Regeling Openbaar Voortgezet Onderwijs

Geldend van 01-01-1994 t/m heden

Intitulé

Regeling Openbaar Voortgezet Onderwijs (Wet op het Voortgezet Onderwijs)

Paragraaf 1. Algemene bepalingen Reikwijdte

Artikel 1.

Dit reglement is van toepassing op alle in de gemeente Deventer gevestigde openbare scholen voor voortgezet onderwijs in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs, tenzij dit reglement anders bepaalt.

Begripsbepalingen.

Artikel 2.

  • 1.

    Dit reglement verstaat onder:

    a. Burgemeester en wethouders:

    het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer.

    b. Directiestatuut:

    reglement met daarin vanwege burgemeester en wethouders gemandateerde taken en bevoegdheden aan de schoolleiding.

    c. Geleding:

    de leerlingen, de ouders of het personeel zoals hieronder omschreven.

    d. Inspectie:

    de inspecteur die belast is met het toezicht op het voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 113 van de Wet voortgezet onderwijs.

    e. Leerlingen:

    leerlingen respectievelijk cursisten in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs, die aan de school staan ingeschreven;

    f. Leerlingenstatuut:

    reglement waarin de rechten en plichten van de leerling zijn opgenomen.

    g. Leraar:

    onderwijsgevende als bedoeld in hoofdstuk I-R van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel, niet zijnde een lid van de schoolleiding.

    h. Medezeggenschapsraad:

    de raad als bedoeld in artikel 3 van de Wet Medezeggenschap Onderwijs 1992;

    i. Medezeggenschapsregiement :

    het reglement als bedoeld in artikel 14 van de Wet Medezeggenschap Onderwijs 1992.

    j. Ouders:

    de ouders, voogden of verzorgers van de leerlingen dan wel ingeval van minderjarigheid van de leerling diens wettelijke vertegenwoordiger(s);

    k. Personeel:

    het aan de school verbonden onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel;

    l. Raad:

    de raad der gemeente Deventer;

    m. School:

    de in artikel 1 van dit reglement bedoelde onderwijsinstellingen.

    n. Schoolleider:

    de rector of de directeur dan wel centrale directie in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs.

    o. Schoolleiding:

    de schoolleider en conrectoren of de adjunct-directeuren of de leden van de centrale directie in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs.

  • 2.

    Om redenen van leesbaarheid worden slechts mannelijke persoonsvormen gebruikt. Daar waar deze vorm wordt gehanteerd, worden zowel mannen als vrouwen bedoeld.

Paragraaf 2. De schoolleiding.

Artikel 3.

  • 1.

    De schoolleider wordt in zijn taken als bedoeld in het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel bijgestaan door één of meer conrectoren of adjunct-directeuren of door leden van de centrale directie.

  • 2.

    De schoolleider stelt een taakverdeling vast ten behoeve van de schoolleiding.

    De schoolleider pleegt hierover overleg met de medezeggenschapsraad overeenkomstig de bepalingen van het medezeggenschapsregiement.

Paragraaf 3. Het personeel.

1. De leraar.

Artikel 4.

  • 1. De leraar geeft lessen en verricht de daaruit voortvloeiende werkzaamheden alsmede bijzondere taken, als bedoeld in het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel.

  • 2. De leraar verricht de taken die hem op grond van het schoolwerkplan bedoeld in artikel 24 van

    de Wet op het voortgezet onderwijs door of namens de schoolleider zijn opgedragen.

Artikel 5.

De werkzaamheden van de leraar kunnen door de schoolleiding worden vastgelegd.

De schoolleiding pleegt hierover overleg met de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad overeenkomstig de bepalingen van het medezeggenschapsregiement.

Artikel 6.

  • 1.

    De leraar of een lid van de schoolleiding, niet zijnde de schoolleider, die niet op school aanwezig kan zijn stelt de schoolleider hiervan zo spoedig mogelijk in kennis onder opgave van redenen.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop mededeling wordt gedaan van afwezigheid van het personeel.

II . Het onderwijs~ondersteunend personeel.

Artikel 7.

