LANDSVERORDENING, ter bescherming van het milieu en de belasting daarvan door afvalwater te beperken en zoveel mogelijk te voorkomen en daartoe regels te stellen met betrekking tot het afvalwater

Geldend van 30-04-2016 t/m heden

Intitulé

LANDSVERORDENING, ter bescherming van het milieu en de belasting daarvan door afvalwater te beperken en zoveel mogelijk te voorkomen en daartoe regels te stellen met betrekking tot het afvalwater

HOOFDSTUK I Algemeen

Artikel 1 definities
  • 1. Voor de toepassing van deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      afvalwater : water dat afkomstig is van huishoudens, bedrijven, industriële processen of anderszins, waarin zich afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen bevinden;

    • b.

      huishoudelijk afvalwater : afvalwater dat afkomstig is van particuliere huishoudens;

    • c.

      bedrijfsafvalwater : afvalwater, niet zijnde huishoudelijk afvalwater;

    • d.

      lozen : het op welke wijze dan ook in de bodem, riolering, het grondwater, het oppervlaktewater of het mariene milieu brengen van afvalwater;

    • e.

      riolering : voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, waarvan het beheer bij de minister of de door de minister aangewezen beheerder berust;

    • f.

      zuiveringtechnisch werk : voorziening voor de zuivering van afvalwater, waarvan het beheer bij de minister of de door de minister aangewezen beheerder berust;

    • g.

      woonruimte : een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens die inrichting niet zijn bestemd om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;

    • h.

      bedrijfsruimte : een naar zijn aard en inrichting als afzonderlijk geheel te beschouwen ruimte of terrein, niet zijnde een woonruimte;

    • i.

      de minister : de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur.

  • 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan worden bepaald dat bedrijfsafvalwater, dat afkomstig is van daarbij aan te geven categorieën van bedrijven of instellingen en dat betreft aard en samenstelling te vergelijken is met huishoudelijk afvalwater, voor de toepassing van deze verordening gelijkgesteld wordt met huishoudelijk afvalwater.

Artikel 2 beheerder
  • 1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan een beheerder worden aangewezen, die geheel of gedeeltelijk de taken en bevoegdheden uitoefent die bij deze verordening aan de minister zijn opgedragen, onderscheidenlijk toegekend. In dat besluit worden de taken en bevoegdheden genoemd, die aan de beheerder worden opgedragen, onderscheidenlijk toegekend, onder zo nodig in dat besluit gestelde instructies, voorwaarden en beperkingen.

  • 2. Tot beheerder kan uitsluitend worden aangewezen een ambtenaar, dienst of bedrijf van Sint Maarten dan wel een rechtspersoon, opgericht overeenkomstig de bepalingen van het Sint Maartense recht.

Artikel 3 algemene zorgplicht

Een ieder is verplicht zodanige zorg voor de bodem, het grondwater, het oppervlaktewater en het mariene milieu in acht te nemen dat nadelige gevolgen voor het milieu die door zijn handelen of nalaten kunnen worden veroorzaakt, voor zover dat in redelijkheid van hem kan worden gevergd, worden voorkomen dan wel, indien dit niet mogelijk is, zo veel mogelijk worden beperkt.

HOOFDSTUK II Inzameling, transport en zuivering van afvalwater

Artikel 4 algemene taak van de minister
  • 1. De minister draagt zorg voor de doelmatige inzameling, transport en zuivering van afvalwater dat vrijkomt bij de percelen. Deze minister draagt hiertoe voor zover mogelijk zorg voor de aanleg, het beheer en onderhoud van riolering en van zuiveringstechnische werken.

  • 2. De minister voorziet daartoe zo nodig onder meer in de mogelijkheid om huishoudelijk afvalwater ter inzameling aan te bieden in gevallen waarin geen aansluiting op de riolering aanwezig is.

  • 3. De minister kan eveneens in de mogelijkheid voorzien om huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van vaartuigen, die Sint Maarten aandoen, ter inzameling aan te bieden.

Artikel 5 plan
  • 1. De minister stelt ten minste eenmaal in de vijf jaar een afvalwaterplan vast, dat richting geeft aan de in de eerstvolgende vijf jaar te nemen beslissingen ten aanzien van de inzameling, transport en zuivering van afvalwater.

