Luchtvaartverordening provincie Fryslân

Geldend van 19-09-2015 t/m heden

Intitulé

Luchtvaartverordening provincie Fryslân

PROVINCIALE STATEN van FRYSLÂN; Gelezen het voorstel van gedeputeerde staten van 11 oktober 2011, kenmerk 972262 tot vaststelling van de Luchtvaartverordening provincie Fryslân;

gelet op de Wet luchtvaart, het Besluit burgerluchthavens en de Regeling burgerluchthavens en de de Provinciewet;

Besluiten: vast te stellen de Luchtvaartverordening provincie Fryslân

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1.1 - Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    provinciale staten: provinciale staten van de provincie Fryslân;

  • b.

    gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Fryslân;

  • c.

    wet: de Wet Luchtvaart;

  • d.

    luchthavenbesluit: het luchthavenbesluit als bedoeld in artikel 1.1 van de wet;

  • e.

    luchthavenregeling: de luchthavenregeling als bedoeld in artikel 1.1 van de wet.

Artikel 1.2 – Toepassingsbereik
  • 1 Deze verordening is van toepassing op:

    • a.

      het vaststellen en wijzigen van een luchthavenbesluit of een luchthavenregeling voor een burgerluchthaven gelegen in de provincie Fryslân;

    • b.

      het instellen van een Commissie Regionaal Overleg

  • 2 Deze verordening is voor zover de bepalingen betrekking hebben op aanvragen niet van toepassing op het ambtshalve vaststellen van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling op grond van de bepalingen krachtens de artikelen XIII, XIV en XV van de Wet van 18 december 2008, Stb. 561 (RBML).

Hoofdstuk 2: Procedurebepalingen voor aanvragen

Artikel 2.1
  • 1 Een aanvraag tot vaststelling of wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling wordt in viervoud ingediend bij gedeputeerde staten.

  • 2 Gedeputeerde staten kunnen voor elk van de in dit hoofdstuk bedoelde aanvragen een formulier vaststellen.

  • 3 Gedeputeerde staten zijn belast met het opstellen van een ontwerpbesluit tot vaststelling van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling en zijn bevoegd daarbij toepassing te geven aan het bepaalde in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2.2 - Aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit
  • 1 Een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenbesluit bevat ten minste de volgende gegevens:

    • a.

      naam, adres, telefoonnummer, mailadres, rechtsvorm, contactperso(o)n(en) en eventuele adviseurs van de aanvrager, en indien de aanvrager niet de (beoogde) exploitant is, tevens de genoemde gegevens van de (beoogde) exploitant;

    • b.

      een beschrijving van het terrein dat bestemd is om als luchthaven te worden ingericht, met een topografische kaart op een schaal van ten minste 1:10.000 en de kadastrale gegevens van het terrein;

    • c.

      een verklaring betreffende eigendom van het terrein, en voor zover de aanvrager niet de eigenaar is, een schriftelijke verklaring van de eigenaar of eigenaren dat deze instemt of instemmen met het voorgenomen gebruik als luchthaven;

    • d.

      de bestemming van het luchthaventerrein en het beperkingengebied rondom dat terrein volgens het bestemmingsplan;

    • e.

      één of meer tekeningen waaruit de beoogde ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven blijkt, met inbegrip van (maximale) hoogten van objecten;

    • f.

      een beschrijving van het gebruik van de luchthaven voor een periode van vijf jaar na inwerkingtreding van het luchthavenbesluit;

    • g.

      de wijze waarop in naderingsluchtverkeersleiding zal worden voorzien;

    • h.

      de voor het beoogde gebruik noodzakelijke berekeningen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling burgerluchthavens en artikel 8.44, derde lid van de wet met betrekking tot het bepalen van de geluidsbelasting en het externe veiligheidsrisico van het luchthavenluchtverkeer;

    • i.

      een bij het voornemen passende beschrijving van de mogelijke effecten op het milieu;

    • j.

      een verklaring waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde bepalingen van de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen.

  • 2 Gedeputeerde staten kunnen overige gegevens vragen voor zover dat voor de beoordeling van de aanvraag noodzakelijk wordt geacht.

Artikel 2.3 - Aanvraag tot vaststelling van een luchthavenregeling

Een aanvraag tot vaststelling van een luchthavenregeling bevat ten minste de volgende gegevens:

  • a.

    de in artikel 2.2, sub a tot en met f, i en j genoemde gegevens;

  • b.

    de voor het beoogde gebruik noodzakelijke berekeningen als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Regeling burgerluchthavens met betrekking tot het bepalen van de geluidsbelasting en het externe veiligheidsrisico van het luchthavenluchtverkeer, tenzij sprake is van een terrein dat valt onder artikel 5, lid 2, van het Besluit burgerluchthavens;

     

  • 2.

    Artikel 2.2, lid 2 is van toepassing.

Artikel 2.4 - Aanvraag tot wijziging van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling
  • 1 Artikel 2.2 is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag tot wijziging van een luchthavenbesluit, en artikel 2.3 is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag tot wijziging van een luchthavenregeling met dien verstande dat de aanvrager:

    • a.

      alle gegevens indient die afwijken van de situatie die in het geldende besluit of regeling is neergelegd, en

    • b.

      verklaart dat alle overige gegevens gelijkluidend zijn aan de gegevens in het geldende besluit of regeling.

