Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg 2004

Geldend van 21-04-2004 t/m 30-09-2018

Intitulé

Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg 2004

Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg 2004

De raad van de gemeente Hardenberg;

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 27 januari 2004 no.2003/JKNE/;

Gelet op de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet en artikel 4:23 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht;

BESLUIT:

Vast te stellen de volgende:

“Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg 2004”

HOOFDSTUK I Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    de raad: de gemeenteraad van Hardenberg;

  • b.

    het college: het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg;

  • c.

    de wet: de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

  • d.

    uitvoeringsovereenkomst: een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de wet tussen het college en de subsidieontvanger, waarin afspraken zijn opgenomen met betrekking tot meetbare producten, prestaties en activiteiten, die worden uitgevoerd in relatie tot het subsidiebedrag dat voor een vastgesteld tijdvak is verleend;

  • e.

    beroepskracht: de persoon die als werknemer in loondienst is bij het bestuur van een instelling, die optreedt als werkgever;

  • f.

    instelling: de rechtspersoon, die zich ten doel stelt zonder winstoogmerk producten, prestaties en/of activiteiten te verrichten ten behoeve van de ingezetenen van de gemeente;

  • g.

    kalenderjaar: het jaar waarop de subsidie betrekking heeft, lopende van1 januari tot en met 31 december;

  • h.

    jaarprogramma welzijnsactiviteiten: een jaarlijks door het college vastgesteld overzicht van te verlenen structurele subsidies op het terrein van welzijn.

Artikel 2 Reikwijdte

  • 1. Deze verordening is de grondslag voor het verstrekken van subsidies voor activiteiten, die worden uitgevoerd op de volgende terreinen van cultuur, sport en welzijn:

    • a.

      amateuristische kunstbeoefening;

    • b.

      creativiteitsontwikkeling;

    • c.

      gezondheidszorg;

    • d.

      jeugd- en jongerenwerk;

    • e.

      kinderopvang en peuterspeelzalen;

    • f.

      maatschappelijke dienstverlening;

    • g.

      muziekonderwijs;

    • h.

      openbaar bibliotheekwerk;

    • i.

      oudheidkamer en musea;

    • j.

      sociaal-cultureel werk;

    • k.

      sportstimulering;

    • l.

      vormings- en ontwikkelingswerk met volwassenen.

  • 2. De activiteiten waarvoor een structurele subsidie wordt verstrekt zijn, voor zover deze het welzijnsterrein betreffen, opgenomen in het jaarprogramma welzijnsactiviteiten.

Artikel 3 Subsidievormen

Bij het verstrekken van subsidies op grond van deze verordening kunnen de volgende subsidievormen met de hierna aangegeven betekenis worden onderscheiden:

  • a)

    structurele, per kalenderjaar verstrekte, subsidie:

    een subsidie die van jaar tot jaar beschikbaar wordt gesteld ten behoeve van activiteiten die een continu karakter dragen;

  • b)

    incidentele subsidie:

    een subsidie die wordt verstrekt voor activiteiten die een éénmalig of projectmatig karakter dragen;

  • c)

    waarderingssubsidie:

    een incidentele of een structurele subsidie die onafhankelijk van de exploitatieresultaten ter beschikking wordt gesteld en is bedoeld om een bepaalde activiteit aan te moedigen of te ondersteunen.

  • d)

    budgetsubsidie:

    subsidie welke voor een tijdvak van ten hoogste vier jaar wordt verleend aan instellingen die beroepskrachten in dienst hebben en waarbij een uitvoeringsovereenkomst met de instelling is gesloten.

Artikel 4 Subsidieplafond

  • 1. De raad kan jaarlijks, bij de vaststelling van de gemeentebegroting, voor één of meer onderdelen van cultuur, sport of welzijn een subsidieplafond vaststellen, zoals bedoeld in artikel 4:25 van de wet.

  • 2. Bij het besluit waarbij het subsidieplafond wordt vastgesteld, wordt tevens aangegeven hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

HOOFDSTUK II De subsidieverlening

Artikel 5 Aanvragen eenmalige subsidies

Een aanvraag voor een eenmalige subsidie dient uiterlijk acht weken voor het tijdstip waarop een aanvang wordt gemaakt met de uitvoering van de voorgenomen activiteit, bij het college te worden ingediend.

Artikel 6 Aanvragen structurele subsidies

  • 1. De aanvraag voor een structurele subsidie dient te worden ingediend vóór 1 mei van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 2. Het college kan een afwijkende termijn vaststellen of ontheffing verlenen van de verplichting om een aanvraag voor de in lid 1 bedoelde termijn in te dienen.

  • 3. Bij een aanvraag om subsidie dient gebruik te worden gemaakt van de daarvoor bestemde aanvraagformulieren.

Artikel 7 Algemene uitgangspunten voor het verstrekken van subsidies

  • 1. Subsidie wordt slechts verstrekt voor de bekostiging van activiteiten die van belang zijn voor de gemeente Hardenberg en/of haar inwoners.

  • 2. Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten die geen partijpolitieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke vorming beogen.

  • 3. Behoudens voor zover er sprake is van een op een specifieke doelgroep gerichte activiteit, wordt alleen subsidie verstrekt voor activiteiten, die open staan voor alle groeperingen of personen, zonder onderscheid naar ras, godsdienst, levensovertuiging, sekse of seksuele geaardheid.

  • 4. Subsidie wordt slechts verstrekt aan rechtspersonen die zonder winstoogmerk werkzaam zijn.

  • 5. In bijzondere gevallen kan het college subsidie verlenen aan instellingen zonder volledige rechtspersoonlijkheid of aan natuurlijke personen.

Artikel 8 Weigeringsgronden

De subsidie kan naast de in artikel 4:25 en artikel 4:35 van de wet genoemde gevallen geweigerd worden indien gegronde redenen bestaan aan te nemen dat:

  • a)

    de activiteiten van de aanvrager niet gericht zullen zijn op de gemeente of niet aanwijsbaar ten goede komen aan ingezetenen van de gemeente;

  • b)

    de gelden niet of in onvoldoende mate besteed zullen worden voor het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;

  • c)

    de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken;

  • d)

    de subsidieverstrekking niet past binnen het beleid van de gemeente.

Artikel 9 De beslistermijn

  • 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2. De beslissing op een aanvraag in het kader van het jaarprogramma welzijnsactiviteiten wordt genomen binnen acht weken na de vaststelling van het jaarprogramma.

