Beleidsregel niet-geografische bewegwijzering

Geldend van 16-12-2011 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel niet-geografische bewegwijzering

 In 2001 heeft ons college de Beleidsregel bewegwijzeringbeleid naar en aanduidingbeleid van niet-geografische bestemmingen op de wegen in beheer bij de provincie Drenthe vastgesteld.

Aanleiding was de toenemende verkeersdrukte en de grote verscheidenheid aan toeristische bestemmingen, waardoor het belang van een duidelijke bewegwijzering van recreatief-toeristische bestemmingen toenam. Een uniform bewegwijzerings- en aanduidingsysteem draagt in belangrijke mate bij tot een vlotte en veilige verkeersafwikkeling. Bovendien zijn met bewegwijzering verkeersstromen te beïnvloeden.

In 2005 is door het CROW de Richtlijn Bewegwijzering opgesteld. Hierin is echter maar beperkte aandacht besteed aan toeristische en recreatieve bestemmingen, terwijl daar wel behoefte aan was bij de diverse wegbeheerders. Vanwege deze behoefte heeft het CROW in overleg met de wegbeheerders in 2008 alsnog een Richtlijn Toeristische Bewegwijzering opgesteld.

De minister heeft de wegbeheerders verzocht de bewegwijzering conform deze Richtlijn uit te voeren. Ter bevordering van de uniformiteit en eenduidigheid willen wij aan dit verzoek voldoen en hebben in voorliggend besluit alle bepalingen van de Richtlijn Toeristische Bewegwijzering overgenomen.

Dit besluit heeft uitsluitend betrekking op de wegen die in beheer en onderhoud zijn bij de provincie Drenthe. Het geeft aan in welke gevallen en onder welke voorwaarden de provincie, in het belang van een vlotte en veilige verkeersafwikkeling op grond van de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe ontheffing verleent, van het verbod om werken in de provinciale bermen te plaatsen, voor het plaatsen van borden die verwijzen naar niet-geografische objecten.

Inhoud

Artikel 1, Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.    stroomweg: weg gelegen buiten de bebouwde kom met een stroomfunctie en berekend om auto's met een hoge snelheid vlot en veilig te verwerken;

b.    gebiedsontsluitingsweg: weg waarop tevens landbouwverkeer rijdt, gelegen binnen en buiten de bebouwde kom met een ontsluitende functie, die de weg met de stroomweg verbindt;

c.    erftoegangsweg: weg met gemengd langzaam en gemotoriseerd verkeer, gelegen binnen en buiten de bebouwde kom, zonder rijrichtingscheiding, die erven ontsluit;

d.    strokenborden: losse stroken van borden waarmee naar objecten wordt verwezen;

e.    informatiepaneel: een paneel waarin zich informatiemateriaal bevindt over de regio of over de stad of agglomeratie waarop het informatiepunt betrekking heeft;

f.     grensborden: borden die geplaatst worden in de nabijheid van lands-, provincie-, gemeente- of gebiedsgrenzen;

g.    toeristische routeborden: borden die geplaatst worden om de diverse wandel-, fiets-, auto- en kanoroutes aan te geven;

h.    autorouteborden: borden die geplaatst worden om de 40 routes voor automobilisten langs diverse bezienswaardigheden aan te geven;

i.     rondrij-routeborden: borden die geplaatst worden om de fietsroutes aan te geven die altijd terug komen op het vertrekpunt;

j.     landelijke fietsrouteborden: borden die geplaatst worden voor fietstochten die niet op het vertrekpunt terug komen, maar gestrekte trajecten vormen;

k.    knooppuntennetwerkborden: borden voor het knooppuntennetwerk van fietsroutes, bestaande uit de borden uit de leden j, k, l en m;

l.     knooppuntenborden: borden die op het knooppunt van een knooppuntennetwerk-fietsroute geplaatst worden en de richtingen aangeven van de volgende knooppunten;

m.   tracéborden: borden die langs de route tussen de knooppunten geplaatst worden, deze kunnen worden voorzien van een onderbord;

n.    voorwaarschuwingsborden: borden die geplaatst worden ter attendering van de fietser van een route van het knooppuntennetwerk op een verderop gelegen knooppunt;

o.    verwijsborden: borden die op het traject tussen een knooppuntennetwerk en een grotere plaats geplaatst worden;

p.    wandelrouteborden: borden die geplaatst worden om rondgaande en langeafstandswandelroutes aan te geven;