  • 2 Artikel 2.2, lid 2 is van toepassing.

Artikel 2.5 - Aanvraag verklaring veilig gebruik luchtruim

Gedeputeerde Staten dienen een aanvraag in voor een verklaring van veilig gebruik van het luchtruim, als bedoeld in artikel 8.49 van de wet.

Hoofdstuk 3: Aanwijzing van luchthavens en voor deze luchthavens geldende luchthavenbesluiten of luchthavenregelingen

Titel 3.1 Luchthavenbesluiten in de provincie Fryslân

Per luchthaven een paragraaf p.m.

Titel 3.2 Luchthavenregelingen in de provincie Fryslân

Paragraaf 3.2.1 Luchtvaartterrein Arum

Artikel 3.2.1.1 - Begripsomschrijvingen

In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • b.

    exploitant: de houder van een luchthavenregeling;

  • c.

    gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij.

Artikel 3.2.1.2 - Toepassingsbereik

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de luchthaven aan de Bayemerleane te Arum, kadastraal bekende gemeente Arum, sectie F, nummers 178, 180 en 181, geografische positie 5308’17”NB, 3090’508”5OL zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart.

Artikel 3.2.1.3 - Exploitant

De exploitant van de luchthaven is de heer J.F. Broersma, wonende aan De Specht 6 te Surhuisterveen of diens rechtsopvolger(s).

Artikel 3.2.1.4 - Gebruik

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant, diens rechtsopvolger(s) of door hem of diens rechtsopvolger(s) aangewezen gastvlieger(s).

Artikel 3.2.1.5 - Overige bepalingen

Naast deze luchthavenregeling zijn de regels en voorschriften uit de Wet luchtvaart en Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen van toepassing en moet er zorg voor worden gedragen dat de luchthaven overeenkomstig deze regels en voorschriften ingericht en gebruikt wordt.

Artikel 3.2.1.6 - Aantal vliegbewegingen en gebruikers

Op de luchthaven:

  • a.

    mogen maximaal 250 starts en 250 landingen per gebruiksjaar worden uitgevoerd;

  • b.

    is het maximaal aantal gelijktijdige gebruikers op enig moment beperkt tot 4;

  • c.

    wordt niet gelijktijdig gestart en geland;

  • d.

    worden uitsluitend lesvluchten en hobbymatige vluchten uitgevoerd;

  • e.

    zijn afdoende maatregelen getroffen om het publiek op een veilige afstand van het terrein te houden.

Artikel 3.2.1.7 - Typen luchtvaartuigen

De in artikel 3.2.1.6 genoemde vliegbewegingen mogen uitsluitend worden uitgevoerd met Micro Light Aeroplanes (MLAs).

Artikel 3.2.1.8 - Tijden en dagen waarop gevlogen mag worden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden gedurende de uniforme daglichtperiode (UDP) als bedoeld in het luchtverkeersreglement (LVR).

Artikel 3.2.1.9 - Meteorologische omstandigheden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden voor VER-vluchten als bedoeld in het luchtverkeersreglement (LVR).

Artikel 3.2.1.10 — Afstemmen vluchtuitvoering

Voorafgaand aan een vlucht dient contact te worden opgenomen met de verkeersleiding van vliegbasis Leeuwarden via het telefoonnummer 058 2346072 en bij geen gehoor met de verkeersleiding AOCS. Nieuw Milligen via het telefoonnummer 0577 458700 om de vluchtuitvoering af te stemmen.

Artikel 3.2.1.11 - Aan- en uitvliegroutes

Ter voorkoming van onnodige (geluids-)overlast en in het kader van de (verkeers-)veiligheid, zullen de aan- en uitvliegroutes zodanig dienen te zijn dat erkende natuurgebieden en de aaneengesloten woonbebouwing of kunstwerken, met inbegrip van industrie- en havengebieden, worden gemeden.

Artikel 3.2.1.12 - Gebruiksjaar

Het gebruiksjaar betreft de periode van 1januari tot en met 31 december van enig jaar.

Artikel 3.2.1.13 - Registratie
  • 1 De exploitant houdt een registratie bij waarin zijn opgenomen het aantal vliegbewegingen, het soort luchtvaartuig met bijbehorende registratie en de bijbehorende data en tijdstippen.

  • 2 Bij het gebruik van de luchthaven dient de registratie, zoals genoemd in het vorige lid voor een toezichthouder van de provincie Fryslân ter inzage aanwezig te zijn.

Artikel 3.2.1.14 - Jaarlijkse rapportage

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar dient de in artikel 3.2.1.3 genoemde exploitant of diens rechtsopvolger(s) een rapportage in over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende gebruiksjaar. De rapportage bevat in ieder geval de in artikel 3.2.1.13 genoemde punten en moet voldoen aan de vereisten zoals gesteld in de Regeling burgerluchthavens. 