Artikel 10 Minimum subsidiebedrag

Om voor een subsidie op het terrein van welzijn in aanmerking te komen dient het subsidiebedrag tenminste € 100,-- te bedragen.

Artikel 11 Bevoegd bestuursorgaan

Het college beslist over het verlenen van subsidies, voor zover de raad voor de betreffende subsidie een budget heeft beschikbaar gesteld.

Artikel 12 Verstrekken van voorschotten

  • 1. Vooruitlopend op de vaststelling van de subsidie kan het college een voorschot uitbetalen. Dit voorschot bedraagt maximaal 100% van het verleende bedrag.

  • 2. In de beschikking tot subsidieverlening zullen worden vermeld het aantal termijnen, de termijnbedragen en de data waarop deze uitbetaald zullen worden.

HOOFDSTUK III Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 13 Toepasselijkheid afdeling 4.2.8 van de wet voor structurele subsidies

Voor zover bij de subsidieverlening niet anders is bepaald, is afdeling 4.2.8 van de wet van toepassing op het aanvragen en verstrekken van structurele subsidies.

Artikel 14 Handelingen waarvoor de subsidieontvanger toestemming nodig heeft

  • 1. De subsidieontvanger behoeft toestemming van het college voor de in artikel 4:71 lid 1 onder a tot en met j van de wet genoemde handelingen.

  • 2. Bij de subsidieverlening kan vrijstelling van het toestemmingsvereiste voor één of meer van de genoemde handelingen worden verleend.

  • 3. Bij de subsidieverlening kan tevens worden bepaald dat ook voor andere dan de hiervoor bedoelde handelingen toestemming van het college nodig is.

Artikel 15 Egalisatiereserve

  • 1. Indien dit bij de subsidieverlening is bepaald, vormt de subsidieontvanger een egalisatiereserve van niet meer dan 20% van de laatstelijk verstrekte subsidie. De jaarlijkse toevoeging aan de egalisatiereserve bedraagt niet meer dan 5% van de in dat jaar verstrekte subsidie.

  • 2. Bij beëindiging van de subsidieverhouding als bedoeld in artikel 4:41, lid 2, sub c, d en e van de wet stort de subsidieontvanger de aanwezige egalisatiereserve, voor zover deze is ontstaan door gemeentelijke subsidies, terug in de gemeentekas.

Artikel 16 Vermogensvorming

  • 1. Bij de subsidieverlening kan worden bepaald of en zo ja in welke mate de subsidieontvanger is toegestaan met gemeentesubsidie reserves te vormen.

  • 2. Reserves die met gemeentesubsidie zijn opgebouwd mogen alleen worden besteed aan kosten die direct verband houden met de uitvoering van door de gemeente gesubsidieerde activiteiten, voor zover deze niet bestreden kunnen worden uit de voor dat jaar verleende subsidie.

  • 3. Wanneer de gesubsidieerde activiteiten worden beëindigd is de subsidieontvanger verplicht het met gemeentesubsidie opgebouwde vermogen onmiddellijk aan de gemeente terug te betalen.

Artikel 17 Financieel verslag, balans en exploitatierekening

Wanneer de subsidieontvanger zijn inkomsten niet geheel, maar wel voor meer dan 50% ontleent aan de subsidie en het subsidiebedrag hoger is dan € 5.000,-- is artikel 4:76 van de wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18 Accountantsverklaring

  • 1. Tenzij bij de subsidieverlening anders is bepaald, geldt voor subsidies van minder dan €. 250.000,-- per boekjaar niet de verplichting tot het afgeven van een accountantsverklaring, zoals bedoeld in artikel 4:78 van de wet.

  • 2. Artikel 4:79 van de wet geldt slechts voor zover dit bij de subsidieverlening is bepaald.

  • 3. Indien geen accountantsverklaring wordt verlangd, kunnen bij de subsidieverlening andere voorschriften worden gesteld met betrekking tot het onderzoek van het financiële verslag. Wanneer de subsidieontvanger een vereniging is, kan dit inhouden dat het verslag van de kascommissie, zoals bedoeld in artikel 2:48, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, dient te worden overgelegd.

HOOFDSTUK IV De subsidievaststelling

Artikel 19 Indienen aanvraag tot subsidievaststelling

De subsidieontvanger dient binnen zeventien weken na afloop van het kalenderjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij het college bij de subsidieverlening anders heeft bepaald.

Deze aanvraag gaat vergezeld van de inhoudelijke en financiële verantwoording (jaarrekening).

Artikel 20 De beslistermijn

Het college stelt de subsidie vast binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.

Artikel 21 Eenvoudige structurele subsidies

Bij eenvoudige structurele subsidies, waarbij het subsidiebedrag niet hoger is dan € 1.500,-- kunnen de beschikking tot subsidieverlening en subsidievaststelling samenvallen.

HOOFDSTUK V Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 22 Verslag

Ten aanzien van subsidies, die op grond van deze verordening zijn verstrekt is artikel 4:24 van de wet niet van toepassing.

Artikel 23

In werkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking zes weken na de bekendmaking.

  • 2.

    Op het in het eerste lid genoemde tijdstip wordt de Algemene subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn, vastgesteld op 20 december 2001, no. 2001/JKNE/30487, ingetrokken.

Artikel 24 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als “ Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg 2004”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering
van de Raad der gemeente Hardenberg van 26 februari 2004.
De Raad voornoemd,
De voorzitter, De griffier,

Bijlage bij de Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn gemeente Hardenberg.

ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

Titel 4.2. Subsidies

Afdeling 4.2.1. Inleidende bepalingen

Artikel 4:21.

  • 1.

    Onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

  • 2.

    Deze titel is niet van toepassing op aanspraken of verplichtingen die voortvloeien uit een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de heffing van een premie dan wel een premievervangende belasting ingevolge de Wet financiering volksverzekeringen.

  • 3.

    Deze titel is niet van toepassing op de aanspraak op financiële middelen die wordt verstrekt op grond van een wettelijk voorschrift dat uitsluitend voorziet in verstrekking aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld.

  • 4.

    Deze titel is van overeenkomstige toepassing op de bekostiging van het onderwijs en onderzoek.

Artikel 4:22.

Onder subsidieplafond wordt verstaan: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift.

Artikel 4:23.

  • 1.

    Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

  • 2.