Het onderwijs-ondersteunend personeel is benoemd in een functie zoals vastgelegd in het Rechtspositiebesluit Ondervvijspersoneel of in een andere door burgemeester en wethouders vastgestelde functie en verricht de daarbij behorende taken dan wel de taken zoals opgedragen door of namens de schoolleider.

III . Personeel algemeen.

Functioneren personeelslid..

Artikel 8.

  • 1.

    Door of namens burgemeester en wethouders wordt periodiek met alle personeelsleden een functionerings- en/of beoordelingsgesprek gevoerd, één en ander overeenkomstig de daartoe vastgestelde respectievelijk vast te stellen regelingen.

  • 2.

    Indien de schoolleider tussentijds constateert dat een personeelslid niet naar behoren functioneert, pleegt hij hierover overleg met betrokkene.

  • 3.

    Als het overleg als bedoeld in het vorige lid niet tot overeenstemming leidt, dient de schoolleider dit bij burgemeester en wethouders aan de orde te stellen.

  • 4.

    De schoolleider is in dit geval verplicht betrokkene hiervan alsmede van de inhoud van diens bedenkingen in kennis te stellen en hem de gelegenheid te geven de bedenkingen voor gezien te tekenen en van de desbetreffende tekst een afschrift te maken.

    Het betrokken personeelslid wordt door de schoolleider in de gelegenheid gesteld zijn bedenkingen over zijn functioneren vanuit zijn visie schriftelijk toe te lichten. Deze toelichting wordt gevoegd bij de brief van de schoolleider aan burgemeester en wethouders inzake de bedenkingen aangaande het functioneren van het betrokken personeelslid.

  • 5.

    Bij bedenkingen aangaande het functioneren van een aan de school verbonden personeelslid, door derden bij de schoolleider ingediend, zijn, indien de schoolleider van oordeel is dat hij deze bedenkingen aan het burgemeester en wethouders moet doorgeven, de bepalingen van het tweede tot en met het vierde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

Waken tegen discriminatie.

Artikel 9.

Het personeel waakt in de school in het algemeen tegen discriminatie op welke grond dan ook en bevordert gelijke behandeling in gelijke gevallen en in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Disciplinaire maatregelen.

Artikel 10.

Het personeelslid dat de hem opgelegde verplichtingen of enig voorschrift niet nakomt, dan wel datgene doet of nalaat wat hij bij een goede uitoefening van zijn functie behoort te doen of na te laten, maakt zich schuldig aan plichtsverzuim en kan door burgemeester en wethouders met inachtneming van het hieromtrent bepaalde in het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel disciplinair worden gestraft.

Persoonsadministratie.

Artikel 11.

  • 1.

    Ten behoeve van het beheren van een persoonsadministratie die uitsluitend gegevens beval van personeelsleden van de school worden door de schoolleiding in de registratie geen andere gegevens opgenomen dan is bepaald in artikel 5 van het Besluit Genormeerde Vrijstelling (Stb. 1986, 16). (Zie bijlage).

  • 2.

    Indien het persoonsregister meer of andere gegevens bevat dan is bepaald in artikel 5 van het Besluit Genormeerde Vrijstelling wordt dit door de schoolleiding aan burgemeester en wethouders gemeld.

Paragraaf 4. De Leerlingen.

Toetatingscommissie .

Artikel 12.

  • 1.

    Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de toelating van leerlingen tot de school.

    Zij kunnen deze beslissingen delegeren aan een door hen te benoemen gemeenschappelijke toelatingscommissie of aan de schoolleider.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders regelen de bevoegdheden en de werkzaamheden van de gemeenschappelijke toelatingscommissie.

Recht op informatie.

Artikel 13.

  • 1.

    De schoolleiding draagt er zorg voor, dat voorafgaande aan de inschrijving aan de leerling en de ouders algemene informatie wordt verstrekt over de doelstelling, het onderwijsaanbod en de werkwijze van de school, de toelatingseisen, de cursusduur, en zo mogelijk over de vooruitzichten ten aanzien van het vervolgonderwijs dan wel over het beroepenveid waarvoor wordt opgeleid; de eventueel aan de toelating verbonden kosten en andere aangelegenheden die van direct belang zijn voor de leerling.

  • 2.

