Gemeenschappelijke regeling voor de Gemeenschappelijk Gezondheidsdienst Hart voor Brabant

Geldend van 01-07-2005 t/m 31-12-2014

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling voor de Gemeenschappelijk Gezondheidsdienst Hart voor Brabant

Gemeenschappelijke regeling GGD Hart voor Brabant

De raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Grave, Haaren, 's-Hertogenbosch, Heusden, Hilvarenbeek, Landerd, Lith, Loon op Zand, Maasdonk, Mill en Sint Hubert, Oisterwijk, Oss, Schijndel, Sint Anthonis, SintMichielsgestel, Sint-Oedenrode, Tilburg, Uden, Veghel, Vught en Waalwijk, ieder voor zover het zijn verantwoordelijkheden en bevoegdheden aangaat,

overwegende dat:

  • -

    ingevolge artikel 5 van de Wet collectieve preventie volksgezondheid de gemeenten de zorg dragen voor de instelling en instandhouding van gemeentelijke gezondheidsdiensten;

  • -

    het voor een optimale behartiging van deze publiekrechtelijke taak wenselijk is dat zij tot samenwerking overgaan;

  • -

    zij daartoe een openbaar lichaam willen instellen;

  • -

    zij aan dat openbaar lichaam de behartiging van de in deze regeling aan te geven belangen willen opdragen, bevoegdheden willen overdragen en middelen ter beschikking willen stellen;

  • -

    het bestuur en het beheer van het openbaar lichaam zo moet zijn ingericht dat de gemeentebesturen zoveel mogelijk betrokken blijven bij die belangenbehartiging;

  • -

    het Algemeen en het Dagelijks Bestuur daarbij primair het beleid van de GGD Hart voor Brabant gestalte geven en de uitvoering ervan controleren, waarbij de bedrijfsvoering bij de directie ligt;

  • -

    de financiële risico's voor de gemeenten door een adequate bedrijfsvoering daarbij zo laag mogelijk moeten blijven;

gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen;

b e s l u i t e n

de tekst van de Gemeenschappelijke regeling voor de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Hart voor Brabant te wijzigen in de volgende:

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      wet : Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • b.

      regeling : Gemeenschappelijke regeling GGD Hart voor Brabant;

    • c.

      gemeenten : aan de regeling deelnemende gemeenten;

    • d.

      college : College van burgemeester en wethouders

    • e.

      werkgebied : gebied van de aan deze regeling deelnemende gemeenten;

    • f.

      Brabant-Noord : het deel van het werkgebied, dat bestaat uit het gebied van de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Boxtel, Cuijk, Grave, Haaren, 's-Hertogenbosch, Heusden, Landerd, Lith, Maasdonk, Mill en Sint Hubert, 0ss, Schijndel, Sint Anthonis, Sint-Michielsgestel, Sint-Oedenrode, Uden, Veghel en Vught;

    • g.

      Midden-Brabant : het deel van het werkgebied dat bestaat uit het gebied van de gemeenten Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Tilburg en Waalwijk;

    • h.

      Gedeputeerde Staten : het College van Gedeputeerde Staten van Noord Brabant;

    • i.

      GGD : Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst;

    • j.

      geneeskundige hulpverlening : naar aanleiding van een zwaar ongeval of een ramp als bedoeld in artikel 1, het organiseren van de medische hulpverlening onderdeel b, van de Wet rampen en zware ongevallen, de gewondenzorg door militairen daaronder niet begrepen.

  • 2. Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, wordt in die artikelen in plaats van ‘de gemeente’, de ‘raad’, ‘burgemeester en wethouders’ en ‘de burgemeester’ respectievelijk gelezen: ‘de GGD’, ‘het Algemeen Bestuur’, ‘het Dagelijks Bestuur’ en ‘de voorzitter’.

Artikel 2. Het openbaar lichaam

Er is een openbaar lichaam, genaamd GGD Hart voor Brabant, gevestigd te Tilburg.

HOOFDSTUK 2. Doelstelling en taken

Artikel 3. Algemene doelstelling

De GGD heeft tot doel een bijdrage te leveren aan de openbare gezondheidszorg.

Artikel 4. Taken

  • 1 De gemeenten dragen aan de GGD met inachtneming van het bepaalde in artikel 5a van de Wet collectieve preventie volksgezondheid de uitvoering van de gemeentelijke taken op die worden genoemd in de artikelen 2 tot en met 3a van de Wet collectieve preventie volksgezondheid en van de toezichtstaken die worden genoemd in de Wet kinderopvang.

  • 2 Gemeenten of derden kunnen aan de GGD de uitvoering van producten (doen) opdragen in het kader van de sociaal-medische advisering en de geneeskundige hulpverlening.

  • 3 De taken van de GGD zijn ondergebracht in basistaken en plustaken. De basistaken vloeien voort uit wettelijke verplichtingen en de keuzes van het Algemeen Bestuur en vormen naar omvang een verplicht pakket.

  • 4 Het Algemeen Bestuur stelt de inhoud van de basistaken vast bij de vaststelling van de begroting als bedoeld in artikel 22 van deze regeling.

  • 5 De basistaken zijn gesplitst in een uniform pakket en een maatwerkpakket. Het uniform pakket wordt aangeboden aan alle gemeenten en wordt uitgevoerd afhankelijk van de doelgroep en de problematiek.

  • 6 Het maatwerkpakket is door iedere gemeente individueel samen te stellen. bijvoorbeeld op basis van zijn gezondheidsbeleid.

  • 7 De afname van plustaken door de gemeenten is geheel vrijwillig.

  • 8 Het Algemeen Bestuur stelt de tarieven vast voor de producten in het maatwerkpakket en voor de plustaken.

  • 9 De GGD levert de producten uit het maatwerkpakket en de plustaken verder op basis van de voorwaarden zoals het Dagelijks Bestuur die heeft vastgesteld.