  • 2. Het plan bevat tenminste:

    • a.

      een overzicht van de in Sint Maarten aanwezige voorzieningen voor de inzameling, transport en zuivering van afvalwater en een aanduiding van het tijdstip waarop die voorzieningen naar verwachting aan vervanging toe zijn;

    • b.

      een overzicht van de in de door het plan bestreken periode aan te leggen of te vervangen voorzieningen, bedoeld onder a;

    • c.

      een overzicht van het aantal aansluitingen van percelen op de voorzieningen, als bedoeld onder a, en van de aard en samenstelling van het op deze voorzieningen geloosde afvalwater;

    • d.

      een overzicht van de wijze waarop de voorzieningen, bedoeld onder a, worden of zullen worden beheerd;

    • e.

      de gevolgen voor het milieu van de aanwezige voorzieningen, bedoeld ander a, en van de in het plan aangekondigde activiteiten;

    • f.

      een overzicht van de hoeveelheid, aard en samenstelling van het afvalwater, dat op andere wijze dan via de openbare riolering wordt ingezameld;

    • g.

      een overzicht van de financiële gevolgen van de aanleg, het beheer en het onderhoud van de voorzieningen, bedoeld onder a, en van de in het plan aangekondigde activiteiten.

Artikel 6 inspraak
  • 1. De minister betrekt bij de voorbereiding van het afvalwaterplan de naar zijn oordeel meest belanghebbende andere bestuursorganen, instellingen en organisaties.

  • 2. Het ontwerp van het afvalwaterplan wordt gedurende vier weken ter inzage gelegd. Hiervan wordt in ieder geval kennisgeving gedaan in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.

  • 3. Gedurende de in het tweede lid bedoelde termijn heeft een ieder de gelegenheid schriftelijk bedenkingen in te brengen tegen het ontwerp.

  • 4. Binnen twee weken na afloop van de in het tweede lid bedoelde termijn wordt het ontwerp van het afvalwaterplan in een vergadering van de minister behandeld.

Artikel 7 algemene bescherming riolering
  • 1. Het is verboden afvalwater op de riolering te lozen dat stoffen bevat, die zijn versneden of vermalen door versnijdende of vermalende apparatuur dan wel door enige andere activiteit de goede werking van de openbare riolering en de zuiveringstechnische werken in gevaar te brengen.

  • 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van het eerste lid.

Artikel 8 aansluitplicht
  • 1. Het is verboden afvalwater anders dan op de riolering te lozen, indien de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te geven afstand niet overschrijdt. Deze afstand kan voor huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater alsmede voor bestaande en nieuwe lozingen verschillend worden vastgesteld.

  • 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels gesteld over de aanvraag voor, die wijze van aansluiting op en de wijze van bekostiging van de riolering.

  • 3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan – onder nader in dat besluit omschreven voorwaarden – worden bepaald, dat afvalwater van een in dat besluit aangegeven samenstelling en ten behoeve van irrigatie niet op de riolering hoeft te worden geloosd.

HOOFDSTUK III Vergunningsplicht

Artikel 9 algemeen; verbod
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de minister afvalwater te lozen.

  • 2. Het vereiste van een vergunning geldt niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater door particuliere huishoudens alsmede voor het lozen van bedrijfsafvalwater, dat ingevolge het bepaalde in artikel 1, tweede lid, voor de toepassing van deze verordening gelijkgesteld is met huishoudelijk afvalwater.

  • 3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld ten aanzien van de lozingen, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen categorieën van bedrijven worden aangewezen, waarvoor het vereiste van een vergunning niet geldt, onder bij dat besluit voor de aangewezen bedrijven vastgestelde regels.

Artikel 10 aanvraag
  • 1. De aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 9 wordt schriftelijk ingediend bij de minister.

  • 2. De aanvrager verstrekt alle inlichtingen en legt alle gegevens over die nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

  • 3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gegeven omtrent de wijze waarop de aanvraag van een vergunning geschiedt en welke gegevens bij de aanvraag worden overgelegd.

  • 4. Onverminderd het voorgaande is voor de behandeling van de aanvraag van een vergunning een vergoeding verschuldigd. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden de hoogte van de vergoeding en de wijze van betaling vastgesteld.

