Landsverordening houdende vaststelling van een nieuw Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Geldend van 01-04-2014 t/m heden

Intitulé

WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING

Artikel A

In dit wetboek en de daarop berustende nadere regelingen en uitvoeringsvoorschriften wordt verstaan onder:

algemeen erkende feestdagen, onderscheidenlijk met de zondag gelijkgestelde dagen:

de in de Algemene termijnenlandsverordening, onderscheidenlijk de Algemene termijnen- verordening als zodanig genoemde en de bij of krachtens die landsverordening daarmee gelijkgestelde dagen;

gerecht in eerste aanleg en rechter in eerste aanleg:

gerecht in eerste aanleg en rechter in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen of Aruba;

hier te lande:

in de Nederlandse Antillen of Aruba;

Hof van Justitie en Hof:

het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, bedoeld in de artikelen 1 en 44 van de Eenvormige landsverordening op de rechterlijke organisatie;

in het buitenland:

buiten de Nederlandse Antillen en Aruba.

BOEK 1 DE WIJZE VAN PROCEDEREN VOOR DE GERECHTEN IN EERSTE AANLEG EN VOOR HET HOF VAN JUSTITIE

TITEL 1 Algemene bepalingen

AFDELING 1 Exploten van oproeping, aanzegging en betekening

Artikel 1
  • 1. Elk exploot wordt gedaan door een deurwaarder die daartoe bevoegd is; hij laat afschrift van het exploot aan de persoon of aan de woonplaats van de geëxploiteerde.

  • 2. Het afschrift geldt voor degene die het ontvangen heeft, als het oorspronkelijke.

  • 3. Indien de geëxploiteerde weigert het afschrift in ontvangst te nemen, wordt hij geacht het afschrift in persoon te hebben ontvangen. De deurwaarder vermeldt die weigering op het exploot. Artikel 2 is van toepassing.

Artikel 2
  • 1. Indien de deurwaarder noch de geëxploiteerde, noch aan zijn woonplaats iemand van diens huisgenoten of een andere persoon die zich daar bevindt en van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift de geëxploiteerde tijdig bereikt, vindt, laat hij, indien dat feitelijk mogelijk is, een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop. Indien ook dat feitelijk onmogelijk is, bezorgt hij terstond een afschrift ter post. De deurwaarder maakt, zowel in het ene als het andere geval tevens onder vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid, van deze handelingen melding in het exploot.

  • 2. Op de envelop waarin het afschrift ingevolge het eerste lid wordt achtergelaten of ter post wordt bezorgd, worden vermeld de naam en de woonplaats van degene voor wie het exploot is bestemd. De envelop vermeldt tevens de naam, de hoedanigheid, het kantooradres en het telefoonnummer van de deurwaarder, alsmede een aanduiding dat de inhoud de onmiddellijke aandacht behoeft.

  • 3. Indien de deurwaarder op de in dit artikel vermelde wijze zijn exploot doet, is hij verplicht een tweede afschrift te vervaardigen, dat hij gedurende ten minste drie maanden moet bewaren.

Artikel 4

Aan elk van de geëxploiteerden wordt een afschrift van het exploot gelaten.

Artikel 5

Alle exploten worden gedaan op de volgende wijze:

  • 1.

    ten aanzien van het Land en van de Gouverneur, in zaken hem bijzonder aangaande, aan de persoon of aan het parket van de procureur-generaal; indien afschrift van een voor het Land bestemd exploot wordt gelaten aan een persoon die daartoe is aangewezen, is het exploot gedaan aan het Land in persoon;

  • 2.

    ten aanzien van openbare rechtspersonen, aan de persoon of ter woonplaats van het hoofd van het bestuur of ter plaatse waar het bestuur zitting of kantoor houdt; indien afschrift van het exploot wordt gelaten aan een bestuurder of aan een persoon die daartoe is aangewezen, is het exploot gedaan aan de rechtspersoon in persoon;

  • 3.

    ten aanzien van andere rechtspersonen aan de persoon of aan de woonplaats van een van de bestuurders en, na de ontbinding, van een van de vereffenaars of aan hun zetel of kantoor; indien afschrift van het exploot wordt gelaten aan een bestuurder of, na de ontbinding, aan een vereffenaar, is het exploot gedaan aan de rechtspersoon in persoon;

  • 4.

    ten aanzien van openbare vennootschappen aan de persoon of aan de woonplaats van een van de besturende vennoten en, na de ontbinding, aan een van de vereffenaars of aan haar kantoor; indien afschrift van het exploot wordt gelaten aan een besturende vennoot of, na de ontbinding, aan een vereffenaar, is het exploot gedaan aan de vennootschap in persoon; ten aanzien van stille vennootschappen geschiedt de betekening aan hun woonplaats;

  • 5.

    ten aanzien van curators in een faillissement of bewindvoerders in een surséance van betaling, aan de persoon, het kantoor of de woonplaats van één van hen;

  • 6.

    ten aanzien van de gezamenlijke erfgenamen van een overledene, zonder vermelding van hun namen en woonplaatsen:

    • a.

      aan de laatste woonplaats van de overledene, mits aldaar nog de overlevende echtgenoot of andere levensgezel, een broer, een zus of een nabestaande in de rechte lijn woont, of

    • b.

      aan de persoon of de woonplaats van een executeur of door de rechter benoemde vereffenaar van de nalatenschap, van een ten tijde van het overlijden fungerend curator of bewindvoerder, of, indien hoger beroep of beroep in cassatie wordt ingesteld, aan het kantoor van de advocaat, zaakwaarnemer of deurwaarder, bij wie de overledene in de vorige instantie laatstelijk woonplaats heeft gekozen, of

    • c.

      aan de persoon of de woonplaats van een van de erfgenamen, mits betekening geschiedt binnen een jaar na het overlijden, in welk geval het exploot tevens moet worden aangekondigd in ten minste één hier te lande verschijnend, door de rechter te bepalen, dagblad;

      een en ander onverminderd de mogelijkheid van betekening aan ieder van de erfgenamen afzonderlijk op de gewone wijze;

  • 7.

    ten aanzien van degenen die hier te lande geen bekende woonplaats hebben, ter plaatse van hun werkelijk verblijf;

    indien degenen die hier te lande niet een woonplaats hebben, daar ook niet een bekend werkelijk verblijf bezitten en hun woonplaats of werkelijk verblijf in het buitenland onbekend is, gelijk mede in geval in rechte worden opgeroepen onbekenden of houders van aandelen of andere effecten die niet op naam staan of waarvan de houders niet bij name bekend zijn, wordt het exploot gepubliceerd in ten minste één hier te lande verschijnend, door de rechter voor wie de vordering gebracht is of aanhangig is, te bepalen dagblad en wordt een afschrift overgegeven, in de Nederlandse Antillen, aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij die rechter en, in Aruba, aan de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, die het oorspronkelijke voor gezien tekent; daarenboven wordt het gedane exploot aangekondigd in het nieuwsblad, waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst;

    op gelijke wijze wordt gehandeld ten aanzien van naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen, alsmede, in Aruba, vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en Aruba vrijgestelde vennootschappen, bestaande of ontbonden, bij gebreke van gemeenschappelijk kantoor, bestuurder of vereffenaar, of indien van de bestuurder of vereffenaar een woonplaats of de plaats van diens werkelijk verblijf hier te lande niet bekend is;

    indien het exploot niet een te voeren of aanhangig rechtsgeding betreft, wordt het gepubliceerd in ten minste één hier te lande verschijnend, door het gerecht in eerste aanleg waar de verzoeker zijn woonplaats of bij gebreke daarvan zijn verblijfplaats heeft, te bepalen dagblad en wordt een afschrift, in de Nederlandse Antillen, aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij dat gerecht en, in Aruba, aan de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken overgegeven en geschiedt tevens aankondiging in het blad, waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst;

    indien het exploot ten verzoeke van de ene echtgenoot aan de andere wordt uitgebracht, houdt het de naam van de gemachtigde van die andere echtgenoot in, indien deze bekend is;

  • 8.

    ten aanzien van degenen die niet hier te lande wonen en daarin evenmin een bekend verblijf hebben, doch wier woonplaats of werkelijk verblijf in het buitenland bekend is, in de Nederlandse Antillen, aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechter voor wie de vordering gebracht is of aanhangig is en, in Aruba, bij de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, die de oorspronkelijke oproeping voor gezien zal tekenen; de ambtenaar van het openbaar ministerie in de Nederlandse Antillen doet het afschrift van het exploot ten behoeve van de belanghebbenden aan de procureur-generaal toekomen; de procureur-generaal, onderscheidenlijk de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat het stuk de belanghebbenden ten spoedigste bereikt;

    indien het exploot niet een te voeren of aanhangig rechtsgeding betreft, wordt het gedaan, in de Nederlandse Antillen, aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij de rechter in eerste aanleg waar de verzoeker zijn woonplaats heeft en, in Aruba, bij de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, die daarmede handelt als in het eerste onderdeel van dit nummer omschreven

  • 9.

    ten aanzien van degene die met degene ten verzoeke van wie het exploot wordt gedaan, de woning deelt, aan hem in persoon; indien betekening in persoon niet kan geschieden, handelt de deurwaarder overeenkomstig artikel 2;

  • 10.

    ten aanzien van de eigenaar en de leden, dan wel de boekhouder van een rederij van een schip dat in het in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register teboekstaat, indien het exploot het schip of een in of krachtens Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geregeld onderwerp betreft, aan de in artikel 194, zesde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde woonplaats;

  • 11.

    ten aanzien van de opvarenden van een schip, die geen bekende woonplaats hier te lande hebben, en die noch aan boord van dat schip, noch elders worden aangetroffen, indien het exploot het schip of een in of krachtens Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geregeld onderwerp betreft, aan boord aan de kapitein van dat schip;

  • 11a

    ten aanzien van de eigenaar van een luchtvaartuig dat in het in artikel 1302 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde register teboekstaat, indien het exploot het luchtvaartuig of een in of krachtens Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek geregeld onderwerp betreft, aan de in artikel 1303, zesde lid, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek genoemde woonplaats.

Artikel 5a
  • 1. In geval van verzet, hoger beroep of beroep in cassatie, kan het exploot ook worden gedaan aan het kantoor van de advocaat, zaakwaarnemer of deurwaarder bij wie degene voor wie het exploot is bestemd, laatstelijk terzake woonplaats heeft gekozen. Deze advocaat, zaakwaarnemer of deurwaarder bevordert dat het exploot degene voor wie het is bestemd, tijdig bereikt.

  • 2. Aan een in verband met executie volgens wettelijk voorschrift gekozen woonplaats kunnen alle exploten worden gedaan, zelfs van verzet, hoger beroep en cassatie.

Artikel 6
  • 1. Het exploot vermeldt:

    • a.

      de dag, de maand en het jaar;

    • b.

      de naam, en in geval van een natuurlijk persoon tevens de voornamen, en de woonplaats van de persoon op verzoek van wie, of naar aanleiding van wiens aan de rechter gericht verzoek het gedaan is;

    • c.

      de naam, de voornamen en het kantooradres van de deurwaarder;

    • d.

      de naam, en in geval van een natuurlijk persoon zo nodig de voornamen, en de woonplaats van de geëxploiteerde;

    • e.

      de persoon aan wie afschrift van het exploot gelaten is, onder vermelding van diens hoedanigheid.

  • 2. Indien een partij een rechtspersoon of vennootschap is, wordt haar benaming vermeld.

  • 3. Een oproeping om in rechte te verschijnen behelst bovendien de aanwijzing van de rechter die van de zaak kennis zal nemen, en dag en uur, waarop de geëxploiteerde in rechte moet verschijnen.

  • 4. De deurwaarder ondertekent het exploot en de afschriften daarvan.

Artikel 7
  • 1. De gewone termijn van oproeping is ten minste een week voor de geëxploiteerde die hier te lande woonachtig is of verblijf houdt.

  • 2. In spoed vereisende zaken, bij zijn beschikking als zodanig vermeld, is de rechter in eerste aanleg of de president van het Hof van Justitie bevoegd om de tijd die tussen de oproeping van partijen en de rechtsdag verlopen moet, te verkorten.

  • 3. Tegen de beschikking, bedoeld in het tweede lid, staat geen hogere voorziening open.

Artikel 9
  • 1. In het tweede geval in artikel 5, ten 7, uitgedrukt, is de termijn van oproeping ten minste drie maanden.

  • 2. De rechter is bevoegd om op verzoek van de eiser, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, deze termijn te verkorten. Artikel 7, tweede lid, vindt overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend, aan het hoofd van de oproeping worden vermeld.

Artikel 10
  • 1. Indien de geëxploiteerde hier te lande noch een bekende woonplaats noch een bekend werkelijk verblijf heeft en zijn woonplaats of werkelijk verblijf in het buitenland bekend is, is de termijn van oproeping ten minste twee maanden.

  • 2. Artikel 9, tweede lid, is van toepassing.

Artikel 11

Indien een exploot aan iemand die in het buitenland woont, aan zijn persoon hier te lande gedaan wordt, of indien deze in een bepaalde zaak woonplaats hier te lande heeft gekozen, is artikel 7 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

Indien meer personen wegens dezelfde vordering op verschillende termijnen moeten worden opgeroepen, geschiedt dit voor allen tegen de dag van verschijning, voor de verst verwijderd wonende bepaald.

Artikel 12a

Oproepingen van derden als partij in het geding geschieden met inachtneming van de voor oproeping van de geëxploiteerde geldende termijnen. Tenzij de oproeping geschiedt bij hetzelfde exploot als de oproeping van de verweerder, wordt een door de deurwaarder voor eensluidend getekend afschrift van de vordering aan de derde uitgereikt.

Artikel 13

De dag van het exploot en de dag van verschijning worden niet meegerekend onder de algemene termijn, bepaald voor oproeping, aanzegging en betekening.

Artikel 14

De aanzeggingen en oproepingen om tegenwoordig te zijn bij een akte van procedure of van instructie, drukken alleen plaats, dag en uur van de eerste terechtzitting uit; zij behoeven niet herhaald te worden, ook al wordt de terechtzitting op een andere dag verlegd of voortgezet.

Artikel 15
  • 1. Op een zondag of een algemeen erkende feestdag, onderscheidenlijk een met de zondag gelijkgestelde dag kan geen exploot geschieden. Evenmin kan zulks op andere dagen geschieden vóór vijf uur 's morgens of na negen uur 's avonds.

  • 2. Indien de laatste dag van de termijn waarbinnen het exploot kan worden gedaan, op een zondag of een algemeen erkende feestdag, onderscheidenlijk een met de zondag gelijkgestelde dag valt, mag het exploot worden gedaan op de eerstvolgende dag die geen zondag of algemeen erkende feestdag, onderscheidenlijk een met de zondag gelijkgestelde dag is.

  • 3. De rechter in eerste aanleg of de president van het Hof van Justitie kan verlof verlenen het exploot te doen in afwijking van het eerste lid op alle dagen en uren.

Artikel17 17
  • 1. De deurwaarder mag een exploot niet uitbrengen voor zijn bloedverwanten of aangehuwden, in de rechte linie onbepaaldelijk en in de zijlinie tot de graad van kinderen van broers en zussen ingesloten. In geval van beletsel uit dien hoofde voorziet de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg in zijn plaatsvervulling.

  • 2. Bij afwezigheid, belet of ontstentenis van bevoegde deurwaarders is de rechter in eerste aanleg of de president van het Hof van Justitie bevoegd om een of meer personen aan te wijzen tot het verrichten van de vereiste werkzaamheden, daaronder begrepen die welke na elk eindvonnis nodig zijn.

Artikel 18

Indien een exploot door toedoen van de deurwaarder nietig verklaard wordt, is de rechter bevoegd om hem in de kosten van het exploot en van de vernietigde procedure te verwijzen, onverminderd het recht van de partij op schadevergoeding, zo daartoe gronden zijn.

Artikel 18a

Indien op de laatste dag van een termijn waarbinnen de indiening van enig verzoekschrift of enige akte, dan wel de aflegging van enige verklaring ter griffie van het gerecht in eerste aanleg of van het Hof van Justitie moet geschieden, de griffie gesloten is, kan die indiening of aflegging alsnog geschieden op de eerstvolgende dag waarop de griffie geopend is.

AFDELING 2 De terechtzittingen

Artikel 18b
  • 1. De rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure en treft, zo nodig, op verzoek van een partij of ambtshalve maatregelen.

  • 2. Partijen zijn tegenover elkaar verplicht onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen.

Artikel 18c

Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig, naar waarheid en in een zo vroeg mogelijk stadium aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Artikel 18d

De rechter kan bepalen dat geen griffier aanwezig zal zijn ter terechtzitting. In dat geval wordt het proces-verbaal door hem opgemaakt en slechts door hem ondertekend.

Artikel 19

De behandeling geschiedt ter openbare terechtzitting, maar de rechter kan gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid, indien de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van procespartijen dit eisen, of indien zulks strikt noodzakelijk wordt geacht onder bijzondere omstandigheden, waarin behandeling ter openbare terechtzitting het belang van de rechtspraak zou schaden.

Artikel 20
  • 1. Partijen verschijnen in persoon voor de rechter, desgewenst door een raadsman bijgestaan, tenzij zij verkiezen zich door een gemachtigde te doen vertegenwoordigen.

  • 2. De rechter is bevoegd om in alle gevallen en in elke stand van het geding, de persoonlijke verschijning van een of meer der partijen te gelasten ten einde een vereniging te beproeven indien de zaak hem voor minnelijke schikking vatbaar schijnt.

  • 3. De rechter houdt bij de beslissing van de zaak met het niet-verschijnen op een bevel tot persoonlijke verschijning of met een weigering om te antwoorden zodanige rekening, als hij met inachtneming van de wettelijke regels omtrent het bewijs meent te behoren.

Artikel 21
  • 1. Indien een minnelijke schikking tot stand komt, maakt de rechter, indien partijen zulks verlangen, een proces-verbaal op en doet dit ondertekenen door partijen of door hun daartoe bijzonderlijk gemachtigden; in dat proces-verbaal worden de verbintenissen die partijen ten gevolge van die schikking op zich nemen, uitgedrukt.

  • 2. De uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in executoriale vorm.

  • 3. Indien een minnelijke schikking niet tot stand komt, bepaalt de rechter aanstonds de dag waarop de zaak weer ter terechtzitting behandeld zal worden of waarop vonnis zal worden gewezen.

Artikel 21a
  • 1. De rechter kan, onder aanhouding van de zaak, partijen opdragen hun geschil voor te leggen aan een conflictbemiddelaar.

  • 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld ter zake van deze bemiddeling.

Artikel 22
  • 1. De machtiging wordt verleend bij onderhandse of notariële akte van algemene of bijzondere lastgeving, bij akte van bijzondere lastgeving voor de griffier van een gerecht in eerste aanleg of mondeling ter terechtzitting, waarvan aantekening wordt gehouden in het proces-verbaal. De griffier geeft de voor hem verleden akten van lastgeving in het oorspronkelijke uit.

  • 2. Advocaten die als gemachtigden optreden, verklaren zulks in het door hen ondertekende stuk ofwel mondeling ter terechtzitting, tenzij een schriftelijke of een mondelinge door de vertegenwoordigde ter terechtzitting verleende machtiging gevorderd wordt.

  • 3. De partij die zich door een gemachtigde doet vertegenwoordigen, wordt geacht woonplaats te hebben bij die gemachtigde.

Artikel 23

De partijen en haar gemachtigden of raadslieden verdedigen of bepleiten de zaak voor de rechter met bezadigdheid en nemen in alles de eerbied in acht die men aan de justitie schuldig is. Indien zij zich daarin te buiten gaan, is de rechter bevoegd hun het voortgaan te beletten.

Artikel 24

De toehoorders bewaren een betamelijk ontzag en stilzwijgen; al wat de fungerend voorzitter of de rechter in eerste aanleg tot handhaving van de goede orde beveelt, wordt stipt en terstond ten uitvoer gelegd.

Artikel 25

Aan personen die gedurende de terechtzitting de stilte storen, beweging verwekken of tekenen van goed- of afkeuring geven, kan, indien zij zich niet dadelijk na de waarschuwing van de rechter of de deurwaarder stil houden, door de rechter het bevel gegeven worden te vertrekken; degene die daaraan geen gevolg geeft, kan terstond in bewaring gesteld worden en daarin voor een termijn van 24 uren blijven op vertoon van een bevelschrift van de rechter in eerste aanleg of fungerend voorzitter van het Hof van Justitie. De uitgifte van een dergelijk bevel moet in het proces-verbaal van de zitting vermeld worden.

Artikel 27

Indien de opschudding op de terechtzitting vergezeld is geweest van beledigingen of bedreigingen jegens een rechter of rechterlijke ambtenaren in het waarnemen van hun bedieningen, welke beledigingen of bedreigingen het kenmerk van misdrijf dragen, is de rechter in eerste aanleg of de fungerend voorzitter van het Hof van Justitie bevoegd om de dader terstond te doen aanhouden en proces-verbaal van het ter terechtzitting voorgevallene te doen opmaken.

Artikel 28

Artikel 27 is van overeenkomstige toepassing indien de beledigingen of de bedreigingen tegen een rechter of tegen rechterlijke ambtenaren in het waarnemen van hun bedieningen, doch buiten de terechtzittingen, hebben plaatsgehad.

Artikel 29
  • 1. Indien in de loop van een rechtsgeding de bijstand van een tolk vereist wordt, wordt die door partijen of, in geval van verschil van mening, door de rechter in eerste aanleg of fungerend voorzitter van het Hof van Justitie gekozen.

  • 2. Indien de gekozene niet een van overheidswege toegelaten beëdigd vertaler is, legt hij, alvorens zijn werkzaamheden aan te vangen, op de terechtzitting de eed of de belofte af dat hij de van hem als tolk gevorderde diensten met getrouwheid en naar zijn geweten zal verrichten.

  • 3. Wordt bij verrichtingen van een rechter-commissaris een tolk vereist, dan gaan de bemoeienissen van de fungerend voorzitter op die rechter-commissaris over.

AFDELING 3 De rechters en het wraken van rechters

Artikel 30
  • 1. De rechters, met uitzondering van de rechters-plaatsvervangers, de ambtenaren van het openbaar ministerie en die van de griffie belasten zich niet met het verdedigen van de zaken der partijen, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, hetzij bij wijze van consultatie.

  • 2. Echter mogen zij hun eigen zaken, die van hun echtgenoten, bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie en die van hun pupillen bepleiten.

Artikel 31

Op verzoek van een partij kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, zoals:

  • 1.

    indien hij persoonlijk belang bij het geschil heeft;

  • 2.

    indien hij aan een der partijen in bloedverwantschap of in zwagerschap bestaat tot in de vierde graad ingesloten;

  • 3.

    indien er, binnen het jaar vóór de wraking, tegen een der partijen of haar echtgenoot of nabestaanden en aangehuwden in de rechte linie een vervolging wegens misdrijf op zijn beklag of door zijn toedoen heeft plaatsgehad;

  • 4.

    indien hij een advies in de zaak gegeven heeft;

  • 5.

    indien hij, hangende het geding, van iemand, die bij de zaak belang heeft, geschenken heeft ontvangen of deze aan hem zijn beloofd en hij die belofte heeft aangenomen;

  • 6.

    indien de rechter, zijn echtgenoot, hun bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie een verschil over een gelijksoortig onderwerp hebben als hetwelk tussen partijen en geschil is;

  • 7.

    indien er een burgerlijk rechtsgeding tussen de rechter, zijn echtgenoot, hun bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie en een der partijen hangende is;

  • 8.

    indien er tussen de rechter en een der partijen, sedert het aanleggen van het rechtsgeding of binnen zes maanden vóór de wraking, beledigingen of bedreigingen hebben plaatsgehad.

Artikel 32
  • 1. Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

  • 2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van een terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.

  • 3. Alle feiten of omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen.

  • 4. Een volgend verzoek tot wraking van dezelfde rechter wordt niet in behandeling genomen, tenzij feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.

  • 5. Aanstonds na een verzoek tot wraking wordt de behandeling geschorst.

Artikel 33

Een rechter van wie wraking is verzocht, kan in de wraking berusten.

Artikel 34
  • 1. Het verzoek tot wraking wordt zo spoedig mogelijk ter terechtzitting behandeld door een kamer van het Hof van Justitie waarin de rechter van wie wraking is verzocht, geen zitting heeft.

  • 2. De verzoeker en de rechter van wie wraking is verzocht, worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Het Hof kan ambtshalve of op verzoek van de verzoeker of de rechter van wie wraking is verzocht, bepalen dat zij niet in elkaars aanwezigheid zullen worden gehoord, in welk geval zij door het Hof van de resulaten van het verhoor in kennis worden gesteld.

  • 3. Het Hof beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld in het openbaar uitgesproken en aan de verzoeker, de andere partijen en de rechter van wie wraking was verzocht, medegedeeld.

  • 4. In geval van misbruik kan het Hof bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling wordt genomen. Hiervan wordt in de beslissing melding gemaakt.

  • 5. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Artikel 35

Indien het verzoek tot wraking betrekking heeft op een rechter in eerste aanleg, wordt het schriftelijk verzoek onderscheidenlijk het proces-verbaal van de terechtszitting waarop het mondeling verzoek is gedaan, door de griffier onverwijld ter behandeling overeenkomstig deze afdeling toegezonden aan het Hof.

Artikel 36
  • 1. Op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 31 kan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen.

  • 2. Het verzoek geschiedt schriftelijk en is gemotiveerd. Na de aanvang van een terechtzitting kan het ook mondeling geschieden.

  • 3. Aanstonds na een verzoek zich te mogen verschonen wordt de behandeling geschorst.

Artikel 37
  • 1. Het verzoek zich te mogen verschonen wordt zo spoedig mogelijk behandeld door een kamer van het Hof van Justitie waarin de rechter die dat verzoek heeft gedaan, geen zitting heeft.

  • 2. Het Hof beslist zo spoedig mogelijk. De beslissing is gemotiveerd en wordt onverwijld aan partijen en de rechter die het verzoek had gedaan, medegedeeld.

  • 3. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Artikel 38

Indien het verzoek tot verschoning wordt gedaan door een rechter in eerste aanleg, is artikel 35 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 39

Indien er geen of onvoldoende rechters zijn die van een geschil mogen of kunnen kennis nemen, wordt, op verzoek van de meest gerede partij, door de Gouverneur een persoon, onderscheidenlijk het vereiste aantal personen aangewezen om dat geschil te berechten.

AFDELING 3A Het openbaar ministerie

Artikel 40
  • 1. Het openbaar ministerie is bevoegd alle op een zaak betrekking hebbende en aan de rechter kenbaar gemaakte boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in te zien of voorwerpen te onderzoeken en op elke terechtzitting tegenwoordig te zijn.

  • 2. Blijkt van feiten of omstandigheden die een ernstig vermoeden doen rijzen dat een misdrijf is gepleegd, dan kan de rechter daarvan een proces-verbaal doen opmaken dat door hem en de griffier wordt ondertekend. De griffier doet het proces-verbaal toekomen aan het openbaar ministerie.

  • 3. Het openbaar ministerie kan op verzoek van de rechter of een partij boeken, bescheiden of andere gegevensdragers, waarover het beschikt, in de procedure brengen. Indien een zodanig verzoek niet wordt ingewilligd, wordt het gemotiveerd.

Artikel 41
  • 1. Wanneer het openbaar ministerie als partij optreedt, geschieden de inleiding en de behandeling van de zaak volgens de gewone regels, voor zover daarvan in dit artikel niet is afgeweken.

  • 2. Hoger beroep wordt ingesteld door en tegen de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het gerecht in eerste aanleg. Bij de verdere behandeling in hoger beroep treedt echter voor deze in de plaats de ambtenaar van het openbaar ministerie bij het Hof van Justitie.

  • 3. Een beslissing omtrent de kosten wordt ten aanzien van het openbaar ministerie genomen ten name van het Land.

Artikel 42

Ingeval het openbaar ministerie niet als partij optreedt, wordt het gehoord, indien het de wens daartoe te kennen heeft gegeven of de rechter zulks noodzakelijk oordeelt.

AFDELING 4 Het algemeen register, het proces-verbaal van de zitting en vonnissen in het algemeen

Artikel 45
  • 1. De griffier houdt een algemeen register bij, waarin alle aanhangige zaken, elke zaak onder een afzonderlijk nummer, worden ingeschreven met de namen van de partijen, alsmede van haar gemachtigden of raadslieden, zo zij die hebben.

  • 2. In het register wordt, met vermelding van de dagtekening, kortelijk aantekening gehouden van het in elke zaak voorgevallene en van de daarin genomen beslissingen.

Artikel 46
  • 1. Onverminderd artikel 18d, maakt de griffier op aanwijzing van de rechter van de behandeling van een zaak een afzonderlijk doorlopend proces-verbaal op, waarin de namen en de woon- of verblijfplaatsen van partijen en van haar gemachtigden of raadslieden, alsmede het volgnummer van de zaak in het algemeen register en de datum van iedere terechtzitting, worden vermeld.

  • 2. In dat proces-verbaal wordt, behoudens het bepaalde omtrent zaken die niet aan hoger beroep onderworpen zijn, al het ter terechtzitting voorgevallene vermeld. De fungerend voorzitter of de rechter in eerste aanleg en de griffier ondertekenen dit proces-verbaal binnen tweemaal 24 uren na iedere terechtzitting of verrichting.

  • 3. Indien hetzij de rechter in eerste aanleg, hetzij de griffier zich in de onmogelijkheid bevindt om het proces-verbaal te ondertekenen, maakt degene die niet in dat geval verkeert, daarvan melding in dat stuk.

  • 4. Indien de fungerend voorzitter zich in de onmogelijkheid bevindt het proces-verbaal te ondertekenen, geschiedt zulks door het oudste lid dat over de zaak gezeten heeft. Ten aanzien van het griffier van het Hof van Justitie vindt het derde lid toepassing.

  • 5. Eindvonnissen worden afzonderlijk opgemaakt en, behoudens in kort geding, vóór de uitspraak door de fungerend voorzitter of de rechter in eerste aanleg en de griffier ondertekend. Het derde en het vierde lid vinden overeenkomstige toepassing.

Artikel 47
  • 1. De rechter is bevoegd om, alvorens de zaak definitief te beslissen, een preparatoire of een interlocutoire beslissing te nemen.

  • 2. Voor preparatoir worden gehouden vonnissen en bevelschriften die gegeven zijn tot instructie van de zaak en die strekken om het proces in staat van wijzen te brengen, zonder dat zulks op de zaak ten principale van enige invloed kan zijn.

  • 3. Voor interlocutoir worden gehouden vonnissen en bevelschriften waarbij de rechter, alvorens recht te doen, een bewijs, een onderzoek of een instructie beveelt, waarvan de beslissing in de zaak zelf afhankelijk kan zijn.

Artikel 48
  • 1. Indien tijdens een aanhangig rechtsgeding of buiten eigenlijk rechtsgeding een door de rechter in eerste aanleg te verrichten rechtshandeling moet geschieden buiten het rechtsgebied van de rechter in eerste aanleg die van de zaak of van het verzoek kennis neemt, roept hij daartoe de tussenkomst in van zijn ambtgenoot binnen wiens rechtsgebied de handeling moet worden verricht.

  • 2. Degene wiens tussenkomst is ingeroepen, geeft aan die opdracht gevolg en doet de rechter van wie de opdracht uitging, zo spoedig mogelijk een afschrift van het proces-verbaal van het krachtens die opdracht verrichte of bevonden toekomen. Dit afschrift heeft in het geding gelijke kracht als het proces-verbaal van de rechter van wie de opdracht uitging.

Artikel 48a
  • 1. De rechter bepaalt na afloop van de behandeling de dag waarop hij vonnis zal wijzen.

  • 2. Het vonnis wordt in het openbaar uitgesproken.

  • 3. Het vonnis moet, tenzij uit de wet anders voortvloeit, met redenen zijn omkleed.

Artikel 48b

De rechter beslist over alles hetgeen partijen hebben gevorderd.

Artikel 48c

De rechter mag niet weigeren te beslissen.

Artikel 49
  • 1. De vonnissen en beschikkingen die aan het eindvonnis voorafgaan, worden hetzij afzonderlijk opgemaakt, hetzij alleen in het proces-verbaal van de zitting aangetekend.

  • 2. Deze aantekening behelst ten minste de gronden van de beslissing, wat het rechtspunt betreft, en de beslissing zelf.

  • 3. Een vonnis waarbij de rechter zich onbevoegd verklaart, wordt als een eindvonnis beschouwd.

Artikel 50
  • 1. Partijen mogen van de vonnissen en van de in artikel 49 bedoelde aantekeningen in hun zaak inzage en op hun kosten afschriften bekomen.

  • 2. Zij zijn bevoegd alle op hun zaak betrekking hebbende en aan de rechter kenbaar gemaakte boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in te zien of voorwerpen te onderzoeken.

Artikel 51
  • 1. Indien de beslissing in een zaak niet heeft plaatsgehad uiterlijk drie maanden nadat de behandeling ter terechtzitting geëindigd is, en na het horen van het openbaar ministerie, indien dat is geschied, heeft elke partij het recht om te vorderen dat de zaak wordt bepleit of, indien dat reeds is geschied, andermaal wordt bepleit.

  • 2. Indien de rechter de dag heeft bepaald, waarop de uitspraak zal plaatshebben, en partijen met elkaar in overleg zijn getreden over een schikking, is de rechter gehouden, bij hun gezamenlijk verzoek daartoe, de uitspraak gedurende een bepaalde tijd uit te stellen.

Artikel 52

Rechters vullen bij hun beraadslagingen van ambtswege de rechtsgronden aan, die partijen niet hebben aangevoerd.

Artikel 54

Indien er een provisionele eis gedaan is en de zaak zowel ten principale als op de provisie in staat van wijzen is, is de rechter bevoegd om op beide in hetzelfde vonnis uitspraak te doen.

Artikel 55
  • 1. Tenzij uit de wet of uit de aard van de zaak anders voortvloeit, kan de rechter, indien dit wordt gevorderd, verklaren dat zijn vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal zijn, niettegenstaande daartegen aan te wenden rechtsmiddelen. De rechter kan een vonnis waarbij op de voet van artikel 174 wordt beslist omtrent een voorschot ter zake van de kosten van deskundigen, ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

  • 2. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan het gehele vonnis betreffen of een gedeelte daarvan.

  • 3. De rechter kan aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde verbinden dat tot een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld.

Artikel 56

Indien het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en tegen dat vonnis een rechtsmiddel is aangewend, kan alsnog een incidentele vordering tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dat vonnis worden ingesteld.

Artikel 57

Indien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, evenwel zonder dat daaraan de voorwaarde is verbonden dat zekerheid wordt gesteld, en indien tegen dat vonnis een rechtsmiddel is aangewend, kan alsnog een daartoe strekkende incidentele vordering worden ingesteld.

Artikel 60
  • 1. Wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt, wordt in de kosten verwezen. De kosten mogen echter geheel of ten dele gecompenseerd worden tussen echtgenoten of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte linie, broers en zussen of aangehuwden in dezelfde graad, alsmede indien de partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter de kosten die nodeloos worden gemaakt of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die ze aanwendde of veroorzaakte.

  • 2. Bij provisionele, preparatoire en interlocutoire vonnissen is de rechter bevoegd om de beslissing over de kosten tot het eindvonnis voor te behouden.

Artikel 61

De veroordeling in de kosten strekt zich niet verder uit dan tot:

  • a.

    de kosten van exploten, oproepingen van de zaak ter terechtzitting en comparities;

  • b.

    de kosten van bewijsstukken;

  • c.

    de kosten voor gevorderde en gegeven afschriften;

  • d.

    de zegel- en registratierechten;

  • e.

    de kosten van getuigen, deskundigen, bewaarders, tolken, die van hun beëdiging of aflegging van de belofte daaronder begrepen, en die van plaatsopneming en andere gerechtelijke verrichtingen;

  • f.

    de kosten, veroorzaakt door het onderzoek omtrent de echtheid of onechtheid van geschriften;

  • g.

    een door de rechter vast te stellen bedrag voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde van de wederpartij, tenzij de rechter om in het vonnis te vermelden redenen anders beslist;

  • h.

    de kosten van tenuitvoerlegging van het vonnis.