q.    kanorouteborden: borden die geplaatst worden om kano's om kwetsbare gebieden heen te leiden en om toeristische kanoroutes die terug komen op het vertrekpunt aan te geven;

r.     toeristisch-recreatief object: een voorziening die door de aard, omvang en wijze van beheer is ingericht op verzoek van recreanten of een vergelijkende functie heeft. Het object moet gedurende een vaste periode van minimaal 6 maanden per jaar geopend zijn en er moet sprake zijn van een duidelijk waarneembaar begrensd gebied met een beperkt aantal in-/toegangen;

s.    evenement: georganiseerde tijdelijke gebeurtenis met een recreatief, cultureel, sportief of commercieel karakter, bedoeld om zoveel mogelijk publiek te trekken;

t.    restaurant: bedrijf dat is ingeschreven bij het Bedrijfschap Horeca en Catering en waarvan het verstrekken van eten en drinken en eventueel logies de enige consumentengerichte activiteiten zijn;

u.    kampeerterrein:  terrein voor het plaatsen van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf met tenminste wasgelegenheid en toiletten en 40 of meer standplaatsen;

v.    klein kampeerterrein: kampeerterrein met minder dan 40 standplaatsen en maximaal 100 personen;

w. kampeerterrein bij de boer/ particulier: klein kampeerterrein met maximaal 10 standplaatsen met mogelijkheid tot uitbreiding naar 15 standplaatsen voor een korte periode per jaar, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders;

x.    natuurkampeerterrein: klein kampeerterrein met maximale oppervlakte van 1 ha, dat deel uitmaakt van een aaneengesloten gebied van 25 ha, waarvan tenminste de helft bestaat uit bos- of natuurgebied, beheerd door een natuurlijk en/ of rechtspersoon;

y.    passanten: kampeerders die voornemens zijn slechts 1 nacht op het terrein te verblijven;

z.    groepsaccommodatie: accommodatie voor groepen, zoals groepsverblijven, kamphuizen, jeugdhotels, jeugdherbergen, kampeerboerderijen, logiesaccommodaties behorende tot zeilscholen en maneges en dergelijke;

aa.  de richtlijn: de Richtlijn Toeristische Bewegwijzering.

Artikel 2, Uitgangspunten

a.    Vanaf provinciale wegen (buiten de kom) wordt, behoudens uitzonderingen, niet verwezen naar objecten gelegen binnen de bebouwde kom.

b.    Er wordt, tenzij dit uit een oogpunt van verkeersgeleiding en -veiligheid wenselijk is, geen aparte verwijzing geplaatst zolang er op basis van de algemene geografische bewegwijzering kan worden gereden naar een geografische bestemming waarmee de niet-geografische bestemming wordt geassocieerd.

c.    Een eenmaal in de bewegwijzering opgenomen aanduiding wordt voortgezet totdat het desbetreffende doel is bereikt of totdat de aanduiding niet meer noodzakelijk is.

Artikel 3, Criteria voor verwijzing

a.    Een toeristisch-recreatief object wordt aangegeven afhankelijk van het aantal bezoekers, de aard van de weg en de afstand van de weg tot het object, tenzij er ten behoeve van de toegang tot het object een aansluiting of zijweg is aangelegd.

b.    De objecten waar naar wordt verwezen, hebben een lokaal karakter en zijn te verdelen in objecten van plaatselijk belang en objecten van algemeen belang.

c.    Langs stroomwegen worden symbolen voor de voorzieningen voor weggebruikers opgenomen in de algemene bewegwijzering.

d.    Plaatsing van een verwijzing mag geen direct of indirect gevaar opleveren voor de verkeersveiligheid.

Artikel 4, Ontheffingverlening en weigeringsgronden/gronden voor verwijdering

a.    Er wordt geen ontheffing verleend voor strokenborden langs stroomwegen.

b.    Ontheffing van de POV kan worden verleend in de in deze beleidsregel genoemde gevallen of als voldaan wordt aan het bepaalde in deze beleidsregel

c.    Aan de ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

d.    Borden die niet meer aan de criteria van deze beleidsregel of de richtlijn voldoen worden, na overleg met de ontheffinghouder, verwijderd.

