Uitvoeringsregeling subsidie BDU Kleine Infrastructuur Noord-Holland 2012.

Geldend van 17-07-2013 t/m 11-07-2014

Intitulé

Uitvoeringsregeling subsidie BDU Kleine Infrastructuur Noord-Holland 2012.

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland;

besluiten vast te stellen:

Uitvoeringsregeling subsidie BDU Kleine Infrastructuur Noord-Holland 2012.

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    fietsinfrastructuur: de fundering en de verhardingen van fietspaden met de daarbij behorende kunstwerken, zoals bruggen, duikers, viaducten, aquaducten en tunnels;

  • b.

    fietsparkeervoorzieningen: openbaar toegankelijke fietsenstallingen, fietskluizen, fietsenrekken, fietsstandaards en de daarbij behorende ICT- voorzieningen;

  • c.

    businfrastructuur: de fundering en de verhardingen van busbanen met de daarbij behorende kunstwerken, zoals bruggen, duikers, viaducten, aquaducten en tunnels;

  • d.

    bushaltevoorzieningen: reizigersvoorzieningen zoals abri’s, afvalbakken, (elektronische) reisinformatiesystemen, zitgelegenheden en andere toebehoren;

  • e.

    bushalte-infrastructuur: het perron, het toegangspad, de haltehaven en de hierbij behorende verhardingen en funderingen behorende bij een bushalte;

  • f.

    verkeersregelinstallaties: verkeerslichten met de daarbij behorende techniek;

  • g.

    voetpadinfrastructuur: de fundering en verharding van voetpaden met de daarbij behorende kunstwerken, zoals bruggen, duikers, viaducten, aquaducten en tunnels;

  • h.

    parkeervoorzieningen: parkeergelegenheden voor personenauto’s op publiek terrein;

  • i.

    weginfrastructuur: de fundering en verharding van de rijbanen voor het autoverkeer en bijbehorende kunstwerken, zoals bruggen, duikers, viaducten, aquaducten;

  • j.

    omrijkosten: extra kosten die de vervoerder moet maken, omdat hij moet omrijden vanwege een project in uitvoering of omdat hij vertraging ondervindt op de route;

  • k.

    openbare voorzieningen: voor iedereen toegankelijke instellingen;

  • l.

    project: geheel van activiteiten die samenhangen met een infrastructureel project.

Artikel 2

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van projecten in de provincie Noord-Holland, maar buiten de Stadsregio Amsterdam, waarvan de kosten maximaal € 3.000.000,- per project bedragen. De activiteiten omvatten de aanleg, plaatsing of uitbreiding van:

    • a.

      fietsinfrastructuur;

    • b.

      fietsparkeervoorzieningen;

    • c.

      businfrastructuur;

    • d.

      bushaltevoorzieningen

    • e.

      bushalte-infrastructuur;

    • f.

      verkeersregelinstallaties;

    • g.

      parkeervoorzieningen;

    • h.

      voetpadinfrastructuur;

    • i.

      weginfrastructuur

    • j.

      bewegwijzering en openbare verlichting.

  • 2. De projecten dienen de verkeersveiligheid, de bereikbaarheid of de leefbaarheid van de omgeving ten goede te komen.

Artikel 3

Subsidie wordt verstrekt aan publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de rijksoverheid.

Artikel 4

Gedeputeerde staten verstrekken geen subsidies van minder dan € 5.000, -.

Artikel 5

Bij subsidies van minder dan € 10.000, - gaat geen subsidieverlening aan de subsidievaststelling vooraf.

Artikel 6

Een aanvraag om subsidie bevat in elk geval:

  • a.

    een begroting van de kosten van het project;

  • b.

    een financieringsplan van de kosten van het project;

  • c.

    een inhoudelijke beschrijving van het project, waarin de huidige en de nieuwe situatie is omschreven;

  • d.

    een situatieschets en schetsontwerp van het project;

  • e.

    een uitvoeringsplanning.

Artikel 7

Gedeputeerde staten stellen per regio een subsidieplafond vast.

