend. Subsidies die buiten de steekproef vallen, hoeven niet te worden verantwoord. Deze subsidies worden 22 weken na afloop van de activiteit ambtshalve vastgesteld door de provincie. Ambtshalve vaststelling betekent dat de subsidie wordt vastgesteld zonder tussenkomst van de subsidieontvanger. In dit geval zal de subsidie worden vastgesteld op het maximale bedrag zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening, tenzij er omstandigheden zijn (bijvoorbeeld op basis van de meldplicht) die leiden tot een lagere subsidie.

Als de subsidie wel in de steekproef valt dan moet de subsidie worden verantwoord. Van dit besluit wordt de instelling binnen 22 weken na afloop van de activiteit in kennis gesteld.

De mogelijkheid tot ambtshalve vaststelling van subsidies is geregeld in de Awb. Artikel 4:47 onder a tot en met c van de Awb biedt een aantal mogelijkheden om een subsidie ambtshalve vast te stellen. Dit betekent dat de subsidie door gedeputeerde staten wordt vastgesteld zonder dat er een verzoek van de gesubsidieerde instelling tot vaststelling is. Deze mogelijkheid kan alleen worden gebruikt indien de provinciale regelgeving daarin voorziet. Daarom is in dit artikel ambtshalve vaststelling opgenomen.

Artikel 1.7.5

Uiterlijk vier weken na ontvangst van het besluit van gedeputeerde staten om de subsidie vast te laten stellen op basis van prestatieverantwoording wordt de aanvraag voor vaststelling verzonden aan de provincie.

Zodra de termijn van vier weken is verstreken en de provincie geen aanvraag tot vaststelling heeft ontvangen van de instelling zal de provincie éénmalig een herinnering sturen. Indien de verantwoording na het versturen van de herinnering uitblijft, wordt de subsidie na acht weken ambtshalve vastgesteld.

Artikel 1.7.6

De verantwoording van een subsidie wordt ingediend bij de aanvraag tot vaststelling. De verantwoording van een subsidie volgens arrangement 1 bestaat uit één of meerdere prestatiebewijzen. Deze zijn benoemd in de beschikking tot subsidieverlening. Met het prestatiebewijs wordt aangetoond of de prestatieafspraak is gerealiseerd.

Artikel 1.7.8

Dit artikel regelt dat gedeputeerde staten extra informatie kunnen inwinnen over de gesubsidieerde activiteit, nadat de aanvraag voor vaststelling is ingediend. Dit houdt in dat er meer gegevens over de realisatie kunnen worden opgevraagd of dat een ambtenaar van de provincie ter plekke een controle kan verrichten.

Artikel 1.7.9

Bij de vaststelling van de subsidie wordt het definitieve subsidiebedrag bepaald. Een subsidie op basis van arrangement 1 waarvoor de aanvraag tot vaststelling is ingediend, wordt vastgesteld op basis van de gerealiseerde prestatieafspraken. Dit wordt bepaald aan de hand van de ingediende prestatiebewijzen. Deze bepalen namelijk voor de provincie of een activiteit niet, gedeeltelijk of in zijn geheel heeft plaatsgevonden. Indien er minder is gerealiseerd, wordt de subsidie lager vastgesteld. Hierover wordt vooraf duidelijkheid verstrekt in de beschikking tot subsidieverlening. Doordat er geen financieel verslag wordt gevraagd, wordt de subsidie niet vastgesteld op basis van financiële gegevens. Er vindt bijvoorbeeld geen beoordeling plaats of de subsidie volledig is besteed.

Als de instelling een verplichting niet nakomt, dan wordt een korting toegepast op de subsidie. De korting wordt berekend over de maximale subsidie zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening. De korting wordt afgetrokken van het subsidiebedrag dat resteert nadat de inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden.

Artikel 1.8.2

Over de te realiseren activiteit of deelactiviteiten wordt in de beschikking tot subsidieverlening een SMART prestatieafspraak gemaakt. In arrangement 2 wordt aan deze prestatieafspraak een vast bedrag gekoppeld. Indien de prestatieafspraak wordt gerealiseerd, dan heeft de subsidieontvanger recht op het bedrag van de prestatieafspraak. Omdat dit bedrag een vast bedrag is, wijzigt dit bedrag niet.