Artikel 5, Stroomwegen

a.    Er mag, onder voorwaarden, verwezen worden naar toeristisch-recreatieve objecten.

b.    Er mag verwezen worden naar industrieterreinen vanaf 10 ha oppervlakte.

c.    Logiesverstrekkende bedrijven worden aangeduid indien zij te bereiken zijn via een veilige route, er voldoende parkeerterrein aanwezig of in de buurt is en er niet meer dan 1 km afstand is tussen de desbetreffende weg en het bedrijf.

d.    Kampeerterreinen worden aangeduid indien zij te bereiken zijn via een veilige route, de terreinen accommodatie bieden aan passanten en er niet meer dan 4 km afstand is tussen de desbetreffende weg en het bedrijf.

e.    Op verzorgingsplaatsen langs stroomwegen kunnen informatiepanelen aangebracht worden. Deze informatiepanelen worden aangeduid door middel van een "i - symbool" geïntegreerd in de geografische bewegwijzering.

f.     Het P+R-symbool wordt langs stroomwegen in de geografische bewegwijzering voor de afslaande richting opgenomen.

g.    Vliegvelden worden aangeduid indien zij bestemd zijn voor de burgerluchtvaart.

Artikel 6, Gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen

a.    Er mag, onder voorwaarden, verwezen worden naar toeristisch-recreatieve objecten.

b.    Parkeerplaatsen worden aangeduid indien dat in het belang is van het verkeer.

c.    Tankstations worden aangeduid als ze onmiddellijk langs de weg zijn gelegen, een inrit hebben op de provinciale weg en vanaf de aanrijrichting slecht zichtbaar zijn.

d.    Restaurants worden aangeduid indien zij veilig te bereiken zijn, er voldoende parkeerterrein aanwezig of in de buurt is en het restaurant niet verder dan 500 m van de desbetreffende doorgaande weg af is gelegen.

e.    Logiesverstrekkende bedrijven worden aangeduid indien zij te bereiken zijn via een veilige route, er voldoende parkeerterrein aanwezig of in de buurt is en het logiesverstrekkende bedrijf niet verder dan 500 m van de desbetreffende doorgaande weg af is gelegen.

f.     Kampeerterreinen worden aangeduid indien de terreinen accommodatie bieden aan passanten en er niet meer dan 4 km afstand is tussen de desbetreffende weg en het bedrijf.

g.    Kleine kampeerterreinen kunnen worden aangeduid indien zij binnen of buiten de bebouwde kom zijn gelegen, vanaf de dichtsbijgelegen doorgaande route en met een maximale afstand tussen de verwijzing en het terrein van 2 km.

h.    Kampeerterreinen met uitsluitend vaste standplaatsen en bungalowparken worden aangeduid, met een symbool in de bewegwijzering, indien de interlokale bewegwijzering niet meer gevolgd kan worden om het doel te bereiken, er sprake is van een speciale toegangsweg, er 10 of meer woningen in bedrijfsmatige verhuur aanwezig zijn en de afstand tussen de verwijzing en het complex minder dan 2 km is.

i.     Groepsaccommodaties worden aangeduid indien de interlokale bewegwijzering niet meer gevolgd kan worden om het doel te bereiken, er sprake is van een speciale toegangsweg, er minimaal 20 slaapplaatsen zijn en de afstand tussen de verwijzing en de accommodatie minder dan 2 km is.

j.     Een carpoolplaats wordt aangeduid met een verwijzing in de nabijheid van de carpoolplaats.

k.    Informatiepanelen kunnen binnen en buiten de bebouwde kom geplaatst worden. Deze informatiepanelen worden aangeduid door middel van een "i-symbool" geïntegreerd in de geografische bewegwijzering.

l.     Café's worden aangeduid indien het veilig bereikbaar is, het in principe rechtstreeks aan de desbetreffende weg ligt en het beschikt over voldoende parkeerterrein bij het bedrijf of in de directe omgeving.

m.   Industrieterreinen worden aangeduid, waarbij geen minimumoppervlakte wordt aangehouden.

n.    Vliegvelden worden aangeduid indien zij bestemd zijn voor de burgerluchtvaart.

Artikel 7, Uitzonderingen kampeerterreinen

In uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van de afstandscriteria genoemd in artikel 5 d en artikel 6 f.

Artikel 8, Partycentra en conferentieoorden

Voor partycentra en conferentieoorden gelden dezelfde uitgangspunten als onder cafe's vermeld.