Artikel 62
  • 1. Bij het vonnis wordt het bedrag van de tot aan de uitspraak gemaakte kosten, voor zover zulks mogelijk is, bepaald.

  • 2. Indien partijen zich over de vereffening van de kosten die niet in het vonnis zijn opgenomen, of over die van de kosten van tenuitvoerlegging niet kunnen verstaan, is de meest gerede partij bevoegd om de rechter in eerste aanleg te verzoeken het bedrag vast te stellen.

  • 3. De rechter in eerste aanleg gelast daarop dat de partij ten behoeve van wie de veroordeling in de kosten werd uitgesproken, binnen acht dagen ter griffie van het gerecht in eerste aanleg een opgave van de haar verschuldigde kosten ter inzage van de wederpartij zal overleggen, en bepaalt tevens de dag waartegen partijen zullen worden opgeroepen.

  • 4. Op de aldus bepaalde dag stelt de rechter, na verhoor van partijen, voor zover zij zijn opgekomen, het bedrag van de kosten vast en doet hij daarvan, behalve in het proces-verbaal van de zaak, ook op het vonnis aantekening houden.

  • 5. De vaststelling geschiedt volgens de bestaande tarieven en, bij gebreke daarvan, volgens begroting van de rechter.

Artikel 63

Indien na de in artikel 62 bedoelde vaststelling van de staat van de kosten nog nadere kosten gemaakt zijn en partijen het over de vereffening niet eens kunnen worden, is de meest gerede partij bevoegd om de rechter in eerste aanleg te verzoeken het bedrag van de kosten, op de in de artikelen 61 en 62 bedoelde wijze, nader vast te stellen.

Artikel 63a

Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 60 tot en met 63 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de tegenpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels inzake proceskosten van toepassing.

Artikel 63b
  • 1. De rechter kan bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten of van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 96, tweede lid, onderdelen b en c, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, ambtshalve matigen, doch niet tot onder het bedrag van de krachtens de wet te begroten proceskosten, onderscheidenlijk het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgevers gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien een overeenkomst is gesloten die strekt tot regeling van een reeds gerezen geschil.

Artikel 64

Advocaten, zaakwaarnemers en deurwaarders, die zich in hun bedieningen te buiten gaan, en al degenen die de belangen van het beheer dat hun is toevertrouwd, verwaarlozen, kunnen persoonlijk en uit hun eigen beurs geheel of gedeeltelijk in de kosten verwezen en zelfs tot schadevergoeding, zo daartoe gronden zijn, veroordeeld worden, zonder die op hun principalen te mogen verhalen.

Artikel 65
  • 1. Het vonnis, zodanig als dat door de rechter wordt uitgesproken, moet behelzen:

    • a.

      de namen en de woonplaats van de partijen en de namen van de gemachtigden of raadslieden, indien partijen die gehad hebben;

    • b.

      de slotsom van de conclusie van het openbaar ministerie, indien dit gehoord is; en

    • c.

      de gronden van de beslissing, zowel wat betreft de daadzaken als het rechtspunt, ieder afzonderlijk, en de beslissing zelf.

  • 2. Aan het slot van het vonnis worden vermeld de namen van de rechter of rechters die over de zaak hebben geoordeeld, en die van de ambtenaar van het openbaar ministerie, indien deze daarbij tegenwoordig is geweest.

Artikel 66
  • 1. De rechter verbetert te allen tijde op verzoek van een partij of ambtshalve in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. De rechter gaat niet tot de verbetering over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.

  • 2. De verbetering wordt op een door de rechter te bepalen dag in het openbaar uitgesproken en wordt met vermelding van deze dag en van de naleving van de tweede volzin van het eerste lid op de minuut van het vonnis gesteld.

  • 3. Van de verbeterde minuut verstrekt de griffier op de dag van de uitspraak aan de in de oorspronkelijke procedure verschenen partijen een afschrift, zo nodig opgemaakt in executoriale vorm. Een eerder verstrekt afschrift opgemaakt in executoriale vorm verliest hierdoor haar kracht. De partij die in het bezit is van een afschrift als bedoeld in de vorige volzin, geeft dit af aan de griffier. Was de executie reeds aangevangen, dan kan deze met inachtneming van de verbetering worden voortgezet op grond van een na de verbetering afgegeven afschrift opgemaakt in executoriale vorm.

  • 4. Tegen de verbetering of de weigering daarvan staat geen voorziening open.

Artikel 66a
  • 1. De rechter vult te allen tijde op verzoek van een partij zijn vonnis aan indien hij heeft verzuimd te beslissen over een onderdeel van het gevorderde. De rechter gaat niet tot de aanvulling over dan na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten.

  • 2. Artikel 66, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Tegen de weigering van de aanvulling staat geen voorziening open.

Artikel 67

De expeditie of uitgifte van het vonnis wordt zonder medewerking van partijen opgemaakt, en behelst, behalve hetgeen bij artikel 65 is vermeld:

  • a.

    de eis, het antwoord en de slotsom van de wederzijdse beweringen en, voor zover niet schriftelijk ingediend, de door de griffier daarvan gehouden aantekeningen;

  • b.

    de vermelding dat het vonnis in het openbaar is uitgesproken;

  • c.

    de dag van de uitspraak.

Artikel 68

Een griffier is verplicht om op aanvraag van de partijen aan hen, zodra mogelijk, expeditie van het vonnis uit te reiken, op straffe van schadevergoeding, indien daartoe gronden zijn.

Artikel 69

Elk vonnis dat wederkerige verplichtingen aan beide partijen oplegt, of waaruit rechten en verplichtingen ten behoeve of ten laste van beide partijen voortvloeien, kan door elke partij in haar belang ten uitvoer worden gelegd.

Artikel 70

Preparatoire en interlocutoire vonnissen en bevelschriften behoeven niet betekend te worden, tenzij dit ingevolge Boek 2 tot verhaal van geldelijke verplichtingen die de wederpartij krachtens die vonnissen te vervullen heeft, nodig is.

Artikel 70a
  • 1. Beslissingen aangaande de rechtsbetrekking in geschil, vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, hebben in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht.

  • 2. Onder partijen wordt in het eerste lid mede verstaan de rechtverkrijgenden onder algemene of bijzondere titel, tenzij uit de wet het tegendeel volgt.

  • 3. Het gezag van gewijsde wordt niet ambtshalve toegepast.

AFDELING 5 Vrijwaring

Artikel 71
  • 1. Indien de eiser op de dienende dag na het antwoord van de gedaagde meent gronden te hebben om van iemand vrijwaring te vorderen, is hij bevoegd om aan de rechter, onder aanvoering van die gronden, te verzoeken de oproeping van die persoon te bevelen.

  • 2. Het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de gedaagde, die zijn verzoek mag doen vóór schriftuur van antwoord of vóór zijn mondeling antwoord.

  • 3. Bij toewijzing van het verzoek bepaalt de rechter met inachtneming van de daarvoor aangegeven termijn een nadere rechtsdag waarop het rechtsgeding zal worden voortgezet, en gelast hij de oproeping van de waarborg, met gelijktijdige uitreiking van een afschrift van het antwoord of van een uittreksel uit het proces-verbaal van de terechtzitting, voor zover het de gronden, voor de vrijwaring aangevoerd, vermeldt en doet hij hem aanzeggen zich van zijn getuigen te doen vergezellen en zijn bewijsstukken mee te brengen.

  • 4. Dit uitstel is onnodig, indien de waarborg ter terechtzitting aanwezig en tot dadelijk antwoord bereid is.

Artikel 72

Indien het verzoek tot vrijwaring op de bovengemelde rechtsdag niet gedaan is, wordt zonder uitstel in de oorspronkelijke zaak voortgeprocedeerd.

Artikel 73

In geval van vrijwaring wegens uitwinning van een goed of wegens een recht waarmee het goed niet belast had mogen zijn, is de waarborg bevoegd de zaak van de gewaarborgde over te nemen, met dien verstande dat deze als partij in het geding blijft.

Artikel 74
  • 1. In het geval van artikel 73 kan het tegen de waarborg gewezen vonnis tegen de gewaarborgde ten uitvoer worden gelegd.

  • 2. Wat de kosten en de vordering tot schadevergoeding betreft, kan de vereffening en de tenuitvoerlegging niet dan tegen de waarborg geschieden.

  • 3. In geval van kennelijk onvermogen van de waarborg, draagt echter de gewaarborgde de kosten en vergoedt hij, zo daartoe gronden zijn, ook de schade.

Artikel 75

In zaken van eenvoudige vrijwaring is de waarborg slechts bevoegd zich te voegen zonder de zaak van de gewaarborgde over te nemen.

Artikel 76

Indien de oorspronkelijke eis en die ter vrijwaring tegelijk in staat van wijzen zijn, wordt daarop gezamenlijk recht gedaan; is dit niet het geval, dan wordt de hoofdzaak, indien de oorspronkelijke eiser of gedaagde dit vordert, afzonderlijk beslist.

Artikel 77

Wie ter zake van vrijwaring opgeroepen is, behoort voor de rechter voor wie de oorspronkelijke zaak aanhangig is, te procederen, zelfs indien hij ontkent waarborg te zijn; doch indien duidelijk blijkt dat de oorspronkelijke eis alleen gedaan is om hem van zijn eigen rechter af te trekken, wordt hij naar deze verwezen.

AFDELING 6 Vonnissen bij verstek en verzet

Artikel 78
  • 1. Indien de eiser op de betekende rechtsdag niet verschijnt, wordt er verstek tegen hem verleend en wordt de gedaagde van de instantie ontslagen, met verwijzing van de eiser in de kosten.

  • 2. In dit geval mag verzet niet plaatshebben, maar is de eiser bevoegd om opnieuw oproeping van de gedaagde te verzoeken, na voorafgaande betaling van de kosten van het verstek.

Artikel 79
  • 1. Indien de gedaagde niet verschijnt en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen zijn, wordt er tegen hem verstek verleend en wordt de vordering van de eiser toegewezen, tenzij zij de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

  • 2. Tegen de gedaagde die vóór of op de rechtsdag bij schriftuur heeft geantwoord, maar noch in persoon, noch bij gemachtigde ter terechtzitting verschijnt, wordt verstek niet verleend.

Artikel 80

Het verstek wordt na het uitroepen van de zaak op de terechtzitting verleend; de in artikel 79 bedoelde uitspraak omtrent de vordering van de eiser kan worden aangehouden tot een volgende terechtzitting.

Artikel 81

Indien er in hetzelfde geding meer dan een gedaagde is opgeroepen en niet een van hen verschenen is, wordt in één en hetzelfde vonnis tegen hen verstek verleend.

Artikel 82
  • 1. Indien van meerdere gedaagden een of meer niet verschijnen, bepaalt de rechter, na verstekverlening, een nieuwe rechtsdag waartegen de niet verschenen gedaagden nogmaals worden opgeroepen.

  • 2. Tussen al de partijen wordt daarna uitspraak gedaan bij hetzelfde vonnis, dat tegenover alle gedaagden als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd, en waartegen verzet niet wordt toegelaten.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing in geval van oproeping van derden als partij in het geding als bedoeld in artikel 12a.

Artikel 84
  • 1. De gedaagde die bij verstek is veroordeeld, is bevoegd om daartegen verzet te doen. Het verzet wordt gedaan binnen twee weken na de aanzegging van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is.

  • 2. Buiten de in het eerste lid voorziene gevallen vangt de termijn waarbinnen het verzet moet worden gedaan, aan op de dag waarop het vonnis ten uitvoer is gelegd.

  • 3. De veroordeelde die in het vonnis heeft berust, kan daartegen niet meer in verzet komen.

Artikel 85

Het vonnis wordt gerekend ten uitvoer gelegd te zijn:

  • a.

    in geval van gerechtelijke verkoop van goederen, na de verkoop;

  • b.

    in geval van derdenbeslag op een vordering, na de uitbetaling aan de beslaglegger, of, indien dit beslag wordt gelegd op een vordering tot periodieke betalingen, na de eerste uitbetaling;

  • c.

    in geval van tenuitvoerlegging van een veroordeling tot levering of afgifte van goederen die geen registergoederen zijn, nadat de levering of afgifte heeft plaatsgevonden;

  • d.

    in geval van gedwongen ontruiming van onroerende zaken, nadat de ontruiming heeft plaatsgevonden.

Artikel 86

Het verzet tegen een verstekvonnis wordt aanhangig gemaakt op de voor de indiening van vorderingen bepaalde wijze. De gronden van verzet kunnen op de dienende dag nog mondeling worden aangevuld.

Artikel 87

Het verzet, mits tijdig en op de voorgeschreven wijze gedaan, schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, tenzij dit uitvoerbaar bij voorraad was verklaard.

Artikel 88

De opposant die zich voor de tweede maal bij verstek laat vonnissen, wordt niet meer ontvangen tot het doen van een nieuw verzet.

Artikel 89

De kosten van het verstek, die van het vonnis daaronder begrepen, alsmede die welke als gevolg van het niet-verschijnen van de defaillant kunnen worden beschouwd, komen ten laste van de defaillant, tenzij deze bij verzet aantoont dat de oproeping om in rechte te verschijnen, niet op de juiste wijze is geschied en hij daarom niet verschenen is.

Artikel 90

De gedaagde tegen wie verstek is verleend, heeft, zolang het eindvonnis nog niet is gewezen, de bevoegdheid om alsnog in het geding te verschijnen, waardoor de gevolgen van het tegen hem verleende verstek vervallen, behalve ten aanzien van de daardoor veroorzaakte kosten.

AFDELING 7 Nietigheid

Artikel 91

Een exploot of akte van rechtspleging wordt slechts nietig verklaard, indien de nietigheid daarvan uitdrukkelijk bevolen is.

Artikel 92
  • 1. De voorschriften in de artikelen 1, 2, 4, 5, 6, 7, 10, 11, 12, 13, 15 en 17 voorgeschreven, worden op straffe van nietigheid in acht genomen.

  • 2. Bij niet-verschijning van de gedaagde mag de rechter tegen hem geen verstek verlenen; de rechter moet, de nietigheid uitsprekende, de eiser veroordelen in de kosten.

Artikel 93
  • 1. Indien de gedaagde op de oproeping verschijnt en de nietigheid van het exploot inroept, is de rechter bevoegd om die exceptie te verwerpen, indien het verzuim of de overtreding van dien aard wordt bevonden, dat de gedaagde daardoor in zijn verdediging niet is benadeeld, en er om die reden geen belang bij heeft zich op de nietigheid te beroepen.

  • 2. De rechter beveelt echter in die gevallen, zo daartoe gronden zijn, de aanvulling van het verzuim of de verbetering van de onregelmatigheden op kosten van de aanlegger.

Artikel 94

De kosten van nietige akten van rechtspleging komen ten laste van de advocaten, zaakwaarnemers of de deurwaarders die zich zodanige akten veroorloofd hebben. Deze zijn bovendien, zo daartoe gronden zijn, deswege tot vergoeding van de schade aansprakelijk.

TITEL 2 De wijze van procederen voor de rechter in eerste aanleg

AFDELING 1 Voorafgaande bepalingen

§ 1. Relatieve bevoegdheid
Artikel 95
  • 1. Tenzij de wet anders bepaalt, is bevoegd de rechter in eerste aanleg van de woonplaats van de gedaagde.

  • 2. Bij gebreke van een bekende woonplaats van de gedaagde hier te lande is bevoegd de rechter in eerste aanleg van zijn werkelijk verblijf.

  • 3. Indien de gedaagde woonplaats heeft gekozen, is bevoegd de rechter in eerste aanleg van die gekozen woonplaats of de rechter in eerste aanleg van het werkelijk verblijf van de gedaagde, ter keuze van de eiser.

Artikel 96

Indien de rechtspersoon de Nederlandse Antillen, onderscheidenlijk Aruba, eiser of gedaagde is, wordt als haar woonplaats beschouwd de plaats waar de regering haar zetel heeft.

Artikel 97

In zaken betreffende een overeenkomst die wordt gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg van de woonplaats of, bij gebreke daarvan, van het werkelijk verblijf van die natuurlijke persoon.

Artikel 98

In zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.

Artikel 99

In zaken betreffende onroerende zaken is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de zaak is gelegen. In zaken betreffende huur van woonruimte is echter uitsluitend bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde is gelegen.

Artikel 100
  • 1. In zaken betreffende nalatenschappen is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg van de laatste woonplaats van de overledene.

  • 2. In zaken betreffende schuldvorderingen ten laste van de overledene is de in het eerste lid aangewezen rechter eveneens bevoegd

Artikel 101

In zaken betreffende de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen, de geldigheid, nietigheid of rechtsgevolgen van hun besluiten of die van hun organen dan wel de rechten en verplichtingen van hun leden of vennoten als zodanig, is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg van de woonplaats of de plaats van vestiging van de vennootschap of de rechtspersoon.

Artikel 102

In zaken betreffende de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake faillissement is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg die de functie van rechter-commissaris vervult en inzake surséance van betaling de rechter in eerste aanleg die over het verzoek tot het verlenen van surséance heeft geoordeeld.

Artikel 103

Indien een rechter in eerste aanleg ten aanzien van een van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is, is die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.

Artikel 103a
  • 1. Hebben partijen bij overeenkomst een rechter in eerste aanleg aangewezen voor de kennisneming van geschillen die zijn ontstaan of zullen ontstaan naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, dan is die rechter bevoegd van de zaak kennis te nemen. Iedere andere rechter in eerste aanleg voor wie de zaak is gebracht, verklaart zich onbevoegd, mits de gedaagde zich op de onbevoegdheid beroept.

  • 2. Beloopt de vordering evenwel minder dan NAF. 10 000, onderscheidenlijk Afl. 10 000, of betreft het een zaak als bedoeld in artikel 97, dan heeft een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid geen gevolg, tenzij:

    • a.

      zij is aangegaan na het ontstaan van het geschil, of

    • b.

      de partij die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf zich tot de aangewezen rechter wendt.

  • 3. Een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter in eerste aanleg wordt bewezen door een geschrift. Daarvoor is voldoende een geschrift dat een dergelijk beding bevat of dat verwijst naar algemene voorwaarden die een dergelijk beding bevatten, mits dat geschrift door of namens de wederpartij uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard.

  • 4. Een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter in eerste aanleg dient als een afzonderlijke overeenkomst te worden beschouwd en beoordeeld. De aangewezen rechter is bevoegd te oordelen over de rechtsgeldigheid van de hoofdovereenkomst waarvan een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter deel uitmaakt of waarop zij betrekking heeft.

  • 5. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan het bedrag, genoemd in het tweede lid, worden aangepast aan de geldontwaarding.

Artikel 103b

Wijzen de artikelen 95 tot en met 103a geen bevoegde rechter in eerste aanleg in de Nederlandse Antillen aan, dan is bevoegd de rechter in eerste aanleg van de woonplaats van de eiser of een van de eisers en, bij gebreke daarvan, de rechter in eerste aanleg te Curaçao.

§ 2. Overige voorafgaande bepalingen
Artikel 104

Indien de gedaagde, nadat hem de oproeping is betekend, ophoudt woonplaats of werkelijke verblijfplaats te hebben daar waar de rechter in eerste aanleg zitting houdt, zonder aldaar voor de verdere behandeling van de zaak woonplaats te hebben gekozen, worden alle verdere voor hem bestemde exploten aangeplakt aan de hoofddeur van de gehoorzaal des rechters en wordt een tweede afschrift betekend, in de Nederlandse Antillen, aan de ambtenaar van het openbaar ministerie bij dat gerecht en, in Aruba, aan de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken; deze doet dit afschrift zo mogelijk aan de gedaagde toekomen, zonder dat van dit laatste echter in rechte behoeft te blijken.

Artikel 105

Indien op de dag van het eindvonnis een der partijen in het in artikel 104 omschreven geval verkeert, wordt de in artikel 119 bedoelde aangetekende dienstbrief met de daarin bedoelde mededeling verzonden aan de bedoelde ambtenaar van het openbaar ministerie, onderscheidenlijk de directeur van de Directie Wetgeving en Juridische Zaken die deze, zo mogelijk, aan de betrokken partij doet toekomen, zonder dat van dit laatste echter in rechte behoeft te blijken, en wordt voorts een afschrift van die dienstbrief door of vanwege de griffier aangeplakt aan de hoofddeur van de gehoorzaal des rechters.

Artikel 108

Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, kan de eiser te allen tijde zijn eis verminderen.

Artikel 109
  • 1. Zolang de rechter geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of bij akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter beslist, partijen gehoord, zo spoedig mogelijk. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering buiten beschouwing laten.

  • 2. Tegen de beslissingen van de rechter, bedoeld in het eerste lid, staat geen hogere voorziening open.

  • 3. Indien een of meer gedaagden niet in het geding zijn opgekomen, zal de rechter, na het doen betekenen van de conclusie of akte aan de niet verschenen partijen met hun oproeping tegen een nadere rechtsdag, op een gemaakt bezwaar beslissen.

  • 4. Artikel 120, eerste volzin, is niet van toepassing, voor zover de gedaagde door die bepaling, in verband met een verandering of vermeerdering, in zijn verdediging zou worden benadeeld.

AFDELING 2 De rechtsingang, de verweren en het voldingen van de zaak

Artikel 110
  • 1. Elke rechtsingang voor de rechter in eerste aanleg vangt aan met een aan deze gericht verzoekschrift, door de eiser of diens daartoe gemachtigde ondertekend.

  • 2. Indien de eiser niet kan schrijven, mag hij zijn vordering mondeling voordragen aan de rechter in eerste aanleg, die haar in geschrifte brengt of doet brengen. Deze bevoegdheid tot mondelinge voordracht geldt niet voor de gemachtigde.

Artikel 111
  • 1. Het verzoekschrift of het ingevolge artikel 110, tweede lid, opgemaakte geschrift vermeldt:

    • a.

      de naam, en in geval van een natuurlijk persoon tevens de voornamen, en de woonplaats van de eiser en, indien het verzoek door een gemachtigde wordt gedaan, de naam en de woonplaats van die gemachtigde;

    • b.

      de keuze van woonplaats daar waar de rechter zitting houdt, indien de eiser of zijn gemachtigde niet aldaar woonachtig is;

    • c.

      de naam, en in geval van een natuurlijk persoon zo nodig de voornamen, en de woon- of verblijfplaats van de gedaagde;

    • d.

      een aanduiding en omschrijving van het onderwerp van de vordering en datgene wat gevorderd wordt; en

    • e.

      de dagtekening van het verzoekschrift.

  • 2. Behoudens artikel 22, tweede lid, wordt daarbij, indien het verzoekschrift door een gemachtigde is ondertekend, de akte van volmacht overgelegd.

Artikel 112
  • 1. Verzoekschriften die niet aan de in artikel 111 gestelde voorschriften voldoen, of waarbij de volmacht niet is overgelegd, kunnen aan de eiser in persoon of aan diens gemachtigde, met mondelinge of schriftelijke opgave van redenen, ter verbetering of aanvulling dan wel ter bijvoeging van de volmacht worden teruggegeven of gezonden; zij worden in afwachting daarvan niet aangetekend in het algemeen register.

  • 2. De mondelinge voordracht wordt eerst in geschrift gebracht, nadat de eiser de gegevens heeft verstrekt om aan de in artikel 111 gestelde voorschriften te voldoen.

  • 3. Terugzending bij met redenen omklede beschikking heeft plaats en de in het eerste lid bedoelde aantekening wordt achterwege gelaten, indien het verzoekschrift bij een andere rechter in eerste aanleg had moeten worden ingediend. Indien in dit geval de vordering mondeling is ingediend, is de rechter in eerste aanleg bevoegd om het in geschrift brengen daarvan bij met redenen omklede beschikking te weigeren.

  • 4. Van de in het derde lid bedoelde beschikkingen is hoger beroep toegelaten.

  • 5. De krachtens het derde lid genomen beschikkingen en de daarop gevallen beslissingen in hoger beroep worden aangetekend in het algemeen register.

Artikel 113
  • 1. Van de vordering houdt de griffier onverwijld aantekening in het algemeen register. Op de dag waarop die aantekening heeft plaatsgehad, wordt de vordering geacht ingesteld te zijn.

  • 2. De rechter in eerste aanleg bepaalt daarna dag en uur, waarop de zaak voor het gerecht in eerste aanleg zal dienen, en doet partijen oproepen teneinde alsdan te verschijnen, vergezeld van de getuigen die zij wensen te doen horen, en met medebrenging van de bewijsstukken waarvan zij zich willen bedienen.

  • 3. Bij de oproeping van de gedaagde zegt de deurwaarder of de tot exploiteren bevoegde persoon hem bij de uitreiking van een door de deurwaarder voor eensluidend getekend afschrift van de vordering tevens aan dat hij daarop, desverkiezende, vóór of op de rechtsdag bij door hem of door zijn gemachtigde ondertekende schriftuur mag antwoorden.

  • 4. Het afschrift van de vordering geldt voor degene die het ontvangen heeft, als de oorspronkelijke vordering.

  • 5. Van de in het tweede lid bedoelde beschikking houdt de griffier aantekening in het algemeen register, alsmede op de minuut van de vordering.

Artikel 114

In zaken waarin een onmiddellijke beslissing wenselijk en mogelijk is, is de rechter in eerste aanleg bevoegd om op het daartoe strekkende mondelinge verzoek van de eiser, en indien de gedaagde vrijwillig met deze is verschenen, onmiddellijk tot de behandeling en beslissing van de zaak over te gaan.

Artikel 115
  • 1. Alle oproepingen, aanzeggingen, betekeningen en in het algemeen alle exploten die voor de geregelde gang van de zaak nodig zijn en aan het eindvonnis voorafgaan, geschieden door tussenkomst en op last van de rechter in eerste aanleg.

  • 2. Oproepingen, aanzeggingen of betekeningen behoeven niet te geschieden aan hen die blijkens het proces-verbaal van de zaak ter terechtzitting waarop de desbetreffende aan het eindvonnis voorafgegane uitspraken of beschikkingen genomen zijn, in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig waren.

Artikel 116

De rechter in eerste aanleg draagt zorg voor de inschrijving van de zaak op de rol van de zitting.

Artikel 117

De behandeling van de zaak geschiedt mondeling ter terechtzitting, onverminderd de bevoegdheid van de partijen om aldaar door haar of haar gemachtigden dan wel raadslieden ondertekende schrifturen, die vrij van zegel zijn, in te dienen.

Artikel 118

De rechter in eerste aanleg is bevoegd om, indien hij dit voor de goede en geregelde gang van zaken nodig acht, partijen bij de behandeling van de zaak de nodige voorlichting te geven, hen te ondervragen en zelfs opmerkzaam te maken op de rechts- en bewijsmiddelen, die zij kunnen aanwenden.

Artikel 119
  • 1. Wanneer beide partijen verschenen zijn, hoort de rechter haar over en weer en doet hij, zoveel mogelijk, dadelijk uitspraak.

  • 2. Indien partijen op de dienende dag enig uitstel verzoeken, staat de rechter dit verzoek, mits het hem gegrond voorkomt, toe en bepaalt de rechtsdag waarop partijen nader moeten verschijnen.

  • 3. Aan de partij, die niet persoonlijk of bij gemachtigde bij de uitspraak of de mededeling van de beschikking ter terechtzitting tegenwoordig is, doet de rechter in eerste aanleg de inhoud van het vonnis of van de beschikking, voor zover zij aan het eindvonnis voorafgaan, aanzeggen bij exploot of op andere wijze, door hem te bepalen; hij doet hun de inhoud van eindvonnis bij aangetekende dienstbrief door de griffier mededelen.

  • 4. De dagtekening van deze aangetekende dienstbrief wordt geacht de dag te zijn, waarop de mededeling heeft plaatsgehad.

  • 5. Van de aanzeggingen of mededelingen en van de dag, waarop zij hebben plaatsgehad, houdt de griffier aantekening aan de voet van het vonnis of, voor zoveel het aan het eindvonnis voorafgaande vonnissen of beschikkingen betreft, aan de rand van de van het vonnis of de beschikking ter terechtzitting gedane aantekening.

Artikel 120

Alle excepties moeten tegelijk met het verweer op de hoofdzaak worden voorgesteld op straffe van verval van de niet voorgedragen excepties en, indien niet op de hoofdzaak geantwoord is, van het recht om zulks te doen. In afwijking van de eerste volzin kunnen zij die beroep willen doen op de termijn van artikel 104 van Boek 1 of van artikel 185 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek, hun verweer tot dit beroep beperken.

Artikel 121

Indien de beslissing niet dadelijk kan plaatshebben, stelt de rechter in eerste aanleg die tot op een door hem bepaalde rechtsdag uit.

Artikel 121a
  • 1. Indien de rechter in eerste aanleg inlichtingen wil inwinnen overeenkomstig artikel 3 van de op 7 juni 1968 te Londen gesloten Europese Overeenkomst nopens het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht (Trb. 1968, 142), doet hij aan partijen schriftelijk opgave van de te stellen vragen en te verzenden stukken.

  • 2. Partijen kunnen binnen een door de rechter te bepalen termijn schriftelijk hun mening omtrent de te stellen vragen en de te verzenden stukken geven.

  • 3. Met inachtneming van artikel 4 van de Overeenkomst stelt de rechter de inhoud van het verzoek om inlichtingen in een tussenvonnis vast.

  • 4. Indien aan de rechter op grond van artikel 13 van de Overeenkomst aanvullende inlichtingen worden gevraagd, stelt hij de partijen in de gelegenheid binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk op dit verzoek te reageren.

Artikel 121b
  • 1. De griffier zendt een afschrift van het antwoord op het verzoek om inlichtingen aan partijen. Alsdan bepaalt de rechter de dag waarop de procedure wordt voortgezet.

  • 2. Partijen kunnen binnen een door de rechter te bepalen termijn hun beschouwingen over het antwoord geven.

AFDELING 3 Voorlopige verzoeken en de exceptie van onbevoegdheid

Artikel 122
  • 1. Indien de eiser hier te lande geen woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, of indien zodanige persoon zich in een aangelegde rechtszaak voegt of tussenkomt, stelt hij op vordering van de wederpartij en alvorens deze in rechte enig verweer of tegenzeggen behoeft te doen, zekerheid voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij veroordeeld zou kunnen worden.

  • 2. Geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat:

    • a.

      indien dit voortvloeit uit een verdrag;

    • b.

      indien een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding op grond van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden of een verdrag ten uitvoer zal kunnen worden gelegd ter plaatse waar degene van wie zekerheid gevorderd wordt, zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft;

    • c.

      indien redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal voor een veroordeling tot betaling van proceskosten en schadevergoeding hier te lande mogelijk zal zijn;

    • d.

      indien daardoor voor degene van wie zekerheid wordt gevorderd de effectieve toegang tot de rechter zou worden belemmerd.

  • 3. De partij die het stellen van zekerheid vordert, wordt niet geacht daardoor de bevoegdheid van de rechter om van zijn zaak kennis te nemen, te hebben erkend.

Artikel 123

Het vonnis waarbij het stellen van zekerheid bevolen wordt, drukt de som uit tot beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt.

Artikel 124

Degene die geroepen is voor een rechter die onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen, mag vorderen dat de rechter zich onbevoegd verklaart.

Artikel 125

Indien de rechter onbevoegd is uit hoofde van het onderwerp van het geschil, is hij, ook al is de exceptie van onbevoegdheid niet voorgesteld, ambtshalve gehouden zich onbevoegd te verklaren.

Artikel 126
  • 1. In zaken die reeds tevoren voor een andere rechter zijn aanhangig gemaakt tussen dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp, of die reeds door dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp ter beslissing aan scheidsmannen zijn opgedragen en voor hen aanhangig zijn, of indien het geschil aan een zaak verknocht is, mag verwijzing gevraagd worden naar die andere rechter of naar de benoemde scheidsmannen.

  • 2. De verwijzing wordt met redenen omkleed gevraagd vóór alle verweren, op de dag voor het voordragen van het verweer bepaald.

  • 3. Die verwijzing kan ook door de eiser gevorderd worden, maar alleen bij het doen van de eis.

Artikel 127

Indien voor dezelfde rechter tussen dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp tegelijk zaken aanhangig zijn of voor dezelfde rechter verknochte zaken aanhangig zijn, mag daarvan op overeenkomstige wijze voeging worden gevraagd en bevolen.

Artikel 127a
  • 1. De exceptie dat een zaak aanhangig gemaakt of een verzoek ingediend moet worden bij een andere rechter in eerste aanleg, wordt met redenen omkleed voorgesteld vóór alle verweren, op de dag voor het voordragen van het verweer bepaald.

  • 2. Indien de exceptie gegrond wordt bevonden, verwijst de rechter de zaak ter verdere behandeling en afdoening naar de in het eerste lid bedoelde rechter.

  • 3. De rechter naar wie de zaak wordt verwezen, is aan die verwijzing gebonden.

  • 4. Tegen het in dit incident gewezen vonnis staat geen hogere voorziening open.

Artikel 127b

Indien een zaak naar een andere rechter wordt verwezen, doet de griffier de stukken toekomen aan die rechter, die na ontvangst daarvan dag en uur bepaalt, waarop de zaak weer zal dienen, en voorts partijen doet oproepen teneinde alsdan voort te procederen.

AFDELING 4 Algemene bepalingen van bewijsrecht

Artikel 128
  • 1. Tenzij uit de wet anders voortvloeit, legt de rechter slechts die feiten of rechten aan zijn beslissing ten grondslag, die in het geding te zijner kennis zijn gekomen of zijn gesteld, en die overeenkomstig de voorschriften van deze en de volgende afdelingen zijn komen vast te staan. Feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende betwist, beschouwt de rechter als vaststaand, behoudens zijn bevoegdheid bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat.

  • 2. Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid, alsmede algemene ervaringsregels mogen door de rechter aan zijn beslissing ten grondslag worden gelegd, ongeacht of zij zijn gesteld, en behoeven geen bewijs.

Artikel 129

De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere rechtsregel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

Artikel 130
  • 1. Dwingend bewijs houdt in dat de rechter hetzij de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aanneemt hetzij de bewijskracht erkent die de wet aan bepaalde gegevens verbindt.

  • 2. Tegenbewijs, ook tegen dwingend bewijs, staat vrij, tenzij de wet het uitsluit.

Artikel 131
  • 1. Bewijs kan geleverd worden door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt.

  • 2. De waardering van het bewijs is, voor zover de wet niet anders bepaalt, aan het oordeel van de rechter overgelaten.

Artikel 132

Overeenkomsten waarbij van het wettelijk bewijsrecht wordt afgeweken, blijven buiten toepassing, indien zij betrekking hebben op het bewijs van feiten waaraan het recht gevolgen verbindt die niet ter vrije bepaling van partijen staan, onverminderd de gronden waarop zij krachtens het Burgerlijk Wetboek buiten toepassing blijven.

Artikel 133
  • 1. Een gerechtelijke erkentenis is het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij.

  • 2. Een gerechtelijke erkentenis kan slechts worden herroepen, indien aannemelijk is dat zij door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd.

AFDELING 5 Akten en vonnissen

Artikel 135
  • 1. Akten zijn ondertekende geschriften, bestemd om tot bewijs te dienen.

  • 2. Authentieke akten zijn akten, in de vereiste vorm en bevoegdelijk opgemaakt door ambtenaren aan wie bij of krachtens de wet is opgedragen op die wijze te doen blijken van door hen gedane waarnemingen of verrichtingen. Als authentieke akten worden tevens beschouwd de akten waarvan het opmaken aan ambtenaren is voorbehouden, doch waarvan de wet het opmaken in bepaalde gevallen aan anderen dan ambtenaren opdraagt.

  • 3. Onderhandse akten zijn alle akten die niet authentieke akten zijn.

Artikel 135a
  • 1. Onderhandse akten kunnen op een andere wijze dan bij geschrift worden opgemaakt op zodanige wijze dat het degene ten behoeve van wie de akte bewijs oplevert, in staat stelt om de inhoud van de akte op te slaan op een wijze die deze inhoud toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de akte bestemd is te dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de inhoud van de akte mogelijk maakt.

