LANDSVERORDENING houdende regels in verband met de visserij in de territoriale zee en de visserijzone van Sint Maarten

Geldend van 30-05-2015 t/m heden

Intitulé

LANDSVERORDENING houdende regels in verband met de visserij in de territoriale zee en de visserijzone van Sint Maarten

HOOFDSTUK I Begripsbepalingen

Artikel 1
  • 1. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    minister: Minister van Toerisme, Economische Zaken, Verkeer en Telecommunicatie;

    vissen: het te water brengen, te water hebben, lichten, ophalen of anderszins bedrijfsgereed hebben van vistuigen, alsmede het aanwenden van enig ander middel om vis te bemachtigen;

    Visserijcommissie: de commissie ingesteld krachtens artikel 13;

    visserijzone: de zone ingesteld krachtens de Machtigingswet instelling visserijzone.

  • 2. In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder vis mede verstaan:

    • a.

      schaaldieren, schelpdieren en overige weekdieren, zeewieren, koralen, zeezoogdieren, schildpadden, zeesterren en zeeëgels;

    • b.

      kuit en broed van vis;

    • c.

      broed en zaad van schaal- en schelpdieren.

HOOFDSTUK II Algemene bepalingen

Artikel 2
  • 1. Het is verboden in de territoriale zee en in de visserijzone te vissen zonder vergunning.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde verbod is behoudens het bepaalde in het derde lid in de territoriale zee niet van toepassing op degene die vist met een vaartuig met een inhoud van minder dan zes bruto registerton of lengte van minder dan twaalf meter. De lengte van het vaartuig wordt hierbij gemeten van de aansnijding van het dek of het doorgestrookte dek met de voorsteven tot aan de binnenkant van de spiegel.

  • 3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan worden bepaald, dat voor het vissen in de territoriale zee met een vaartuig als bedoeld in het tweede lid een vergunning van de minister vereist is.

  • 4. Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing op degene die vist met een vaartuig waarop ten hoogste vier sleep- of handlijnen in gebruik zijn.

  • 5. De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt door of namens de minister, gehoord de Visserijcommissie, verleend. Indien de vergunning mede zal gelden voor het territoriale zeegebied kan deze slechts worden verleend met instemming van de vertegenwoordiger van de Visserijcommissie.

  • 6. [vervallen]

  • 7. Door of namens de minister, gehoord de Visserijcommissie, kan ontheffing worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek.

  • 8. Een ontheffing als bedoeld in het zevende lid wordt slechts verleend onder de voorwaarde dat de resultaten van het onderzoek ter beschikking zullen worden gesteld aan Sint Maarten.

  • 9. Door of namens de minister kan ontheffing worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid, ten behoeve van het houden van viswedstrijden. De ontheffing wordt verleend aan de instantie die de wedstrijd organiseert en heeft betrekking op alle voor de wedstrijd ingeschreven vaartuigen. De ontheffing geldt voor de daarbij aangegeven dagen.

Artikel 3
  • 1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld ten aanzien van:

    • a.

      vistuigen waarmee het is toegestaan te vissen;

    • b.

      de te vangen vis.

  • 2. Het is aan vergunninghouders verboden aan boord te hebben:

    • a.

      andere vistuigen, dan die waarmee het krachtens het in het eerste lid bedoelde landsbesluit is toegestaan te vissen;

    • b.

      andere vissoorten dan die waarop het krachtens het in het eerste lid bedoelde landsbesluit is toegestaan te vissen;

    • c.

      andere vis, dan die welke men krachtens het in het eerste lid bedoelde landsbesluit mag behouden.

  • 3. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld ten aanzien van de gegevens die door vergunninghouders dienen te worden bijgehouden en de wijze waarop dit dient te geschieden.

Artikel 4
  • 1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen voor het vissen met een vaartuig als bedoeld in het tweede lid van artikel 2 in het territoriale zeegebied rondom Sint Maarten worden gesteld.

  • 2. De regels die ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 3 en het eerste lid van dit artikel worden vastgesteld dienen zoveel mogelijk met elkaar overeen te komen.

  • 3. Op de plaatsen waar de territoriale zee minder breed is dan 24 zeemijlen wordt voor de toepassing van deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen de grens tussen de twee gebieden gevormd door de middellijn. De middellijn is de lijn waarvan elk punt gelegen is op gelijke afstand van de dichtstbijzijnde punten op de basislijn van waaraf de breedte van de territoriale zee rondom de gebieden wordt gemeten.