Artikel 9, Grensborden

a.    Nabij de EU-landgrenzen worden borden geplaatst waaruit blijkt dat het land deel uitmaakt van de Europese unie.

b.    Bij landgrenzen worden, ter informatie voor het inkomende verkeer, borden geplaatst met informatie over de maximumsnelheden.

c.    Op de provinciegrens worden provinciegrensborden geplaatst.

d.    Op de gemeentegrenzen worden gemeentegrensborden geplaatst.

e.    Nabij de grens van een streek worden streekgrensborden geplaatst.

f.     Op een zichtbare kruising van de weg met een rivier of kanaal kunnen riviernaamborden worden geplaatst.

g.    Op de grens van gebieden van Staatsbosbeheer, waterschappen, nationale parken en gelijksoortige gebieden kunnen grensborden worden geplaatst.

Artikel 10, Toeristische routeborden

a.    Autoroutes worden in één richting aangeduid met zeskantige borden, voor kruisingen en afslagen.

b.    Lokale/regionale rondrijroutes voor de fietser worden in één richting aangeduid met zeshoekige routeborden.

c.    Landelijke fietsroutes worden in beide richtingen (een A- en B-richting) aangeduid met rechthoekige borden.

d.    Knooppuntennetwerken worden aangeduid met rechthoekige borden. Ter plaatse van een knooppunt wordt een informatiepunt geplaatst met knooppuntenkaarten van de omgeving en tussen de knooppunten worden tracéborden geplaatst.

e.    Rondgaande wandelroutes worden in één richting aangeduid met zeshoekige borden.

f.     Langeafstandwandelroutes worden aangeduid met roodwitte stickers of strepen.

Artikel 11, Radiofrequentieborden

In het belang van de verkeersveiligheid kunnen radiofrequentieborden bij het binnenkomen van de provincie geplaatst worden en op enkele plekken herhaald worden.

Artikel 12, Kosten

Alle kosten voor het vervaardigen, plaatsen, beheer en onderhoud van de borden naar niet-geografische bestemmingen, waarvoor een ontheffing is verleend op grond van deze regeling, komen voor rekening van de aanvrager.

Artikel 13, Aanvraagprocedure strokenborden

a.    De ontheffingaanvraag voor plaatsing van strokenborden wordt ingediend bij de ANWB.

b.    De ANWB hoort de wegbeheerder over de aanvraag en zal namens de wegbeheerder wel of geen ontheffing verlenen.

c.    De strokenborden worden geplaatst door de wegbeheerder; het eigendom ligt bij de ANWB.

d.    Andere borden dan strokenborden worden aangevraagd bij de Provincie Drenthe.

Artikel 14, Afwijkingsbevoegdheid

In bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van het bepaalde in deze beleidsregel.

Artikel 15, Overgangsbepalingen

a.    Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.

b.    Op deze beleidsregel is de Richtlijn Toeristische Bewegwijzering van toepassing

c.    Deze beleidsregel kan worden aangehaald als Beleidsregel niet-geografische bewegwijzering.

TOELICHTING OP DE BELEIDSREGEL NIET-GEOGRAFISCHE BEWEGWIJZERING

Artikel 2

a.    Vanwege de concentratie van bedrijven binnen de kom zou een groot aantal verwijzingen nodig zijn. Dat leidt tot onoverzichtelijke situaties. Het verwijzen in de bebouwde kom zelf wordt aan gemeenten overgelaten.

b.    Enkele symbolen die informatie over een bestemming geven worden geïntegreerd in de algemene bewegwijzering. Voorbeelden zijn het vliegveldsymbool, het industrieterreinsymbool, het recreatieterreinsymbool en het nationaal parksymbool.

-     De symbolen die niet in de algemene bewegwijzering zijn geïntegreerd worden, voor zover het gaat om ontsluitingswegen en erftoegangsverzamelwegen, opgenomen in de zogenaamde objectbewegwijzering.

-     In het geval er sprake is van een grote verkeersaantrekkende of moeilijk te vinden bestemming, kan er besloten worden de verwijzing te integreren in de interlokale bewegwijzering.

Artikel 3

a.    Voor bewegwijzering wordt met een toeristisch-recreatief object gelijkgesteld een evenement dat langer dan 7 dagen opeenvolgend of periodiek plaatsvindt.

-     Voor de afstanden die gelden om voor verwijzing in aanmerking te komen, zie de bijbehorende artikelen van de soort weg waar de verwijzing moet komen, artikel 5 of artikel 6.

b.    Objecten van plaatselijk belang worden afzonderlijk aangeduid.