Artikel 8

  • 1. Een aanvraag om subsidie is tijdig ingediend indien de aanvraag uiterlijk op 24 augustus 2012 is ontvangen.

  • 2. Een aanvraag om subsidie die na 24 augustus 2012 wordt ontvangen, wordt niet in behandeling genomen.

  • 3. Gedeputeerde staten beslissen uiterlijk op 31 mei 2013 op de aanvragen.

Artikel 9

Subsidie wordt in elk geval geweigerd aan projecten die:

  • a.

    voor dezelfde activiteiten op grond van een andere provinciale uitvoeringsregeling al subsidie hebben gekregen;

  • b.

    op het moment van ontvangst van de aanvraag al zijn aanbesteed;

  • c.

    uitsluitend dienen ter ontsluiting van woonwijken, bedrijventerreinen of openbare voorzieningen;

  • d.

    uitsluitend dienen voor recreatieve doeleinden, comfort of verfraaiing;

  • e.

    uitsluitend dienen voor de aanleg van noodvoorzieningen;

  • f.

    worden uitgevoerd door de provincie Noord-Holland, waaraan de subsidieaanvrager een financiële bijdrage dient te leveren.

Artikel 10

  • 1. Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      aanleg, plaatsing of uitbreiding van de voorzieningen of infrastructuur als genoemd onder artikel 2, lid 1, van deze regeling;

    • b.

      omrijkosten.

  • 2. Subsidie wordt niet verstrekt voor de kosten van:

    • a.

      vervanging, beheer of onderhoud;

    • b.

      grondverwerving;

    • c.

      voorbereiding, administratie en toezicht.

Artikel 11

De subsidie bedraagt:

  • a.

    50 % van de subsidiabele kosten voor de aanleg, plaatsing of uitbreiding van fietsinfrastructuur, fietsparkeervoorzieningen, verkeersregelinstallaties, parkeervoorzieningen, voetpadinfrastructuur, weginfrastructuur, bewegwijzering en openbare verlichting;

  • b.

    50 % van de omrijkosten met een maximum van € 500.000, -;

  • c.

    100 % van de subsidiabele kosten voor de aanleg, plaatsing of uitbreiding van businfrastructuur, bushaltevoorzieningen en bushalte-infrastructuur.

Artikel 12

  • 1. Indien het subsidieplafond wordt bereikt worden de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt op een prioriteitenlijst per regio.

  • 2. De rangschikking wordt bepaald aan de hand van de criteria en bijbehorende gewichten zoals vermeld in de bijlage van deze uitvoeringsregeling.

  • 3. De aanvragen worden gehonoreerd naar de volgorde op de prioriteitenlijsten.

  • 4. De aanvragen die door het bereiken van het subsidieplafond niet kunnen worden gehonoreerd, worden geplaatst op een reservelijst per regio.

  • 5. Aanvragen die op de reservelijsten staan vermeld, worden bij voldoende vrijval van middelen naar de volgorde op deze lijsten alsnog gehonoreerd.

  • 6. Indien een aanvraag 2 of minder punten scoort op het criterium ’Doorstroom’ of het criterium ‘Subjectieve onveiligheid’, als bedoeld in de bijlage van deze regeling, wordt deze aanvraag niet op de prioriteitenlijst geplaatst en wordt de subsidie alsnog geweigerd.

  • 7. Indien een aanvraag 3 of 4 punten scoort op zowel het criterium ‘Doorstroom’ als het criterium ‘Subjectieve onveiligheid’, als bedoeld in de bijlage van deze regeling, wordt deze aanvraag niet op de prioriteitenlijst geplaatst en wordt de subsidie alsnog geweigerd.

Artikel 13

De subsidieontvanger is verplicht om:

  • a.

    het project voor 1 november 2013 aan te besteden;

  • b.

    voor 1 augustus 2014 te beginnen met de uitvoering van het project;

  • c.

    indien een op de reservelijst geplaatst project alsnog wordt gehonoreerd, het project voor 1 april 2014 aan te besteden;

  • d.

    indien een op de reservelijst geplaatst project alsnog wordt gehonoreerd, voor 1 januari 2015 te beginnen met de uitvoering van het project;

  • e.

    het project gedurende 10 jaar in stand te houden.