Paragraaf 3.2.2 Luchtvaartterrein Jirnsum

Artikel 3.2.2.1 - Begripsomschrijvingen

In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • b.

    exploitant: de houder van een luchthavenregeling;

  • c.

    gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

Artikel 3.2.2.2 - Toepassingsbereik

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de luchthaven aan de Grienedyk 4 te Jirnsum, kadastraal bekend gemeente Rauwerd, sectie K, nummers 332, 347 en 348 geheel en 334, 335, 338, 340, 349 en 351 deels, geografische positie 53°03’28.6”NB, 5°45’10.5”OL zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart.

Artikel 3.2.2.3 - Exploitant

De exploitant van de luchthaven is de heer N. Stefan, wonende aan de Buorren 10 te Terherne of diens rechtsopvolger(s).

Artikel 3.2.2.4 - Gebruik

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant, diens rechtsopvolger(s) of door hem of diens rechtsopvolger(s) aangewezen gastvlieger(s).

Artikel 3.2.2.5 - Overige bepalingen

Naast deze luchthavenregeling zijn de regels en voorschriften uit de Wet luchtvaart en Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen van toepassing en moet er zorg voor worden gedragen dat de luchthaven overeenkomstig deze regels en voorschriften ingericht en gebruikt wordt.

Artikel 3.2.2.6 - Aantal vliegbewegingen en gebruikers

Op de luchthaven:

  • a.

    mogen maximaal 100 starts en 100 landingen per gebruiksjaar worden uitgevoerd;

  • b.

    is het maximaal aantal gelijktijdige gebruikers op enig moment beperkt tot 4;

  • c.

    wordt niet gelijktijdig gestart en geland;

  • d.

    worden uitsluitend lesvluchten en hobbymatige vluchten uitgevoerd;

  • e.

    zijn afdoende maatregelen getroffen om het publiek op een veilige afstand van het terrein te houden.

Artikel 3.2.2.7 - Typen luchtvaartuigen

De in artikel 3.2.2.6 genoemde vliegbewegingen mogen uitsluitend worden uitgevoerd met Micro Light Aeroplanes (MLA’s) en schermvliegtuigen met hulpmotor.

Artikel 3.2.2.8 - Tijden en dagen waarop gevlogen mag worden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden gedurende de uniforme daglichtperiode (UDP) als bedoeld in het luchtverkeersreglement (LVR).

Artikel 3.2.2.9 - Meteorologische omstandigheden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden voor VFR-vluchten als bedoeld in het luchtverkeersreglement (LVR).

Artikel 3.2.2.10 - Aan- en uitvliegroutes

Ter voorkoming van onnodige (geluids-)overlast en in het kader van de (verkeers-)veiligheid, zullen de aan- en uitvliegroutes zodanig dienen te zijn dat erkende natuurgebieden en de aaneengesloten woonbebouwing of kunstwerken, met inbegrip van industrie- en havengebieden, worden gemeden.

Artikel 3.2.2.11 - Gebruiksjaar

Het gebruiksjaar betreft de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.

Artikel 3.2.2.12 - Registratie
  • 1 De exploitant houdt een registratie bij waarin zijn opgenomen het aantal vliegbewegingen, het soort luchtvaartuig met bijbehorende registratie en de bijbehorende data en tijdstippen.

  • 2 Bij het gebruik van de luchthaven dient de registratie, zoals genoemd in het vorige lid, voor een toezichthouder van de provincie Fryslân ter inzage aanwezig te zijn.

Artikel 3.2.2.13 - Jaarlijkse rapportage

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar dient de in artikel 3.2.2.3 genoemde exploitant of diens rechtsopvolger(s) een rapportage in over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende gebruiksjaar. De rapportage bevat in ieder geval de in artikel 3.2.2.12 genoemde punten en moet voldoen aan de vereisten zoals gesteld in de Regeling burgerluchthavens. 

Paragraaf 3.2.3 Luchtvaartterrein Ypecolsga

Artikel 3.2.3.1 - Begripsomschrijvingen

In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • b.

    exploitant: de houder van een luchthavenregeling;

  • c.

    gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

Artikel 3.2.3.2 - Toepassingsbereik

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de luchthaven bestaande uit twee percelen, te weten:

  • 1.

    ten noorden van Ypecolsga nummer 15, kadastraal bekend gemeente Woudsend, sectie 0, nummers 202 en 221, geografische positie rondom 52°56’02.44”NB, 05°3618.26”OL;

  • 2.

    ten zuiden van Ypecolsga nummer 16, kadastraal bekend gemeente Woudsend, sectie 0, nummers 270 en 275 (deels), geografische positie rondom 52°55’36.8’NB, 05°36’7.8’OL zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart.

Artikel 3.2.3.3 - Exploitant

De exploitant van de luchthaven is de heer E.J. Hobma, wonende aan de Westerbuorren 30 te Balk of diens rechtsopvolger(s).

Artikel 3.2.3.4 - Gebruik
  • 1 Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant, diens rechtsopvolger(s) of door hem of diens rechtsopvolger(s) aangewezen gastvlieger(s).

  • 2 De percelen zoals genoemd in artikel 3.2.3.2, mogen niet gelijktijdig gebruikt worden.