  • 2. Onderhandse akten kunnen op een andere wijze dan bij geschrift worden opgemaakt op zodanige wijze dat het degene ten behoeve van wie de akte bewijs oplevert, in staat stelt om de inhoud van de akte op te slaan op een wijze die deze inhoud toegankelijk maakt voor toekomstig gebruik gedurende een periode die is afgestemd op het doel waarvoor de akte bestemd is te dienen, en die een ongewijzigde reproductie van de inhoud van de akte mogelijk maakt.

Artikel 136
  • 1. Authentieke akten leveren tegen een ieder dwingend bewijs op van hetgeen de ambtenaar binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard.

  • 2. Een authentieke of onderhandse akte levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Onder partij wordt verstaan: de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel, voor zover het desbetreffende recht verkregen is na het opmaken van de akte.

Artikel 137
  • 1. Op een onderhandse akte waarin verbintenissen van slechts één partij zijn aangegaan of vastgelegd, is, voor zover die verbintenissen strekken tot voldoening van een geldsom, artikel 136, tweede lid, niet van toepassing, tenzij deze partij de akte geheel met de hand heeft geschreven of heeft voorzien van een goedkeuring die de geldsom voluit in letters vermeldt.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op aandelen in een obligatielening en op verbintenissen, door de schuldenaar in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf aangegaan.

Artikel 138
  • 1. Een geschrift dat het uiterlijk heeft van een authentieke akte, geldt als zodanig, behoudens bewijs van het tegendeel.

  • 2. Een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij waartegen zij dwingend bewijs zou opleveren, stellig wordt ontkend, levert geen bewijs op, zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Is degene tegen wie de akte wordt ingeroepen, een ander dan degene die haar ondertekend zou hebben, dan kan worden volstaan met de verklaring dat men de echtheid van de ondertekening niet erkent.

Artikel 139
  • 1. De kracht van het schriftelijk bewijs is in de oorspronkelijke akte gelegen.

  • 2. Grossen en gehele afschriften van een authentieke akte die volgens wettelijk voorschrift bewaard moet worden, leveren, indien zij zijn afgegeven door een daartoe bevoegde ambtenaar, hetzelfde bewijs op als de oorspronkelijke akte.

Artikel 140

Een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de strafrechter hier te lande bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert dwingend bewijs op van dat feit.

AFDELING 5A Overlegging van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen en het verschaffen van inlichtingen

Artikel 141
  • 1. De rechter kan in de loop van een geding, op verzoek of ambtshalve, aan partijen of aan een van hen de overlegging bevelen van onder hen berustende boeken, bescheidenen, andere gegevensdragers of voorwerpen.

  • 2. Partijen kunnen dit weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

  • 3. De rechter beslist of die weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.

Artikel 142
  • 1. De rechter kan op verzoek van een der partijen aan anderen dan partijen, na deze te hebben gehoord of daartoe de gelegenheid te hebben gegeven, bevelen binnen een door de rechter te stellen termijn schriftelijk inlichtingen te verschaffen en onder hen berustende boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen over te leggen. Degene tot wie de rechter het bevel richt, is verplicht tot het verschaffen van de gevraagde inlichtingen en het overleggen van de gevraagde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen.

  • 2. De rechter bepaalt, zo nodig, de wijze waarop, en de voorwaarden waaronder de inlichtingen zullen worden verschaft, dan wel de boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen zullen worden overgelegd.

  • 3. De rechter wijst het verzoek in elk geval af indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing der gegevens is gewaarborgd.

  • 4. Het in artikel 144 omtrent het verschoningsrecht van getuigen bepaalde is van overeenkomstige toepassing, maar ook andere gewichtige redenen, waaronder een gevaar voor onevenredige schade aan de belangen van degene tot wie het bevel is gericht of die van derden, kunnen een weigering rechtvaardigen.

  • 5. Tegen een afwijzing van het verzoek staat geen hogere voorziening open.

  • 6. Heeft de rechter het bevel gegeven, dan zijn de artikelen 152 en 152a van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 6 Getuigen

Artikel 143

Een getuigenverklaring kan slechts als bewijs dienen, voor zover zij betrekking heeft op aan de getuige uit eigen waarneming bekende feiten.

Artikel 144
  • 1. Een ieder, daartoe op wettige wijze opgeroepen, is verplicht getuigenis af te leggen.

  • 2. Van deze verplichting kunnen zich verschonen:

    • a.

      de echtgenoot en de vroegere echtgenoot van een partij, de bloed- of aanverwanten van een partij of van diens echtgenoot, tot de tweede graad ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt;

    • b.

      zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd.

  • 3. Een getuige kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij daardoor zichzelf, een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen.

Artikel 145
  • 1. Indien bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, beveelt de rechter een getuigenverhoor, zo vaak een der partijen het verzoekt en de door haar te bewijzen aangeboden feiten betwist zijn en tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Hij kan dit ook ambtshalve doen.

  • 2. Het vonnis vermeldt aan welke partij en omtrent welke feiten bewijs wordt opgedragen, alsmede plaats, dag en uur van het getuigenverhoor. Plaats, dag en uur van het getuigenverhoor kunnen ook later door de rechter worden vastgesteld.

  • 3. Het verhoor van getuigen geschiedt ter terechtzitting.

  • 4. Het eerste lid, eerste volzin, is niet van toepassing indien verzocht wordt een partij als getuige te horen, tenzij dit verhoor geboden is uit een oogpunt van gelijkheid van partijen. In andere gevallen is de rechter vrij om op verzoek het verhoor van een partij als getuige te bevelen.

Artikel 146

De rechter kan bepalen dat partijen bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig moeten zijn.

Artikel 147

Het verhoor van getuigen tot het leveren van tegenbewijs staat van rechtswege vrij en wordt gehouden op de plaats, de dag en het uur, te bepalen dadelijk na afloop van het verhoor van de voor het bewijs gehoorde getuigen of op een later tijdstip, tenzij de rechter, na overleg met partijen, dit verhoor doet plaatsvinden in aansluiting op het verhoor van de voor het bewijs gehoorde getuigen.

Artikel 148

Indien een der partijen verkorting of verlenging van de termijnen, bedoeld in de artikelen 145 en 147, verzoekt, wordt op dit verzoek na verhoor of behoorlijke oproeping van de wederpartij beslist. Tegen de beslissing staat geen hogere voorziening open.

Artikel 149
  • 1. De namen en woonplaatsen van de getuigen worden ten minste drie dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier opgegeven. De belanghebbende partij roept de getuigen ten minste drie dagen voor het verhoor op. Indien een partij meer getuigen heeft voorgebracht dan redelijkerwijs noodzakelijk was, kan de rechter met deze omstandigheden bij de veroordeling in de kosten rekening houden.

  • 2. De oproeping maakt melding van plaats, dag en uur van het verhoor, van de feiten waaromtrent bewijs moet worden geleverd, en van de gevolgen, verbonden aan het niet verschijnen ter terechtzitting.

Artikel 150

Indien een niet bij exploot opgeroepen getuige niet verschijnt, bepaalt de rechter op verzoek van de belanghebbende partij een dag waartegen de getuige bij exploot kan worden opgeroepen. Daarbij wordt de in artikel 149, eerste lid, genoemde termijn in acht genomen.

Artikel 150a

Indien een partij die gehouden is als getuige een verklaring af te leggen, niet ter zitting verschijnt, niet antwoordt op de haar gestelde vragen of weigert haar verklaring te ondertekenen, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Artikel 151

De rechter kan bevelen dat de op een oproeping bij exploot niet verschenen getuige door de openbare macht voor hem wordt gebracht op een door hem te bepalen dag en uur om aan zijn verplichting te voldoen.

Artikel 152
  • 1. Indien een getuige weigert zijn verklaring af te leggen, kan de rechter op verzoek van de belanghebbende partij bevelen, dat hij op kosten van die partij in gijzeling zal worden gesteld, totdat hij aan zijn verplichting zal hebben voldaan, met dien verstande dat de gijzeling ten hoogste een jaar kan duren. De eerste volzin is niet van toepassing indien het een partij betreft, die als getuige wordt gehoord.

  • 2. De rechter beveelt de gijzeling slechts, indien naar zijn oordeel het belang van de waarheidsvinding toepassing van die maatregel rechtvaardigt.

  • 3. De rechter die de gijzeling heeft bevolen, beëindigt ambtshalve of op verzoek van de gegijzelde de gijzeling, indien voortzetting ervan naar zijn oordeel niet meer wordt gerechtvaardigd door het belang dat met toepassing van de dwangmaatregel werd gediend.

Artikel 152a
  • 1. De rechter kan op verzoek van een belanghebbende partij eveneens bepalen dat de getuige die weigert zijn verklaring af te leggen, een dwangsom verbeurt aan de door de rechter aangewezen partij of partijen. Het in titel 5, afdeling 3, van Boek 2 omtrent de dwangsom bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het een partij betreft, die als getuige wordt gehoord.

Artikel 153
  • 1. Indien een getuige niet woonachtig is of niet verblijf houdt waar de rechter zitting houdt, kan de rechter het verhoor opdragen aan zijn ambtgenoot die zitting houdt waar de getuige woonachtig is of verblijf houdt.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het een partij betreft, die als getuige wordt gehoord.

Artikel 154

Indien een getuige uit hoofde van ziekte of anderszins verhinderd is om voor de rechter te verschijnen, kan deze zich bij hem vervoegen tot het ontvangen van zijn verklaring of de rechter, bedoeld in artikel 153, verzoeken hem te verhoren.

Artikel 155
  • 1. Voor zover niet bij verdrag anders is bepaald, kan de rechter, indien een getuige in het buitenland woont, aan een door hem aan te wijzen autoriteit van het land waar de getuige zijn woonplaats heeft, verzoeken het verhoor, indien mogelijk onder ede, te houden, of dat verhoor opdragen aan de Nederlandse consulaire ambtenaar tot wiens ressort de woonplaats van die getuige behoort.

  • 2. Bij een verzoek of opdracht als in het eerste lid bedoeld, zal de rechter voorts de buitenlandse autoriteit verzoeken, dan wel de Nederlandse consulaire ambtenaar opdragen om aan partijen tijdig bij aangetekende brief kennis te geven van dag, uur en plaats, waarop het verhoor zal worden gehouden, en tevens de dag vaststellen, waarop de zaak weer ter rolle zal worden afgeroepen.

  • 3. Het proces-verbaal van dit getuigenverhoor heeft gelijke kracht als dat van een door de rechter hier te lande gehouden verhoor.

Artikel 156
  • 1. Op de bepaalde dag vraagt de rechter de getuigen hun naam, voornamen, leeftijd, beroep en woon- of verblijfplaats, of zij bloed- of aanverwant zijn van de partijen of van een van hen en, zo ja, in welke graad, alsmede of zij in dienstverband staan tot de partijen of tot een van hen.

  • 2. De getuigen zweren, alvorens hun getuigenis af te leggen, op de bij de wet bepaalde wijze de eed of doen de belofte de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

  • 3. Indien een getuige de betekenis van de eed of de belofte niet voldoende kan beseffen of de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, wordt hij niet beëdigd en wordt hem niet de belofte afgenomen, doch wordt hij aangemaand de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen. Indien het bewijs mede wordt aangenomen op de verklaring van een zodanige getuige, geeft het vonnis daarvan in het bijzonder reden.

  • 4. Overigens mag de rechter aan een zonder eed of belofte afgelegde verklaring slechts bewijs ontlenen, indien hij in het vonnis vermeldt dat de eed of de belofte ten onrechte niet is afgenomen en het niet mogelijk is de getuige opnieuw te horen.

Artikel 157

De opgeroepen getuige die niet verschijnt of, verschenen zijnde, weigert de eed of de belofte of zijn verklaring af te leggen, kan worden veroordeeld tot vergoeding van de vergeefs aangewende kosten, onverminderd zijn aansprakelijkheid tot schadevergoeding, indien daartoe gronden zijn.

Artikel 158
  • 1. De rechter hoort ieder van de getuigen buiten tegenwoordigheid van de mede ter terechtzitting verschenen getuigen die nog niet zijn gehoord, voor zover deze laatste getuigen niet tevens partij zijn.

  • 2. Partijen en hun gemachtigden of raadslieden kunnen aan de getuigen vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven. De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een der partijen getuigen tegenover elkaar of tegenover partijen of een van hen stellen.

  • 3. De rechter kan naar aanleiding van de getuigenverklaringen aan de partijen vragen stellen. Indien het betreft het verhoor van een getuige die niet tevens partij is, kunnen ook partijen elkaar zelf of bij monde van hun gemachtigden of raadslieden vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven.

  • 4. De rechter kan uit de op de voet van het derde lid afgelegde verklaringen, uit het niet-verschijnen ter terechtzitting of uit een weigering om te antwoorden of het proces-verbaal te ondertekenen de gevolgtrekkingen maken die hij geraden acht, behoudens hetgeen in artikel 133 is bepaald.

Artikel 159
  • 1. Van het getuigenverhoor wordt proces-verbaal opgemaakt, waarin achtereen-volgens aantekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak voorvalt.

  • 2. Dit proces-verbaal wordt aan iedere getuige voorgelezen voor het gedeelte dat hem betreft. Hij mag daarin zodanige veranderingen en bijvoegingen maken als hem goeddunkt.

  • 3. De getuige ondertekent zijn verklaring. Weigert hij te ondertekenen of verklaart hij dit niet te kunnen, dan wordt die weigering of die verklaring, inhoudende de oorzaak van verhindering, in het proces-verbaal vermeld.

  • 4. Op de door partijen afgelegde verklaringen zijn het eerste, tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de rechter voor wie het getuigenverhoor heeft plaatsgehad en door de griffier.

Artikel 160

In afwijking van artikel 159 behoeft in zaken die niet aan hoger beroep zijn onderworpen, geen proces-verbaal van het getuigenverhoor te worden opgemaakt. Het naar aanleiding van het getuigenverhoor te wijzen vonnis houdt, behalve de vermelding van de opgave, verklaringen en aflegging van eed of belofte, bedoeld in artikel 156, de summiere inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen in.

Artikel 161

Indien de getuige schadeloosstelling vordert, wordt deze door de rechter overeenkomstig de wettelijke voorschriften begroot. Daarvan wordt melding gemaakt in het proces-verbaal. De schadeloosstelling wordt voldaan door de partij die de getuige heeft voorgebracht.

Artikel 162

Indien de getuigen niet op één dag gehoord kunnen worden, stelt de rechter het verdere horen tot een nadere dag uit, en geschiedt er noch aan de ter terechtzitting verschenen getuigen noch aan de al dan niet aldaar verschenen partijen enige nieuwe oproeping.

Artikel 163

Het nalaten van een van de in deze afdeling voorgeschreven vormvoorschriften heeft, met uitzondering van het bepaalde in artikel 156 omtrent het afleggen van de eed of de belofte, alleen de nietigheid van het verhoor ten gevolge, indien de belanghebbende partij daardoor in haar belangen is benadeeld en het verzuim niet kan worden hersteld; in elk ander geval kan de rechter, zo daartoe gronden zijn, herstel van begane onregelmatigheden bevelen.

Artikel 164

Na afloop van het getuigenverhoor of indien dit achterwege blijft, bepaalt de rechter de dag waarop de zaak weer ter rolle zal worden afgeroepen.

AFDELING 6A Voorlopig getuigenverhoor

Artikel 166
  • 1. In de gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, kan, voordat een geding aanhangig is, op verzoek van de belanghebbende onverwijld een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen.

  • 2. Tijdens een reeds aanhangig geding kan de rechter op verzoek van een der partijen een voorlopig getuigenverhoor bevelen.

Artikel 167
  • 1. Het verzoek wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van het geding, indien het aanhangig wordt gemaakt, kennis te nemen, of aan de rechter binnen wiens rechtsgebied de personen die men als getuigen wil doen horen, of het grootste aantal van hen, woonachtig zijn of verblijven.

  • 2. Indien het geding reeds aanhangig is, wordt het verzoek gedaan aan de rechter voor wie het geding aanhangig is.

  • 3. Het verzoekschrift houdt in:

    • a.

      de aard en het beloop van de vordering;

    • b.

      de feiten of rechten die men wil bewijzen;

    • c.

      de namen en woonplaatsen van de personen die men als getuigen wil doen horen;

    • d.

      de naam en de woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.

  • 4. Tenzij de wederpartij onbekend is en behoudens gevallen van onverwijlde spoed, wordt op het verzoekschrift niet eerder beschikt dan nadat een behandeling heeft plaatsgevonden, waartoe de verzoeker en de wederpartij worden opgeroepen.

Artikel 168
  • 1. Indien de rechter het verzoek toestaat, bepaalt hij plaats, dag en uur, waarop het voorlopig getuigenverhoor zal plaatshebben en doet hij onverwijld partijen, onder toezending aan iedere wederpartij van een afschrift van het verzoekschrift, oproepen door een aangetekende dienstbrief van de grifier.

  • 2. Voor zover het verzoek wordt toegewezen, staat geen hogere voorziening open.

Artikel 169

De bepalingen omtrent het getuigenverhoor zijn op het voorlopig getuigenver-hoor van overeenkomstige toepassing.

Artikel 170

Verschijnt de wederpartij bij het verhoor, dan bepaalt de rechter die het verhoor gehouden heeft, na afloop daarvan op haar verzoek de plaats waar, en het tijdstip waarop het voorlopig getuigenverhoor voor tegenbewijs kan plaatshebben.

Artikel 170a
  • 1. De rechter kan, op verzoek van partijen of een van hen dan wel ambtshalve, na afloop van het voorlopig getuigenverhoor of het voorlopig getuigenverhoor voor tegenbewijs een verschijning van partijen bevelen teneinde een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de rechter. Artikel 21, eerste en tweede lid, en artikel 177, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Bij een verschijning van partijen ter terechtzitting kan ook de verdere wijze van behandeling van geschillen over de vordering worden besproken. Afspraken dienaangaande worden, wanneer een partij dat verlangt, met overeenkomstige toepassing van artikel 21, eerste en tweede lid, in een proces-verbaal vastgelegd. Een beroep in rechte op deze afspraken kan niet worden gedaan, voor zover zij in strijd komen met een dwingende wetsbepaling, met fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging of voor zover een beroep daarop in verband met onvoorziene omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden gedaan.

Artikel 171
  • 1. Indien alle partijen bij het verhoor aanwezig of vertegenwoordigd zijn geweest, hebben de getuigenverklaringen in een voorlopig getuigenverhoor afgelegd, dezelfde bewijskracht als die welke op de gewone wijze in een aanhangig geding zijn afgelegd.

  • 2. Zijn niet alle partijen bij het voorlopig getuigenverhoor aanwezig of vertegenwoordigd geweest, dan kan de rechter de daarin afgelegde verklaringen buiten beschouwing laten.

Artikel 172

Indien een getuige aannemelijk maakt dat de verzoeker met het voorlopig getuigenverhoor beoogt inlichtingen van hem te verkrijgen ten behoeve van een tegen hem in te stellen rechtsvordering, houdt de rechter het verhoor met inachtneming van de bepalingen die van toepassing zijn op het verhoor van de partij als getuige. Van een en ander wordt melding gemaakt in het proces-verbaal.

AFDELING 7 Deskundigen

Artikel 173
  • 1. De rechter kan op verzoek van een partij of ambtshalve een bericht of verhoor van deskundigen bevelen. Het vonnis vermeldt de punten waaromtrent het oordeel van deskundigen wordt gevraagd.

  • 2. De rechter benoemt bij vonnis of bij latere rolbeschikking een of meer deskundigen, na overleg met partijen, met opdracht bij hem schriftelijk bericht in te leveren of aan hem mondeling verslag uit te brengen.

  • 3. De griffier zendt afschrift van deze benoeming aan de deskundigen.

  • 4. Indien een deskundige de benoeming niet aanneemt of zijn taak niet naar behoren zal kunnen volbrengen of weigerachtig is dit te doen, kan de rechter ambtshalve of op verzoek van de meest gerede partij, na overleg met partijen, een andere deskundige in zijn plaats benoemen.

  • 5. De rechter kan, op verzoek van een partij of ambtshalve, aan de deskundigen het geven van nadere mondelinge of schriftelijke toelichting of aanvulling bevelen, dan wel, na overleg met partijen, een of meer andere deskundigen benoemen.

Artikel 174
  • 1. De rechter kan ambtshalve of op verzoek van een of meer partijen deskundigen vragen hun kosten te begroten. Door de eisende partij wordt een door de rechter te bepalen voorschot en, indien dit is bepaald, een nader voorschot ter zake van die kosten ter griffie gedeponeerd, voor zover niet bij het vonnis, bedoeld in artikel 173, in verband met de omstandigheden van het geding de wederpartij of beide partijen te zamen daartoe is of zijn aangewezen.

  • 2. De rechter kan, zonodig ambtshalve, bij de bepaling van een voorschot, of nadien, een termijn vaststellen voor de voldoening van het voorschot. Deze termijn kan een of meermalen worden verlengd. Tegen deze beslissingen staat geen hogere voorziening open.

  • 3. Wanneer een partij het voorschot niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

Artikel 174a
  • 1. Indien de deskundigen een onderzoek moeten verrichten, bepaalt de rechter bij hun benoeming of op een later tijdstip, waar en wanneer zij daartoe zullen overgaan.

  • 2. Bij de in het eerste lid bedoelde beslissing bepaalt de rechter tevens de termijn waarbinnen de deskundigen hun schriftelijk bericht ter griffie moeten inleveren, of de terechtzitting waarop zij mondeling verslag moeten uitbrengen. In het eerste geval wordt mede de dag bepaald waarop de zaak weer op de rol zal komen. In het tweede geval wordt deze dag bepaald op de terechtzitting waarop het verslag is uitgebracht.

  • 3. Indien op die dag het bericht van deskundigen nog niet mocht zijn ingekomen, kan de rechter op verzoek van partijen of van één van hen een nadere roldatum bepalen. Eveneens kan een nadere terechtzitting worden bepaald, indien op de daarvoor vastgestelde terechtzitting het mondeling verslag niet wordt uitgebracht.

Artikel 174b
  • 1. De deskundige die zijn benoeming heeft aanvaard, is verplicht de opdracht onpartijdig en naar beste weten te volbrengen.

  • 2. De deskundigen stellen hun onderzoek in, hetzij onder leiding van de rechter, hetzij zelfstandig. De deskundigen moeten bij hun onderzoek partijen in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Uit het schriftelijk bericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken wordt in het schriftelijk bericht melding gemaakt. Indien een partij schriftelijk opmerkingen of verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, verstrekt hij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij.

  • 3. Partijen zijn verplicht mee te werken aan een onderzoek door deskundigen. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

  • 4. Het schriftelijk bericht is met redenen omkleed, zonder dat het persoonlijke gevoelen van ieder van de deskundigen behoeft te blijken. Ieder van de deskundigen kan van zijn afwijkende mening doen blijken. Het schriftelijk bericht wordt door de deskundigen ondertekend. Indien een of meer deskundigen niet hebben ondertekend, wordt de oorzaak hiervan zo mogelijk op het schriftelijk bericht vermeld. Indien geen van de deskundigen zich in de gelegenheid bevindt te ondertekenen, wordt het bericht door de griffier ondertekend. De griffier zendt aan partijen afschrift van het schriftelijk bericht.

  • 5. Het proces-verbaal van de slotsom van het mondeling verslag wordt na voorlezing, behalve door de griffier, ondertekend door de rechter aan wie het verslag is uitgebracht en door de deskundigen. Verklaart een deskundige niet te kunnen ondertekenen, dan wordt die verklaring, inhoudende de oorzaak van verhindering, in het proces-verbaal vermeld.

Artikel 174c
  • 1. De deskundigen hebben aanspraak op schadeloosstelling en op loon, door de rechter te begroten onder de minuut van het schriftelijk bericht of onder het van het mondeling verslag opgemaakte proces-verbaal.

  • 2. De griffier betaalt het bedrag ten laste van het gestorte voorschot aan de deskundigen. Indien het vastgestelde voorschot niet toereikend is, wordt voor het resterende bedrag een bevelschrift van tenuitvoerlegging op de minuut van het schriftelijk bericht uitgegeven ten laste van de in de tweede volzin van artikel 174 genoemde partij of partijen. In geval van mondeling verslag wordt dit bevelschrift gegeven op een in executoriale vorm uitgegeven uittreksel uit het proces-verbaal van dat verslag.

Artikel 174d
  • 1. De rechter kan een partij op haar verzoek toestaan deskundigen te doen horen die niet door de rechter zijn benoemd.

  • 2. De rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs wordt bijgebracht, kan aan partijen toestaan, bij die gelegenheid ook zodanige deskundigen te doen horen.

  • 3. Indien de rechter een verhoor van een zodanige deskundige heeft toegestaan, is ook de wederpartij bevoegd op dezelfde voet deskundigen te doen horen.

  • 4. De rechter kan, op verzoek van een partij of ambtshalve, aan een zodanige deskundige het geven van nadere mondelinge of schriftelijke toelichting bevelen.

  • 5. De artikelen 145, derde lid, 146 tot en met 149, 153 tot en met 156, eerste lid, 158, tweede, derde en vierde lid, en 159 tot en met 164 omtrent het getuigenverhoor zijn van overeenkomstige toepassing op het verhoor van deze deskundigen.

AFDELING 8 Plaatsopneming en bezichtiging

Artikel 175
  • 1. De rechter kan op verzoek van een partij of ambtshalve, vergezeld van de griffier, een plaatselijke gesteldheid opnemen of zaken bezichtigen die niet of bezwaarlijk ter terechtzitting kunnen worden overgebracht.

  • 2. Het daartoe strekkende vonnis vermeldt de plaats of de zaak die in ogenschouw moet worden genomen, bepaalt de tijd van de plaatsopneming, de tijd en de plaats van de bezichtiging, de termijn waarbinnen het van de verrichting op te maken proces-verbaal ter griffie wordt neergelegd, alsmede de dag waarop de zaak weer op de rol zal komen.

  • 3. De partijen worden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken of verzoeken te doen. Uit het proces-verbaal moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Van de inhoud van de opmerkingen of verzoeken wordt in het proces-verbaal melding gemaakt. Het proces-verbaal wordt door de rechter die de verrichting heeft gedaan en door de griffier ondertekend. De rechter kan ter plaatse getuigen horen. Afdeling 6, behoudens artikel 149, is hierop van toepassing.

AFDELING 8A Voorlopig bericht of verhoor van deskundigen,voorlopige plaatsopneming en bezichtiging

Artikel 176
  • 1. Voordat een zaak aanhangig is, kan op verzoek van de belanghebbende een voorlopig bericht of verhoor van deskundigen of een voorlopige plaatsopneming en bezichtiging worden bevolen.

  • 2. Tijdens een reeds aanhangig geding kan dit op verzoek van een partij worden bevolen.

Artikel 176a
  • 1. Het verzoek wordt gedaan aan de rechter bij wie het geding aanhangig is of, indien het niet aanhangig is, aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn daarvan kennis te nemen. De rechter beoordeelt summierlijk of hij absoluut bevoegd is.

  • 2. Het verzoekschrift houdt in:

    • a.

      de aard en het beloop van de rechtsvordering;

    • b.

      de punten waaromtrent het oordeel van de deskundigen wordt gevraagd, of de plaats of de zaak die in ogenschouw moet worden genomen;

    • c.

      de naam en de woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is.

  • 3. Tenzij de wederpartij onbekend is en behoudens gevallen van onverwijlde spoed, wordt op het verzoekschrift niet eerder beschikt dan nadat een behandeling heeft plaatsgevonden, waartoe de verzoeker en de wederpartij worden opgeroepen.

Artikel 176b
  • 1. Indien de rechter het verzoek toestaat, bepaalt hij tevens de uiterste dag waarop de verzoeker een afschrift van het verzoekschrift, indien dit nog niet is toegezonden, en van de beschikking aan de wederpartij doet toekomen, zo die bekend is.

  • 2. Voor zover het verzoek wordt toegewezen, staat daartegen geen hogere voorziening open.

Artikel 176c

De bepalingen omtrent deskundigen, plaatsopneming en bezichtiging zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 176d

Met inachtneming van de krachtens artikel 176b bepaalde termijn zendt de verzoeker een afschrift van het verzoekschrift, indien dit nog niet is toegezonden, en de beschikking van de rechter bij aangetekende brief aan de wederpartij, zo die bekend is, of doet hij deze afschriften bij deurwaardersexploot aan de wederpartij betekenen. Alvorens tot de verrichting over te gaan, vergewist de rechter zich ervan dat aan dit voorschrift is voldaan.

Artikel 176e
  • 1. Indien alle partijen bij de verrichting aanwezig zijn geweest, hebben de verklaringen van de deskundigen, de plaatsopneming en de bezichtiging dezelfde bewijskracht als die welke op de gewone wijze in een aanhangig geding hebben plaatsgehad.

  • 2. Zijn niet alle partijen aanwezig geweest, dan kan de rechter een en ander buiten beschouwing laten.

AFDELING 8B Verschijning van partijen

Artikel 177
  • 1. In elke stand van het geding kan de rechter, op verzoek van een der partijen of ambtshalve, partijen gelasten, in persoon dan wel vertegenwoordigd, op de bepaalde dag en het bepaalde uur voor hem te verschijnen tot het geven van inlichtingen. De rechter kan daarbij of op een later tijdstip aan partijen of aan een van hen bevelen bepaalde stellingen bij de verschijning mondeling toe te lichten of, in overeenstemming met artikel 141, bepaalde op de zaak betrekking hebbende boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen over te leggen.

  • 2. De rechter ondervraagt de partijen. Deze kunnen, ook bij monde van haar gemachtigden of raadslieden, elkaar vragen stellen, behoudens de bevoegdheid van de rechter om te beletten dat aan een bepaalde vraag gevolg wordt gegeven.

  • 3. De rechter kan uit de afgelegde verklaringen, uit het niet-verschijnen, uit een weigering om te antwoorden, dan wel uit een weigering om boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of voorwerpen over te leggen zonder dat een gewichtige reden de weigering rechtvaardigt, de gevolgtrekking maken, die hij geraden acht, behoudens hetgeen in artikel 133 is bepaald.

AFDELING 9 Incidentele vorderingen

Artikel 178

Incidenten worden schriftelijk of mondeling ter terechtzitting aangebracht.

Artikel 180
  • 1. Incidentele vorderingen worden zoveel mogelijk tegelijk ingesteld.

  • 2. De kosten van dezulke die naderhand worden gedaan, en waarvan de oorzaken reeds tegelijkertijd met de vroegere bestonden, mogen niet worden teruggevorderd.

Artikel 181
  • 1. Op de incidentele vorderingen wordt, indien de zaak zulks meebrengt, eerst en vooraf beslist.

  • 2. Voor zover de zaak het toelaat, bepaalt de rechter bij de beslissing op het incident tevens, hoe met de behandeling van de zaak wordt voortgegaan.

AFDELING 10 Reconventie

Artikel 182

De gedaagde is bevoegd om eis in reconventie te doen, uitgezonderd indien:

  • a.

    de eiser in conventie is opgetreden in een kwaliteit en de reconventie hem persoonlijk zou betreffen, en omgekeerd;

  • b.

    de rechter voor wie de eis in conventie aanhangig is, onbevoegd is kennis te nemen van de reconventie met betrekking tot het onderwerp van het geschil.

Artikel 183

De eis in reconventie moet dadelijk bij het antwoord in conventie worden gedaan.

Artikel 184

De zaken in conventie en in reconventie worden tegelijk voldongen en bij een en hetzelfde eindvonnis beslist, tenzij de rechter bevindt dat de ene vroeger dan de andere mag worden afgedaan.

AFDELING 11 De schorsing en het hervatten van het rechtsgeding

Artikel 185

De rechter schorst een rechtsgeding wegens:

  • a.

    de dood van een der partijen;

  • b.

    verandering in de persoonlijke staat van een der partijen;

  • c.

    het ophouden van de betrekking waarin een der partijen het geding voerde.

Artikel 186

Schorsing van een rechtsgeding heeft niet meer plaats, indien de behandeling ter terechtzitting reeds geindigd is.

Artikel 187

De belanghebbenden delen aan de rechter zo spoedig mogelijk mee de namen en de woonplaats van de persoon of de personen, ten name van wie het geding op de laatste gedingstukken kan worden hervat.

Artikel 188

De rechter bepaalt alsdan of ambtshalve dag en uur waarop het geding ter terechtzitting zal worden hervat, en doet partijen oproepen ten einde alsdan te verschijnen.

Artikel 189

Indien op de oproeping tot hervatting van het rechtsgeding verstek wordt verleend, verklaart de rechter het rechtsgeding niettemin op de laatste gedingstukken hervat.

Artikel 190

Het verzet tegen een beslissing bij verstek wordt op de terechtzitting behandeld.

AFDELING 12 Van ontkentenis van gerechtelijke verrichtingen

Artikel 191

Indien gedurende de loop van een geding, in naam van een der partijen, enige aanbiedingen zijn gedaan en aangenomen, erkenningen hebben plaatsgehad, toestemmingen zijn gegeven en aangenomen, zonder dat die partij daartoe een bijzondere en bepaalde schriftelijke volmacht gegeven is, is deze bevoegd om zodanige verrichtingen bij de rechter te ontkennen en hem te verzoeken te beslissen, dat die daden zullen worden beschouwd als niet gepleegd en dat alle daaruit voortgevloeide akten van den processe, en vonnissen, gewezen om de zaak in staat van wijzen te brengen, worden verklaard van onwaarde.

Artikel 192

De rechter bepaalt de dag en het uur waarop de zaak ter terechtzitting zal dienen, en doet de ontkennende partij en degene wiens daden ontkend worden, oproepen ten einde alsdan te verschijnen, met bevel tot uitreiking aan laatstgenoemde van een afschrift van het verzoekschrift.

Artikel 193

Ingeval degene wiens daden ontkend worden, overleden is, wordt de oproeping betekend aan zijn erfgenamen.

Artikel 194

De ontkentenis moet altijd gebracht worden voor de rechter voor welke de ontkend wordende verrichting in rechten is gebracht, ook indien de zaak, waarin zij voorvalt, voor een andere rechter hangende is.

Artikel 195

De rechter laat de wederpartij van de ontkennende partij in de hoofdzaak in het geding van ontkentenis oproepen en aan haar een afschrift van het verzoekschrift tot ontkentenis uitreiken.

Artikel 196

Het geding in de hoofdzaak wordt op straffe van nietigheid geschorst tot aan het vonnis van ontkentenis.

Artikel 197

De rechter is echter bevoegd om aan de ontkennende partij te bevelen, het geding van ontkentenis binnen zekere door hem bepaalde tijd voort te zetten; bij gebreke daarvan is de rechter bevoegd om in het rechtsgeding op de ontkentenis recht te doen.

Artikel 198

Indien de ontkentenis een zaak betreft, waarover een rechtsgeding niet hangende is, moet de eis worden gebracht voor de bevoegde rechter van de gedaagde.

Artikel 199

Indien de ontkentenis deugdelijk verklaard wordt, verklaart de rechter tevens de ontkende verrichting en het vonnis hetwelk daarop mocht zijn gewezen, of hetgeen in de bepalingen van het vonnis betrekking heeft tot de punten waarover de ontkentenis gaat, nietig en van onwaarde.

Artikel 200

Bijaldien echter in de zaak reeds het eindvonnis is gevallen en de termijn van hoger beroep nog niet is verlopen, is de partij bevoegd om de nietigheid van de in het voorgaande artikel vermelde akten en vonnissen te doen uitspreken in het hoger beroep en de zaak ten principale te doen vervolgen.

Artikel 201
  • 1. Is echter het eindvonnis gewezen in het hoogste ressort of in kracht van gewijsde gegaan, dan is de benadeelde partij, zelfs nog gedurende de tenuitvoerlegging, bevoegd om van de rechter, die het heeft gewezen, de intrekking daarvan te vorderen.

  • 2. Hangende het geding daarover, wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst.

Artikel 202
  • 1. De gemachtigde, tegen wie de eis van ontkentenis wordt toegewezen, wordt, zo daartoe gronden zijn, jegens de eiser en jegens de andere partij tot schadevergoeding veroordeeld.

  • 2. Indien de eiser in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij tot schadevergoeding veroordeeld, zo daartoe gronden zijn.