-     Objecten van algemeen belang, zoals ziekenhuizen, stadions, evenementenhallen etc., worden in beginsel geïntegreerd in de lokale bewegwijzering indien er sprake is van een verkeersaantrekkende bestemming of moeilijke vindbaarheid.

c.    Langs stroomwegen wordt geen verwijzing toegestaan met strokenborden om de veiligheid voor de weggebruikers in stand te houden. Verwijzingen worden aangegeven met een symbool.

-     Langs stroomwegen worden alleen weggebonden parkeerplaatsen opgenomen in de algemene bewegwijzering. Tankstations worden gecombineerd met een parkeerplaats.

-     Restaurants die voorzien zijn van een verzorgingsplaats worden met een symbool in de algemene bewegwijzering opgenomen.

-     Voor overige voorzieningen zie artikel 5.

d.    Een voorverwijzing langs een gebiedsontsluitingsweg zonder snelheidsbeperking wordt 200 m voor de afslag geplaatst. Een voorverwijzing langs een gebiedsontsluitingsweg met snelheidsbeperking en erftoegangsverzamelwegen wordt geplaatst op 50 m voor de afslag.

e.    Er kunnen met het oog op bescherming van het landschap en de verkeersveiligheid nadere eisen worden gesteld aan de ontheffing, in de vorm van voorschriften of beperkingen. Uitgangspunt is ook hier dat de er niet verwezen wordt indien het object met de geografische bewegwijzering te bereiken is. Afhankelijk van het bord, de gewenste locatie en van het object, waarop het bord betrekking heeft, kunnen nadere eisen onder meer zijn:

-     maximum aantal borden per object of gebied;

-     afstand tussen te plaatsen borden c.q. plek van te plaatsen borden;

-     leesbaarheid van de uiting op het bord;

-     maten van het bord;

-     kleurstelling en vorm(geving) van het bord;

-     verlichting van het bord of gebruik van fluorescerend of reflecterend materiaal;

-     noodzakelijk geachte staat van onderhoud;

Artikel 4

a.    Langs stroomwegen wordt niet verwezen met strokenborden. De voorzieningen voor weggebruikers die voor verwijzing in aanmerking komen worden met een symbool opgenomen in de normale bewegwijzering, zoals aangegeven in artikel 3c. De voorzieningen die in aanmerking komen voor een verwijzing met een symbool in de normale bewegwijzering zijn opgenomen in artikel 5.

b.    Borden die niet voldoen aan de criteria die zijn gesteld in deze beleidsregel worden verwijderd. Hieronder vallen tevens borden waarvan hetgeen het bord naar verwijst zodanig veranderd is dat het niet meer in aanmerking zou komen voor een bord.

-     Daarnaast kan er sprake zijn van een wijziging in de wegenstructuur, kan er een verkeersmaatregel getroffen zijn en kan er een richtlijn van een andere categorie weg van toepassing zijn geworden, waardoor een aanduiding niet meer in overeenstemming is met de richtlijn.

Artikel 5

a.    Om permanente bewegwijzering te verkrijgen moet er bij een stroomweg sprake zijn van een minimum aantal bezoekers van 25.000, waarbij de rijafstand van het toeristisch recreatieve object tot de weg maximaal 10 km mag zijn.

c.    De logiesvertrekkende bedrijven worden in de algemene bewegwijzering aangeduid met een bedsymbool.

-     Om voor een verwijzing in aanmerking te komen dient er sprake te zijn van een veilige route die het woon en leefmilieu niet aantast.

-     De afstand tussen de weg waar de bewegwijzering wordt geplaatst en het bedrijf waarvoor het geplaatst wordt mag niet meer dan 1 km bedragen. Dit wordt gerekend vanaf het einde van de afrit van het bedrijf.

d.    Kampeerterreinen worden in de algemene bewegwijzering aangeduid. Ten behoeve van rondtrekkende kampeerders worden terreinen van minstens 1 ha aangeduid door middel van een symbool.

-     Om voor een verwijzing in aanmerking te komen dient er sprake te zijn van een veilige route die het woon en leefmilieu niet aantast.

