Inspraak- en participatieverordening Bernheze 2012

Geldend van 27-09-2012 t/m heden

Intitulé

Inspraak- en participatieverordening Bernheze 2012

De raad van de gemeente Bernheze;

gezien het bijbehorende voorstel van burgemeester en wethouders van 10 juli 2012 ;

gelet op de artikelen 147 en 150 van de Gemeentewet en op de Algemene wet bestuursrecht ;

overwegende dat het gewenst is regels te stellen over de wijze waarop ingezetenen en

belanghebbenden worden betrokken bij beleidsvorming;

besluit:

vast te stellen de volgende verordening:

Inspraak- en participatieverordening Bernheze 2012

de geconsolideerde tekst van de regeling

 

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

De verordening verstaat onder:

a. beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van

beleid;

b. inspraak: het bieden van de formele mogelijkheid aan ingezetenen en belanghebbenden om

hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te maken;

c. inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven;

d. participatie: het in een zo vroeg mogelijk stadium betrekken van doelgroepen (burgers,

instellingen, bedrijven, en dergelijke) bij beleidsvoorbereiding, -vaststelling, - uitvoering of -

evaluatie;

e. randvoorwaarden: aan de participatie ten grondslag liggende feiten, waarop het bestuursorgaan

geen invloed heeft dan wel door het bestuursorgaan aan participatie gestelde kaders.

Artikel 2 Onderwerp van participatie of inspraak
  • 1 Het bestuursorgaan stelt voor elk onderwerp waarop participatie wordt verleend een

    procedure vast. Het bestuursorgaan maakt een gemotiveerde keuze uit de participatiecategorieën:

    informeren, raadpleging, advisering, coproductie, meebeslissen of zelf organiseren.

  • 2  Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.

  • 3 Geen participatie of inspraak wordt verleend:

    a. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;

    b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;

    c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of

    nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    d. inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in

    hoofdstuk XV van de Gemeentewet;

    e. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat participatie of

    inspraak niet kan worden afgewacht;

    f. indien het belang van participatie of inspraak niet opweegt tegen het belang van de

    verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.

    g. indien bij of krachtens wettelijk voorschrift is bepaald dat een besluit wordt voorbereid met

    toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 4  In afwijking van het bepaalde in lid 3, sub g kan het bestuursorgaan besluiten wel participatie

    en/of inspraak te verlenen ter aanvulling van de voorbereiding met toepassing van afdeling 3.4

    van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3 Participatie- of inspraakgerechtigden
  • 1 Inspraak wordt verleend aan belanghebbenden en ingezetenen van de gemeente Bernheze.

  • 2 Bij participatie kunnen in ieder geval belanghebbenden en ingezetenen van de gemeente

    Bernheze worden betrokken.

Hoofdstuk 2 Participatieprocedure

Artikel 4 Participatieprocedure
  • 1 Het bestuursorgaan stelt voor elk onderwerp waarop participatie wordt verleend een

    procedure vast. Het bestuursorgaan maakt een gemotiveerde keuze uit de participatiecategorieën:

    informeren, raadpleging, advisering, coproductie, meebeslissen of zelf organiseren.

  • 2 De participatieprocedure bevat ten minste:

    a. een omschrijving van het onderwerp van participatie, zoals bedoeld in artikel 2;

    b. een aanduiding van de kring van belanghebbenden, zoals bedoeld in artikel 3;

    c. de vermelding van de ambtelijke en bestuurlijke portefeuillehouder van de participatie.

    d. de rol van raad en college

  • 3 In aanvulling op het tweede lid bevat deze procedure voor zover mogelijk:

    a. de randvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e;

    b. de wijze van vormgeving van het participatieproces;

    c. een tijdpad met termijnstelling;

    d. een communicatieparagraaf;

    e. een financiële paragraaf.

  • 4 De in het tweede en derde lid genoemde onderdelen worden opgenomen in communicatieen

    burgerparticipatieparagraaf als onderdeel van het plan van aanpak/startnotitie van het

    desbetreffende project.

  • 5 Het bestuursorgaan kan de procedure wijzigen in die gevallen waarin de vaststelling van het beleidsvoornemen zulks vereist. Het bestuursorgaan geeft hiervan overeenkomstig het gestelde in artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht schriftelijk kennis.

Artikel 5 Voorbereiding participatie
  • 1 Het bestuursorgaan informeert voorafgaand aan de participatie belanghebbenden hierover.

  • 2 Het bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de kring van belanghebbenden voldoende tijd en

    informatie krijgt voor een goede voorbereiding.