Artikel 1.8.3

Gedeputeerde staten kunnen een voorschot verstrekken op een subsidie. Het totale voorschot bedraagt niet meer dan 75 procent van de maximale subsidie. De basisregels van de bevoorschotting zijn vastgelegd in het eerste en tweede lid. De looptijd van de activiteit en de liquiditeitsbehoefte van de instelling kunnen aanleiding zijn om een hoger voorschot te verlenen. De liquiditeitsbehoefte wordt bepaald aan de hand van de momenten van verwachte inkomsten en uitgaven.

Artikel 1.8.4

Artikel 4:47 onder a tot en met c van de Awb biedt een aantal mogelijkheden om een subsidie ambtshalve vast te stellen. Dit betekent dat de subsidie door gedeputeerde staten wordt vastgesteld zonder dat er een verzoek van de gesubsidieerde instelling tot vaststelling is. Deze mogelijkheid kan alleen worden gebruikt indien de provinciale regelgeving daarin voorziet. Daarom is in dit artikel ambtshalve vaststelling opgenomen. Een ambtshalve vaststelling vindt plaats zodra er door de instelling geen verantwoording van de subsidie wordt ingediend. Voordat gedeputeerde staten overgaan tot een ambtshalve vaststelling wordt een herinneringsbrief (rappel) verstuurd aan de instelling met een laatste verzoek een aanvraag tot vaststelling in te dienen.

Artikel 1.8.5

De verantwoording van een subsidie volgens arrangement 2 bestaat uit één of meerdere prestatiebewijzen. Deze zijn benoemd in de beschikking tot subsidieverlening. Met het prestatiebewijs wordt aangetoond of de prestatieafspraak is gerealiseerd.

Artikel 1.8.7

Dit artikel regelt dat gedeputeerde staten extra informatie kunnen inwinnen over de gesubsidieerde activiteit. Dit houdt in dat er meer gegevens over de realisatie kunnen worden opgevraagd of dat een ambtenaar van de provincie ter plekke controle kan verrichten.

Artikel 1.8.8

Bij de vaststelling van de subsidie wordt het definitieve subsidiebedrag bepaald. De subsidie wordt in arrangement 2 vastgesteld op basis van de gerealiseerde prestatieafspraken. Dit wordt bepaald aan de hand van de ingediende prestatiebewijzen. Deze bepalen namelijk voor de provincie of een activiteit niet, gedeeltelijk of in zijn geheel heeft plaatsgevonden. Indien er minder is gerealiseerd, wordt de subsidie lager vastgesteld. Hierover wordt vooraf duidelijkheid verstrekt in de beschikking tot subsidieverlening. Doordat er geen financieel verslag wordt gevraagd, wordt de subsidie niet vastgesteld op basis van financiële gegevens. Er vindt bijvoorbeeld geen beoordeling plaats of de subsidie volledig is besteed.

Als de instelling een verplichting niet nakomt, dan wordt een korting toegepast op de subsidie. De korting wordt berekend over de maximale subsidie zoals opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening. De korting wordt afgetrokken van het subsidiebedrag dat resteert nadat de inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden.

Artikel 1.8.9

Gedeputeerde staten kunnen op grond van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 beslissen een ander arrangement toe te passen op een subsidie. Dit artikel bepaalt dat gedeputeerde staten alleen arrangement 1 mogen toepassen op subsidies die oorspronkelijk in arrangement 2 vallen. Gedeputeerde staten maken een zorgvuldige risicoafweging bij het toepassen van een lager arrangement. Hierbij worden de risico's met de subsidieverlening, aan de hand van bijvoorbeeld ervaringen uit het verleden en de opbouw van de kosten, afgewogen tegen het subsidiebedrag.

Artikel 1.9.2

Over de te realiseren activiteit of deelactiviteiten wordt in de beschikking tot subsidieverlening een SMART prestatieafspraak gemaakt. Aan de prestatieafspraak wordt een vast bedrag gekoppeld. De subsidieontvanger heeft in principe recht op dit vaste bedrag bij realisatie van de prestatieafspraak. De subsidie wordt ook financieel vastgesteld. Dit houdt in dat een subsidie niet hoger wordt vastgesteld, dan een in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen percentage van de subsidiabele kosten.

