Gemeenschappelijke regeling Waddenfonds

Geldend van 15-12-2015 t/m 15-12-2015

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling Waddenfonds

Gemeenschappelijke regeling Waddenfonds

Provinciale staten en gedeputeerde staten van de provincies Fryslân, Noord-Holland en Groningen, hierna te noemen: Waddenprovincies, ieder voor zover zij bevoegd zijn,

overwegende dat:

 het Kabinet heeft besloten het Waddenfonds te decentraliseren naar de Waddenprovincies;

 ten behoeve van deze decentralisatie het Rijk en de Waddenprovincies op 14 september 2011 het Bestuursakkoord Decentralisatie Waddenfonds hebben ondertekend;

 met deze decentralisatie het beheer over het Waddenfonds en de besteding van middelen ten laste van dit fonds een autonome taak van de Waddenprovincies is;

 in voormeld Bestuursakkoord is opgenomen dat de Waddenprovincies zorg dragen voor een professionele uitvoeringsorganisatie voor het beheer van het Waddenfonds en in gezamenlijkheid beschikken over de gelden van dit fonds,

gelet op:

de Wet gemeenschappelijke regelingen

BESLUITEN:

de volgende gemeenschappelijke regeling te treffen:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen
  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      Awb: Algemene wet bestuursrecht;

    • b.

      de regeling: de gemeenschappelijke regeling Waddenfonds;

    • c.

      het openbaar lichaam: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van deze regeling;

    • d.

      de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • e.

      provinciale staten: provinciale staten van Fryslân, Noord-Holland en Groningen;

    • f.

      colleges: gedeputeerde staten van Fryslân, Noord-Holland en Groningen;

    • g.

      bestuursakkoord: het door Rijk en Waddenprovincies op 14 september 2011 ondertekende Bestuursakkoord Decentralisatie Waddenfonds.

  • 2 Waar de wet of de regeling bepalingen van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing verklaard wordt voor provinciale staten, gedeputeerde staten en de commissaris van de Koningin gelezen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Artikel 2 Openbaar lichaam
  • 1 Er is een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 40, eerste lid, juncto artikel 8, eerste lid, van de wet, genaamd Waddenfonds.

  • 2 Het Waddenfonds is gevestigd te Leeuwarden.

  • 3 Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter.

Hoofdstuk 2 Belangen, taken en bevoegdheden

Artikel 3 Belangen

De regeling heeft ten doel het behartigen van de belangen van de deelnemende provincies met betrekking tot het beheer van het Waddenfonds en de besteding van middelen ten laste van dit fonds.

Artikel 4 Taken
  • 1 Ter behartiging van de in artikel 3 genoemde belangen heeft het openbaar lichaam de volgende taken:

    • a)

      het beheer van het Waddenfonds;

    • b)

      het vaststellen van enig wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, Awb;

    • c)

      het verstrekken van subsidies ten laste van het Waddenfonds;

    • d)

      het op privaatrechtelijke titel besteden van middelen ten laste van het Waddenfonds;

    • e)

      de voorbereiding van het door provinciale staten vast te stellen Uitvoeringsplan Waddenfonds als bedoeld in artikel 6.

  • 2 De taken als bedoeld in het eerste lid worden uitgevoerd met inachtneming van het bestuursakkoord en de door provinciale staten vastgestelde beleidskaders met betrekking tot het werkingsgebied van het Waddenfonds.

Artikel 5 Bevoegdheden

Ter uitvoering van de in artikel 4 genoemde taken worden aan het bestuur van het openbaar lichaam de volgende publiekrechtelijke bevoegdheden overgedragen:

  • a)

    verordenende bevoegdheid, voor zover het vaststellen van een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4.23, eerste lid, Awb, noodzakelijk is ten behoeve van het verstrekken van subsidies ten laste van de begroting van het Waddenfonds;

  • b)

    het nemen van besluiten inzake het verstrekken van subsidie ten laste van de begroting van het Waddenfonds, overeenkomstig titel 4.2 Awb.

Hoofdstuk 3 Uitvoeringsplan, Jaarprogramma en Jaarverslag

Artikel 6 Uitvoeringsplan
  • 1 Provinciale staten stellen eenmaal in de vier jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2014, een Uitvoeringsplan Waddenfonds vast.