    Indien een zodanig wettelijk voorschrift is opgenomen in een niet op een wet berustende algemene maatregel van bestuur, vervalt dat voorschrift vier jaren nadat het in werking is getreden, tenzij voor dat tijdstip een voorstel van wet bij de StatenGeneraal is ingediend waarin de subsidie wordt geregeld.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

a in afwachting van de totstandkoming van een wettelijk voorschrift gedurende ten hoogste een jaar of totdat een binnen dat jaar bij de StatenGeneraal ingediend wetsvoorstel is verworpen of tot wet is verheven en in werking is getreden;

b indien de subsidie rechtstreeks op grond van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of de Commissie van de Europese Gemeenschappen vastgesteld programma wordt verstrekt;

c indien de begroting de subsidieontvanger en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, vermeldt, of

d in incidentele gevallen, mits de subsidie voor ten hoogste vier jaren wordt verstrekt.

4.Het bestuursorgaan publiceert jaarlijks een verslag van de verstrekking van subsidies met toepassing van het derde lid, onderdelen a en d.

Artikel 4:24.

Indien een subsidie op een wettelijk voorschrift berust, wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Afdeling 4.2.2. Het subsidieplafond

Artikel 4:25.

  • 1.

    Een subsidieplafond kan slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift worden vastgesteld.

  • 2.

    Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

  • 3.

    Indien niet tijdig, dan wel in bezwaar of beroep of ter uitvoering van een rechterlijke uitspraak omtrent verstrekking wordt beslist, geldt de verplichting van het tweede lid slechts voor zover zij ook gold op het tijdstip, waarop de beslissing in eerste aanleg werd genomen of had moeten worden genomen.

Artikel 4:26.

  • 1.

    Bij of krachtens wettelijk voorschrift wordt bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld.

  • 2.

    Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt de wijze van verdeling vermeld.

Artikel 4:27.

  • 1.

    Het subsidieplafond wordt bekendgemaakt voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld.

  • 2.

    Indien het subsidieplafond of een verlaging daarvan later wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor voordien ingediende aanvragen.

Artikel 4:28.

Artikel 4:27, tweede lid, is niet van toepassing, indien:

a de aanvragen voor het tijdvak waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld ingevolge wettelijk voorschrift moeten worden ingediend op een tijdstip waarop de begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd;

b het een verlaging betreft die voortvloeit uit de vaststelling of goedkeuring van de begroting, en

c bij de bekendmaking van het subsidieplafond is gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

Afdeling 4.2.3. De subsidieverlening

Artikel 4:29.

Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald kan voorafgaand aan een subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening worden gegeven, indien een aanvraag daartoe is ingediend voor de afloop van de activiteit of het tijdvak waarvoor de subsidie wordt gevraagd.

Artikel 4:30.

  • 1.

    De beschikking tot subsidieverlening bevat een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend.

  • 2.

    De omschrijving kan later worden uitgewerkt, voor zover de beschikking tot subsidieverlening dit vermeldt.

Artikel 4:31.

  • 1.

    De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het bedrag van de subsidie, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

  • 2.

    Indien de beschikking tot subsidieverlening het bedrag van de subsidie niet vermeldt, vermeldt zij het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Artikel 4:32.

Een subsidie in de vorm van een periodieke aanspraak op financiële middelen wordt verleend voor een bepaald tijdvak, dat in de beschikking tot subsidieverlening wordt vermeld.

Artikel 4:33.

Een subsidie kan niet worden verleend onder de voorwaarde dat uitsluitend het

bestuursorgaan of uitsluitend de subsidieontvanger een bepaalde handeling verricht, tenzij het betreft de voorwaarde dat:

a de subsidieontvanger medewerkt aan de totstandkoming van een overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening, of

b de subsidieontvanger aantoont dat een gebeurtenis, niet zijnde een handeling van het bestuursorgaan of van de subsidieontvanger, heeft plaatsgevonden.

Artikel 4:34.

  • 1.

    Voor zover een subsidie wordt verleend ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, kan zij worden verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

  • 2.

    De voorwaarde kan niet worden gesteld, voor zover zulks voortvloeit uit het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust.

  • 3.

    De voorwaarde vervalt, indien het bestuursorgaan daarop niet binnen vier weken na de vaststelling of goedkeuring van de begroting een beroep heeft gedaan.

  • 4.

    Het beroep op de voorwaarde geschiedt bij een subsidie voor een activiteit die door het bestuursorgaan ook in het voorafgaande begrotingsjaar werd gesubsidieerd door een intrekking wegens veranderde omstandigheden overeenkomstig artikel 4:50.

  • 5.

    In andere gevallen geschiedt het beroep op de voorwaarde door een intrekking overeenkomstig artikel 4:48, eerste lid.

Artikel 4:35.

1.De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

a de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

b de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

2.De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager:

a in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zouden hebben geleid, of

b failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Artikel 4:36.

  • 1.

    Ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening kan een overeenkomst worden gesloten.

  • 2.

    Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de subsidie zich daartegen verzet, kan in de overeenkomst worden bepaald dat de subsidieontvanger verplicht is de activiteiten te verrichten waarvoor de subsidie is verleend.

Afdeling 4.2.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 4:37.

1.Het bestuursorgaan kan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot:

a aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend;

b de administratie van aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten;

c het vóór de subsidievaststelling verstrekken van gegevens en bescheiden die nodig zijn voor een beslissing omtrent de subsidie;

d de te verzekeren risico's;

e het stellen van zekerheid voor verleende voorschotten;

f het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn;

g het beperken of wegnemen van de nadelige gevolgen van de subsidie voor

derden;

h het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het bestuursorgaan gevoerde financiële beheer en de financiële verantwoording daarover.

2.Indien een verplichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt opgelegd, zijn de artikelen 4:3 en 4:4 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4:38.

  • 1.

    Het bestuursorgaan kan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen opleggen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.

  • 2.

    Indien de subsidie op een wettelijk voorschrift berust, worden de verplichtingen opgelegd bij wettelijk voorschrift of krachtens wettelijk voorschrift bij de subsidieverlening.

  • 3.

    Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kunnen de

    verplichtingen worden opgelegd bij de subsidieverlening.

Artikel 4:39.

  • 1.

    Verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie kunnen slechts aan de subsidie worden verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.

  • 2.

    Verplichtingen als bedoeld in het eerste lid kunnen slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

Artikel 4:40.

De verplichtingen kunnen na de subsidieverlening worden uitgewerkt, voor zover de

beschikking tot subsidieverlening dit vermeldt.

Artikel 4:41.