Artikel 1.9.3

Gedeputeerde staten kunnen een voorschot verstrekken op een subsidie. Het totale voorschot bedraagt niet meer dan 75 procent van de maximale subsidie. De basisregels van de bevoorschotting zijn vastgelegd in het eerste en tweede lid. De looptijd van de activiteit en de liquiditeitsbehoefte van de instelling kunnen aanleiding zijn om een hoger voorschot te verlenen. De liquiditeitsbehoefte wordt bepaald aan de hand van de momenten van verwachte inkomsten en uitgaven.

Artikel 1.9.4

Artikel 4:47 onder a tot en met c van de Awb biedt een aantal mogelijkheden om een subsidie ambtshalve vast te stellen. Dit betekent dat de subsidie door gedeputeerde staten wordt vastgesteld zonder dat er een verzoek van de gesubsidieerde instelling tot vaststelling is. Deze mogelijkheid kan alleen worden gebruikt indien de provinciale regelgeving daarin voorziet. Daarom is in dit artikel ambtshalve vaststelling geregeld. Een ambtshalve vaststelling vindt plaats zodra er door de instelling geen verantwoording van de subsidie wordt ingediend. Voordat gedeputeerde staten overgaan tot een ambtshalve vaststelling wordt een herinneringsbrief (rappel) verstuurd aan de instelling met een laatste verzoek een aanvraag tot vaststelling in te dienen.

Artikel 1.9.5

De verantwoording van een subsidie volgens arrangement 3 bestaat uit prestatiebewijzen en een financiële verantwoording voorzien van een controleverklaring van een accountant. In het tweede lid is bepaald dat de instelling de subsidie kan verantwoorden door de financiële verantwoording onderdeel te laten uitmaken van de jaarrekening. Daarnaast dient de subsidieontvanger gedeputeerde staten toestemming te vragen om gebruik te maken van dit artikel.

Een controleverklaring over de financiële verantwoording van de subsidie wordt gevraagd om het risico op misbruik en oneigenlijk gebruik met subsidies te beperken. De provincie is zich er echter van bewust dat er kosten aan een controleverklaring verbonden zijn en dat een instelling aan hoge eisen moet voldoen om een goedkeurende controleverklaring te ontvangen. In het tweede lid van dit artikel is daarom bepaald dat er kan worden gekozen voor een andere vorm van financiële zekerheid. Dit betreft een financiële verantwoording onderbouwd met facturen en betalingsbewijzen of een beoordelingsverklaring van een accountant.

De provincie maakt daarom de afweging of de kosten voor het krijgen van meer zekerheid opwegen tegen de kosten van het verkrijgen van een controleverklaring. Ook de hoogte van het subsidiebedrag wordt bij deze afweging betrokken. Situaties waarin dit kan voorkomen is een project met slechts kosten van uitbesteding en een beperkt aantal facturen. Een andere situatie is een (vrijwilligers)instelling die veel kosten moet maken om de administratieve organisatie en interne beheersing op orde te krijgen om een controleverklaring te kunnen ontvangen.

Artikel 1.9.7

Een standaard accountantscontrole voor een controleverklaring bij de jaarrekening richt zich niet op voorwaarden en verplichtingen die zijn opgenomen in een subsidiebeschikking en de bijbehorende subsidieregels. In dit Algemeen subsidiebesluit is daarom een controleprotocol voor de accountantscontrole opgenomen.

Dit controleprotocol vermeldt wat de accountant moet controleren opdat voor de provincie Zeeland aannemelijk is dat de subsidie rechtmatig is besteed en de subsidieverplichtingen en regels zijn nageleefd.

De controleverklaring dient te zijn opgesteld conform het model bij dit subsidiebesluit, waarbij de accountant een oordeel geeft over de besteding van de subsidie en de naleving van de overige voorwaarden en regels.

Artikel 1.9.8

Dit artikel regelt dat gedeputeerde staten extra informatie kunnen inwinnen over de gesubsidieerde activiteit. Dit houdt in dat er nadere gegevens over de realisatie en de besteding van de subsidie kunnen worden opgevraagd of dat een ambtenaar van de provincie ter plekke een controle komt verrichten.

Artikel 1.9.9

Subsidies in arrangement 3 worden zowel inhoudelijk als financieel vastgesteld. Bij de subsidievaststelling wordt allereerst gekeken naar de inhoudelijke prestatie met het subsidiebedrag. Dit gaat om de beoordeling van de prestatieafspraken aan de hand van de prestatiebewijzen. Aan de hand daarvan wordt de maximaal te ontvangen subsidie bepaald, alvorens wordt overgegaan op de financiële vaststelling van de subsidie.

