LANDSVERORDENING van de 2de maart 2007 houdende regels inzake het beheer van de maritieme gebieden in de Nederlandse Antillen

Geldend van 10-10-2010 t/m heden

Intitulé

LANDSVERORDENING van de 2de maart 2007 houdende regels inzake het beheer van de maritieme gebieden in de Nederlandse Antillen

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Minister

:

de Minister van Verkeer en Vervoer;

b. gezagvoerder

:

de kapitein van een schip of degene die hem als zodanig vervangt;

c. scheepsbeheerder

:

degene die het beheer over een schip heeft, hetzij hij eigenaar, reder of boekhouder van de rederij van het schip is, hetzij het schip hem in rompbevrachting of anderszins in gebruik is gegeven;

d. schip

:

elk vaartuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer te water, met inbegrip van een zeevissersschip, een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een drijvend platform, een verplaatsbare boorinstallatie, een baggermolen, een drijvende kraan, een ponton en elk ander drijvend werktuig, drijvend voorwerp of drijvende inrichting van soortgelijke aard, gedurende de tijd dat het drijft;

e. Nederlands-Antilliaans schip

:

elk schip geregistreerd in een openbaar register in de Nederlandse Antillen dat gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk der Nederlanden te voeren, met uitzondering van een schip dat is ingeschreven in het rompbevrachtingsregister van een van de andere landen van het Koninkrijk der Nederlanden;

f. luchtvaartuig

:

elk vaartuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als middel van vervoer door de lucht;

g. bouwwerk

:

elk bouwsel door menselijk toedoen tot stand gebracht in de zin van artikel 60, eerste lid, van het VN-Zeerechtverdrag, geen schip zijnde;

h. offshore-installatie

:

elk vast of drijvend bouwwerk dat onder de rechtsmacht van de Nederlandse Antillen valt, en wordt gebruikt ten behoeve van de exploratie, exploitatie of productie van aardgas of aardolie, dan wel het laden of lossen van aardolieproducten;

i. maritiem archeologisch erfgoed

:

archeologisch of cultuur-historisch erfgoed als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het op 2 november 2001 te Parijs tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake cultureel erfgoed onder water, met dien verstande dat het erfgoed ouder dan vijftig jaar is;

j. zee

:

alle mariene wateren, met uitzondering van de binnenwateren van de landen van het Koninkrijk der Nederlanden en die van andere Staten;

k. binnenwateren

:

de wateren van de Nederlandse Antillen gelegen landinwaarts vanaf de basislijnen, genoemd in het Besluit van 23 oktober 1985 (P.B. 1985, no. 174), tot de laagwaterlijn;

l. rede

:

een deel van de territoriale zee, door de natuurlijke gesteldheid geschikt als ankerplaats, voor het overslaan van goederen dan wel het in- of ontschepen van passagiers, en gelegen in het verlengde van een haven in een eilandgebied;

m. territoriale zee

:

de territoriale zee van het Koninkrijk in de Nederlandse Antillen, bepaald bij het Besluit van 23 oktober 1985 (P.B. 1985, no. 174) ter uitvoering van artikel 1 van de Rijkswet uitbreiding van de territoriale zee van het Koninkrijk der Nederlanden in de Nederlandse Antillen (P.B. 1985, no. 73);

n. aansluitende zone

:

de door het Koninkrijk der Nederlanden ingestelde aansluitende zone, voorzover deze betrekking heeft op de Nederlandse Antillen;

o. exclusieve economische zone

:

de door het Koninkrijk ingestelde exclusieve economische zone, voorzover deze betrekking heeft op de Nederlandse Antillen;

p. lozen

:

elk vrijkomen van stoffen, hoe ook veroorzaakt, waaronder begrepen ontsnappen, over boord zetten, wegvloeien, weglekken, pompen of ledigen;

q. gevaarlijke stoffen

:

stoffen die gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging, bedwelming of straling kunnen opleveren, waartoe in elk geval worden gerekend de stoffen in de International Maritime Dangerous Goods Code, de (International) Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Dangerous Chemicals in Bulk, de (International) Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Liquefied Gases in Bulk van de Internationale Maritieme Organisatie, gemerkt met de letter (s), alsmede elke andere stof aangewezen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen;

r. schadelijke stoffen

:

stoffen en energie die, indien zij in zee terecht komen, gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kunnen toebrengen aan het mariene milieu, de recreatiemogelijkheden die de zee biedt kan schaden of storend kunnen werken op enig ander rechtmatig gebruik van de zee;

s. Interventieverdrag

:

het op 29 november 1969 te Brussel tot stand gekomen Verdrag inzake optreden in volle zee bij ongevallen die verontreiniging door olie kunnen veroorzaken, met Bijlage (Trb. 1970, 107);

t. Zeeaanvaringsverdrag

:

het op 20 oktober 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag inzake Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, met Bijlagen (Trb. 1974, 51);

u. Interventieprotocol

:

het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Protocol inzake optreden in volle zee bij ongevallen die verontreiniging door andere stoffen dan olie kunnen veroorzaken (Trb. 1977, 162);

v. Marpolverdrag

:

het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147 en Trb. 1978, 187);

w. Grensverdrag

:

het op 31 maart 1978 te Willemstad tot stand gekomen Grensverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela (Trb. 1978, 61);

x. VN-Zeerechtverdrag

:

het op 10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, met bijlagen (Trb. 1983, 83);

y. OPRC-Verdrag

:

het op 30 november 1990 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging, met bijlage (Trb. 1992, 1);

z. SPAW-protocol

:

het op 18 januari 1990 te Kingston getekende Protocol betreffende de bijzondere beschermde gebieden en de in de natuur levende dieren en planten, met bijlagen (Trb. 1990, 115), behorende bij het op 24 maart 1983 te Cartagena de Indias gesloten Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch gebied (Trb. 1983, 152);

aa. Protocol van 1996

:

het op 7 november 1996 tot stand gekomen Protocol bij het op 29 december 1972 te Londen tot stand gekomen Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door het storten van afval en vuil (Trb. 1998, 134);

bb. UNESCO-Verdrag

:

het op 2 november 2001 te Parijs tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake de bescherming van cultureel erfgoed onder water.

Artikel 2
  • 1. De bij of krachtens deze landsverordening gegeven regels laten onverlet de volkenrechtelijke immuniteit van:

    • a.

      oorlogsschepen;

    • b.

      schepen in gebruik als marinehulpschepen;

    • c.

      schepen in eigendom van of in beheer bij een Staat, indien en voor zolang deze worden ingezet voor het verrichten van niet-commerciële overheidsdiensten.

  • 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen categorieën van schepen geheel of gedeeltelijk worden uitgezonderd van één of meer bij of krachtens deze landsverordening gegeven regels.

Artikel 3
  • 1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen, ter uitvoering van voor de Nederlandse Antillen bindende verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties die dezelfde belangen dienen als deze landsverordening, regels worden gegeven, waarbij van de bepalingen van deze landsverordening wordt afgeweken of de bepalingen van deze landsverordening geheel of gedeeltelijk buiten werking worden gesteld.

  • 2. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen in het belang van de orde, de veiligheid, alsmede ter bescherming van het milieu, regels worden gegeven ter uitvoering van de voor de Nederlandse Antillen bindende verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

  • 3. Bij toepassing van het eerste of het tweede lid kan worden bepaald dat nadere regels worden gegeven bij of krachtens eilandsverordening.

  • 4. De regels, bedoeld in het eerste of het tweede lid, kunnen voorschriften of verboden inhouden en tevens het toekennen van ontheffing of vrijstelling van deze voorschriften of verboden.

HOOFDSTUK 2 De beheerder

Artikel 4
  • 1. De Minister is, voor zover het onderwerpen betreft die bij of krachtens deze landsverordening worden geregeld en voor zover in deze landsverordening geen ander bestuursorgaan wordt aangewezen, beheerder van de territoriale zee en de exclusieve economische zone.

  • 2. De beheerder is bevoegd aanwijzingen te geven aan de gebruikers van de maritieme zone onder zijn beheer.

Artikel 5
  • 1. Bij ministeriële beschikking met algemene werking kan een bestuurscollege worden aangewezen als beheerder van de territoriale zee gelegen rondom het desbetreffende eilandgebied of delen daarvan.

  • 2. Bij ministeriële beschikking met algemene werking kan een bestuurscollege worden aangewezen als beheerder van een of meer delen van de exclusieve economische zone.

  • 3. Aan een aanwijzing als bedoeld in het eerste of tweede lid, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

  • 4. Desgewenst kan de Minister inlichtingen en andere gegevens opvragen bij een bestuurscollege, die deze zo spoedig mogelijk verstrekt.

Artikel 6
  • 1. De Minister of een bestuurscollege, kan het beheer, bedoeld in artikel 4 of in artikel 5, mandateren aan een rechtspersoon die deze bevoegdheid namens hem, onder door hem te stellen voorschriften en beperkingen, uitoefent.