  • 5. Indien niet is voldaan aan deze te stellen regels of aan betaling van de vergoeding kan de aanvraag buiten behandeling worden gelaten. Daarvan wordt de aanvrager dan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Artikel 11 inspraak

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld omtrent de wijze waarop het publiek wordt betrokken bij de totstandkoming van een beschikking op een aanvraag om een vergunning dan wel bij de wijziging van een zodanig besluit alsmede omtrent de wijze waarop het besluit bekend wordt gemaakt.

Artikel 12 beslissing
  • 1. De minister beschikt schriftelijk en gemotiveerd op een aanvraag binnen zestig dagen na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. De minister kan deze termijn eenmaal met ten hoogste dertig dagen verlengen.

Artikel 13 voorschriften en beperkingen
  • 1. Aan een vergunning als bedoeld in artikel 9 worden voorschriften verbonden ter bescherming van het milieu en ter bescherming van de goede werking van de openbare riolering en de zuiveringstechnische werken.

  • 2. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen van het lozen van afvalwater voor het milieu niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3. De aan een vergunning te verbinden voorschriften geven de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken. Deze voorschriften kunnen inhouden dat daarbij aangegeven middelen ter bescherming van het milieu moeten worden toegepast.

  • 4. Een vergunninghouder verstrekt de minister alle inlichtingen, die deze redelijkerwijs kan vragen bij de uitoefening van zijn taak.

  • 5. Een vergunning kan ter bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Artikel 14 intrekking, wijziging
  • 1. Een vergunning kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of ambtshalve door de minister worden gewijzigd, indien:

    • a.

      de gegevens, verstrekt bij de aanvraag van de vergunning, zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag afwijzend of anders zou zijn beschikt, indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest;

    • b.

      de aan de vergunning verbonden voorschriften of de beperkingen waaronder de vergunning is verleend niet worden nageleefd, of anderszins niet overeenkomstig de vergunning wordt gehandeld;

    • c.

      zich na de verlening nieuwe omstandigheden hebben voorgedaan of gebleken is van inzichten, die zouden hebben geleid tot weigering van de vergunning of tot het verlenen daarvan onder andere beperkingen of het verbinden daaraan van andere voorschriften.

  • 2. Een vergunning kan op verzoek van de houder ervan worden gewijzigd, indien het belang van de bescherming van het milieu dan wel de goede werking van de riolering en de afvalwaterzuiveringsinstallatie zich daartegen niet verzet.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de wijziging van de aan een vergunning verbonden voorschriften of de beperkingen waaronder de vergunning is verleend.

Artikel 15 verwijzing naar algemene normen

Bij het verlenen, wijzigen of intrekken van een vergunning, bij het stellen van de daaraan te verbinden voorschriften en de daaronder geldende beperkingen worden de bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgestelde verboden stoffen en grenswaarden, bedoeld in artikel 17, in acht genomen en wordt rekening gehouden met het afvalwaterplan, bedoeld in artikel 3, alsmede de waterkwaliteitsdoelstellingen, indien deze ingevolge artikel 18 zijn vastgesteld.

Artikel 16 weigering

Een vergunning kan worden geweigerd, indien het verlenen daarvan niet in overstemming is met het belang van de bescherming van het milieu dan wel de goede werking van de openbare riolering en de zuiveringstechnische werken.

HOOFDSTUK IV Grenswaarden

Artikel 17
  • 1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen stoffen worden aangegeven waarvan het lozen is verboden.

  • 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen ten aanzien van daarbij aan te wijzen stoffen grenswaarden worden vastgesteld voor het lozen van die stoffen alsmede regels ten aanzien van de wijze van meten van die stoffen. Deze grenswaarden kunnen verschillen voor lozen op de riolering of anderszins en kunnen met name betrekking hebben op:

    • a.

      de hoogst toelaatbare concentratie van die stoffen;

    • b.

      de hoogst toelaatbare gewichtshoeveelheid van die stoffen per daarbij aan te geven eenheid.

  • 3. Bij het in het eerste en tweede lid bedoelde besluit wordt ten aanzien van iedere verboden stof of grenswaarde een termijn vastgesteld na het verstrijken waarvan dat verbod of die grenswaarde van toepassing is op het lozen van stoffen, waarvoor op het tijdstip van het in werking treden van dat besluit een vergunning van kracht is.