Na de beoordeling van de gerealiseerde prestatieafspraken wordt gekeken naar de financiële verantwoording. Hierbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de bij de subsidieverlening subsidiabel geachte kosten en de werkelijke gemaakte subsidiabele kosten. Op basis van de werkelijke subsidiabele kosten en het gesubsidieerde percentage van deze kosten wordt de werkelijke subsidie bepaald.

Bij de subsidievaststelling wordt er ook gekeken naar de opbrengsten in het gesubsidieerde project. Zijn er ten opzichte van de begroting meer opbrengsten gerealiseerd, dan worden deze afgetrokken van de werkelijke subsidiabele kosten. De provincie wil subsidies zo efficiënt mogelijk verstrekken. Dit houdt in dat als een instelling meer opbrengsten realiseert dan vooraf was ingeschat, de activiteit ook was gerealiseerd met een lagere subsidie. Daarom worden de extra opbrengsten afgetrokken van de subsidiabele kosten.

Het kan voorkomen dat als een verplichting niet is nagekomen er een korting wordt toegepast. Deze vindt plaats in een vooraf bekend gemaakt bedrag of een percentage van de verleende subsidie zoals vermeld in de beschikking tot subsidieverlening. Deze korting wordt afgetrokken van het bedrag dat resteert nadat de hierboven genoemde stappen zijn afgerond.

Bovenstaande situaties worden hieronder weergegeven in een voorbeeld van een subsidie voor toeristische activiteiten.

Zie Bijlage 1:

  • -

    De beschikking tot subsidieverlening

  • -

    Situatie 1: Een prestatieafspraak is niet gerealiseerd

  • -

    Situatie 2: De prestatieafspraken zijn gerealiseerd tegen lagere kosten

  • -

    Situatie 3: Er zijn extra opbrengsten ten opzichte van de begroting

  • -

    Situatie 4: Er is niet voldaan aan een verplichting

Het is mogelijk dat zich combinaties van bovenstaande situaties voordoen. Bij de vaststelling wordt dan eerst de maximale subsidie bepaald op basis van de gerealiseerde prestatieafspraken. Achtereenvolgens worden de verantwoorde kosten en opbrengsten en de naleving van de verplichting betrokken bij de vaststelling.

  • -

    Situatie 5: Een combinatie van de voorgaande vier situaties

Artikel 1.9.10

Gedeputeerde staten kunnen op grond van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 beslissen een ander arrangement toe te passen op een subsidie. Dit artikel bepaalt dat gedeputeerde staten alleen arrangement 2 mogen toepassen op subsidies die oorspronkelijk in arrangement 3 vallen. Gedeputeerde staten maken een zorgvuldige risicoafweging bij het toepassen van een lager arrangement op een subsidie.

Artikel 1.10.1

Het komt voor dat instellingen bepaalde activa verwerven met een deel van of de gehele subsidie. De activa moet conform artikel 1.6.3 gedurende 5 jaar na vaststelling van de subsidie nog worden gebruikt voor het doel van de subsidie.

Indien de activa wel binnen de periode van 5 jaar wordt vervreemd kan dit gevolgen hebben voor de vastgestelde subsidie.

Bijzondere hoofdstukken

In hoofdstuk 1 van dit Algemeen subsidiebesluit zijn de algemene regels opgenomen die gelden voor subsidies van de provincie. Er zijn echter een aantal bijzondere vormen van subsidiëren die een aantal aanvullende of afwijkende regels nodig hebben. Daarnaast zijn er een aantal beleidsvelden die vragen om specifieke beleidsafhankelijke criteria ten behoeve van subsidieverstrekking. Deze worden zoveel mogelijk geregeld in aanvullende hoofdstukken van het Algemeen subsidiebesluit. Het vorenstaande houdt in dat artikelen die worden geplaatst in aanvullende hoofdstukken, aanvullend werken op de algemene regels uit hoofdstuk 1, die onverkort voor iedere subsidie gelden, tenzij in de bijzondere regeling anders is bepaald. Met andere woorden: Aanvullingen op de regels gelden boven op de regels in hoofdstuk 1. Afwijkingen ten opzichte van de algemene regels uit hoofdstuk 1 gaan voor.