  • 2. Mandatering van het beheer, bedoeld in artikel 5, door een bestuurscollege aan een rechtspersoon, behoeft de goedkeuring van de Minister.

Artikel 7
  • 1. Een mandaat als bedoeld in artikel 6, eerste lid, bevat in elk geval:

    • a.

      een eenduidige beschrijving van de gemandateerde bevoegdheden;

    • b.

      de duur van het mandaat;

    • c.

      voorschriften inzake het vergunningenbeleid;

    • d.

      voorschriften ten aanzien van het te voeren beheer;

    • e.

      voorschriften inzake de administratieve organisatie van de mandataris;

    • f.

      voorwaarden inzake de aan de bevoegdheid verbonden financiële consequenties.

  • 2. Een mandataris brengt binnen zes maanden na afloop van een kalenderjaar een openbaar jaarverslag uit, waarin hij tevens een verantwoording opneemt van het door hem gevoerde beleid.

  • 3. Desgewenst kan de mandans tussentijds inlichtingen en andere gegevens opvragen bij de mandataris, die deze onverwijld verstrekt.

Artikel 8

De aanwijzing, bedoeld in artikel 5, eerste lid of tweede lid, en het mandaat, bedoeld in artikel 6, eerste lid, worden bekend gemaakt in het blad waar van ’s Landswege berichten bekend worden gemaakt, alsmede in ten minste twee in het betrokken eilandgebied verschijnende dagbladen.

Artikel 9
  • 1. De mandans kan het mandaat intrekken, indien:

    • a.

      de mandans, na overleg met de mandataris, van oordeel is dat deze zonder rechtvaardigingsgrond buiten zijn bevoegdheid is getreden; of

    • b.

      de omstandigheden zodanig zijn gewijzigd dat het mandaat onder die omstandigheden niet zou zijn verleend.

  • 2. De mandans trekt het mandaat in elk geval in, na vaststelling van kennelijke en herhaalde taakverwaarlozing.

  • 3. Indien de mandans een bestuurscollege is, dan wordt de Minister geïnformeerd over het voornemen het mandaat in te trekken en over de wijze waarop na die intrekking zal worden voorzien in het beheer.

Artikel 10
  • 1. Bij ministeriële beschikking met algemene werking kunnen vergoedingen worden vastgesteld, verschuldigd door degenen ten behoeve van wie werkzaamheden of diensten door of namens de beheerder zijn verricht of verleend.

  • 2. Bij toepassing van artikel 5, eerste lid, kunnen de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld bij eilandsverordening.

  • 3. Alvorens over te gaan tot het verrichten van werkzaamheden of verlenen van diensten, kan vooruitbetaling van de vastgestelde tarieven worden verlangd.

HOOFDSTUK 3 Orde, veiligheid en milieu in het kader van het VN - Zeerechtverdrag

§ 3.1

Vlotte afwikkeling scheepvaartverkeer

Artikel 11
  • 1. De gezagvoerder van een vrachtschip met een tonnage van meer dan 100 GT, meldt bij binnenkomst in en vertrek uit de territoriale zee in elk geval het volgende aan de beheerder:

    • a.

      naam, IMO-nummer en roepletters van het schip;

    • b.

      de nationaliteit van het schip;

    • c.

      het tijdstip van binnenkomst of vertrek;

    • d.

      het soort schip en de tonnage en

    • e.

      de lading, indien het een schip als bedoeld in artikel 14, tweede lid, betreft.

  • 2. Een gelijke verplichting als omschreven in het eerste lid, met uitzondering van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, rust op de gezagvoerder van een passagiersschip en op die van een zeevissersschip met een lengte van meer dan 24 meter, waarbij onder een passagiersschip wordt verstaan, een schip waarmee 12 of meer personen tegen betaling worden vervoerd.

  • 3. De verplichting, bedoeld in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, rust mede op de scheepsbeheerder en diens vertegenwoordiger, ieder afzonderlijk. Zodra één van de personen, bedoeld in het eerste of tweede lid, aan zijn verplichting heeft voldaan, vervalt deze verplichting voor de anderen.

  • 4. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan worden bepaald in welke gevallen een melding op grond van andere wettelijke voorschriften tevens wordt aangemerkt als een melding als bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de gezagvoerder van een buitenlands zeevissersschip, van een tankschip, van een nucleair voortgestuwd schip, of een schip dat radioactieve stoffen, onderscheidenlijk gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoert, ingeval van binnenkomst in en vertrek uit de exclusieve economische zone.

Artikel 12
  • 1. De gezagvoerder van een Nederlands-Antilliaans schip varende in de territoriale zee van een Staat, verstrekt desgewenst aan deze Staat informatie aangaande zijn identiteit, zijn laatste en volgende aanloophaven en andere verzochte informatie.

  • 2. De verplichting van de gezagvoerder, genoemd in het eerste lid, is van toepassing op de gevallen, bedoeld in artikel 220, derde lid, van het VN-Zeerechtverdrag.

Artikel 13
  • 1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen de te melden gegevens, genoemd in artikel 11, met inachtneming van de volkenrechtelijke beperkingen, worden uitgebreid.

  • 2. Bij het landsbesluit, bedoeld in het eerste lid, kan de meldingsplicht worden uitgebreid met bepaalde delen van de exclusieve economische zone, waaronder beschermde gebieden als bedoeld in artikel 29, en kan deze op andere categorieën schepen van toepassing worden verklaard.

Artikel 14
  • 1. Verkeersscheidingsstelsels als bedoeld in voorschrift 1, onderdeel d, van het Zeeaanvaringsverdrag, en andere scheepvaartroutes, worden na vaststelling door de Internationale Maritieme Organisatie, door de Minister bekendgemaakt in het Publicatieblad.

  • 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan worden bepaald dat het verboden is aan tankschepen, nucleair voortgestuwde schepen en schepen die radioactieve stoffen onderscheidenlijk gevaarlijke of schadelijke stoffen vervoeren, bij hun vaart door de territoriale zee zich buiten de vastgestelde verkeersscheidingsstelsels of buiten andere aangewezen scheepvaartroutes te begeven. Dit verbod geldt niet ingeval van overmacht of hulpverlening.

  • 3. Bij ministeriële beschikking met algemene werking kunnen voorts veiligheidszones rond bouwwerken in de exclusieve economische zone worden vastgesteld, in overeenstemming met artikel 60, vierde, vijfde en zevende lid, van het VN-Zeerechtverdrag.

  • 4. In een veiligheidszone als bedoeld in het derde lid is de vaart beperkt tot het scheepvaartverkeer dat verband houdt met de activiteiten op het desbetreffende bouwwerk.

Artikel 15
  • 1. Als voorschriften ter voorkoming van aanvaringen op zee gelden de bepalingen van het Zeeaanvaringsverdrag.

  • 2. De wijzigingen van het Zeeaanvaringsverdrag worden bekendgemaakt in het Publicatieblad.

  • 3. De bepalingen van het Zeeaanvaringsverdrag zijn van toepassing op:

    • a.

      schepen die zich bevinden in de binnenwateren, de havens, de territoriale zee of de exclusieve economische zone; en

    • b.

      Nederlands-Antilliaanse schepen waar ter wereld zij zich ook bevinden.

  • 4. Bij ministeriële beschikking met algemene werking kunnen bijzondere voorschriften als bedoeld in voorschrift 1, onderdeel b, van het Zeeaanvaringsverdrag, worden gegeven voor de binnenwateren, de havens en de reden, die zoveel mogelijk overeenstemmen met de voorschriften van het Zeeaanvaringsverdrag.

  • 5. Bij ministeriële beschikking met algemene werking kunnen ten aanzien van oorlogsschepen en vissersvaartuigen bijzondere voorschriften als bedoeld in voorschrift 1, onderdeel c, van het Zeeaanvaringsverdrag worden gegeven. Indien deze voorschriften betrekking hebben op oorlogsschepen pleegt de Minister overleg met de Minister van Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen.

  • 6. Bij ministeriële beschikking met algemene werking kunnen voor schepen als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, andere regels als bedoeld in voorschrift 1, onderdeel e, van het Zeeaanvaringsverdrag worden gegeven die zoveel mogelijk overeenstemmen met de voorschriften van het Zeeaanvaringsverdrag.

Artikel 16
  • 1. Een ontheffing of vrijstelling als bedoeld in voorschrift 38 van het Zeeaanvaringsverdrag, kan door of namens de Minister worden verleend.

  • 2. De goedkeuring, bedoeld in de Bijlagen I en III van het Zeeaanvaringsverdrag, kan door of namens de Minister worden verleend.

Artikel 17
  • 1. Bij ministeriële beschikking met algemene werking worden, in het belang van de veilige navigatie, verkeerstekens of verkeersaanduidingen vastgesteld, die gelden in de territoriale zee en de binnenwateren.

  • 2. De beheerder is bevoegd verkeerstekens of verkeersaanduidingen te plaatsen in of te verwijderen uit het gebied dat onder zijn beheer valt.