1.In de gevallen, genoemd in het tweede lid, is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan het bestuursorgaan, mits:

a dit bij wettelijk voorschrift of, indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, bij de subsidieverlening is bepaald, en

b daarbij is aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.

2.De vergoeding is slechts verschuldigd indien:

a de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of

bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;

b de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging

van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;

c de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;

d de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of

e de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.

3.De vergoeding wordt vastgesteld binnen een jaar nadat het bestuursorgaan op de hoogte is gekomen of kon zijn van de gebeurtenis die het recht op vergoeding deed ontstaan, doch in ieder geval binnen vijf jaren na de bekendmaking van de laatste beschikking tot subsidievaststelling.

Afdeling 4.2.5. De subsidievaststelling

Artikel 4:42.

De beschikking tot subsidievaststelling stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft

aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag overeenkomstig afdeling 4.2.7.

Artikel 4:43.

  • 1.

    Indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bevat de beschikking tot subsidievaststelling een aanduiding van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt.

  • 2.

    De artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4:44.

1.Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, dient de subsidieontvanger na afloop van de activiteiten of het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij:

a de subsidie met toepassing van artikel 4:47, onderdeel a, ambtshalve wordt vastgesteld;

b bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald dat de

aanvraag wordt ingediend telkens na afloop van een gedeelte van het tijdvak waarvoor de subsidie is verleend, of

c de vaststelling van de subsidie bij een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36, eerste lid, anders is geregeld.

  • 2.

    Indien bij wettelijk voorschrift geen termijn is bepaald, wordt de aanvraag tot vaststelling ingediend binnen een bij de subsidieverlening te bepalen termijn.

  • 3.

    Indien voor de indiening van de aanvraag tot vaststelling geen termijn is bepaald of de aanvraag na afloop van de daarvoor bepaalde termijn niet is ingediend kan het bestuursorgaan de subsidieontvanger een termijn stellen binnen welke de aanvraag moet zijn ingediend.

  • 4.

    Indien na afloop van deze termijn geen aanvraag is ingediend, kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.

Artikel 4:45.

  • 1.

    Bij de aanvraag tot subsidievaststelling toont de aanvrager aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen, tenzij de subsidie voor de aanvang van de activiteiten wordt vastgesteld.

  • 2.

    Bij de aanvraag tot subsidievaststelling legt de aanvrager rekening en verantwoording af omtrent de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

Artikel 4:46.

  • 1.

    Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.

  • 2.

    De subsidie kan lager worden vastgesteld indien:

a de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden;

b de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid, of

d de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten.

3.Voor zover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, worden kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd bij de vaststelling van de subsidie niet in aanmerking genomen.

Artikel 4:47.

Het bestuursorgaan kan de subsidie geheel of gedeeltelijk ambtshalve vaststellen, indien:

a wordt bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening een termijn is bepaald binnen welke de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld;

b toepassing wordt gegeven aan artikel 4:44, vierde lid, of

c de beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling ingetrokken of ten nadele van de ontvanger wordt gewijzigd.

Afdeling 4.2.6. Intrekking en wijziging

Artikel 4:48.

1.Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen, indien:

a de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;

b de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c de subsidieontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid;

d de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten, of

e met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

2.De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald.

Artikel 4:49.

  • 1.

    Het bestuursorgaan kan de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de ontvanger

  • 1.

    Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de

    subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen:

a voor zover de subsidieverlening onjuist is;

b voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, of

c in andere bij wettelijk voorschrift geregelde gevallen.

2.Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid, onderdeel a of b, vergoedt het bestuursorgaan de schade die de subsidieontvanger lijdt doordat hij in vertrouwen op de subsidie anders heeft gehandeld dan hij zonder subsidie zou hebben gedaan.

Artikel 4:51.

  • 1.

    Indien aan een subsidieontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn.

  • 2.

    Voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend sedert de bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop aansluitend tijdvak nog geen redelijke termijn is verstreken, wordt de subsidie voor het resterende deel van die termijn verleend, zo nodig in afwijking van artikel 4:25, tweede lid.

Afdeling 4.2.7. Betaling en terugvordering

Artikel 4:52.

  • 1.

    Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de subsidievaststelling betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten.

  • 2.

    Het subsidiebedrag wordt binnen vier weken na de subsidievaststelling betaald, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

  • 3.

    Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kan bij de subsidieverlening, of, indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bij de subsidievaststelling, een andere termijn worden bepaald waarbinnen het subsidiebedrag wordt betaald.

Artikel 4:53.

  • 1.

    Het subsidiebedrag kan in gedeelten worden betaald, mits bij wettelijk voorschrift is bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op welke tijdstippen zij worden betaald.

  • 2.

    Indien de subsidie niet op een wettelijk voorschrift berust, kan het subsidiebedrag in gedeelten worden betaald, mits bij de subsidieverlening, of indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, bij de subsidievaststelling, is bepaald hoe de gedeelten worden berekend en op welke tijdstippen zij worden betaald.

Artikel 4:54.

  • 1.

    Het bestuursorgaan kan de subsidieontvanger voorschotten verlenen, voor zover dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald.

  • 2.

    De beschikking tot voorschotverlening vermeldt het bedrag van het voorschot, dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald.

Artikel 4:55.

  • 1.

    Voorschotten worden overeenkomstig de voorschotverlening betaald.

  • 2.

    Het voorschot worden binnen vier weken na de voorschotverlening betaald, tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de voorschotverlening anders is bepaald.

Artikel 4:56.

De verplichting tot betaling van een subsidiebedrag of een voorschot wordt opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan aan de subsidieontvanger schriftelijk kennis geeft van het ernstige vermoeden dat er grond bestaat om toepassing te geven aan artikel 4:48 of 4:49, tot en met de dag waarop de beschikking omtrent de intrekking of wijziging is bekendgemaakt of de dag waarop sedert de kennisgeving van het ernstige vermoeden dertien weken zijn verstreken.

Artikel 4:57.

Onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd voor zover na de dag waarop de subsidie is vastgesteld, dan wel de handelingals bedoeld in artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, heeft plaatsgevonden, nog geen vijf jaren zijn verstreken.

Afdeling 4.2.8. Per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen

§ 4.2.8.1. lnleidende bepalingen

Artikel 4:58.

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op per boekjaar verstrekte subsidies, indien dat bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

  • 2.

    Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze afdeling van toepassing is op daarbij aangewezen subsidies.

Artikel 4:59.

  • 1.