Artikel 3.2.3.5 - Overige bepalingen

Naast deze luchthavenregeling zijn de regels en voorschriften uit de Wet luchtvaart en Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen van toepassing en moet er zorg voor worden gedragen dat de luchthaven overeenkomstig deze regels en voorschriften ingericht en gebruikt wordt.

Artikel 3.2.3.6 - Aantal vliegbewegingen en gebruikers

Op de luchthaven:

  • a.

    mogen maximaal 100 starts en 100 landingen per gebruiksjaar worden uitgevoerd;

  • b.

    is het maximaal aantal gelijktijdige gebruikers op enig moment beperkt tot 4;

  • c.

    wordt niet gelijktijdig gestart en geland;

  • d.

    mogen uitsluitend privé- of hobbyvluchten plaatsvinden;

  • e.

    zijn afdoende maatregelen getroffen om het publiek op een veilige afstand van het terrein te houden.

Artikel 3.2.3.7 - Typen luchtvaartuigen

De in artikel 3.2.3.6 genoemde vliegbewegingen mogen uitsluitend worden uitgevoerd met Micro Light Aeroplanes (MLA’s).

Artikel 3.2.3.8 - Tijden en dagen waarop gevlogen mag worden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden gedurende de uniforme daglichtperiode (UDP) als bedoeld in het luchtverkeersreglement (LVR).

Artikel 3.2.3.9 - Meteorologische omstandigheden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden voor VFR-vluchten als bedoeld in het Iuchtverkeersreglement (LVR).

Artikel 3.2.3.10 - Aan- en uitvlieg routes

Ter voorkoming van onnodige (geluids-)overlast en in het kader van de (verkeers-)veiligheid, zullen de aan- en uitvliegroutes zodanig dienen te zijn dat erkende natuurgebieden en de aaneengesloten woonbebouwing of kunstwerken, met inbegrip van industrie- en havengebieden worden gemeden.

Artikel 3.2.3.11 - Gebruiksjaar

Het gebruiksjaar betreft de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.

Artikel 3.2.3.12 - Registratie
  • 1 De exploitant houdt een registratie bij waarin per perceel zijn opgenomen het aantal vliegbewegingen, het soort luchtvaartuig met bijbehorende registratie en de bijbehorende data en tijdstippen.

  • 2 Bij het gebruik van de luchthaven dient de registratie zoals genoemd in het vorige lid voor een toezichthouder van de provincie Fryslân ter inzage aanwezig te zijn.

Artikel 3.2.3.13 - Jaarlijkse rapportage

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar dient de in artikel 3.2.3.3 genoemde exploitant of diens rechtsopvolger(s) een rapportage in over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende gebruikjaar. De rapportage bevat in ieder geval de in artikel 3.2.3.12 genoemde punten en moet voldoen aan de vereisten zoals gesteld in de Regeling burgerluchthavens. 

Paragraaf 3.2.4 Luchtvaartterrein Akkrum

Artikel 3.2.4.1 - Begripsomschrijvingen

In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • b.

    exploitant: de houder van een luchthavenregeling;

  • c.

    gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

Artikel 3.2.4.2 - Toepassingsbereik

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de luchthaven bestaande uit drie percelen, te weten:

  • - 1.

    Meskenwier fjild te Akkrum, bevindt zich rondom 53° 03’15.34”NB, 5° 4741 .34”OL

  • - 2.

    Jinshûzen 2te Akkrum, bevindt zich rondom 53°03’03.10”NB, 5°48’27.83”OL

  • - 3.

    Meskenwier 2 te Akkrum, bevindt zich rondom 53° 03’25.53”NB, 5° 4936.95”OL

zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart. 

Artikel 3.2.4.3 - Exploitant

De exploitant van de luchthaven is de heer N. Stefan, wonende aan de Buorren 10 te Terherne of diens rechtsopvolger.

Artikel 3.2.4.4 - Gebruik
  • 1 Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant, diens rechtsopvolger(s) of door hem of diens rechtsopvolger(s) aangewezen gastvlieger(s).

  • 2 De percelen zoals genoemd in artikel 3.2.4.2 mogen niet gelijktijdig gebruikt worden.

Artikel 3.2.4.5 - Overige bepalingen

Naast deze luchthavenregeling zijn de regels en voorschriften uit de Wet luchtvaart en Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen van toepassing en moet er zorg voor worden gedragen dat de luchthaven overeenkomstig deze regels en voorschriften ingericht en gebruikt wordt.

Artikel 3.2.4.6 - Aantal vliegbewegingen en gebruikers

Op de luchthaven:

  • a.

    mogen in totaal maximaal 250 starts en 250 landingen per gebruiksjaar worden uitgevoerd;

  • b.

    mag perceel 3 maximaal 12 dagen per gebruiksjaar worden gebruikt voor maximaal 3 vluchten per dag;

  • c.

    is het maximaal aantal gelijktijdige gebruikers op enig moment beperkt tot 4;

  • d.

    wordt niet gelijktijdig gestart en geland;

  • e.

    worden uitsluitend lesvluchten en hobbymatige vluchten uitgevoerd;

  • f.

    zijn afdoende maatregelen getroffen om het publiek op een veilige afstand van het terrein te houden.