  • 4. Het is verboden bij het lozen van afvalwater een van toepassing zijnde grenswaarde te overschrijden.

  • 5. Het verbod in het eerste of vierde lid geldt niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater door particuliere huishoudens alsmede voor het lozen van bedrijfsafvalwater, dat ingevolge het bepaalde in artikel 1, tweede lid, voor de toepassing van deze verordening gelijkgesteld is met huishoudelijk afvalwater, voor zover het bij het lozen van dit afvalwater gaat om normaal huishoudelijk gebruik.

  • 6. De in het tweede lid bedoelde concentraties van stoffen in het afvalwater mogen niet door verdunning worden bereikt.

HOOFDSTUK V Waterkwaliteitsdoelstellingen

Artikel 18

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen ten aanzien van het oppervlaktewater en het mariene milieu waterkwaliteitsdoelstellingen worden vastgesteld, waaraan binnen daarbij nader aan te geven termijnen dient te worden voldaan.

HOOFDSTUK VI Financiële bepalingen

Artikel 19 grondslag

Ter bestrijding van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en het voorkomen van verontreiniging van de bodem, het grondwater, het oppervlaktewater en het mariene milieu wordt bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, door de minister een heffing ingesteld, waaraan onderworpen zijn degenen die afvalwater lozen.

Artikel 20 doel

Het bedrag van de ingevorderde heffingen wordt besteed voor de kosten van maatregelen voor de bestrijding van de verontreiniging van de bodem, het grondwater, het oppervlaktewater en het mariene milieu, waartoe in ieder geval de aanleg, het beheer en onderhoud van de riolering en zuiveringstechnische werken wordt gerekend.

Artikel 21 maatstaf
  • 1. Door meting, onderzoek en analyse van het waterverbruik door particuliere huishoudens en bedrijven, mede gebaseerd op het drinkwatergebruik van die huishoudens en bedrijven, wordt een vervuilingseenheid, genaamd inwonerequivalent, vastgesteld, die als basis dient voor het vaststellen van de hoogte van de heffing per categorie particuliere huishouden of bedrijf.

  • 2. De hoogte van de heffing wordt uitgedrukt in een bedrag per inwonerequivalent, welk bedrag verschillend is voor lozingen op en lozingen buiten de riolering, vermenigvuldigd met het aantal per categorie particuliere huishouden of bedrijf vast te stellen inwonerequivalenten.

Artikel 22 categorieën

Bij het bepalen van de hoogte van de heffing worden de volgende categorieën van huishoudens en bedrijven onderscheiden, waarbij per categorie is aangegeven hoe het tarief wordt bepaald:

  • a.

    particuliere huishoudens, die niet ingevolge

    artikel 8 verplicht zijn op de riolering te lozen : een vast tarief per woonruimte;

  • b.

    particuliere huishoudens, die ingevolge

    artikel 8 verplicht zijn op de riolering te lozen : een vast tarief per woonruimte;

  • c.

    bedrijven met bedrijfsafvalwater, dat ingevolge het

    bepaalde in artikel 1, tweede lid, voor de toepassing

    van deze verordening gelijkgesteld is met huishoudelijk

    afvalwater, die niet ingevolge artikel 8 verplicht

    zijn op de riolering te lozen : een vast tarief per bedrijfsruimte, gedifferentieerd naar het soort bedrijf en de grootte ervan;

  • d.

    onder c bedoelde bedrijven, die ingevolge artikel

    8 verplicht zijn op de riolering te lozen : een vast tarief per bedrijfsruimte, gedifferentieerd naar het soort bedrijf en de grootte ervan;

  • e.

    niet onder c of d bedoelde bedrijven : de hoeveelheid of de hoedanigheid dan wel beide van het geloosde afvalwater.

Artikel 23 tarieven
  • 1. De tarieven van de heffing per categorie particuliere huishouden of bedrijf als bedoeld in de onderdelen a tot en met d van artikel 22 worden vastgesteld volgens de bij deze verordening behorende bijlage.

  • 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen de tarieven, bedoeld in het eerste lid, per kalenderjaar met ten hoogste 5% worden gewijzigd.