    De schoolleiding draagt er zorg voor, dat exemplaren van het schoolwerkplan, het lesrooster, het medezeggenschapsregiement, het examenregiement en het leerlingenstatuut alsmede andere relevante informatie voor de leerling ter inzage liggen op de administratie.

Vrijheid van vergadering.

Artikel 14.

Leerlingen hebben vrijheid van vergadering, voorzover deze vergadering niet plaatsvindt onder de lessen. Vindt de vergadering in het schoolgebouw plaats dan beslist de schoolleider na overleg met de leerlingen omtrent tijd en plaats van de vergadering.

(blz. 5 ontbreekt)

  • e.

    de wijze van rapportage en de frequentie hiervan aan leerlingen en of ouders met betrekking tot dan toe behaalde studieresuitaten.

  • f.

    de wijze van bekendmaking van de in dit artikel bedoelde regeling aan de leerlingen en of ouders.

    • 3.

      De schoolleiding legt de in het eerste lid bedoelde regeling, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorgenomen besluit voor aan de medezeggenschapsraad en stelt dit niet eerder definitief vast dan voor zover het besluit de instemming van de medezeggenschapsraad heeft verworven.

4 Dit artikel is niet van toepassing op de scholengemeenschap Midden-IJsel.

Het leerlingenstatuut.

Artikel 18.

  • 1.

    Burgemeester en wethouders stellen een leerlingenstatuut voor elke school vast dat de instemming behoeft van de medezeggenschapsraad.

  • 2.

    Het statuut is bindend, voor alle geledingen, met inachtneming van de bepalingen in het medezeggenschapsregiement en wettelijke bepalingen.

Schoolverzuim.

Artikel 19.

  • 1.

    Door of namens de schoolleiding wordt aantekening gehouden van het schoolverzuim volgens door burgemeester en wethouders te stellen regels.

  • 2.

    Wanneer leerlingen zonder kennisgeving de lessen verzuimen, wordt door of namens de schoolleiding daarvan mededeling gedaan aan de leerling of, ingeval van een minderjarige leerling aan de ouders.

  • 3.

    Onverminderd hetgeen hieromtrent is bepaald in de Leerplichtwet 1969 met betrekking tot ongeoorloofd schoolverzuim worden burgemeester en wethouders geïnformeerd bij herhaaldelijke overtreding van de regels betreffende het schoolverzuim. Burgemeester en wethouders kunnen op grond daarvan na overleg met de betrokken schoolleiding en eventuele schoolleiders van andere scholen nadere maatregelen treffen met betrekking tot ongeoorloofd schooiverzuim.

Corrigerende maatregelen.

Artikel 20.

  • 1.

    De leerlingen volgen de lessen volgens de voor hen geldende roosters. Zij houden zich op de terreinen en in de gebouwen van de schooi aan de voorschriften van de

    school. Deze voorschriften worden eik schooljaar ter kennis worden gebracht van de leerlingen en de ouders.

  • 2.

    Tegen leerlingen die zich niet aan de voor de schooi geldende regels houden, of de goede voortgang van het onderwijs verstoren, kunnen door de leraar maatregelen van pedagogische/disciplinaire aard worden genomen.

    Een maatregel moet in ieder geval zinvol en redelijk zijn, zowel in verhouding tot het gedrag, dat de aanleiding tot de maatregel vormde, als tot de ontwikkeling van de leerling.

    Het is de leraar verboden leerlingen bij wijze van strafmaatregel buiten zijn toezicht te plaatsen, tenzij dit toezicht door een ander personeelslid wordt overgenomen.

(blz. 7 ontbreekt)

Paragraaf 5. De schoolorganisatie.

I. De medezeggenschap.

Artikel 23.

  • 1.

    Aan de school is een medezeggenschapsraad verbonden overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de Wet Medezeggenschap Onderwijs 1992.

  • 2.

    De algemene en bijzonder bevoegdheden alsmede de taken van de medezeggenschapsraad en de leden van de raad zijn neergelegd in de Wet Medezeggenschap Onderwijs 1992 en in het voor de school geldende medezeggenschapsregiement alsmede in dit reglement.

II . De besluitvormingsstructuur.

Artikel 24.

  • 1.