  • 2 Het Uitvoeringsplan bevat een programmatisch afwegingskader op hoofdlijnen ten behoeve van de besteding van middelen ten laste van het Waddenfonds.

Artikel 7
  • 1 Het Uitvoeringsplan wordt voorbereid door het dagelijks bestuur.

  • 2 Het dagelijks bestuur betrekt bij de voorbereiding van het Uitvoeringsplan:

    • a)

      de naar zijn oordeel meest belanghebbende overheidsorganen en organisaties. Daartoe behoren in elk geval de besturen van de aan de werkingsgebied van het Waddenfonds grenzende gemeenten en waterschappen;

    • b)

      het advies van de commissie als bedoeld in artikel 23.

  • 3 Het algemeen bestuur stelt het ontwerp-Uitvoeringsplan vast voor 1 september van het jaar, voorafgaande aan de meerjarenperiode waarop het plan betrekking heeft.

Artikel 8 Jaarprogramma
  • 1 Het algemeen bestuur stelt jaarlijks, voor 1 januari, een Jaarprogramma vast voor het daarop volgende kalenderjaar.

  • 2 Het Jaarprogramma bevat in ieder geval een richtinggevende verdeling van het jaarbudget over de respectieve thema’s en een beschrijving van activiteiten om tot besteding van dat budget te komen.

  • 3 Bij de vaststelling van het Jaarprogramma houdt het algemeen bestuur rekening met het Uitvoeringsplan Waddenfonds.

  • 4 Het Jaarprogramma wordt ter kennisname aan gedeputeerde staten en provinciale staten gezonden.

Artikel 9 Jaarverslag
  • 1 Het algemeen bestuur stelt jaarlijks, voor 1 april, een verslag van werkzaamheden vast, over het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

  • 2 Het Jaarverslag bevat in ieder geval:

    • a)

      een overzicht van aangevraagde, verleende en geweigerde subsidies;

    • b)

      een overzicht van op privaatrechtelijke titel verstrekte middelen;

  • 3 Het Jaarverslag wordt ter kennisname aan gedeputeerde staten en provinciale staten gezonden.

Hoofdstuk 4 Het algemeen bestuur

Artikel 10 Samenstelling
  • 1 Het algemeen bestuur bestaat uit 9 leden.

  • 2 Provinciale staten wijzen elk drie leden aan van het algemeen bestuur, waarbij in elk geval de gedeputeerde die het Waddenfonds in portefeuille heeft wordt aangewezen. Provinciale staten wijzen voorts elk een gedeputeerde aan als plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur. Behoudens de eerste aanwijzing vindt aanwijzing plaats in de eerste vergadering van provinciale staten in nieuwe samenstelling.

  • 3 Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege, zodra men ophoudt lid of voorzitter te zijn van provinciale staten uit wiens midden men is aangewezen of gedeputeerde van de betreffende provincie te zijn.

  • 4 De zittingsduur van de leden van het algemeen bestuur is gelijk aan die van provinciale staten. Onverminderd het bepaalde in het derde lid blijven de leden van het algemeen bestuur na het verstrijken van de in de vorige volzin genoemde termijn hun functie waarnemen tot het tijdstip dat de nieuwe leden zijn aangewezen.

  • 5 Indien in het algemeen bestuur een vacature ontstaat wijzen provinciale staten van de betreffende provincie zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

Artikel 11 Werkwijze
  • 1 Het algemeen bestuur vergadert ten minste twee maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, dan wel ten minste een vijfde van het aantal leden dit, onder opgaaf van redenen, schriftelijk verzoekt.

  • 2 De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. Indien de voorzitter dan wel een vijfde gedeelte van de aanwezige leden het nodig oordeelt, dient het algemeen bestuur te besluiten of zal worden vergaderd met gesloten deuren.

  • 3 Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast.

  • 4 De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.

  • 5 Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in artikel 23, tweede lid, van de wet bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.

  • 6 De vergadering wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is en tevens elke deelnemende provincie tegenwoordig is.

  • 7 Indien ingevolge het zesde lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.

  • 8 Op de vergadering, bedoeld in het zevende lid, is het zesde lid niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het zesde lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is en tevens elke deelnemende provincie tegenwoordig is.