  • 3. De tarieven van de heffing voor een bedrijf als bedoeld in artikel 22, onderdeel e, wordt per bedrijf, of zo mogelijk per soort van bedrijven, door de minister vastgesteld, waarbij de tarieven voor lozing op of buiten de riolering kunnen verschillen.

Artikel 24 gebruiker
  • 1. De heffing wordt geheven van de gebruiker van een woonruimte of bedrijfsruimte.

  • 2. Als gebruiker van een woonruimte of bedrijfsruimte wordt aangemerkt:

    • a.

      degene die naar de omstandigheden beoordeeld de woonruimte of bedrijfsruimte gebruikt;

    • b.

      ingeval een niet afzonderlijk gedeelte van een woonruimte of bedrijfsruimte in gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan;

    • c.

      ingeval op grond van de voorgaande onderdelen geen gebruiker valt aan te wijzen: degene die het genot van de woonruimte of bedrijfsruimte heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij aanvang van de heffingsperiode als zodanig bij het kadaster bekend staat, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen zodanig genothebbende is.

  • 4. Indien de genothebbende, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, die ingevolge artikel 8 verplicht is op de riolering te lozen, aannemelijk maakt dat de woonruimte of bedrijfsruimte langer dan zes maanden in het geheel niet wordt gebruikt en afvalwater loost, kan op zijn schriftelijk verzoek door de minister vanaf de datum waarop genoemde periode van zes maanden is verlopen vermindering van de heffing worden verleend tot het tarief dat voor die woonruimte of bedrijfsruimte zou worden geheven bij niet aansluiting op de riolering.

Artikel 25 heffingsperiode

De heffing wordt geheven per kalendermaand.

Artikel 26 kennisgeving
  • 1. De heffing wordt geheven bij wege van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, uit te reiken of te doen uitreiken door de minister.

  • 2. De minister bepaalt de vorm en inrichting van de kennisgeving.

Artikel 27 tijdstip van ontstaan van de belastingschuld

De heffing is verschuldigd binnen twee weken na uitreiking van de kennisgeving.

Artikel 28 invordering
  • 1. Indien de uitvoering van de heffing is overgedragen aan een niet onder Sint Maarten ressorterende beheerder, zijn met betrekking tot de invordering van de belasting de artikelen 5, 6, eerste en tweede lid, 7, 9 en 11, eerste lid, van de Invorderingsverordening van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat in plaats van Ontvanger en aanslag wordt gelezen: beheerder, onderscheidenlijk kennisgeving.

  • 2. Bij de heffing van de belasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 29 nadere regels heffing

Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in de voorgaande artikelen genoemde heffing.

HOOFDSTUK VII Bezwaar en beroep

Artikel 30
  • 1. Een natuurlijke of rechtspersoon, wiens belang rechtstreeks is betrokken bij een bij of krachtens deze landsverordening genomen beschikking door of namens de minister, kan daartegen een bezwaarschrift indienen bij de minister, binnen zes weken na de dag waarop die beslissing is verzonden of uitgereikt aan degene tot wie zij is gericht.

  • 2. Een natuurlijke of rechtspersoon, wiens belang rechtstreeks is betrokken bij een bij of krachtens deze landsverordening genomen beschikking door of namens een niet tot Sint Maarten behorende rechtspersoon, kan daartegen een beroepschrift indienen bij de minister, binnen zes weken na de dag waarop die beslissing is verzonden of uitgereikt aan degene tot wie zij is gericht.

  • 3. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a.

      de naam en het adres van de indiener;

    • b.

      de dagtekening;

    • c.

      een omschrijving van de beschikking waartegen het bezwaar of beroep is gericht;

    • d.

      de gronden van het bezwaar of beroep.

  • 4. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijk-verklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 31 schorsende werking
  • 1. De werking van een beschikking die is genomen bij of krachtens deze landsverordening maar die niet is genomen krachtens hoofdstuk VIII van deze landsverordening, wordt opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien een bezwaar- of beroepschrift is ingediend, op het bezwaar of beroep is beslist.

  • 2. Een belanghebbende alsmede het orgaan dat de bestreden beschikking heeft genomen kan het Gerecht in eerste aanleg verzoeken de schorsende werking geheel of gedeeltelijk op te heffen op grond van zwaarwegende belangen.

Artikel 32 beslissing op bezwaar of beroep
  • 1. De minister beslist binnen tien weken na ontvangst van het bezwaar- of beroepschrift.