  • 3. De beheerder kan in noodgevallen aan de gezagvoerder toestemming verlenen tot het handelen in afwijking van de geplaatste verkeerstekens of verkeersaanduidingen.

  • 4. De beheerder is bevoegd in het belang van de veilige navigatie of de bescherming van het milieu, aanwijzingen te geven aan de gezagvoerder van een schip.

  • 5. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gegeven ter uitvoering van het vierde lid.

  • 6. De beheerder is bevoegd in verband met zich plotseling voordoende belemmeringen of risico’s voor de scheepvaart een tijdelijke veiligheidszone in te stellen, waarbinnen geen scheepvaart of slechts beperkte vaart is toegestaan. Hij draagt zorg voor bekendmaking aan de scheepvaart op de internationaal gebruikelijke wijze.

Artikel 18
  • 1. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens artikel 17, tweede lid, geplaatst verkeersteken of geplaatste verkeersaanduiding.

  • 2. Het is verboden een verkeersteken of verkeersaanduiding te vernietigen, te beschadigen, weg te nemen of anderszins onbruikbaar te maken.

Artikel 19

Het is verboden zonder of in afwijking van toestemming van de beheerder met een schip in de territoriale zee, de redes daaronder niet begrepen, ligplaats te nemen, voor anker te gaan of aldaar te verblijven zonder ligplaats te nemen.

Het eerste lid is niet van toepassing ingeval van overmacht en hulpverlening.

§ 3.2

Verbod inzake bouwwerken, voorwerpen of ander materiaal in zee

Artikel 20
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de beheerder, bouwwerken te hebben, aan te leggen of te doen aanleggen in of op de bodem van de territoriale zee of de exclusieve economische zone.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op landaanwinning en op werkzaamheden die een verandering van het niveau of van de gesteldheid van de zeebodem tot gevolg hebben.

Artikel 21
  • 1. Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 20, eerste lid, worden de effecten van de aanleg en het gebruik van het voorgenomen bouwwerk op het mariene milieu, de natuur, de veiligheid van de scheepvaart en het maritiem archeologisch erfgoed uitdrukkelijk in overweging genomen.

  • 2. Een aanvraag wordt bekendgemaakt in twee dagbladen die verschijnen in het desbetreffende eilandgebied.

  • 3. De beoordeling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid en Sociale Ontwikkeling, de Minister van Onderwijs en Cultuur en de Minister van Financiën. Indien de beheerder een bestuurscollege is, dan draagt de Minister zorg voor de noodzakelijke afstemming.

  • 4. Indien het voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is onderzoek te verrichten, dan zijn de kosten hiervan, onverminderd artikel 10, voor rekening van de aanvrager.

  • 5. Een vergunning wordt geweigerd, indien één of meer belangen, genoemd in het eerste lid, op onoverkomelijke wijze in het gedrang zouden komen door verlening van de vergunning.

  • 6. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden in het belang van de veiligheid van de scheepvaart en de bescherming van het mariene milieu, de natuur en het maritiem archeologisch erfgoed.

  • 7. Een vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd, indien:

    • a.

      de voor de beoordeling van de aanvraag verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

    • b.

      geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning binnen een daarin te stellen termijn;

    • c.

      in verband met veranderde wetgeving, wijziging van omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen, genoemd in het eerste lid, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij een ongewijzigde vergunning.

  • 8. Een vergunning is niet overdraagbaar.

Artikel 22
  • 1. Degene door wiens toedoen of nalaten een voorwerp of stof in de binnenwateren, de territoriale zee of in de exclusieve economische zone wordt aangebracht, terechtkomt of vrijkomt, waardoor gevaar, schade of hinder wordt veroorzaakt of dreigt te worden veroorzaakt, meldt dit onverwijld aan de beheerder.

  • 2. In de exclusieve economische zone geldt de meldingsplicht, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend ingeval er verontreiniging door schepen of off-shore installaties wordt veroorzaakt of dreigt te worden veroorzaakt.

  • 3. De persoon, bedoeld in het eerste lid, draagt er zorg voor dat het voorwerp of de stof onmiddellijk uit het water wordt verwijderd, tenzij dit redelijkerwijs niet uitvoerbaar is.

  • 4. De beheerder is bevoegd het voorwerp of de stof, bedoeld in het eerste lid, te doen verwijderen voor rekening van degene door wiens toedoen of nalaten het voorwerp of de stof in het water is vrijgekomen of terecht gekomen.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van een schadelijke stof vanaf een schip in de gevallen en op de wijze vastgesteld in het Marpol-verdrag.

  • 6. Het eerste tot en met het vijfde lid zijn niet van toepassing op het storten van afval of stoffen overeenkomstig de bij of krachtens deze landsverordening gegeven voorschriften, ter uitvoering van het Protocol van 1996.

Artikel 23

De artikelen 20 en 21 zijn van overeenkomstige toepassing op het aanleggen en houden van kabels en leidingen in of over de bodem van de territoriale zee of de exclusieve economische zone.

§ 3.3

Regels voor scheepsactiviteiten

Artikel 24
  • 1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen in het belang van de orde, de veiligheid en de bescherming van het mariene milieu, regels worden gegeven ten aanzien van scheepsactiviteiten, welke plaatsvinden in de territoriale zee, daaronder niet begrepen de redes.

  • 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen ter bescherming en behoud van het mariene milieu regels worden gegeven ten aanzien van scheepsactiviteiten, welke plaatsvinden in de exclusieve economische zone.

  • 3. De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij toepassing van artikel 6, eerste lid, worden gegeven bij eilandsverordening, in overeenstemming met de Minister en de Minister van Volksgezondheid en Sociale Ontwikkeling.

Artikel 25
  • 1. Het is verboden, behoudens ingeval van overmacht, in de territoriale zee rook, roetdampen, gassen, stof of stoom op een zodanige wijze te laten ontsnappen dat daardoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan.

  • 2. Het is verboden, behoudens ingeval van overmacht, in de nabijheid van bad- en zwemplaatsen of aanlegsteigers in de territoriale zee een dusdanig vaargedrag te vertonen, dat dientengevolge gevaar, schade of hinder ontstaat voor persoon of goed.

Artikel 26
  • 1. De beheerder kan een schip dat gevaar, schade of hinder veroorzaakt of dreigt te veroorzaken in de territoriale zee, verbieden ligplaats te nemen in het gebied dat onder zijn beheer valt.

  • 2. Het verbod wordt medegedeeld aan de gezagvoerder van het schip en wordt op diens verzoek op schrift gesteld.

  • 3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen, in het belang van orde en veiligheid, regels worden gegeven aangaande de vaart met snelle kleine schepen in de territoriale zee of daarmee in verbinding staande binnenwateren.

Artikel 27
  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de beheerder schadelijke of gevaarlijke stoffen te laden in of te lossen uit een schip, dat zich bevindt in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone.

  • 2. Een vergunning kan worden geweigerd, indien het behoud of de bescherming van het mariene milieu of de natuur, of de veilige navigatie, op onoverkomelijke wijze in het gedrang zouden komen door verlening van de vergunning.

  • 3. Een vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd, indien:

    • a.

      de voor de beoordeling van de aanvraag verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

    • b.

      geen gebruik wordt gemaakt van de vergunning binnen een daarin te stellen termijn;

    • c.

      in verband met veranderde wetgeving, wijziging van omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen, genoemd in het tweede lid, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij een ongewijzigde vergunning.

  • 4. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Een vergunning is niet overdraagbaar.

  • 5. De kapitein van een schip of degene, belast met het beheer van de overslagvoorziening, meldt aan de beheerder het tijdstip waarop de overslag van de stoffen, bedoeld in het eerste lid, zal plaatsvinden.

Artikel 28
  • 1. De gezagvoerder, degene die is belast met de overslag, alsmede degene die is belast met het beheer van een overslagvoorziening, voeren de verrichtingen bij overslag in de binnenwateren of in de territoriale zee uit overeenkomstig de wettelijke voorschriften inzake de veiligheid van de scheepvaart en de bescherming van het mariene milieu en de natuur.

  • 2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, rust mede op de scheepsbeheerder of diens vertegenwoordiger, ieder afzonderlijk.

  • 3. Het eerste lid is van toepassing in de exclusieve economische zone, met dien verstande dat de verrichtingen worden uitgevoerd overeenkomstig de wettelijke voorschriften ter bescherming van het mariene milieu en de natuur.

§ 3.4

Vaartbeperking in beschermde gebieden

Artikel 29
  • 1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen delen van de territoriale zee of van de exclusieve economische zone tot beschermd gebied als bedoeld in artikel 4 van het SPAW-Protocol worden aangewezen.

  • 2. Indien de aanwijzing geschiedt met het oog op de voorkoming van verontreiniging door schepen, wordt artikel 211, zesde lid, van het VN-Zeerechtverdrag in acht genomen.