Artikel 6 Verslaglegging participatie
  • 1 Het bestuursorgaan draagt zorg voor verslaglegging van de in het kader van participatie

    gehouden bijeenkomsten.

  • 2 Deze verslagen worden aan alle deelnemers bij de in het eerste lid bedoelde bijeenkomsten

    beschikbaar gesteld.

  • 3 Een weergave van het resultaat van participatie maakt deel uit van het voorstel dat ter

    besluitvorming aan het bestuursorgaan wordt aangeboden.

Hoofdstuk 3 Inspraakprocedure

Artikel 7 Inspraakprocedure
  • 1 Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van

    toepassing.

  • 2 Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure

    vaststellen.

Artikel 8 Verslaglegging inspraak
  • 1 Ter afronding van de inspraak stelt het bestuursorgaan een eindverslag op.

  • 2  Het eindverslag bevat in elk geval:

    a. een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;

    b. een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren

    zijn gebracht;

    c. een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke

    punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan.

  • 3 Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 9 Inwerkingtreding en intrekking
  • 1 Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is bekend gemaakt.

  • 2 De Inspraakverordening gemeente Bernheze 2006 wordt per gelijke datum ingetrokken.

Artikel 10 Overgangsbepaling

Tot de dag van inwerkingtreding is deze verordening niet van toepassing op beleidsvoornemens

en bestuursbesluiten, waarvan de voorbereiding al was aangevangen voor het tijdstip van

inwerkingtreding van deze verordening, met dien verstande dat de Inspraakverordening

gemeente Bernheze 2006 voor zover daarop reeds van toepassing, daarop van toepassing blijft.

Artikel 11 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als Inspraak- en participatieverordening Bernheze 2012.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Bernheze in zijn openbare vergadering van 20
september 2012.
DE RAAD VOORNOEMD,
de griffier,                                                     de voorzitter,
J.H.M. van den Oever                                 dr. A.J.W. Boelhouwer

Toelichting 1 Artikelsgewijze toelichting Inspraak- en participatieverorening Bernheze 2012

Hoofdstuk 1. Algemeen

Aangesloten is bij de modelinspraakverordening van de VNG. Daarnaast krijgt participatie een

formele plaats binnen de beleidsvorming.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Inspraak en participatie:

Er zijn veel omschrijvingen mogelijk voor de wijze waarop belanghebbenden betrokken kunnen

worden bij de totstandkoming van beleid: informatie, communicatie, inspraak, interactieve

beleidsvorming etc. Omwille van eenduidigheid is gekozen voor de termen inspraak en

participatie.

a. Inspraak

Bij de in dit artikel opgenomen formulering van het begrip inspraak is aangesloten bij de tekst

van artikel 150 van de Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en

uitvoering van het beleid van de gemeente en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan

belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens kenbaar te

maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk hulpmiddel in het kader

van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke belangenafweging. Inspraak is

overeenkomstig artikel 150 van de Gemeentewet “eenzijdig” gedefinieerd, dat wil zeggen dat

geen gedachtewisseling met het bestuursorgaan is inbegrepen. De toevoeging ‘formele’ in de

omschrijving is opgenomen om de inspraak als bedoeld in de verordening te onderscheiden van

meer informele, niet geformaliseerde, reacties op beleidsvoorbereiding zoals ingezonden brieven.

b. Participatie

De formulering van het begrip participatie sluit aan bij de ‘Visie op burgerparticipatie gemeente

Bernheze’. Met deze nota heeft de gemeente het participatiebeleid vastgesteld, dat beoogt een

aanvulling te geven op de inspraak. De participant krijgt in een eerder stadium dan bij inspraak

de gelegenheid invloed uit te oefenen op de beleidsontwikkeling van de gemeente.

c. Inspraakprocedure

De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling over inspraak ligt ingevolge artikel

150 van de Gemeentewet bij de raad. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afdeling 3.4

van toepassing verklaard op de inspraak bij provincies en gemeenten. In artikel 7, eerste lid van

deze verordening is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaard op de inspraak. Artikel 7,

tweede lid van deze verordening geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te

volgen. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere regeling en

organisatie van de inspraak.

d. Beleidsvoornemen

Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het voornemen van het bestuursorgaan tot het

vaststellen of wijzigen van beleid. Het zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling

van concrete besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen

worden gebaseerd. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1, eerste lid van de

Awb. Het omvat in elk geval gemeenteraad, college van burgemeester en wethouders en de

burgermeester.

e. Randvoorwaarden:

Dit begrip is bedoeld om de ruimte voor inspraak of participatie af te bakenen, om bijvoorbeeld

te voorkomen dat deze zich richt op onderdelen waarover het bestuursorgaan geen beslissingsbevoegdheid heeft of waarover het bestuursorgaan reeds heeft besloten. De Visie op

brugerparticipatie Bernheze geeft door middel van een afwegingskader van de randvoorwaarden

binnen het te ontwikkelen beleid en de organisatie richting aan de mate van openheid en

interactie in het beleidsproces.