HOOFDSTUK 3. De bestuursorganen -samenstelling

Artikel 5. Samenstelling bestuur

  • 1 Het bestuur van de GGD bestaat uit een Algemeen Bestuur. een Dagelijks Bestuur en een voorzitter.

  • 2 Het Algemeen Bestuur staat aan het hoofd van de GGD.

  • 3 De voorzitter is zowel voorzitter van het Algemeen Bestuur als van het Dagelijks Bestuur.

Artikel 6. Samenstelling, benoeming en ontslag van het Algemeen Bestuur

  • 1 Het Algemeen Bestuur bestaat uit evenveel leden als het aantal gemeenten. Iedere gemeente wordt door één lid vertegenwoordigd. Ieder lid heeft een plaatsvervanger.

  • 2 De leden van het Algemeen Bestuur worden zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twaalf weken na aanvang van de zittingsperiode van de gemeenteraden door die raden uit hun midden, hun voorzitters inbegrepen en uit hun wethouders, aangewezen.

  • 3 Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur eindigt met ingang van de dag, waarop de zittingsperiode van de gemeenteraden afloopt.

  • 4 Als de leden van het Algemeen Bestuur ophouden lid van de gemeenteraad, voorzitter daarvan of wethouder te zijn, houden zij van rechtswege ook op lid van het Algemeen Bestuur te zijn. Die gemeenteraad voorziet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twaalf weken, in de vacature.

  • 5 Van elke aanwijzing tot lid van het Algemeen Bestuur geeft het college dat het aangaat binnen één week kennis aan de voorzitter van het Algemeen Bestuur.

  • 6 Een lid van het Algemeen Bestuur dat het vertrouwen niet meer bezit van de raad die hem als lid heeft aangewezen, kan, nadat dit lid in de gelegenheid is geweest zich te verantwoorden, door die raad als zodanig worden ontslagen. De artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet zijn dan van overeenkomstige toepassing. Op dit ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  • 7 Het bepaalde in de leden 2 tot en met 6 van dit artikel is mede van toepassing op de plaatsvervangers als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

  • 8 Het Algemeen Bestuur kan zich in zijn werkzaamheden laten bijstaan door een of meer adviseurs.

Artikel 7. Samenstelling, benoeming en ontslag van het Dagelijks Bestuur

  • 1 Het Algemeen Bestuur wijst bij het begin van elke zittingsperiode uit zijn midden de leden van het Dagelijks Bestuur aan.

  • 2 Het Dagelijks Bestuur bestaat uit minimaal zes leden en maximaal zeven, de voorzitter daaronder begrepen.

  • 3 Bij de zetelverdeling streeft het Algemeen Bestuur naar een spreiding over het werkgebied.

  • 4 Drie leden van het Dagelijks Bestuur worden aangewezen uit de leden die de gemeenten vertegenwoordigen met meer dan 75.000 inwoners. Een lid van het Dagelijks Bestuur wordt aangewezen uit de leden die de gemeenten vertegenwoordigen met meer dan 35.000 maar minder dan 75.000 inwoners. Twee leden van het Dagelijks Bestuur worden aangewezen uit de leden die de gemeenten vertegenwoordigen met minder dan 35.000 inwoners.

  • 5 Hij die ophoudt lid van het Algemeen Bestuur te zijn, houdt ook op lid van het Dagelijks Bestuur te zijn.

  • 6 Als tussentijds een plaats in het Dagelijks Bestuur beschikbaar komt, kiest het Algemeen Bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid.

  • 7 Onverminderd het bepaalde in lid 5 van dit artikel en lid 4 van artikel 6 blijft degene die geen lid meer is van het Dagelijks Bestuur zijn zetel waarnemen totdat zijn opvolger die heeft aanvaard.

  • 8 Het Algemeen Bestuur kan het Dagelijks Bestuur of een of meer leden daarvan ontslag verlenen als het of deze(n) het vertrouwen van het Algemeen Bestuur niet meer bezit of bezitten, nadat het, hij of zij de gelegenheid is geboden zich te verantwoorden en voorts met overeenkomstige toepassing van de artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet. Op dit ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  • 9 Het Dagelijks Bestuur kan zich in zijn werkzaamheden laten bijstaan door een of meer adviseurs.

Artikel 8. Aanwijzing voorzitter en plaatsvervangend voorzitter

  • 1. Het Algemeen Bestuur wijst de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter uit zijn midden aan.

  • 2. De voorzitter vertegenwoordigt de GGD in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.

  • 3. De voorzitter en de secretaris ondertekenen de stukken die van het openbaar lichaam uitgaan. Het Algemeen Bestuur kan de voorzitter toestaan de ondertekening op te dragen aan de secretaris.

Artikel 9. Vergoeding bestuur

  • 1 De leden van het Algemeen Bestuur en van het Dagelijks Bestuur kunnen, als het Algemeen Bestuur daartoe besluit, een tegemoetkoming in de kosten en, voor zover zij niet de functie van wethouder of burgemeester vervullen, een vergoeding voor hun werkzaamheden ontvangen.

  • 2 Het Algemeen Bestuur brengt besluiten over deze vergoedingen ter kennis van Gedeputeerde Staten.

HOOFDSTUK 4. De bestuursorganen - bevoegdheden

Artikel 10. Algemene bevoegdheidstoedeling

  • 1 Voor de bevoegdheden van de bestuursorganen zijn van overeenkomstige toepassing de regels, in de ruimste zin, die bij of krachtens de Gemeentewet zijn gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de gemeentebesturen over de gemeentelijke bestuursorganen, voor de uitoefening van die bevoegdheden en voor het toezicht daar op. Dit geldt niet voor zover daarvan bij of krachtens de wet of deze regeling is afgeweken.

  • 2 Het Dagelijks Bestuur draagt de uitoefening van zijn bevoegdheden voor zover als mogelijk in mandaat op aan de directie. Een door het Dagelijks Bestuur vast te stellen organisatieverordening beschrijft de taken van de directie en de wijze waarop het Dagelijks Bestuur toeziet op de uitvoering daarvan.