    De schoolleiding draagt zorg voor het opstellen van een besluitvormingsstructuur ten behoeve van binnen de school voorkomende ovedegvormen.

    De besluitvormingsstructuur is gericht op het bevorderen van het functioneren van de schoolo"ganisatie en op de ontwikkeling van het algemeen beleid van de school.

  • 2.

    De schoolleiding houdt rekening met de bepalingen van het directiestatuut, het leerlingenstatuut en het medezeggenschapsregiement respectievelijk de Wet Medezeggenschap Onderwijs 1992.

  • 3.

    In de besluitvormingsstructuur wordt in ieder geval geregeld dat:

    • a.

      alle zaken van algemeen schooibelang in de school besproken kunnen worden;

    • b.

      ieder lid van de school in de gelegenheid wordt gesteld zijn mening te geven in de daarvoor bestemde overlegorganen;

    • c.

      de besluiten op dagelijks uitvoeringsvlak en niet vallend binnen het wettelijk vastgesteld kader van bevoegdheden van de medezeggenschapsraad worden genomen door de schoolleiding;

    • d.

      de schoolleiding alles in het werk zal stellen de besluitvorming te bevorderen door de medezeggenschapsraad vroegtijdig in te lichten en (zonodig) te adviseren.

    • e.

      afstemming plaatsvindt tussen de activiteiten van de schoolleiding en de medezeggenschapsraad.

  • 4.

    De schoolleiding legt de in het eerste lid bedoelde besluitvormingsstructuur, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorgenomen besluit voor aan de medezeggenschapsraad en legt het niet eerder ter vaststelling voor aan burgemeester en wethouders dan voor zover het besluit de instemming van de medezeggenschapsraad heeft verworven.

    Burgemeester en wethouders stellen de besluitvormingsstructuur, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, definitief vast.

III. Het directiestatuut.

Artikel 25.

  • 1.

    Burgemeester en wethouders stellen een directiestatuut voor elke school vast dat advies behoeft van de medezeggenschapsraad.

  • 2.

    In het directiestatuut wordt in ieder geval geregeld de verdeling van taken en bevoegdheden tussen burgemeester en wethouders, de schoolleider en/of de schoolleiding met betrekking tot de volgende beleidsterreinen:

    • a.

      onderwijskundige en organisatorische zaken van de school;

    • b.

      personeel en formatie;

    • c.

      wijze van overleg binnen de school en vertegenwoordiging;

    • d.

      leerlingen;

    • e.

      financiën;

    • f.

      huisvesting en materieel;

  • 3.

    Het directiestatuut bevat verder bepalingen omtrent:

    • a.

      de wijze waarop de overgedragen bevoegdheden kunnen worden teruggegeven of teruggenomen.

    • b.

      de bevoegdheden, die aan burgemeester en wethouders zijn voorbehouden.

Paragraaf 6. Algemene taken en schoolorde.

Het jaarverslag.

Artikel 26.

De schoolleiding stelt jaarlijks een verslag op over het onderwijs aan de school gedurende het afgelopen schooljaar als bedoeld in artikel 24a van de Wet op het voortgezet onderwijs en doet dit toekomen aan het burgemeester en wethouders.

Het jaarverslag bevat tevens een sociale paragraaf als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet.

Rampenplan.

Artikel 27.

De schoolleiding stelt, in overleg met de brandweer en/of andere deskundigen, een regeling op, volgens welke in geval van brand of een andere ramp, het schoolgebouw in de kortst mogelijke tijd kan worden ontruimd.

Toezicht en medegebruik gebouwen en terreinen.

Artikel 28.

  • 1.

    Door of vanwege de schoolleider wordt toezicht gehouden op de schoolgebouwen en -terreinen alsmede op alle zich in de gebouwen bevindende, aan de gemeente toebehorende, zaken gedurende de tijd dat deze zaken voor onderwijsdoeleinden in ruime zin, voor de eigen school gebruikt worden en tevens zorg draagt voor een passend en efficiënt gebruik van de beschikbare accommodatie.

  • 2.

    Aan de schoolleider is het nemen van beslissingen over het medegebruik van ruimten (excl. gymnastiekruimten) in het schoolgebouw gemandateerd.