  • 3. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan mede geschieden ter bescherming van maritiem archeologisch erfgoed.

  • 4. Een landsbesluit als bedoeld in het eerste lid komt tot stand met inachtneming van de relevante internationale voorschriften en na overleg met het meest betrokken bestuurscollege.

  • 5. Een landsbesluit als bedoeld in het eerste lid regelt het gebruik van het beschermde gebied, waarbij in het bijzonder beperkingen of verboden kunnen worden opgelegd aan de vaart.

§ 3.5

Wetenschappelijk onderzoek

Artikel 30
  • 1. Voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek in de territoriale zee of de exclusieve economische zone, is toestemming van de beheerder vereist.

  • 2. Indien het onderzoek zal plaatsvinden op of in de bodem van de territoriale zee, wordt de toestemming verleend in overleg met de Minister van Financiën.

  • 3. Aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

  • 4. De Minister stelt, in overeenstemming met de Minister van Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen, de Minister van Volksgezondheid en Sociale Ontwikkeling en de Minister van Onderwijs en Cultuur, de procedure vast voor behandeling en toetsing van een aanvraag van andere Staat of een bevoegde internationale organisatie, met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van het VN-Zeerechtverdrag.

§ 3.6

Radio en televisie uitzendingen

Artikel 31

Het is verboden vanaf een Nederlands-Antilliaans schip op volle zee radio of televisie uitzendingen te verspreiden, tenzij de vereiste toestemming is verkregen van de Staat of Staten waar de uitzendingen kunnen worden ontvangen of waar de uitzendingen storingen veroorzaken of kunnen veroorzaken.

HOOFDSTUK 4 Uitvoering van specifieke verdragen

§ 4.1

UNESCO-Verdrag

Artikel 32
  • 1. Er is een Meldpunt maritiem archeologisch erfgoed. De Minister van Onderwijs en Cultuur wijst een instelling aan waar het Meldpunt wordt ondergebracht.

  • 2. Maritiem archeologisch erfgoed gelegen in de binnenwateren, de territoriale zee of de aansluitende zone, wordt opgenomen in een openbare lijst die wordt aangehouden en beheerd door het Meldpunt maritiem archeologisch erfgoed, onder vermelding van ten minste de nauwkeurige plaats, de aard en de voornaamste kenmerken van het betrokken erfgoed.

  • 3. Een ieder die een zaak in een gebied als bedoeld in het tweede lid aantreft, waarvan hij weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat het maritiem archeologisch erfgoed betreft, meldt dit bij het Meldpunt maritiem archeologisch erfgoed.

  • 4. Het is verboden, zonder of in afwijking van een daartoe strekkende ontheffing van het bestuurscollege, maritiem archeologisch erfgoed of onderdelen hiervan, dat zich bevindt in de binnenwateren of de territoriale zee, op te graven, te verwijderen, te verplaatsen, te beschadigen of anderszins te verstoren.

  • 5. Het opgraven, verwijderen, verplaatsen of anderszins verstoren van maritiem archeologisch erfgoed of onderdelen hiervan, dat zich bevindt in de aansluitende zone, wordt aangemerkt als een verboden handeling als bedoeld in het vierde lid.

  • 6. De Minister van Onderwijs en Cultuur kan, het Meldpunt maritiem archeologisch erfgoed gehoord, een ontheffing verlenen van een verbod als bedoeld in het vijfde lid.

  • 7. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 33
  • 1. Bij of krachtens eilandsverordening worden nadere regels gesteld met betrekking tot de zorg voor het maritiem archeologisch erfgoed wat zich bevindt in de binnenwateren van een eilandgebied en de territoriale zee rondom een eilandgebied.

  • 2. Een eilandsverordening bevat in elk geval regels ten aanzien van:

    • a.

      de wijze waarop een ontheffing als bedoeld in artikel 32, vierde lid, wordt aangevraagd, ter inzage wordt gelegd en beoordeeld;

    • b.

      de advisering door deskundigen ten aanzien van een aanvraag en de eisen die aan deze worden gesteld;

    • c.

      de voorwaarden waaronder een ontheffing wordt verleend en de hieraan te verbinden beperkingen en voorschriften, met inachtneming van de Regels opgenomen in de bijlage bij het UNESCO-verdrag;

    • d.

      de opstelling en uitvoering van een beheersplan.

  • 3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden voor de periode dat de onderscheidene eilandsverordeningen nog niet van kracht zijn, regels gesteld ten aanzien van de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onder a, b en c. Het landsbesluit is niet langer van toepassing op een eilandgebied met ingang van het tijdstip waarop een eilandsverordening als bedoeld in het tweede lid aldaar in werking treedt.

Artikel 34

De Monumentenlandsverordening 1989 (P.B. 1989, no. 55) en de hierop gebaseerde eilandsverordeningen zijn niet van toepassing op maritiem archeologisch erfgoed als bedoeld in artikel 1, onderdeel i.

§ 4.2

OPRC- Verdrag

Artikel 35
  • 1. De regels gegeven bij of krachtens deze landsverordening ter uitvoering van het OPRC-Verdrag zijn van toepassing op:

    • a.

      havens en redes;

    • b.

      Nederlands-Antilliaanse schepen;

    • c.

      offshore-installaties.

  • 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gegeven met betrekking tot de uitvoering van het OPRC-Verdrag. Deze regels kunnen bij eilandsverordening, worden gegeven.

  • 3. Een rampenplan als bedoeld in het OPRC-Verdrag is in overeenstemming met de bepalingen die de Internationale Maritieme Organisatie daartoe heeft aangenomen.

  • 4. Bij ministeriële beschikking met algemene werking wordt het nationale systeem voor rampenplannen, in overeenstemming met artikel 6 van het OPRC-Verdrag, vastgesteld.

Artikel 36

Degene die het beheer voert over een offshore-installatie, haven, rede, havenfaciliteit of inrichting voor de overslag van olie, draagt zorg voor de vaststelling van een rampenplan voor olieverontreiniging, dat overeenstemt met het nationale systeem voor rampenplannen, bedoeld in artikel 35, vierde lid.

Artikel 37
  • 1. Een schip beschikt over een rampenplan als bedoeld in voorschrift 26 van bijlage I bij het MARPOL-verdrag.

  • 2. De gezagvoerder van een Nederlands-Antilliaans schip, alsmede degene die belast is met het beheer van een offshore-installatie die onder de rechtsmacht van de Nederlandse Antillen valt, meldt onverwijld elke gebeurtenis aan boord van het schip of op de offshore-installatie die ertoe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat olie wordt geloosd:

    ingeval van een schip, aan de dichtstbijzijnde kuststaat;

    ingeval van een offshore-installatie, aan de beheerder van het betrokken zeegebied.

  • 3. De personen, bedoeld in het tweede lid, melden onverwijld elke waargenomen gebeurtenis op zee die ertoe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat olie wordt geloosd:

    • a.

      ingeval van een schip, aan de dichtstbijzijnde kuststaat;

    • b.

      ingeval van een offshore-installatie, aan de beheerder van het betrokken zeegebied.

  • 4. Beheerders van havens en redes, alsmede degenen die belast zijn met het beheer van inrichtingen voor de overslag van olie, welke zijn gelegen in de binnenwateren, de territoriale zee of de exclusieve economische zone, melden onverwijld elke gebeurtenis die er toe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat olie wordt geloosd, alsmede de aanwezigheid van olie, aan de daartoe door de Minister aangewezen autoriteit.

  • 5. Gezagvoerders van luchtvaartuigen die in de Nederlandse Antillen te boek zijn gesteld melden elke waargenomen gebeurtenis op zee die ertoe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat olie wordt geloosd, alsmede de aanwezigheid van olie, onverwijld aan de dichtstbijzijnde kuststaat.

Artikel 38
  • 1. Een melding als bedoeld in artikel 37, tweede lid bevat in elk geval:

    • a.

      de identiteit van de melder, van de betrokken offshore-installatie, van het schip, dan wel van de overslaginstallatie;

    • b.

      de tijd en de plaats van het voorval;

    • c.

      de hoeveelheid en de soort schadelijke stof die bij het voorval is betrokken; en

    • d.

      de genomen of te nemen maatregelen voor hulpverlening en berging.

  • 2. Bij ministeriële beschikking met algemene werking kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de meldingen, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 39

Indien de Minister een melding aangaande een olielozing ontvangt, brengt hij deze ter kennis van:

  • a.

    alle andere partijen aangesloten bij het OPRC-Verdrag wier belangen waarschijnlijk door zulk een voorval worden getroffen;

  • b.

    de vlaggenstaat van het schip dat, of de schepen die bij de olielozing zijn betrokken; en

  • c.

    het bestuurscollege van het betrokken eilandgebied.

§ 4.3

Interventieverdrag en rampenbestrijding

Artikel 40
  • 1. De Minister kan in de exclusieve economische zone de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn ter voorkoming, vermindering of het ongedaan maken van schadelijke gevolgen voor de Nederlandse Antillen van een ongeval op zee of van met zulk een ongeval verband houdende handelingen, nadat het heeft plaatsgevonden.