  • 2. De beslissing kan worden uitgesteld voor zover de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belang worden geschaad of ermee instemmen.

  • 3. Voordat de minister op het bezwaar of beroep beslist, stelt deze belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

  • 4. Indien het bezwaar- of beroepschrift ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

  • 5. Voor zover heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept de minister het bestreden besluit en neemt deze, voor zover nodig, in plaats daarvan een nieuw besluit.

  • 6. De beslissing op het bezwaar- of beroepschrift is met redenen omkleed en wordt schriftelijk aan de betrokkenen bekendgemaakt.

Artikel 33 beroep op de rechter
  • 1. De indiener van een bezwaar- of beroepschrift alsmede, in voorkomend geval, degene tot wie de bestreden beschikking was gericht, kunnen binnen zes weken tegen de beslissing op het bezwaar beroep instellen bij het Gerecht in eerste aanleg , indien het geen beschikking betreft genomen bij of krachtens hoofdstuk VI.

  • 2. De indiener van een bezwaarschrift, de indiener van een beroepschrift bij de rechter alsmede het orgaan dat het bestreden besluit heeft genomen ter zake van beschikkingen bedoeld in het eerste lid, kunnen binnen zes weken tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg, hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 34 beroep op de belastingrechter

De indiener van een bezwaar- of beroepschrift bij de minister alsmede, in voorkomend geval, degene tot wie de bestreden beschikking was gericht, kunnen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de beslissing, tegen de beslissing beroep instellen bij het Gerecht, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken, indien het een beschikking betreft genomen bij of krachtens hoofdstuk VI.

HOOFDSTUK VIII Toezicht en bestuurlijke handhaving

Artikel 35 algemeen; taak minister
  • 1. De minister heeft tot taak zorg te dragen voor het toezicht op de naleving en de bestuursrechtelijke handhaving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde.

  • 2. Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak is de minister bevoegd tot het uitoefenen van bestuursdwang, waaronder wordt verstaan het door feitelijk handelen optreden tegen hetgeen in strijd met een bij of krachtens deze landsverordening gestelde verplichting is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

  • 3. Het toezicht op naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde wordt opgedragen aan:

    • a.

      de door de minister aangewezen ambtenaren, welke aanwijzing bekend wordt gemaakt in een dagblad;

    • b.

      de beheerder, voor zover bepaald in artikel 36, zesde lid.

Artikel 36 toezicht op naleving
  • 1. Een toezichthouder is uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig is, bevoegd:

    • a.

      inlichtingen te vorderen;

    • b.

      inzage te vorderen van boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan kopieën te maken of deze daartoe tijdelijk mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs;

    • c.

      goederen aan opneming en onderzoek te onderwerpen, daarvan monsters te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs;

    • d.

      alle plaatsen met uitzondering van woningen zonder uitdrukkelijke toestemming van de bewoner te betreden, eventueel vergezeld van de door hem aangewezen personen;

    • e.

      woningen of tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen zonder uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden;

    • f.

      vaartuigen, stilstaande vaartuigen en de lading daarvan te onderzoeken.

  • 2. Zo nodig wordt de toegang tot een plaatsals bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.

  • 3. Op het binnentreden van woningen of van tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen, als bedoeld in het derde lid, onderdeel e, is Titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, laatste zinsnede, en 160, eerste lid, met dien verstande dat de machtiging van de krachtens artikel 35, derde lid, onderdeel a, aangewezen personen wordt verleend door de Minister van Justitie.

  • 4. Een ieder is verplicht aan de toezichthouder alle medewerking te verlenen die op grond van het eerste lid wordt gevorderd.

  • 5. Een bedrijf dat drinkwater distribueert is verplicht de toezichthouder alle medewerking te verlenen die op grond van het eerste lid wordt gevorderd.

  • 6. De beheerder heeft ten opzichte van heffingsplichtige personen de bevoegdheden, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, waarbij het tweede, vierde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing zijn.

Artikel 37 legitimatie
  • 1. Bij de uitoefening van hun taak dragen de toezichthouders een door de Minister van Justitie te verstrekken legitimatiebewijs bij zich. Desgevraagd tonen zij hun legitimatiebewijs aanstonds.