Artikel 203

Indien een der partijen ontkent, dat de voor haar opgetreden advocaat van haar daartoe opdracht gekregen heeft, zijn de bepalingen van deze afdeling toepasselijk.

AFDELING 13 Jurisdictiegeschillen

Artikel 204
  • 1. Jurisdictiegeschillen worden, vóórdat de dag van de uitspraak bepaald is, aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift aan het Hof van Justitie.

  • 2. Het verzoekschrift wordt, op last van de president van het Hof, betekend aan de wederpartij, met aanmaning om daarop, binnen twee weken, te dienen van antwoord, ter griffie van het Hof schriftelijk in te leveren.

  • 3. De loop van het rechtsgeding wordt geacht te zijn geschorst vanaf de dag van de betekening.

Artikel 205

Na ontvangst van het antwoord en in elk geval na afloop van de daarvoor gestelde termijn doet het Hof van Justitie uitspraak en wijst, zo daarvoor redenen zijn, de rechter aan, die van het geschil verder kennis neemt.

AFDELING 14 Afbreking van de instantie

§ 1. Doorhaling op de rol
Artikel 206
  • 1. Op verlangen van partijen wordt de zaak op de rol doorgehaald.

  • 2. De enkele doorhaling op de rol heeft geen rechtsgevolgen. Partijen kunnen de rechtsgevolgen bij overeenkomst bepalen.

Artikel 207

Indien geen van partijen er, na in de gelegenheid te zijn gesteld zich daarover uit te laten, blijk van geeft het geding te willen voortzetten, kan de zaak ook ambtshalve op de rol worden doorgehaald.

§ 2. Afstand van instantie
Artikel 208
  • 1. Zolang de gedaagde niet heeft geantwoord, kan de eiser afstand doen van de instantie.

  • 2. De eiser is verplicht de proceskosten van de gedaagde te betalen.

  • 3. Na het antwoord kan de afstand slechts plaatsvinden met toestemming van de gedaagde.

Artikel 209
  • 1. Afstand van instantie wordt gedaan bij akte.

  • 2. Indien de afstand door een gemachtigde wordt gedaan, legt deze een hem daartoe door de eiser verstrekte bijzondere volmacht over. Voor de toestemming geldt hetzelfde.

  • 3. Door afstand van instantie worden partijen van rechtswege hersteld in de toestand als ware het geding niet in deze instantie aanhangig geweest, onverminderd het bepaalde in artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 4. Ter zake van de betaling van de kosten vaardigt de rechter op verlangen van de gedaagde een bevelschrift uit. Het bevelschrift is uitvoerbaar bij voorraad.

§ 3. Verval van instantie
Artikel 210
  • 1. Indien de proceshandeling waarvoor de zaak staat, langer dan twaalf maanden niet is verricht, bepaalt de rechter op verlangen van de wederpartij van de partij die de proceshandeling moet verrichten, een datum waarop deze wederpartij verval van instantie kan vorderen, dan wel kan vragen om een laatste uitstel te verlenen aan de partij die de proceshandeling moet verrichten of om vonnis te wijzen. De rechter kan hiertoe, eveneens na verloop van twaalf maanden, ook ambtshalve een datum bepalen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde datum wordt in beide gevallen bepaald op een termijn van ten hoogste drie maanden.

  • 3. Verval van instantie kan op de bepaalde datum slechts worden gevorderd indien het voornemen daartoe ten minste twee weken vóór die datum aan de nalatige partij is aangezegd.

  • 4. De rechter wijst de vordering tot verval van instantie toe, tenzij vóór of op die datum:

    • a.

      de proceshandeling alsnog wordt verricht, of

    • b.

      de wederpartij van de partij die het verval vordert, aannemelijk maakt dat voor de vertraging van het geding een reden bestaat die deze in redelijkheid kan rechtvaardigen.

  • 5. Indien op de ingevolge het eerste lid bepaalde datum de proceshandeling waarvoor de zaak staat niet alsnog is of wordt verricht, en voorts de wederpartij van degene die de proceshandeling moet verrichten geen verval van instantie vordert noch zich anderszins uitlaat over de voortgang van het geding als bedoeld in het eerste lid, wordt de zaak op de rol doorgehaald.

Artikel 211

De kosten van de vervallen instantie worden van rechtswege gecompenseerd. De rechter kan echter, indien hij daartoe gronden aanwezig acht, een partij geheel of gedeeltelijk in de kosten veroordelen.

Artikel 212
  • 1. Door verval van instantie worden partijen van rechtswege hersteld in de toestand als ware het geding niet in deze instantie aanhangig geweest, onverminderd het bepaalde in artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 2. Wordt de vordering opnieuw ingesteld, dan kan wederom gebruik worden gemaakt van in de vervallen instantie gedane gerechtelijke erkentenissen en bijgebracht bewijs.

AFDELING 16 Voeging en tussenkomst

Artikel 214

Een ieder die belang heeft bij een rechtsgeding, hangende tussen andere partijen, is bevoegd te vorderen zich daarin te mogen voegen of tussen te komen.

Artikel 215

Dit incident wordt aangebracht ter terechtzitting op de dienende dag vóór of op die waarop de behandeling van het aanhangige rechtsgeding eindigt.

Artikel 216

Bij het verzoek geschiedt opgave van de namen en woonplaats van degene die voeging of tussenkomst vordert, en van de gronden waarop de vordering berust.

Artikel 217

De rechter, op het incident beslissende, beveelt partijen voort te procederen en bepaalt bij hetzelfde vonnis de dag waarop zij te dien einde ter terechtzitting verschijnen.

TITEL 3 De wijze van procederen voor het Hof van Justitie, rechtdoende in eerste aanleg

Artikel 218

Op het rechtsgeding in eerste aanleg voor het Hof van Justitie is titel 2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 219

In de gevallen waarin mondelinge voordracht van de vordering toegelaten is, wordt zij mondeling voorgedragen aan de fungerend voorzitter van het Hof van Justitie, die haar in geschrift doet brengen.

Artikel 220

  • 1. De fungerend voorzitter bewerkstelligt de ondervraging en het verhoor.

  • 2. Ook de andere rechters mogen aan partijen, getuigen en deskundigen vragen stellen. De fungerend voorzitter geeft hun daartoe op hun verlangen het woord.

Artikel 224

  • 1. Het Hof is bevoegd om het horen van getuigen, het horen van deskundigen, het verrichten van een opneming, een bezichtiging of een onderzoek naar de echtheid of onechtheid van geschriften op te dragen aan een rechter-commissaris of een rechter in eerste aanleg.

  • 2. In elk geval worden partijen in de gelegenheid gesteld bij het onderzoek tegenwoordig te zijn en daarop gehoord te worden, waartoe zij op last van de rechter die het onderzoek houdt, worden opgeroepen.

  • 3. De rechters voor wie een getuigenverhoor heeft plaatsgehad, werken zoveel als mogelijk is mee tot de einduitspraak in de zaak waarin het verhoor is gehouden.

Artikel 225

  • 1. Van de verrichtingen van de rechter-commissaris of rechter in eerste aanleg maakt de griffier proces-verbaal op.

  • 2. De rechter in eerste aanleg doet zo spoedig mogelijk een afschrift van het proces-verbaal aan het Hof toekomen. Dit afschrift heeft gelijke kracht als het proces-verbaal van het Hof.

TITEL 4 Het kort geding

Artikel 226

  • 1. In alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, wendt de belanghebbende partij zich tot de rechter in eerste aanleg met het verzoek om in die zaak zo spoedig mogelijk een beslissing bij voorraad te geven.

  • 2. Tenzij de partijen vrijwillig zijn verschenen, beveelt de rechter in eerste aanleg de oproeping van de wederpartij op een door hem bepaalde dag en uur; bij grote spoed 's zondags ingesloten.

  • 3. De rechter in eerste aanleg kan tevens gelasten dat de terechtzitting op een andere plaats dan in het gerechtsgebouw wordt gehouden.

Artikel 227

In het laatste geval geeft de rechter in eerste aanleg mondelinge last aan een deurwaarder tot het doen van de oproeping, waarvan deze in het hoofd van zijn exploot melding maakt.

Artikel 228

  • 1. Indien de rechter in eerste aanleg oordeelt dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist, weigert hij de voorziening.

  • 2. De rechter kan op eenparig verzoek van partijen, in plaats van de voorziening te weigeren, de zaak verwijzen naar de gewone terechtzitting.

Artikel 229

De beslissingen bij voorraad strekken niet ten nadele van de zaak ten principale.

Artikel 230

De rechter in eerste aanleg kan zijn vonnis ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Artikel 231

Het verzet wordt eveneens behandeld in kort geding.

Artikel 232

Tegen elke beslissing van de rechter in eerste aanleg in kort geding is hoger beroep toegelaten.

Artikel 233

De minuten van de beslissingen in kort geding van de rechter in eerste aanleg worden ter griffie ingeschreven in een afzonderlijk register; zij worden door de rechter in eerste aanleg en de griffier ondertekend.

Artikel 234

Indien zulks in het belang van de zaak noodzakelijk is, is de rechter in eerste aanleg bevoegd om de tenuitvoerlegging van zijn beslissing in kort geding te bevelen op de minuut.

Artikel 235

In geval van hoger beroep worden de termijnen, bedoeld in de artikelen 264, 266, 267, 271, 274, 275 en 276, verkort tot op de helft van de in die artikelen vermelde duur. Bij grote spoed kan de president van het Hof van Justitie deze termijnen op verzoek verder verkorten.

TITEL 6 Prorogatie van rechtspraak aan het van Justitie

Artikel 257

In alle voor hoger beroep bij het Hof van Justitie vatbare geschillen over zaken die ter vrije bepaling van de partijen staan, kunnen partijen overeenkomen die geschillen bij de aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het Hof.

Artikel 258

Voogden, curators of bewindvoerders zijn hiervan niet uitgesloten, mits daarbij in acht nemende de verplichtingen, aan hen bij landsverordening opgelegd.

Artikel 259

  • 1. Bij deze rechtsgedingen zijn de voorschriften ten aanzien van het rechtsgeding in eerste aanleg van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Het Hof beslist in het eerste en hoogste ressort, behoudens herroeping of cassatie, indien daartoe gronden zijn.

TITEL 7 Het rechtsgeding in hoger beroep bij het van Justitie van vonnissen en daaraan voorafgaande beschikkingen

Artikel 260

Partijen zijn bevoegd om bij het Hof van Justitie in hoger beroep te komen van het vonnis of van een aan het vonnis voorafgaande beschikking van de rechter in eerste aanleg in een zaak waarin deze niet anders dan in eerste aanleg heeft geoordeeld.

Artikel 261

Degene die berust heeft in een vonnis, is niet meer ontvankelijk in een daarvan ingesteld hoger beroep.

Artikel 262

  • 1. Van een veroordeling bij verstek staat geen hoger beroep open, doch indien de oorspronkelijke eiser van het vonnis in hoger beroep komt, is de gedaagde bevoegd om al zijn verdediging insgelijks in hoger beroep te doen gelden, zelfs bij wege van incidenteel beroep; hij mag dan echter van het middel van verzet tegen de beslissing bij verstek in eerste aanleg niet meer gebruik maken.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de niet verschenen gedaagde van een vonnis als bedoeld in artikel 82, tweede lid, in hoger beroep komen, mits hij vooraf bij voorraad, tegen het stellen van zekerheid, aan het vonnis voldoet, zelfs wanneer dat vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad was.

Artikel 263

  • 1. Van de vonnissen en beschikkingen die aan het eindvonnis voorafgaan, mag, behoudens artikel 263a, slechts hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het beroep van het eindvonnis.

  • 2. Dit beroep is ontvankelijk, zelfs wanneer die vonnissen en beschikkingen zonder voorbehoud van degene die er zich mee bezwaard acht, zijn ten uitvoer gelegd.

  • 3. [Vervallen]

Artikel 263a

  • 1. In afwijking van artikel 263, eerste lid, mag van de daar genoemde vonnissen en beschikkingen afzonderlijk hoger beroep worden ingesteld, indien daartoe door het Hof van Justitie vergunning is verleend. Het tot het verkrijgen van die vergunning strekkende verzoekschrift wordt binnen twee weken, gerekend van de dag van de uitspraak, ingediend ter griffie van het gerecht in eerste aanleg waar de beslissing is gegeven.

  • 2. De griffier zendt de processtukken onverwijld aan het Hof, dat zo spoedig mogelijk beschikt, na partijen te hebben gehoord of daartoe behoorlijk te hebben doen oproepen. De beschikking wordt in het openbaar uitgesproken.

  • 3. Indien vergunning wordt verleend, is de beroepstermijn zes weken, gerekend van de dag van de uitspraak.

  • 4. Indiening van het verzoekschrift heeft schorsing van het in eerste aanleg hangende geding, voor zover de voorziening daartegen is gericht, ten gevolge.

  • 5. De schorsing duurt voort, totdat hetzij op het verzoek afwijzend is beschikt, hetzij, in geval van een toewijzende beschikking, op het vervolgens ingestelde hoger beroep is recht gedaan, dan wel de beroepstermijn ongebruikt is verstreken.

  • 6. Indien vergunning wordt verleend, behoeft de wederpartij geen vergunning om harerzijds in beroep te komen.

Artikel 264

  • 1. De beroepstermijn is zes weken, gerekend van de dag van de uitspraak.

  • 2. Indien de eiser in beroep of zijn gemachtigde bij die uitspraak niet tegenwoordig is geweest, wordt de beroepstermijn gerekend van de dag waarop het eindvonnis hem volgens de wet is medegedeeld.

  • 3. Buiten de in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen, vangt de termijn aan na de aanzegging van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is.

  • 4. Indien in eerste aanleg een vordering tot vrijwaring geheel of gedeeltelijk is afgewezen op grond van de afwijzing van de vordering in de hoofdzaak, staat het hoger beroep daartegen open tot het momtent dat in de hoofdzaak in hoger beroep de memorie van antwoord kan worden ingediend.

Artikel 266

Bij overlijden van de in het ongelijk gestelde partij gedurende de loop van de termijn voor het hoger beroep zijn haar erfgenamen of haar rechtverkrijgenden nog bevoegd om het beroep in te stellen binnen zes weken na het overlijden, of binnen zes weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 185 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 267

  • 1. De gedaagde in beroep is bevoegd om van zijn zijde incidenteel beroep in te stellen, mits op de wijze en binnen de termijn, bepaald in artikel 274.

  • 2. Afstand van het principaal beroep doet het ingestelde incidentele beroep niet vervallen.

Artikel 268

Het hoger beroep schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, indien dit niet bij voorraad mag worden ten uitvoer gelegd.

Artikel 269

Het hoger beroep van het eindvonnis heeft, tenzij bij de aantekening daarvan uitdrukkelijk het tegendeel is verlangd, ten gevolge dat de hogere rechter tevens kennis neemt van en oordeelt over de aan dat vonnis voorafgegane vonnissen en beschikkingen.

Artikel 270

  • 1. Het hoger beroep vangt aan met een verklaring dat men van dat middel gebruik wil maken, door de eiser in beroep of diens daartoe gemachtigde ter griffie van het gerecht in eerste aanleg waar de beslissing is gegeven, afgelegd of aldaar schriftelijk ingediend.

  • 2. Indien een gemachtigde de verklaring aflegt, legt hij daarbij de akte van volmacht over, tenzij die akte reeds vroeger werd overlegd of de volmacht mondeling ter zitting werd verleend.

  • 3. Van de afgelegde of ingediende verklaring houdt de griffier onverwijld aantekening in het algemeen register, onder vermelding van de dagtekening waarop zij is afgelegd of ontvangen.

  • 4. De dagtekening, bedoeld in het derde lid, geldt bij de berekening van de beroepstermijn als tijdstip van de verklaring.

  • 5. Vindt binnen de voor indiening van de memorie gestelde termijn geen vooruitbetaling plaats van het door de griffier getaxeerde bedrag van de kosten van de aanzegging dat hoger beroep is ingesteld, van de betekening van de memorie en de daarbij overgelegde bescheiden, van de zegels die voor het bij artikel 283 bedoelde afschrift-vonnis van de hogere rechter moeten worden gebezigd en van het verschuldigde vast recht, dan vervalt het beroep en wordt de aantekening in het algemeen register doorgehaald. Desverlangd geschiedt de taxatie van het te betalen bedrag door de rechter.

Artikel 271

Bij of na de verklaring waarbij hoger beroep wordt ingesteld, maar in alle gevallen binnen zes weken na de dag van deze verklaring, is de appellant of zijn gemachtigde bevoegd een ondertekende memorie, houdende de middelen waarop het hoger beroep gegrond is, vergezeld van zodanige bescheiden als hij geraden oordeelt, over te leggen aan of in te dienen bij de griffier van het gerecht in eerste aanleg, die van de ontvangst in voege als voren aantekening houdt.

Artikel 272

Indien hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan het Hof van Justitie op vordering van een partij alsnog de tenuitvoerlegging van het vonnis schorsen.

Artikel 273

  • 1. Nadat de memorie is ingekomen of de termijn voor de indiening is verstreken, doet de rechter in eerste aanleg onverwijld aan de wederpartij aanzeggen dat hoger beroep is ingesteld en doet hij een afschrift betekenen van de ingekomen memorie en van de daarbij overgelegde bescheiden.

  • 2. Indien zich onder die bescheiden zodanige bevinden die, ter beoordeling van de rechter, wegens hun omvang of anderszins, niet voor overschrijving in aanmerking komen, mag de rechter volstaan met de aanzegging dat zij ter inzage van de wederpartij ter griffie zijn neergelegd.

Artikel 274

  • 1. De wederpartij of haar gemachtigde is bevoegd om binnen zes weken na dagtekening van de aanzegging van het beroep op gelijke wijze een memorie in te dienen met zodanige bescheiden als zij geraden oordeelt.

  • 2. Bij die memorie mag zij de verklaring afleggen dat zij harerzijds in hoger beroep wenst te komen, in welk geval de memorie de middelen inhoudt, waarop het hoger beroep gegrond is. De memorie wordt als niet ingediend beschouwd, indien de belanghebbende niet bij de indiening bij de griffier heeft vooruitbetaald de kosten van de betekening, zoals ten aanzien van de appellant is bepaald, desverlangd na taxatie door de rechter.

  • 3. Van de ontvangst van de stukken en van de verklaring dat incidenteel beroep wordt ingesteld, houdt de griffier in voege als voren aantekening in het algemeen register, met uitzondering evenwel van het geval, bedoeld in het tweede lid, laatste volzin.

Artikel 275

  • 1. Nadat de memorie van antwoord is ingekomen, doet de rechter in eerste aanleg onverwijld afschrift daarvan en van de daarbij overgelegde bescheiden, behoudens artikel 273, tweede lid, betekenen aan de eiser in beroep.

  • 2. Indien bij het antwoord incidenteel beroep is aangetekend, heeft de eiser in beroep een termijn van zes weken na de dag van betekening om op het incidentele beroep bij memorie te antwoorden.

  • 3. Afschrift van de memorie van antwoord op het incidenteel beroep en van de verdere bescheiden die haar vergezellen, worden met inachtneming van artikel 273 in voege als voren aan de incidenteel-eiser in beroep betekend. Indien de incidenteel-verweerder bij de indiening van de memorie niet aan de griffier de kosten van de betekening, desverlangd na taxatie door de rechter, heeft vooruitbetaald, wordt de memorie als niet ingediend beschouwd.

Artikel 275a

  • 1. In hoger beroep kunnen incidentele vorderingen worden gedaan uiterlijk binnen een week nadat de laatste memorie, genoemd in de artikelen 273, 274 en 275, is betekend, dan wel de voor de indiening daarvan gestelde termijn is verstreken.

  • 2. Ten aanzien van deze conclusies, die ter griffie van het gerecht in eerste aanleg worden ingediend, en de daarbij overgelegde bescheiden wordt gehandeld overeenkomstig de artikelen 273 en 274.

  • 3. De wederpartij heeft na de dag van betekening van de incidentele conclusie een termijn van twee weken om daarop te antwoorden.

Artikel 276

Uiterlijk binnen twee weken doch niet gedurende de eerste week nadat de laatste van de in deze afdeling bedoelde schrifturen is betekend of de voor de indiening daarvan bepaalde termijn is verstreken, zendt de griffier aan het Hof van Justitie de op de zaak betrekking hebbende stukken, met het in de zaak opgemaakte proces-verbaal en een afschrift van het vonnis, alsmede een uittreksel uit de in het register gehouden aantekening van beroep en de voor het bij artikel 283 bedoelde afschrift van het vonnis van de hogere rechter te bezigen zegels.

Artikel 277

  • 1. Elk der partijen is bevoegd om, totdat de griffier de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof van Justitie toegezonden heeft, in het algemeen register een aantekening te doen houden dat zij wil dat de zaak ter terechtzitting van het Hof wordt bepleit.

  • 2. Van die aantekening geeft de griffier de wederpartij bij aangetekende dienstbrief kennis.

Artikel 278

  • 1. De artikelen 108 en 109, eerste en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding in hoger beroep.

  • 2. De oorspronkelijke verweerder kan nieuwe weren van rechten, een verdediging ten principale opleverende, inbrengen, tenzij dezelfde in het geding in eerste instantie zijn gedekt, waaronder niet begrepen is het geval dat het recht om ten principale te antwoorden ingevolge artikel 120 vervallen is, noch ook het geval dat de onverenigbaarheid van het in hoger beroep gevoerde verweer ten principale met het in eerste aanleg gevoerde het gevolg is van een verandering of vermeerdering in hoger beroep van de eis.

Artikel 279

In hoger beroep zijn de artikelen 122 en 123 van toepassing, met dien verstande dat:

  • a.

    de oorspronkelijke gedaagde, eiser wordende in hoger beroep, niet is gehouden tot het stellen van de zekerheid;

  • b.

    de gedaagde in hoger beroep daartoe evenmin is gehouden, zelfs niet bij het instellen van incidenteel beroep;

  • c.

    de in eerste aanleg gestelde zekerheid ook blijft verbonden voor de kosten van het hoger beroep.

Artikel 280

  • 1. Voor zover uit deze titel dan wel uit een andere wettelijke regeling niet anders voortvloeit, is titel 2 in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat geen eis in reconventie kan worden ingesteld en geen verzoek tot vrijwaring kan worden gedaan.

  • 2. Ook artikel 224 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het Hof is bevoegd de behandeling van de rol op te dragen aan een uit zijn midden aangewezen lid.

Artikel 281

  • 1. Indien door partijen of een der partijen het verlangen te kennen is gegeven dat de zaak ter terechtzitting van het Hof wordt bepleit, bepaalt het Hof een dag daartoe. De griffier geeft de partijen daarvan schriftelijk kennis.

  • 2. Het Hof kan bepalen dat het pleidooi zal geschieden ten overstaan van een uit zijn midden aangewezen lid.

Artikel 281a

Het Hof kan, indien terzake geen middel is voorgesteld, ambtshalve recht doen.

Artikel 281b

Het Hof kan bepalen dat een veroordeling in de kosten geen voldoende belang oplevert voor het hoger beroep.

Artikel 282

Indien het hoger beroep van een vonnis waarbij de rechter in eerste aanleg aan een beslissing van het bodemgeschil niet is toegekomen, leidt tot een uitspraak die meebrengt dat zodanige beslissing alsnog moet worden genomen, verwijst het Hof de zaak daartoe naar dezelfde rechter, dan wel, indien de zaak ter kennisneming staat van een andere rechter in eerste aanleg, naar deze laatste, tenzij partijen verlangen dat het Hof de hoofdzaak zal afdoen, of het Hof daartoe termen aanwezig acht op grond dat het geding in die staat is dat daarover bij een en hetzelfde eindvonnis kan worden beslist.

Artikel 282a

In hoger beroep kan, met de vernietiging van het vonnis van het gerecht in eerste aanleg, teruggave worden gevorderd van hetgeen ter voldoening van dat vonnis is voldaan.

Artikel 283

  • 1. Het vonnis van de hogere rechter wordt in de gewone vormen opgemaakt en uitgesproken.

  • 2. De griffier van het Hof zendt terstond een afschrift van het vonnis met de processtukken aan de eerste rechter.

Artikel 284

Alle beslissingen van het Hof in hoger beroep worden steeds beschouwd als op tegenspraak te zijn gewezen.

Artikel 285

De griffier van het Hof houdt in een daartoe bestemd register nauwkeurig aantekening van de zaken die in hoger beroep van vonnissen worden aanhangig gemaakt. De aantekening bevat de namen van partijen en de dagtekening van het beklaagde vonnis, van het daartegen ingestelde beroep, van de incidentele vonnissen en van het in hoger beroep gewezen eindvonnis.

Artikel 286

  • 1. Zodra de uitspraak van de rechter in hoger beroep bij het gerecht in eerste aanleg is ontvangen, geeft de griffier van het gerecht in eerste aanleg bij aangetekende dienstbrief aan partijen kennis dat die uitspraak bij hem is ingekomen. Elke partij is bevoegd om, zolang het afschrift ter griffie berust, daarvan inzage te nemen en daarvan op haar kosten een door de griffier gewaarmerkt afschrift te vorderen.

  • 2. Van de beslissingen in hoger beroep wordt aantekening gehouden in het algemeen register.

TITEL 8 Verzet door derden

Artikel 287

Derden zijn bevoegd om zich te verzetten tegen een vonnis dat hun rechten benadeelt, indien zij noch in persoon, noch wettig vertegenwoordigd, of indien degenen die zij vertegenwoordigen, niet in het rechtsgeding zijn geroepen, of niet door voeging of tussenkomst partij zijn geweest.

Artikel 288

Dit verzet wordt gedaan door middel van een verzoekschrift aan de rechter die het vonnis heeft gewezen en het verzet beoordelen moet. Deze rechter doet de partijen tussen wie het vonnis is gevallen, oproepen ten einde terzake te worden gehoord.

Artikel 289

Indien zodanig vonnis aan een derde is tegengeworpen in een rechtsgeding en het verzet daartegen is ingesteld op de voet van artikel 288, staat het aan de rechter voor wie dat rechtsgeding aanhangig is, vrij om, indien daartoe gronden bestaan, de schorsing van het rechtsgeding toe te staan, totdat op het ingestelde verzet zal zijn beslist.

Artikel 290

De rechter die over een verzet van derden oordeelt, is bevoegd om, indien daartoe gronden bestaan, de uitvoering van het aangevallen vonnis te schorsen, totdat op het verzet zal zijn beslist.

Artikel 291

Bij wettiging van het verzet wordt het vonnis waartegen dit gericht is geweest, alleen in zoverre verbeterd, als het de rechten van de in verzet gekomen derde heeft benadeeld, tenzij het onsplitsbare van de gevallen beslissing een gehele vernietiging daarvan noodzakelijk maakt.

TITEL 9 Herroeping

Artikel 382

Een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen indien:

  • a.

    het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,

  • b.

    het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of

  • c.

    de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

Artikel 383

  • 1. Het rechtsmiddel moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

  • 2. Indien de partij die gronden heeft de herroeping te vorderen binnen die termijn is overleden, is artikel 266 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 384

  • 1. De vordering tot herroeping wordt gebracht voor de rechter die in laatste feitelijke instantie over de zaak heeft geoordeeld.

  • 2. Indien de Hoge Raad na vernietiging ten principale recht heeft gedaan, wordt de vordering gebracht voor het Hof van Justitie.

Artikel 385

Het geding wordt ingeleid met een verzoekschrift dat voldoet aan de eisen van artikel 6 en wordt verder gevoerd op de wijze als in titel 2 is bepaald.

Artikel 386

De vordering tot herroeping schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis niet. De rechter die over de herroeping oordeelt, kan evenwel desgevorderd, bij voorlopige voorziening de tenuitvoerlegging schorsen.

Artikel 387

De rechter die de voor herroeping aangevoerde grond of gronden juist bevindt, heropent het geding geheel of gedeeltelijk. Hij geeft partijen gelegenheid hun stellingen en verweren te wijzigen en aan te vullen.

Artikel 388

  • 1. Het vonnis waarbij het geding is heropend, schorst de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis in zoverre.

  • 2. De beslissing inzake de heropening van het geding is niet vatbaar voor hoger beroep. Een vordering tot herroeping kan daartegen evenmin worden ingesteld.

Artikel 389

Indien de rechter met betrekking tot het geding voor zover het is heropend, tot een ander oordeel komt, doet hij daarin opnieuw uitspraak met herroeping in zoverre van het bestreden vonnis.

TITEL 10 De rechtspleging in zaken waarin een beschikking wordt gegeven

AFDELING 1 Algemene bepalingen

Artikel 429a

Voor zover uit de wet niet anders voortvloeit, is deze titel van toepassing op alle zaken waarin de rechter op schriftelijk verzoek of ambtshalve een beschikking geeft, onverminderd hetgeen voor zaken betreffende het personen- en familierecht is bepaald in titel 6 van Boek 3.

Artikel 429b
  • 1. Een beschikking wordt gegeven in de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit.

  • 2. In zaken betreffende een arbeidsovereenkomst, een agentuurovereenkomst of een collectieve arbeidsovereenkomst wordt een beschikking gegeven.

Artikel 429ba

Aan de rechter komt geen rechtsmacht toe, indien het verzoek onvoldoende aanknoping met de rechtssfeer hier te lande heeft.

AFDELING 2 Relatieve bevoegdheid

Artikel 429c
  • 1. Tenzij de wet anders bepaalt, is bevoegd:

    • a.

      de rechter in eerste aanleg van de woonplaats van hetzij de verzoeker of één van de verzoekers, hetzij één van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden, dan wel, als zodanige woonplaats hier te lande niet bekend is, de rechter in eerste aanleg van het werkelijk verblijf van één van hen;

    • b.

      Indien het verzoek betrekking heeft op een ingevolge titel 1 ingeleid of in te leiden geding, de rechter die bevoegd is van dat geding kennis te nemen, tenzij het verzoek niet behoort tot diens absolute bevoegdheid.

  • 2. In zaken die uitsluitend betreffen de aanvulling van een register van de burgerlijke stand of de inschrijving, doorhaling of wijziging daarin van een akte of latere vermelding, is bevoegd de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de akte is of moet opgenomen.

  • 3. In zaken betreffende minderjarige kinderen is bevoegd de rechter in eerste aanleg van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats hier te lande, van het werkelijk verblijf van de minderjarige.

  • 4. In zaken betreffende curatele, onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen of mentorschap is bevoegd de rechter in eerste aanleg van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats hier te lande, van het werkelijk verblijf van degene wiens curatele onderscheidenlijk goederen of mentorschap het betreft.

  • 5. In zaken van afwezigheid of vermissing is bevoegd de rechter in eerste aanleg van de verlaten woonplaats van de afwezige of vermiste. Ten aanzien van de verklaring dat er rechtsvermoeden van overlijden bestaat en ten aanzien van de vaststelling van overlijden in de gevallen bedoeld in artikel 426 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, is in de Nederlandse Antillen bevoegd de rechter in eerste aanleg te Curaçao.

  • 6. In zaken betreffende nalatenschappen is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg van de laatste woonplaats van de overledene. In afwijking van de eerste volzin is in zaken die volgens afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, bevoegd de rechter van de woonplaats van de rechthebbende.

  • 7. In zaken betreffende een arbeidsovereenkomst, een agentuurovereenkomst of een collectieve arbeidsovereenkomst is mede bevoegd de rechter in eerste aanleg van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk gewoonlijk werd verricht.

  • 8. Wijzen de vorige leden in de Nederlandse Antillen geen bevoegde rechter aan, dan is de rechter in eerste aanleg te Curaçao bevoegd.

AFDELING 3 Oproeping

Artikel 429ca

Oproepingen geschieden door de griffier bij aangetekende brief, tenzij de rechter in eerste aanleg anders bepaalt.

Artikel 429cb

Oproepingen die bij brief geschieden, vermelden de dag van de verzending. Deze vermelding geschiedt niet slechts op de envelop.

Artikel 429cc

Indien de griffier een bij aangetekende brief verzonden oproeping terug ontvangt en hem blijkt dat de geadresseerde op de dag van verzending of uiterlijk twee weken nadien in de daartoe bestemde registers ingeschreven stond op het op de oproeping vermelde adres, verzendt hij de oproeping onverwijld bij gewone brief. In de overige gevallen waarin de griffier de oproeping terug ontvangt, verbetert de griffier, indien mogelijk, het op de oproeping vermelde adres en verzendt hij de oproeping opnieuw bij aangetekende brief, tenzij de rechter in eerste aanleg anders bepaalt.

Artikel 429cd

Oproepingen vermelden de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting. Zij worden zo spoedig mogelijk en ten minste twee weken voor die dag verzonden, tenzij de rechter in eerste aanleg anders bepaalt.

AFDELING 4 Verloop van de procedure in eerste aanleg

Artikel 429d
  • 1. Het verzoekschrift vermeldt de voornamen, naam en woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats hier te lande, het werkelijk verblijf van de verzoeker, alsmede een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust. In zaken betreffende een nalatenschap vermeldt het verzoekschrift tevens de laatste woonplaats van de overledene of de reden waarom deze vermelding niet mogelijk is.

  • 2. Het verzoekschrift wordt ondertekend en ter griffie ingediend. De griffier tekent op het verzoekschrift en op de afschriften de dag van ontvangst aan. Bij de indiening van het verzoekschrift worden, voor zover nodig, overgelegd de bescheiden die kunnen dienen tot bewijs van de gestelde feiten. Eveneens worden de nodige afschriften van het verzoekschrift en de bescheiden overgelegd.

  • 3. Indien een advocaat of zaakwaarnemer het verzoekschrift indient, geldt zijn kantoor als gekozen woonplaats van de verzoeker.

  • 4. De artikelen 110, tweede lid, en 112 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 429f
  • 1. De rechter in eerste aanleg bepaalt, tenzij hij zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst, onverwijld dag en uur waarop de behandeling aanvangt. Hij gelast tevens oproeping van de verzoeker en, voor zover nodig, van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden. Bovendien kan hij te allen tijde belanghebbenden, bekende of onbekende, doen oproepen.

  • 2. De oproepingen, behalve die van de verzoeker, gaan vergezeld van een afschrift van het verzoekschrift, tenzij een oproeping op andere wijze dan bij brief of exploot geschiedt, of de rechter anders bepaalt; in deze gevallen bevat de oproeping een korte omschrijving van het verzoek.

  • 3. De opgeroepene verschijnt in persoon of bij een gemachtigde. De rechter kan verschijning in persoon gelasten.

  • 4. De opgeroepene die in persoon verschijnt, mag zich door een raadsman doen bijstaan.

  • 5. Indien de behandeling van een zaak wordt aangehouden, blijft een hernieuwde oproeping van diegenen, aan wie de dag en het uur reeds mondeling ter terechtzitting waren medegedeeld, achterwege.

Artikel 429g

De behandeling geschiedt ter openbare terechtzitting, maar de rechter in eerste aanleg kan gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren bevelen in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid, indien de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van de verzoeker of van belanghebbenden dit eisen, of indien zulks strikt noodzakelijk wordt geacht onder bijzondere omstandigheden waarin behandeling ter openbare terechtzitting de belangen van de rechtspraak zou schaden.

Artikel 429h
  • 1. Iedere belanghebbende kan tot de aanvang van de behandeling of, indien de rechter in eerste aanleg dit toestaat, in de loop van de behandeling een verweerschrift indienen. Artikel 429d is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, indien de rechter zulks bepaalt, indiening van een verweerschrift in de loop van de behandeling kan geschieden ter terechtzitting onder verstrekking van een afschrift aan de verzoeker en de andere opgeroepen belanghebbenden.

  • 2. Het verweerschrift en de overgelegde bescheiden gaan vergezeld van de nodige afschriften. De griffier tekent op het verweerschrift en op de afschriften de dag van ontvangst aan. Tenzij de indiening overeenkomstig het eerste lid ter terechtzitting plaatsvindt, zendt de griffier onverwijld een afschrift aan de verzoeker en aan de andere opgeroepen belanghebbenden.

  • 3. De griffier roept, voor zover dat nog niet is geschied, hen die verweerschriften hebben ingediend op tegen de dag van de behandeling.