  • 2. Het eerste lid vindt uitsluitend toepassing, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de schadelijke gevolgen ernstig zullen zijn.

  • 3. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, geschieden met inachtneming van artikel 221 van het VN-Zeerechtverdrag, het Interventieverdrag en het Interventieprotocol.

  • 4. De Minister neemt de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, na overleg met de gezaghebber van het meest betrokken eilandgebied.

  • 5. Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen, na overleg met de bestuurscolleges van de eilandgebieden, nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van deze paragraaf.

Artikel 41
  • 1. Als onderdeel van de maatregelen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, kan de Minister aanwijzingen geven aan de gezagvoerder, de scheepseigenaar of degene die hulp verleent aan het schip. Zij zijn verplicht deze aanwijzingen op te volgen, tenzij dit de opvarenden van het schip of de hulpverleners in ernstig persoonlijk gevaar zou brengen.

  • 2. De aanwijzingen dienen evenredig te zijn aan de schadelijke gevolgen van het ongeval en mogen niet verder gaan dan redelijkerwijs noodzakelijk is om die schadelijke gevolgen te voorkomen, te verminderen of ongedaan te maken.

Artikel 42
  • 1. De organisatie en de coördinatie van de rampenbestrijding in de territoriale zee en in de exclusieve economische zone vindt plaats overeenkomstig een Rampenbestrijdingsplan met bijbehorende operationele deelplannen.

  • 2. Voor de exclusieve economische zone wordt het Rampenbestrijdingsplan vastgesteld bij landsbesluit, op voordracht van de Minister van Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen in overeenstemming met de Minister en de Minister van Constitutionele en Binnenlandse Zaken.

  • 3. Voor de territoriale zee, behorende bij een eilandgebied, wordt het Rampenbestrijdingsplan vastgesteld door de gezaghebber, na overleg met de ministers, genoemd in het tweede lid.

Artikel 43

Bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen, na overleg met de bestuurscolleges van de eilandgebieden, nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van deze paragraaf.

§ 4.4

Protocol van 1996

Artikel 44
  • 1. Het is verboden zich vanuit schepen of bouwwerken, in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone:

    • a.

      te ontdoen van afval of andere stoffen, dan wel deze te verbranden; of

    • b.

      afval of andere stoffen op enigerlei wijze op te slaan op de bodem van de zee of in de ondergrond hiervan.

  • 2. Het is verboden schepen, luchtvaartuigen of bouwwerken in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone tot zinken te brengen.

  • 3. Het is verboden vanaf Nederlands-Antilliaanse schepen, waar ter wereld zij zich ook bevinden, te handelen in strijd met het Protocol van 1996.

  • 4. Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van een schadelijke stof vanaf een schip in de gevallen en op de wijze vastgesteld in het Marpolverdrag, zoals uitgezonderd in artikel 6 van de Landsverordening voorkoming van verontreiniging door schepen (P.B. 1993, no. 108).

  • 5. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van deze paragraaf.

Artikel 45
  • 1. De Minister kan, in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid en Sociale Ontwikkeling, voor één of meer stoffen, genoemd in Bijlage 1 van het Protocol van 1996, ontheffing verlenen van het verbod genoemd in artikel 44, eerste lid.

  • 2. De beoordeling van de aanvraag voor een ontheffing geschiedt met inachtneming van Bijlage 2 van het Protocol van 1996.

  • 3. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en de ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 10 zijn de kosten van het onderzoek bij de aanvraag van de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, voor rekening van de aanvrager.

Artikel 46
  • 1. De beheerder kan, in overeenstemming met de Minister van Volksgezondheid en Sociale Ontwikkeling ontheffing verlenen van het verbod genoemd in artikel 44, tweede lid, voor zover deze betrekking heeft op de territoriale zee, en het afzinken past binnen het economisch beleid van het desbetreffende eilandgebied. Indien de beheerder een bestuurscollege is, dan wordt het besluit omtrent de ontheffing genomen in overeenstemming met de Minister en de Minister van Volksgezondheid en Sociale Ontwikkeling.

  • 2. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in het eerste lid, worden de effecten op het mariene milieu uitdrukkelijk in overweging genomen. Artikel 21, vierde, vijfde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en de ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

Artikel 47
  • 1. In de gevallen, noodzakelijk voor de bescherming van mensenlevens, waarin het verbod, bedoeld in artikel 44 wordt overtreden, maakt de gezagvoerder van het betrokken Nederlands-Antilliaans schip of luchtvaartuig van het voorval melding in het scheepsdagboek onderscheidenlijk het journaal.

  • 2. Een voorval als bedoeld in het eerste lid wordt door de gezagvoerders, bedoeld in het eerste lid, onverwijld gemeld aan de Minister.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de beheerder van een bouwwerk.

Artikel 48
  • 1. Indien zich een noodgeval voordoet dat voor de menselijke gezondheid onaanvaardbare risico's met zich meebrengt en waarvoor geen andere oplossing mogelijk is, kan een ontheffing als bedoeld in artikel 45, eerste lid, worden verleend.

  • 2. Alvorens een ontheffing, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend, raadpleegt de Minister elke andere Staat dat bij het storten betrokken zou kunnen zijn.

§ 4.5

Grensverdrag

Artikel 49
  • 1. De bij of krachtens deze landsverordening gegeven regels ter uitvoering van het Grensverdrag zijn van toepassing op schepen met de Venezolaanse nationaliteit, alsmede op Nederlands-Antilliaanse schepen, voor zover zij zich bevinden in het zeegebied, bedoeld in het Grensverdrag.

  • 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gegeven ter uitvoering van het Grensverdrag.

  • 3. Bij toepassing van het tweede lid, kan bij dat landsbesluit worden bepaald dat nadere regels worden gegeven bij eilandsverordening.

Artikel 50

(Gereserveerd)

HOOFDSTUK 5 Toezicht en handhaving

§ 5.1

Toezicht

Artikel 51
  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde, zijn belast de personen aangewezen in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen, alsmede de bij landsbesluit aangewezen ambtenaren of personen. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in de Curaçaosche Courant.

  • 2. Voor zover het in het eerste lid bedoelde toezicht betrekking heeft op de naleving van door de eilandgebieden ter uitvoering van deze landsverordening gestelde voorschriften, wordt dit toezicht mede uitgeoefend door ambtenaren of personen die daartoe door het bestuurscollege worden aangewezen. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in het blad waarin door het desbetreffende eilandgebied gebruikelijk officiële berichten worden bekendgemaakt en in de Curaçaosche Courant.

  • 3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de krachtens dit artikel aangewezen personen.

  • 4. Een ieder is verplicht aan de krachtens dit artikel aangewezen personen alle medewerking te verlenen.

Artikel 52
  • 1. De krachtens artikel 51 aangewezen personen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:

    • a.

      alle inlichtingen te vragen;

    • b.

      inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;

    • c.

      goederen aan opneming en onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen en daarvan monsters te nemen;

    • d.

      alle plaatsen, met uitzondering van woningen, zonder uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van de door hen aangewezen personen;

    • e.

      schepen en stilstaande voertuigen, alsmede de lading daarvan te onderzoeken;

    • f.

      woningen of tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen zonder uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden.

  • 2. Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.

  • 3. Op het binnentreden van woningen of van tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen als bedoeld in het derde lid, onderdeel f, is Titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, laatste zinsnede, en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging, indien het betreft de krachtens het eerste lid aangewezen personen, wordt verleend door de procureur-generaal en, indien het betreft de krachtens het tweede lid aangewezen personen, de gezaghebber.

§ 5.2

Aanhouding en vasthouding van schepen

Artikel 53
  • 1. De met het toezicht belaste personen zijn bevoegd schepen aan of vast te houden indien het vermoeden bestaat dat er in strijd is of wordt gehandeld met het gestelde bij of krachtens artikel 15, artikel 19, artikel 22, eerste lid, artikel 25, artikel 26, artikel 27, artikel 29, vijfde lid, artikel 31, artikel 32, vierde, vijfde of zesde lid, artikel 41, artikel 44, artikel 45 en artikel 46, eerste lid.

  • 2. Onverminderd het eerste lid, zijn de met het toezicht belaste personen bevoegd Nederlands-Antilliaanse schepen aan of vast te houden indien het vermoeden bestaat dat er in strijd is of wordt gehandeld met artikel 16, eerste lid, of artikel 37, eerste lid.

Artikel 54

De met het toezicht belaste personen zijn bevoegd schepen die zich in de binnenwateren of de territoriale zee bevinden aan een onderzoek te onderwerpen, indien gegronde redenen zijn aan te nemen dat in de territoriale zee in strijd met artikel 44 is of wordt gehandeld.

Artikel 55

De met het toezicht belaste personen zijn bevoegd schepen die zich in de territoriale zee of exclusieve economische zone bevinden aan te houden, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat in de exclusieve economische zone in strijd met artikel 44 is of wordt gehandeld.