  • 2. Het legitimatiebewijs bevat een foto van de toezichthouder en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid.

  • 3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gegeven met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de toezichthouders.

Artikel 38 bestuursdwang
  • 1. De minister is bevoegd tot het doen wegnemen, ontruimen, beletten, in de vorige toestand herstellen of verrichten van hetgeen in strijd met de in deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

  • 2. Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt op schrift gesteld en geldt als een beschikking. De beschikking vermeldt welk voorschrift is overtreden.

  • 3. De bekendmaking ervan geschiedt aan de overtreder en andere belanghebbenden.

  • 4. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de overtreder en eventuele andere belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf de in de beschikking vermelde maatregelen te treffen. Geen termijn behoeft te worden gegund indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

  • 5. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de minister de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt het alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en de bekendmaking.

  • 6. De minister is bevoegd de overtreder en eventuele andere betrokkenen bij de activiteit ten aanzien waarvan bestuursdwang is uitgeoefend, aanwijzingen te geven in het belang van de bescherming van het milieu.

  • 7. Een ieder is verplicht aan de minister alle medewerking te verlenen die op grond van het zesde lid wordt gevorderd.

Artikel 39 kosten bestuursdwang
  • 1. De overtreder is de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

  • 2. De beschikking vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder plaatsvindt.

  • 3. Indien echter de kosten geheel of gedeeltelijk niet ten laste van de overtreder zullen worden gebracht, wordt dat in de beschikking vermeld.

  • 4. Onder de kosten worden begrepen de kosten verbonden aan de voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze kosten zijn gemaakt na het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 38, vierde lid, is verstreken.

  • 5. De kosten zijn ook verschuldigd indien de bestuursdwang door opheffing van de onrechtmatige situatie niet of niet volledig is uitgevoerd.

Artikel 40 invordering kosten
  • 1. De minister kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, invorderen.

  • 2. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 3. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding.

  • 4. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de minister kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Artikel 41 bevoorrechting kosten

De kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang zijn bevoorrecht op de zaak ten aanzien waarvan zij zijn besteed en worden na de kosten, bedoeld in artikel 1165, ten vierde, van het Burgerlijk Wetboek, uit de opbrengst van de zaak betaald.

Artikel 42 bevoegdheden bij bestuursdwang
  • 1. Om aan een beslissing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben de personen die daartoe zijn aangewezen door de minister toegang tot elke plaats voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

  • 2. De aangewezen personen hebben eveneens de bevoegdheden en verplichtingen, bedoeld in artikel 36, eerste lid, 37 en 46.

Artikel 43 verzegelen

Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het verzegelen van gebouwen, terreinen en hetgeen zich daarin of daarop bevindt.

Artikel 44 meevoeren en opslaan goederen
  • 1. Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het meevoeren en opslaan van daarvan vatbare zaken voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vereist.

  • 2. Indien zaken zijn meegevoerd en opgeslagen, doet de minister daarvan proces-verbaal opmaken, waarvan afschrift wordt verstrekt aan de rechthebbende.

  • 3. De minister draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende, zodra dat redelijkerwijze nodig is.

  • 4. De minister is bevoegd de afgifte op te schorten totdat de verschuldigde kosten zijn voldaan. Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, is deze minister bevoegd de afgifte op te schorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan.

  • 5. Sint Maarten is niet aansprakelijk voor afgifte van het opgeslagene aan een onbevoegde.

Artikel 45 verkoop opgeslagen goederen
  • 1. De minister is bevoegd indien een opgeslagen zaak niet binnen dertien weken na de opslag kan worden teruggegeven aan de rechthebbende, deze te doen verkopen of, indien verkoop naar zijn oordeel niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.

  • 2. Gelijke bevoegdheid heeft de minister ook binnen die termijn zodra de aan de toepassing van bestuursdwang verbonden kosten vermeerderd met de voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging geraamde kosten in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.

  • 3. Verkoop, eigendomsoverdracht of vernietiging vindt niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal betreffende het meevoeren en opslaan, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.

  • 4. Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip rechthebbende was, recht op de opbrengst van het goed onder aftrek van de aan de toepassing van bestuursdwang verbonden kosten en de kosten van de verkoop.

    Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, wordt van de opbrengst de kosten van bestuursdwang niet in mindering gebracht.