    Burgemeester en wethouders stellen een huishoudelijk reglement inzake het medegebruik vast.

Opening schoolgebouw/aanvang lessen.

Artikel 29.

De schoolleiding draagt er zorg voor, dat het schoolgebouw voor de aanvang van iedere schooltijd wordt geopend en dat het gebouw tijdig wordt afgesloten.

Calamiteiten.

Artikel 30.

  • 1.

    De schoolleiding, of een door hem aangewezen persoon, dient van iedere ingrijpende gebeurtenis die de dagelijkse gang van zaken op school verstoort of dreigt te

    verstoren, zo spoedig mogelijk mededeling te doen aan burgemeester en wethouders, of aan door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

  • 2.

    De schoolleiding ontvangt daarna voor zover nodig van of vanwege burgemeester en wethouders terstond nadere aanwijzingen over de te treffen maatregelen. Voor zover noodzakelijk draagt de schoolleiding zorg dat de ouders worden geïnformeerd over de opvang van de leerlingen.

  • 3.

    De schoolleiding verstrekt ' op verzoek van burgemeester en wethouders binnen de door hen genoemde termijn een schriftelijke rapportage omtrent de in lid 1 bedoelde gebeurtenis met het verloop daarvan. In dit rapport wordt de gang van zaken uiteen gezet ten aanzien van tenminste: de (opvang van) leerlingen, het schoolgebouw en de daarin aanwezige inventaris.

Toezicht inrichting.

Artikel 31.

  • 1.

    Het personeel zorgt voor een juist gebruik van de lokaliteiten, het meubilair, de leer- en hulpmiddelen en overige schooibehoeften en waakt tegen beschadiging en verspilling.

  • 2.

    De leraren die belast zijn met het geven van onderwijs in lichamelijke oefening, zijn verplicht regelmatig te controleren of de te gebruiken toestellen en leermiddelen in zodanige staat verkeren, dat het gebruik daarvan voor de leerlingen geen gevaar kan opleveren.

  • 3.

    Het bepaalde in lid 2 is van overeenkomstige toepassing op leraren die belast zijn met het geven van onderwijs in de praktijk/vaklokalen.

Rookvoorschriften.

Artikel 32.

  • 1.

    Het is voor het personeel, de leerling en derden verboden in de navolgende ruimten van het schoolgebouw dan wel gymnastiekaccommodatie te roken:

    • a.

      leslokalen en andere ruimten waar onderwijs wordt gegeven;

    • b.

      hallen, gangen, trappen en liften;

    • c.

      vergaderruimte;

    • d.

      toiletten, was- en kleedaccommodatie;

    • e.

      personeelsruimte, wachtruimte, kantine of recreatie- en soortgelijke ruimten;

    • f.

      overige ruimten, voor zover deze voor het publiek toegankelijk zijn.

  • 2.

    Het verbod zoals genoemd in het vorige lid is niet van toepassing op ruimten die niet voor gemeenschappelijk of publiek gebruik bestemd zijn.

  • 3.

    De schoolleiding draagt er zorg voor, dat in ruimten als bedoeld in lid l., het rookverbod wordt aangeduid met de goed leesbare tekst "roken verboden" of met een begrijpelijk symbool.

  • 4.

    De schoolleider kan op aanvraag van belanghebbende een uitzondering op het rookverbod maken zover het ruimten betreft als genoemd in lid 1. onder e. Daarbij neemt de schoolleider de bepalingen van het vijfde, zesde en zevende lid van dit artikel in acht.

  • 5.

    Een uitzondering wordt alleen gemaakt als niet-rokers daarvan geen hinder ondervinden.

  • 6.

    In ten hoogste de helft van bedoelde ruimten is een uitzondering op het rookverbod mogelijk.

    Dit kan echter alleen als:

    • a.

      het rookverbod geldt in de grootste ruimte;

    • b.

      de dichtstbijzijnde ruimte, waarvoor een rookverbod geldt, zich op dezelfde verdieping bevindt.

  • 7.

    Bij aanwezigheid van slechts één ruimte kan ten hoogste eenderde van de vloeroppervlakte van die ruimte van het rookverbod worden uitgezonderd dan wel kan ten hoogste eenderde van de gebruiks- of openingstijd het roken in die ruimte worden toegestaan. Hierbij geldt dat in het rookvrije deel van de ruimte of in de rookvrije tijd geen rookhinder bestaat.