Artikel 5

De minister kan, gehoord de Visserijcommissie, voor een bepaald tijdvak een visverbod instellen. Dit tijdvak kan voor de verschillende vissoorten verschillend worden vastgesteld.

Artikel 6
  • 1. Vergunningen als bedoeld in artikel 2 kunnen, voor zover het voortbestaan en de natuurlijke ontwikkeling van de visstand zich er niet tegen verzetten, worden verleend aan:

    • a.

      natuurlijke personen, ingezetenen van Sint Maarten;

    • b.

      in Sint Maarten gevestigde naamloze en besloten vennootschappen waarvan hetzij aandelen, welke te minste twee derde van de geplaatste aandelen vertegenwoordigen, luiden ten name van ingezetenen van Sint Maarten, en tevens de meerderheid van de bestuurders ingezetenen van Sint Maarten zijn, hetzij alle bestuurders ingezetenen van Sint Maarten zijn;

    • c.

      in Sint Maarten gevestigde stichtingen en verenigingen, waarvan alle bestuurders ingezetenen van Sint Maarten zijn.

  • 2. Bedoelde vergunningen kunnen slechts aan andere dan de in het eerste lid genoemde personen worden verleend, voor zover het voortbestaan en de natuurlijke ontwikkeling van de visstand zich er niet tegen verzetten, dat behalve aan degene aan wie krachtens het eerste lid een vergunning is verleend, ook aan deze anderen een vergunning wordt verleend.

Artikel 7
  • 1. Een vergunning wordt slechts op schriftelijk verzoek verleend. De minister kan, gehoord de Visserijcommissie, algemene regels stellen betreffende de gegevens welke bij het verzoek dienen te worden verstrekt alsmede de wijze waarop het verzoek dient te worden ingediend.

  • 2. In de vergunning worden de naam en het registratienummer van het vaartuig vermeld.

  • 3. Een vergunning wordt slechts verleend nadat het krachtens artikel 12 verschuldigde recht is voldaan.

  • 4. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. De aan een vergunning verbonden voorschriften kunnen ambtshalve of op verzoek worden gewijzigd of ingetrokken. Van een voorgenomen wijziging dient de vergunninghouder tijdig op de hoogte te worden gesteld.

  • 5. De beslissing op het verzoek wordt schriftelijk aan de verzoeker medegedeeld; de weigering geschiedt onder opgave van de redenen daarvan.

  • 6. Een vergunning kan door of namens de minister, gehoord de Visserijcommissie, worden ingetrokken:

    • a.

      indien de voor de verkrijging daarvan verschafte gegevens zodanig onvolledig of onjuist blijken te zijn, dat de vergunning niet zou zijn verleend als de juiste gegevens volledig bekend waren geweest;

    • b.

      indien wordt gehandeld in strijd met het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde;

    • c.

      indien wordt gehandeld in strijd met de voorwaarden van de vergunning.

  • 7. Een beschikking tot intrekking van een vergunning of wijziging van de aan de vergunning verbonden voorschriften is met redenen omkleed en wordt schriftelijk aan de betrokkene medegedeeld.

  • 8. Het niet beschikken binnen drie maanden na indiening van het verzoek, wordt, behoudens het bepaalde in het vierde lid van artikel 8, voor de mogelijkheid van beroep gelijk gesteld met een weigering.

  • 9. Het verzoek waarbij de voorziening wordt gevraagd, is met redenen omkleed.

Artikel 8
  • 1. Een vergunning wordt verleend voor een periode van ten hoogste twaalf maanden.

  • 2. Na het verstrijken van de periode waarvoor de vergunning is verleend, wordt deze telkens door of namens de minister, gehoord de Visserijcommissie, verlengd voor ten hoogste twaalf maanden, tenzij het voortbestaan of de natuurlijke ontwikkeling van de visstand zich hiertegen verzetten. Artikel 7 is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Een krachtens artikel 6, tweede lid, verleende vergunning wordt niet verlengd, indien het voornemen bestaat een of meer vergunningen te verlenen aan personen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, en het voortbestaan en de natuurlijke ontwikkeling van de visstand zich tegen deze verlenging, onder gelijktijdige verlening van de vergunning krachtens artikel 6 eerste lid zouden verzetten.