Artikel 12 Besluitvorming
  • 1 Elk lid van het algemeen bestuur heeft één stem.

  • 2 Een stemming is alleen geldig als meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft, en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

  • 3 Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming is de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.

  • 4 Een lid neemt niet deel aan de stemming over:

    • a.

      een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;

    • b.

      de vaststelling of goedkeuring van de rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welk bestuur hij behoort.

Artikel 13 Taken en bevoegdheden
  • 1 Alle taken en bevoegdheden die niet bij of krachtens deze regeling aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn opgedragen, behoren aan het algemeen bestuur. Tot de taken en bevoegdheden behoren in elk geval:

    • a.

      het vaststellen van de begroting;

    • b.

      het vaststellen van de rekening;

    • c.

      verordenende bevoegdheid;

    • d.

      het vaststellen van het ontwerp-Uitvoeringsplan;

    • e.

      het vaststellen van het jaarprogramma;

    • f.

      het vaststellen van het jaarverslag;

    • g.

      het vaststellen van regels over de ambtelijke organisatie;

    • h.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van de secretaris/directeur;

    • i.

      te besluiten tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen, onverminderd het bepaalde in het tweede lid.

  • 2 Besluiten tot het oprichten van en deelnemen in privaatrechtelijke rechtspersonen behoeven de instemming van provinciale staten.

  • 3 Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur bevoegdheden van het algemeen bestuur overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen overdracht verzet. Artikel 152, tweede lid, van de Provinciewet is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5 Het dagelijks bestuur

Artikel 14 Samenstelling
  • 1 Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen, zodanig dat vanuit elke deelnemende provincie de gedeputeerde die het Waddenfonds in portefeuille heeft wordt aangewezen. Het als plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aangewezen lid wordt aangewezen als plaatsvervangend lid van het dagelijks bestuur.

  • 2 De leden en plaatsvervangend leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling.

  • 3 De leden van het dagelijks bestuur treden af met ingang van de dag waarop de zittingsperiode van het algemeen bestuur afloopt. Zij blijven hun functie waarnemen tot het tijdstip waarop het algemeen bestuur de leden van een nieuw dagelijks bestuur heeft aangewezen.

  • 4 Degene die tussentijds ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

  • 5 Indien in het dagelijks bestuur een vacature ontstaat, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

Artikel 15 Werkwijze en besluitvorming
  • 1 Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of één van de leden dit nodig acht.

  • 2 In de vergadering van het dagelijks bestuur heeft ieder lid één stem. Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.

  • 3 In de vergaderingen van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd of besloten, indien alle zitting hebbende leden tegenwoordig zijn.

  • 4 Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, een nieuwe vergadering.

  • 5 Op de vergadering, bedoeld in het vierde lid, is het derde lid niet van toepassing. Het dagelijks bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien alle zitting hebbende leden tegenwoordig zijn.

  • 6 Indien bij een stemming, anders dan over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, de stemmen staken, wordt opnieuw gestemd. Staken de stemmen andermaal over hetzelfde voorstel, dan beslist de stem van de voorzitter.

  • 7 Het dagelijks bestuur kan voor zijn vergaderingen een reglement van orde vaststellen

Artikel 16 Taken en bevoegdheden

Tot de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur behoren in elk geval:

  • a.

    het voeren van het dagelijks bestuur van het Waddenfonds, voor zover niet bij of krachtens de wet of deze regeling de voorzitter hiermee is belast;

  • b.

    de voorbereiding van alles waarover in de vergadering van het algemeen bestuur zal worden beraadslaagd en besloten;

  • c.

    het uitvoeren van beslissingen van het algemeen bestuur, tenzij bij of krachtens de wet of deze regeling de voorzitter hiermee is belast;

  • d.

    het nemen, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, van alle conservatoire maatregelen en doen wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit;

  • e.

    het procederen in kort geding en tot voeging in strafzaken, tenzij het algemeen bestuur daaromtrent in voorkomende gevallen een beslissing heeft genomen;

  • f.