-     De afstand tussen de weg waar de bewegwijzering wordt geplaatst en het bedrijf waarvoor het geplaatst wordt mag niet meer dan 4 km bedragen. Dit wordt gerekend vanaf het einde van de afrit van het bedrijf.

f.     Het P+R-symbool wordt in de geografische bewegwijzering opgenomen, voor de afslaande richting en alleen bij de afrit die naar de voorziening leidt. Dit wordt gecontinueerd langs de overige wegen en geïntegreerd in de bewegwijzering.

g.    Vliegvelden worden niet aangeduid als het gaat om militaire vliegvelden. De vliegvelden voor burgerluchtvaart worden aangeduid met een vliegveldsymbool in de normale bewegwijzering.

Artikel 6

a.    Om permanente bewegwijzering te verkrijgen moet er bij gebiedsontsluitingswegen en erftoegangsverzamelwegen sprake zijn van een rijafstand van het toeristisch recreatieve object tot de weg van maximaal 5 km.

c.    Het tankstation moet veilig bereikbaar zijn; dit kan onder meer inhouden dat er slechts vanuit 1 richting wordt verwezen.

d/e. Uit het oogpunt van veiligheid kan het betekenen dat een bedrijf slechts vanuit 1 richting en/of voor bepaalde categorieën voertuigen wordt aangeduid.

-     Het bedrijf moet buiten de bebouwde kom liggen. In principe moet zij gelegen zijn aan de desbetreffende weg. Wanneer dit niet het geval is en zij aan een zijweg is gelegen, is verwijzing toegestaan indien zij aan de genoemde voorwaarde voldoet. De verwijzing moet dan tevens gecontinueerd worden langs de zijweg.

l.     In principe moet het café rechtstreeks aan de desbetreffende weg liggen, maar ook café's die gelegen zijn aan een zijweg kunnen in aanmerking komen voor aanduiding, op voorwaarde dat de afstand niet meer bedraagt dan 500 m tussen het bedrijf en de desbetreffende weg en de verwijzing gecontinueerd wordt langs de zijweg.

n.    Vliegvelden worden niet aangeduid als het gaat om militaire vliegvelden.

Artikel 8

Bij uitzonderingsgevallen voor het afwijken van de genoemde afstand kan onder meer gedacht worden aan een uitzonderlijke wegenstructuur, waardoor men moet omrijden, een situatie waarbij sprake is van een groter gebied waarbinnen meerdere terreinen gelegen zijn die voor verwijzing in aanmerking komen, maar niet binnen de gewenste afstand van de weg gelegen zijn of situaties waarin over grote afstand voor en na de desbetreffende aansluiting geen terreinen zijn aangeduid.

Artikel 9

a.    De EU-landgrensborden worden in het blauw uitgevoerd met gele sterren en voor het overige witte opschriften.

c.    De provinciegrensborden vervullen een functie als referentiepunt en worden overeenkomstig geplaatst. De borden zullen worden uitgevoerd in bruin met witte opschriften en een meerkleurig provinciewapen.

d.    De gemeentegrensborden vervullen een functie als referentiepunt en worden overeenkomstig geplaatst. De borden zullen worden uitgevoerd in bruin met witte opschriften en een meerkleurig gemeentewapen of logo.

e.    De streekgrensborden vormen een referentiepunt voor de weggebruiker die op weg is naar zijn bestemming. Op het bord wordt de naam van de streek vermeld die men binnengaat. Hieraan kunnen symbolen worden toegevoegd ter karakterisering van de desbetreffende streek. De borden zullen worden uitgevoerd in bruin met witte opschriften.

f.     De riviernaamborden kunnen voor de weggebruiker van belang zijn als referentiepunt onderweg en worden overeenkomst geplaatst. De borden zullen in bruin worden uitgevoerd met witte opschriften en een golfsymbool.

g.    De gebiedsgrensborden kunnen worden geplaatst als daar behoefte aan is. De borden worden uitgevoerd in bruin met witte opschriften en meerkleurig logo. De borden worden geplaatst en onderhouden door derden, die tevens economisch eigenaar van de borden zijn.