HOOFDSTUK 5. Verantwoording en inlichtingen

Artikel 11. Verantwoording- en inlichtingenplicht

  • 1. Het Algemeen Bestuur is verplicht de gemeentebesturen desgevraagd, en in ieder geval binnen zes weken, te informeren en inlichtingen te verschaffen over alle zaken betreffende deze regeling.

  • 2. Het Algemeen Bestuur is bevoegd om, gevraagd of ongevraagd, aan een of meer gemeentebesturen advies te geven of voorstellen te doen, die hij in verband met deze regeling nodig acht.

  • 3. Elk lid van het Algemeen Bestuur is verplicht de door een of meer leden van de raad die hem heeft aangewezen gevraagde inlichtingen te verstrekken. Hij verstrekt de gevraagde inlichtingen aan de raad zo spoedig mogelijk nadat hem daarom is gevraagd, dit in overeenstemming met het reglement van orde van de betreffende raad.

  • 4. Elk lid van het Algemeen Bestuur is verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde beleid aan de raad die hem als lid aangewezen heeft. Hij legt deze verantwoording zo spoedig mogelijk af nadat hem daarom gevraagd is, dit in overeenstemming met het reglement van orde van de betreffende raad.

  • 5. De leden van het Dagelijks Bestuur zijn gezamenlijk en ieder afzonderlijk verantwoording schuldig aan het Algemeen Bestuur voor het door het Dagelijks Bestuur gevoerde bestuur en geven hierover alle door het Algemeen Bestuur verlangde inlichtingen; een en ander voor zover dit niet strijdig is met het openbaar belang en in ieder geval binnen zes weken.

HOOFDSTUK 6. De bestuursorganen - werkwijze

Artikel 12. Vergaderingen van het Algemeen Bestuur

  • 1 De artikelen 16, 17, 19, 20, 22, 26 en 28 tot en met 33 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing op het houden en de orde van de vergaderingen van het Algemeen Bestuur, voor zover daarvan bij de wet niet is afgeweken.

  • 2 Het Algemeen Bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en verder zo dikwijls als de voorzitter of het Dagelijks Bestuur dit nodig oordeelt of tenminste vijf leden dit schriftelijk verzoeken, onder opgave van de te behandelen onderwerpen.

  • 3 Artikel 19 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat de openbare kennisgeving op verzoek van de voorzitter geschiedt door de burgemeester van de gemeenten.

  • 4 Elk lid heeft in de vergaderingen van het Algemeen Bestuur een stem.

  • 5 Het Algemeen Bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden en regelt hoe ambtelijke bijstand wordt verleend aan het bestuur.

Artikel 13. Openbaarheid

    • 1.

      De vergaderingen van het Algemeen Bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer tenminste een vijfde van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Artikel 25 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

    • 2.

      In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over:

    • a.

      het vaststellen of wijzigen van de begroting;

    • b.

      het vaststellen van de rekening;

    • c.

      het vaststellen, wijzigen of intrekken van verordeningen.

Artikel 14. De werkwijze van het Dagelijks Bestuur

  • 1. Het Dagelijks Bestuur vergadert tenminste zesmaal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of tenminste drie leden van het Dagelijks Bestuur dit schriftelijk verzoeken, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, in welk geval de vergadering binnen veertien dagen plaatsvindt.

  • 2. De artikelen 28, eerste tot en met derde lid, 29, 30 en 56 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Elk lid heeft in de vergadering van het Dagelijks Bestuur een stem.

  • 4. De stemming in het Dagelijks Bestuur geschiedt mondeling, tenzij de voorzitter of een der leden verzoekt om schriftelijke stemming. De secretaris heeft in de vergaderingen een adviserende stem.

  • 5. Het Dagelijks Bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

Artikel 15. Commissies

  • 1. Het Algemeen Bestuur kan commissies van advies en commissies ter behartiging van bepaalde belangen instellen. De secretaris heeft in deze commissies een adviserende stem.

  • 2. Het Algemeen Bestuur stelt in ieder geval als adviescommissie in de Commissie onderzoek begroting en rekening. Deze commissie komt minstens een maal per jaar bijeen.

HOOFDSTUK 7. Personeel en organisatie

Artikel 16. De directie

  • 1. Aan het hoofd van de GGD staat een directie die belast is met de dagelijkse leiding en het beheer van de dienst. Het Algemeen Bestuur benoemt en ontslaat de directie op voorstel van het Dagelijks Bestuur.

  • 2. Op voorstel van het Dagelijks Bestuur kan het Algemeen Bestuur besluiten een tweehoofdige directie aan te stellen.

  • 3. De directie is secretaris van het Algemeen en Dagelijks Bestuur. De artikelen 102 tot en met 105 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Bij een tweehoofdige directie functioneert de door het Algemeen Bestuur aangewezen directeur als secretaris.

  • 5. De secretaris woont de vergaderingen bij van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur en heeft daarin een adviserende stem.

  • 6. De directie is bestuurder in de zin van de Wet op de ondernemingsraden.

Artikel 17. Rechtspositieregeling

Het Algemeen Bestuur stelt voor het personeel van de GGD de rechtspositieregeling vast en volgt daarbij hij het VNG-model van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst.

Artikel 18. Organisatieverordening

Bij of krachtens een door het Dagelijks Bestuur vast te stellen organisatieverordening worden de inrichting van de ambtelijke organisatie, de op te dragen bevoegdheden en de medische verantwoordelijkheid nader geregeld.

Artikel 19. Archief

  • 1. Het Dagelijks Bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de GGD en stelt daarvoor een regeling vast.

  • 2. De directie is belast met het beheer van de archiefbescheiden.

  • 3. Bij opheffing van de regeling worden de archiefbescheiden geplaatst in een door het Dagelijks Bestuur aan te wijzen archiefbewaarplaats.

