LANDSVERORDENING van de 7de maart 1968 houdende nieuwe voorschriften inzake middelen tot bestrijding van schadelijke dieren en planten

Geldend van 10-10-2010 t/m heden

Intitulé

LANDSVERORDENING van de 7de maart 1968 houdende nieuwe voorschriften inzake middelen tot bestrijding van schadelijke dieren en planten.

Artikel 1

  • 1. Voor de toepassing van deze landsverordening wordt verstaan onder:

    bestrijdingsmiddel

    :

    elke stof of mengsel van stoffen, waaronder begrepen micro-organismen, bestemd om te worden gebruikt bij

    a.

    de bestrijding van onkruid en van ongewenste groei bij planten of delen van planten zomede bij het doden van loof;

    b.

    de bestrijding van verwekkers van plantenziekten;

    c.

    de bestrijding en afweer van dieren, welke schade kunnen aanrichten aan gewassen in land-, tuin- en bosbouw en aan voortbrengselen daarvan;

    d.

    de bestrijding en afweer van ander ongedierte;

    e.

    de wering van bederf van de voortbrengselen van land-, tuin- en bosbouw;

    handel in bestrijdingsmiddelen

    :

    het kopen, te koop aanbieden, ten verkoop in voorraad hebben, verkopen, afleveren en doen afleveren van bestrijdingsmiddelen;

    de Minister

    :

    de Minister van Volksgezondheid;

    de Inspecteur

    :

    de Inspecteur van de Volksgezondheid;

    de Commissie

    :

    de Commissie bedoeld in artikel 7.

  • 2. Voor de toepassing van deze landsverordening wordt onder fabricage van bestrijdingsmiddelen mede begrepen het wijzigen van de samenstelling of de concentratie van een bestrijdingsmiddel.

Artikel 2

De fabricage en de invoer van, alsmede de handel in, het in voorraad hebben, het vervoeren of het doen vervoeren en het aanwenden van bestrijdingsmiddelen, in welke samenstelling of concentratie ook, is verboden, voor zover niet krachtens artikel 3 anders is bepaald.

Artikel 3

  • 1. De Minister bepaalt, de Commissie gehoord, ambtshalve dan wel op verzoek van belanghebbenden voor welke bestrijdingsmiddelen het verbod geheel of gedeeltelijk niet geldt. De minister verleent deze ontheffing indien in redelijkheid kan worden aangenomen, dat van het bestrijdingsmiddel met inachtneming van door hem eventueel krachtens het tweede lid gegeven voorschriften geen gevaar voor de volksgezondheid is te duchten en het middel de aangeprezen werking bezit.

  • 2. De Minister is bevoegd bij het verlenen van ontheffingen als bedoeld in lid 1 nadere voorschriften te stellen welke onder meer betrekking kunnen hebben op de wijze van gebruik en de tijstippen van gebruik. De Minister kan ten aanzien van met name aan te wijzen bestrijdingsmiddelen voorts bepalen dat de aanwending daarvan slechts is toegestaan op grond van een door of vanwege het Bestuurscollege verleende vergunning. Het Bestuurcollege kan aan de vergunning voorwaarden verbinden. Het Bestuurscollege stelt de inspecteur de kennis van zijn beslissingen.

  • 3. De in de voorgaande leden bedoelde bestrijdingsmiddelen en de voorschriften bedoeld in lid 2 worden door de Inspecteur in een register vermeld dat voor een ieder ter inzage ligt. Het register wordt ingericht op door de Minister te bepalen wijze.

  • 4. De beslissingen van de Minister op grond van de leden 1 en 2 worden in de Curaçaosche Courant bekend gemaakt.

  • 5. De Inspecteur kan met betrekking tot monsters van bestrijdingsmiddelen gehele of gedeeltelijke ontheffing van het verbod bedoeld in artikel 2 verlenen.

Artikel 4

  • 1. De belanghebbende richt een verzoek als bedoeld in artikel 3 tot de Minister en dient het in bij de Inspecteur. Het verzoek moet vergezeld zijn van beschrijving van de kwalitatieve of kwantitatieve samenstelling van het middel. Op verlangen van de Inspecteur wordt tevens een monster van voldoende grootte ingeleverd om de nodige onderzoekingen te kunne doen verrichten.

  • 2. De kosten van het onderzoek komen ten laste van de verzoeker. Zij worden vooraf door de Inspecteur bepaald en moeten vooraf aan de Landsontvanger worden voldaan.

  • 3. Indien het bedrag der kosten niet vooraf bepaald kan worden, kan de Inspecteur de betaling van een door hem vast te stellen voorschot ter nadere verrekening verlangen.

  • 4. De Minister deelt zo spoedig mogelijk zijn met redenen omklede beslissing aan de belanghebbende mede. Indien een onderzoek is verricht wordt bij deze mededeling tevens de uitkomst van het onderzoek vermeld.

Artikel 5

  • 1. Wanneer een bestrijdingsmiddel, na vermelding in het register, van samenstelling of concentratie wordt veranderd wordt van het tijdstip van wijziging van samenstelling of concentratie af de ontheffing geacht niet te zijn verleend en wordt het bestrijdingsmiddel door de Inspecteur uit het register geschrapt.

  • 2. De Minister kan, de commissie gehoord, een ontheffing als bedoeld in artikel 3 intrekken of de voorschriften als bedoeld in artikel 3 lid 2 wijzigen, indien zulks om redenen van volksgezondheid wenselijk is of indien het bestrijdingsmiddel de aangeprezen werking niet blijkt te bezitten. Het register wordt dan door de Inspecteur dienovereenkomstig gewijzigd.