Toelichting op hoofdstuk 2 integrale kosten subsidies

Algemeen

Voorheen konden instellingen op basis van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2007 een budgetsubsidie ontvangen. Deze subsidie was bedoeld om bepaalde taken van een instelling te subsidiëren, waarbij de subsidie werd gebaseerd op een deel van de jaarlijkse exploitatiekosten van de gesubsidieerde instelling. Hiermee werden niet alleen de direct met de activiteit gepaard gaande kosten gesubsidieerd, maar ook een deel van de indirecte kosten.

Met het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 wordt getracht een sterkere relatie te leggen tussen beleidsinhoudelijk resultaat en de subsidie. De budgetsubsidie heeft daarom plaats gemaakt voor een integrale kosten subsidie. Met een subsidie op basis van integrale kosten wordt namelijk een transparant verband gelegd tussen de directe kosten van de gesubsidieerde activiteit en de indirecte kosten die daarmee samengaan.

Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 2

-

Artikel 2.1.1

Niet iedere instelling komt in aanmerking voor een integrale kosten subsidie. In de subsidienota "resultaat met subsidie", staat beschreven hoe een instelling in aanmerking komt voor een inte-grale kosten subsidie. De uit te voeren activiteiten van de instelling moeten voldoen aan één of meerdere maatstaven. Deze maatstaven zijn:

  • -

    Het uitvoeren van een wettelijke taak: hierbij is de instelling volledig of grotendeels gericht op de uitvoering van een wettelijke taak van de provincie;

  • -

    De instandhouding van een voorziening: de instelling is verantwoordelijk voor de instand-houding van een voorziening die in principe door iedereen gebruikt kan worden en niet tot stand kan komen in een vrije markt;

  • -

    Het zijn van een dragende instelling: de instelling voert een substantiële hoeveelheid be-leidsinhoudelijke/uitvoerende taken uit en er is daarbij sprake van een sterke mate van we-derzijdse afhankelijkheid tussen provincie en de instelling;

  • -

    Het zijn van een uitvoeringsorganisatie: de instelling richt zich relatief gezien voor een groot deel op activiteiten die bijdragen aan provinciale doelstellingen.

Gedeputeerde staten besluiten op grond van bovenstaande maatstaven welke activiteiten van een instelling in aanmerking komen voor een integrale kosten subsidie. Een afweging wordt gemaakt in relatie tot de provinciale beleidsdoelstellingen, zoals bedoeld in artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013. Gedeputeerde staten stellen op basis van de maatstaven een lijst met instellingen vast die in aanmerking komen voor een integrale kosten subsidie. De lijst wordt gepubliceerd in het provinciaal blad. De lijst is niet statisch en wordt ingeval van wijziging geactualiseerd en opnieuw gepubliceerd in het provinciaal blad. Uitgaande van een boekjaar van 1 januari tot en met 31 december is het streven om de lijst ruim vooraf-gaand aan een boekjaar te publiceren. Zodoende is er voldoende tijd voor de instelling om een volledige aanvraag voor een integrale kosten subsidie in te dienen.

Dit staat overigens los van de 'redelijke termijn' die in acht moet worden genomen bij het beëin-digen van een subsidierelatie van drie jaar of langer die een instelling heeft met de provincie. Dergelijke subsidierelaties worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht beschermd tegen het plotseling stopzetten van de subsidie. Indien wordt besloten om een subsidierelatie te beëindigen, dan dient de provincie dit tijdig kenbaar te maken.

Artikel 2.2.1

Bij een integrale kosten subsidie zijn alle kosten van de instelling subsidiabel. De kosten moe-ten wel worden toegerekend aan de te subsidiëren activiteiten. Zowel direct als indirect toe te rekenen kosten worden subsidiabel geacht. Dit wil overigens niet zeggen dat ook alle kosten gedekt zullen worden door de integrale kosten subsidie. Over de hoogte van de subsidie besluiten gedeputeerde staten.

Ook een toevoeging aan een voorziening is subsidiabel, mits direct of indirect toegerekend aan een activiteit. Toevoegingen aan reserves zijn in principe niet subsidiabel. De instelling kan wel een gemotiveerd verzoek indienen om dit toch toe te staan. Gedeputeerde staten beoordelen dan of de toevoeging aan een reserve vanuit hun rol als subsidieverstrekker nodig is. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als de reservevorming nodig is voor het voortbestaan van de instel-ling en daarmee de voortzetting van de gesubsidieerde activiteiten die de organisatie uitvoert.