Artikel 2 Onderwerp van participatie of inspraak.

In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden

besluit of participatie of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van beleid van de gemeente.

Elk bestuursorgaan kan zijn eigen beleidsvoornemens aan participatie of inspraak

onderwerpen. In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer 1999-2000, 27 023, nummer 3,

bladzijde 20) is vermeld dat het ter volledige beoordeling van de gemeenteraad blijft ten aanzien

van welke beleidsvoornemens inspraak wordt verleend. Omdat het in bepaalde gevallen

doelmatiger zal kunnen zijn als inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij

raadsvergaderingen, blijft door de formulering van het eerste lid de mogelijkheid bestaan dat voor

bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van inspraak wordt geregeld. Het besluit om al

dan niet inspraak te verlenen, is een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen kan dus bezwaar

worden ingediend. Bij wettelijk voorschrift is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een wettelijk voorschrift

daartoe verplicht. Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan nu bijvoorbeeld

bij:

a. de voorbereiding van een ontwikkelingsprogramma stedelijke vernieuwing (artikel 7 van de

Wet stedelijke vernieuwing);

b. de voorbereiding van het gemeentelijk milieubeleidsplan (artikel 4.17, derde lid van de Wet

Milieubeheer (WM));

c. de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een afvalstoffenverordening die afwijkt

van artikel 10.21 van de WM (artikel 10.26, tweede lid van de WM);

d. de plannen en beleidsverslagen gericht op de realisatie en de vormgeving van

cliëntenparticipatie bij de uitvoering van de Wet Werk en Bijstand, de Wet

inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (artikel

42) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze

inwoner ;besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing als bedoeld in artikel 12,

tweede lid, onder a. en b. van de Woningwet (artikel 12, vierde lid).

In het derde lid is opgenomen wanneer geen participatie of inspraak wordt verleend.

In het vierde lid is bepaald dat van de hoofdregel van het derde lid, sub g, kan worden

afgeweken. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het verlenen van extra participatie

en/of inspraak bij bepaalde grootschalige en/of ingrijpende nieuwe planologische

ontwikkelingen.

Artikel 3. Participatie- of inspraakgerechtigden

De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst van artikel 150

van de Gemeentewet. In de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb zijn de

woorden “in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen” vervangen door

“belanghebbenden”. Het begrip “belanghebbende” is in artikel 1:2 van de Awb gedefinieerd en

deze definitie heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb. De kring van personen die bij

participatie kan worden betrokken is ruimer gesteld. De kring van betrokken zal onder meer

afhankelijk zijn van het gekozen participatieniveau. Dit artikel legt de verantwoordelijkheid voor

de keuze van de bij participatie of inspraak te betrekken personen neer bij het bestuursorgaan: de

gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester, afhankelijk van

de bevoegdheid over het betreffende onderwerp. Vanwege het open karakter van dit artikel vraagt dit in concrete gevallen om een bewuste afweging, rekening houdend met onder andere aard, schaal en reikwijdte van het onderwerp.

Hoofdstuk 2. Participatieprocedure

Artikel 4. Participatieprocedure.

Ondanks het open en flexibele karakter van participatie dient omwille van de duidelijkheid

hiervoor ook een procedure te worden opgesteld. Deze dient in ieder geval object, belanghebbenden

en bestuurlijke vraag aan te geven en voor zover in de fase van gedachtevorming al mogelijk

is de overige elementen, zoals bedoeld in het derde lid. Naarmate er aan meer randvoorwaarden

voor participatie is voldaan ontstaat er meer ruimte voor participatie van buitenaf. In de

Visie op burgerparticipatie Bernheze zijn zes niveaus voor participatie omschreven op basis

waarvan het mogelijk is een (of meer) standaardprocedure(s) te ontwikkelen die wanneer nodig

kan (kunnen) worden ingezet:

1. Informeren

De gemeente informeert en de inwoners ontvangen informatie

2. Raadplegen

Er is ruimte voor om meningen en opvattingen te laten horen

3.Adviseren

Er is gelegenheid om oplossingen aan te dragen. De mening van de participanten speelt een grote

rol bij de ontwikkeling van beleid en projecten

4. Coproduceren

Alle betrokkenen hebben samen de touwtjes in handen. De partijen zoeken samen met de

gemeente naar oplossingen.