Artikel 6

[vervallen]

Artikel 7

  • 1. Er is een commissie van tenminste 5 en ten hoogste 7 leden, welke de Minister bij de uitvoering van deze landsverordening van advies dient.

  • 2. De voorzitter, de overige leden van de commissie en de secretaris alsmede hun plaatsvervangers worden bij landsbesluit benoemd en ontslagen.

  • 3. Van deze commissie maken in elk geval deel uit:

    als voorzitter

    :

    een bij landsbesluit te benoemen persoon werkzaam bij de aangewezen rechtspersoon als bedoeld in artikel 9 van de Gezondheidslandsverordening 1952 (P.B. 1952, no. 157);

    als leden

    :

    het Hoofd van de Geneeskundige en Gezondheidsdienst van het eilandgebied Curaçao of in diens plaats een andere ambtenaar werkzaam bij deze dienst, te benoemen op voordracht van het Bestuurscollege;

    het Hoofd van de Geneeskundige en Gezondheidsdienst van het eilandgebied Aruba of in diens plaats een andere ambtenaar werkzaam bij deze dienst, te benoemen op voordracht van het Bestuurscollege;

    het Hoofd van de Veterinaire dienst van het eilandgebied Curaçao of in diens plaats een andere ambtenaar werkzaam bij deze dienst, te benoemen op voordracht van het Bestuurscollege en een apotheker.

  • 4. Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen wordt de vergoeding van de leden en de secretaris, alsmede van hun plaatsvervangers, geregeld. Daarbij kunnen tevens nadere regelen worden vastgesteld omtrent de samenstelling en werkwijze van de commissie.

Artikel 8

Bij landsbesluit houdende algemene maatregelen kunnen voorschriften worden gegeven met betrekking tot de verpakking van bestrijdingsmiddelen en de aanduidingen, welke daarop moeten voorkomen.

Artikel 9

  • 1. De fabrikanten en importeurs van bestrijdingsmiddelen zijn gehouden aan de Inspecteur opgave te doen van de handelsnaam en van de kwantitatieve en kwalitatieve samenstelling van de bestrijdingsmiddelen, die zij fabriceren of importeren.

  • 2. Hij die zijn beroep of bedrijf maakt van het aanwenden van bestrijdingsmiddelen is verplicht daarvan mededeling te doen aan het Bestuurscollege van het eilandgebied waar hij zijn werkzaamheden verricht.

Artikel 10

  • 1. Overtreding van de artikelen 2 en 9 en van krachtens deze landsverordening gegeven voorschriften wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vijfduizend gulden.

  • 2. De in het voorgaande lid strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.

Artikel 11

Indien een in het voorgaande artikel strafbaar gesteld feit wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon wordt de strafvervolging ingesteld en de straf uitgesproken tegen hem die tot het feit opdracht gaf of die de feitelijke leiding had bij het verboden handelen.

Artikel 12

De bestrijdingsmiddelen de voorwerpen, waarmede of met betrekking tot welke het strafbare feit is gepleegd kunnen worden in beslag genomen en verbeurd verklaard en hun vernietiging kan door de rechter worden bevolen, ongeacht of zij de veroordeelde al dan niet toebehoren.

Artikel 13

Met het toezicht op de naleving van deze landsverordening en met de opsporing van de bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn belast de personen, bedoeld in artikel 8 van het wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen, de ambtenaren van de Inspectie Volksgezondheid en van de Inspectie der Belastingen alsmede de bij landsbesluit houdende algemene maatregelen aan te wijzen personen en de door het Bestuurscollege der verschillende eilandgebieden aangewezen personen.

Artikel 14

Bestrijdingsmiddelen die bij de inwerkingtreding van deze landsverordening in de Nederlandse Antillen mochten worden gefabriceerd, ingevoerd, verhandeld en in voorraad mochten zijn of mochten worden aangewend, zijn toegelaten ook na de inwerkingtreding van deze landsverordening, mits binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze landsverordening een verzoek als bedoeld in artikel 3 door de belanghebbende is gedaan. Deze toelating is van kracht totdat op het in de vorige zinsnede gedane verzoek is beslist.

Artikel 15

  • 1. De opsporingsambtenaren zijn gerechtigd monsters te nemen van bestrijdingsmiddelen. De monsters worden in tweevoud genomen, verpakt en verzegeld en onverwijld toegezonden aan de Inspecteur, die een van de monsters doet onderzoeken.

  • 2. Van de uitkomsten van het onderzoek wordt door de Inspecteur schriftelijk aan de opsporingsambtenaar kennis gegeven onder toezending van het verzegelde niet onderzochte monster. De opsporingsambtenaar zendt het bericht van de Inspecteur, het terugontvangen monster en zijn proces-verbaal aan de officier van Justitie.

  • 3. Indien niet tot vervolging wordt overgegaan draagt de Officier van Justitie, onverwijld zorg, dat hetgeen in beslag is genomen, wordt teruggegeven.

Artikel 16

  • 1. Deze landsverordening kan worden aangehaald als “Landsverordening Bestrijdingsmiddelen”. Zij treedt in werking met ingang van een nader bij landsbesluit te bepalen tijdstip.

  • 2. Op het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening vervallen de landsverordening van de 18de juli 1961 houdende voorschriften in het belang van de volksgezondheid met betrekking tot bestrijdingsmiddelen van schadelijke dieren en planten (P.B. 1961, no. 116) en de op grond van artikel 4 daarvan gegeven ministeriële beschikking van de 6de oktober 1961 (P.B. 1961, no. 166).