  • 4. Het verweerschrift mag een zelfstandig verzoek bevatten, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De rechter kan aan de verzoeker en de overige belanghebbenden gelegenheid geven tegen dit zelfstandig verzoek een verweerschrift in te dienen.

Artikel 429i

Zolang de rechter in eerste aanleg nog geen eindbeschikking heeft gegeven, is de verzoeker bevoegd het verzoek of de gronden daarvan schriftelijk te verminderen, veranderen of te vermeerderen. Artikel 109 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 429j
  • 1. Titel 2, afdeling 4 tot en met afdeling 8B zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de procedure zich hiertegen verzet.

  • 2. Indien de rechter in eerste aanleg een getuigenverhoor beveelt, kan hij ook door hem aangewezen personen als getuigen doen oproepen. In dit geval kan de oproeping door de griffier geschieden.

  • 3. Het verschoningsrecht komt aan de in artikel 144, tweede lid, onderdeel a, genoemde personen niet toe in procedures omtrent de toepassing van de voorschriften van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, vervat in de titels 5 en 9 tot en met 20, en van die, vervat in titel 6, voor zover het betreft gedingen tussen echtgenoten. Evenwel kunnen ouders en kinderen van de echtgenoten zich in gedingen tot echtscheiding en tot scheiding van tafel en bed verschonen.

  • 4. De overeenkomstige toepassing van de artikelen 174 en 174c vindt aldus plaats, dat de daarin bedoelde voorschotheffing, tenuitvoerlegging of voorlopige indebetstelling geschiedt ten laste van de belanghebbende die het verzoekschrift heeft ingediend, dan wel mede of uitsluitend ten laste van een of meer andere door de rechter aangewezen belanghebbenden.

Artikel 429ja
  • 1. De rechter kan, onder aanhouding van de zaak, partijen opdragen hun geschil voor te leggen aan een conflictbemiddelaar.

  • 2. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen nadere regels worden gesteld ter zake van deze bemiddeling.

Artikel 429jb

De artikelen 121a en 121b zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 429k
  • 1. De rechter in eerste aanleg bepaalt na afloop van de behandeling de dag waarop hij uitspraak zal doen en deelt deze dag aan de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden mede. Op verlangen van de verzoeker en de in de procedure verschenen belanghebbenden kan de rechter de uitspraak uitstellen.

  • 2. De beschikking wordt in het openbaar uitgesproken. De artikelen 48b, 48c, 52, 66 en 66a zijn van overeenkomstige toepassing, alsmede, tenzij de geboden spoed daaraan in de weg staat, artikel 46, vijfde lid.

  • 3. De beschikking moet, tenzij uit de wet anders voortvloeit, met redenen zijn omkleed. De rechter kan haar uitvoerbaar bij voorraad verklaren, met of zonder zekerheidstelling, en een veroordeling in de proceskosten uitspreken.

Artikel 429l

De verzoeker en iedere belanghebbende hebben recht op inzage en afschrift van het verzoekschrift, de verweerschriften, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden, de processen-verbaal en de beschikkingen.

Artikel 429m
  • 1. De rechter in eerste aanleg kan, indien een verzoekschrift over hetzelfde of een verknocht onderwerp reeds bij een andere rechter in eerste aanleg is ingediend, de verwijzing naar die andere rechter bevelen. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de aanvang van de behandeling. De griffier zendt een afschrift van de beschikking, alsmede het verzoekschrift en de overige stukken van het geding, ter verdere behandeling aan de rechter naar wie is verwezen.

  • 2. Indien bij dezelfde rechter meer verzoekschriften over hetzelfde of een verknocht onderwerp zijn ingediend, kan de voeging daarvan worden bevolen. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot het einde van de behandeling.

AFDELING 5 Hoger beroep

Artikel 429n
  • 1. Van de eindbeschikking staat, behoudens berusting, hoger beroep open.

  • 2. Door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen zes weken, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen zes weken na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend geworden is. Bij het beroepschrift worden zoveel afschriften gevoegd als er anderen dan hij in eerste aanleg zijn opgeroepen.

  • 3. De termijn loopt in zaken die volgens afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, vanaf de dagtekening van de beschikking, behoudens voor zover het niet verschenen belanghebbenden betreft die, hoewel zij ten tijde van de indiening van het verzoekschrift bekend waren, niet bij name, en zo zij toen onbekend waren, in het geheel niet zijn opgeroepen. Voor de in de vorige volzin bedoelde belanghebbenden loopt de termijn vanaf de betekening van de beschikking of het tijdstip waarop de beschikking hun op andere wijze bekend geworden is. Hetzelfde geldt in zaken betreffende executele en vereffening van een nalatenschap.

  • 4. Van tussenbeschikkingen is afzonderlijk hoger beroep niet toegelaten, tenzij het Hof van Justitie anders bepaalt. De artikel 263a en 269 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5. Indien hoger beroep is ingesteld, kan ondanks het verstrijken van de in de eerste volzin van het tweede lid genoemde termijn en ondanks berusting ieder van de aldaar genoemde personen alsnog bij verweerschrift incidenteel hoger beroep instellen.

Artikel 429o
  • 1. Hoger beroep wordt ingesteld door indiening van een verzoekschrift ter griffie van de rechter in eerste aanleg die de beschikking heeft gegeven. Artikel 270 is van overeenkomstige toepassing. De appellant geeft naam en woonplaats op van hen die in eerste aanleg zijn verschenen of bij name opgeroepen. De appellant is bevoegd de middelen waarop het hoger beroep gegrond is voor te dragen. Overigens vindt artikel 429d toepassing.

  • 2. De griffier zendt dit verzoekschrift met een afschrift van de beroepen beschikking en van de bij het verzoekschrift overgelegde bescheiden onverwijld aan de griffier van het Hof.

  • 3. Artikel 285 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 429p
  • 1. Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

  • 2. Deze uitvoerbaarverklaring bij voorraad kan ook in hoger beroep geschieden. Niettegenstaande de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in eerste aanleg kan het Hof van Justitie schorsing van de werking bevelen.

Artikel 429q
  • 1. Het Hof van Justitie bepaalt dag en uur waarop de behandeling aanvangt. Het gelast tevens oproeping van de appellant, van de verzoeker in eerste aanleg en van de in eerste aanleg in de procedure verschenen belanghebbenden. Bovendien kan het te allen tijde belanghebbenden, bekende of onbekende, doen oproepen.

  • 2. Indien aangaande dezelfde beschikking meer beroepschriften zijn ingediend, kan voeging worden bevolen.

  • 3. Iedere belanghebbende kan een verweerschrift indienen ter griffie van het Hof. Door belanghebbenden die in hoger beroep zijn opgeroepen, moet het verweerschrift worden ingediend binnen zes weken na de toezending aan hen van een afschrift van het beroepschrift, tenzij het Hof anders bepaalt.

  • 4. Indien een belanghebbende incidenteel hoger beroep heeft ingesteld, kunnen de appellant en de in hoger beroep opgeroepen belanghebbenden daartegen binnen zes weken na de toezending aan hen van een afschrift van het verweerschrift waarbij dit incidenteel hoger beroep is ingesteld, een verweerschrift indienen, tenzij het Hof anders bepaalt.

  • 5. Afdeling 3 en de artikelen 429f, derde tot en met vijfde lid, 429g, 429h, eerste, tweede en derde lid, en 429i tot en met 429l vinden overeenkomstige toepassing. Het Hof kan bepalen dat de behandeling geheel of gedeeltelijk zal geschieden door een uit zijn midden aangewezen lid.

  • 6. Artikel 263, derde lid, en de artikelen 281a tot en met 282 zijn van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 6 Herroeping

Artikel 429r
  • 1. Een beschikking kan op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker een belanghebbende worden herroepen op de gronden genoemd in artikel 382, tenzij de aard van de beschikking zich daartegen verzet.

  • 2. De artikelen 382 tot en met 384 en 386 tot en met 389 zijn van overeenkomstige toepassing. Overigens wordt het verzoek tot herroeping behandeld op de wijze als in deze titel is bepaald.

BOEK 2 DE GERECHTELIJKE TENUITVOERLEGGING VAN VONNISSEN, BESCHIKKINGEN EN AUTHENTIEKE AKTEN

TITEL 1 Algemene regels

Artikel 430

  • 1. De grossen van hier te lande gewezen vonnissen, van beschikkingen van de rechter hier te lande en van hier te lande verleden authentieke akten, alsmede van andere bij de wet als executoriale titel aangewezen stukken, kunnen hier te lande worden ten uitvoer gelegd.

  • 2. Zij moeten aan het hoofd voeren de woorden: In naam des Konings.

  • 3. Zij kunnen niet worden ten uitvoer gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten.

Artikel 431

  • 1. Behoudens de artikelen 985 tot en met 994 kunnen noch beslissingen, door vreemde rechters gegeven, noch in het buitenland verleden authentieke akten hier te lande ten uitvoer worden gelegd.

  • 2. De gedingen kunnen opnieuw bij de rechter hier te lande worden behandeld en afgedaan.

Artikel 431a

Indien de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een executoriale titel op een ander overgaat, kan de executie eerst worden aangevangen of voortgezet na betekening van deze overgang aan de geëxecuteerde.

Artikel 432

Geen vonnis waarvan de voorlopige tenuitvoerlegging niet is toegestaan, kan tegen een derde worden ten uitvoer gelegd, noch kan daaraan door die derde worden voldaan, dan acht dagen na betekening daarvan aan de partij die in het ongelijk is gesteld, en met overlegging van een verklaring van de griffier van het gerecht in eerste aanleg dat het bestreden vonnis heeft uitgesproken dat er in zijn registers geen verzet daartegen is aangetekend, onderscheidenlijk van de griffier van het Hof van Justitie dat geen hoger beroep of cassatie is aangetekend.

Artikel 433

De partij die beroep in cassatie heeft ingesteld, heeft de bevoegdheid om daarvan, indien zulks nog niet is geschied, ter griffie van het Hof van Justitie, in het daartoe bestemde register, aantekening te doen houden, met vermelding van de namen van de partijen, de dagtekening van het vonnis en die van het beroep in cassatie.

Artikel 434

De overhandiging van de executoriale titel waarvan men de uitvoering verlangt, aan de deurwaarder, machtigt hem in die zaak tot het doen van de gehele executie, uit die titel voortvloeiende, met uitzondering van die bij lijfsdwang, waartoe een bijzondere volmacht vereist wordt.

Artikel 435

  • 1. Een executant kan tegelijkertijd beslag leggen op alle voor beslag vatbare goederen waartoe hij bevoegd is zijn vordering te verhalen.

  • 2. Hij is verplicht een beslag dat strekt tot verhaal op een goed dat aan een ander dan de schuldenaar toebehoort, en dat ten laste van die ander wordt gelegd, binnen acht dagen aan de schuldenaar te betekenen.

  • 3. Wordt een beslag van de in het tweede lid bedoelde strekking ten laste van de schuldenaar gelegd, dan is de beslaglegger verplicht het binnen acht dagen aan de ander te betekenen of, zo hij diens recht niet kent, onverwijld nadat hij van dat recht kennis heeft gekregen. Indien de ander, voordat acht dagen na deze betekening zijn verstreken, schriftelijk aan de deurwaarder meedeelt zich tegen het verhaal op zijn goed te verzetten, geldt het beslag jegens hem slechts als conservatoir en kan de executie jegens hem slechts plaatsvinden uit hoofde van een tegen hem verkregen executoriale titel om deze executie te dulden.

Artikel 436

Voor de openbare dienst bestemde goederen zijn niet vatbaar voor beslag.

Artikel 436a

Onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen die toebehoren aan de overheid worden geacht bestemd te zijn voor de openbare dienst.

Artikel 437

Hetgeen omtrent de executie van een goed is bepaald, is van overeenkomstige toepassing op de executie van een beperkt recht op of een aandeel in een zodanig goed.

Artikel 438

  • 1. Geschillen die in verband met een executie rijzen, worden gebracht voor de rechter in eerste aanleg die naar de gewone regels bevoegd zou zijn, of in wiens rechtsgebied de inbeslagneming plaatsvindt, zich een of meer van de betrokken zaken bevinden of de executie zal geschieden.

  • 2. Tot het verkrijgen van een voorziening bij voorraad kan het geschil ook worden gebracht in kort geding voor de volgens het eerste lid bevoegde rechter in eerste aanleg. Onverminderd zijn overige bevoegdheden, kan de rechter in eerste aanleg, desgevorderd, de executie schorsen voor een bepaalde tijd of totdat op het geschil zal zijn beslist, dan wel bepalen dat de executie slechts tegen zekerheidstelling mag plaatsvinden of worden voortgezet. Hij kan beslagen, al of niet tegen zekerheidstelling, opheffen. Hij kan gedurende de executie herstel bevelen van verzuimde formaliteiten, met bepaling welke op het verzuim gevolgde formaliteiten opnieuw moeten worden verricht en ten laste van wie de kosten daarvan zullen komen. Hij kan bepalen dat een in het geding geroepen derde de voortzetting van de executie moet gedogen, dan wel zijn medewerking daaraan moet verlenen, al dan niet tegen zekerheidstelling door de executant.

  • 3. Voor zover de zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding, kan de rechter in eerste aanleg in plaats van de vordering af te wijzen de zaak op verlangen van de eiser verwijzen naar de gewone terechtzitting. Op verlangen van de eiser kan de rechter in eerste aanleg tevens bepalen dat voor het vervolg artikel 114 van toepassing zal zijn. Tegen een gedaagde die op voormeld tijdstip niet verschijnt en ook in het kort geding niet bij advocaat, zaakwaarnemer of deurwaarder is verschenen, wordt slechts verstek verleend, zo hij tegen dit tijdstip bij exploot is opgeroepen met inachtneming van de voor oproeping voorgeschreven termijn, dan wel van de termijn die op verlangen van de eiser door de rechter in eerste aanleg bepaald is.

  • 4. De deurwaarder die met de executie is belast en daarbij op een bezwaar stuit dat een onverwijlde voorziening nodig maakt, kan zich met een daarvan door hem opgemaakt proces-verbaal bij de rechter in eerste aanleg vervoegen ten einde deze in kort geding tussen de betrokken partijen te doen beslissen. De rechter in eerste aanleg houdt de behandeling aan tot de partijen zijn opgeroepen, tenzij hij, gelet op de aard van het bezwaar, een onmiddellijke beslissing geboden acht. De deurwaarder die zijn voormelde bevoegdheid zonder instemming van de executant uitoefent, kan persoonlijk in de kosten worden veroordeeld, indien deze uitoefening nodeloos was.

  • 5. In geval van verzet tegen de executie door een derde wordt zowel de executant als de geëxecuteerde opgeroepen.

Artikel 438a

  • 1. In zaken betreffende een executie waarin volgens de titels 2 en 3 van dit Boek of titel 9 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een beschikking wordt gegeven, is bevoegd de rechter in eerste aanleg in wiens rechtsgebied de te executeren zaken zich geheel of grotendeels bevinden of de executie zal geschieden.

  • 2. De indiening van verzoekschriften krachtens de artikelen 459, derde lid, 461b, 462, tweede lid, 463, derde lid, 463a, 465, 481, eerste lid, 496, tweede lid, en 506, tweede lid, kan ook door een deurwaarder geschieden. Hetzelfde geldt voor een verzoekschrift krachtens artikel 234, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, indien de executie door een pandhouder geschiedt, of krachtens artikel 251 van dat Boek. Indien een deurwaarder het verzoekschrift indient, geldt zijn kantoor als gekozen woonplaats van de verzoeker.

Artikel 438b

Voor zover de executie andere handelingen vergt dan het doen van een exploot, is artikel 15 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de overeenkomstige toepassing van het derde lid van dat artikel de plaats waar de handeling moet worden verricht bepalend is.

TITEL 2 De gerechtelijke tenuitvoerlegging op goederen die geen registergoederen zijn

AFDELING 1 Executoriaal beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn

Artikel 439
  • 1. Het beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn, wordt voorafgegaan door een exploot van een deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen. Eerst na verloop van die termijn kan het beslag worden gelegd. Indien daartoe gronden zijn, kan de rechter in eerste aanleg, ook op mondeling verzoek van de deurwaarder, die termijn inkorten.

  • 2. Indien bij het betekenen van de executoriale titel tevens het voorgeschreven bevel is gedaan, wordt geen afzonderlijk bevel vereist.

  • 3. Bij het bevel of de betekening moet de executant tot het einde van de executie woonplaats kiezen ten kantore van de deurwaarder, op straffe van nietigheid van het exploot. Tevens kan woonplaats worden gekozen hier te lande ten kantore van een advocaat.

Artikel 440
  • 1. Het beslag wordt gelegd bij een exploot van een deurwaarder, dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

    • a.

      de vermelding van de voornamen, naam en woonplaats van de executant en de naam, en zonodig de voornamen, en woonplaats van de geëxecuteerde;

    • b.

      de vermelding van de executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd;

    • c.

      indien het beslag wordt gelegd buiten het rechtsgebied waarin overeenkomstig artikel 439, derde lid, woonplaats is gekozen: een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder die het beslag legt.

  • 2. De deurwaarder kan zich doen bijstaan door een of twee getuigen, wier naam en woonplaats hij in dat geval in het proces-verbaal zal vermelden, en die dat stuk mede zullen tekenen.

Artikel 441
  • 1. Het beslag kan slechts worden gedaan voor een vordering waarvan het geldelijk beloop bepaalbaar is.

  • 2. Indien de vordering niet is vereffend, worden na het beslag alle verdere vervolgingen gestaakt, totdat de vereffening is geschied.

Artikel 443
  • 1. De deurwaarder gaat dadelijk, of uiterlijk op de volgende dag, over tot de meer bijzondere aanduiding van de zaken die hij in beslag neemt, en beschrijft deze op het door hem daarvan onverwijld op te maken proces-verbaal nauwkeurig met opgave van hun getal, gewicht en maat overeenkomstig hun aard. Het proces-verbaal wordt binnen drie dagen na de inbeslagneming betekend aan de geëxecuteerde en, als er een bewaarder is, ook aan deze.

  • 2. De executant mag bij de inbeslagneming niet tegenwoordig zijn dan in geval de deurwaarder zulks ter aanwijzing van de in beslag te nemen zaken noodzakelijk acht.

Artikel 444
  • 1. De deurwaarder heeft ter inbeslagneming toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.

  • 2. Indien de deuren gesloten zijn, of de opening daarvan geweigerd wordt, gelijk mede indien geweigerd wordt enige kamer of stuk huisraad te openen, alsmede wanneer bij niet-tegenwoordigheid van de geëxecuteerde er niemand gevonden wordt om hem te vertegenwoordigen, zal de deurwaarder zich vervoegen bij de rechter in eerste aanleg, in wiens tegenwoordigheid de opening van de deuren en van het huisraad zal worden gedaan voor zover dat redelijkerwijs nodig is. De rechter in eerste aanleg kan zich doen vertegenwoordigen door een politieambtenaar die tevens hulpofficier van justitie is. Van de tegenwoordigheid van deze ambtenaar en van hetgeen in zijn bijzijn, uit kracht van dit artikel en de artikelen 444a tot en met 445, is verricht, wordt melding gemaakt in het proces-verbaal van beslag.

Artikel 444a
  • 1. Indien er redelijk vermoeden bestaat, dat in beslag te nemen zaken zich bevinden op een plaats, van een derde gehuurd of op andere wijze in gebruik verkregen, zodanig dat voor de toegang de medewerking van de derde nodig blijft, zal de deurwaarder in geval van weigering van de geëxecuteerde of de derde om de deuren die tot de plaats toegang geven, te openen, handelen op de wijze, in artikel 444 bepaald. Met weigering staat gelijk afwezigheid na behoorlijke sommatie om persoonlijk of bij gemachtigde te verschijnen om de deuren te openen. De deurwaarder kan inmiddels door een bewaarder beletten dat van de plaats iets wordt weggenomen.

  • 2. De derde is gehouden de deurwaarder op vertoon van de titel uit krachte waarvan het beslag wordt gelegd, aanwijzing te doen van de verhuurde of op andere wijze in gebruik gegeven ruimte.

  • 3. Personen die een bedrijf maken van het verhuren of op andere wijze in gebruik geven, als bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn verplicht desgewenst de deurwaarder inzage te geven van het register of de stukken, waarin de gebruikers zijn vermeld.

  • 4. Van het ogenblik dat de deurwaarder zich tot de derde heeft gewend om tot de inbeslagneming ingevolge dit artikel te komen, verleent de derde de geëxecuteerde geen toegang meer tot de ruimte dan in tegenwoordigheid van de deurwaarder.

Artikel 444b
  • 1. Indien de derde niet voldoet aan enige hem bij artikel 444a, tweede, derde en vierde lid, opgelegde verplichting, kan hij worden veroordeeld tot voldoening van het bedrag van de vordering waarvoor het beslag wordt gelegd, met rente en kosten.

  • 2. De schade die de derde lijdt door het openbreken der deuren, wordt hem, indien dit niet aan hem te wijten is, vergoed door de executant, behoudens het verhaal van deze op de geëxecuteerde, indien daartoe gronden aanwezig zijn. De derde kan verlangen dat, alvorens tot het openmaken der deuren wordt overgegaan, zekerheid wordt gesteld voor de voldoening van de hem verschuldigde schadevergoeding.

  • 3. De deurwaarder en de politieambtenaar, bedoeld in artikel 444, tweede lid, zijn tot geheimhouding verplicht nopens de inhoud van het register en de stukken, bedoeld in artikel 444a, derde lid, behoudens wat de geëxecuteerde betreft, voor zover niet anders is vereist voor een behoorlijke vervulling van hun taak te dezen.

Artikel 445

Indien er bij de inbeslagneming gereed geld wordt gevonden, wordt het getal en de geldsoort vermeld; de deurwaarder geeft het geld, alsmede alle aandeelbewijzen, effecten en verder geldswaarde hebbend papier, aan een door hem aan te wijzen, in het kader van het toezicht op het bank- en kredietwezen geregistreerde, kredietinstelling, aan een door zodanige kredietinstelling gegarandeerd effectenbewaarbedrijf of aan de centrale bank in gerechtelijke bewaring, tenzij de executant en geëxecuteerde een andere plaats van bewaring zijn overeengekomen. De bewaring geschiedt ten name van de deurwaarder onder vermelding van het beslag, van de executant en van de geëxecuteerde.

Artikel 446
  • 1. De deurwaarder kan ook andere zaken dan die, bedoeld in artikel 445, aan een door hem aan te wijzen geschikte bewaarder in gerechtelijke bewaring geven, indien dit voor het behoud van deze zaken redelijkerwijs noodzakelijk is. Artikel 445, tweede volzin, is van toepassing.

  • 2. De deurwaarder maakt van de inbewaringgeving een afzonderlijk proces-verbaal op, dat binnen drie dagen na de inbewaringgeving wordt betekend aan de geëxecuteerde en aan de bewaarder.

Artikel 447

Geen beslag op roerende zaken mag, uit welken hoofde ook, gedaan worden op:

  • a.

    het nodige bed en beddegoed van de geëxecuteerde en de inwonende leden van zijn gezin en op de kleren waarmee zij gekleed en gedekt zijn;

  • b.

    de gereedschappen van ambachtslieden en werklieden, tot hun persoonlijk bedrijf behorende;

  • c.

    de in het huis voorhanden zijnde voorraad van spijs en drank, dienende tot de behoefte van het huisgezin gedurende een maand;

  • d.

    het ingevolge artikel 642c ter griffie van het gerecht in eerste aanleg gestorte bedrag.

Artikel 448
  • 1. Evenmin kan beslag worden gelegd op de boeken die de geëxecuteerde nodig heeft voor zijn beroep, en op de werktuigen en gereedschappen, dienend tot enig onderwijs of de beoefening van kunsten en wetenschappen, telkens tot een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen bedrag en te zijner keuze.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde zaken kunnen wel in beslag worden genomen voor vorderingen:

    • a.

      wegens levensbehoeften, verstrekt aan de geëxecuteerde en de inwonende leden van zijn gezin;

    • b.

      ter zake van de vervaardiging of het herstel van deze zaken of de verkoop daarvan aan de geëxecuteerde.

Artikel 449

Dag en uur van de verkoop van de in beslag genomen zaken worden aan de geëxecuteerde betekend, hetzij te zamen met het proces-verbaal van inbeslagneming, hetzij binnen drie dagen na de betekening daarvan.

Artikel 451
  • 1. Indien beesten of werktuigen voor de landbouw of vruchten te velde die reeds van de grond zijn afgescheiden, in beslag zijn genomen, kan de rechter in eerste aanleg, op verzoek van de executant en na verhoor of behoorlijke oproeping van de geëxecuteerde, een geschikte persoon aanstellen ten einde voor de nodige bedrijfsvoering, verzorging of inzameling zorg te dragen.

  • 2. Tegen een toewijzende beschikking krachtens het eerste lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 453a
  • 1. Een vervreemding, bezwaring, onderbewindstelling of verhuring van de zaak, totstandgekomen nadat deze in beslag genomen is, kan niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen.

  • 2. Rechten, door een derde anders dan om niet verkregen, worden geëerbiedigd, mits de zaak in zijn handen is gekomen en hij toen te goeder trouw was.

Artikel 455
  • 1. Nog niet verantwoorde en afgedragen baten, voortgebracht door de in beslag genomen zaken, vallen mede onder het beslag en moeten aan de deurwaarder worden verantwoord en op zijn verlangen aan hem worden afgedragen, een en ander behoudens de rechten van derden, die de executant moet eerbiedigen.

  • 2. Bestaat de bate in een vordering op een derde, dan valt zij niet onder het beslag dan nadat het beslag aan de derde is betekend. De artikelen 475i, 476 en 478 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 455a
  • 1. Vorderingen tot vergoeding die na inbeslagneming in de plaats van de beslagen zaak zijn getreden, daaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van de zaak, vallen, nadat het beslag aan de schuldenaar uit die vordering is betekend, eveneens onder het beslag, behoudens de rechten van derden, die de executant moet eerbiedigen. Zij moeten op verlangen van de deurwaarder aan hem worden voldaan.

  • 2. De artikelen 475i, 476 en 478 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 456
  • 1. Treft het beslag een zaak die geheel of ten dele aan een ander toebehoort, of ten aanzien waarvan een ander een recht geldend kan maken dat de executant moet eerbiedigen, dan kan deze ander zich tegen verkoop waarbij zijn recht niet in acht wordt genomen, tot op het tijdstip van verkoop verzetten.

  • 2. De eiser die in het ongelijk wordt gesteld, wordt op vordering van de executant, zo daartoe gronden zijn, tot schadevergoeding veroordeeld.

Artikel 457
  • 1. Op de in beslag genomen zaken kan tot het tijdstip van de verkoop opnieuw beslag worden gelegd. De beslaglegger is verplicht een zodanig beslag onverwijld te betekenen aan de deurwaarder die het eerdere beslag heeft gelegd, en, zo deze er is, aan de gerechtelijke bewaarder, met vermelding van de aard van de vordering en van het beloop van het bedrag waarvoor het nieuwe beslag is gelegd, of indien de vordering nog niet is vereffend, van het geschatte bedrag.

  • 2. Is het eerdere beslag gelegd op de grondslag van het Wetboek van Strafvordering, dan is de beslaglegger verplicht het door hem later gelegde beslag onverwijld te betekenen aan het parket van het openbaar ministerie bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de strafzaak op grond waarvan het eerdere beslag is gelegd, wordt of het laatst werd vervolgd.

  • 3. Indien onder een beslag vorderingen tot vergoeding vallen die voor in beslag genomen zaken in de plaats zijn getreden, worden deze ook door volgende beslagen op die zaken getroffen. Is een in beslag genomen zaak verloren gegaan, dan kan op die vorderingen tot op het tijdstip van de inning daarvan beslag worden gelegd, met inachtneming van dezelfde formaliteiten als wanneer deze zaak zich nog onder de schuldenaar zou hebben bevonden.

Artikel 458
  • 1. Indien op de zaak meer beslagen zijn gelegd, wordt zij verkocht door de beslaglegger die het oudste executoriale beslag heeft gelegd.

  • 2. Rust op een zaak een beperkt recht dat deze beslaglegger moet eerbiedigen, maar dat niet aan een latere beslaglegger kan worden tegengeworpen, dan wordt de zaak vrij van het beperkte recht verkocht, indien deze laatste beslaglegger aan de executant, de geëxecuteerde en de beperkt gerechtigde bij exploot meedeelt dit te verlangen.

Artikel 459
  • 1. Indien de executant in gebreke blijft om binnen vier weken na afloop van de in artikel 462 bedoelde termijn de verkoop tot stand te brengen, kan iedere beslaglegger die een executoriale titel heeft, de executie van de door hem in beslag genomen zaken overnemen door zulks bij exploot aan de executant en de geëxecuteerde aan te zeggen.

  • 2. De overneming kan niet geschieden dan nadat aan de executant schriftelijk een redelijke termijn is gesteld om alsnog tot verkoop over te gaan.

  • 3. Indien er meer beslagleggers zijn die de overneming verlangen, is slechts degene die het oudste executoriale beslag heeft gelegd, daartoe bevoegd, tenzij de rechter in eerste aanleg op verzoek van de meest gerede partij anders beslist.

  • 4. Tegen beschikkingen krachtens het derde lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 461a
  • 1. Indien de in beslag genomen zaak is verpand en de pandhouder bevoegd is tot executie over te gaan, kan hij, zo nodig overeenkomstig artikel 496 afgifte van de zaak vorderende, de executie overnemen en zelf executeren, met inachtneming van de bepalingen betreffende executie krachtens pandrecht.

  • 2. Rusten op een zaak meer pandrechten, dan komt deze bevoegdheid uitsluitend toe aan de hoogst gerangschikte pandhouder die tot executie wenst over te gaan.

  • 3. De pandhouder die van deze bevoegdheid gebruik wil maken, dient zulks uiterlijk op het tijdstip van de verkoop bij exploot aan de beslaglegger aan te zeggen, met opgave van de termijn waarbinnen hij tot verkoop zal overgaan.

  • 4. Zolang geen aanzegging plaatsvindt, blijft de beslaglegger bevoegd de executie voort te zetten.

Artikel 461b
  • 1. Indien de pandhouder de in artikel 461a, derde lid, bedoelde termijn te lang stelt, dan wel binnen die termijn niet tot verkoop overgaat, kan de rechter in eerste aanleg op verzoek van de beslaglegger een termijn bepalen waarbinnen de pandhouder uiterlijk tot de verkoop moet overgaan. Volgt binnen die termijn geen verkoop, dan is de executant met uitsluiting van de pandhouder bevoegd met de executie voort te gaan.

  • 2. Tegen een beschikking krachtens het eerste lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 461c

De schuldeiser die vóór het beslag ten aanzien van in beslag genomen zaken het beding, bedoeld in artikel 254 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, heeft gemaakt en van de in het tweede lid van dat artikel bedoelde bevoegdheid tot gezamenlijke executie gebruik wil maken, kan de executie overeenkomstig artikel 461a overnemen. De artikelen 544 tot en met 548 zijn op de executie van deze zaken van toepassing.

Artikel 461d

Bevindt de in beslag genomen zaak zich onder een derde en beroept deze zich erop dat hij het beslag wegens de vorm ervan of wegens een hem ten aanzien van de zaak toekomend recht niet behoeft te dulden, dan dienen bij het beslag, voor zover de executant de executie zonder eerbiediging van het ingeroepen recht of bevoegdheid wenst door te zetten, de regels betreffende het derden-beslag in afdeling 2 te worden gevolgd, met dien verstande dat het reeds gelegde beslag geldt als een uitsluitend op die zaken gelegd derdenbeslag en vervalt indien niet binnen drie dagen nadat het is gelegd, aan de derde een formulier in tweevoud als bedoeld in artikel 475, is betekend.

Artikel 462
  • 1. De verkoop van de in beslag genomen zaken mag niet plaatshebben vóór vier weken, te rekenen vanaf de dag van de betekening aan de geëxecuteerde van het proces-verbaal, bedoeld in artikel 443, zulks op straffe van schadevergoeding.

  • 2. Deze termijn kan verkort worden bij onderlinge toestemming van partijen of ook ten verzoeke van de meest gerede partij door de rechter in eerste aanleg.

Artikel 463
  • 1. De verkoop wordt in het openbaar gehouden ten overstaan van de deurwaarder en op een door deze daartoe aan te wijzen binnen zijn ambtsgebied gelegen plaats.

  • 2. Is de in beslag genomen zaak op een markt of beurs verhandelbaar, dan kan de verkoop, in afwijking van de artikelen 464 tot en met 466 en 469, geschieden op die markt door tussenkomst van een makelaar in het vak of ter beurze door die van een bevoegde tussenpersoon, overeenkomstig de regels en gebruiken die aldaar voor een gewone verkoop gelden.

  • 3. De rechter in eerste aanleg kan ten verzoeke van de beslaglegger of de geëxecuteerde een verkoop als bedoeld in het tweede lid, ook bepalen ten aanzien van effecten aan toonder die niet ter beurze verhandelbaar zijn.

Artikel 463a

Geschillen over de veilingvoorwaarden, over de wijze van verkoop of over plaats, dag of uur daarvan worden op verzoek van de meest gerede partij of de deurwaarder beslist door de rechter in eerste aanleg, onverminderd de bevoegdheid van hen wier rechten bij de executie niet worden geëerbiedigd, zich daartegen overeenkomstig artikel 438 te verzetten.

Artikel 463b

Tegen een beschikking krachtens artikel 462, tweede lid, 463, derde lid, of 463a staat geen hogere voorziening open.

Artikel 464
  • 1. In het rechtsgebied waarin de verkoop zal geschieden, worden, ter plaatse daartoe bestemd, biljetten aangeslagen, houdende aanduiding van plaats, dag en uur van de verkoop, alsmede van de aard van de zaken, doch zonder vermelding van nadere bijzonderheden.

  • 2. De biljetten worden in elk geval aangeslagen op de plaats waar de zaken zich bevinden en op die waar de verkoop zal plaatsvinden.

Artikel 465
  • 1. Het aanslaan van de biljetten moet geschieden na de in artikel 449 bedoelde betekening en ten minste vier dagen vóór de verkoop, tenzij die termijn door de rechter in eerste aanleg ten verzoeke van de meest gerede partij is verkort.

  • 2. Tegen een beschikking krachtens het eerste lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 466
  • 1. De verkoop wordt daarenboven bekendgemaakt in een dagblad, verschijnend ter plaatse waar de verkoping zal geschieden.

  • 2. Deze bekendmaking wordt echter niet vereist, indien het bedrag van de in beslag genomen zaken klaarblijkelijk minder dan NAF. 500, onderscheidenlijk Afl. 500 bedraagt. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan dit bedrag worden aangepast aan de geldontwaarding.

Artikel 467

De deurwaarder moet aan de voet van zijn proces-verbaal van beslag aantekening doen van het aanslaan van de biljetten en van de bekendmaking van de verkoop.

Artikel 469
  • 1. De verkoop wordt gehouden bij opbod of, ter keuze van de executant, bij opbod, gevolgd door afmijning, en de toewijzing geschiedt aan de meestbiedende en tegen gerede betaling in handen van de deurwaarder.

  • 2. De deurwaarder is bevoegd te vorderen dat hem door elke bieder de geboden koopsom ter hand wordt gesteld, en mag deze onder zich houden totdat de zaak is toegewezen.

  • 3. Stelt een bieder na de vordering de geboden koopsom niet aan de deurwaarder ter hand, dan wordt zijn bod niet aangenomen en wordt hij gedurende de gehele verkoping niet meer als bieder toegelaten.

  • 4. Bij de toewijzing wordt geen rekening gehouden met biedingen die ingevolge het derde lid niet mogen worden aangenomen.

  • 5. Bij gebreke van betaling wordt de zaak terstond weer verkocht ten laste van hem aan wie zij toegewezen is.

Artikel 470
  • 1. Men zal met de verkoop van de in beslag genomen zaken niet verder gaan dan nodig is om een opbrengst te verkrijgen die voor betaling van de schulden en kosten voldoende is.

  • 2. Te dien einde kan de geëxecuteerde de orde regelen volgens welke de zaken zullen worden verkocht.

Artikel 474

De deurwaarder is verantwoordelijk voor de verkregen opbrengst en voldoet daaruit onverwijld de kosten van de executie. Hij vermeldt in zijn proces-verbaal de namen en woonplaatsen van de kopers.