  • 4. Verlenging van een vergunning dient te worden aangevraagd te minste drie maanden vóór het verstrijken van de termijn van de geldigheid van een vergunning. Indien de aanvraag voor een verlenging tijdig is ingediend, en de beslissing op het verzoek tot verlenging niet binnen drie maanden na haar indiening is genomen, wordt de vergunning geacht te zijn verlengd tot het moment waarop de beslissing aan de verzoeker is medegedeeld.

Artikel 9
  • 1. Een vergunning kan slechts op één, in de vergunning aangewezen, vaartuig betrekking hebben.

  • 2. De vergunning dient aan boord van het vaartuig aanwezig te zijn en op de eerste vordering van de opsporingsambtenaren te worden getoond.

  • 3. De minister of een door de minister aan te wijzen instantie kan toestemming verlenen om tijdelijk gebruik te maken van een vaartuig ter vervanging van het in de vergunning aangewezene.

  • 4. In de schriftelijke toestemming worden de periode waarvoor deze geldt, alsmede de naam en het registratienummer van het andere vaartuig vermeld.

Artikel 10

Vergunninghouders zijn uitsluitend ten behoeve van de verzameling van statistisch materiaal verplicht op verzoek van de door de minister aangewezen instantie, bedoeld in artikel 9, derde lid, gegevens te verstrekken met betrekking tot de omvang en de samenstelling van hun vangst alsmede van de vangstgebieden.

Artikel 11

Een vergunning is niet overdraagbaar.

Artikel 12

Degene aan wie een vergunning verleend wordt, is een recht verschuldigd. De hoogte en de wijze van inning daarvan worden bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, vastgesteld.

HOOFDSTUK III De Visserijcommissie

Artikel 13
  • 1. Er is een Visserijcommissie.

  • 2. De Visserijcommissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en vijf andere leden. De leden van de Visserijcommissie, de voorzitter daaronder begrepen, worden telkens voor de periode van 6 jaren benoemd.

  • 3. De leden worden bij landsbesluit benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 4. Aan de Visserijcommissie wordt een secretaris toegevoegd, die door de minister wordt benoemd en ontslagen.

  • 5. De leden en de secretaris van de Visserijcommissie ontvangen een vergoeding welke door de minister wordt vastgesteld. De uitgaven die hieruit voortvloeien komen ten laste van Sint Maarten.

  • 6. De Visserijcommissie besluit bij meerderheid van ten minste vier stemmen.

  • 7. De Visserijcommissie heeft, naast hetgeen in andere bepalingen van deze landsverordening is bepaald, tot taak:

    • a.

      het volgen van de ontwikkeling van de visstand en de visserijactiviteiten in de territoriale zee en de visserijzone van Sint Maarten;

    • b.

      het, op verzoek en uit eigen beweging, geven van advies aan de minister omtrent visserijaangelegenheden.

  • 8. Omtrent ontwerpen tot wijziging van deze landsverordening en omtrent ontwerpen van landsbesluiten, houdende algemene maatregelen, ter uitvoering van deze landsverordening wordt de Visserijcommissie gehoord.

HOOFDSTUK IV Geheimhoudingsplicht

Artikel 14

Het is aan een ieder, die uit hoofde van deze landsverordening of van het krachtens deze landsverordening bepaalde een taak vervult, verboden van gegevens of inlichtingen, ingevolge of krachtens deze landsverordening verkregen, verder of anders gebruik te maken of daarvan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak strikt noodzakelijk is.

HOOFDSTUK V Strafbepalingen

Artikel 15
  • 1. Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 2, 3 of 5 bepaalde, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden en een geldboete van de zesde categorie, hetzij met een van deze straffen.

  • 2. Het niet voldoen aan een verzoek als bedoeld in artikel 10, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee weken of een geldboete van de eerste categorie.

  • 3. Het niet voldoen aan een vordering als bedoeld in het eerste lid van artikel 17, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of een geldboete van de tweede categorie.

  • 4. De feiten, strafbaar gesteld bij dit artikel, worden als overtredingen beschouwd.

Artikel 16

Met het toezicht op de naleving en het opsporen van de overtredingen van deze landsverordening zijn behalve de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen belast de door de minister en de Minister van Justitie aangewezen personen.