Artikel 56
  • 1. In afwijking van artikel 52, eerste lid, verschaft de gezagvoerder van een buitenlands schip bij aanhouding op eerste verzoek aan de toezichthouders:

    • a.

      de identiteit van het schip;

    • d.

      de vorige en volgende aanloophaven, en

    • c.

      informatie over de vermoedelijke overtreding.

  • 2. Onverminderd het eerste lid, zijn de toezichthouders bevoegd inzage te verkrijgen in de certificaten en documenten van het schip die ingevolge internationale normen en regels zijn vereist.

Artikel 57
  • 1. De gezagvoerder van een aangehouden schip is verplicht zijn schip na de aanhouding ligplaats te doen nemen of voor anker te doen gaan op de met het toezicht belaste persoon in overeenstemming met de gezaghebber of de beheerder, aan te wijzen plaats. Deze plaats kan ook een lig- of ankerplaats in een haven of op een rede in de Nederlandse Antillen zijn.

  • 2. Zolang de vasthouding voortduurt, is het de gezagvoerder verboden het schip te doen verplaatsen zonder voorafgaande toestemming van de met het toezicht belaste persoon.

  • 3. Zonder deze toestemming weigeren alle betrokken ambtenaren hun medewerking bij het verplaatsen en het uitklaren van het schip.

  • 4. Indien een Nederlands-Antilliaans schip in een buitenlandse haven door een bevoegde autoriteit ingevolge de bepalingen van het Protocol van 1996 wordt vastgehouden, is het de gezagvoerder verboden de haven te verlaten.

  • 5. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een buitenlands schip dat zich in de binnenwateren, de territoriale zee of de exclusieve economische zone bevindt.

Artikel 58
  • 1. De aanhouding geschiedt door de met het toezicht belaste persoon door middel van overhandiging aan de gezagvoerder van een ondertekende en gedagtekende kennisgeving, waarin de reden van aanhouding staat vermeld. Wanneer naar het oordeel van die toezichthoudende persoon overhandiging niet mogelijk is, geschiedt de aanhouding mondeling door een kennisgeving aan de naar zijn oordeel daarvoor meest gerede persoon, zo spoedig mogelijk gevolgd door overhandiging van de schriftelijke kennisgeving aan de gezagvoerder.

  • 2. De beheerder van het desbetreffende zeegebied, alsmede de naar het oordeel van de met het toezicht belaste persoon in aanmerking komende diensten, worden onverwijld van het bevel tot aanhouding in kennis gesteld.

  • 3. Indien de aanhouding geschiedt wegens verontreiniging of dreigende verontreiniging van het mariene milieu, dan worden de Directie Volksgezondheid van het Ministerie van Volksgezondheid en Sociale Ontwikkeling en de met de zorg voor het milieu belaste dienst van het desbetreffende eilandgebied ingelicht.

Artikel 59
  • 1. Zodra er geen reden is de vasthouding langer te laten voortduren en de mogelijk op grond van artikel 10 verschuldigde vergoedingen zijn voldaan of de voldoening daarvan voldoende zeker is gesteld, heft de met het toezicht belaste persoon de vasthouding op.

  • 2. Opheffing geschiedt door overhandiging aan de gezagvoerder van een ondertekende en gedagtekende kennisgeving.

  • 3. Op deze opheffing en kennisgeving is artikel 58 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 60

Indien een buitenlands schip wordt aangehouden, onderscheidenlijk vastgehouden, zijn de artikelen 58 en 59 hierop van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van de aanhouding en de opheffing daarvan tevens de consul of de diplomatieke vertegenwoordiger in de Nederlandse Antillen en, bij diens afwezigheid, de regering van de vlaggestaat van het schip, onverwijld op de hoogte wordt gesteld.

Artikel 61
  • 1. De met het toezicht belaste personen zijn bevoegd ter uitvoering en handhaving van dit hoofdstuk de nodige maatregelen te nemen en de nodige aanwijzingen te geven.

  • 2. Eenieder is verplicht aan de met het toezicht belaste personen alle medewerking te verlenen die op grond van het eerste lid wordt gevorderd.

§ 5.3

Stilleggen van werkzaamheden

Artikel 62

De met het toezicht belaste personen zijn bevoegd tot het stilleggen van werkzaamheden in de binnenwateren, de reden, de territoriale zee of de exclusieve economische zone, waarbij in strijd met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 24, 25, 27, 28, 32, vierde en vijfde lid, 33, eerste lid, 44, 45 en 46, wordt gehandeld.

Artikel 63
  • 1. Het stilleggen van werkzaamheden geschiedt door middel van overhandiging door de met het toezicht belaste persoon aan de gezagvoerder van het schip of aan degene, belast met het beheer van het bouwwerk, van een ondertekende en gedagtekende kennisgeving, waarin de reden van stillegging van werkzaamheden staat vermeld.

  • 2. Wanneer naar het oordeel van die persoon overhandiging niet mogelijk is, geschiedt het stilleggen mondeling door een kennisgeving aan de naar zijn oordeel daarvoor meest gerede persoon, zo spoedig mogelijk gevolgd door overhandiging van de schriftelijke kennisgeving aan de gezagvoerder van het schip of aan degene, belast met het beheer van het bouwwerk.

  • 3. De beheerder alsmede de naar het oordeel van de met het toezicht belaste persoon in aanmerking komende diensten, worden onverwijld van het bevel tot stillegging van werkzaamheden in kennis gesteld.

  • 4. Indien het stilleggen van werkzaamheden geschiedt wegens verontreiniging of dreigende verontreiniging van het mariene milieu, dan worden de Directie Volksgezondheid van het Ministerie van Volksgezondheid en Sociale Ontwikkeling en de met de zorg voor het milieu belaste dienst van het desbetreffende eilandgebied ingelicht.

Artikel 64

De met het toezicht belaste persoon verzegelt de werktuigen en voorwerpen die ter uitvoering van de stilgelegde werkzaamheden worden of kunnen worden gebruikt.

Artikel 65
  • 1. De met het toezicht belaste persoon is bevoegd ter uitvoering en handhaving van de stillegging de nodige maatregelen te nemen en de nodige aanwijzingen te geven.

  • 2. Eenieder is verplicht aan de met het toezicht belaste personen alle medewerking te verlenen die op grond van het eerste lid wordt gevorderd.

Artikel 66
  • 1. Zodra er geen reden is de stillegging van werkzaamheden langer te laten voortduren en de mogelijk op grond van artikel 10 verschuldigde kosten zijn voldaan of de voldoening daarvan voldoende zeker is gesteld, heft de met het toezicht belaste persoon de stillegging op.

  • 2. Opheffing geschiedt door overhandiging aan de gezagvoerder of degene, belast met het beheer van het bouwwerk, van een ondertekende en gedagtekende kennisgeving.

  • 3. Op deze opheffing en kennisgeving is artikel 63 van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 6 Sancties

§ 6.1

Bestuursdwang

Artikel 67
  • 1. In dit hoofdstuk wordt onder bevoegd gezag verstaan het desbetreffende bestuurscollege respectievelijk de Minister.

  • 2. Het bevoegd gezag is bevoegd tot het doen wegnemen, ontruimen, beletten, in de vorige toestand herstellen of verrichten van hetgeen in strijd met de bij of krachtens deze landsverordening gestelde bepalingen of met een voorschrift of beperking verbonden aan een bij of krachtens deze landsverordening verleende vergunning is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

  • 3. De bevoegdheid, bedoeld in het tweede lid, komt ook toe aan de Minister van Volksgezondheid en Sociale Ontwikkeling respectievelijk de Minister van Onderwijs en Cultuur, indien een vergunning of ontheffing in overeenstemming met hem wordt afgegeven.

  • 4. Het bevoegd gezag is eveneens bevoegd tot het in de vorige toestand herstellen van schade toegebracht aan overheidswerken, voor rekening van degene door wiens toedoen de schade is veroorzaakt, alsmede tot het treffen van maatregelen ter voorkoming van meerdere schade. De kosten wegens schade toegebracht aan overheidswerken, alsmede de kosten wegens de te nemen of genomen maatregelen, worden door een daartoe door het bevoegd gezag aangewezen persoon geraamd en vermeld in een proces-verbaal dat aan degene die de schade heeft toegebracht wordt toegezonden.

  • 5. Het bevoegd gezag kan zekerheidsstelling als bedoeld in artikel 84, eerste lid, vorderen met betrekking tot de in dit proces-verbaal vermelde kosten.

  • 6. Bij toepassing van het eerste, het tweede of het derde lid, kan subsidiair de last onder dwangsom, bedoeld in artikel 76, eerste lid, worden opgelegd. Artikel 76, tweede tot en met zesde lid, artikel 77, artikel 78 en artikel 79 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 7. Indien een besluit wordt genomen ingevolge dit artikel ten aanzien van een buitenlands schip, is artikel 60 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 68
  • 1. Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt op schrift gesteld en geldt als een beschikking.