Artikel 3.2.4.7 - Typen luchtvaartuigen

De in artikel 3.2.4.6 genoemde vliegbewegingen mogen uitsluitend worden uitgevoerd met Micro Light Aeroplanes (MLAs) en schermvliegtuigen met hulpmotor.

Artikel 3.2.4.8 - Tijden en dagen waarop gevlogen mag worden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden gedurende de uniforme daglichtperiode (UDP) als bedoeld in het luchtverkeersreglement (LVR).

Artikel 3.2.4.9 - Meteorologische omstandigheden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden voor VFR-vluchten als bedoeld in het luchtverkeersreglement (LVR).

Artikel 3.2.4.10 - Aan- en uitvliegroutes

Ter voorloming van onnodige (geluids-)overlast en in het kader van de (verkeers-)veiligheid, zullen de aan- en uitvliegroutes zodanig dienen te zijn dat erkende natuurgebieden en aaneengesloten woonbebouwing of kunstwerken, met inbegrip van industrie- en havengebieden, worden gemeden.

Artikel 3.2.4.11 - Gebruiksjaar

Het gebruiksjaar betreft de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.

Artikel 3.2.4.12 - Registratie
  • 1 De exploitant houdt een registratie bij waarin per perceel is opgenomen het aantal vliegbewegingen, het soort luchtvaartuig met bijbehorende registratie en de bijbehorende data en tijdstippen.

  • 2 Bij het gebruik van de luchthaven dient de registratie zoals genoemd in het vorige lid voor een toezichthouder van de provincie Fryslân ter inzage aanwezig te zijn.

Artikel 3.2.4.13 - Jaarlijkse rapportage

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de in artikel 3.2.4.3 genoemde exploitant of diens rechtsopvolger(s) een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende gebruiksjaar. De rapportage bevat in ieder geval de in artikel 3.2.4.12 genoemde punten en moet voldoen aan de vereisten zoals gesteld in de Regeling burgerluchthavens. 

Paragraaf 3.2.5 Luchtvaartterrein Kollumerzwaag

Artikel 3.2.5.1 - Begripsomschrijvingen

In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • b.

    exploitant: de houder van een luchthavenregeling;

  • c.

    gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

Artikel 3.2.5.2 - Toepassingsbereik

Deze regeling is van toepassing op de luchthaven aan de Jan Aukeswei te Kollumerzwaag, kadastraal bekend gemeente Westergeest, sectie F, nummers 969, 971 en 973, geografische positie 531 6’08.02”NB, 0603’23.43’OL zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart.

Artikel 3.2.5.3 - Exploitant

De exploitant van de luchthaven is de heer K. Zwarts, wonende aan Voorstraat 58 te De Westereen of diens rechtsopvolger.

Artikel 3.2.5.4 - Gebruik

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant, diens rechtsopvolger(s) of door hem of diens rechtsopvolger(s) aangewezen gastvlieger(s).

Artikel 3.2.5.5  - Overige bepalingen

Naast deze luchthavenregeling zijn de regels en voorschriften uit de Wet luchtvaart en Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen van toepassing en moet er zorg voor worden gedragen dat de luchthaven overeenkomstig deze regels en voorschriften ingericht en gebruikt wordt. 

Artikel 3.2.5.6 - Aantal vliegbewegingen en gebruikers

Op de luchthaven:

  • a.

    mogen maximaal 100 starts en 100 landingen per gebruiksjaar worden uitgevoerd;

  • b.

    is het maximaal aantal gelijktijdige gebruikers op enig moment beperkt tot 4;

  • c.

    wordt niet gelijktijdig gestart en geland;

  • d.

    mogen uitsluitend privé- of hobbyvluchten plaatsvinden;

  • e.

    zijn afdoende maatregelen getroffen om het publiek op een veilige afstand van het terrein te houden.

Artikel 3.2.5.7 - Typen luchtvaarttuigen

De in artikel 3.2.5.6 genoemde vliegbewegingen mogen uitsluitend worden uitgevoerd met Micro Light Aeroplanes (MLA’s) zijnde schermvliegers met hulpmotor.

Artikel 3.2.5.8 - Tijden en dagen waarop gevlogen mag worden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden gedurende de uniforme daglichtperiode (UDP) als bedoeld inhet luchtverkeersreglement (LVR).

Artikel 3.2.5.9 - Meteorologische omstandigheden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden voor VFR-vluchten als bedoeld in het luchtverkeersreglement (LVR).

Artikel 3.2.5.10 - Afstemmen vluchtuitvoering

Voorafgaand aan een vlucht dient contact te worden opgenomen met de verkeersleiding AOCS Nieuw Milligen via het telefoonnummer 0577-458700 om de vluchtuitvoering af te stemmen.

Artikel 3.2.5.11 - Aan- en uitvliegroutes

Ter voorkoming van onnodige (geluids-.)overlast en in het kader van de veiligheid, zullen de aan- en uitvliegroutes zodanig dienen te zijn dat erkende natuurgebieden en de kernen van dorpen en steden worden gemeden. 

Artikel 3.2.5.12 - Gebruiksjaar

Het gebruiksjaar betreft de periode van 1 januari tot 31 december van enig jaar.