  • 4. De gemeentearchivaris van de gemeente 's-Hertogenbosch oefent de inspectie uit op het beheer van de archiefbescheiden, als bedoeld in artikel 25, lid 2, van de Archiefwet.

HOOFDSTUK 8. Financiële bepalingen

Artikel 20. Middelenbeheer

  • 1. De geldmiddelen van de GGD worden afzonderlijk beheerd.

  • 2. Het Dagelijks Bestuur stelt bij of krachtens de beheersverordening nadere regels voor de financiële administratie en het geldverkeer.

  • 3. Voor de controles op het geldelijk beheer en de boekhouding zijn de artikelen 213,214 en 215 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De GGD neemt deel in de Frauderisico-Onderlinge van Gemeenten.

Artikel 21. Dienstjaar

Het dienstjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

Artikel 22. De begroting

  • 1. Het Dagelijks Bestuur maakt elk jaar op voorstel van de directie een ontwerpbegroting voor het komend dienstjaar op en een meerjarenraming, voorzien van de nodige toelichting en specificaties.

  • 2. Uiterlijk 15 april stuurt het Dagelijks Bestuur de ontwerpbegroting, de meerjarenraming en een raming van de door elke gemeente verschuldigde inwonersbijdrage toe aan de gemeenten en aan het Algemeen Bestuur.

  • 3. De besturen van de gemeenten leggen de ontwerpbegroting voor een ieder ter inzage, stellen deze, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar en geven hiervan openbaar kennis. Het Algemeen Bestuur beraadslaagt over de ontwerpbegroting niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.

  • 4. De inwonersbijdragen, bedoeld in lid 2 van dit artikel, voor de activiteiten bedoeld onder artikel 4, lid 1 worden vastgesteld op basis van het aantal inwoners per 1 januari van het jaar voorafgaande aan het dienstjaar conform de door het Centraal Bureau voor de Statistiek gepubliceerde bevolkingscijfers. De overige bijdragen van de gemeenten en derden worden bepaald op grond van tarieven per verrichting, zoals vastgesteld door het Algemeen Bestuur.

  • 5. De raden van de gemeenten kunnen binnen zes weken na toezending van de ontwerpbegroting bij het Dagelijks Bestuur schriftelijk hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

  • 6. Het Dagelijks Bestuur voegt deze zienswijzen bij de ontwerpbegroting zoals hij deze aanbiedt aan het Algemeen Bestuur. Hij brengt ook het advies van de Commissie onderzoek begroting en rekening ter kennis van het Algemeen Bestuur. Het Dagelijks Bestuur biedt de ontwerpbegroting, vergezeld van de eventuele reacties van de gemeenten en de adviezen van de genoemde Commissie uiterlijk 20 juni aan het Algemeen Bestuur aan.

  • 7. Vervolgens stelt het Algemeen Bestuur de begroting vast v66r 1 juli.

  • 8. Het Dagelijks Bestuur stuurt de vastgestelde begroting binnen twee weken na vaststelling toe aan de raden van de gemeenten. Ais de vastgestelde begroting niet afwijkt van de eerder verzonden ontwerpbegroting kan het Dagelijks Bestuur volstaan met een schriftelijke mededeling daarover.

  • 9. De raden kunnen hierover schriftelijk bij Gedeputeerde Staten hun zienswijze naar voren brengen en zenden dan een afschrift van dit schrijven aan het Dagelijks Bestuur.

  • 10. Ais de begroting en de begrotingswijzigingen de goedkeuring behoeven van Gedeputeerde Staten, moet onder het achtste lid gelezen worden dat de begroting ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten wordt toegezonden. Artikel 208 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 11. Op een begrotingswijziging zijn de bepalingen van dit artikel zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing, voor zover die wijziging zal leiden tot een verhoging van de inwonersbijdragen voor de taken van artikel 4, lid 1. Andere begrotingswijzigingen kunnen vastgesteld worden door het Algemeen Bestuur zonder toepassing van de leden 6 en 7 van dit artikel.

Artikel 23. De jaarrekening

  • 1. Het Dagelijks Bestuur stelt elk jaar de jaarrekening over het voorgaande jaar op. Hij zendt uiterlijk 15 april deze jaarrekening met de daarbij behorende stukken aan de gemeenten en ter controle naar de accountant, met het verzoek zo spoedig mogelijk het accountantsrapport uit te brengen.

  • 2. De jaarrekening bevat de door elke gemeente werkelijk verschuldigde bijdrage. Het bepaalde in artikel 24, lid 3 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Nadat de Commissie onderzoek begroting en rekening advies heeft uitgebracht over de ontwerpjaarrekening, het accountantsrapport en de eventuele opmerkingen van de gemeenten, stelt het Algemeen Bestuur de rekening vast v66r 1 juli.

  • 4. Het Dagelijks Bestuur stelt de gemeenten in kennis van de vaststelling van de jaarrekening.

  • 5. De vaststelling van de jaarrekening ontlast de leden van het Dagelijks Bestuur en de controller van het daarin verantwoorde financieel beheer, behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden.

Artikel 24. Bijdragen gemeenten en derden

  • 1. De gemeenten betalen de helft van de in de begroting geraamde bijdrage v66r respectievelijk 16 februari en 16 juli, behalve wanneer het Algemeen Bestuur anders besluit. Bij te late betaling is de wettelijke rente verschuldigd.

  • 2. De betaling van de activiteiten genoemd onder artikel 4 lid 7 vindt plaats na declaratie.

  • 3. Een mogelijk nadelig saldo zoals dat in de jaarrekening is vastgesteld, wordt verrekend met hiertoe te vormen reserves als bedoeld in artikel 25.

Artikel 25. Reservevorming

Reserves en voorzieningen worden gevormd overeenkomstig de door het Algemeen Bestuur vast te stellen Nota reserves en voorzieningen.

HOOFDSTUK 9. Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

Artikel 26. Toetreding

  • 1. Voor de toetreding van een gemeente volstaan de eensluidende besluiten van de raad en het college van die gemeente. Die toetreding behoeft de instemming van het Algemeen Bestuur.