  • 8.

    De regeling geldt zowel binnen als buiten de schooltijden.

Schoolkrant.

Artikel 33.

  • 1.

    De school kan een schoolkrant uitgeven die beschikbaar is voor alle geledingen van de school.

  • 2.

    De redactie van de schoolkrant stelt een redactiestatuut op, waarin de volgende punten aan de orde komen:

    • -

      de samenstelling van de redactie;

    • -

      de benoemingsprocedure van redactieleden;

    • -

      het al dan niet opnemen van anonieme stukken;

    • -

      een regeling voor vergoeding van de kosten;

    • -

      de faciliteiten (beheer van de ruimte, stencilapparatuur, e.d.);

    • -

      het beheer van geldmiddelen ten behoeve van het blad;

    • -

      het recht op weerwoord/klachtenprocedure;

    • -

      de besluitvormingsprocedure van de redactie.

      De schoolleiding legt het redactiestatuut, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorgenomen besluit voor aan de medezeggenschapsraad en stelt het niet vast dan voor zover het voorgenomen besluit de instemming van de medezeggenschapsraad heeft verworven. De schoolleiding heeft de eindverantwoordelijkheid voor de inhoud van de schoolkrant.

Paragraaf 7. De klachtenregeling.

Artikel 34.

  • 1.

    Door de schoolleiding wordt een regeling van het klachtrecht vastgesteld ten behoeve van de leerlingen en het personeel.

  • 2.

    De klachtenregeling dient tenminste aan de volgende eisen te voldoen:

    • -

      klager dient een behandelingsbericht (ontvangstbevestiging) van de klacht te ontvangen.

    • -

      bij de toezending van het behandelingsbericht dient klager op de hoogte te worden gebracht van het verloop van de procedure;

    • -

      klager dient op de hoogte te worden gebracht van de rechten en verplichtingen in een procedure;

    • -

      klager moet in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord;

    • -

      het onderzoek naar de klacht moet worden verricht door iemand die niet betrokken is geweest bij de gedraging waarover geklaagd wordt;

    • -

      klager moet worden geïnformeerd over de uit het onderzoek gebleken feiten;

    • -

      klager moet in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren (hoor en wederhoor)-,

    • -

      de klachtenbehandeling moet binnen redelijke tijd plaatsvinden.

    • -

      de beslissing op de klacht moet met redenen omkleed zijn en moet betrekking hebben op alle aspecten van de klacht.

  • 3.

    De schoolleiding legt de in het eerste lid bedoelde klachtenregeling, daaronder elke wijziging ervan mede begrepen, als voorgenomen besluit voor aan de medezeggenschapsraad en stelt het niet eerder vast voor zover het besluit de instemming van de medezeggenschapsraad heeft verworven.

  • 4.

    Indien de klager van mening is dat de klacht niet naar behoren is afgehandeld dan kan deze zijn klacht voorleggen aan burgemeester en wethouders.

Paragraaf 8. Slotbepalingen.

Beslissing burgemeester en wethouders.

Artikel 35.

  • 1.

    In gev&len waarin dit reglement niet voorziet, beslissen burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels geven ter uitvoering van het bepaalde in dit reglement.

Inzage exemplaar.

Artikel 36.

  • 1.

    Een exemplaar van dit reglement ligt in elke school op een voor ieder toegankelijke plaats terinzage.

  • 2.

    Op aanvraag wordt door burgemeester en wethouders of de schoolleiding een exemplaar aan een personeelslid of een leerling beschikbaar gesteld.

Citeertitel en intrekking.

Artikel 37.

  • 1. Dit reglement kan worden aangehaald als het Reglement openbaar voortgezet onderwijs.

  • 2. Dit reglement treedt in werking drie dagen na bekendmaking op welke datum vervalt het "Reglement voor de gemeentelijke scholen voor voortgezet dagonderwijs in de gemeente Deventer" d.d. 18 december 1979, nr. 601 zoals nadien gewijzigd bij raadsbesluit d.d. 23 september 1991, nr 91.11736.