  • 2. De bekendmaking ervan geschiedt aan de overtreder en andere belanghebbenden.

  • 3. In de beschikking, bedoeld in het eerste lid, wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf de in de beschikking omschreven maatregelen te treffen.

  • 4. Indien de vereiste spoed zich daartegen verzet, behoeft geen termijn te worden gegund.

  • 5. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat het bevoegd gezag de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en de bekendmaking.

Artikel 69
  • 1. De overtreder is de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

  • 2. De beschikking, bedoeld in artikel 68, eerste lid, vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder plaatsvindt.

  • 3. Indien de kosten geheel of gedeeltelijk niet ten laste van de overtreder zullen worden gebracht, wordt zulks in de beschikking vermeld.

  • 4. Onder kosten, worden tevens begrepen de kosten verbonden aan de voorbereiding van bestuursdwang, voorzover deze kosten zijn gemaakt na het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 68, derde lid, is verstreken.

  • 5. De kosten zijn ook verschuldigd, indien de bestuursdwang door opheffing van de onrechtmatige situatie niet of niet volledig is uitgevoerd.

Artikel 70
  • 1. Het bevoegd gezag kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, invorderen.

  • 2. Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploit betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Nederlandse Antillen.

  • 3. Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van het desbetreffende eilandgebied respectievelijk de openbare rechtspersoon de Nederlandse Antillen.

  • 4. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van het desbetreffende eilandgebied respectievelijk de openbare rechtspersoon de Nederlandse Antillen, kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Artikel 71

De kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang zijn bevoorrecht op de zaak ten aanzien waarvan zij zijn besteed en worden na de kosten, bedoeld in artikel 284, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, uit de opbrengst van de zaak betaald.

Artikel 72
  • 1. Om aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben de daartoe door het bevoegd gezag aangewezen personen toegang tot elke plaats voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

  • 2. Artikel 52, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Van een betreden als bedoeld in het tweede lid maakt de krachtens het eerste lid aangewezen persoon een proces-verbaal op, dat binnen tweemaal vierentwintig uur aan degene, wiens woning is betreden, in afschrift wordt toegezonden. In dit proces-verbaal wordt mede van het tijdstip van het betreden en van het daarmede beoogde doel melding gemaakt.

Artikel 73

Het bevoegd gezag is bevoegd ruimtes van schepen, alsmede gebouwen, terreinen, en hetgeen zich daarin of daarop bevindt, te verzegelen.

Artikel 74
  • 1. Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het meevoeren en opslaan van daarvoor vatbare zaken voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vereist.

  • 2. Indien zaken zijn meegevoerd en opgeslagen, doet het bevoegd gezag daarvan proces-verbaal opmaken, waarvan afschrift wordt verstrekt aan de belanghebbende.

  • 3. Het bestuurscollege draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende.

  • 4. Het bevoegd gezag is bevoegd de afgifte op te schorten totdat de verschuldigde kosten zijn voldaan. Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, is het bevoegd gezag bevoegd de afgifte op te schorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan.

  • 5. Het bevoegd gezag kan niet aansprakelijk worden gesteld voor afgifte van de opgeslagen zaak aan een onbevoegde.

Artikel 75
  • 1. Indien een opgeslagen zaak niet binnen dertien weken na de opslag kan worden teruggegeven, is het bevoegd gezag bevoegd, deze te verkopen of, indien verkoop naar zijn oordeel niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.

  • 2. Gelijke bevoegdheid heeft het bevoegd gezag ook binnen die termijn zodra de aan de toepassing van bestuursdwang verbonden kosten vermeerderd met de voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.

  • 3. Verkoop, eigendomsoverdracht of vernietiging vindt niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal betreffende het meevoeren en opslaan, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.

  • 4. Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip rechthebbende was, recht op de opbrengst van de zaak onder aftrek van de aan de toepassing van bestuursdwang verbonden kosten en de kosten van de verkoop. Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, wordt van de opbrengst de kosten van bestuursdwang niet in mindering gebracht.

  • 5. Het bevoegd gezag kan niet aansprakelijk worden gesteld voor afgifte van de opbrengst uit de verkoop aan een onbevoegde.

§ 6.2

Last onder dwangsom

Artikel 76
  • 1. Het bevoegd gezag kan in plaats van bestuursdwang toe te passen aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen, indien het belang dat het overtreden voorschrift beoogt te beschermen zich daar niet tegen verzet.

  • 2. Het bevoegd gezag stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, of op een bedrag per overtreding van de last.

  • 3. Het bevoegd gezag stelt tevens een bedrag vast, waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

  • 4. In de beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken of het beëindigen van een overtreding wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat de dwangsom wordt verbeurd.

  • 5. Onverminderd de bevoegdheid van de beheerder, bedoeld in artikel 22, vierde lid, kan het bevoegd gezag een last onder dwangsom als bedoeld in het eerste lid, opleggen.

Artikel 77
  • 1. Verbeurde dwangsommen komen toe aan het desbetreffende eilandgebied respectievelijk de openbare rechtspersoon de Nederlandse Antillen.

  • 2. In het geval dat het bevoegd gezag de last onder dwangsom heeft opgelegd, is artikel 68 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 78
  • 1. Het bevoegd gezag kan op verzoek van de overtreder de last onder dwangsom opheffen of de looptijd ervan voor een bepaalde termijn opschorten, indien de overtreder blijvend of tijdelijk, geheel of gedeeltelijk niet in staat is aan zijn verplichtingen te voldoen.

  • 2. Het bevoegd gezag kan op verzoek van de overtreder de last onder dwangsom opheffen, indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Artikel 79
  • 1. De bevoegdheid tot invordering van verbeurde dwangsommen verjaart door verloop van één jaar na de dag waarop zij zijn verbeurd.

  • 2. De verjaring wordt gestuit door faillissement van de overtreder en ieder wettelijk beletsel voor invordering van een dwangsom.

§ 6.3

Strafbepalingen

Artikel 80
  • 1. Degene die niet voldoet aan een aanwijzing van de beheerder als bedoeld in artikel 4, tweede lid, of artikel 17, vierde lid, of van de Minister als bedoeld in artikel 41, eerste lid, begaat een overtreding en wordt gestraft met een geldboete van maximaal NAF. 25.000,-- (vijfentwintigduizend Nederlands-Antilliaanse courant).

  • 2. Degene die handelt in strijd met artikel 12, begaat een overtreding en wordt gestraft met een geldboete van maximaal NAF. 25.000,-- (vijfentwintigduizend Nederlands-Antilliaanse courant).

  • 3. Degene die handelt in strijd met voorschriften gegeven bij of krachtens artikel 11, artikel 13, artikel 14, vierde lid, artikel 15, artikel 17, zesde lid, artikel 22, eerste, tweede en derde lid, artikel 24, artikel 28, artikel 29, vijfde lid, artikel 32, zesde lid, artikel 33, tweede lid, onderdeel c, artikel 37, vierde lid, artikel 45, derde lid, of artikel 46, derde lid, begaat een overtreding en wordt gestraft met een geldboete van maximaal NAF. 100.000,-- (honderdduizend Nederlands-Antilliaanse courant).

Artikel 81
  • 1. Degene die opzettelijk handelt in strijd met het verbod gegeven bij of krachtens artikel 18, artikel 19, artikel 20, artikel 25, artikel 26, eerste lid, artikel 27, artikel 29, vijfde lid, artikel 31, artikel 32, vierde en vijfde lid, artikel 44 of artikel 57, tweede en vierde lid, begaat een misdrijf en wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar hetzij met geldboete van maximaal NAF. 1.000.000,-- (één miljoen Nederlands-Antilliaanse courant) hetzij met beide straffen.

  • 2. Handelen als bedoeld in het eerste lid, voor zover niet opzettelijk begaan, is een overtreding en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar, hetzij met geldboete van maximaal NAF. 250.000,-- (honderdduizend Nederlands Antilliaanse courant), hetzij met beide straffen.

  • 3. Bij herhaling van een overtreding als bedoeld in het eerste lid, kan de boete worden verhoogd tot ten hoogste de keren van herhalen te vermenigvuldigen met ten hoogste NAF. 25.000,-- (vijfentwintigduizend Nederlands-Antilliaanse courant).

Artikel 82

Degene die opzettelijk handelt in strijd met het gebod gegeven bij artikel 26, artikel 37, eerste lid, artikel 61, artikel 62 of artikel 65, begaat een overtreding en wordt gestraft met een geldboete van maximaal NAF. 250.000,-- (honderdduizend Nederlands-Antilliaanse courant).

Artikel 83
  • 1. Indien een handeling wordt verricht of een overtreding wordt begaan met of vanaf een buitenlands schip, kan, in afwijking van artikel 80 en artikel 81, enkel een geldboete worden opgelegd.

  • 2. Het eerste lid geldt ook indien niet wordt voldaan aan een aanwijzing.