  • 2. Aan de toetreding kan het Algemeen Bestuur voorwaarden verbinden.

  • 3. Het Algemeen Bestuur geeft van elk bericht van toetreding kennis aan de gemeenten en aan Gedeputeerde Staten.

Artikel 27. Uittreding

  • 1. Elke gemeente kan bij eensluidende besluiten van raad en college de deelname aan deze regeling opzeggen met ingang van twee kalenderjaren na het jaar waarin dit besluit is genomen. De gemeente brengt zo'n besluit terstond ter kennis van het Dagelijks Bestuur.

  • 2. Het Algemeen Bestuur regelt de financiële verplichtingen en de overige gevolgen van de uittreding.

  • 3. Ais het Algemeen Bestuur bij meerderheid van tenminste twee derde van het aantal uitgebrachte stemmen daartoe besluit, kan hij een kortere termijn toestaan dan de in lid 1 genoemde termijn.

  • 4. Het Algemeen Bestuur brengt elk besluit tot uittreding terstond ter kennis van de gemeenten en Gedeputeerde Staten.

Artikel 28. Wijziging en opheffing

  • 1. De gemeenten gaan deze regeling aan voor onbepaalde tijd.

  • 2. Wijziging of opheffing van de regeling vindt plaats bij eensluidende besluiten van de raden en de colleges van tenminste tweederde van de gemeenten, die samen tweederde van het aantal inwoners van het werkgebied omvatten. Een voorstel daartoe kan worden gedaan door het Algemeen Bestuur of door de colleges van tenminste vijf gemeenten.

  • 3. Als een voorstel als bedoeld in het vorige lid uitgaat van colleges, dienen zij dit in bij het Algemeen Bestuur. Het Algemeen Bestuur legt het voorstel ter beslissing voor aan de raden van de gemeenten.

  • 4. Bij opheffing van de regeling stelt het Algemeen Bestuur een regeling vast voor de gevolgen van de opheffing.

  • 5. Zonodig blijven de bestuursorganen functioneren tot de liquidatie voltooid is.

  • 6. Het Algemeen Bestuur brengt elk besluit tot opheffing of wijziging van deze regeling terstond ter kennis van de gemeenten en Gedeputeerde Staten.

  • 7. Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam blijven hun functies vervullen tot de benoeming van alle colleges is beëindigd en in hun opvolging is voorzien.

HOOFDSTUK 10. Slotbepaling

Artikel 29

  • 1.

    De regeling kan worden aangehaald onder de titel 'Gemeenschappelijke regeling GGD Hart voor Brabant'.

  • 2.

    De deelnemende gemeenten dragen zorg voor de bekendmaking van deze regeling.

  • 3.

    Deze regeling kent een toelichting.

  • 4.

    Het gemeentebestuur van de gemeente Tilburg is aangewezen als het gemeentebestuur bedoeld in artikel 26 van de wet.

  • 5.

    In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het Algemeen Bestuur.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door het college van de gemeente Uden
in zijn vergadering van 19 april 2005
de secretaris, de voorzitter,
Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Uden
in zijn vergadering van 23 juni 2005
de griffier, de voorzitter,
Voor akkoord, de burgemeester van de gemeente Uden
de burgemeester,

InhoudsopgaveBladzijde

HOOFDSTUK 1. Algemene bepalingen 1

Artikel 1. Begripsbepalingen 1

Artikel 2. Het openbaar lichaam 2

HOOFDSTUK 2. Doelstelling en taken 2

Artikel 3. Algemene doelstelling 2

Artikel 4. Taken 2

Artikel 5. Samenstelling bestuur 3

Artikel 6. Samenstelling, benoeming en ontslag van het Algemeen Bestuur 3

Artikel 7. Samenstelling, benoeming en ontslag van het Dagelijks Bestuur 3

Artikel 8. Aanwijzing voorzitter en plaatsvervangend voorzitter 4

Artikel 9. Vergoeding bestuur 4

HOOFDSTUK 4. De bestuursorganen - bevoegdheden 4

Artikel 10. Algemene bevoegdheidstoedeling 4

HOOFDSTUK 5. Verantwoording en inlichtingen 4

Artikel 11. Verantwoording- en inlichtingenplicht 4

HOOFDSTUK 6. De bestuursorganen - werkwijze 5

Artikel 12. Vergaderingen van het Algemeen Bestuur 5

Artikel 13. Openbaarheid 5

Artikel 14. De werkwijze van het Dagelijks Bestuur 5

Artikel 15. Commissies 5

HOOFDSTUK 7. Personeel en organisatie 6

Artikel 16. De directie 6

Artikel 17. Rechtspositieregeling 6

Artikel 18. Organisatieverordening 6

Artikel 19. Archief 6

HOOFDSTUK 8. Financiële bepalingen 6

Artikel 20. Middelenbeheer 6

Artikel 21. Dienstjaar 6

Artikel 22. De begroting 7

Artikel 23. De jaarrekening 7

Artikel 24. Bijdragen gemeenten en derden 8

Artikel 25. Reservevorming 8

HOOFDSTUK 9. Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing 8

Artikel 26. Toetreding 8

Artikel 27. Uittreding 8

Artikel 28. Wijziging en opheffing 8

HOOFDSTUK 10. Slotbepaling 9

Artikel 29 9

Toelichting Gemeenschappelijke regeling GGD Hart voor Brabant 1

Artikelsgewijze toelichting 2

Artikel 4. Taken 2

Artikel 7. Samenstelling, benoeming en ontslag van het dagelijks bestuur 4

Artikel 10. Algemene bevoegdheidsverdeling 4

Artikel 12. Vergaderingen van het Algemeen Bestuur 5

Artikel 15. Commissies 5

Artikel 22. en 23. Begroting en Jaarrekening 5

Toelichting Gemeenschappelijke regeling GGD Hart voor Brabant

Algemeen

In deze regeling is zoveel mogelijk aangesloten bij de bepalingen in de Wet gemeenschappelijke regelingen en/of de Gemeentewet. Hieronder volgt, waar nodig, een toelichting op de artikelen van deze regeling. Overal waar 'hij' of 'zijn' staat, zou even goed 'zij' of 'haar' kunnen staan.