Artikel 3.2.5.13 - Registratie
  • 1 De exploitant houdt een registratie bij waarin zijn opgenomen het aantal vliegbewegingen, het soort luchtvaartuig met bijbehorende registratie en de bijbehorende data en tijdstippen.

  • 2 Bij het gebruik van de luchthaven dient de registratie, zoals genoemd in het vorige lid voor een toezichthouder van de provincie Fryslân ter inzage aanwezig te zijn.

Artikel 3.2.5.14 - Jaarlijkse rapportage

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar overlegt de in artikel 3.2.5.3 genoemde exploitant of diens rechtsopvolger(s) een rapportage over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende gebruiksjaar. De rapportage bevat in ieder geval de in artikel 3.2.5.13 genoemde punten en moet voldoen aan de vereisten zoals gesteld in de Regeling burgerluchthavens. 

Paragraaf 3.2.6 Luchtvaartterrein Nieuwehorne

Artikel 3.2.6.1 - Begripsomschrijvingen

In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • b.

    exploitant: de houder van een luchthavenregeling;

  • c.

    gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

Artikel 3.2.6.2 - Toepassingsbereik

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de luchthaven aan de Tjongervallei te Nieuw-horne, kadastraal bekend gemeente Mildam, sectie M, nummers 516, 517, 518 en 521, geografische positie 5256’.31 .2”NB, O6O4’42.l “DL zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart.

Artikel 3.2.6.3 - Exploitant

De exploitant van de luchthaven is de heer K. de Haan, wonende aan de Magnuswei 4 te Hoornsterzwaag of diens rechtsopvolger.

Artikel 3.2.6.4 - Gebruik

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant, diens rechtsopvolger(s) of door hem of diens rechtsopvolger(s) aangewezen gastvlieger(s).

Artikel 3.2.6.5 - Overige bepalingen

Naast deze luchthavenregeling zijn de regels en voorschriften uit de Wet luchtvaart en Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen van toepassing en moet er zorg voor worden gedragen dat de luchthaven overeenkomstig deze regels en voorschriften ingericht en gebruikt wordt.

Artikel 3.2.6.6 - Aantal vliegbewegingen en gebruikers

Op de luchthaven:

  • a.

    mogen maximaal 100 starts en 100 landingen per gebruiksjaar worden uitgevoerd;

  • b.

    is het maximaal aantal gelijktijdige gebruikers op enig moment beperkt tot 4;

  • c.

    wordt niet gelijktijdig gestart en geland;

  • d.

    mogen uitsluitend privé- of hobbyvluchten plaatsvinden;

  • e.

    zijn afdoende maatregelen getroffen om het publiek op een veilige afstand van het terrein te houden.

Artikel 3.2.6.7 - Typen luchtvaarttuigen

De in artikel 3.2.6.6 genoemde vliegbewegingen mogen uitsluitend worden uitgevoerd met Micro Light Aeroplanes (MLA’s).

Artikel 3.2.6.8 - Tijden en dagen waarop gevlogen mag worden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden gedurende de uniforme daglichtperiode (UDP) als bedoeld in het luchtverkeersreglement (LVR).

Artikel 3.2.6.9 - Meteorologische omstandigheden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden voor VFR-vluchten als bedoeld in het luchtverkeersreglement (LVR).

Artikel 3.2.6.10 - Afstemmen vluchtuitvoering

Voorafgaand aan een vlucht dient contact te worden opgenomen met de verkeersleiding AOCS Nieuw Milligen via het telefoonnummer 0577-458700 om de vluchtuitvoering af te stemmen.

Artikel 3.2.6.11 - Aan- en uitvliegroutes

Ter voorkoming van onnodige (geluids-)overlast en in het kader van de (verkeers-)veiligheid, zullen de aan- en uitvliegroutes zodanig dienen te zijn dat erkende natuurgebieden en de aaneengesloten woonbebouwing of kunstwerken, met inbegrip van industrie- en havengebieden, worden gemeden.

Artikel 3.2.6.12 - Gebruiksjaar

Het gebruiksjaar betreft de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.

Artikel 3.2.6.13 - Registratie
  • 1 De exploitant houdt een registratie bij waarin zijn opgenomen het aantal vliegbewegingen, het soort luchtvaartuig met bijbehorende registratie en de bijbehorende data en tijdstippen.

  • 2 Bij het gebruik van de luchthaven dient de registratie zoals genoemd in het vorige lid voor een toezichthouder van de provincie Fryslân ter inzage aanwezig te zijn.

Artikel 3.2.6.14 - Jaarlijkse rapportage

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar dient de in artikel 3.2.6.3 genoemde exploitant of diens rechtsopvolger(s) een rapportage in over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende gebruiksjaar. De rapportage bevat in ieder geval de in artikel 3.2.6.13 genoemde punten en moet voldoen aan de vereisten zoals gesteld in de Regeling burgerluchthavens. 

