Verordening op de heffing en de invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidieverlening voor de BI-zone Centrum Barendrecht in Barendrecht over de jaren 2012-2014 (Verordening BI-zone Centrum Barendrecht 2012-2014)

Geldend van 21-09-2012 t/m 30-12-2014

Intitulé

Verordening op de heffing en de invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidieverlening voor de BI-zone Centrum Barendrecht in Barendrecht over de jaren 2012-2014 (Verordening BI-zone Centrum Barendrecht 2012-2014)

De raad van de gemeente Barendrecht;

Gelezen het voorstel van 22 november 2011, verseonnr. 306413,

gelet op: artikel 1, eerste lid en artikel 7, vierde lid, van de Experimentenwet Bedrijven Investeringszones (BI-zones) en artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet; en gelet op de tussen de gemeente Barendrecht en de Stichting BIZ Centrum Barendrecht (hierna: de stichting) gesloten Uitvoeringsovereenkomst (verseonnr 307014) 2012-2014;

gezien het advies van de commissie ruimte van 6 december 2011;

besluit:

vast te stellen de navolgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidieverlening voor de BI-zone Centrum Barendrecht in Barendrecht over de jaren 2012-2014 (Verordening BI-zone Centrum Barendrecht 2012-2014)

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • 1.

    BI-zone: het bij deze verordening aangewezen gebied in de gemeente Barendrecht waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven. De BI-zone is het gebied van het winkelcentrum van Barendrecht, te weten alle ondernemers binnen het centrum gevestigd op het Achterom, de Middenbaan, het Onderlangs, ’t Vlak en delen van de Binnenenlandse Baan, Lindehoevelaan en Windsingel. Het aangewezen gebied is vermeld op de bij deze verordening behorende en daarvan deeluitmakende kaart (bijlage 1).

  • 2.

    De wet: de Experimentenwet BI-zones;

  • 3.

    Het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente;

  • 4.

    Uitvoeringsovereenkomst: een tussen de gemeente Barendrecht en de stichting gesloten Uitvoeringsovereenkomst voor de periode 2012-2014.

Artikel 2 Aanwijzing stichting

De stichting wordt aangewezen als stichting als bedoeld in artikel 7 van de Experimentenwet Bedrijven Investeringszone.

Hoofdstuk II Belastingbepalingen

Artikel 3 Aard van de belasting

Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid, de veiligheid, de ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone.

Artikel 4 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1. De belasting wordt gedurende een periode van 3 jaren jaarlijks geheven ter zake van

    binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning

    dienen. Een concreet overzicht van de objecten ter zake waarvan de BIZ-bijdrage

    geheven zal worden, is opgenomen in de bijlage “Belastingobjecten voor de BIZ-

    bijdrage” (bijlage 2). In bijlage 2 staan de objecten vermeld zoals deze zijn

    opgenomen in de WOZ-administratie (qua objectcode en objectomschrijving).

  • 2. De belasting wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de

    BI-zone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt

    recht of persoonlijk recht, gebruiken.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt:

    • a.

      gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is

      gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft

      gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de

      belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is

      gegeven;

    • b.

      het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik

      aangemerkt als gebruik door degene die onroerende zaak ter beschikking

      heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is

      bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter

      beschikking is gesteld.

  • 4. Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar niet in gebruik is,

    wordt de BIZ-bijdrage geheven van degene die van die zaak het genot krachtens

    eigendom, bezit of beperkt recht heeft. Voor de toepassing van de vorige volzin

    wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt

    degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie

    kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende

    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 5 Belastingobject

  • 1. Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient wordt aangemerkt deonroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken,die niet in hoofdzaak tot woning dient en die niet is genoemd in artikel 220d, eerste lid, van de Gemeentewet.

  • 2. Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 6 Maatstaf van heffing

De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per onroerende zaak.

Artikel 7 Vrijstellingen

  • 1. In afwijking in zoverre van artikel 6 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:

    • a.

      ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;

    • b.

      glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;

    • c.

      onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard;

    • d.

      één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;

    • e.

      natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;

    • f.

      openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

    • g.

      waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen;

    • h.

      werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen;

    • i.

      werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;

    • j.

      werken die zijn bestemd voor de elektriciteitsvoorziening (trafo’s) en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen

    • k.

      straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen.

  • 2. In afwijking in zoverre van artikel 6 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten

    aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot

    woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 8 Belastingtarief

De BIZ-bijdrage bedraagt per onroerende zaak € 700,-- per kalenderjaar.

Artikel 9 Wijze van heffing

De BIZ-bijdrage wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 wordt de aanslag betaald in een termijn die vervalt op de dag die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

Artikel 11 Nadere regels door het college

Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de BIZ-bijdrage.

Hoofdstuk III Subsidiebepalingen

Artikel 12 Algemeen

Indien en voor zover in deze verordening daarvan niet is afgeweken, is de Algemene

Subsidieverordening van de gemeente Barendrecht van toepassing.

Artikel 13 Subsidievaststelling en wijze van betalen

  • 1. De subsidie wordt verstrekt aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die

    zijn opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst.

  • 2. De subsidie wordt vastgesteld op het geraamde bedrag van de BIZ-bijdragen die in deartikel 4, eerste lid, bedoelde periode worden geheven, zoals opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst, zijnde 106.400 euro.

  • 3. De eventuele minderopbrengsten (bijvoorbeeld als gevolg van waardevermindering doorbezwaar en beroep of oninbaarheid van de belastingbedragen) zijn voor rekening en risico van de stichting. Eventuele meeropbrengsten komen ten goede aan de stichting.

  • 4. Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de subsidievaststelling en wijzevan betalen.

Artikel 14 wijze van betalen

  • 1. De subsidie wordt betaald in gelijke jaarlijkse termijnen van 106.400 euro voor 31 december van elk jaar waarin de BIZ-bijdrage wordt geheven.

  • 2. In de uitvoeringsovereenkomst worden nadere regels gesteld over de wijze van

    verrekening van de meer- en minderopbrengsten van de geheven BIZ-bijdragen ten

    opzichte van de betaalde voorschotten.

Artikel 15 Melding van relevante wijzigingen

  • 1. De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van veranderingen in haar financiële situatie.

  • 2. De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van een wijziging van de statuten, dan wel van verandering of beëindiging van activiteiten.

Artikel 16 Delegatie van de bevoegdheid tot intrekken of wijzigen subsidievaststelling

Het college is bevoegd tot het intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen van de

subsidievaststelling bedoeld in artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk IV Slotbepalingen

Artikel 17 Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking op een door het college te bepalen tijdstip, dat

    gelegen is op een datum nadat van voldoende steun, als bedoeld in artikel 4 van de

    wet, is gebleken.

  • 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2012.

  • 3. Deze verordening vervalt op 31 december 2014.

Artikel 18 Citeerartikel

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening BI-zone Centrum Barendrecht 2012-2014’.

Ondertekening

Aldus besloten in openbare vergadering
van de raad van de gemeente Barendrecht
van 20 december 2011
De griffier De voorzitter
Mevrouw mr. G.E. Figge drs. J. van Belzen
Bijlage 1. BI-zone
Bijlage 2. Belastingobjecten voor de BIZ-bijdrage

Bijlage BI-Zone, centrum Barendrecht