AFDELING 1A Executoriaal beslag op rechten aan toonder of order, aandelen op naam, en effecten op naam die geen aandelen zijn

Artikel 474a
  • 1. Het beslag op rechten aan toonder of order geschiedt door beslag op het papier. De afdelingen 1, 2 en 2B zijn, wat betreft het daar omtrent beslag op zaken bepaalde, van overeenkomstige toepassing, tenzij uit de desbetreffende bepaling in verband met de aard van het recht anders volgt. Indien het recht bestaat in een opeisbare vordering, kan de executant in plaats van tot verkoop overeenkomstig afdeling 1 over te gaan, de executie ook voortzetten door beslag onder derden overeenkomstig afdeling 2.

  • 2. Is ter voltooiing van de executie endossement vereist, dan kan dit door de deurwaarder die met de verkoop is belast, in zijn hoedanigheid van deurwaarder worden gesteld onder vermelding van de woorden: ter executie.

  • 3. In geval van verkoop worden de voormelde rechten op de biljetten, bedoeld in artikel 464, omschreven, met opgave van de naam van degene jegens wie het recht bestaat, van de aard van het recht, van het bedrag van de vordering waarin het recht bestaat, en van de renten die daarbij zijn bepaald.

Artikel 474aa
  • 1. De executie van andere aandelen op naam dan die bedoeld in afdeling 1B en van effecten op naam die geen aandelen zijn, geschiedt met overeenkomstige toepassing van die afdeling, tenzij uit de betreffende bepaling in verband met de aard van het aandeel of effect anders voortvloeit.

  • 2. Lidmaatschapsrechten in verenigingen worden als effecten op naam aangemerkt, indien zij voor vervreemding vatbaar zijn.

Artikel 474b
  • 1. Nog niet aan de geëxecuteerde verantwoorde en afgedragen baten die voortvloeien uit een recht aan toonder of order, een aandeel op naam of een effect op naam dat geen aandeel is, en die bestaan in geld of andere waarden, vallen mede onder het beslag en moeten aan de deurwaarder worden verantwoord en op zijn verlangen aan hem worden afgedragen, een en ander behoudens de rechten van derden die de executant moet eerbiedigen.

  • 2. Aan de schuldenaar die de baten heeft uitgekeerd aan iemand die zich door middel van het toonder- of orderpapier als gerechtigd tot die baten heeft gelegitimeerd, kan evenwel dit beslag niet worden tegengeworpen.

  • 3. De artikelen 475i, 476 en 478 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 474ba

Het stemrecht, verbonden aan een in beslag genomen goed als bedoeld in artikel 474b, en andere aan een zodanig goed verbonden bevoegdheden die niet onder dat artikel vallen, blijven gedurende het beslag bij de geëxecuteerde. Desgevraagd is de bewaarder of, als deze ontbreekt, de deurwaarder verplicht hem daartoe een bewijsstuk af te geven en verder het nodige te verrichten om hem in de gelegenheid te stellen tot het uitoefenen van deze rechten.

Artikel 474bb
  • 1. Rechten waarvan de executie niet elders geregeld is, en niet opeisbare rechten waarop beslag onder derden mogelijk is, kunnen met overeenkomstige toepassing van afdeling 1 worden geëxecuteerd, tenzij uit de wet of de aard van het recht anders volgt.

  • 2. De artikelen 474b en 474ba zijn onder hetzelfde voorbehoud van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Gaat het om een recht dat jegens een derde moet worden uitgeoefend, dan is voor het beslag tevens betekening van het beslagexploot aan de derde vereist.

  • 4. Indien door een zodanige executie van een niet opeisbaar recht waarop beslag onder derden mogelijk is, de geëxecuteerde of een andere belanghebbende onredelijk wordt benadeeld, beveelt de rechter in eerste aanleg op diens vordering dat de executie wordt gestaakt.

AFDELING 1B Executoriaal beslag op aandelen op naam in naamloze vennootschappen, besloten vennootschappen, vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en Aruba vrijgestelde vennootschappen

Artikel 474c
  • 1. Het beslag op aandelen op naam in een naamloze vennootschap, dan wel, in de Nederlandse Antillen, in een besloten vennootschap, of, in Aruba, in een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of Aruba vrijgestelde vennootschap geschiedt bij exploot van een dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

    • a.

      een aanzegging aan de vennootschap van de inbeslagneming;

    • b.

      de vermelding van de voornamen, naam en woonplaats van de executant en de naam, en zonodig voornamen, en woonplaats van de geëxecuteerde;

    • c.

      de vermelding van de executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd;

    • d.

      een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder.

  • 2. De deurwaarder vermeldt in zijn proces-verbaal zo mogelijk het getal en de nummers der in beslag genomen aandelen.

  • 3. Aan de vennootschap zal afschrift worden gelaten van het beslagexploot en van de executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd.

  • 4. In het register van aandeelhouders wordt terstond een namens de vennootschap ondertekende en door de deurwaarder mede-ondertekende aantekening geplaatst, vermeldende de datum en het tijdstip van het gelegde beslag, de naam van de beslaglegger en het getal en zo mogelijk de nummers der in beslag genomen aandelen.

  • 5. De vennootschap en een ieder die toegang heeft tot de ruimte waar het register van aandeelhouders wordt bewaard, zijn verplicht hun medewerking aan de bepaling van het vorige lid te verlenen. Indien geen register bestaat, vermeldt de deurwaarder dit in zijn proces-verbaal.

  • 6. Indien voor de in beslag genomen aandelen aandeelbewijzen zijn uitgegeven, is de vennootschap verplicht, op verlangen van de deurwaarder, hem daarvan bij het uitbrengen van het exploot mededeling te doen.

  • 7. Bij gebreke van enige medewerking als bedoeld in de drie voorafgaande leden is artikel 444b van overeenkomstige toepassing.

Artikel 474d
  • 1. De deurwaarder zal van het gelegde beslag onverwijld, zo mogelijk op dezelfde dag, schriftelijk mededeling doen aan de geëxecuteerde.

  • 2. Daarenboven moet, op straffe van verval van het beslag, een afschrift van het exploot binnen acht dagen na het beslag, aan de geëxecuteerde worden betekend.

  • 3. Indien voor de in beslag genomen aandelen aandeelbewijzen zijn uitgegeven, is de geëxecuteerde verplicht aan de deurwaarder, zo mogelijk reeds bij de betekening van het exploot van beslag, de aandeelbewijzen met de eventueel daarbij behorende dividendbewijzen en talons ter hand te stellen of het nodige te verrichten opdat deze stukken hem ter hand gesteld worden. Indien voor die terhandstelling de medewerking van een derde vereist is, is die derde verplicht zijn medewerking tegen vergoeding der kosten te verlenen. Bij gebreke van medewerking van de derde is artikel 444b van overeenkomstige toepassing.

  • 4. De deurwaarder zal, in afwachting van de executoriale verkoop, met die stukken handelen als bepaald in artikel 445.

Artikel 474e

De in beslag genomen aandelen kunnen niet ten nadele van de beslaglegger worden vervreemd, bezwaard of onder bewind gesteld.

Artikel 474f

Binnen acht dagen na het beslag zal de vennootschap aan de deurwaarder schriftelijk mededeling doen van rechten die vóór het exploot reeds op de in beslag genomen aandelen mochten zijn gevestigd, onder opgave van de namen en woonplaatsen der gerechtigden.

Artikel 474g
  • 1. Binnen één maand na het exploot van beslag zal de beslaglegger, op straffe van verval van het gelegde beslag, aan de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied hij bij het beslagexploot woonplaats heeft gekozen, zo mogelijk onder overlegging van de mededeling bedoeld in het voorgaande artikel en de statuten der vennootschap, verzoeken bij beschikking te bepalen, dat en binnen welke termijn tot verkoop en overdracht van de in beslag genomen aandelen kan worden overgegaan.

  • 2. De rechter in eerste aanleg gelast alvorens de gevraagde beschikking te geven de oproeping van de deurwaarder, de beslaglegger, de geëxecuteerde, de vennootschap, en, zo hij dit nodig acht, van verdere belanghebbenden, om op het verzoek te worden gehoord. Verzet tegen de verkoop door derden-rechthebbenden, kan uitsluitend geschieden door tijdige indiening van een daartoe strekkend verzoekschrift, waarvan afschrift wordt betekend aan de beslaglegger en aan de deurwaarder, die het beslag heeft gelegd.

  • 3. De rechter in eerste aanleg zal in zijn beschikking bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden de verkoop en overdracht dienen te geschieden.

  • 4. De wettelijke en statutaire bepalingen ter zake van vervreemding van aandelen moeten worden in acht genomen, met dien verstande, dat alle ten aanzien van de vervreemding aan de aandeelhouder toekomende rechten en op hem drukkende verplichtingen worden uitgeoefend en nagekomen door de deurwaarder. Ook de beschikking der rechter in eerste aanleg zal ten aanzien van deze wettelijke en statutaire bepalingen geen afwijkingen mogen inhouden, behoudens voor zover inachtneming van deze bepalingen de executoriale verkoop onmogelijk zou maken.

Artikel 474h
  • 1. Van de verkoop wordt door de deurwaarder proces-verbaal opgemaakt. De koopprijs wordt de deurwaarder ter hand gesteld.

  • 2. De levering van de aandelen heeft plaats door betekening van dat proces-verbaal en van de grosse der door de rechter in eerste aanleg gegeven beschikking aan de vennootschap.

  • 3. In het register van aandeelhouders wordt de dag der levering aangetekend.

  • 4. Indien de verkrijger der aandelen niet de beschikking heeft kunnen krijgen over de aandeelbewijzen met de eventueel daarbij behorende dividendbewijzen en talons op naam, zal de vennootschap hem daarvan desverlangd en op zijn kosten duplicaten afgeven. Door de uitgifte der duplicaten verliezen de oorspronkelijke stukken hun geldigheid. Indien de bedoelde verkrijger niet de beschikking heeft kunnen krijgen over de eventueel bij de aandeelbewijzen behorende dividendbewijzen en talons aan toonder, zal de vennootschap hem daarvan desverlangd en op zijn kosten slechts duplicaten afgeven na zekerheidstelling zijnerzijds voor de door de vennootschap tengevolge van de uitgifte der duplicaten op te lopen schade.

Artikel 474i

Bij executie van een executoriale titel tot levering van een aandeel zijn het tweede tot en met vierde lid van artikel 474h van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in plaats van het proces-verbaal en de beschikking, bedoeld in het tweede lid, de te executeren titel aan de vennootschap wordt betekend.

AFDELING 2 Executoriaal beslag onder derden

Artikel 475
  • 1. Het beslag op vorderingen die de geëxecuteerde op derden heeft of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, en op hem toebehorende roerende zaken die onder derden berusten en geen registergoederen zijn, geschiedt bij een exploot van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

    • a.

      een bevel aan de derde om het verschuldigde of de zaken onder zich te houden op straffe van onwaarde van elke in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte;

    • b.

      een vermelding van de naam, voornamen en woonplaats van de executant en de naam, en zonodig de voornamen, en woonplaats van de geëxecuteerde;

    • c.

      een vermelding van de titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, en een opgave van hetgeen de geëxecuteerde krachtens deze titel aan de executant verschuldigd is;

    • d.

      een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder.

  • 2. De deurwaarder laat aan de derde-beslagene afschrift van het beslagexploot en van de executoriale titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd, alsmede een formulier in tweevoud volgens een door de Minister van Justitie vast te stellen model, waarop de verklaring, bedoeld in artikel 476b, kan worden gedaan.

Artikel 475a
  • 1. Het beslag strekt zich niet uit tot vorderingen of zaken die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn, noch tot vorderingen die recht geven op een volgens de wet of naar haar aard niet voor beslag vatbare prestatie.

  • 2. Het beslag is niet geldig op het gedeelte van een vordering dat daarop wordt ingehouden krachtens de wet of uit hoofde van een ziektekostenverzekering, een pensioenspaarregeling of een ondernemingsspaarregeling voor een oudedagsvoorziening. Indien een in een breuk of percentage uitgedrukt gedeelte van de vordering niet voor beslag vatbaar is, wordt dit gedeelte berekend over het bedrag van de vordering, verminderd met de verplichte inhoudingen.

  • 3. Vorderingen die recht geven op iets anders dan betaling van een geldsom of dan levering van roerende zaken die geen registergoederen zijn, of van rechten aan toonder of order, vallen slechts onder het beslag, voor zover zij in het beslagexploot uitdrukkelijk zijn omschreven.

  • 4. Het beslag op een vordering tot levensonderhoud of tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding van een minderjarige, verschuldigd krachtens de wet of een overeenkomst ter nadere vaststelling van deze vordering of ter versterking van een desbetreffende natuurlijke verbintenis, dan wel een ter voldoening van een zodanige verbintenis gemaakt legaat, is niet geldig, tenzij het beslag voor een vordering van dezelfde aard wordt gelegd.

Artikel 475h
  • 1. Een vervreemding, bezwaring, afstand of onderbewindstelling van een door het beslag getroffen vordering, totstandgekomen nadat het beslag is gelegd, kan niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen. Hetzelfde geldt voor een in weerwil van het beslag gedane betaling of afgifte, tenzij de derde heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden gevergd om de betaling of afgifte te voorkomen.

  • 2. Op door het beslag getroffen zaken is artikel 453a van overeenkomstige toepassing.

Artikel 475i

De executant is verplicht om binnen acht dagen na het leggen van het beslag het beslagexploot aan de geëxecuteerde te doen betekenen, bij gebreke waarvan de rechter in eerste aanleg het beslag op vordering van de geëxecuteerde kan opheffen.

Artikel 476
  • 1. Een schorsing van de executie werkt tegen de derde-beslagene pas nadat deze schorsing hem, met de grond waarop zij berust, schriftelijk is meegedeeld.

  • 2. De executie wordt mede geschorst door betekening aan de derde-beslagene van een oproeping met een door de deurwaarder voor eensluidend getekend afschrift van het verzoekschrift waarbij de geëxecuteerde in kort geding schorsing van de executie of opheffing van het beslag vordert, indien dit verzoekschrift niet later is ingediend dan twee weken na de in artikel 475i bedoelde betekening van het beslag aan de geëxecuteerde en in het exploot van betekening aan de derde tevens mededeling van deze schorsende werking wordt gedaan.

Artikel 476a
  • 1. Zodra vier weken zijn verstreken na het leggen van het beslag, is de derde verplicht verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen. Is de executie geschorst op grond van een tegen de executoriale titel gericht rechtsmiddel of een tegen de executie gericht verzet, dan loopt de termijn vanaf de betekening van de uitspraak waarbij het rechtsmiddel is verworpen of het verzet is afgewezen, dan wel de schorsing is opgeheven of geweigerd.

  • 2. De verklaring wordt door de derde-beslagene gedagtekend en ondertekend en bevat:

    • a.

      de met redenen omklede opgave of hij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden, dan wel of hij al dan niet iets voor deze onder zich heeft;

    • b.

      de aard en het beloop van de door het beslag getroffen vorderingen en eventueel de tijdsbepalingen of voorwaarden die daaraan zijn verbonden;

    • c.

      een gespecificeerde opgave van de door het beslag getroffen zaken;

    • d.

      een opgave van eventuele andere, onder de derde-beslagene ten laste van de geëxecuteerde liggende beslagen, met vermelding van de deurwaarders die ze hebben gelegd, en de tijdstippen waarop ze zijn gelegd;

    • e.

      een opgave van de aan de derde-beslagene bekende pandrechten die op door het beslag getroffen goederen rusten, met vermelding van de pandhouders;

    • f.

      de verdere gegevens die voor het vaststellen van de rechten van partijen dienstig zijn.

Artikel 476b
  • 1. De verklaring wordt op een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vast te stellen wijze gericht tot de deurwaarder die het beslag heeft gelegd, of tot de advocaat die voor de beslaglegger optreedt, zo deze in het exploot is vermeld.

  • 2. De verklaring gaat zo veel mogelijk vergezeld van afschrift van tot staving dienende bescheiden.

  • 3. De deurwaarder of advocaat die een verklaring heeft ontvangen, zendt binnen drie dagen afschrift daarvan aan de geëxecuteerde.

Artikel 477
  • 1. De derde-beslagene die overeenkomstig artikel 476b verklaring heeft gedaan, is verplicht de volgens zijn verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen en de verschuldigde goederen of af te geven zaken tot zijn beschikking te stellen.

  • 2. Verschuldigde geldsommen worden uitbetaald tot het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, verminderd met de kosten van de in artikel 476b, tweede lid, bedoelde afschriften, en vermeerderd met de door de deurwaarder aan de derde-beslagene op te geven kosten van executie, die door de deurwaarder uit het betaalde worden voldaan. Verschuldigde goederen of af te geven zaken mogen onder de derde worden gelaten, totdat zij voor de verdere afwikkeling van de executie nodig blijken.

  • 3. Is een door het beslag getroffen vordering of een verplichting tot afgifte van een door het beslag getroffen zaak er een onder tijdsbepaling of voorwaarde, dan kan slechts betaling of afgifte na het verschijnen van het aangewezen tijdstip of de vervulling van de voorwaarde worden gevorderd.

  • 4. De beslaglegger is bevoegd tot opzegging, indien de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar gemaakt kan worden. Hij is jegens de geëxecuteerde gehouden niet onnodig van deze bevoegdheid gebruik te maken.

  • 5. Hetgeen in handen van de deurwaarder is gesteld, wordt verder geëxecuteerd overeenkomstig de gewone regels die voor de executie daarvan gelden.

Artikel 477a
  • 1. Indien de derde-beslagene in gebreke blijft verklaring te doen, wordt hij op vordering van de executant veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, als ware hij daarvan zelf schuldenaar, onverminderd zijn verplichting tot vergoeding van de schade, zo daartoe gronden zijn. De derde-beslagene tegen wie deze vordering wordt ingesteld, wordt toegelaten alsnog een gerechtelijke verklaring te doen. De kosten die in dat geval nodeloos zijn veroorzaakt, worden voor zijn rekening gebracht.

  • 2. Indien de derde-beslagene wel een verklaring heeft afgelegd, is de executant bevoegd deze geheel of ten dele te betwisten, dan wel aanvulling daarvan te eisen door de derde binnen twee maanden na zijn verklaring te doen oproepen tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executant zal blijken toe te komen. Overschrijding van deze termijn doet deze bevoegdheid vervallen. De rechter kan op verlangen van de derde-beslagene, te uiten vóór alle weren, bepalen dat de executant, op straffe van niet-ontvankelijkheid, zekerheid moet stellen voor de proceskosten waarin hij jegens de derde-beslagene kan worden veroordeeld.

  • 3. De executant of de advocaat van de executant, die een gerechtelijke verklaring ontvangt, zendt binnen drie dagen afschrift daarvan aan de geëxecuteerde.

  • 4. Indien de derde-beslagene die overeenkomstig artikel 476b verklaring heeft gedaan, zijn in artikel 477 bedoelde verplichting tot betaling of afgifte niet nakomt, wordt hij op vordering van de executant veroordeeld tot nakoming van deze verplichting, alsmede tot de vervangende schadevergoeding die hij in geval van niet-nakoming daarvan verschuldigd zal zijn.

Artikel 477b
  • 1. Betaling of afgifte door de derde-beslagene overeenkomstig zijn buitengerechtelijke verklaring of krachtens een veroordeling als bedoeld in artikel 477a, geldt als betaling of afgifte aan de geëxecuteerde.

  • 2. Levering uit hoofde van de executoriale verkoop van een goed dat de derde aan de geëxecuteerde verschuldigd was en ter beschikking van de deurwaarder heeft gesteld, geldt tevens als levering van dit goed door de derde aan de geëxecuteerde. Indien het niet gaat om een roerende zaak die geen registergoed is, of een recht aan toonder of order, dient de terbeschikkingstelling schriftelijk te zijn geschied.

  • 3. De derde-beslagene en de geëxecuteerde worden overigens niet gebonden door hetgeen in een vonnis ingevolge artikel 477a omtrent hun onderlinge rechtsverhouding is beslist, tenzij de derde-beslagene de geëxecuteerde tijdig in het geding heeft geroepen.

Artikel 478
  • 1. Indien onder de derde-beslagene ten laste van de geëxecuteerde ook andere beslagen zijn gelegd, en niet bij voorbaat vaststaat dat alle beslagleggers uit de door de derde-beslagene verschuldigde geldsommen zullen kunnen worden voldaan, int de deurwaarder die het oudste executoriale beslag heeft gelegd, voor de gezamenlijke beslagleggers hetgeen de derde-beslagene heeft te betalen of af te geven. Wordt de executie door de legger van dit beslag niet voortgezet, dan neemt de deurwaarder die het daaropvolgende executoriale beslag heeft gelegd, de inning over.

  • 2. Een derde-beslagene die een betaling of afgifte heeft gedaan aan een deurwaarder die een van de andere executoriale beslagen heeft gelegd, is niettemin bevrijd. De deurwaarder die de gelden of goederen heeft ontvangen, draagt deze onverwijld af aan de deurwaarder die ze had behoren te ontvangen.

  • 3. Ieder van de deurwaarders die beslag hebben gelegd, is verplicht de anderen zodra mogelijk van het door hen gelegde beslag op de hoogte te brengen. De derde is verplicht ieder van hen desgevraagd in te lichten omtrent andere beslagen, de namen en gekozen woonplaatsen van de andere beslagleggers en het beloop van hun vorderingen. Deze verplichtingen gelden ook voor en jegens degene op wiens last beslag is gelegd op de grondslag van het Wetboek van Strafvordering.

  • 4. Ieder van de beslagleggers kan tussenkomen in een procedure als bedoeld in artikel 477a.

Artikel 479
  • 1. Derdenbeslag onder het Land of een openbaar lichaam is, onverminderd artikel 436, toegelaten, echter slechts op bepaalde in het exploot of, in geval van het beslag als bedoeld in artikel 479g, in de kennisgeving omschreven vorderingen of zaken.

  • 2. Om redenen van openbaar belang kan het Land of het openbaar lichaam in kort geding voor de rechter in eerste aanleg onmiddellijke opheffing van het derdenbeslag vorderen.

Artikel 479a
  • 1. Indien een schuldeiser voor een vordering verhaal zoekt op een schuldenaar die om niet of tegen een onevenredig lage vergoeding geregeld werkzaamheden of diensten voor een derde verricht, waarvan de aard en omvang zodanig zijn dat zij gewoonlijk slechts tegen betaling worden verricht, wordt ten behoeve van die schuldeiser aangenomen dat daarvoor een redelijke vergoeding verschuldigd is.

  • 2. Bij de beoordeling van de vraag of het in het eerste lid bedoelde geval zich voordoet, en, zo ja, welke vergoeding als redelijk aangenomen moet worden, worden alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in het bijzonder de aard van de verrichte werkzaamheden of diensten, de betrekkingen van verwantschap of van andere aard tussen de schuldenaar en de derde en de financiële draagkracht van deze laatste.

AFDELING 2A

Executoriaal beslag onder derden in zaken betreffende levensonderhoud en uitkering voor de huishouding

Artikel 479b

Het beslag tot verhaal van een uitkering tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of bij wijze van voorlopige voorziening in verband met een scheidingsgeding, daaronder begrepen het verschuldigde voor verzorging en opvoeding van een minderjarige, alsmede het beslag tot verhaal van een uitkering, verschuldigd krachtens artikel 85, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek door een echtgenoot, worden, indien de beslagen gelegd worden op loon of andere periodieke uitkeringen die de geëxecuteerde van een derde te vorderen heeft, gelegd en vervolgd op de wijze en met de gevolgen in de afdeling 2 bepaald, voor zover daarvan in deze afdeling niet is afgeweken.

Artikel 479c

De bepalingen van landsverordeningen krachtens welke schuldeisers niet of alleen binnen de daarin aangegeven grenzen of op de daarin bepaalde wijze ten aanzien van loon en andere periodieke uitkeringen rechten kunnen doen gelden, zijn ten deze niet van toepassing.

Artikel 479d

De geëxecuteerde kan te allen tijde overeenkomstig artikel 438 verzet instellen op grond dat de beslissing over de uitkering inmiddels is gewijzigd of ingetrokken, of dat het recht op uitkering niet langer bestaat.

Artikel 479e
  • 1. Vanaf de dag van het beslag is de derde-beslagene verplicht om, zolang de executant dit verlangt, naar gelang hij loon of andere periodieke uitkeringen aan de geëxecuteerde verschuldigd is, het door de executant aangegeven achterstallig bedrag en de termijnen van de uitkering tot verhaal waarvan het beslag is gelegd, aan de executant te betalen, tenzij onder hem beslag gelegd wordt wegens vorderingen van hogere of gelijke rang.

  • 2. Verzet tegen het beslag door de geëxecuteerde schorst de verplichting tot betaling, behoudens de bevoegdheid van de rechter in eerste aanleg de voorlopige voortzetting van de betaling te bevelen.

  • 3. De derde die meer aan de executant heeft betaald dan waarop deze recht heeft, is jegens de geëxecuteerde bevrijd, voor zover dat voortvloeit uit artikel 34 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 479f

De executant vervolgt de derde-beslagene die in gebreke blijft aan zijn verplichting ingevolge artikel 479e te voldoen, op de gewone wijze.

Artikel 479g
  • 1. Indien de voogdijraad executant is, kan hij dit beslag leggen hetzij op de gewone wijze, hetzij door van de beschikking in afschrift mededeling te doen aan de derde-beslagene. In het laatste geval zendt deze die schriftelijke kennisgeving, voor "gezien" getekend, aan de voogdijraad terug. Eerst door deze terugzending is het beslag voltooid.

  • 2. De voogdijraad kan beslag leggen op de dag, volgende op die waarop de uitkering moet geschieden, zonder voorafgaande betekening of bevel tot betaling en zonder overlegging van een verklaring van de griffier, als bedoeld in artikel 432.

  • 3. Toezending door de executant van een afschrift van de kennisgeving bij aangetekende brief aan de geëxecuteerde binnen een week na de dag waarop die kennisgeving, voor "gezien" getekend, door de executant van de derde-beslagene is terugontvangen, geldt als de betekening, voorgeschreven in artikel 475i.

AFDELING 2B Executoriaal beslag onder de schuldeiser zelf

Artikel 479h

Een schuldeiser kan ook beslag leggen op de vorderingen die zijn schuldenaar op hem heeft of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen, alsook op de aan zijn schuldenaar toebehorende roerende zaken die hij voor deze onder zich heeft, en die geen registergoederen zijn.

Artikel 479i
  • 1. Het beslag wordt gelegd bij een exploot van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

    • a.

      de voornamen, naam en woonplaats van de executant en de naam, en zonodig de voornamen, en woonplaats van de geëxecuteerde;

    • b.

      een gespecificeerde opgave en omschrijving van de vorderingen en zaken waarop het beslag wordt gelegd;

    • c.

      een vermelding van de titel waarvan de tenuitvoerlegging plaatsvindt, en een opgave van hetgeen de geëxecuteerde krachtens deze titel aan de executant verschuldigd is;

    • d.

      een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder.

  • 2. De artikelen 475a, eerste en tweede lid, en 475h zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 479j
  • 1. Twee weken na het leggen van het beslag is de executant bevoegd de door hem aan de geëxecuteerde verschuldigde goederen of af te geven zaken over te geven aan de deurwaarder, ter executie volgens de gewone regels voor zodanige goederen of zaken voorgeschreven.

  • 2. Door de executoriale verkoop wordt de executant bevrijd van zijn verplichting tot levering van de goederen of afgifte van de zaken aan de geëxecuteerde.

Artikel 479k

Indien andere schuldeisers ten laste van de schuldenaar beslag op de vordering of de zaak hebben gelegd, is artikel 478 van overeenkomstige toepassing.

AFDELING 2C Executoriaal beslag op rechten uit een sommenverzekering

§1. Algemene bepalingen

Artikel 479ka
  • 1. Ten laste van degene die als begunstigde derde tot het ontvangen van een uitkering uit een sommenverzekering is aangewezen kan beslag worden gelegd onder de verzekeraar, indien:

    • a.

      de aanwijzing is aanvaard of aanvaard kan worden;

    • b.

      de aanwijzing onherroepelijk is volgens artikel 968, onderdelen b tot en met d, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de begunstigde derde zijn aanwijzing niet heeft afgewezen.

  • 2. De begunstigde derde wordt in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, geacht zijn aanwijzing te hebben aanvaard voor zover de executie strekt. Heeft de aanwijzing betrekking op een uitkering uit een levensverzekering, dan blijft de eerste volzin buiten toepassing zolang de begunstiging ingevolge de eerste volzin van artikel 479r, eerste lid, nog kan worden gewijzigd.

Artikel 479kb
  • 1. Onder de verzekeringnemer of een begunstigde kan geen beslag worden gelegd op enig uit de verzekering voortvloeiend recht, tenzij hun rechten aan toonder of order zijn gesteld.

  • 2. Zijn de rechten van de verzekeringnemer of de begunstigde aan toonder of order gesteld, dan kunnen deze rechten niet krachtens artikel 474a worden verkocht, doch dient de executie te worden voortgezet door beslag onder de verzekeraar overeenkomstig afdeling 2.

Artikel 479kc
  • 1. Aan degene die ten laste van de verzekeringnemer beslag onder de verzekeraar heeft gelegd, kan een rechtshandeling, na de beslaglegging door of met medewerking van de verzekeringnemer met betrekking tot de verzekering verricht, niet worden tegengeworpen.

  • 2. Aan degene die ten laste van de onherroepelijk aangewezen begunstigde beslag onder de verzekeraar heeft gelegd, kan een rechtshandeling, na de beslaglegging door of met medewerking van de begunstigde met betrekking tot de verzekering verricht, niet worden tegengeworpen.

§ 2. Beslag ten laste van de verzekeringnemer op diens rechten uit een levensverzekering

Artikel 479l

Het beslag op de rechten die voor de geëxecuteerde als verzekeringnemer voortvloeien uit een overeenkomst van levensverzekering als omschreven in artikel 975 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt uitsluitend gelegd en vervolgd op de wijze zoals in afdeling 2 voor de in artikel 475 bedoelde goederen is bepaald, voor zover daarvan in deze afdeling niet wordt afgeweken.

Artikel 479m
  • 1. Nadat de verzekeraar verklaring heeft gedaan als bedoeld in artikel 476a, kan de executant de levensverzekering doen afkopen, tenzij de verzekeringnemer de bevoegdheid mist de verzekering te doen afkopen, en zulks niet het gevolg is van een beperking of uitsluiting als bedoeld in artikel 986, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Tevens kan de executant de begunstiging wijzigen ten behoeve van de geëxecuteerde, voor zover deze niet reeds onherroepelijk was toen het beslag gelegd werd.

  • 2. Ondanks het beslag kan de geëxecuteerde een uit de overeenkomst of de wet voortvloeiend recht tot belening van de levensverzekering uitoefenen ter voldoening, voor zover mogelijk, van hetgeen aan de executant verschuldigd is.

  • 3. Het door de verzekeraar ingevolge afkoop, belening of uitkering van de levensverzekering aan de geëxecuteerde of diens rechtverkrijgenden verschuldigde bedrag, valt onder het beslag.

Artikel 479n
  • 1. De executant is verplicht bij deurwaardersexploot aan de geëxecuteerde mededeling te doen welke van de in artikel 479m, eerste lid, bedoelde rechten hij wil uitoefenen. Het exploot houdt op straffe van nietigheid de vermelding in van de mogelijkheid als bedoeld in artikel 479p tot het vorderen van een verbod van de afkoop van de verzekering of de wijziging van de begunstiging, alsmede van de daarvoor gestelde termijn. Hij doet een afschrift van het exploot toekomen aan de verzekeraar.

  • 2. Indien de executant de levensverzekering wil doen afkopen, houdt het exploot op straffe van nietigheid de vermelding in dat de geëxecuteerde binnen twee weken na de dag waarop het exploot is uitgebracht aan de executant en de verzekeraar bij aangetekende brief mededeling kan doen dat hij de levensverzekering overeenkomstig artikel 479m, tweede lid, wil belenen.

  • 3. De executant kan de bevoegdheden als bedoeld in artikel 479m, eerste lid, uitoefenen zodra twee weken zijn verstreken na de dag waarop het exploot bedoeld in het eerste lid is uitgebracht. Heeft de geëxecuteerde een mededeling gedaan als bedoeld in het tweede lid, dan kan de executant de levensverzekering evenwel eerst doen afkopen zodra vier weken na die mededeling zijn verstreken en de belening niet heeft plaatsgevonden.

Artikel 479o
  • 1. Indien de executant de levensverzekering heeft doen afkopen of de geëxecuteerde deze overeenkomstig artikel 479m, tweede lid, heeft beleend, vervalt het beslag met betrekking tot die verzekering zodra de verzekeraar het uit die afkoop of die belening verschuldigde bedrag aan de deurwaarder heeft voldaan.

  • 2. Indien de executant met betrekking tot een levensverzekering de begunstiging heeft gewijzigd, vervalt die wijziging door de beëindiging van het beslag op die verzekering.

Artikel 479p
  • 1. Indien de geëxecuteerde of een begunstigde door een afkoop van de levensverzekering of een wijziging van de begunstiging onredelijk zou worden benadeeld, verbiedt de rechter in eerste aanleg in kort geding op diens vordering geheel of ten dele die afkoop of wijziging. De in de vorige volzin bedoelde vordering kan slechts worden ingesteld tot twee weken na de dag waarop het exploot bedoeld in artikel 479n, eerste lid, is uitgebracht. De in de eerste volzin bedoelde vordering kan in de gevallen, bedoeld in artikel 479r, tweede lid, eerste volzin, en derde lid, worden ingesteld tot twee weken na de dag waarop het exploot, bedoeld in artikel 479r, tweede lid, onderscheidenlijk derde lid, is uitgebracht.

  • 2. Zolang op een vordering als bedoeld in het eerste lid niet is beslist, kan de executant de levensverzekering niet doen afkopen of de begunstiging wijzigen. Bij de beslissing op een vordering tot het verbieden van de afkoop van de verzekering kan de rechter, ook ambtshalve, de geëxecuteerde een nadere termijn van ten hoogste vier weken toestaan voor het belenen van de verzekering.

Artikel 479q

Indien met betrekking tot een levensverzekering door verschillende schuldeisers beslag is gelegd, geschiedt de voortzetting van de executie door degene die het oudste executoriaal beslag heeft gelegd. Wordt de executie door de legger van dit beslag niet voortgezet, dan neemt degene die het daaropvolgende beslag heeft gelegd, de executie over.

Artikel 479r
  • 1. Indien de begunstiging na de beslaglegging onherroepelijk wordt, kan deze onherroepelijkheid niet aan de executant worden tegengeworpen. De verzekeraar is verplicht een uitkering, waarop de begunstiging betrekking heeft, onder zich te houden. Voor zover vaststaat dat de begunstiging niet zal worden gewijzigd, blijven de eerste en de tweede volzin buiten toepassing.

  • 2. Eindigt het verzekerde risico door het overlijden van de verzekeringnemer binnen twee weken na de dag waarop het in artikel 479n, eerste lid, bedoelde exploot is uitgebracht, dan kan de executant niet tot wijziging van de begunstiging overgaan tot twee weken nadat hij de begunstigde bij deurwaardersexploot van zijn voornemen tot wijziging van de begunstiging op de hoogte heeft gesteld. Hij doet een afschrift van het exploot toekomen aan de verzekeraar. De verzekeraar is verplicht aan de executant de nodige gegevens te verschaffen om de begunstigde te kunnen bereiken. Artikel 479n, eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing. De eerste volzin mist toepassing wanneer de begunstigde reeds een vordering als bedoeld in artikel 479p, eerste lid, heeft ingesteld.

  • 3. Heeft de executant nog niet overeenkomstig artikel 479n, eerste lid, of overeenkomstig het tweede lid aan de geëxecuteerde, onderscheidenlijk de begunstigde, mededeling gedaan van zijn voornemen tot wijziging van de begunstiging, dan vervalt de mogelijkheid om de begunstiging te wijzigen, indien de executant de begunstigde niet binnen een door hem aan de executant gestelde termijn van tenminste vier weken bij deurwaardersexploot van zijn voornemen tot wijziging op de hoogte heeft gesteld.

