Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verordening van vergunningen

Geldend van 01-07-2005 t/m 31-12-2011

Intitulé

Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verordening van vergunningen

De Raad van de gemeente Uden;

gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van 2 mei 2005;

gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet;

b e s l u i t

vast te stellen de

Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verordening van vergunningen

voor het parkeren

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    RVV 1990 : het reglement verkeersregels en verkeerstekens van 26 juli 1990, Stb. 459;

  • b.

    voertuig : hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990;

  • c.

    parkeren : het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen danwel het onmiddellijk laden of lossen, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

  • d.

    houder : degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de wegenverkeerswet aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt, degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven;

  • e.

    parkeerapparatuur : parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip van verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

  • f.

    parkeerapparatuur- : een parkeerplaats behorend bij parkeerapparatuur; plaats

  • g.

    belanghebbenden- : een parkeerplaats die: plaats 1. Is aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990 of

    2.gelegen is binnen een zone, aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990 met het opschrift zone, voorzover deze plaats niet is uitgezonderd;

  • h.

    vergunning : een door het College van burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- en /of belanghebbendenplaatsen;

  • i.

    vergunninghouder : de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend.

  • j.

    ambulante : een door het College van burgemeester en wethouders verleende parkeervergunning vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- en /of belangheb- bendenplaatsen ten behoeve van ambulante werkzaamheden.

Hoofdstuk 2. Plaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en vergunningbewijzen

Artikel 2

  • 1.

    Het College van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren van vergunninghouders.

  • 2.

    Het College van burgemeester en wethouders kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren aan vergunninghouders is toegestaan.

Artikel 3

  • 1.

    Het College van burgemeester en wethouders kan op een daartoe strekkend verzoek een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen.

  • 2.

    Een vergunning kan worden verleend aan de eigenaar of houder van een voertuig wanneer deze:

    • a.

      woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerplaatsen aanwezig zijn, danwel

    • b.

      een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en aantoont dat het in het belang van diens beroeps- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een voertuig te parkeren.

  • 3.

    De eigenaar of houder van een voertuig die voldoet aan beide in het tweede lid gestelde voorwaarden wordt, voor wat betreft de eerste aangevraagde vergunning, geacht te beantwoorden aan de onder a genoemde voorwaarde.

  • 4.

    Het College van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen een vergunning op parkeerapparatuurplaatsen ook verlenen aan een van de in het tweede lid genoemde voorwaarden.

  • 5.

    Het College van burgemeester en wethouders kan nadere eisen stellen, waaraan voldaan moet worden om voor een vergunning in aanmerking te komen.

  • 6.

    Aan de vergunning kunnen zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is.

  • 7.

    Het College van burgemeester en wethouders kan aan een vergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte.

Artikel 4

  • 1.

    Het College van burgemeester en wethouders kan, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, regels geven voor het aanvragen en verlenen van een vergunning.

  • 2.

    Het College van burgemeester en wethouders beslist binnen twee maanden na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning.

  • 3.

    Het College van burgemeester en wethouders kan de in het tweede lid genoemde termijn met ten hoogste twee maanden verlengen. Van een verlening van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.

  • 4.

    Een besluit tot afwijzing van een aanvraag is met redenen omkleed. De aanvrager wordt van deze afwijzing in kennis gesteld.

Artikel 5

Artikel 5

  • 1.

    Een vergunning wordt voor twaalf maanden verleend.

  • 2.

    Nadat de twaalf maanden zijn verstreken, wordt de vergunning automatisch vernieuwd, tenzij de vergunninghouder minimaal een maand van tevoren te kennen heeft gegeven niet meer over een vergunning te willen beschikken of artikel 6 van deze verordening wordt toegepast.

  • 3.

    De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      het gebied waarvoor de vergunning geldt;

    • b.

      de naam van de vergunninghouder of het kenteken danwel met een kenmerk van het voertuig of de voertuigen waarvoor de vergunning is verleend;

    • c.

      de periode waarvoor de vergunning geldt.

Artikel 6

  • 1.

    Het College van burgemeester en wethouders kan een vergunning intrekken of wijzigen:

    • a.

      op verzoek van de vergunninghouder;

    • b.

      wanneer de vergunninghouder het gebied, waarvoor de vergunning is verleend, metterwoon verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt;

    • c.

      wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;

    • d.

      wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen;

    • e.

      wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    • f.

      wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt;

    • g.

      om redenen van openbaar belang.

  • 2.

    Een besluit tot het intrekken of wijzigen van de vergunning schriftelijk in kennis gesteld.

Hoofdstuk 3. Verbodsbepalingen

Artikel 7

  • 1.

    Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een voertuig te plaatsen of te laten staan:

    • a.

      op een parkeerapparatuurplaats;

    • b.

      op een belanghebbendenplaats.

  • 2.

    Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd.

  • 3.

    Het College van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 8

Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen danwel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven, in werking te stellen.

Artikel 9

  • 1.

    Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een voertuig te parkeren of geparkeerd te houden;

    • a.

      zonder vergunning;

    • b.

      zonder dat het voertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de vergunning;

    • c.

      in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden.

  • 2.

    Het College van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Hoofdstuk 4. Strafbepaling

Artikel 10

Overtreding van het bepaalde in hoofdstuk 3 van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 11

Met de opsporing van overtredingen van deze verordening zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, de door het College van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren belast.

Artikel 12

Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Parkeerverordening voor de gemeente Uden’.

Artikel 13

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 23 juni 2005.

De Raad voornoemd

de griffier de voorzitter

Verordening gebruik parkeerplaatsen en verlening vergunningen voor het parkeren

Toelichting behorende bij de Parkeerverordening voor de gemeente Uden

Met de wet van 27 april 1994 (stb. 420) is de Gemeentewet gewijzigd in die zin, dat de heffing van parkeerbelastingen mogelijk is op grond van artikel 225 Gemeentewet. Hoewel de Parkeerverordening en de Verordening parkeerbelastingen op een aantal punten nauw met elkaar samenhangen, moeten zij gezien worden als twee op zichzelf staande verordeningen. De ‘Parkeerverordening’ heeft een distributief doel. De ‘Verordening parkeerbelastingen’ vervolgens geeft de gemeente de bevoegdheid voor het parkeren op aangewezen plaatsen en tijdstippenbelastingen te heffen. In deze verordening worden zaken als het belastbaar feit, de maatstaf van heffing, de belastingplicht, het tarief e.d. geregeld. Deze kan op dit punt aangemerkt worden als het verlengstuk van de Parkeerverordening. Gezien de grote samenhang moeten de verordeningen nauw op elkaar aansluiten, hetgeen inhoudt dat bijvoorbeeld de definities, die in beide verordening worden gebruikt niet met elkaar in strijd mogen zijn.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Voertuig

Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet kunnen parkeerrechten worden geheven niet alleen voor motorvoertuigen (op meer dan twee wielen), maar voor ALLE voertuigen. Het wordt wenselijk geacht voor deze ruimere mogelijkheid gebruik te maken. Als zodanig kan desgewenst bijvoorbeeld regulering plaatsvinden van het parkeren van caravans, aanhangwagens e.d. op parkeerplaatsen voor belanghebbenden.

Parkeren

In artikel 225 Gemeentewet is in hoofdzaak dezelfde definitie van parkeren gehanteerd, die in de wegenverkeerswetgeving voorkomt. In de Parkeerverordening is de definitie van artikel 225 Gemeentewet overgenomen.

Artikel 4

  • 2.

    De beginselen van behoorlijk bestuur eisen dat binnen een redelijke termijn een beslissing wordt genomen op een aanvraag voor een vergunning. Om op dit punt voor de aanvrager duidelijkheid te verschaffen, zijn de termijnen in de verordening zelf opgenomen. Een termijn van twee maanden is redelijk.

  • 3.

    Het kan zijn dat de in het tweede lid genoemde termijn moet worden verlengd. Een verlenging met twee maanden is redelijk.

Artikel 5

Het is niet noodzakelijk om ieder jaar te toetsen of een vergunninghouder voldoet aan de criteria, mede vanwege artikel 6. Omdat het daarentegen ook niet wenselijk is om een vergunning te verstrekken voor onbepaalde tijd (de vergunninghouder zelf kan beslissen dat hij geen vergunning meer wil) is voor een systeem van automatische vernieuwing gekozen. Dit is ook van belang voor de controle op fraude, doordat bijvoorbeeld ieder jaar een vergunning in een andere kleur kan worden verstrekt.

Artikel 6

Het staat ter beoordeling van het College van burgemeester en wethouders of een vergunning daadwerkelijk wordt ingetrokken wanneer een van de aangegeven omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief bedoeld. Om andere dan de aangegeven redenen kan de vergunning dan ook niet worden ingetrokken.

Artikel 7

Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde voertuigen, op parkeerapparatuur- en belanghebbendenplaatsen. Het plaatsen van dergelijke voorwerpen belemmert de normale gang van zaken op de genoemde plaatsen en doorkruist daarmee de beoogde regulering.

Artikel 8

Dit artikel bevat enkele verbodsbepalingen voor gedragingen, die niet gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen worden derhalve in de verordening opgenomen, met het oog op de strafbaarstelling.

Artikel 9

De fiscale aanpak van het niet betalen van het parkeergeld is alleen mogelijk bij parkeerapparatuur en niet belanghebbendenplaatsen, omdat deze niet vallen onder betaald parkeren. Daarom moet in de verordening een strafbepaling worden opgenomen.

Artikel 10

Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun verordening een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie kunnen stellen. Het openbaar maken van de rechterlijke uitspraak is een bijkomende straf, waarvan bij parkeerovertredingen weinig effect te verwachten valt. Het opnemen daarvan in de Parkeerverordening is daarom achterwege gelaten.

Toelichting op de Verordening gebruik parkeerplaatsen en verlening vergunningen voor het parkeren