Instructie voor den Directeur van den Gemeentelijken Geneeskundigen Dienst, voor wat betreft zijn bemoeiing met de quarantaine

Geldend van 22-04-1927 t/m heden

Intitulé

Instructie voor den Directeur van den Gemeentelijken Geneeskundigen Dienst, voor wat betreft zijn bemoeiing met de quarantaine

Geconsolideerde tekst van de regeling

A°. 1927. N°. 51.

GEMEENTEBLAD

VAN

ROTTERDAM.

Instructie voor den Directeur van den Gemeentelijken Geneeskundigen Dienst, voor wat betreft zijn bemoeiing met de quarantaine.

Artikel 1.

De Directeur van den Gemeentelijken Geneeskundigen Dienst draagt zorg, dat alle maatregelen, genoemd in de wetten, Koninklijke besluiten en ministerieele beschikkingen betreffende de quarantaine van uit zee komende schepen, voor zoover deze aan de Gemeente Rotterdam zijn opgedragen, volgens voorschrift worden uitgevoerd en geeft aan den Inspecteur van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid, die het toezicht op de zee-quarantaine uitoefent, zoowel schriftelijk als mondeling, alle door dezen krachtens wettelijke voorschriften gewenschte inlichtingen.

Art. 2.

Zoodra zich een schip in de haven bevindt, behoorende tot de klassen A en B, genoemd in art. 11 van het Koninklijk besluit van 3 januari 1923, Staatsblad No. 34, geeft hij vorenbedoelden Inspecteur daarvan onmiddellijk kennis, doch neemt dadelijk de noodige maatregelen.

Hij handelt op gelijke wijze, wanneer schepen, behoorende tot de klasse C, niet door hem tot het vrije verkeer worden toegelaten.

Art. 3.

Hij zorgt er voor, dat de lijders aan besmettelijke ziekten, aangegeven in bovengenoemd Koninklijk besluit, naar de barakken worden vervoerd.

Art. 4.

Hij zorgt er voor, dat de personen, die met vorenbedoelde lijders in aanraking zijn geweest, zoo noodig, worden afgezonderd in de daarvoor aangewezen gebouwen, hetzij te Rotterdam, hetzij te Poortershaven. De observatie dier personen geschiedt door zijn Dienst.

Art. 5.

Hij treft alle maatregelen, opdat verbreiding der besmetting wordt tegengegaan.

Art. 6.

Mocht de Inspecteur meerdere of andere maatregelen noodig achten, dan worden die door den Directeur uitgevoerd. Ingeval deze zich met de maatregelen, welke de Inspecteur noodig acht, niet vereenigen kan, stelt hij onmiddellijk den Burgemeester hiermede in kennis (zie A sub 5 van het Koninklijk besluit van 8 Mei 1925 No. 18).

Art. 7.

Alle bij hem ingeleverde modellen, bedoeld in het Koninklijk besluit van 3 Januari 1923, Staatsblad No. 34, zendt hij den Inspecteur toe, voorzien van zijne aanteekeningen. Hij draagt zorg dat deze, na terugontvangst, in het archief worden opgeborgen.

Aldus vastgesteld door Burgemeester en Wethouders van Rotterdam in hunne vergadering van 22 April 1927.

De Secretaris, M.SMEDING

De Burgemeester, A. DE JONG, I.B.