Artikel 2.2.2

In artikel 1.3.2 is geregeld dat loonkosten subsidiabel zijn tegen een percentage van 1,2 procent van het bruto maandloon. Op de integrale kosten subsidie is deze bepaling niet van toepassing.

Artikel 2.2.3

Een integrale kosten subsidie wordt verleend voor maximaal het boekjaar van de instelling. De provincie kan hierdoor jaarlijks beoordelen welke activiteiten die een instelling in het betreffende jaar uitvoert bijdragen aan provinciaal beleid.

Artikel 2.3.2

Naast de informatie op basis van hoofdstuk 1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 moet additionele informatie worden ingediend om in aanmerking te komen voor een integrale kosten subsidie. Het gaat om een toelichting op de toerekening van de kosten en opbrengsten aan te subsidiëren activiteiten. Het gaat daarbij om zowel de direct als indirect aan de activiteit toe te rekenen kosten. Dit geldt eveneens voor de opbrengsten. Deze moeten namelijk ook realistisch aan de activiteiten worden doorberekend. Verder wordt een gecontroleerde jaarreke-ning gevraagd om inzicht te krijgen in de financiële positie van de instelling. Deze additionele informatie wordt betrokken bij de beoordeling van de subsidieaanvraag.

Artikel 2.3.3

Bij het beoordelen van de aanvraag is er behoefte aan een overzicht van de totale kosten en opbrengsten van de instelling. Op basis van een dergelijke exploitatiebegroting kan de totale subsidiebehoefte worden bepaald.

Op basis van het overzicht van de kosten per te subsidiëren activiteit kan het uiteindelijke sub-sidiebedrag per prestatieafspraak worden bepaald. Daarnaast moeten ook de opbrengsten worden verdeeld over de te subsidiëren activiteiten. Aan de hand hiervan wordt de subsidiebe-hoefte per prestatieafspraak bepaald.

Artikel 2.4.2

Voor een verantwoorde besteding van publieke middelen moet vastgesteld kunnen worden of de subsidie noodzakelijk is om de te subsidiëren activiteit uit te voeren. De beschikking van de instelling over een groot volume aan vrij besteedbare middelen ten opzichte van het gevraagde subsidiebedrag kan er toe leiden dat aan de instelling een lagere subsidie wordt toegekend.

Artikel 2.7.1

Bij een integrale kosten subsidie worden voorschotten betaald. Het totale voorschotbedrag bedraagt maximaal 100 procent van het subsidiebedrag. Het voorschotbedrag wordt in termijnen uitbetaald. In de regel zullen dit maandelijkse termijnen zijn van 1/12de deel van het totale voorschotbedrag.

Artikel 2.8.2

Een integrale kosten subsidie wordt verantwoord door middel van een inhoudelijke en financiële verantwoording. Bij de financiële verantwoording is het nodig dat er zowel een verantwoording is over de werkelijke totale kosten en opbrengsten van de instelling. Evenals een verantwoor-ding over de werkelijke kosten en opbrengsten die zijn toegerekend aan de gesubsidieerde activiteiten. Dit laatste overzicht kan bijvoorbeeld als bijlage worden toegevoegd aan de jaarre-kening van de instelling. Deze dient net als de jaarrekening gecontroleerd te zijn door de ac-countant. Het overzicht dient zodanig te zijn opgesteld dat een vergelijking van de werkelijke kosten met de begrote kosten te maken is. De begroting zal zijn opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening.

Toelichting op hoofdstuk 6 Bijzondere bepalingen voor ver-strekking van subsidie ten behoeve van verwijderen van as-best en plaatsen van zonnepanelen.

Algemeen

In oktober 2012 is een convenant gesloten tussen de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en de gezamenlijke provincies waarin is overeengekomen dat in de periode 2012-2014 door provincies, met rijksmiddelen, een regeling wordt opgesteld en uitgevoerd om het verwijderen van asbestdaken en afvoeren van asbest bij agrarische ondernemers te subsidiëren in die gevallen waar ook zonnepanelen op de nieuwe daken worden geplaatst.