  • 5. Sint Maarten is niet aansprakelijk voor afgifte van de opbrengst uit de verkoop aan een onbevoegde.

Artikel 46 stilleggen
  • 1. Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het stilleggen van werkzaamheden met betrekking tot activiteiten waarbij in strijd wordt gehandeld met de bij of krachtens deze landsverordening gegeven regels.

  • 2. Het stilleggen van werkzaamheden geschiedt door middel van overhandiging door de toezichthouder aan degene die de activiteit verricht, van een ondertekende en gedagtekende kennisgeving, waarin de reden van stillegging van werkzaamheden staat vermeld. Wanneer naar het oordeel van de toezichthouder overhandiging niet mogelijk is, geschiedt het stilleggen mondeling door een kennisgeving aan de naar zijn oordeel daarvoor meest gerede persoon, zo spoedig mogelijk gevolgd door overhandiging van de schriftelijke kennisgeving aan degene die de activiteit verricht.

  • 3. Degene die de activiteit verricht alsmede de, naar het oordeel van de toezichthouder in aanmerking komende diensten, worden onverwijld van het bevel tot stillegging van werkzaamheden in kennis gesteld. De Minister van Volksgezondheid, Sociale Ontwikkeling en Arbeid en de minister worden mede ingelicht.

  • 4. In opdracht van de minister kan de toezichthouder de werktuigen en voorwerpen die ter uitvoering van de stilgelegde werkzaamheid worden of kunnen worden gebruikt, verzegelen.

  • 5. Degene die de activiteit verricht, is verplicht de werkzaamheden te staken zolang de stillegging van werkzaamheden voortduurt.

  • 6. In opdracht van het de minister is de toezichthouder bevoegd ter uitvoering en handhaving van de stillegging de nodige maatregelen te nemen en de nodige aanwijzingen te geven.

  • 7. Een ieder is verplicht aan de toezichthouder alle medewerking te verlenen die op grond van het zesde lid wordt gevorderd.

Artikel 47 dwangsom
  • 1. De minister kan in plaats van bestuursdwang aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daar niet tegen verzet.

  • 2. De minister stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd of op een bedrag per overtreding van de last. De minister stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag van de dwangsom dient in redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

  • 3. In de beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken of het beëindigen wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

Artikel 48
  • 1. Verbeurde dwangsommen komen toe aan Sint Maarten. De minister kan bij dwangbevel het verschuldigde bedrag invorderen.

  • 2. Artikel 40, tweede lid, derde en vierde lid, is van toepassing.

Artikel 49
  • 1. De minister kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.

  • 2. De minister kan op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Artikel 50
  • 1. De bevoegdheid tot invordering van verbeurde bedragen verjaart door verloop van een jaar na de dag waarop zij zijn verbeurd.

  • 2. De verjaring wordt gestuit door faillissement en ieder wettelijk beletsel voor invordering van de dwangsom.

Artikel 51 bestuurlijke boete

Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3, 7, 8, derde lid, 9, derde lid, 17, eerste en vierde lid, 36, vierde lid, 38, zevende lid, of 46, zevende lid, door een burger of een bedrijf, dat voor wat betreft het afvalwater krachtens artikel 1, tweede lid, is gelijkgesteld met een particulier huishouden, kan de minister een boete opleggen van ten hoogste tweeduizend gulden per overtreding.

HOOFDSTUK IX Strafbepalingen

Artikel 52 strafbepaling
  • 1. Hij die handelt in strijd met het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

  • 2. Het in het eerste lid genoemde strafbaar gestelde feit is een overtreding.

  • 3. Indien ten tijde van de overtreding nog geen jaar is verlopen sedert een veroordeling van de schuldige wegens een gelijksoortige overtreding onherroepelijk is geworden, kan hechtenis worden opgelegd tot het dubbele van het in het eerste lid gesteld maximum of kan de op het feit gestelde geldboete worden verhoogd naar de naasthogere categorie.

HOOFDSTUK XI Overige, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 53 geheimhouding

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze verordening en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding daarvan behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze verordening de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

Artikel 54

[vervallen]

Artikel 55

[vervallen]

Artikel 56

[regelt de inwerkingtreding]

Artikel 57

[vervallen]

Artikel 58 citeertitel

Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening afvalwater.