Artikel 10

a.    De autorouteborden verwijzen naar autoroutes met een maximale lengte van 100 km en lopen zo veel mogelijk langs bezienswaardigheden en voorzieningen om te wandelen. De borden worden in de rechterberm geplaatst op circa 50 m voor een kruising of uitvoegstrook. Op wegen met een maximumsnelheid van meer dan 50 km per uur wordt een voorwegwijzer geplaatst op circa 200 m voor dat punt. De borden worden uitgevoerd in de kleurstelling wit en bruin.

b.    De rondrij-routeborden voor de fietser verwijzen naar rondrij-routes met een lengte variërend van 25 km tot 50 km. De borden worden in de rechterberm geplaatst op 10 m tot 15 m voor het actiepunt. Op kruispunten worden borden van verschillende routes op één paal samengebracht. De borden worden voorzien van groene symbolen en teksten, waarbij het formaat van het bord wordt afgestemd op de omgeving.

c.    De borden voor landelijke fietsroutes verwijzen naar fietsroutes die gestrekte trajecten door het hele land vormen en variëren van 100 km tot 300 km. De landelijke fietsroutes zijn onderling verbonden met elkaar. De borden worden in de rechterberm geplaatst op 10 m tot 15 m voor het actiepunt. Op kruispunten worden borden van verschillende routes op één paal samengebracht. De borden worden voorzien van groene symbolen en teksten, waarbij het formaat van het bord wordt afgestemd op de omgeving.

d.    De borden voor knooppuntnetwerken verwijzen naar fietspaden en autoluwe landelijke wegen waarmee fietsers zelf hun fietstochten kunnen vaststellen, waarbij de afstanden variëren van 10 km tot 40 km. Op elk knooppunt wordt verwezen naar de eerstvolgende knooppunten in alle richtingen, door middel van een informatiepaneel met een knooppuntenkaart van de omgeving,

-     Voorwaarschuwingsborden worden geplaatst ter attendering van de gebruiker op een verderop gelegen knooppunt. Een voorwaarschuwingsbord kan een onderbord van een tracébord zijn, waarbij de afstand tot het knooppunt afhankelijk is van het voorlaatste tracébord, maar nooit minder dan 150 m en nooit meer dan 2 km tot het knooppunt mag zijn.

-     Verwijsborden worden op het traject tussen een netwerk en een grotere plaats geplaatst. Buiten de bebouwde kom zal een klein bord geplaatst worden, binnen de bebouwde kom en in onoverzichtelijke situaties worden grotere borden geplaatst.

-     Alle hiervoor genoemde borden worden in de rechterberm geplaatst op 10 m tot 15 m voor het actiepunt. Op kruispunten worden borden van verschillende routes op één paal samengebracht. De borden worden voorzien van groene symbolen en teksten, waarbij het formaat van het bord wordt afgestemd op de omgeving.

e.    De borden voor wandelroutes verwijzen naar rondwandelingen met een lengte van 2 km tot 10 km en brengen een bijzonder aspect van de stad, het dorp of gebied onder de aandacht. Op het startpunt wordt een paneel met informatie geplaatst. In het buitengebied worden de borden op bermplanken in de rechterberm geplaatst op circa 5 m voor het actiepunt. Binnen de bebouwde kom worden de borden geplaatst op flespalen of wegmeubilair. De borden worden voorzien van bruine opschriften op een witte achtergrond.

Artikel 11

De radiofrequentieborden worden in het blauw uitgevoerd met witte opschriften.

Artikel 13

De wegbeheerder is bevoegd aanvragen over bewegwijzering te behandelen en bewegwijzering langs haar wegen te plaatsen. Aan de ANWB is ten aanzien van de categorie strokenborden een algemene ontheffing verleend om borden te mogen plaatsen langs de provinciale wegen. Aanvragen voor borden moeten daarom bij de ANWB worden ingediend en worden door de ANWB afgehandeld. De ANWB bekijkt of op grond van hun richtlijnen een ontheffing verleend kan worden aan de aanvrager, die zal vallen onder de ontheffing van de ANWB. Daarna wordt aan de wegbeheerder advies gevraagd over de te nemen beslissing. Na toestemming zal de ANWB een contract met de aanvrager sluiten over plaatsing, onderhoud, reiniging etc.

Bij een afwijzing van de aanvraag op grond van de richtlijnen bij de ANWB, zal de ANWB de aanvrager aanraden direct bij de wegbeheerder een aanvraag in te dienen. De aanvraag is op dat moment nog niet bij de Provincie geweest voor advies. De Provincie kan op dat moment nog beslissen om wel een ontheffing te verlenen.

Bij een afwijzing van de aanvraag op grond van deze beleidsregel zal de Provincie zelf de afwijzing naar de aanvrager versturen, waardoor tevens de mogelijkheid voor bezwaar geopend wordt.