De provincies hebben op grond van dit convenant een inspanningsverplichting om te streven naar een extra sanering van 4 miljoen vierkante meter asbestdak voor 31 december 2014.

§ 6.1 Begripsbepalingen

Conform Aanwijzingen voor de (provinciale)regelgeving/ regelgevingstechniek zijn die begrip-pen gedefinieerd die een van het dagelijks spraakgebruik afwijkende betekenis hebben dan wel geen eenduidige betekenis hebben in het dagelijks spraakgebruik.

Onderdeel e

Het Asbestverwijderingsbesluit bevat specifieke voorschriften voor inventarisatie en verwijdering van asbest, waaronder het vereiste van certificering voor asbestverwijdering en asbestinventarisatie. Het Asbestverwijderingsbesluit valt onder de reikwijdte van de Dienstenwet en is genotificeerd.

§ 6.2 Subsidieverlening

In deze paragraaf, noch elders in de verordening, zijn vereisten opgenomen ten aanzien van de-minimissteun. Deze vereisten uit de betreffende verordening gelden rechtstreeks en vormen rechtstreeks onderdeel van het toetsingskader. In het aanvraagformulier worden derhalve wel gegevens gevraagd om aan deze vereisten te kunnen toetsen:

De belangrijkste criteria daarvan zijn de volgende:

  • -

    het maximum voor de-minimissteun aan een onderneming bedraagt € 7.500 gerekend over de twee voorafgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar;

  • -

    het maximum geldt voor alle overheidssteun die als de-minimissteun kan worden aangemerkt. Het doet echter niet af aan de mogelijkheid voor de begunstigde om andere overheidssteun te ontvangen uit hoofde van door de Europese Commissie goedgekeurde regelingen;

  • -

    het maximum geldt voor alle categorieën steun, in welke vorm en met welk doel dan ook verleend.

Bij de beoordeling van de de-minimissteun wordt in principe van het maximaal verleende steunbedrag uitgegaan. Het moment van de feitelijke uitbetaling is daarbij niet van belang.

Artikel 6.2.3

Eerste lid

De subsidie wordt berekend over het aantal vierkante meters dak dat asbest bevat. Het betreft nadrukkelijk niet het aantal vierkante meters asbest dat gestort wordt. Bij de bepaling van de hoeveelheid vierkante meters asbest van het dak wordt als leidraad genomen het aantal vier-kante meters asbestdak zoals genoemd in het asbestinventarisatierapport.

Tweede lid

Een aanvrager kan slechts een keer subsidie aanvragen in een provincie op grond van deze regeling. Wel kan een aanvrager tegelijk voor meerdere bouwlocaties of bouwblokken subsidie vragen mits hij voor iedere verwijdering van een asbestdak aan de vereisten voldoet.

Niet wordt uitgesloten dat de aanvrager op grond van andere regelingen subsidie ontvangt voor dezelfde subsidiabele activiteit dan wel voor het plaatsen van zonnepanelen. Deze regeling beperkt derhalve niet de toegang tot bijvoorbeeld de regeling Stimulering Duurzame Energie-productie (SDE+) of de fiscale mogelijkheden middels de MIA (Milieu Investeringsaftrek) en Vamil (willekeurige afschrijving milieu-investeringen).

§ 6.3 Weigeringsgronden

De weigeringsgronden van paragraaf 6.3 gelden naast de reeds geldende weigeringsgronden in de Awb en de Asv. De toets aan de weigeringsgronden vindt grotendeels reeds plaats voordat inhoudelijk wordt onderzocht of de aanvraag aan de vereisten genoemd in artikel 6.4 voldoet.

Artikel 6.3.1

Onderdeel a

De bedrijfsomvang wordt bepaald op basis van de totale standaardopbrengst van het bedrijf. De standaardopbrengst wordt vastgesteld middels de gegevens die bij de Landbouwtelling 2012 zijn opgegeven.

Onderdeel b

Het kan voorkomen dat de aanvragende agrarische onderneming zelf geen eigenaar is van een bedrijfsgebouw maar deze gebruikt via een pachtconstructie. In deze situatie kan er subsidie worden aangevraagd door de agrarische onderneming met een instemmingsverklaring van de eigenaar van het bedrijfsgebouw, mits de agrarische onderneming de kosten voor het project draagt.