Aanhef

In de aanhef staat een aantal uitgangspunten voor het bestuursmodel dat is vastgelegd in de regeling. Deze kunnen als volgt worden toegelicht.

Gemeenten worden door de Wet collectieve preventie volksgezondheid (artikel 5) verplicht een gezondheidsdienst in te stellen en in stand te houden voor de uitvoering van taken genoemd in die wet. Om deze verantwoordelijkheid optimaal te behartigen, hebben de genoemde gemeenten per 1 januari 2001 een gemeenschappelijke regeling ingesteld, als rechtsopvolger van de opgeheven gemeenschappelijke regelingen van de GGD Midden-Brabant, de GGD Regio 's-Hertogenbosch en de GGD Brabant-Noordoost.

Wijzigingen t. o. v. de oude regeling

In deze (nieuwe) regeling zijn ontwikkelingen verwerkt die zich na 1 januari 2001

hebben voorgedaan:

  • -

    het verdwijnen van Ravenstein als zelfstandige gemeente (per 1 januari 2003);

  • -

    het instellen van de nieuwe Gemeenschappelijke regeling Hulpverleningsdienst Brabant-Noord per 1 januari 2003;

  • -

    de Wet kwaliteitsbevordering rampenbestrijding (ingangsdatum: 1 januari 2005), die het GHOR-bestuur verantwoordelijk maakt voor het in stand houden van de (infrastructuur van de) meldkamer ambulancezorg;

  • -

    het voorstel voor de Wet ambulancezorg, die moet ingaan per 01-01-2006 en die de verantwoordelijkheid voor de ambulancezorg legt bij een Regionale Ambulancevoorziening. Tegelijk met deze wijziging ligt er bij de gemeenten nu een voorstel voor een nieuwe gemeenschappelijke regeling voor de ambulancezorg;

  • -

    de per 01-01-2003 gewijzigde Wet collectieve preventie volksgezondheid (WCPV) en het Besluit jeugdgezondheidszorg, die duidelijker dan daarvoor de gemeentelijke taken regelen en daarvoor ook de nieuwe termen 'uniform deel' en 'maatwerkdeel' gebruiken. Daardoor was het nodig om deze begrippen te gaan gebruiken en ook te definiëren (zie artikel 4);

  • -

    de nieuwe Wet kinderopvang, die de GGD'en aanwijst voor het toezicht op die kinderdagverblijven.

De functie van het bestuursorgaan burgemeester had in de vorige regeling een plaats vanwege de relatie met de rampenbestrijding (geneeskundige hulpverlening). Deze taak hebben de gemeenten opgedragen aan afzonderlijke gemeenschappelijke regelingen, zodat de nieuwe regeling slechts wordt aangegaan door raden en colleges. Van de burgemeester wordt wei zijn akkoord gevraagd met deze wijziging.

Het bestuursmodel van de GGD hangt nauw samen met de relatie tussen gemeenten en GGD en de werkwijze van de GGD. Centraal hierin staat dat de gemeenten politieke en bestuurlijk verantwoordelijk zijn voor het gezondheidsbeleid. De functies van de GGD -preventie en acute zorg-zijn bij uitstek overheidstaken. De minister van VWS heeft ook uitgesproken dat hier duidelijk plaats is voor een publiekrechtelijke organisatie met publiekrechtelijke taken.

De gemeente formuleert zijn lokaal gezondheidsbeleid en stuurt de GGD vanuit dit kader aan. De GGD moet dan ook genoeg keuzevrijheid bieden en voldoende flexibel zijn om aan te sluiten op de lokale wensen. Maar hij moet ook bedrijfsmatig optimaal kunnen opereren om daarmee de risico's voor de gemeenten te minimaliseren.

De uitgangspunten bij de vormgeving van de bestuurlijke structuur zijn dan ook:

Gemeenten hebben bij een regierol ten opzichte van de GGD. Daarnaast moeten zij de GGD zo nodig direct kunnen inzetten.

Er moet ruimte zijn voor gemeenten om de GGD zowel individueel als gezamenlijk aan te sturen.

De GGD functioneert vanuit de door de gemeenten geformuleerde kaders als een zelfstandige, professionele organisatie: het beheer van de organisatie is geprofessionaliseerd en voor het beheer functioneert het bestuur op afstand.

De structuur moet toegankelijk zijn: gemeenten moeten kunnen ingrijpen als de GGD de taken niet goed uitvoert. Een gemeenschappelijke regeling maakt dit mogelijk.

Van belang is dat de GGD een slagvaardige bedrijfsvoering kan voeren, die leidt tot het behalen van de door de gemeenten geformuleerde doelen. Daarbij kunnen de gemeenten inhoudelijke kaders stellen en op afstand toezicht houden op het beheer van de GGD.

Het Algemeen Bestuur richt zich vooral op de beleidskaders, de begroting en de rekening.

Het Dagelijks Bestuur richt zich vooral op de toezicht op de directie.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 4. Taken

Artikel 4 van deze regeling beschrijft het pakket van de GGD in globale termen. Hierdoor houdt het Algemeen Bestuur zijn expliciete bevoegdheid om zelf de omvang en de inhoud van dat pakket bij te stellen als hij dat nodig vindt. Het geëigende moment daarvoor is de jaarlijkse vaststelling van de productbegroting.

De GGD is niet de enige organisatie die deze taken kan of moet uilvoeren, zie artikel 5a van de WCPV: de gemeente kan taken op het gebied van de jeugdgezondheidszorg ook aan andere instellingen opdragen.