    indien ingevolge een wettelijk voorschrift aan het Waddenfonds of het bestuur van het Waddenfonds hetzij een recht van beroep hetzij een recht bezwaar te maken toekomt, spoedshalve beroep in te stellen of bezwaar in te brengen alsmede, voor zover de voorschriften dat toelaten, schorsing van het aangevochten besluit of een voorlopige voorziening ter zake te verzoeken. Het ingestelde beroep of het gemaakte bezwaar wordt ingetrokken, indien het algemeen bestuur de beslissing van het dagelijks bestuur tot het instellen van beroep of het maken van bezwaar niet hetzij in hun eerstvolgende vergadering, hetzij binnen drie maanden bekrachtigen;

  • g.

    het beheer van de financiële administratie;

  • h.

    de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

  • i.

    ambtenaren, niet zijnde de secretaris/directeur, te benoemen, te schorsen en te ontslaan;

  • j.

    het stimuleren en coördineren van overleg tussen de Waddenprovincies;

  • k.

    het behartigen van de belangen van het Waddenfonds bij andere overheden, instellingen, diensten of personen.

Hoofdstuk 6 Voorzitter en secretaris/directeur

Artikel 17 De voorzitter
  • 1 Het algemeen bestuur benoemt uit zijn midden een voorzitter, zodanig dat elke deelnemende provincie steeds voor een periode van vier jaren voorziet in het voorzitterschap.

  • 2 De voorzitter is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur.

  • 3 De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 4 De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur uitgaan.

  • 5 De voorzitter vertegenwoordigt het Waddenfonds in en buiten rechte. De voorzitter kan deze bevoegdheid opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.

  • 6 De voorzitter wordt vervangen door een lid van het dagelijks bestuur, dat daartoe door het dagelijks bestuur wordt aangewezen.

Artikel 18 De secretaris/directeur
  • 1 De secretaris/directeur wordt, op voorstel van het dagelijks bestuur, benoemd, geschorst en ontslagen door het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur regelt tevens de rechtspositie.

  • 2 De secretaris/directeur is belast met de dagelijkse leiding van het Waddenfonds.

  • 3 De secretaris/directeur is het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter behulpzaam bij de vervulling van hun taak.

  • 4 De secretaris/directeur is bij de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig.

  • 5 De stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan worden door de secretaris/directeur mede ondertekend.

  • 6 Het algemeen bestuur regelt de vervanging van de secretaris/directeur.

Hoofdstuk 7 Informatie en verantwoording

Artikel 19
  • 1 Het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken provinciale staten alle inlichtingen die door één of meer leden van die bestuursorganen worden verlangd.

  • 2 Het reglement van orde van provinciale staten van de deelnemende provincie is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20
  • 1 Een lid van het algemeen bestuur verstrekt aan provinciale staten die dit lid heeft aangewezen, alle inlichtingen die door één of meer leden daarvan wordt verlangd op de binnen de betreffende provincie gebruikelijke wijze.

  • 2 Een lid van het algemeen bestuur kan door provinciale staten die dit lid heeft aangewezen, ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid op de binnen de betreffende provincie gebruikelijke wijze.

  • 3 Provinciale staten kunnen een door hem aangewezen lid van het algemeen bestuur ontslag verlenen, indien dit lid het vertrouwen van de deelnemer niet meer bezit.

Artikel 21
  • 1 De leden van het dagelijks bestuur, tezamen en ieder afzonderlijk, zijn aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde beleid.

  • 2 De leden van het dagelijks bestuur, tezamen en ieder afzonderlijk, geven mondeling of schriftelijk de door één of meer leden van het algemeen bestuur gevraagde inlichtingen.

Hoofdstuk 8 Commissies

Artikel 22 Adviescommissies
  • 1 Het algemeen bestuur kan commissies van advies instellen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

  • 2 De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter.

  • 3 Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld. Het dagelijks bestuur respectievelijk de voorzitter regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

Artikel 23 Commissie Kwaliteitstoetsing Waddenfonds
  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 22, eerste lid, stelt het algemeen bestuur een commissie Kwaliteitstoetsing Waddenfonds in.

  • 2 De commissie is in ieder geval belast met de advisering over:

    • a)

      het ontwerp-Uitvoeringsplan, het ontwerp-Jaarprogramma en het ontwerp-Jaarverslag, als bedoeld in hoofdstuk 3;

    • b)

      de monitoring en periodieke evaluatie van het beheer van het Waddenfonds en de besteding van de middelen ten laste van dit fonds.