Onderdeel d

Het gaat om de sanering van het ‘buitenasbest’, oftewel de daken, goten en buitenbeplating van schuren en loodsen. Verwijdering van afdichting met asbesthoudend materiaal van bijvoorbeeld tuinbouwkassen (zoals voegkit) valt buiten de reikwijdte van deze regeling. Het gaat om asbestverwijdering van de buitenkant van het gebouw, maar geen asbest afkomstig van de inrichting van een gebouw.

Met het stellen van een minimumoppervlakte is direct een drempelbedrag ingebouwd voor subsidieverstrekking.

Onderdeel e

Voorafgaand aan de aanvraag dient de aanvrager een asbestinventarisatie te laten verrichten. Het rapport van deze asbestinventarisatie overlegt de aanvrager bij zijn aanvraag.

Onderdeel f

Voor het verwijderen en afvoeren van asbest gelden op grond van het Bouwbesluit 2012 en het Asbestverwijderingsbesluit 2005 diverse procedurevoorschriften waaraan de aanvrager dient te voldoen. Ook voor het plaatsen van zonnepanelen gelden procedurevoorschriften zoals een vergunning voor het plaatsen van zonnepanelen indien het gebouw een monument is.

Om aan te tonen dat de activiteit uitgevoerd gaat worden en aan de vereisten kan worden voldaan, dienen dergelijke vergunningen reeds te zijn aangevraagd en verkregen dan wel meldingen te zijn gedaan voordat een aanvraag om een subsidie wordt ingediend.

§ 6.5 De aanvraag voor de subsidie

-

Artikel 6.5.1

De asbest mag niet reeds verwijderd en afgevoerd zijn voordat de aanvraag om subsidie wordt ingediend. De voorfase waarin offertes worden gevraagd en overeenkomsten ten behoeve van de uitvoering tot stand komen, dient wel doorlopen te zijn voordat subsidie kan worden aangevraagd. Anders kan immers niet worden aangetoond dat aan de subsidievereisten wordt voldaan.

§ 6.6 Subsidieplafond

De verplichtingen uit het convenant dienen uiterlijk op 31 december 2014 gereed te zijn. Omdat het uitvoering van het convenant pas gereed is na controle en rapportage van de verplichtingen, dienen de saneringen eerder te zijn afgerond. In artikel 6.8.3 is dit bepaald op 31 oktober 2014. Om te zorgen dat de ontvanger voldoende tijd heeft om de activiteit te realiseren, is het subsidieplafond en hiermee mogelijk tot het indienen van aanvragen afgebakend tot 1 september 2014.

Het subsidieplafond is in de regeling zelf opgenomen om versnippering van besluitvorming binnen de provincie te voorkomen.

§ 6.7 De beslissing op de aanvraag voor de subsidie

Ten behoeve van de eenvoud van de regeling is gekozen voor een behandeling op volgorde van binnenkomst. Hierdoor kan direct bij ontvangst van volledige aanvragen worden gestart met de behandeling en subsidieverstrekking.

§ 6.8 Verplichtingen

-

Artikel 6.8.2

Onderdeel a

De eis van certificering past binnen de dienstenrichtlijn. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 waarop de certificering is gebaseerd, is genotificeerd.

Onderdeel b

Het plaatsen van zonnepanelen is onderdeel van de toetsing. Dit betekent dat de aanvrager moet kunnen aantonen waar, wanneer en hoe deze worden geplaatst. Hiertoe dient de aanvrager een getekende offerte bij de aanvraag te overleggen.

Deze regeling voorziet niet in het subsidiëren van de aanschaf en plaatsing van zonnepanelen.

Onderdeel c

Net als bij alle elektrische apparaten staat ook het vermogen van zonnepanelen uitgedrukt in Watt. De productie van elektriciteit is niet gelijkmatig doordat de hoeveelheid zonlicht steeds verandert. Daarom is bij zonnepanelen het maximale vermogen onder ideale omstandigheden aangegeven: Watt-piek (Wp). De te plaatsen zonnepanelen dienen ten minste een productiecapaciteit van 15.000Watt-piek te hebben (15 kWp).

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van 11 december 2012

Drs. K.M.H. Peijs, voorzitter

A.W. Smit, secretaris

Uitgegeven 18 december 2012

De secretaris, A.W. Smit

Bijlage Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2014

Algemeen_subsidiebesluit_Zeeland_2013-4.pdf