Paragraaf 3.2.7 Luchtvaartterrein Scheepswerf De Vries Makkum

Artikel 3.2.7.1 - Begripsomschrijvingen

In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:  

  • a.

    luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • b.

    exploitant: de houder van een luchthavenregeling;

  • c.

    gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

Artikel 3.2.7.2 - Toepassingsbereik

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de luchthaven aan de Strânwei 6-10 te Makkum, kadastraal bekend gemeente Makkum, sectie D, nummers 135, 196, 200 en 257 geografische positie 53º3’15’’NB, 005º23’57’’OL zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart.

Artikel 3.2.7.3 - Exploitant

De exploitant van de luchthaven zoals genoemd in artikel 3.2.7.1 is De Vries Scheepsbouw B.V., gevestigd aan de Strânwei 6-10 te Makkum of diens rechtsopvolger(s).

Artikel 3.2.7.4 - Gebruik

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant, diens rechtsopvolger(s) of door hem of diens rechtsopvolger(s) aangewezen gebruiker(s).

Artikel 3.2.7.5 - Overige bepalingen

Naast deze luchthavenregeling zijn de regels en voorschriften uit de Wet luchtvaart en Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen van toepassing en moet er zorg voor worden gedragen dat de luchthaven overeenkomstig deze regels en voorschriften ingericht en gebruikt wordt.

Artikel 3.2.7.6 - Aantal vliegbewegingen en gebruikers

Op de luchthaven:

  • a.

    mogen maximaal 20 starts en 20 landingen per gebruiksjaar worden uitgevoerd;

  • b.

    mogen vluchten ten behoeve van eigen vervoer en vervoer ten behoeve van op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven worden uitgevoerd;

  • c.

    zijn afdoende maatregelen getroffen om het publiek op een veilige afstand van het terrein te houden.

Artikel 3.2.7.7 - Typen luchtvaarttuigen

De in artikel 3.2.7.6 genoemde vliegbewegingen mogen uitsluitend worden uitgevoerd met helikopters zoals beschreven in het bij deze luchthavenregeling behorende hoofdstuk 4 De Vries Makkum van het rapport “Milieuberekeningen helihavens Fryslân, kenmerk pf120703, d.d. 22 augustus 2012” of helikopters met een aantoonbaar vergelijkbaar of lagere milieubelasting.

Artikel 3.2.7.8 - Tijden en dagen waarop gevlogen mag worden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden gedurende de uniforme daglichtperiode (UDP) als bedoeld in het Besluit luchtverkeer 2014.

Artikel 3.2.7.9 - Meteorologische omstandigheden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden door VFR-vluchten onder VMC als bedoeld in deel 5 van de bijlage bij verordening (EU) nr. 923/2012.

Artikel 3.2.7.10 - Aan- en uitvliegroutes

Het aan- en uitvliegen geschiedt, tenzij de vliegveiligheid anders vereist, in de richtingen 30° en 220°, gerekend vanuit de helikopterlandingsplaats.

Artikel 3.2.7.11 - Gebruiksjaar

Het gebruiksjaar betreft de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.

Artikel 3.2.7.12 - Registratie
  • 1 De exploitant houdt een registratie bij waarin zijn opgenomen het aantal vliegbewegingen, het soort luchtvaartuig met bijbehorende registratie en de bijbehorende data en tijdstippen.

  • 2 De registratie zoals genoemd in het vorige lid dient voor een toezichthouder van de provincie Fryslân ter inzage aanwezig te zijn.

Artikel 3.2.7.13 - Jaarlijkse rapportage

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar dient de in artikel 3.2.7.3 genoemde exploitant of diens rechtsopvolger(s) bij gedeputeerde staten een rapportage in over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende gebruiksjaar. De rapportage bevat in ieder geval de in artikel 3.2.7.12 genoemde punten en moet voldoen aan de vereisten zoals gesteld in de Regeling burgerluchthavens.

Paragraaf 3.2.9 Luchtvaartterrein St. Jacobiparochie

Artikel 3.2.9.1 - Begripsomschrijvingen

In deze luchthavenregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    luchthaven: een terrein als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

  • b.

    exploitant: de houder van een luchthavenregeling;

  • c.

    gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;

Artikel 3.2.9.2 - Toepassingsbereik

Deze luchthavenregeling is van toepassing op de luchthaven aan Kadal 48 te St. Jacobiparochie, kadastraal bekend gemeente Sint Jacobiparochie, sectie D nummer 556 geografische positie 53º17’11.61’’NB, 5º36’19.60’’OL zoals aangegeven op de bij deze luchthavenregeling behorende kaart.

Artikel 3.2.9.3 - Exploitant

De exploitant van de luchthaven is Heli Holland Air Service BV, gevestigd aan Kanaal B Z.Z. 3 te Emmer-Compascuum of diens rechtsopvolger.

Artikel 3.2.9.4 - Gebruik

Van de luchthaven mag uitsluitend gebruik worden gemaakt door de exploitant, diens rechtsopvolger(s) of door hem of diens rechtsopvolger(s) aangewezen gebruiker(s).

Artikel 3.2.9.5 - Overige bepalingen

Naast deze luchthavenregeling zijn de regels en voorschriften uit de Wet luchtvaart en Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen van toepassing en moet er zorg voor worden gedragen dat de luchthaven overeenkomstig deze regels en voorschriften ingericht en gebruikt wordt.