Artikel 17
  • 1. De in artikel 16 bedoelde personen zijn uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs noodzakelijk is, bevoegd:

    • a.

      van iedere vergunninghouder en van ieder waarvan vermoed wordt dat deze zonder vergunning heeft gehandeld, alle inlichtingen te verlangen;

    • b.

      van iedere vergunninghouder en van ieder waarvan vermoed wordt dat deze zonder vergunning heeft gehandeld, inzage te verlangen van alle boeken en bescheiden en daarvan afschrift te nemen;

    • c.

      goederen van vergunninghouders en van ieder waarvan vermoed wordt dat deze zonder vergunning heeft gehandeld, aan opneming en onderzoek te onderwerpen en deze daartoe tijdelijk mee te nemen;

    • d.

      alle plaatsen, met uitzondering van woningen, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen.

  • 2. Zo nodig verschaffen zij zich de toegang tot een plaats als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, met behulp van de sterke arm.

Artikel 18
  • 1. De in artikel 16 bedoelde personen zijn ter vervulling van hun taak bevoegd te vorderen, dat gezagvoerders van vaartuigen, met uitzondering van openbare vervoermiddelen, deze doen stilhouden en onderzoek toestaan van de zich daarin bevindende voorwerpen. Zij kunnen tevens vorderen, dat de gezagvoerders overeenkomstig hun aanwijzingen ter zake medewerking verlenen.

  • 2. De minister kan, in overeenstemming met de Minister van Justitie, regels stellen omtrent de wijze waarop een vordering als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan.

  • 3. Ook buiten het geval van ontdekking op heterdaad kunnen de in artikel 16 bedoelde personen voor inbeslagneming vatbare voorwerpen op elke plaats in beslag nemen. Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, is van toepassing.

Artikel 19
  • 1. Indien een bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gesteld feit wordt begaan door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, enige andere vereniging van personen of een doelvermogen, wordt de strafvervolging ingesteld en worden de straffen uitgesproken, hetzij tegen die rechtspersoon, die vennootschap, die vereniging of dat doelvermogen, hetzij tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven of die feitelijk leiding hebben gehad bij het verboden handelen of nalaten, hetzij tegen hen gezamenlijk.

  • 2. Een bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gesteld feit wordt onder meer begaan door of vanwege een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, indien zij begaan wordt door personen, die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon, de vennootschap, de vereniging of doelvermogen, ongeacht of deze personen ieder afzonderlijk het strafbare feit hebben begaan, dan wel bij hen gezamenlijk de elementen van dat feit aanwezig zijn.

  • 3. Indien een strafvervolging wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, wordt deze respectievelijk dit tijdens de vervolging vertegenwoordigd door de bestuurder en indien er meerdere bestuurders zijn, door een dezer. De vertegenwoordiger kan bij gemachtigde verschijnen. De rechter kan de persoonlijke verschijning van een bepaalde bestuurder bevelen; hij kan alsdan medebrenging gelasten.

  • 4. Voor wat betreft de bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde feiten worden rechtspersonen voor de toepassing van artikel 20 van het Wetboek van Strafvordering geacht te wonen, waar zij gevestigd zijn.

  • 5. Indien een strafvordering wordt ingesteld tegen een rechtspersoon, een vennootschap, een vereniging van personen of een doelvermogen, geschieden de in het Wetboek van Strafvordering voorgeschreven betekeningen, dagvaardingen, oproepingen, kennisgevingen of andere mededelingen aan de persoon of de woonplaats van de bestuurder en indien er meerdere bestuurders zijn, aan een van deze of op de plaats waar het bestuur zitting of kantoor houdt, behoudens, indien het een dagvaarding betreft, overeenkomstige toepassing van artikel 130, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Artikel 20

De strafwetgeving is mede van toepassing op een ieder die zich binnen de visserijzone schuldig maakt aan de bij of krachtens de artikelen 2, 3, 4 of 5 strafbaar gestelde feiten.

HOOFDSTUK VI Reikwijdte van de landsverordening

Artikel 21

De toepassing van deze landsverordening wordt beperkt door de regels van het volkenrecht.

HOOFDSTUK VII Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 22
  • [vervallen]

Artikel 23
  • 1. [regelt de inwerkingtreding]

  • 2. Deze landsverordening kan worden aangehaald als "Visserijlandsverordening".