Bij de invoering van de gewijzigde WCPV per 1 januari 2003 zijn de basistaken van de gemeenten redelijk nauwkeurig omschreven, vooral op het gebied van de jeugdgezondheidszorg (uitgewerkt in het Besluit jeugdgezondheidszorg). Daardoor heeft het Algemeen Bestuur bij de jaarlijkse) vaststelling van de basistaken voor de jeugdgezondheidszorg minder beleidsvrijheid, maar bijvoorbeeld bij het onderdeel gezondheidsbevordering veel meer. Dit heeft natuurlijk ook gevolgen voor het maatwerkpakket. Voor de jeugdgezondheidszorg, met haar veelheid aan uniforme en verplichte producten, zullen de gemeenten immers minder maatwerkproducten kiezen dan bijvoorbeeld voor gezondheidsbevordering.

De uitvoering van het uniform pakket kan per gemeente verschillen: niet alle gemeenten of directe klanten zullen evenveel gebruik maken van dit uniforme aanbod. Soms is dit afhankelijk van incidenten (bijv. een infectieziekte of een crisissituatie op een school), soms van de bevolkingssamenstelling (bijvoorbeeld bij sociaal-economische gezondheidsverschillen) of van het beroep wat op de GGD wordt gedaan (bijvoorbeeld het documentatiecentrum of de website). En natuurlijk zijn de burger of de instelling zelf niet verplicht om gebruik te maken van het GGDaanbod (bijvoorbeeld bij gezondheidsonderzoeken of lespakketten).

Het begrip 'plustaak' is bewust niet gedefinieerd. Dit geeft het Algemeen Bestuur de mogelijkheid om een aantal concrete producten uitdrukkelijk als plustaak te benoemen. Maar het is ook mogelijk om dit begrip een louter financiële betekenis te geven, bijvoorbeeld door als plusproduct te benoemen elk product waarvoor betaald wordt buiten de inwonersbijdrage. Gemeenten en derden kunnen er op contractbasis voor kiezen deze taken bij de GGO af te nemen.

Hieronder volgen nog enkele relevante bepalingen uit de Wet collectieve preventie volksgezondheid.

Artikel 2

  • 1.

    De gemeenteraad bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen collectieve preventie alsmede de onderlinge afstemming tussen deze collectieve preventie en de curatieve gezondheidszorg.

  • 2.

    Ter verwezenlijking van het bepaalde in het eerste lid draagt de gemeenteraad in ieder geval zorg voor:

  • a.

    het verwerven van, op epidemiologische analyse gebaseerd, inzicht in de gezondheidssituatie van de bevolking; deze taak omvat in ieder geval het eenmaal per vier jaar, voorafgaand aan de opstelling van de nota gemeentelijk gezondheidsbeleid, bedoeld in artikel 3b, op landelijk gelijkvormige wijze verzamelen en analyseren van gegevens omtrent deze gezondheidssituatie. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hieraan nadere regels worden gesteld.;

  • b.

    het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen;

  • c.

    het bijdragen aan opzet, uitvoering en afstemming van preventieprogramma’s, met inbegrip van gezondheidsvoorlichting en -opvoeding;

  • d.

    het bevorderen van medisch-milieukundige zorg, waaronder in ieder geval wordt verstaan het signaleren van ongewenste situaties, het adviseren over risico's, in het bijzonder bij rampen of dreiging van rampen, het beantwoorden van vragen uit de bevolking, het geven van voorlichting en het doen van onderzoek;

  • e.

    het bevorderen van technische hygiënezorg, waaronder in ieder geval wordt verstaan het bijhouden van een lijst met instellingen waar, gezien de aard van de doelgroep en de omstandigheden waaronder de activiteiten worden verricht, een verhoogd risico bestaat op verspreiding van pathogene micro-organismen, het adviseren van deze instellingen over mogelijkheden op het gebied van bouw, inrichting en organisatie van de activiteiten om deze risico's te verkleinen, het signaleren van ongewenste situaties, het beantwoorden van vragen uit de bevolking en hel geven van voorlichting;

  • f.

    het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg, waaronder in ieder geval wordt verstaan het signaleren en bestrijden van risicofactoren op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg, het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen en risicogroepen, het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis of dreiging van crisis bij kwetsbare personen en risicogroepen, het bieden van psychosociale hulp bij rampen en het tot stand brengen van afspraken tussen belrokken organisaties over de uitvoering van de openbare geestelijke gezondheidszorg.

  • 3.

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de in het tweede lid, onder a en onder c t0t en met f, vermelde werkzaamheden nader worden uitgewerkt.

Artikel 3

  • 1.

    De gemeenteraad draagt zorg voor de uitvoering van de infectieziektebestrijding, waaronder in ieder geval wordt verslaan algemene infectieziektebestrijding, bestrijding van seksueel overdraagbare aandoeningen. waaronder aids, tuberculosebestrijding, bron-en contactopsporing bij vermoeden op epidemieën van infectieziekten, het beantwoorden van vragen uit de bevolking en het geven van voorlichting en begeleiding, voor zover dit bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.

  • 2.

    Onze Minister kan ter zake van de bestrijding van een epidemie van infectieziekten een aanwijzing geven aan de gemeenteraad, indien deze niet of niet naar behoren maatregelen treft ter bestrijding van de epidemie, terwijl er ernstig gevaar voor de volksgezondheid dreigt en een bovenregionale verspreiding van de desbetreffende infectieziekte te verwachten is.

  • 3.

    Onze Minister pleegt over een voornemen tot het geven van een aanwijzing overleg met de gemeenteraad. Hij deelt het nemen van de aanwijzing, onder vermelding van de redenen daarvoor, mee aan de beide kamers van de Staten-Generaal.

Artikel 3a

  • 1

    De gemeenteraad draagt eveneens zorg voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg.