  • 3 Bij de samenstelling van de commissie draagt het algemeen bestuur zorg voor een voldoende en onafhankelijke deskundigheid vanuit de terreinen economie, ecologie, energie, toerisme, landschap en cultuurhistorie, bestuurlijk- en bedrijfsmatige processen en controlling & accountancy.

Artikel 24 Bestuurscommissies
  • 1 Het algemeen bestuur kan bestuurscommissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

  • 2 Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een bestuurscommissie dan na toestemming van provinciale staten.

Hoofdstuk 9 Organisatie en personeel

Artikel 25 Organisatiestructuur

Iedere 3 jaar evalueert het dagelijks bestuur de doeltreffendheid en doelmatigheid van de organisatiestructuur.

Artikel 26 Personeel
  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 18, eerste lid, is het dagelijks bestuur, binnen de door het algemeen bestuur vastgestelde regels over de ambtelijke organisatie, belast met de benoeming, schorsing en het ontslag van personeel in dienst van het Waddenfonds.

  • 2 Op het personeel in dienst van het Waddenfonds is de rechtspositieregeling van de provincie Fryslân van toepassing.

  • 3 Op verzoek van het dagelijks bestuur kunnen de deelnemers personeel detacheren bij het openbaar lichaam. Aan een dergelijk verzoek wordt zoveel mogelijk tegemoet gekomen.

Hoofdstuk 10 Financiën en beheer

Artikel 27 Begroting
  • 1 Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, toe aan provinciale staten.

  • 2 De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de Waddenprovincies voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld.

  • 3 Provinciale staten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 4 Het algemeen bestuur stelt de begroting vast, uiterlijk 1 juli in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

  • 5 Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting zo nodig toe aan provinciale staten.

  • 6 Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 28 Jaarrekening
  • 1 Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast uiterlijk 1 juli in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 2 Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 29 Bijdrage

De uitvoerings- en beheerkosten die rechtstreeks voortvloeien uit deze regeling worden ten laste het Waddenfonds gebracht.

Artikel 30 Financiële voorschriften
  • 1 Het algemeen bestuur stelt regels vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en van het kasbeheer.

  • 2 Het algemeen bestuur stelt regels vast voor de controle op het financieel beheer en de inrichting van de financiële organisatie. Deze regels dienen te waarborgen dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie worden getoetst.

  • 3 Het algemeen bestuur wijst een accountant aan als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, belast met de controle van de jaarrekening en het daarbij verstrekken van een accountantsverklaring en het daarbij uitbrengen van een verslag van de bevindingen. Artikel 217, derde tot en met vijfde lid, van de Provinciewet is van overeenkomstige toepassing op de accountantsverklaring en het verslag.

Artikel 31 Tegemoetkoming in de kosten
  • 1 Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van de wet, een regeling vaststellen voor een tegemoetkoming in de kosten van de leden van het algemeen bestuur, de leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter.

  • 2 Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van de wet, een regeling vaststellen voor een tegemoetkoming in de kosten van de leden van bestuurscommissies.

Hoofdstuk 11 Archiefbescheiden

Artikel 32 Archief
  • 1 Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling die aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld.

  • 2 Gedeputeerde staten oefenen toezicht uit op de aan het dagelijks bestuur opgedragen zorg voor de archiefbescheiden.

  • 3 De secretaris/directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden en het toezicht daarop, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

  • 4 Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van de in deze regeling genoemde organisatie is aangewezen de rijksarchiefbewaarplaats in de provincie Fryslân gevestigd aan de Boterhoek 1 8911 DH te Leeuwarden (Tresoar)

  • 5 Ingeval van organisatiewijziging als bedoeld in artikel 4 van de Archiefwet 1995 draagt het dagelijks bestuur zorg voor het treffen van een voorziening voor het beheer van de betrokken archiefbescheiden, welke tenminste inhoudt aanwijzing van degene die belast is met het beheer.

Hoofdstuk 12 Slotbepalingen

Artikel 33 Beëindiging
  • 1 De regeling wordt gesloten voor bepaalde tijd en eindigt op 1 januari 2028.

  • 2 Het algemeen bestuur stelt een liquidatieplan vast en regelt de vereffening van het vermogen.