AFDELING 3 De verdeling van de opbrengst van de executie

Artikel 480
  • 1. Indien er geen andere schuldeiser is die op de goederen of de opbrengst van de executie beslag heeft gelegd, en evenmin een beperkt gerechtigde bekend is wiens recht door de executie is vervallen, keert de deurwaarder de netto-opbrengst aan de executant tot het beloop van diens vordering uit. Een eventueel overschot wordt aan de geëxecuteerde afgedragen.

  • 2. Indien er wel schuldeisers of beperkt gerechtigden als bedoeld in het eerste lid, zijn, stort de deurwaarder de netto-opbrengst onverwijld bij een bewaarder als bedoeld in artikel 445. Indien de voormelde schuldeisers en beperkt gerechtigden, alsmede de geëxecuteerde en de executant, tot overeenstemming omtrent de verdeling van de netto-opbrengst komen, keert de deurwaarder, of in zijn opdracht de bewaarder, aan ieder het hem toekomende uit.

Artikel 481
  • 1. Is na de inning van de opbrengst van de executie geen overeenstemming als bedoeld in artikel 480, tweede lid, tot stand gekomen, dan kan de meest gerede partij aan de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de executie in hoofdzaak heeft plaatsgehad, de benoeming van een rechter-commissaris verzoeken, ten overstaan van wie de verdeling zal plaatsvinden.

  • 2. Bij het verzoekschrift is gevoegd een staat van alle in artikel 480 bedoelde belanghebbenden met vermelding van hun woonplaatsen, op te maken door de deurwaarder.

  • 3. Tegen een benoeming krachtens het eerste lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 482
  • 1. De griffier doet onverwijld aan de voormelde belanghebbenden bij gewone brief mededeling van de benoeming van de rechter-commissaris, met vermelding van de termijn waarbinnen de in het tweede lid bedoelde aanmelding van de vorderingen moet plaatsvinden.

  • 2. De tot voormelde belanghebbenden behorende schuldeisers, onder wie begrepen de voormelde beperkt gerechtigden, dienen binnen twee weken na de mededeling hun vorderingen schriftelijk, zo veel mogelijk met overlegging van bewijsstukken, bij de rechter-commissaris aan te melden ten einde overeenkomstig de door hen daarbij aan te geven rang te worden gerangschikt.

Artikel 483

Na verloop van de twee weken maakt de rechter-commissaris naar aanleiding van de overgelegde stukken een staat van verdeling op.

Artikel 483a

Vorderingen onder een ontbindende voorwaarde worden in de rangschikking begrepen voor het gehele bedrag, onverminderd de werking van de voorwaarde wanneer zij vervuld wordt.

Artikel 483b

Vorderingen onder een opschortende voorwaarde worden in de rangschikking begrepen, hetzij voor hun waarde ten tijde van het opmaken van de staat van verdeling, hetzij, op verlangen van een van de schuldeisers of de geëxecuteerde, voorwaardelijk voor het gehele bedrag.

Artikel 483c
  • 1. Niet opeisbare vorderingen en vorderingen die recht geven op periodieke uitkeringen, worden in de rangschikking begrepen voor hun waarde ten tijde van het opmaken van de staat van verdeling.

  • 2. Bij de berekening wordt uitsluitend gelet op het tijdstip en de wijze van aflossing, het kansgenot, waar dit bestaat, en, indien de vordering rentedragend is, op de bedongen rentevoet.

Artikel 483d

Vorderingen waarvan de waarde onbepaald of onzeker is of niet in het hier te lande uitgegeven geld is uitgedrukt, worden in de rangschikking begrepen voor hun geschatte waarde in hier te lande uitgegeven geld ten tijde van het opmaken van de staat van verdeling.

Artikel 483e

Indien een pand- of hypotheekrecht strekt tot zekerheid van vorderingen die de pand- of hypotheekhouder uit hoofde van een bestaande rechtsverhouding zal verkrijgen, kunnen deze in de rangregeling worden begrepen, hetzij voor het gehele op het tijdstip van het opmaken van de staat reeds verschuldigde bedrag, hetzij, op verlangen van de pand- of hypotheekhouder, voorwaardelijk voor het gehele bedrag waarvoor het pand- of hypotheekrecht tot zekerheid strekt.

Artikel 483f

Vorderingen die betwist worden, kunnen door de rechter-commissaris voorwaardelijk worden opgenomen tot een door hem te bepalen bedrag. Indien de voorrang betwist wordt, kan deze door de rechter-commissaris voorwaardelijk worden erkend.

Artikel 484
  • 1. De staat wordt door de rechter-commissaris ter griffie nedergelegd. Van deze nederlegging wordt onverwijld door de griffier aan alle bovengenoemde belanghebbenden bij gewone brief kennis gegeven, met vermelding van dag en uur waarop alle partijen zich bij de rechter-commissaris kunnen vervoegen tot het voorstellen van hun tegenspraak.

  • 2. Indien de geëxecuteerde niet tevens de schuldenaar is, geschiedt de kennisgeving mede aan deze laatste.

Artikel 485
  • 1. Indien er geen tegenspraak gedaan wordt, sluit de rechter-commissaris zijn proces-verbaal en gelast bij bevelschrift de houder van de netto-opbrengst daaruit de nog niet eerder voldane kosten te voldoen en aan de schuldeisers en de geëxecuteerde uit te betalen hetgeen hun, volgens de staat, toekomt. Het bedrag waarvoor een vordering of een daaraan verbonden voorrang voorwaardelijk is opgenomen of erkend, wordt gereserveerd tot de vordering of de voorrang vaststaat.

  • 2. De bevelschriften worden in executoriale vorm uitgegeven.

Artikel 485a
  • 1. De tegenspraak wordt gericht tot de rechter-commissaris en op diens proces-verbaal aangetekend.

  • 2. Heeft een schuldeiser als bedoeld in artikel 482, tweede lid, de daar bedoelde termijn niet in acht genomen of niet op de in artikel 484 bedoelde dag tegenspraak gedaan, dan kan hij slechts in zijn tegenspraak worden ontvangen, indien hij daarbij een redelijk belang heeft en hij de daardoor veroorzaakte kosten en schade voor zijn rekening neemt en deze tot een door de rechter-commissaris voorlopig te begroten bedrag onverwijld stort bij de bewaarder van de opbrengst.

Artikel 486
  • 1. In geval van tegenspraak verwijst de rechter-commissaris de partijen, zo hij ze niet kan verenigen, en voor zover het geschil niet reeds aanhangig is, naar een door hem te bepalen terechtzitting van de rechter in eerste aanleg, zonder dat daartoe een oproeping is vereist.

  • 2. De gemachtigden die voor partijen optreden, verklaren dit bij het uitroepen ter terechtzitting.

  • 3. Verschijnt de schuldeiser wiens vordering is tegengesproken, op de bepaalde terechtzitting niet, dan wordt hij geacht de aanmelding van zijn vordering te hebben ingetrokken; verschijnt degene die de tegenspraak doet, niet, dan wordt hij geacht zijn tegenspraak te hebben laten varen.

  • 4. Belanghebbenden die geen tegenspraak hebben gedaan, kunnen in het geding niet tussenkomen of zich voegen.

Artikel 489

Nadat op het geschil bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak is beslist of het geschil krachtens artikel 486, derde lid, is geëindigd, legt de meest gerede partij de uitspraak of een uittreksel uit het audiëntieblad waaruit van het niet verschijnen blijkt, aan de rechter-commissaris over. Deze sluit zijn proces-verbaal en beveelt de uitgifte van bevelschriften tot betaling overeenkomstig artikel 485.

Artikel 490

Na het sluiten van het proces-verbaal van verdeling kan geen tegenspraak meer worden gedaan, hebben de belanghebbenden onderling geen recht meer op rente over hetgeen aan hen is toegedeeld en kan geen beslag op de opbrengst van de executie meer worden gelegd.

Artikel 490a

Het bedrag, uitgetrokken voor een voorwaardelijk opgenomen vordering of een voorwaardelijk erkende voorrang, wordt, zodra blijkt dat de schuldeiser niets of minder te vorderen heeft dan wel geen of een lagere voorrang heeft, overeenkomstig de opgemaakte staat onder de schuldeisers verdeeld.

Artikel 490b
  • 1. Indien een pandhouder krachtens zijn pandrecht heeft geëxecuteerd en er beperkt gerechtigden of beslagleggers zijn als bedoeld in artikel 253, eerste lid, derde volzin, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, wordt het daar bedoelde overschot dat van de netto-opbrengst na afhouding van het aan de pandhouder krachtens zijn rang toekomende is overgebleven, aan hen uitgekeerd overeenkomstig hetgeen zij en de pandgever omtrent de verdeling daarvan zijn overeengekomen.

  • 2. Is op het tijdstip dat de pandhouder tot uitkering kan overgaan, nog geen overeenstemming omtrent de verdeling bereikt, dan stort de pandhouder de opbrengst tot ten minste het bedrag van het overschot onverwijld bij een bewaarder, met overeenkomstige toepassing van artikel 445, en kan de meest gerede partij, onder wie de pandhouder zelf, een rangregeling verzoeken overeenkomstig de voorgaande artikelen van deze afdeling. Indien de pandhouder zelf aan de vereisten van artikel 445 voldoet, kan hij zichzelf als bewaarder aanwijzen.

  • 3. De rangregeling betreft het overeenkomstig het tweede lid in bewaring gegeven bedrag, mits de pandhouder binnen de in artikel 482 bedoelde termijn aan de rechter-commissaris de stukken ter hand stelt waaruit van de verantwoording van het gestorte bedrag blijkt, en binnen de in artikel 484 bedoelde termijn geen tegenspraak ter zake van het door de pandhouder afgehouden bedrag wordt gedaan.

  • 4. Blijkt na tegenspraak de pandhouder volgens de definitief geworden staat teveel van de netto-opbrengst te hebben afgehouden, dan gelast de rechter-commissaris, desverlangd, bij een in executoriale vorm afgegeven bevelschrift dat door ieder bij genoemde staat batig gerangschikte kan worden geëxecuteerd, de pandhouder het tekort tegen kwijting aan de in het tweede lid bedoelde bewaarder uit te keren.

  • 5. Heeft de pandhouder overeenkomstig artikel 482 rangschikking van zijn vordering gevorderd of blijkt hij na tegenspraak teveel te hebben afgehouden, dan draagt hij in de kosten van de rangregeling bij. In andere gevallen worden de kosten van de in de rangregeling betrokken pandhouder hem vergoed door degenen die zijn verantwoording betwist hebben. Desverlangd geeft de rechter-commissaris een desbetreffend bevelschrift in executoriale vorm uit.

  • 6. Indien belanghebbenden vóór de totstandkoming van een rangregeling alsnog over de verdeling overeenstemming bereiken en daarvan uit een onderhandse of authentieke akte doen blijken, keert de bewaarder ieder het hem volgens deze akte toekomende uit.

Artikel 490c
  • 1. Een executant die betaling heeft ontvangen, is verplicht, desverlangd, aan hem wiens goed is verkocht, en aan de schuldenaar binnen één maand na de betaling rekening en verantwoording te doen.

  • 2. Een schuldeiser die in de rangregeling is begrepen, kan binnen een maand na de sluiting daarvan een gelijke rekening en verantwoording vragen, indien hij daarbij een rechtstreeks belang heeft.

Artikel 490d

Beschikkingen van de rechter-commissaris krachtens deze afdeling zijn niet vatbaar voor hoger beroep.

AFDELING 4 Executie tot afgifte van roerende zaken die geen registergoederen zijn

Artikel 491
  • 1. De executie tot afgifte van een roerende zaak die geen registergoed is, vangt aan met een bevel als bedoeld in artikel 439, welk artikel van overeenkomstige toepassing is, behoudens dat de in het eerste lid van dat artikel bedoelde termijn niet behoeft te worden in acht genomen ter zake van de executie van vonnissen en beschikkingen die uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard.

  • 2. De executie geschiedt doordat de deurwaarder de zaak onder zich neemt en afgeeft aan degene die haar krachtens de executoriale titel moet ontvangen. Hij maakt van een en ander onverwijld proces-verbaal op.

  • 3. De artikelen 440 en 443 tot en met 444b zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 444b de waarde van de zaak in de plaats treedt van het bedrag van de vordering waarvoor beslag is gelegd.

Artikel 492
  • 1. Ter inleiding van de toepassing van artikel 491 kan de deurwaarder op de zaak beslag tot verkrijging van afgifte leggen. De in artikel 439, eerste lid, bedoelde termijn behoeft daarbij niet in acht te worden genomen.

  • 2. Indien de deurwaarder bevindt dat de zaak reeds in beslag is genomen, is artikel 491 niet van toepassing, maar kan de deurwaarder daarop overeenkomstig het eerste lid eveneens beslag leggen. Hij is verplicht dit beslag onverwijld te betekenen aan de deurwaarder die het reeds liggende beslag heeft gelegd.

  • 3. De artikelen 440, 443 tot en met 446, 451, 453a en 455 zijn van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van de volgende bepalingen van deze afdeling. Voor de toepassing van artikel 444b treedt de waarde van de in beslag te nemen zaak in de plaats van het bedrag van de vordering waarvoor het beslag is gelegd. De artikelen 445 en 446 worden niet toegepast, zolang de zaak zich reeds in gerechtelijke bewaring bevindt. Artikel 455 is alleen van toepassing voor zover het recht op afgifte mede de daar bedoelde baten betreft.

  • 4. Indien geen ander beslag daaraan in de weg staat, kan de deurwaarder alsnog artikel 491 toepassen. Het door hem gelegde beslag eindigt daardoor.

Artikel 493

Betreft het recht op afgifte een of meer naar de soort bepaalde zaken, dan neemt de deurwaarder een aan dat recht beantwoordende hoeveelheid zaken van die soort onder zich of in beslag, uit te kiezen door de deurwaarder, tenzij de geëxecuteerde tijdig van een hem toekomende bevoegdheid tot kiezen gebruik maakt.

Artikel 494
  • 1. Betreft het recht op afgifte te velde staande vruchten en beplantingen van een onroerende zaak, dan kan uit dien hoofde beslag worden gelegd op de zaak of het zakelijk recht van degene jegens wie dit recht bestaat, zulks overeenkomstig de bepalingen betreffende beslag op onroerende zaken, maar met vermelding in het proces-verbaal dat het beslag slechts ten aanzien van die vruchten of beplantingen zijn werking heeft.

  • 2. Het beslag komt op de vruchten of beplantingen te rusten, zodra deze zijn afgescheiden. Zodra alle vruchten of beplantingen waarop het beslag betrekking heeft zijn afgescheiden, vervalt het beslag op de zaak of het zakelijk recht.

  • 3. Artikel 451 is, mede ter zake van de inoogsting, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 495
  • 1. Betreft het recht op afgifte een orderpapier, dan is artikel 474a, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Betreft het recht op afgifte een toonder- of orderpapier en is aan het daaruit voortvloeiende recht stemrecht verbonden, dan is artikel 474ba van overeenkomstige toepassing, tenzij het stemrecht blijkens de executoriale titel aan de executant toekomt.

Artikel 496
  • 1. Betreft het een executie tot afgifte op vordering van een pandhouder als bedoeld in artikel 237, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, dan geeft de deurwaarder de zaak af aan de pandhouder of derde in wiens macht de zaak moet worden gebracht.

  • 2. Is het pandrecht uit hoofde waarvan de afgifte geëist wordt, niet bij een authentieke akte gevestigd, dan kan de deurwaarder de zaak slechts onder zich nemen of in beslag nemen met verlof van de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de zaak zich bevindt. Het verlof wordt verzocht bij een verzoekschrift waarbij de pandakte wordt overgelegd. De rechter in eerste aanleg beslist na summier onderzoek. Het verlof en het verzoekschrift worden, met het in artikel 491, tweede lid, bedoelde proces-verbaal, aan de pandgever betekend. Tegen het verlof staat geen hogere voorziening open.

  • 3. Is op de zaak reeds beslag gelegd, dan kan de deurwaarder haar met handhaving van het beslag niettemin onder zich nemen, mits de pandhouder tevens overeenkomstig artikel 461a de executie van de beslaglegger overneemt. Hij betekent de in de vierde volzin van het tweede lid bedoelde stukken onverwijld mede aan de deurwaarder die het beslag heeft gelegd.

Artikel 497
  • 1. Bij samenloop van een beslag tot verkrijging van afgifte met een ander beslag, al of niet van dezelfde aard, kan de meest gerede partij zich overeenkomstig artikel 438 tot de rechter wenden.

  • 2. Wordt op een zaak zowel beslag tot verkrijging van afgifte gelegd als tot verhaal van een geldvordering, dan geldt het beslag tot verkrijging van afgifte, zo nodig, tevens als een als tweede gelegd executoriaal beslag tot verhaal van de vordering tot vervangende schadevergoeding wegens uitblijven van de afgifte.

  • 3. Een beslag tot verhaal van een vordering tot vervangende schadevergoeding wegens het uitblijven van afgifte van een zaak kan niet tegen de legger van een beslag tot verkrijging van afgifte van die zaak worden ingeroepen, indien deze andere goederen van de beslagene aanwijst die voor deze vordering voldoende verhaal bieden.

Artikel 498

Zolang de afgifte nog niet heeft plaatsgevonden, kan ieder wiens recht op de zaak de executant moet eerbiedigen, zich tegen de afgifte verzetten.

Artikel 499

Bevindt de zaak zich onder een derde die tegen de afgifte geen bezwaar maakt of zich niet te goeder trouw tegen een vordering tot afgifte aan de geëxecuteerde zou kunnen verzetten, dan geschiedt de executie overeenkomstig de voorgaande artikelen van deze afdeling. De afgifte aan de executant geldt mede als afgifte van de derde aan de geëxecuteerde.

Artikel 500

Tot afgifte van een zaak die zich onder een derde bevindt, kan ook derdenbeslag gelegd worden. De artikelen 475 tot en met 479 zijn van overeenkomstige toepassing. Het exploot van beslaglegging houdt in om de afgifte van welke zaak of zaken het gaat. De verklaring van de derde, bedoeld in artikel 476a, betreft uitsluitend deze zaak of zaken.

TITEL 3 De gerechtelijke tenuitvoerlegging op onroerende zaken

AFDELING 1 Executoriaal beslag op onroerende zaken

Artikel 502
  • 1. Het beslag op onroerende zaken moet worden voorafgegaan door een exploot van een deurwaarder, houdende bevel om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen. Eerst na verloop van die termijn kan het beslag worden gelegd. Indien daartoe gronden zijn, kan de rechter in eerste aanleg, ook op mondeling verzoek van de deurwaarder, die termijn inkorten.

  • 2. Het bevel maakt melding van de titel uit kracht waarvan de vervolging plaats heeft, en drukt uit dat bij gebreke van betaling zal worden overgegaan tot executoriale maatregelen tegen de onroerende zaken van de geëxecuteerde, zulks op straffe van nietigheid van het exploot.

  • 3. Indien bij het betekenen van de executoriale titel tevens het voorgeschreven bevel is gedaan, wordt geen afzonderlijk bevel vereist.

  • 4. Bij het bevel of de betekening moet de executant tot het einde van de executie woonplaats kiezen ten kantore van de deurwaarder, zulks op straffe van nietigheid van het exploot. Tevens kan woonplaats worden gekozen hier te lande ten kantore van een advocaat.

Artikel 503

Indien de schuldeiser een jaar na het bevel heeft laten verlopen, zal hij gehouden zijn het bevel te vernieuwen.

Artikel 504
  • 1. Het beslag geschiedt bij een proces-verbaal van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

    • a.

      de vermelding van de voornamen, naam en woonplaats van de executant en de naam, en zonodig de voornamen, en woonplaats van de geëxecuteerde;

    • b.

      de vermelding van de titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd;

    • c.

      de aard van de in beslag genomen onroerende zaken, hun kadastrale aanduiding, en, indien zij buiten de bebouwde kom zijn gelegen, zoveel mogelijk de grootte;

    • d.

      indien het beslag wordt gelegd buiten het rechtsgebied waarin overeenkomstig artikel 502, vierde lid, woonplaats is gekozen, een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder die het beslag legt.

  • 2. In het proces-verbaal kan tevens een notaris worden aangewezen ten overstaan van wie de verkoop zal geschieden. In dat geval wordt in plaats van bij de deurwaarder, woonplaats bij de notaris gekozen.

Artikel 504a
  • 1. Het beslag kan slechts worden gelegd voor een vordering waarvan het geldelijk beloop bepaalbaar is.

  • 2. Zolang de vordering niet is vereffend, kan niet tot executoriale verkoop worden overgegaan.

Artikel 505
  • 1. Het proces-verbaal van inbeslagneming wordt in de in titel 1, afdeling 2, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers ingeschreven. Een afschrift van het proces-verbaal wordt op straffe van nietigheid van het beslag niet later dan drie dagen na de inschrijving aan de geëxecuteerde betekend.

  • 2. Een vervreemding, bezwaring, onderbewindstelling of verhuring, totstandgekomen na de inschrijving van het proces-verbaal, kan niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen.

  • 3. Indien de akte betreffende de vervreemding of bezwaring vóór de inschrijving van het beslag reeds was verleden, kan de vervreemding of bezwaring nog tegen de beslaglegger worden ingeroepen, mits de inschrijving van deze akte uiterlijk geschiedt de eerste dag waarop het kantoor van de bewaarder van de openbare registers na de dag van de inschrijving van het beslag voor het publiek opengesteld is.

Artikel 506
  • 1. De geëxecuteerde is verplicht de in beslag genomen zaken in goede staat te houden.

  • 2. De rechter in eerste aanleg kan op verzoek van een beslaglegger een gerechtelijke bewaarder van de zaak aanstellen.

  • 3. Tegen een aanstelling staat geen hogere voorziening open.

Artikel 507
  • 1. Vruchten en beplantingen die ten tijde van de inschrijving zich nog op of in de zaak bevinden of te velde staan en vóór de verkoop worden geoogst, vallen mede onder het beslag, tenzij daarop rechten of beslagen van derden rusten, daaronder begrepen het pandrecht, bedoeld in artikel 237, vierde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 2. Artikel 451 is, mede ter zake van de inoogsting, van toepassing.

  • 3. Na de betekening van het ingeschreven beslag aan de huurder valt de aan de geëxecuteerde nog verschuldigde huur onder het beslag en moet zij worden betaald aan de notaris ten overstaan van wie de executie zal plaatsvinden, mits dit bij de betekening uitdrukkelijk aan de huurder, met opgave van de plaats van betaling, wordt meegedeeld en behoudens de rechten van derden, die de executant moet eerbiedigen. Hetgeen aan de notaris wordt betaald, wordt gerekend tot de in artikel 551 bedoelde opbrengst van de zaak. De artikelen 475i, 476 en 478 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op hetgeen aan de geëxecuteerde verschuldigd is als canon uit hoofde van een erfpacht, als solarium uit hoofde van een opstalrecht of als retributie uit hoofde van een erfdienstbaarheid, of als tegenprestatie ter zake van een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 252, vierde lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 507a
  • 1. Eveneens vallen onder het beslag vorderingen tot vergoeding die na de inschrijving in de plaats van de zaak zijn getreden, daaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van de zaak.

  • 2. Zij moeten met overeenkomstige toepassing van artikel 507, derde lid, aan de notaris worden voldaan, behoudens de rechten van derden, die de executant moet eerbiedigen.

Artikel 508

Rusten op de in beslag genomen zaak een of meer hypotheken, dan doet de beslaglegger het door hem gelegde beslag uiterlijk binnen vier dagen na de inschrijving in de desbetreffende openbare registers aan de hypotheekhouders betekenen; de betekening mag geschieden aan de door deze overeenkomstig artikel 260, eerste lid, derde volzin, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek gekozen woonplaats.

Artikel 509
  • 1. Indien een hypotheekhouder die uit hoofde van zijn recht bevoegd is tot executoriale verkoop, de executie wil overnemen en dit binnen twee weken nadat het beslag aan hem is betekend, aanzegt aan de executant met inachtneming van artikel 544, tweede lid, geschiedt de executie verder door de hypotheekhouder en zijn de desbetreffende bepalingen van toepassing.

  • 2. Zijn er meer hypotheekhouders, dan komt deze bevoegdheid toe aan de hoogst gerangschikte hypotheekhouder die de in het eerste lid bedoelde aanzegging heeft gedaan.

  • 3. Wordt niet binnen twee weken een aanzegging gedaan, dan is de beslaglegger bevoegd de executie voort te zetten.

Artikel 513
  • 1. Indien meer schuldeisers op dezelfde zaak beslag hebben gelegd, vindt de executie plaats op de vervolging van degene die het eerst overeenkomstig artikel 505, eerste lid, het proces-verbaal van beslag heeft doen inschrijven.

  • 2. De rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de zaak geheel of grotendeels is gelegen, kan op verzoek van een schuldeiser wiens proces-verbaal later is ingeschreven, bepalen dat deze de executie zal overnemen:

    • a.

      in geval van arglist van de schuldeiser wiens proces-verbaal het eerst is ingeschreven, of samenspanning van deze met de geëxecuteerde;

    • b.

      indien deze schuldeiser de executie niet met redelijke spoed voortzet.

  • 3. Tegen een beschikking krachtens het tweede lid staat geen hogere voorziening open.

  • 4. Bij toepassing van het tweede lid wordt de overneming bij exploot aan de geëxecuteerde aangezegd.

Artikel 513a

De inschrijving van het beslag kan worden doorgehaald met toepassing van de artikelen 28 en 29 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat de bewaarder mede tot doorhaling wordt gemachtigd door:

  • a.

    een ingeschreven schriftelijke verklaring van de deurwaarder dat hij in opdracht van de executant het beslag opheft, of dat het beslag is vervallen;

  • b.

    een overeenkomstig artikel 17, eerste lid, onderdeel e, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek ingeschreven rechterlijke uitspraak die tot opheffing van het beslag strekt.

AFDELING 2 Executoriale verkoop van onroerende zaken

Artikel 514
  • 1. De executoriale verkoop geschiedt ten overstaan van een bevoegde notaris.

  • 2. Zo de notaris niet reeds in het proces-verbaal van inbeslagneming is aangewezen, geschiedt de aanwijzing bij exploot aan de geëxecuteerde. Hetzelfde geldt voor de vervanging van een reeds aangewezen notaris.

  • 3. Bij het exploot kiest de executant op straffe van nietigheid woonplaats ten kantore van de aangewezen notaris.

Artikel 515
  • 1. De notaris stelt binnen twee weken na zijn aanwijzing of, zo er hypothecaire inschrijvingen zijn, binnen twee weken na het ongebruikt verstrijken van de in artikel 509, eerste lid, bedoelde termijn, plaats, dag en uur van de verkoop vast.

  • 2. Hij deelt schriftelijk plaats, dag en uur van de verkoop mede aan de geëxecuteerde en aan alle in artikel 551 bedoelde beperkt gerechtigden en schuldeisers, een en ander aan de hand van een door de bewaarder van de openbare registers af te geven getuigschrift, waarin de inschrijvingen en de boekingen in de registers van voorlopige aantekeningen worden vermeld, die daartoe van belang zijn.

Artikel 516
  • 1. Geen verkoop kan plaatsvinden dan na verloop van 30 dagen nadat zij door aanplakking volgens plaatselijk gebruik en door aankondiging in een plaatselijk verspreid dagblad is bekendgemaakt.

  • 2. In de bekendmakingen wordt vermeld dat het een executoriale verkoop betreft.

Artikel 517
  • 1. De notaris stelt de veilingvoorwaarden vast, zulks in overleg met de executant en met inachtneming van artikel 519. Ten minste acht dagen voor de verkoop doet hij de in artikel 515, tweede lid, bedoelde ingeschrevenen en latere beslagleggers hiervan mededeling, met toezending van een exemplaar van deze condities, en legt hij tevens een exemplaar daarvan te zijnen kantore neder ter inzage voor het publiek.

  • 2. Op verlangen van ieder van de voormelde belanghebbenden kunnen de veilingvoorwaarden tevens inhouden dat de zaak wordt verkocht vrij van daarop rustende rechten of beperkingen, die niet tegen het recht van deze belanghebbende kunnen worden ingeroepen.

Artikel 518
  • 1. Geschillen over de veilingvoorwaarden, over de wijze van verkoop of over plaats, dag of uur daarvan worden op verzoek van de meest gerede partij of van de notaris beslist door de rechter in eerste aanleg in wiens rechtsgebied de zaken geheel of grotendeels zijn gelegen, onverminderd de bevoegdheid van degenen wier rechten bij de executie niet worden geëerbiedigd, zich daartegen overeenkomstig artikel 538 te verzetten.

  • 2. Tegen beschikkingen krachtens het eerste lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 519

De verkoop vindt in het openbaar plaats, eerst bij opbod en vervolgens bij afmijning.

Artikel 520
  • 1. De executant kan onroerende zaken die in verschillende rechtsgebieden zijn gelegen, slechts gezamenlijk voor één prijs verkopen, indien zij te zamen worden geëxploiteerd of door alle belanghebbenden bij de opbrengst gezamenlijke verkoop is overeengekomen.

  • 2. Is zulks niet overeengekomen, dan kan de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de zaken grotendeels zijn gelegen, op verzoek van de meest gerede partij of van de notaris bepalen dat de zaken gezamenlijk zullen worden verkocht.

  • 3. Tegen beschikkingen krachtens het tweede lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 521

Heeft de executant voor de schuld waarvoor hij beslag heeft gelegd, tevens hypotheek op andere onroerende zaken of op beperkte rechten daarop, dan mag hij de in beslag genomen zaken slechts verkopen indien de aan hem verhypothekeerde goederen ontoereikend zijn.

Artikel 522

Indien meer onroerende zaken in dezelfde inbeslagneming zijn vervat en de opbrengst van het verkochte toereikend is om de executant, de beperkt gerechtigden wier recht vervalt, en de andere beslagleggers op deze zaken, met de kosten, te voldoen, gaat de notaris met de verkoop van de overige zaken niet verder, tenzij de geëxecuteerde verklaart die verkoop te verlangen.

Artikel 523

De notaris is verplicht, voor zover hem dit mogelijk is, uiterlijk op de dag na de verkoop, van de verkoop schriftelijk kennis te geven aan de geëxecuteerde en aan alle in artikel 551 bedoelde beperkt gerechtigden en schuldeisers.

Artikel 524

De koper is gehouden de koopprijs te voldoen in handen van de notaris. Deze voldoet daaruit de kosten van de executie.

Artikel 525
  • 1. De koper verkrijgt het recht op de verkochte zaken door inschrijving van het proces-verbaal van toewijzing.

  • 2. De bewaarder van de openbare registers weigert inschrijving, indien niet tevens een verklaring van de notaris wordt overgelegd dat de koopprijs in zijn handen is gestort, en, zo het gaat om een verkoop als bedoeld in artikel 477b, tweede lid, tevens een schriftelijke verklaring van de derde dat hij de zaak ter beschikking heeft gesteld van de deurwaarder die het beslag onder de derde heeft gelegd.

  • 3. De geëxecuteerde wordt op vertoon van het proces-verbaal genoodzaakt tot ontruiming op de wijze, bepaald in de artikelen 556 en 557.

Artikel 526
  • 1. Artikel 273 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing.

  • 2. Op de in artikel 273 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek aangegeven wijze vervallen ook beperkte rechten die wel tegen de verkoper ingeroepen kunnen worden, indien de zaak vrij van deze rechten is verkocht overeenkomstig artikel 517, tweede lid.

Artikel 527

Schiet de koper tekort in de nakoming van de koopovereenkomst, dan mag de executant ten laste van de koper de verkochte zaak, met inachtneming van de artikelen 514 en volgende, wederom verkopen. De executant is tot deze verkoop gehouden, indien een van de bij de opbrengst direct belanghebbenden dit verlangt.

Artikel 528

De koper kan deze nieuwe verkoop voorkomen door vóór de verkoop alsnog aan de koopovereenkomst te voldoen en de met betrekking tot deze nieuwe verkoop reeds gemaakte kosten te betalen met aanbod van zekerheid voor zover deze nog niet bekend zijn.

Artikel 529

De koper die in de nakoming van de koopovereenkomst tekortschiet, is aansprakelijk voor het verschil tussen de prijs waarvoor hij de zaak heeft gekocht en die van de nieuwe verkoop, zonder dat hij nochtans het meerdere dat deze laatste verkoop heeft opgebracht, kan vorderen; dit meerdere wordt aan de schuldeisers, of zo die niet meer te vorderen hebben, aan degenen tegen wie het beslag gedaan is, betaald.

AFDELING 3 Opvordering door derden

Artikel 538
  • 1. Treft het beslag een zaak die geheel of ten dele aan een ander toebehoort of waarop een recht van een ander rust dat de executant moet eerbiedigen, dan kan deze ander zich tegen verkoop waarbij zijn recht niet in acht wordt genomen, tot op het tijdstip van de verkoop verzetten.

  • 2. De eiser die in het ongelijk wordt gesteld, wordt, op vordering van de executant, zo daartoe gronden zijn, tot schadevergoeding veroordeeld.

Artikel 539

De notaris aan wie een oproeping als bedoeld in artikel 538, betekend wordt, met een door de deurwaarder voor eensluidend getekend afschrift van de vordering, is bevoegd de verkoop van alle bij de executie betrokken zaken op te schorten, totdat de rechter in eerste aanleg omtrent de schorsing van de executie heeft beslist op vordering van de meest gerede partij of op verlangen van de notaris, die zich daartoe bij de rechter in eerste aanleg kan vervoegen.

Artikel 540

Indien de verkoop door het verzet is vertraagd, kan deze niet plaatsvinden dan nadat de in artikel 516 bedoelde bekendmakingen opnieuw hebben plaatsgevonden en de daar bedoelde termijn opnieuw in acht is genomen.

AFDELING 4 Executie door een hypotheekhouder

Artikel 544
  • 1. De hypotheekhouder is verplicht de executie te doen inleiden door een aanzegging daarvan of van de in artikel 509 bedoelde overneming aan de hypotheekgever, de schuldenaar en hen wier recht of beslag uit de registers blijkt en wier recht door de executoriale verkoop zal tenietgaan of vervallen.

  • 2. De aanzegging van de executie of de overneming daarvan geschiedt bij exploot van een deurwaarder en houdt in:

    • a.

      zo nauwkeurig mogelijk het bedrag waarvoor de hypotheekhouder uit hoofde van zijn recht tot executie wil overgaan, en de ter zake tot het tijdstip van de aanzegging reeds gemaakte kosten;

    • b.

      de aanwijzing van de notaris ten overstaan van wie de verkoop zal plaatsvinden.

  • 3. Een hypotheekhouder kan de executie ook overnemen van een andere hypotheekhouder, wiens recht in rang na het zijne komt, door binnen twee weken nadat hem de aanzegging is gedaan, van de overneming aanzegging te doen. Artikel 509 is van overeenkomstige toepassing. Het eerste en het tweede lid worden opnieuw in acht genomen.

Artikel 545
  • 1. Indien de hypotheekhouder in gebreke blijft de executie met redelijke spoed voort te zetten, kan elke beslaglegger of hypotheekhouder aan de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de zaken geheel of grotendeels zijn gelegen, verzoeken een termijn vast te stellen waarbinnen de hypotheekhouder tot de verkoop of tot indiening van een verzoek tot onderhandse verkoop moet overgaan.

  • 2. Bij overschrijding van de termijn wordt de executie voortgezet door de verzoeker met de hoogst gerangschikte hypotheek of, zo onder de verzoekers geen hypotheekhouder is, door de schuldeiser wiens beslag het eerst is ingeschreven.

  • 3. Tegen een beschikking krachtens het eerste lid staat geen hogere voorziening open.

Artikel 546

De artikelen 514, tweede lid, tweede volzin, en derde lid, 515 tot en met 520, 522, 523, 525, 526, tweede lid, en 527 tot en met 529 zijn ook bij executie door een hypotheekhouder van toepassing, met inachtneming van de volgende artikelen van deze afdeling.

Artikel 547
  • 1. De in artikel 515 bedoelde termijn loopt vanaf de dag van de in artikel 544 bedoelde aanzegging aan de hypotheekgever.