  • 2

    Ter verwezenlijking van het eerste lid draagt de gemeenteraad in ieder geval zorg voor:

  • a.

    het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van jeugdigen en van gezondheidsbevorderende en bedreigende factoren;

  • b.

    het ramen van de behoeften aan zorg;

  • c.

    de vroegtijdige opsporing en preventie van specifieke stoornissen, met uitzondering van de perinatale schending op phenylketonurie (PKU), congenitale hypothyroïdie (CHT) en adrenogenitaal syndroom (AGS) en het aanbieden van vaccinaties voortkomend uit het Rijksvaccinatieprogramma;

  • d.

    het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding;

  • e.

    het formuleren van maatregelen ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen.

  • 3

    Bij algemene maatregel van bestuur kunnen de in het tweede lid genoemde taken nader worden uitgewerkt.

Artikel 7. Samenstelling, benoeming en ontslag van het dagelijks bestuur

In het Algemeen Bestuur zijn alle gemeente op een gelijkwaardige wijze vertegenwoordigd: één gemeente, één stem. In het Dagelijks Bestuur zullen minimaal zes en maximaal zeven leden -inclusief de voorzitter-zitting hebben uit de kring van de gemeenten. De zetelverdeling gaat ervan uit dat de gemeenten met een GGDvestiging tenminste in het Dagelijks Bestuur vertegenwoordigd zijn en dat er verder een zekere spreiding is over het werkgebied.

Artikel 10. Algemene bevoegdheidsverdeling

Het Dagelijks Bestuur is primair bestuurlijk verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van de GGD. Het vult deze verantwoordelijkheid in met een toezichtsmodel: het Dagelijks Bestuur mandateert een groot deel van zijn bevoegdheden -binnen nader door het bestuur vast te stellen randvoorwaarden- aan de directie en houdt toezicht op de manier waarop de directie dit mandaat invult. Accountancy en controlling "verzekeren" de bestuurlijke positie.

De keuze voor een brede mandatering van de directie wordt vooral ingegeven door het feit, dat bilaterale afspraken tussen GGD en gemeenten een zware rol spelen bij de aansturing van (de verschillende onderdelen van) de GGD. In de randvoorwaarden van het mandaat wordt geregeld hoe de directie zich over haar handelen verantwoordt naar het Dagelijks Bestuur. Voor het regelen van de relatie tussen Dagelijks Bestuur en directie is er een organisatieverordening.

Op de mandaatverlening is de Algemene wet bestuursrecht (AWB) van toepassing, die onder andere bepaalt dat de gemandateerde bevoegdheid wordt uitgeoefend namens het bestuursorgaan. De verantwoordelijkheid voor het in mandaat genomen besluit blijft dus berusten bij het bestuursorgaan dat het mandaat verleend heeft, waarbij van elk besluit duidelijk zijn dat het namens het bestuursorgaan genomen is.

De mandaatgever kan instructies geven voor de uitoefening van een verleend mandaat.

Artikel 10:3 AWB bepaalt dat mandaat alleen is toegestaan voor zover de aard van de te mandateren bevoegdheid zich daartegen niet verzet.

Artikel 12. Vergaderingen van het Algemeen Bestuur

De vergaderfrequentie van het Algemeen Bestuur vloeit voort uit de planning & controlcyclus van de GGD. Deze cyclus sluit op zijn beurt aan bij de beleidscyclus van de gemeenten. Hierdoor kunnen gemeenten tijdig invloed uitoefenen op de beleidsrichting en de financiële kaders van de GGD en deze vervolgens meenemen in de eigen beleidscyclus.

Artikel 15. Commissies

Op grond van artikel 25 van de Wet gemeenschappelijke regelingen kunnen commissies met bestuursbevoegdheden worden ingesteld. Instelling van zo'n commissies ligt bijvoorbeeld voor de hand als:

  • -

    de bestuurlijke aansturing van en verantwoordelijkheid voor taken moeten worden gedeeld met andere partners die geen zitting kunnen hebben in het Algemeen Bestuur;

  • -

    samenwerkende gemeenten daar bij de uitvoering van facultatieve taken voor kiezen.

Artikel 22. en 23. Begroting en Jaarrekening

Aan de opstelling van de begroting gaan de kaders voor deze begroting vooraf. Hierin staan de hoofdlijnen van het strategisch beleid voor de komende jaren. De nota geeft de globale financiële gevolgen van eventuele beleidswijzigingen weer. Het Algemeen Bestuur bespreekt de kaders in maart.

De productbegroting werkt de besluiten in de voorjaarsnota uit. Onderdelen van de productbegroting zijn: het budget en de inwonerbijdrage op basis van de budgetsystematiek, een overzicht van de productie en de kosten per product. Het Algemeen Bestuur stelt in juni de productbegroting vast. Daarnaast stelt het Dagelijks Bestuur in december een beheersbegroting vast, die de middeleninzet beschrijft van personeel, huisvesting en kapitaallasten.

Het jaarbericht geeft een beredeneerd financieel verslag over het afgelopen jaar, inclusief accountantsverklaring. Het Algemeen Bestuur stelt deze vast in juni.

Indexsystematiek en budgetsystematiek

De GGD volgt bij het opstellen van de begroting de indexsystematiek van de gemeente Tilburg. Jaarlijks wordt de vastgestelde inwonersbijdrage gecorrigeerd op loon-en prijsstijgingen. Dit betekent onder meer dat prognoses worden gecorrigeerd voor de werkelijke ontwikkeling. Hierdoor is er geen cumulatie van te hoge of te lage budgetten door foute inschattingen vooraf.

Jaarlijks stelt het Algemeen Bestuur het budget (bijdrage per inwoner) vast. Hierbij geeft de GGD aan welke output daarvoor geleverd wordt. In dit systeem wordt de hoogte van het budget bepaald door de vastgestelde inwonersbijdrage van het voorgaand jaar te verhogen met de autonome kostenstijgingen, zoals loon-en prijsstijgingen en rechtspositionele wijzigingen. Naast deze aanpassing voor nominale ontwikkelingen vindt in principe geen budgetaanpassing plaats. Alleen voor externe onvermijdelijke ontwikkelingen zal het Algemeen Bestuur hiervan afwijken.