Artikel 34 Citeertitel en inwerkingtreding
  • 1 Deze regeling wordt aangehaald als “Gemeenschappelijke regeling Waddenfonds”

  • 2 De regeling wordt door elk van de Waddenprovincies op de gebruikelijke wijze bekend gemaakt en treedt in werking op de eerste dag na opname in het register van de provincie Fryslân, als bedoeld in artikel 74, eerste lid, onderdeel j. juncto artikel 27 van de wet.

  • 3 Gedeputeerde staten van de provincie Fryslân zenden de regeling aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Infrastructuur en Milieu.

     

Ondertekening

Leeuwarden, 25 april 2012
voorzitter J.A. Jorritsma
griffier A. Oortgiesen
Leeuwarden, 21 februari 2012
voorzitter J.A. Jorritsma
secretaris drs. A.J. van den Berg
Haarlem, 7 mei 2012
voorzitter J. W. Remkes
griffier J. Vrijburg
Haarlem, 13 maart 2012
voorzitter J.W. Remkes
secretaris mw. mr. G.E.A. van Craaikamp
Groningen, 25 april 2012
voorzitter M.J. van den Berg
griffier ir. J.M.C.A. Berkhout
Groningen, 6 maart 2012
voorzitter M.J. van den Berg
secretaris H.J. Bolding
 

I. Algemeen

Inleiding en achtergrond Op 9 juli 2007 is de Wet op het Waddenfonds in werking getreden. Het fonds strekt ter financiering van additionele investeringen in het waddengebied. Het kabinet Rutte heeft in 2010 aangegeven het Waddenfonds te willen decentraliseren naar de Waddenprovincies, waarmee de besteding van de middelen een autonome taak van deze provincies wordt. De Tweede Kamer heeft hier op 27 april 2011 mee ingestemd. Op 14 september 2011 hebben het Rijk en de Waddenprovincies het Bestuursakkoord decentralisatie Waddenfonds ondertekend, op grond waarvan het fonds per 1 januari 2012 is gedecentraliseerd. De drie provincies hebben daarmee de autonome bevoegdheid om in gezamenlijkheid de middelen van het Waddenfonds te verdelen en daarmee een belangrijk instrument in handen om invulling te geven aan het beleid voor de Waddenzee en het waddengebied.

Met de decentralisatie blijft de hoofddoelstelling van het Waddenfonds ongewijzigd: De subsidiëring van activiteiten, anders dan reguliere investeringen of beheers- of onderhoudswerken, die gericht zijn op of bijdragen aan: a. het vergroten en versterken van de natuur- en landschapswaarden van het waddengebied; b. het verminderen of wegnemen van externe bedreigingen van de natuurlijke rijkdom van de Waddenzee; c. een duurzame economische ontwikkeling in het waddengebied dan wel gericht zijn op een substantiële transitie naar een duurzame energiehuishouding in het waddengebied en de direct aangrenzende gebieden; d. het ontwikkelen van een duurzame kennishuishouding ten aanzien van het waddengebied.

In voormeld bestuursakkoord is uitdrukkelijk bepaald dat de Waddenprovincies in gezamenlijkheid beschikken over de gelden van het Waddenfonds en daartoe voorzien in een professionele uitvoeringsorganisatie. Dat is van belang vanwege de herkenbaarheid van het Waddenfonds en onafhankelijke aansturing en besluitvorming ten opzichte van de provinciale organisatie en middelen. Een samenwerkingsstructuur op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr.) ligt dan ook voor de hand. In de eerste plaats is de Wgr. bij uitstek bedoeld voor publiekrechtelijke samenwerking tussen overheden. In de tweede plaats kan via de weg van de Wgr. in één gezamenlijk bestuur worden voorzien, waarmee recht wordt gedaan aan de afspraak in het bestuursakkoord dat de Waddenprovincies als deelnemers aan de regeling gezamenlijk besluiten over de besteding van de Waddenfondsmiddelen. De publiekrechtelijke samenwerking benadrukt daarmee het ongedeelde karakter van het fonds. Het fonds is aldus niet opgesplitst over de Waddenprovincies, maar in de decentralisatie ligt juist een opdracht aan deze provincies besloten om middels het fonds gezamenlijk de belangen van de Waddenzee en het waddengebied te behartigen.