5. Meebeslissen

De gemeente laat (deel)belissingen over aan de inwoners. De inwoners zijn

medeverantwoordelijk voor beslissingen.

6. Zelf organiseren

De inwoners organiseren en voeren zelf projecten uit. De gemeente ondersteunt en faciliteert.

 

Artikel 5. Voorbereiding participatie.

In dit artikel zijn enkele richtlijnen ten aanzien van de voorbereiding opgenomen. Voor

participatie is geen minimale voorbereidingstijd opgenomen, teneinde de flexibiliteit van

participatie niet te beperken. Afhankelijk van het onderwerp dient in concrete gevallen bepaald

te worden wat voldoende voorbereidingstijd is.

Artikel 6. Verslaglegging van participatie.

De verslaglegging van de resultaten van het participatieproces is uitermate belangrijk. Van de te

houden bijeenkomsten zal, indien mogelijk, een verslag gemaakt moeten worden. De

verslaglegging is afhankelijk van het gekozen traject: zo zal de uitkomst van een workshop vaak

niet in een schriftelijk verslag vast te leggen zijn. Daarnaast kan het eindverslag algemeen worden

gepubliceerd in de krant en op de gemeentelijke website. Het is aan te bevelen om tijdens het proces al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen. In het uiteindelijke voorstel aan

de gemeenteraad zal de inbreng van het participatieproces een duidelijke plek moeten krijgen.

 

Hoofdstuk 3. Inspraakprocedure

Artikel 7. Inspraakprocedure

In het eerste lid is afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaard op de inspraak. In artikelen

3:11 tot en met 3:17 van de Awb is de inspraakprocedure te vinden. Na terinzagelegging en

bekendmaking van het beleidsvoornemen kunnen belanghebbenden gedurende zes weken

schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. In de meeste gevallen zal deze

procedure passend zijn voor de inspraak. Zo niet, dan kan op grond van het tweede lid de

inspraakprocedure worden aangepast. Het is mogelijk een (of meer) standaardprocedure(s) te

ontwikkelen die wanneer nodig kan (kunnen) worden ingezet. Het kan zijn dat bijvoorbeeld de

genoemde termijn van zes weken door het bestuursorgaan te lang of te kort wordt bevonden.

Deze termijn kan bij besluit van het bestuursorgaan op grond van het tweede lid aangepast

worden. Op de bekendmaking van dit besluit wordt artikel 3.42 van de Awb van toepassing

verklaard, indien het besluit niet tot één of meerdere belanghebbenden is gericht. Ook kan de

inspraakprocedure worden aangepast als dat nodig is gelet op de een vakantieperiode.

Artikel 8. Verslaglegging inspraak.

In dit geval is niet gekozen voor verwijzing naar afdeling 3.4 van de Awb, waarin slechts wordt

bepaald dat een verslag wordt gemaakt van hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar

voren is gebracht. Onder het in het tweede lid, onderdeel a., genoemde verslag van de gevolgde

inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is afdeling 3.4 van de

Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage gelegd enz.? Onderdeel

b. betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te bevatten van zowel de

mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het

verslag worden gehecht. In het verslag kan worden volstaan met een korte zakelijke weergave

van de naar voren gebrachte opvattingen en vermelding van de personen die hun opvatting naar

voren hebben gebracht. Onder c. wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het

bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan. In het derde lid is bepaald dat het

bestuursorgaan het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar maakt. Bekendmaking van de

resultaten van de inspraak is uitermate belangrijk. Het ligt voor de hand om degenen die hebben

ingesproken een exemplaar van het eindverslag te sturen. Als het aantal insprekers omvangrijk is,

kan worden gekozen voor het volstaan met een algemene bekendmaking. Het is aan te bevelen

om tijdens de inspraakavond al duidelijkheid omtrent de communicatie te verschaffen.

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 9. Inwerkingtreding

Geen nadere toelichting.

Artikel 10. Intrekking oude verordening

Met deze bepaling wordt de bestaande inspraakverordening ingetrokken. De datum waarop de

oude verordening vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt.

Artikel 11. Overgangsbepaling

Geen nadere toelichting.

Artikel 12. Citeertitel

Geen nadere toelichting