§ 6.4

Zekerheidsstelling

Artikel 84
  • 1. Bij vermoeden van handelen in strijd met de bij of krachtens deze landsverordening gegeven voorschriften, bedoeld in artikel 4, tweede lid, artikel 11, artikel 18, artikel 19, artikel 20, artikel 25, artikel 26, artikel 27, artikel 28, artikel 44, artikel 51, vierde lid, artikel 57, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, of artikel 62, kan aan de gezagvoerder bevel worden gegeven dat het schip een Nederlands-Antilliaanse haven, binnenwater of rede niet zal verlaten dan nadat op een bij dat bevel aan te wijzen plaats een daarbij te bepalen geldsom is gestort, waarop de ter zake van die strafbare gedraging op te leggen geldboete zal kunnen worden verhaald. Het bevel wordt zonodig met behulp van de sterke arm ten uitvoer gelegd.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde bevel wordt op vordering van de officier van justitie gegeven door de rechter voor wie de zaak wordt of zal worden vervolgd. De gezagvoerder wordt vooraf gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen. Het bevel is dadelijk uitvoerbaar en wordt onverwijld aan de gezagvoerder betekend.

  • 3. Tegen het bevel of de beschikking tot afwijzing van de vordering kan de verdachte binnen drie dagen na de betekening en het Openbaar Ministerie binnen drie dagen nadat het bevel is gegeven of de beschikking is genomen, in beroep komen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Het Hof beslist zo spoedig mogelijk.

  • 4. Zodra het in de strafzaak gewezen vonnis onherroepelijk is geworden, wordt de gestorte geldsom wederom ter beschikking van de rechthebbende gesteld, nadat daarop een bij dat vonnis opgelegde geldboete in mindering is gebracht. Tot dat tijdstip en te rekenen van de dag dat de geldsom werd gestort, wordt over die som de wettelijke rente vergoed.

Artikel 85
  • 1. Indien aan overheidswerken door een schip schade is toegebracht, kan aan de gezagvoerder bevel worden gegeven dat dit schip een Nederlands-Antilliaanse haven, binnenwater of rede niet zal verlaten dan nadat op een bij dat bevel aan te wijzen plaats en daarbij te bepalen geldsom is gestort, waarop de kosten, bedoeld in artikel 67, vierde lid, zullen kunnen worden verhaald. Het bevel wordt zo nodig met behulp van de sterke arm ten uitvoer gelegd.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde bevel wordt gegeven door een daartoe door het bevoegd gezag aangewezen persoon. Het bevel is dadelijk uitvoerbaar en wordt onverwijld aan de gezagvoerder betekend.

  • 3. Tegen het bevel kan de gezagvoerder of de scheepsbeheerder een kort geding tegen dit bevel tot aan of vasthouding aanspannen bij het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen.

  • 4. Onverminderd het recht op volledige schadevergoeding, is het bevoegd gezag bevoegd het gestorte bedrag aan zekerheidsstelling, bedoeld in het eerste lid, aan te wenden tot herstel van de schade. Indien de werkelijke schade minder blijkt te bedragen dan het gestorte bedrag, dan wordt het overschot met de wettelijke rente daarvan, te rekenen van de dag van storting, ter beschikking gesteld van hem, die de zekerheid heeft gesteld.

§ 6.5

Geheimhoudingsplicht

Artikel 86
  • 1. Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de regels geven bij of krachtens deze landsverordening en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze landsverordening de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit.

  • 2. De verplichting, genoemd in het eerste lid, geldt niet voor degene die reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt.

HOOFDSTUK 7 Wijziging en intrekking van andere landsverordeningen

Artikel 87

[wijzigt de Landsverordening van de 14de november 1961 houdende voorschriften ter verhoging van de veiligheid aan boord van enige schepen, niet vallende onder de Schepenwet (PB N° 185)]

[dit artikel is nog niet in werking getreden]

Artikel 88

[wijzigt de Vaartuigenverordening 1930 (P.B. 1930, no. 72)]

Artikel 89

[wijzigt de Landsverordening In- en Doorvoer (P.B. 1968, no. 42)]

Artikel 89a

[wijzigt de Monumentenlandsverordening (P.B. 1977, no. 3)]

Artikel 89b

[wijzigt de Monumentenlandsverordening (P.B. 1989, no. 55)]

Artikel 90

De Landsverordening verontreiniging zeewater (P.B. 1986, no. 102) wordt ingetrokken.

Artikel 91

De Zeeaanvaringsverordening (P.B. 1988, no. 39) wordt ingetrokken.

Artikel 92

A. In artikel 1, eerste lid, wordt “de Minister van Algemene Zaken” vervangen door: de Minister van Economische en Arbeidszaken.

 

B. In artikel 2, eerste lid, wordt “zonder vergunning” vervangen door: zonder of in afwijking van een vergunning.

 

C. Onder vernummering van Hoofdstuk III tot en met VII tot respectievelijk IV tot en met VIII wordt een nieuw Hoofdstuk III ingevoegd, luidende:

 

Hoofdstuk III

Visserij op volle zee

 

Artikel 13a

1. Onder Nederlands-Antilliaans vissersvaartuig wordt in dit hoofdstuk verstaan: schip dat te boek is gesteld in de Nederlandse Antillen en in de uitoefening van beroep of bedrijf wordt of kan worden gebruikt voor de visserij op zee.

2. Er is een Commissie Internationale Visserij. De samenstelling en werkzaamheden van deze commissie worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, geregeld.

 

Artikel 13b

1. Het is verboden met een Nederlands-Antilliaans vissersvaartuig op volle zee of in de wateren die vallen onder de rechtsmacht van een andere Staat, te vissen zonder of in afwijking van een vergunning.

2. De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend door of namens de Minister, na overleg met de Minister van Verkeer en Vervoer.

3. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden, onder andere met betrekking tot de:

a. de visgebieden waar het vissersvaartuig kan vissen;

b. de vissoorten waarop het is toegestaan te vissen en indien van toepassing tevens de vissoorten waarop het niet is toegestaan te vissen;

c. het bijhouden van dagboeken;

d. het aan boord nemen van waarnemers; en

e. het rapporteren  over de vangst.

 

Artikel 13c

1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld die in elk geval betrekking hebben op de:

vistuigen waarmee het is toegestaan te vissen;

te vangen vissoorten;

eisen waaraan een vissersvaartuig dient te voldoen, waaronder:

1°. het navigatiesysteem om de lokatie van het vissersvaartuig vast te stellen;

2°. het markeren van het vistuig;

eisen waaraan de bemanning van een vissersvaartuig dient te voldoen.

2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels gesteld ter uitvoering van internationale of regionale overeenkomsten met betrekking tot de visserij op volle zee of binnen de wateren die onder de rechtsmacht vallen van een andere Staat.

3. Het is verboden, behoudens ontheffing in bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, voorziene gevallen, met een Nederlands-Antilliaans vissersvaartuig een reis te ondernemen, dan wel te doen ondernemen indien niet wordt voldaan aan de krachtens dit artikel gestelde regels.

 

Artikel 13d

De artikelen 7, 8, 9, 10, 11 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de werkzaamheden die in deze artikelen aan de Visserijcommissie worden toegekend, worden uitgevoerd door de Commissie Internationale Visserij.

 

D. In artikel 15 wordt “Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 2, 3 en 5 bepaalde” vervangen door: Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 2, 3, 5, 13b en 13c bepaalde.

 

E. Na artikel 20 wordt een nieuw artikel 20a ingevoegd, luidende:

Artikel 20a

De strafwetgeving van de Nederlandse Antillen is mede van toepassing op een ieder die zich binnen of buiten de visserijzone schuldig maakt aan de bij artikel 15, strafbaar gestelde feiten.

[dit artikel is in werking getreden 26 juni 2010, P.B. 2010, no. 34 en werkt terug t/m 1 januari 2010]

Artikel 93

[wijzigt de Landsverordening voorkoming verontreiniging door schepen (P.B. 1993, no. 108)]

[dit artikel is nog niet in werking getreden]

Artikel 94

[wijzigt de Landsverordening grondslagen natuurbeheer en -bescherming (P.B. 1998, no. 49)]

Artikel 95

[wijzigt de Landsverordening opruiming van schepen en wrakken (P.B. 2002, no. 69)]

HOOFDSTUK 8 Slotbepalingen

Artikel 96

Ministeriële beschikkingen met algemene werking gegeven bij of krachtens deze landsverordening worden in het Publicatieblad geplaatst.

Artikel 97

De Algemene Termijnenlandsverordening is van toepassing op termijnen gesteld bij of krachtens deze landsverordening.

Artikel 98

Deze landsverordening treedt in werking met ingang van een bij landsbesluit te stellen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan, onderscheidenlijk voor de verschillende eilandgebieden, anders kan worden gesteld.

Artikel 99

Deze landsverordening kan worden aangehaald als: Landsverordening maritiem beheer.