    Het bestuursorgaan dat met toepassing van deze afdeling een subsidie verleent kan een of meer toezichthouders aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de aan de ontvanger van die subsidie opgelegde verplichtingen.

  • 2.

    De toezichthouder beschikt niet over de bevoegdheden, vermeld in de artikelen 5:18 en 5:19.

§ 4.2.8.2. De aanvraag

Artikel 4:60.

Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, wordt de aanvraag van de subsidie uiterlijk dertien weken voor de aanvang van het boekjaar ingediend.

Artikel 4:61.

1.De aanvraag van de subsidie gaat in ieder geval vergezeld van:

a een activiteitenplan, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte is, en

b een begroting, tenzij deze voor de berekening van het bedrag van de subsidie niet van belang is.

2.Indien de aanvrager beschikt over een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, vermeldt de aanvraag de omvang daarvan.

Artikel 4:62.

Het activiteitenplan behelst een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee nagestreefde doelstellingen en vermeldt per activiteit de daarvoor benodigde personele en materiële middelen.

Artikel 4:63.

  • 1.

    De begroting behelst een overzicht van de voor het boekjaar geraamde inkomsten en uitgaven van de aanvrager, voor zover deze betrekking hebben op de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 2.

    De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien.

  • 3.

    Tenzij voor de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft nog niet eerder subsidie werd verstrekt, behelst de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende boekjaar en de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar, voorafgaand aan het lopende boekjaar.

Artikel 4:64.

1.Tenzij de aanvraag wordt ingediend door een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon, gaat deze, indien voor het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar geen subsidie werd aangevraagd, voorts vergezeld van:

a een afschrift van de oprichtingsakte van de rechtspersoon dan wel van de statuten zoals deze laatstelijk zijn gewijzigd, en

b de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de balans en de staat van baten en lasten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van de aanvraag.

  • 2.

    De in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde bescheiden dan wel het verslag over de financiële positie zijn voorzien van een van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek afkomstige schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid onderscheidenlijk een mededeling, inhoudende dat van onjuistheden niet is gebleken.

  • 3.

    Bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan kan vrijstelling of ontheffing worden verleend van het in het tweede lid bepaalde.

Artikel 4:65.

Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote uitgaven tevens subsidie heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, doet hij daarvan mededeling in de aanvraag, onder vermelding van de stand van zaken met betrekking tot de beoordeling van die aanvraag of aanvragen.

§ 4.2.8.3. De subsidieverlening

Artikel 4:66.

De subsidie wordt slechts verleend aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid.

Artikel 4:67.

  • 1.

    De subsidie wordt voor een boekjaar of voor een bepaald aantal boekjaren verleend.

  • 2.

    Indien de subsidie voor twee of meer boekjaren wordt verleend, wordt aan de subsidie de verplichting verbonden tot het periodiek aan het bestuursorgaan verstrekken van de gegevens die voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

  • 3.

    De beschikking tot subsidieverlening vermeldt welke gegevens de subsidieontvanger krachtens het tweede lid moet verstrekken, alsmede op welke tijdstippen de gegevens moeten worden verstrekt.

§ 4.2.8.4. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 4:68.

Tenzij bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening anders is bepaald, stelt de

subsidieontvanger het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 4:69.

  • 1.

    De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie, dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.

  • 2.

    De administratie en de daartoe behorende bescheiden worden gedurende zeven jaren bewaard.

Artikel 4:70.

Indien gedurende het boekjaar aanmerkelijke verschillen ontstaan of dreigen te ontstaan

tussen de werkelijke uitgaven en inkomsten en de begrote uitgaven en inkomsten doet de subsidieontvanger daarvan onverwijld mededeling aan het bestuursorgaan onder vermelding van de oorzaak van de verschillen.

Artikel 4:71.

1.Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald, behoeft de subsidieontvanger de toestemming van het bestuursorgaan voor:

a het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;

b het wijzigen van de statuten;

c het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen, indien zij mede zijn verworven door middel van de subsidiegelden, dan wel de lasten daarvoor mede worden bekostigd uit de subsidiegelden;

d het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen of tot huur, verhuur of pacht daarvan, indien deze goederen geheel of gedeeltelijk zijn verworven door middel van de subsidie dan wel de uitgaven daarvoor mede zijn bekostigd uit de subsidie;

e het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening;

f het aangaan van overeenkomsten waarbij de subsidieontvanger zich verbindt tot zekerheidstelling met inbegrip van zekerheidstelling voor schulden van derden of waarbij hij zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt;

g het vormen van fondsen en reserveringen;

h het vaststellen of wijzigen van tarieven voor door de subsidieontvanger in de gewone uitoefening van zijn gesubsidieerde activiteiten te verrichten prestaties;

i het ontbinden van de rechtspersoon;

j het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surseance van betaling.

  • 2.

    Het bestuursorgaan beslist binnen vier weken omtrent de toestemming.

  • 3.

    De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.

  • 4.

    Indien omtrent de toestemming niet tijdig is beslist, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.

Artikel 4:72.

  • 1.

    Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald, vormt de ontvanger een egalisatiereserve.

  • 2.

    Het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve.

  • 3.

    De egalisatiereserve wordt zo hoog rentend en zo veilig als redelijkerwijs mogelijk is belegd.

  • 4.

    De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd.

  • 5.

    In de gevallen bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, onderdelen c, d en e, is de subsidieontvanger ter zake van de egalisatiereserve vergoedingsplichtig naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen.

§ 4.2.8.5. De subsidievaststelling

Artikel 4:73.

De subsidie wordt per boekjaar vastgesteld.

Artikel 4:74.

De subsidieontvanger dient binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de subsidie met toepassing van artikel 4:67, tweede lid, voor twee of meer boekjaren is verleend.

Artikel 4:75.

  • 1.

    De aanvraag tot vaststelling gaat in ieder geval vergezeld van een financieel verslag en een activiteitenverslag.

  • 2.

    Indien de subsidieontvanger ingevolge wettelijk voorschrift verplicht is tot het opstellen van een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of indien dit bij de subsidieverlening is bepaald, legt hij in plaats van het financieel verslag de jaarrekening over, onverminderd artikel 4:45, tweede lid.

Artikel 4:76.

  • 1.

    Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten geheel ontleent aan de subsidie omvat het financiële verslag de balans en de exploitatierekening met de toelichting en zijn het tweede tot en met vijfde lid van toepassing.

  • 2.

    Het financiële verslag geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd, een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent:

a het vermogen en het exploitatiesaldo, en

b voor zover de aard van het financiële verslag dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de subsidieontvanger.