Het treffen van een gemeenschappelijke regeling leidt tot een vorm van functionele samenwerking, dat wil zeggen samenwerking ter behartiging van bepaalde belangen. Deze samenwerking wordt gekenschetst als verlengd lokaal bestuur en richt zich het beheer van het Waddenfonds en de besteding van middelen ten laste van dit fonds.

Wet dualisering provinciebestuur Hoofdstuk II van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr.) is van toepassing op regelingen tussen provincies. In dit hoofdstuk worden op enkele plaatsen bepalingen uit de Provinciewet van overeenkomstige toepassing verklaard. In dat geval is tevens art. XV van de Wet dualisering provinciebestuur van toepassing (Wet van 16 januari 2003, Stb. 2003, 17). Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat, voor zover bij of krachtens de Wgr. de bij of krachtens de Provinciewet gestelde regels van toepassing zijn verklaard, de bij of krachtens de Provinciewet gestelde regels van toepassing blijven zoals die luidden onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet dualisering provinciebestuur op 12 maart 2003. De ratio achter deze bepaling is dat zonder nadere voorziening de bepalingen van de gedualiseerde Provinciewet via de verwijzingen in de Wgr. doorwerken op de verhoudingen binnen de gemeenschappelijke regeling, die (nog) op monistische leest is geschoeid. Op grond van het tweede lid van art. XV Wet dualisering provinciebestuur is het eerste lid van deze bepaling niet van toepassing op de artt. 190 tot en met 219 van de Provinciewet.

II. Artikelsgewijs Hieronder wordt kort ingegaan op enkele in de regeling opgenomen bepalingen.

art. 2 Openbaar lichaam Bij de regeling wordt een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam ingesteld. Het openbaar lichaam kan op eigen naam en voor eigen rekening privaatrechtelijke rechtshandelingen verrichten en kan personeel in dienst hebben. De Wgr. bepaalt dat het bestuur van een openbaar lichaam bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter.

art. 3 Belangen De Wgr. vereist dat de regeling het belang of de belangen ter behartiging waarvan zij is getroffen vermeldt. Dat mag overigens ook in algemene termen. Dat belang is hier gelegen in het het beheer van het Waddenfonds en de besteding van middelen ten laste van dit fonds.

art. 5 Bevoegdheden De Wgr. voorziet in de mogelijkheid dat deelnemers bevoegdheden aan het bestuur van de regeling overdragen. De regeling moet in dat geval nadrukkelijk aangeven welke bevoegdheden zijn overgedragen. De overdracht van bevoegdheid is te kwalificereren als delegatie in de zin van artikel 10:13 Awb, indien het overdracht van besluitbevoegdheden betreft. De regeling voorziet hier in. In de eerste plaats voorziet de regeling in de overdracht van verordenende bevoegdheid. Die overdracht heeft betrekking op het vaststellen van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt. Artikel 4:23 Awb stelt immers de eis dat subsidie worden verstrekt op basis van een wettelijk voorschrift. Waar voor de decentralisatie de Wet op het Waddenfonds daarin voorzag, zullen nu de samenwerkende provincies daarin moeten voorzien. In de tweede plaats wordt de bevoegdheid om subsidie te verstrekken ten laste van het Waddenfonds overgedragen. De overdracht van bevoegdheid laat onverlet dat de deelnemers kunnen besluiten om het bestuur van de regeling, voor zover daartoe behoefte bestaat, mandaat, volmacht of machting te verlenen, om namens de deelnemers besluiten te nemen of (rechts)handelingen te verrichten. In artikel 10:3 Awb is de begrenzing van mandaatverlening opgenomen. De deelnemende bestuursorganen dienen zelf een besluit te nemen over het verlenen van mandaat, volmacht of machting. Het betreft hier mandaat aan een niet-ondergeschikte, zodat het bestuur van de regeling op grond van art. 10:4 Awb met het mandaat dient in te stemmen.