Artikel 14

De subsidieontvanger is verplicht om:

  • a.

    binnen 3 weken na aanbesteding van het project hiervan schriftelijk melding te maken bij gedeputeerde staten;

  • b.

    binnen 3 weken na start van de uitvoering van het project hiervan schriftelijk melding te maken bij gedeputeerde staten;

  • c.

    bij verkoop of teniet doen binnen 10 jaar van het gesubsidieerde project, hiervan per ommegaande melding te maken bij gedeputeerde staten.

Artikel 15

Bij verkoop of teniet doen van het project binnen de instandhoudingtermijn van 10 jaar, dient de subsidieontvanger 10 % van de verleende subsidie, vermenigvuldigd met het aantal resterende jaren van deze termijn, terug te betalen aan gedeputeerde staten.

Artikel 16

  • 1. Indien SISA van toepassing is, wordt de aanvraag tot vaststelling van de subsidie, conform artikel 17a van de financiële verhoudingswet, uiterlijk 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarin het project is voltooid, ingediend.

  • 2. Gedeputeerde staten beslissen voor het einde van het jaar waarin zij de laatste SISA -bijlage hebben ontvangen.

  • 3. Indien de subsidieontvanger een waterschap is, wordt de aanvraag tot vaststelling binnen 13 weken na voltooiing van de activiteiten ingediend.

  • 4. Gedeputeerde staten beslissen binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag als bedoeld in lid 3 tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 17

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad, waarin zij is geplaatst.

  • 2.

    Deze regeling vervalt op 1 januari 2014.

  • 3.

    Deze regeling wordt aangehaald als Uitvoeringsregeling subsidie BDU kleine infrastructuur Noord-Holland 2012.

Ondertekening

Haarlem, 12 juni 2012
Gedeputeerde Staten van Noord-Holland
J.W. Remkes, voorzitter.
G.E.A. van Craaikamp, provinciesecretaris.

Bijlage

Beoordelingsmethodiek behorende bij Uitvoeringsregeling subsidie BDU Kleine Infrastructuur Noord-Holland 2013

De beoordelingsmethodiek voorziet in een tweetal stappen:

  • 1.

    Projecten toedelen aan het primaire beleidsthema;

  • 2.

    Scoren (rangorde bepalen) van projecten per beleidsthema door ze te scoren op criteria voor het primaire beleidsthema, maar ook de andere criteria;

    Selectie beleidsthema’s

    Gekozen is voor de thema’s veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid.

    De te hanteren criteria in het prioriteringsmodel

    Hierboven zijn de thema’s aangegeven. De effecten van projecten moeten worden beoordeeld aan de hand van criteria in het prioriteringsmodel. Hieronder geven we de definities van de criteria weer.

    Criteria bij het thema leefbaarheid

    Onder leefbaarheid verstaan we ‘geschikt om erin of ermee te leven’. In dit geval (de uitvoering van infrastructuurprojecten) gaat het vaak om de mate waarin de omgeving (bijvoorbeeld een dorp of stad) leefbaar is of leefbaarder wordt. Aspecten die dit beïnvloeden zijn:

    • §

      Geluidshinder: overlast die men ondervindt van storend geluid (bijvoorbeeld door vliegtuigen of verkeer). De uitvoering van een infrastructuurproject in het kader van leefbaarheid zorgt ervoor dat de geluidsoverlast afneemt.

    • §

      Stankoverlast: overlast die men ondervindt van storende geuren (bijvoorbeeld door het verkeer) en de emissie van verontreinigende stoffen (bijvoorbeeld CO2, NOx etc.). De uitvoering van een infrastructuurproject zorgt ervoor dat de stankoverlast en emissie afneemt.