  • 3.

    De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte en de samenstelling in actief en passiefposten van het vermogen op het einde van het boekjaar weer.

  • 4.

    De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het exploitatiesaldo van het boekjaar weer.

  • 5.

    Het financiële verslag sluit aan op de begroting waarvoor subsidie is verleend en behelst een vergelijking met de gerealiseerde inkomsten en uitgaven van het jaar, voorafgaand aan het boekjaar.

Artikel 4:77.

Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten in overwegende mate ontleent aan de subsidie kan bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening worden bepaald dat artikel 4:76 van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 4:78.

  • 1.

    De subsidieontvanger geeft opdracht tot onderzoek van het financiële verslag aan een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 2.

    De accountant onderzoekt of het financiële verslag voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag, voor zover hij dat verslag kan beoordelen, met het financiële verslag verenigbaar is.

  • 3.

    De accountant geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag.

  • 4.

    De aanvraag tot vaststelling van de subsidie gaat vergezeld van de in het derde lid bedoelde verklaring.

  • 5.

    Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan vrijstelling of ontheffing worden verleend van het eerste tot en met het vierde lid.

Artikel 4:79.

  • 1.

    Bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening kan worden bepaald dat de in artikel 4:78, eerste lid, bedoelde opdracht tevens strekt tot

    onderzoek van de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 2.

    Bij toepassing van het eerste lid gaat de opdracht vergezeld van een bij of krachtens wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening vast te stellen aanwijzing over de reikwijdte en de intensiteit van de controle.

  • 3.

    Bij toepassing van het eerste lid, gaat het financiële verslag tevens vergezeld van een schriftelijke verklaring van de accountant over de naleving door de subsidieontvanger van de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 4:80.

Het activiteitenverslag beschrijft de aard en omvang van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend en bevat een vergelijking tussen de nagestreefde en de gerealiseerde doelstellingen en een toelichting op de verschillen.

Titel 4.3. Beleidsregels

Artikel 4:81.

  • 1.

    Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.

  • 2.

    In andere gevallen kan een bestuursorgaan slechts beleidsregels vaststellen, voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.

Artikel 4:82.

Ter motivering van een besluit kan slechts worden volstaan met een verwijzing naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel.

Artikel 4:83.

Bij de bekendmaking van het besluit, inhoudende een beleidsregel, wordt zo mogelijk het

wettelijk voorschrift vermeld waaruit de bevoegdheid waarop het besluit, inhoudende een

beleidsregel, betrekking heeft voortvloeit.

Artikel 4:84.

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer

belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Artikelsgewijze toelichting bij de Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg

Artikelsgewijze toelichting bij de Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg

HOOFDSTUK I Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Naast de gebruikelijke definitiebepalingen is het begrip “jaarprogramma welzijnsactiviteiten” omschreven.

In het jaarprogramma welzijnsactiviteiten zijn alle structurele subsidies op het welzijnsterrein opgenomen.

Artikel 2 Reikwijdte van de verordening

In lid 1 van dit artikel zijn de beleidsterreinen omschreven waarop de verordening betrekking heeft. De verordening voldoet daarmee aan artikel 4:23 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht.

Met betrekking tot de omschrijving van de beleidsterreinen wordt opgemerkt dat onder het beleidsterrein jeugd- en jongerenwerk ook de kinderboerderijen en de speeltuinen vallen. Het terrein maatschappelijke dienstverlening omvat tevens het ouderenbeleid.

De verordening heeft het karakter van een algemene verordening en bevat geen specifieke criteria voor al de verschillende subsidies die bestaan binnen het brede terrein van cultuur, sport en welzijn.

Artikel 3

Subsidievormen

In dit artikel zijn de belangrijkste subsidievormen omschreven die in de praktijk gebruikt worden. Niet alle begrippen worden verder in de verordening genoemd, maar worden wel in de daarop gebaseerde praktijk gebruikt.

Artikel 4 Subsidieplafond

Dit artikel geeft een juridische basis voor de instelling van een subsidieplafond.

Door het hanteren van een subsidieplafond kunnen ongewenste overschrijdingen van het beschikbare budget worden voorkomen.

HOOFDSTUK II De subsidieverlening

Artikel 5 Aanvragen eenmalige subsidies

Dit artikel is opgenomen om te voorkomen dat aanvragen om subsidie worden ingediend wanneer reeds met de activiteiten is gestart.

In dit artikel is aangegeven dat een aanvraag voor een eenmalige subsidie uiterlijk acht weken voor het tijdstip waarop een aanvang wordt gemaakt met de uitvoering van de voorgenomen activiteit bij het college moet worden ingediend.

Op grond van artikel 9 beslist het college binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. Dit betekent dat de aanvrager in principe voor de uitvoering van de voorgenomen activiteit een beslissing heeft omtrent de subsidieaanvraag.

Artikel 6 Aanvragen structurele subsidies

In dit artikel is bepaald dat aanvragen voor structurele subsidies vóór 1 mei van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de subsidie wordt aangevraagd ingediend moet worden. Dit houdt verband met de opstelling van het jaarprogramma welzijnsactiviteiten en de voorbereiding van de gemeentebegroting.

Voor het aanvragen van subsidies in het kader van het jaarprogramma welzijnsactiviteiten zijn speciale formulieren beschikbaar.

Artikel 7 Algemene uitgangspunten voor het verstrekken van subsidies

In dit artikel is een aantal algemene uitgangspunten geformuleerd voor het verstrekken van subsidies op grond van de verordening.

Het uitgangspunt van lid 1 betekent dat voor activiteiten die slechts een algemeen, bovenlokaal, belang dienen geen subsidie wordt verstrekt. Dit sluit aan bij het bestaande beleid.

Het uitgangspunt in lid 2 betekent dat geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten met een godsdienstig, levensbeschouwelijk of politiek karakter. Dit sluit niet uit dat subsidie kan worden verleend aan instellingen met een dergelijke achtergrond, wanneer de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend algemeen zijn.

Het in lid 3 genoemde uitgangspunt betekent dat in principe alleen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die voor iedereen openstaan. Een uitzondering hierop zijn de activiteiten die gericht zijn op een specifieke doelgroep.