  • 2. In de in artikel 516 bedoelde aanplakking en aankondiging dient tevens te zijn opgenomen dat tot twee weken vóór de voor de verkoop bepaalde dag ondershands op de te executeren zaken kan worden geboden bij een aan de notaris gericht geschrift.

  • 3. De notaris geeft van de binnengekomen biedingen onverwijld afschrift aan de executant en de geëxecuteerde.

Artikel 548
  • 1. Tot één week vóór de voor de verkoop bepaalde dag kan bij de rechter in eerste aanleg het in artikel 268, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde verzoek dat de verkoop ondershands zal geschieden, worden ingediend.

  • 2. Dit verzoek kan uitsluitend worden gedaan, indien tevens een volledige koopakte wordt overgelegd, zij het dat, indien het verzoek niet door de executant wordt gedaan, de akte niet door of namens hem ondertekend behoeft te zijn. Tevens dienen in afschrift te worden overgelegd de biedingen die bij de notaris zijn binnengekomen, dan wel een verklaring van de notaris dat hij zulke biedingen niet heeft ontvangen.

  • 3. Bij verzoekschrift wordt voorts een lijst overgelegd van de in artikel 544 bedoelde belanghebbenden. De griffier deelt hun onverwijld mede dat het verzoek is gedaan, en dat zij op hun verlangen door de rechter kunnen worden gehoord.

  • 4. Door tijdige indiening van het verzoek vervalt de voor de openbare verkoop bepaalde dag. Wordt het verzoek afgewezen, dan bepaalt de rechter tevens de dag waarop de openbare verkoop zal plaatsvinden. Deze verkoop zal ten minste twee weken tevoren op de in artikel 516 bedoelde wijze worden bekendgemaakt. De rechter kan de verzoeker in de kosten van de bekendmaking veroordelen, onverminderd diens verplichting de door het verzoek ontstane schade te vergoeden, zo daartoe gronden zijn.

AFDELING 5 De verdeling van de opbrengst van de executie

Artikel 551
  • 1. Indien er geen andere schuldeiser is die op het geëxecuteerde of op de koopprijs beslag heeft gelegd, en evenmin door de executie een beperkt recht vervalt, draagt de notaris aan de executant uit de netto-opbrengst van de zaak af hetgeen aan deze blijkens een door hem te dien aanzien aan de notaris afgelegde verklaring krachtens zijn executoriale titel toekomt; het overschot keert de notaris uit aan de geëxecuteerde.

  • 2. Indien er wel schuldeisers of beperkt gerechtigden zijn als in het eerste lid bedoeld, dan wel de in dat lid bedoelde verklaring wordt betwist of de notaris ernstige reden heeft te vermoeden dat zij onjuist is, stort de notaris de netto-opbrengst onverwijld bij een door hem aangewezen bewaarder die aan de in artikel 445 bedoelde vereisten voldoet.

  • 3. Wanneer de schuldeisers die op de zaak of op de koopprijs beslag hebben gelegd, de beperkt gerechtigden wier recht door de executie vervalt, en de geëxecuteerde het vóór de betaaldag van de koopsom omtrent de verdeling van de te storten som eens zijn geworden, blijft de storting achterwege en keert de notaris aan ieder het hem toekomende uit.

  • 4. In geval van executie door een hypotheekhouder is niet dit artikel, maar artikel 270 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

  • 5. Van dit artikel kan in de koopvoorwaarden niet worden afgeweken.

Artikel 551a
  • 1. Na de betaling van de koopprijs is ieder van de in artikel 551, derde lid, genoemde belanghebbenden bevoegd een gerechtelijke rangregeling te verzoeken.

  • 2. Indien deze belanghebbenden met betrekking tot de verdeling alsnog tot overeenstemming komen en daarvan door een authentieke akte doen blijken aan de in artikel 551, tweede lid, bedoelde bewaarder, keert deze aan ieder het hem volgens deze akte toekomende uit.

Artikel 552
  • 1. Een gerechtelijke rangregeling als bedoeld in artikel 551a en in artikel 271 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, wordt verzocht aan de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied zich de geëxecuteerde zaken geheel of grotendeels bevinden.

  • 2. Bij het verzoekschrift wordt gevoegd een door de bewaarder van de openbare registers af te geven getuigschrift, waarin de inschrijvingen en de boekingen in het register van voorlopige aantekeningen worden vermeld die voor de aanwijzing van de in artikel 551 bedoelde belanghebbenden van belang zijn, alsmede een door de notaris af te geven staat van de schuldeisers die beslag hebben gelegd op de opbrengst van de executie of hun vordering ontlenen aan artikel 264, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 3. Tegen een benoeming krachtens het eerste lid staat geen hogere voorziening open.

  • 4. Op de rangregeling zijn de artikelen 482 tot en met 490a, 490c en 490d van toepassing.

Artikel 553
  • 1. Indien bij een executoriale verkoop meer onroerende zaken of daarop rustende rechten te zamen, dan wel een of meer onroerende zaken of daarop rustende rechten te zamen met daarbij behorende roerende zaken, als omschreven in artikel 254 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, voor één prijs zijn verkocht en er deelnemers aan de rangregeling zijn wier recht of voorrang niet alle verkochte zaken of rechten betreft, deelt ieder van hen alleen mee of alleen met voorrang mee in het gedeelte van de netto-opbrengst dat naar schatting kan worden toegerekend aan de zaken of rechten waarop zijn recht of voorrang betrekking had.

  • 2. In de in artikel 483 bedoelde staat van verdeling zal de rechter-commissaris aan de hand van de overgelegde stukken en zo nodig na verhoor van deskundigen een verdeling overeenkomstig het eerste lid voorstellen.

AFDELING 6 Gedwongen ontruiming

Artikel 555

De gedwongen ontruiming van onroerende zaken moet worden voorafgegaan door een exploot van een deurwaarder, houdende bevel om binnen drie dagen aan de executoriale titel te voldoen. De artikelen 502 en 503 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 556
  • 1. De gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder.

  • 2. Deze kan zich doen bijstaan door een of twee getuigen, wier naam en woonplaats hij in dat geval in zijn proces-verbaal zal vermelden en die dit stuk mede zullen tekenen.

Artikel 557

Indien de deuren gesloten zijn, of de opening geweigerd wordt, gelijk mede indien geweigerd wordt enige kamer te openen, is artikel 444 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 558

Is de executant overeenkomstig artikel 299 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek gemachtigd ten aanzien van een onroerende zaak zelf datgene te verrichten waartoe nakoming van een jegens hem bestaande verplichting zou hebben geleid, en is daartoe gehele of gedeeltelijke al of niet tijdelijke ontruiming nodig, dan is deze afdeling mede van toepassing.

TITEL 4 De gerechtelijke tenuitvoerlegging van schepen en luchtvaartuigen

AFDELING 1 Executoriaal beslag op en executie van schepen

Artikel 562a

In deze titel wordt onder schepen mede verstaan: schepen in aanbouw.

Artikel 563
  • 1. Het beslag op schepen moet worden voorafgegaan door een aan de eigenaar of boekhouder te betekenen exploot van een deurwaarder, houdende een bevel om binnen 24 uur aan de executoriale titel te voldoen. Eerst na verloop van die termijn kan het beslag worden gelegd.

  • 2. Indien er echter vrees bestaat dat het schip spoedig naar een andere plaats zal vertrekken, kan de rechter in eerste aanleg, ook op mondeling verzoek van de deurwaarder, bepalen dat deze ook zonder voorafgaand bevel tot de inbeslagneming kan overgaan.

  • 3. In dat geval kan, in afwijking van artikel 430, derde lid, de betekening van de titel te zamen met die van het proces-verbaal van inbeslagneming geschieden.

Artikel 564
  • 1. Het beslag op schepen wordt aan boord daarvan gedaan.

  • 2. De deurwaarder kan zich doen bijstaan door een of twee getuigen, wier naam en woonplaats hij in dat geval in het in artikel 565 bedoelde proces-verbaal zal vermelden, en die dat stuk mede zullen ondertekenen.

  • 3. De deurwaarder kan een bewaarder aan boord stellen en de nodige maatregelen nemen om het vertrek van het schip te beletten.

  • 4. Artikel 444 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 565
  • 1. Het beslag geschiedt bij een proces-verbaal van een deurwaarder dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

    • a.

      de vermelding van de voornamen, naam en woonplaats van de executant;

    • b.

      de vermelding van de titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd;

    • c.

      een opgave van het bedrag dat krachtens deze titel aan de executant verschuldigd is;

    • d.

      de naam en de woonplaats van de eigenaar of de boekhouder, de naam van de kapitein, telkens indien zij bekend zijn, en de naam en woonplaats van hem jegens wie de in onderdeel b bedoelde titel luidt, indien deze een ander is dan de eigenaar;

    • e.

      de naam, de soort en de ruimte van het schip en, zo het schip teboekstaat in het register, bedoeld in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, de gegevens omschreven in artikel 21, eerste lid, onderdeel c, van de Landsverordening openbare registers;

    • f.

      de algemene omschrijving van het scheepstoebehoren.

  • 2. In het proces-verbaal moet de executant tot het einde van de executie woonplaats kiezen hier te lande bij een advocaat of, indien de verkoop dient plaats te vinden met toepassing van artikel 576, bij de deurwaarder of bij een advocaat.

  • 3. Het proces-verbaal wordt binnen acht dagen betekend aan de eigenaar van het schip of, als deze een rederij is en een boekhouder heeft, aan de boekhouder, alsmede aan degene jegens wie de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde titel luidt, indien dit een andere is dan de eigenaar.

  • 4. Indien de eigenaar van het schip of de boekhouder niet bekend is, kan aan de in het derde lid bedoelde eis worden voldaan door het proces-verbaal te betekenen aan boord aan de kapitein of zijn plaatsvervanger; zo deze niet te bereiken zijn, vindt de betekening plaats door een afschrift van het betekende proces-verbaal aan boord van het schip aan te plakken.

  • 5. Artikel 435, derde lid, is niet van toepassing.

Artikel 566
  • 1. Het proces-verbaal van inbeslagneming van schepen die teboekstaan in het in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register, wordt ingeschreven in de in titel 1, afdeling 2, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers.

  • 2. Een vervreemding, bezwaring, onderbewindstelling, verhuring of vervrachting, totstandgekomen na de inschrijving van het proces-verbaal, kan niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen.

  • 3. De in artikel 565, derde lid, bedoelde betekening dient tevens binnen acht dagen na de inschrijving te geschieden.

  • 4. Artikel 513a is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 567

Een inbeslagneming van schepen die niet teboekstaan in het in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register, heeft tot gevolg dat een vervreemding, bezwaring, onderbewindstelling, verhuring of vervrachting, totstandgekomen na de in artikel 565, derde lid, bedoelde betekening, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen.

Artikel 568

Indien op een in beslag genomen schip dat teboekstaat in het in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register, een of meer hypotheken rusten, zijn de artikelen 508 en 509 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 569
  • 1. Indien meer schuldeisers op hetzelfde schip beslag hebben gelegd, vindt de executie plaats op vervolging van degene die het oudste executoriale beslag heeft gelegd.

  • 2. De rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de verkoop zal plaatsvinden, kan op verzoek van een schuldeiser die later beslag heeft gelegd, bepalen dat deze de executie zal overnemen, indien de executant de executie niet met redelijke spoed voortzet.

  • 3. Tegen een beschikking als bedoeld in het tweede lid, staat geen hogere voorziening open.

  • 4. Bij toepassing van het tweede lid wordt de overneming bij exploot aangezegd aan de in artikel 565, derde en vierde lid, aangewezen personen.

Artikel 571
  • 1. Geen verkoop kan plaatsvinden dan na verloop van twee weken nadat zij is bekendgemaakt door aanplakking volgens plaatselijk gebruik, die in elk geval mede op een in het oog vallende plaats van het schip geschiedt, en door aankondiging in een ter plaatse waar het schip zich bevindt, verspreid dagblad.

  • 2. Geldt het de verkoop van een buitenlands zeeschip, dan wordt, zo mogelijk, een kennisgeving bovendien geplaatst in een of meer door de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de verkoop zal plaatsvinden, aan te wijzen nieuwsbladen van het land waartoe het schip behoort.

  • 3. Geldt het de verkoop van een buitenlands zeeschip, dan wordt in plaats van een termijn van twee weken in acht genomen de door de rechter in eerste aanleg te bepalen termijn.

  • 4. De in het tweede en derde lid bedoelde beslissingen van de rechter in eerste aanleg worden gegeven op verzoek van de executant. Tegen toewijzing van het verzoek staat geen hogere voorziening open.

Artikel 572

De in artikel 571 bedoelde aanplakkingen en aankondigingen moeten inhouden:

  • a.

    naar gelang de verkoop zal plaatsvinden met toepassing van artikel 575 of 576: de rechter in eerste aanleg voor wie de verkoop zal plaatsvinden of de naam van de deurwaarder die met de verkoop is belast;

  • b.

    de voornamen, naam en woonplaats van de executant, alsmede de door deze met inachtneming van artikel 565, tweede lid, gekozen woonplaats;

  • c.

    de titel uit hoofde waarvan de verkoop plaatsvindt, en het bedrag dat krachtens deze titel aan de executant verschuldigd is;

  • d.

    de naam en de woonplaats van de eigenaar of de boekhouder van het in beslag genomen schip, indien een en ander bekend is, alsmede van hem jegens wie de in onderdeel c bedoelde titel luidt, indien deze een ander is dan de eigenaar;

  • e.

    de naam van het schip;

  • f.

    de scheepsruimte;

  • g.

    de plaats waar het schip zich bevindt;

    plaats, dag en uur van de verkoop.

Artikel 575
  • 1. De executoriale verkoop geschiedt voor de rechter in eerste aanleg ter openbare terechtzitting, tenzij artikel 576 van toepassing is. De executant verzoekt daartoe aan de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied hij bij het beslagexploot woonplaats heeft gekozen, bepaling van dag en uur van de verkoop. De rechter stelt deze vast met inachtneming van de in het tweede lid bedoelde termijnen waarbinnen geen verkoop kan plaatsvinden.

  • 2. De verkoop kan, onverminderd de in artikel 571 voorgeschreven termijn, niet plaatsvinden voordat 30 dagen, dan wel een door de rechter wegens een dringende reden bepaalde kortere termijn, zijn verstreken nadat de executant ter griffie heeft gedeponeerd:

    • a.

      de veilingvoorwaarden;

    • b.

      een verklaring van de deurwaarder of van een advocaat dat aan de in artikel 571, eerste lid, voorgeschreven aanplakkingen en aankondigingen is voldaan, waarbij exemplaren daarvan zijn gevoegd;

    • c.

      een door een advocaat opgestelde en ondertekende lijst van de bekende rechthebbenden en beslagleggers op het schip.

  • 3. De executant deelt onverwijld aan de in het tweede lid, onderdeel c, bedoelde rechthebbenden en beslagleggers schriftelijk dag en uur van de verkoop mee en deponeert ter griffie een verklaring van een advocaat dat aan dit voorschrift is voldaan.

  • 4. Ten minste drie dagen voor de aanvang van de verkoop stelt de rechter een staat van geschatte kosten van de executie op, die op de griffie en ter terechtzitting ter inzage wordt gegeven.

  • 5. De verkoop geschiedt eerst bij opbod en vervolgens bij afmijning. Met betrekking tot de veilingvoorwaarden zijn de artikelen 517, tweede lid, en 518 van overeenkomstige toepassing. De executant geeft schriftelijk van de verkoop kennis aan de geëxecuteerde en de hem bekende rechthebbenden en beslagleggers.

  • 6. Tegen het vonnis van verkoop en toewijzing staat geen hogere voorziening open.

  • 7. Artikel 538 is van overeenkomstige toepassing. De oproeping waarbij het verzet plaatsvindt, wordt mede aan de griffier betekend met een door de deurwaarder voor eensluidend getekend afschrift van de vordering. Deze betekening schorst de executie.

  • 8. De rechter kan op verzoek van de executant nader dag en uur van de verkoop vaststellen. In dat geval vinden de in artikel 571, eerste lid, bedoelde aanplakkingen en aankondigingen opnieuw plaats.

Artikel 575a

De rechter in eerste aanleg kan de termijn van 30 dagen, gesteld in artikel 575, tweede lid, in bijzondere omstandigheden, zo nodig onder het stellen van voorwaarden, verkorten.

Artikel 576
  • 1. De verkoop geschiedt als die van andere roerende zaken, indien het beslag gelegd is op schepen waarvan de bruto-inhoud minder dan 20 kubieke meters of de brutotonnage minder dan 6 bedraagt of, in geval van een schip in aanbouw, zal bedragen, en die niet in het in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register teboekstaan.

  • 2. De bekendmaking geschiedt door aankondiging in een dagblad, verspreid ter plaatse waar het schip zich bevindt, en door aanplakking naar plaatselijk gebruik en in elk geval op een in het oog vallende plaats van het schip.

Artikel 577
  • 1. De koopprijs wordt gestort in handen van de griffier of de deurwaarder, naar gelang de verkoop plaats heeft gevonden met toepassing van artikel 575 of 576, dan wel bij een door de griffier of deurwaarder aan te wijzen bewaarder die aan de vereisten van artikel 445 voldoet, telkens onverminderd de bevoegdheid van de koper om in afwachting van de betaling voldoende zekerheid te stellen.

  • 2. Bij gebreke van zodanige betaling, bewaring of zekerheidstelling is de executant bevoegd het schip ten laste van de koper, met inachtneming van de artikelen 571 en volgende, wederom te verkopen. De executant is tot deze verkoop gehouden, indien een van de bij de opbrengst direct belanghebbenden dit verlangt.

Artikel 578
  • 1. Door betaling van de koopprijs, onderscheidenlijk zekerheidstelling of inbewaringgeving overeenkomstig artikel 577, eerste lid, wordt het schip bevrijd van de daarop bij voorrang verhaalbare vorderingen en vervallen de daarop gelegde beslagen, alsook de beperkte rechten die niet tegen de verkoper ingeroepen kunnen worden, of ter zake waarvan artikel 517, tweede lid, is toegepast.

  • 2. Ter zake van schepen die teboekstaan in het in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register is artikel 273, tweede en derde lid, van Boek 3, van het Burgerlijk Wetboek, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bevoegd is de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de verkoop heeft plaatsgevonden.

Artikel 579

Bij de executie door een hypotheekhouder van een schip dat teboekstaat in het in artikel 193 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde register, zijn de artikelen 544 en 545 van overeenkomstige toepassing. De executie geschiedt voorts met toepassing van de artikelen 571, eerste lid, en 572.

Artikel 580

Op de verdeling van de opbrengst zijn de artikelen 551 tot en met 552 van overeenkomstige toepassing. Is een schip als bedoeld in artikel 576, verkocht, dan zijn de artikelen 480 tot en met 490a, 490c en 490d van toepassing.

Artikel 581
  • 1. Indien bij een executoriale verkoop van een schip voor één prijs mede scheepstoebehoren is verkocht dat ten tijde van de verkoop aan een ander dan de eigenaar van het schip toebehoorde en deze ander de eigendom van het scheepstoebehoren als gevolg van de verkoop verloren heeft, wordt aan hem uit de netto-opbrengst met voorrang boven allen jegens wie hij zijn recht ten tijde van de verkoop kon inroepen, een vergoeding uitgekeerd ten bedrage van de waarde die het scheepstoebehoren ten tijde van de executie naar schatting had.

  • 2. Indien er bij de verdeling van de netto-opbrengst deelnemers aan de rangregeling zijn, wier recht of voorrang niet gelijkelijk schip en scheepstoebehoren betreft, is artikel 553 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 582
  • 1. De executie tot afgifte van een schip vangt aan met een bevel als bedoeld in artikel 563, welk artikel van overeenkomstige toepassing is.

  • 2. De executie geschiedt doordat de deurwaarder het schip, zo nodig met overeenkomstige toepassing van de artikelen 556 tot en met 558, onder zich neemt en afgeeft aan degene die het krachtens de executoriale titel moet ontvangen.

  • 3. De artikelen 444 tot en met 444b, 492, eerste, tweede en vierde lid, 497, 499, 500 en 564 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 444b de waarde van het schip in de plaats treedt van de vordering waarvoor het beslag is gelegd.

AFDELING 2 Executoriaal beslag op en executie van luchtvaartuigen

Artikel 584a
  • 1. De in artikel 1300 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek opgenomen begripsomschrijvingen gelden ook voor deze afdeling.

  • 2. In deze afdeling wordt voorts verstaan onder:

    • a.

      het Verdrag van Chicago: het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, H 165, P.B. 1947, 133);

    • b.

      nationaliteitsregister: een register als bedoeld in artikel 17 van het Verdrag van Chicago.

Artikel 584b
  • 1. Het beslag op een in het register of in een verdragsregister teboekstaand luchtvaartuig moet worden voorafgegaan door een aan de geëxecuteerde te betekenen exploot van een deurwaarder, houdende een bevel om binnen 24 uur aan de executoriale titel te voldoen. Eerst na verloop van die termijn kan het beslag worden gelegd.

  • 2. De rechter in eerste aanleg kan, ook op mondeling verzoek van de deurwaarder, bepalen dat deze ook zonder voorafgaand bevel tot inbeslagneming kan overgaan.

  • 3. In een geval als bedoeld in het tweede lid, kan, in afwijking van artikel 430, derde lid, de betekening van de titel te zamen met die van het proces-verbaal van inbeslagneming geschieden.

Artikel 584c
  • 1. De deurwaarder legt het beslag ter plaatse waar het luchtvaartuig zich bevindt, bij een proces-verbaal dat, behalve de gewone formaliteiten, op straffe van nietigheid inhoudt:

    • a.

      de vermelding van de voornamen, naam en woonplaats van de executant en de naam, en zonodig de voornamen, en woonplaats van de geëxecuteerde;

    • b.

      de vermelding van de titel uit hoofde waarvan het beslag wordt gelegd;

    • c.

      een opgave van de vordering waarvoor het beslag wordt gelegd;

    • d.

      de kentekenen van het luchtvaartuig en een korte aanduiding van de inhoud van het bewijs van inschrijving, bedoeld in artikel 29 van het Verdrag van Chicago, dan wel de vermelding dat dit hem, deurwaarder, bij navraag niet is vertoond;

    • e.

      het adres van de in artikel III, eerste lid, van het Verdrag van Genève bedoelde dienst;

    • f.

      een keuze van woonplaats ten kantore van de deurwaarder die het beslag legt en, desgewenst, hier te lande ten kantore van een advocaat.

  • 2. De deurwaarder kan zich doen bijstaan door een of twee getuigen, wier naam en woonplaats hij in dat geval in het proces-verbaal zal vermelden en die dit stuk mede zullen ondertekenen.

  • 3. De deurwaarder neemt de nodige maatregelen om vertrek van het luchtvaartuig te beletten. Hij is gerechtigd het luchtvaartuig of enig onderdeel daarvan in gerechtelijke bewaring te geven, waartoe hij tot verplaatsing hier te lande mag overgaan. De artikelen 445, tweede volzin, en 446, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 584d
  • 1. Indien beslag is gelegd op een in het register teboekstaand luchtvaartuig, wordt het proces-verbaal van inbeslagneming in de in titel 1, afdeling 2, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers ingeschreven.

  • 2. Indien beslag is gelegd op een in een verdragsregister teboekstaand luchtvaartuig, zendt de deurwaarder een door hem gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal ten spoedigste rechtstreeks aangetekend en zo mogelijk per luchtpost naar de in artikel III, eerste lid, van het Verdrag van Genève bedoelde dienst, alsmede aan de bewaarder van het nationaliteitsregister waar het luchtvaartuig is ingeschreven.

  • 3. In elk geval wordt het proces-verbaal van beslag op straffe van nietigheid binnen drie dagen na het leggen daarvan aan de geëxecuteerde betekend.

Artikel 584e

Een vervreemding, bezwaring of onderbewindstelling, tot stand gebracht na de inschrijving in de openbare registers, kan niet tegen de beslaglegger of de koper ter executie worden ingeroepen, wanneer deze totstandbrenging geschiedde door de geëxecuteerde terwijl hij kennis droeg van het beslag.

Artikel 584f
  • 1. De beslaglegger legt op de griffie van het gerecht in eerste aanleg binnen welks rechtsgebied het luchtvaartuig zich dan bevindt, neer een afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming, alsmede een uittreksel uit de registratie voor luchtvaartuigen, behelzende alle met betrekking tot het luchtvaartuig bestaande teboekstellingen en aantekeningen, voor zover deze nog niet zijn doorgehaald, dan wel een soortgelijk uittreksel uit het verdragsregister.

  • 2. De beslaglegger verzoekt voorts aan de president van het Hof van Justitie:

    • a.

      benoeming van een rechter-commissaris voor de verificatie van de rechten waaraan het luchtvaartuig is onderworpen, en van de vorderingen die daarop verhaalbaar zijn;

    • b.

      vaststelling van plaats, dag en uur van de verkoop en de toewijzing, welke dag ten minste een week na de dagtekening van de beschikking van de president moet liggen;

    • c.

      vaststelling van de dag vóór welke zij die beweren rechten en vorderingen als bedoeld in onderdeel a, te bezitten, deze bij de rechter-commissaris moeten kenbaar maken, welke dag mag niet meer dan vier weken voor de dag van de verkoop moet liggen.

  • 3. Ten minste zes weken vóór de voor de verkoop bestemde dag brengt de beslaglegger deze ter openbare kennis ter plaatse en op de wijze als voorgeschreven bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen. Indien beslag is gelegd op een in een verdragsregister teboekstaand luchtvaartuig, brengt hij de verkoop tevens ter openbare kennis ter plaatse waar het nationaliteitsregister waarin het luchtvaartuig is ingeschreven, is gevestigd, op de aldaar voorgeschreven wijze.

  • 4. De beslaglegger verwittigt voorts zes weken vóór de voor de verkoop bestemde dag degenen die in de registratie voor luchtvaartuigen of in een verdragsregister als beperkt gerechtigd of beslaglegger staan vermeld, van de voorgenomen verkoop bij aangetekende brief, alsmede, zo mogelijk, bij per luchtpost verzonden aangetekende brief, beide gericht naar hun woonplaatsen, vermeld in de registratie voor luchtvaartuigen, dan wel in het verdragsregister.

Artikel 584g

De kennisgevingen uit hoofde van artikel 584f, derde lid, behelzen:

  • a.

    de voornamen, de naam, en woonplaats van de executant;

  • b.

    de korte vermelding van de titel uit kracht waarvan hij beslag heeft gelegd;

  • c.

    de vordering waarvoor het beslag is gelegd;

  • d.

    de door hem in het proces-verbaal gekozen woonplaats;

  • e.

    de veilingvoorwaarden;

  • f.

    de door de rechter in eerste aanleg op grond van artikel 584f, tweede lid, gegeven beschikkingen.

Artikel 584h

Op verzoek van de executant kan de president van het Hof van Justitie ook na het verstrijken van de krachtens artikel 584f, tweede lid, onderdeel c, gestelde termijn, nader plaats, dag en uur van de verkoop en de toewijzing vaststellen, alsmede een nadere dag vóór welke de in artikel 584f bedoelde vorderingen bij de rechter-commissaris moeten zijn kenbaar gemaakt. De president neemt bij deze nadere vaststelling, die slechts éénmaal kan worden verricht, de termijnen, vermeld in artikel 584f, in acht en stelt overigens díe voorwaarden, die hem dienstig voorkomen. De executant vervult de formaliteiten, vermeld in artikel 584f, derde en vierde lid, en in artikel 584g.

Artikel 584i
  • 1. Na het verstrijken van de krachtens artikel 584f, tweede lid, onderdeel c, of 584h door de president van het Hof van Justitie gestelde termijn maakt de rechter-commissaris uit de ingediende beweringen een staat op van de in artikel 584f, tweede lid, bedoelde rechten en vorderingen.

  • 2. De artikelen 483a tot en met 490a, 490c en 490d zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover uit de volgende artikelen van deze afdeling niet anders voortvloeit.

Artikel 584j
  • 1. De in artikel 484 bedoelde nederlegging en mededeling vinden plaats ten minste twee weken vóór de voor de verkoop vastgestelde dag.

  • 2. De rechter-commissaris sluit de lijst van rechten en vorderingen niet vóór het voor de verkoop vastgestelde tijdstip; tot dit tijdstip kunnen schuldeisers tegenspraak doen.

Artikel 584k
  • 1. Indien voor het tijdstip van de verkoop geen tegenspraak is gedaan dan tegen rechten en vorderingen die in rang na die van de executant komen, sluit de rechter-commissaris de lijst en wordt tot verkoop overgegaan.

  • 2. Indien voor het tijdstip van verkoop wel bedoelde tegenspraak is gedaan, verdaagt de rechter-commissaris de verkoop.

  • 3. Zodra op de tegenspraak is beslist bij een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, sluit de rechter-commissaris op verzoek van de executant de lijst en bepaalt hij plaats, dag en uur van de verkoop en de toewijzing. Deze dag moet ten minste een week liggen na de dagtekening van de beschikking van de rechter-commissaris.

  • 4. De executant vervult in dat geval opnieuw de formaliteiten, vermeld in artikel 584f, derde lid. Hij verwittigt voorts hen die een bewering hebben ingediend, alsmede de in artikel 584f, vierde lid, bedoelde beperkt gerechtigden en beslagleggers, van de voorgenomen verkoop bij, zo mogelijk per luchtpost verzonden, aangetekende brief.

Artikel 584l
  • 1. Iedere schuldeiser wiens vordering op de door de rechter-commissaris vastgestelde lijst rang neemt boven die van de beslaglegger, kan bij de verkoop diens plaats innemen, mits hij de beslaglegger ten minste een week vóór de verkoop van zijn voornemen hiertoe bij aangetekende brief heeft kennis gegeven.

  • 2. Indien de beslaglegger de uitwinning niet of niet op de bepaalde dag vervolgt, heeft iedere schuldeiser wiens vordering op de door de rechter-commissaris vastgestelde lijst rang neemt boven die van de beslaglegger, het recht dit te doen. Dit recht vervalt, indien hij, na aanmaning door een belanghebbende, er binnen een redelijke termijn geen gebruik van maakt. De schuldeiser die van dit recht gebruik wenst te maken, vervult in dat geval opnieuw de formaliteiten, vermeld in artikel 584k, vierde lid; artikel 584g vindt, voor zover mogelijk, overeenkomstige toepassing.

Artikel 584m
  • 1. De verkoop geschiedt bij opbod en vervolgens bij afmijning voor de rechter-commissaris met inachtneming van de veilingvoorwaarden zoals hiervan door de beslaglegger is kennisgegeven of zoals deze door de rechter-commissaris op verzoek van een belanghebbende nader zijn bepaald, en overigens op de door de rechter-commissaris na raadpleging van de executant te bepalen wijze.

  • 2. De rechter-commissaris beslist over de toewijzing. Toewijzing vindt niet plaats, indien niet alle vorderingen die op de door de rechter-commissaris vastgestelde lijst voorkomen als bevoorrecht boven de vordering van degene op wiens verzoek de verkoop geschiedt, uit de opbrengst worden voldaan of door de koper te zijnen laste worden genomen.

  • 3. In een geval als bedoeld in het tweede lid, blijven de kosten van uitwinning ten laste van degene op wiens verzoek de verkoop geschiedt.

Artikel 584n
  • 1. De koopprijs wordt binnen twee dagen voldaan in handen van de griffier van het gerecht in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de verkoop is geschied, dan wel bij een door de griffier aan te wijzen bewaarder die aan de vereisten van artikel 445 voldoet. De griffier voldoet daaruit op last van de rechter-commissaris de kosten van de executie die in het gezamenlijk belang van de schuldeisers zijn gemaakt, en keert de netto-opbrengst uit overeenkomstig de door de rechter-commissaris opgestelde lijst, zodra deze gesloten is.

  • 2. Schiet de koper in de nakoming van de koopovereenkomst tekort, dan zijn de artikelen 527 tot en met 529 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 584o
  • 1. De koper verkrijgt de eigendom van een in het register teboekstaand lucht-vaartuig door inschrijving van het proces-verbaal van toewijzing.

  • 2. De bewaarder van de registers weigert inschrijving, indien niet tevens een verklaring van de griffier wordt overgelegd dat de koopprijs in zijn handen is gestort.

  • 3. De koper verkrijgt de eigendom van een in het verdragsregister teboekstaand luchtvaartuig door de voldoening van de koopprijs.

Artikel 584p
  • 1. Tenzij in de veilingvoorwaarden anders is bepaald, vervallen door de levering aan de koper en de voldoening van de koopprijs alle op een in het register teboekstaand luchtvaartuig rustende rechten, voor zover deze niet rang nemen boven het recht van de executant, alsmede de rechten die niet op de lijst van de rechter-commissaris voorkomen. De ingeschreven overeenkomsten, bedoeld in de artikelen 1308 en 1309 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, worden ontbonden, voor zover de daaruit voortvloeiende rechten rang nemen na de vordering van de executant. Aldus waardeloos geworden inschrijvingen van hypotheken en beslagen worden ambtshalve doorgehaald.

  • 2. Tenzij in de veilingvoorwaarden anders is bepaald, vervallen door de eigendomsverkrijging overeenkomstig artikel 584o, derde lid, alle in het eerste lid bedoelde rechten die op een in het verdragsregister teboekstaand luchtvaartuig rusten.

Artikel 584q

Indien het beslag en de executie niet overeenkomstig deze afdeling hebben plaats gevonden, kan een ieder die daardoor is benadeeld, binnen zes maanden na de toewijzing vorderen dat de rechter in eerste aanleg binnen wiens rechtsgebied de verkoop is geschied, de verkoop en daaropgevolgde eigendomsovergang vernietigt. Indien deze vordering een in het register teboekstaand luchtvaartuig betreft, moet zij op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen drie dagen na de instelling daarvan in de openbare registers worden ingeschreven.

Artikel 584r
  • 1. De executie tot afgifte van een in het register of een verdragsregister teboekstaand luchtvaartuig vangt aan met een bevel als bedoeld in artikel 584b, welk artikel van overeenkomstige toepassing is.

  • 2. De executie geschiedt doordat de deurwaarder het luchtvaartuig onder zich neemt en afgeeft aan degene die het krachtens executoriale titel moet ontvangen.

  • 3. De artikelen 444 tot en met 444b, 492, eerste, tweede en vierde lid, 497, 499, 500 en 584c zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 444b de waarde van het luchtvaartuig in de plaats treedt van de vordering waarvoor het beslag is gelegd.

TITEL 5 Lijfsdwang en haar tenuitvoerlegging en dwangsom

AFDELING 1 Lijfsdwang

Artikel 585

De rechter kan op verlangen van de schuldeiser de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang toestaan van:

  • a.

    vonnissen en beschikkingen, voor zover zij een veroordeling tot iets anders dan het betalen van geld inhouden;

  • b.

    vonnissen, beschikkingen en authentieke akten waarbij een uitkering tot levensonderhoud, krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verschuldigd, daaronder begrepen het verschuldigde voor verzorging en opvoeding van een minderjarige en voor levensonderhoud en studie van een meerderjarige die de leeftijd van vijfentwintig jaren niet heeft bereikt, is bevolen of toegezegd, alsmede beschikkingen waarbij een uitkering krachtens artikel 85, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek door de ene echtgenoot aan de andere verschuldigd, is bevolen.

Artikel 586

Tenzij de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang reeds was toegestaan in het vonnis of de beschikking tot nakoming waarvan dit dwangmiddel strekt, wordt een vordering tot uitvoerbaarverklaring ingesteld en behandeld als een kort geding.

Artikel 587

De rechter verklaart een vonnis, beschikking of akte als bedoeld in artikel 585 slechts uitvoerbaar bij lijfsdwang, indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing daarvan rechtvaardigt.

Artikel 588

Uitvoerbaarheid bij lijfsdwang wordt niet uitgesproken indien de schuldenaar buiten staat is aan de verplichting waarvoor tenuitvoerlegging bij lijfsdwang wordt verlangd, te voldoen.

Artikel 589
  • 1. De tenuitvoerlegging van de lijfsdwang duurt ter zake van dezelfde verplichting ten hoogste een jaar.