    • §

      Aantasting landschap: de aanleg, het onderhoud en het gebruik van de infrastructuur zorgen voor aantasting van het landschap. Bij de aanleg van nieuwe infrastructuur kan de aantasting van landschap worden voorkomen (door bijvoorbeeld ondergronds bouwen) en bij bestaande infrastructuur kan de aantasting van het landschap mogelijk worden teruggedrongen;

    • §

      Modal shift: het verplaatsen van goederen of personen van wegvervoer naar andere – minder vervuilende – vormen van vervoer. Door de uitvoering van een infrastructuurproject (bijvoorbeeld een OV-verbetering) kan de modal shift worden beïnvloed en dus de leefbaarheid toenemen.

    Criteria bij het thema bereikbaarheid

    Onder bereikbaarheid verstaan we in het prioriteringsmodel ‘de actieradius’. Dit is de afstand die in een bepaalde tijdsperiode kan worden afgelegd.

    • §

      Doorstroom: de mate waarin het verkeer druk is maar toch vlot verloopt. Door de uitvoering van een infrastructuurproject kan de doorstroming op een bepaald traject verbeteren en kunnen er reistijdwinsten worden geboekt.

    • §

      Ontsluiting bedrijventerrein: de mate waarin een bedrijventerrein toegankelijk is (voor bestemmingsverkeer). Door de uitvoering van een infrastructuurproject kan de ontsluiting van een bedrijventerrein verbeteren en is het mogelijk om sneller op de plaats van bestemming te komen.

    • §

      Ontsluiting woonkern: de mate waarin een woonkern toegankelijk is voor de bewoners. Door de uitvoering van een infrastructuurproject kan de ontsluiting van een woonkern verbeteren (ook te meten in reistijdwinst of mogelijk kortere route).

    • §

      Regionale effectiviteit: de mate waarin een project bijdraagt aan de bereikbaarheid van de regio en belangrijke bestemming in de regio (b.v. intensief gebruik van recreatiegebieden of schoolcomplexen).

    Criteria bij het thema veiligheid

    Onder veiligheid verstaan we in het prioriteringsmodel ‘de mate waarin het verkeer in een veilige staat (zonder doden, gewonden, etc) kan plaatsvinden’.

    • §

      Verkeersongevallen: het project draagt bij aan een reductie (of minder sterke stijging of gelijkblijvend) van het aantal en/of de zwaarte van verkeersongevallen.

    • §

      Subjectieve onveiligheid: de mate waarin het project bijdraagt aan het wegnemen van het onveilige gevoel dat de weggebruiker ervaart in een verkeerssituatie.

    • §

      Schoolroute: het project draagt bij aan het tot stand brengen van verkeersveilige fietsroutes van en naar scholen.

      Stap 1: Projecten toedelen aan de beleidsthema’s

      De eerste stap in de methodiek is het toedelen van projecten aan de primaire beleidsthema’s. Voor de verdeling is het belangrijk dat er voor projecten op een eenduidige manier informatie wordt aangeleverd. Hiervoor zal een aanvraagformulier worden opgesteld. Dit geldt voor projecten van de provincie zelf als van aanvragen van gemeenten. De provincie ontvangt van de verschillende projecten gegevens. Deze gegevens moeten consistent en vergelijkbaar zijn. Ze worden ingevoerd in het tabblad projectgegevens onder het betreffende thema.

      Figuur 3.1 De ‘projectgegevens’

    • Stap 2: gewichten toekennen aan criteria en scoren (rangorde) projecten

      Het prioriteren van projecten start met het toewijzen van de gewichten.

      Figuur 3.2 De ‘gewichten’ van de criteria in de verschillende thema’s

      Prioriteitenlijsten

      Met behulp van de gewichten en aan de hand van de projectgegevens worden nu de projecten geprioriteerd. Per thema wordt elk project gescoord op de aspecten leefbaarheid, veiligheid en bereikbaarheid. Per criterium kunnen de waardes 1-10 worden toegekend waarbij geldt dat hoe hoger de score hoe beter dat is voor het betreffende criterium. Een ‘10’ op het criterium ‘geluid’ betekent dat de geluidsoverlast maximaal wordt teruggedrongen door dat project. Zie figuur 3.3 voor het model. Nadat alle projecten zijn 'gescoord', berekent het model de rangorde van de projecten.

      Figuur 3.3 De ‘scores’ per criteria in de verschillende thema’s