Het uitgangspunt in lid 4 betekent dat in beginsel geen subsidie wordt verleend aan natuurlijke personen. Het vereiste van volledige rechtsbevoegdheid betekent verder dat een vereniging opgericht moet zijn bij notariële akte en/of de statuten daarin opgenomen moet hebben (art. 2:27 en 2:28 Burgerlijk Wetboek). Een stichting heeft per definitie volledige rechtsbevoegdheid. Een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte dient ook ingeschreven te zijn in het verenigingsregister bij de Kamer van Koophandel (art. 2:29 Burgerlijk Wetboek). Zeker bij grote structurele subsidies moet immers volstrekt duidelijk zijn hoe de vereniging aangesproken kan en moet worden op nakoming van de subsidievoorwaarden.

Wanneer het gaat om kleine of incidentele subsidies weegt dit minder zwaar. Uit lid 5 volgt dat in die gevallen ook subsidie aan natuurlijke personen en verenigingen met een beperkte rechtsbevoegdheid (art. 2:30 Burgerlijk Wetboek) kan worden verleend.

Artikel 8 Weigeringsgronden

In de subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht worden enkele algemene gronden genoemd voor het weigeren van een subsidie (art. 4;25 en 4:35). Deze gronden hoeven daarom niet in de verordening opgenomen te worden. Artikel 8 bevat daarom een aantal aanvullende algemene weigeringsgronden. Wanneer een subsidie geweigerd wordt, zal daarvoor in het algemeen wel één van de in de wet of de verordening genoemde weigeringsgronden genoemd kunnen worden. Het gaat echter niet om een limitatieve opsomming. Het gemeentebestuur kan zonodig ook andere, niet in de wet of de verordening genoemde, gronden aanvoeren voor het weigeren van een subsidie. De onder d genoemde, zeer algemene, weigeringsgrond geeft dit ook wel aan. Bij deze weigeringsgrond kan gedacht worden aan beleid zoals dat is neergelegd in beleidsnota's die zijn opgesteld voor diverse terreinen van cultuur, sport en welzijn.

Artikel 9 De beslistermijn

In dit artikel is de termijn opgenomen waarbinnen het college een besluit op een subsidieaanvraag dient te nemen. Het college dient binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een besluit te nemen. Voor aanvragen in het kader van het jaarprogramma welzijnsactiviteiten wordt een besluit genomen binnen acht weken na de vaststelling van het jaarprogramma.

Artikel 10 Minimum subsidiebedrag

Teneinde veel administratieve rompslomp te voorkomen is in dit artikel een minimum bedrag opgenomen om voor subsidie in aanmerking te komen. Dit minimum bedrag geldt overigens alleen voor subsidies op het terrein van welzijn. De subsidiesystematiek voor de onderdelen cultuur en sport lenen zich minder om een minimum bedrag te hanteren.

Artikel 11 Bevoegd bestuursorgaan

Het is van belang om vast te kunnen stellen welk bestuursorgaan dient te besluiten over subsidieaanvragen en alles wat daarmee samenhangt. Dit artikel geeft dit aan. Uitgangspunt is dat burgemeester en wethouders beslissen over het verstrekken van subsidies, voor zover de raad hiervoor een budget beschikbaar heeft gesteld. De raad heeft immers het budgetrecht (art 156 Gemeentewet).

Artikel 12 Verstrekken van voorschotten

Op grond van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders voorschotten verstrekken.

In de beschikking tot subsidieverlening wordt aangegeven op welke wijze de voorschotten zullen worden uitbetaald.

HOOFDSTUK III Verplichtingen van de subsidie-ontvanger

Artikel 13 Toepasselijkheid afdeling 4.2.8 van de wet voor structurele subsidies

De subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht bevat in afdeling 4.2.8 een standaardregeling voor per boekjaar verstrekte subsidies aan rechtspersonen. Deze afdeling is volgens artikel 4:58 alleen van toepassing, indien dit bij wettelijk voorschrift of bij besluit van het bestuursorgaan is bepaald.

In dit artikel wordt deze afdeling van toepassing verklaard op het aanvragen en verstrekken van structurele subsidies. Dit betekent dus dat de bepalingen van deze afdeling in beginsel voor alle structurele subsidies op het terrein van deze verordening rechtstreeks van toepassing zijn, tenzij bij de subsidieverlening anders is bepaald. Deze voorschriften hoeven niet meer in de verordening of in de subsidievoorschriften opgenomen te worden.

In de verordening wordt op enkele punten van de bepalingen van afdeling 4.2.8 afgeweken en/of worden deze bepalingen aangevuld. Bij de subsidieverlening kan bepaald worden dan één of meer bepalingen van afdeling 4.2.8 niet van toepassing zijn.

Artikel 14 Handelingen waarvoor de subsidieontvanger toestemming nodig heeft

In artikel 4:71 lid 1 onder a tot en met j van de Algemene wet bestuursrecht is een aantal handelingen opgesomd waarvoor de subsidieontvanger toestemming van burgemeester en wethouders nodig heeft; althans indien dat bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald.

In lid 1 van dit artikel wordt daarom bepaald dat voor alle genoemde handelingen deze toestemming vereist is. Bij de subsidieverlening kan desgewenst vrijstelling van een aantal toestemmingsvereisten worden verleend, maar indien daar niets over wordt bepaald is het artikel in zijn geheel van toepassing.

Artikel 15 Egalisatiereserve

In artikel 4:72 van de Algemene wet bestuursrecht zijn enkele bepalingen opgenomen over de vorming van een egalisatiereserve. Ook deze bepalingen zijn alleen van toepassing indien dat bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Dit artikel laat dit geheel over aan de subsidieverlening, maar geeft wel reeds een aanwijzing voor de toegestane hoogte van de egalisatiereserve (maximaal 20% van de laatstelijk verstrekte subsidie), alsmede voor de jaarlijkse toevoeging (maximaal 5% van de in dat jaar verstrekte subsidie).

Artikel 16 Vermogensvorming

Dit artikel biedt eventueel voor de subsidieontvanger de mogelijkheid om met gemeentesubsidie reserves te vormen. Een en ander moet bij de subsidieverlening worden geregeld.

Verder is in dit artikel vastgelegd dat de reserves die met gemeentesubsidie zijn opgebouwd alleen mogen worden besteed aan kosten die direct verband houden met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten welke niet kunnen worden gedekt door de voor dat jaar verleende subsidie.

Voorts wordt in lid 3 geregeld dat indien de gesubsidieerde activiteiten worden beëindigd de verplichting aanwezig is om het vanuit de gemeentelijke subsidie ontstane vermogen terug te betalen aan de gemeente.