artt. 6 tot en met 9 Uitvoeringsplan, Jaarprogramma en Jaarverslag Een rechtmatige besteding van de middelen van het Waddenfonds vraagt om een helder omschrijving van de te bereiken doelen. Op basis van de vier hoofddoelstellingen van het fonds wordt telkens voor een periode van vier jaren door provinciale staten van de Waddenprovincies een Uitvoeringsplan vastgesteld, met daarin in elk geval een programmatisch afwegingskader op hoofdlijnen. Het vigerende Uitvoeringsplan geldt nog tot en met 2013. In het vierde kwartaal van elk kalendenderjaar stelt het algemeen bestuur een jaarprogramma voor het daarop volgende jaar vast. Het programma is richtinggevend voor wat betreft de verdeling van het jaarbudget. Het vaststellen van het Jaarverslag sluit aan bij art. 18 van het Bestuursakkoord, waarin is afgesproken dat de Waddenprovincies jaarlijks een openbare voortgangsrapportage uitbrengen.

 

 

artt. 10 tot en met 18 Het bestuur van de regeling De Wgr. bepaalt dat een openbaar lichaam bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter. De op deze bestuursorganen betrekking hebbende bepalingen volgen grotendeels de Wgr. en de Provinciewet, zoals die luidde voor 12 maart 2003. De leden van het algemeen bestuur worden door provinciale staten aangewezen. Het algemeen bestuur kiest uit haar midden een voorzitter. De voorzitter is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur, waarvan de leden eveneens door en uit het algemeen bestuur worden aangewezen. De Wgr. bepaalt dat de voorzitter door en uit het algemeen bestuur wordt aangewezen. De Wgr. regelt niets over plaatsvervanging, zodat daarvoor moet worden aangesloten bij de bepalingen van de Provinciewet, zoals die luidde voor dualisering. Dat betekent dat de voorzitter wordt vervangen door een lid van het dagelijks bestuur. De plaatsvervangend voorzitter vervangt de voorzitter zowel als voorzitter van het algemeen bestuur, als voorzitter van het dagelijks bestuur en als voorzitter van het gemeenschappelijk openbaar lichaam.

De functie van secretaris van het Waddenfonds valt samen met die van directeur. De secretaris/directeur wordt, op voorstel van het dagelijks bestuur, door het algemeen bestuur benoemd, geschorst en ontslagen.

artt. 19 tot en met 21 Informatie en verantwoording In de Wgr. is voorgeschreven dat in de regeling bepalingen worden opgenomen over de wijze waarop het bestuur van de gemeenschappelijke regeling de door één of meer van de deelnemers gevraagde inlichtingen verschaft en de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd. Via de informatie- en verantwoordingsplicht wordt het uitgangspunt van verlengd lokaal bestuur benadrukt. Deze bepalingen volgen rechtstreeks uit de Wgr.

artt. 22 tot en met 24 Commissies Het algemeen bestuur kan vaste commissies van advies en bestuurscommissies instellen. Voor het instellen van een bestuurscommissie is toestemming nodig van provinciale staten. De regeling schrijft voor dat in elk geval een Commissie Kwaliteitstoetsing Waddenfonds wordt ingesteld. Dit is een vaste commissie van advies aan het bestuur van de regeling, waarbij de commissie in elk geval adviseert over het ontwerp-Uitvoeringsplan, het ontwerp-Jaarplan en het ontwerp-Jaarverslag en de monitoring en de periodieke evaluatie van het beheer van het Waddenfonds en de besteding van de middelen. In de regeling ligt de opdracht besloten om bij de samenstelling van de commissie te komen tot een brede maatschappelijke deskundigheid.

artt. 25 en 26 Organisatiestructuur en personeel Het algemeen bestuur stelt regels omtrent de ambtelijke organisatie van het Waddenfonds. Het algemeen bestuur kan deze bevoegdheid delegeren aan het dagelijks bestuur. Bij dat bestuur legt de regeling de opdracht om de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de organisatiestructuur te evalueren. Hiermee wordt periodiek de ambtelijke structuur en werkwijze tegen het licht gehouden.

artt. 27 tot en met 29 Begroting, jaarrekening en bijdrage Deze bepalingen volgen rechtstreeks uit de Wgr. De uitvoerings- en beheerskosten die rechtstreeks voortvloeien uit de regeling komen ten laste van het Waddenfonds.

art. 33 De regeling wordt getroffen voor bepaalde tijd en eindigt op 1 januari 2028.