Artikel 17 Financieel verslag, balans en exploitatierekening

Uit artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat wanneer een subsidieontvanger zijn inkomsten geheelontleent aan de subsidie, deze in of bij het op grond van artikel 4:75 in te dienen financieel verslag ook een balans en een exploitatierekening met toelichting moet voegen. Deze zullen moeten voldoen aan de verder in dit artikel omschreven kwaliteitseisen. Dit betekent in de praktijk dat niet volstaan kan worden met een “amateuristisch” verslag, maar dat de subsidieontvanger een deskundige zal moeten inschakelen.

Indien de subsidieontvanger zijn inkomsten niet geheel, maar in overwegende mate ontleent aan de subsidie, is artikel 4:76 alleen van toepassing als dit in de verordening of de subsidievoorschriften is bepaald (zie art 4:77). De vraag is daarbij wanneer een professioneel verslag verlangd kan en moet worden. In het algemeen geldt daarbij dat het om een substantiële subsidie zal moeten gaan.

Om te voorkomen dat dit steeds per geval bezien moet worden, is een algemene en duidelijke richtlijn in de verordening op dit punt opgenomen.

Uit artikel 12 volgt dat wanneer de subsidieontvanger zijn inkomsten voor meer dan 50% ontleent aan de subsidie en het subsidiebedrag hoger is dan € 5.000,--, artikel 4:76 van toepassing is.

In dat geval dient het financiële verslag te voldoen aan de in dit artikel omschreven kwaliteitseisen. In andere gevallen dient wel een financieel verslag ingediend te worden, maar worden daaraan minder eisen gesteld.

Artikel 18 Accountantsverklaring

Volgens artikel 4:78 van de Algemene wet bestuursrecht dient de subsidieontvanger een accountantsverklaring te laten opstellen en deze over te leggen bij het verzoek tot subsidievaststelling. Met het opstellen van een accountantsverklaring zijn natuurlijk de nodige kosten gemoeid. Het zou daarom te ver gaan om steeds een dergelijke verklaring te verlangen.

Lid 1 van dit artikel geeft aan dat voor subsidies van minder dan € 250.000,-- per boekjaar geen accountantsverklaring nodig is. Het kan echter zijn dat ook bij een lager subsidiebedrag toch behoefte is aan een accountantsverklaring, bijvoorbeeld bij een nieuwe subsidie of wanneer er enige twijfel bestaat over de financiële gang van zaken bij de subsidieontvanger. In dat geval kan altijd in de subsidievoorwaarden om een accountantsverklaring worden gevraagd.

Indien een accountantsverklaring een te zwaar middel is, maar toch enige verantwoording gewenst is over de betrouwbaarheid van het financiële verslag, kunnen volgens lid 3 ook zonodig andere voorschriften worden gesteld.

Ter uitvoering van dit artikel zal in principe de volgende gedragslijn worden gehanteerd:

  • Ø

    Bij een subsidiebedrag tot € 50.000,-- is geen verklaring vereist;

  • Ø

    Bij een subsidiebedrag van € 50.000,-- tot € 250.000,-- kan in beginsel worden volstaan met een zgn. samenstellingsverklaring van een accountant.

Verder dienen verenigingen volgens artikel 2:48 van het Burgerlijk Wetboek een kascommissie in te stellen als er geen accountantsverklaring is. In dat geval kan dus bijvoorbeeld om het verslag van de kascommissie worden gevraagd. In andere gevallen kan zonodig inzage in de financiële administratie verlangd worden.

Artikel 4:79 van de Algemene wet bestuursrecht geeft nog de mogelijkheid om niet alleen een accountantsverklaring te verlangen, maar om de accountant ook te vragen een onderzoek in te stellen naar de naleving van de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Dit verhoogt natuurlijk wel de kosten van de accountantsverklaring. Deze verplichting zal daarom niet zonder reden worden opgelegd. Er kan daarom ook moeilijk een algemene bepaling daarover in de verordening worden opgenomen. Lid 2 geeft aan dat deze verplichting alleen geldt wanneer dit bij de subsidieverlening is bepaald.

HOOFDSTUK IV De subsidievaststelling

Artikel 19 Indienen aanvraag tot subsidievaststelling

Deze bepaling regelt dat de subsidieontvanger binnen zeventien weken na afloop van het kalenderjaar een aanvraag tot subsidievaststelling in moet dienen. Burgemeester en wethouders kunnen overigens bij de beschikking tot subsidieverlening een andere termijn stellen waarbinnen een aanvraag tot subsidievaststelling ingediend moet worden.

Indien na afloop van de gestelde termijn geen aanvraag tot subsidievaststelling is ingediend, dan kan de subsidie ambtshalve worden vastgesteld.

Artikel 20 De beslistermijn

Op grond van dit artikel stelt het college de subsidie vast binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.

Artikel 21 Eenvoudige structurele subsidies

Artikel 4:29 van de Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat voorafgaand aan een subsidievaststelling een beschikking omtrent subsidieverlening kan worden gegeven, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Op grond van artikel 20 van de verordening kan voor eenvoudige structurele subsidies tot een bedrag van € 1.500,-- volstaan worden met het afgeven van één beschikking, namelijk de beschikking tot subsidievaststelling.

Deze bepaling is opgenomen omdat voor de hier bedoelde subsidies het subsidiebedrag meestal niet direct gerelateerd is aan het werkelijke exploitatietekort (vaak is er in deze gevallen sprake van een zgn. waarderingssubsidie). Het subsidiebedrag dat bij de subsidieverlening wordt toegekend is in deze gevallen ook het definitieve subsidiebedrag.

HOOFDSTUK IV Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 22 Verslag

Op grond van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht moet tenminste eenmaal in de vijf jaren een verslag worden gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk. Bij wettelijk voorschrift kan hiervan worden afgeweken.

Het subsidiebeleid op de diverse terreinen van cultuur, sport en welzijn zal in deze gemeente regelmatig worden geëvalueerd.

Een verslag zoals bedoeld in artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht heeft dan ook weinig toegevoegde waarde.

Artikel 23 Inwerkingtreding

Op grond van dit artikel vallen nieuwe subsidieaanvragen zes weken na bekendmaking van de verordening onder de werking van deze verordening. De oude subsidieverordening wordt op dat moment ingetrokken.

Artikel 24 Citeerartikel

Hierin is de "roepnaam" van deze verordening bepaald, Algemene Subsidieverordening Cultuur, Sport en Welzijn Gemeente Hardenberg 2004.