Artikel 3.2.9.6 - Aantal vliegbewegingen en gebruikers

Op de luchthaven:

  • a.

    mogen maximaal 24 starts en 24 landingen per gebruiksjaar worden uitgevoerd;

  • b.

    mogen vluchten ten behoeve van inspectie en vervoer ten behoeve van op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven worden uitgevoerd;

  • c.

    zijn afdoende maatregelen getroffen om het publiek op een veilige afstand van het terrein te houden.

Artikel 3.2.9.7 - Typen luchtvaarttuigen

De in artikel 3.2.9.6 genoemde vliegbewegingen mogen uitsluitend worden uitgevoerd met helikopters van het type Eurocopter 120 of helikopters met een aantoonbaar vergelijkbaar of lagere milieubelasting zoals beschreven in het bij deze luchthavenregeling behorende hoofdstuk 9 St. Jacobiparochie van het rapport “Milieuberekeningen helihavens Fryslân, kenmerk pf120703, d.d. 22 augustus 2012”.

Artikel 3.2.9.8 - Tijden en dagen waarop gevlogen mag worden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden gedurende de uniforme daglichtperiode (UDP) als bedoeld in het Besluit luchtverkeer 2014.

Artikel 3.2.9.9 - Meteorologische omstandigheden

De luchthaven mag alleen gebruikt worden door VFR-vluchten onder VMC als bedoeld in deel 5 van de bijlage bij verordening (EU) nr. 923/2012.

Artikel 3.2.8.10 - Afstemmen vluchtuitvoering

Voorafgaand aan een vlucht dient contact te worden opgenomen met de verkeersleiding van vliegbasis Leeuwarden via het telefoonnummer 058 2346737 of 06 20425953 en bij geen gehoor met de verkeersleiding AOCS Nieuw Milligen via het telefoonnummer 0577 458700 om de vluchtuitvoering af te stemmen.

Artikel 3.2.9.11 - Aan- en uitvliegroutes

Het aan- en uitvliegen geschiedt, tenzij de vliegveiligheid anders vereist, in de richtingen 149° en 359°, gerekend vanuit de helikopterlandingsplaats.

Artikel 3.2.9.12 - Gebruiksjaar

Het gebruiksjaar betreft de periode van 1 januari tot en met 31 december van enig jaar.

Artikel 3.2.9.13 - Registratie
  • 1 De exploitant houdt een registratie bij waarin zijn opgenomen het aantal vliegbewegingen, het soort luchtvaarttuig met bijbehorende registratie en de bijbehorende data en tijdstippen.

  • 2 De registratie zoals genoemd in het vorige lid dient voor een toezichthouder van de provincie Fryslân ter inzage aanwezig te zijn.

Artikel 3.2.9.14 - Jaarlijkse rapportage

Binnen vier weken na het einde van een gebruiksjaar dient de in artikel 3.2.9.3 genoemde exploitant of diens rechtsopvolger(s) bij gedeputeerde staten een rapportage in over het gebruik van de luchthaven gedurende het betreffende gebruiksjaar. De rapportage bevat in ieder geval de in artikel 3.2.9.13 genoemde punten en moet voldoen aan de vereisten zoals gesteld in de Regeling burgerluchthavens.

Hoofdstuk 4: Commissie Regionaal Overleg

Paragraaf 4.1. Commissie Regionaal Overleg luchthaven Drachten

Artikel 4.1.1. Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - commissie: Commissie Regionaal Overleg luchthaven Drachten;

Artikel 4.1.2. Instelling en taak
  • 1 Er is een Commissie Regionaal Overleg luchthaven Drachten. Deze commissie fungeert als commissie als bedoeld in artikel 8.58 en 8.59 van de wet.

  • 2 De commissie heeft de taak om door overleg van diverse betrokkenen een gebruik van de luchthaven te bevorderen dat zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van die betrokkenen. Tot deze taak behoort ten minste:

    • a.

      het uitwisselen van informatie tussen de leden over het feitelijke en voorziene gebruik van de luchthaven;

    • b.

      het geven van advies aan betrokken partijen over het voorkomen van en omgaan met klachten over het gebruik van de luchthaven;

    • c.

      het geven van advies aan het bevoegd gezag, gevraagd of ongevraagd, over het (ontwerp-) Luchthavenbesluit of wijziging daarvan;

    • d.

      het geven van advies aan het bevoegd gezag over de wijze van uitoefening van toezicht op de uitvoering van het Luchthavenbesluit.

  • 3 De commissie treedt niet in de bevoegdheden en rechten van de in haar vertegenwoordigde organen en organisaties.

Artikel 4.1.3. Samenstelling
  • 1 De commissie bestaat naast de voorzitter uit de volgende leden:

    • a.

      één lid namens het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland;

    • b.

      één lid namens de exploitant;

    • c.

      ten minste één lid en ten hoogste twee leden namens de rechtspersoonlijkheid bezittende gebruiksorganisaties;

    • d.

      ten minste één lid en ten hoogste twee leden namens de omwonenden van de luchthaven, op voordracht van het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland;

    • e.

      één lid namens bedrijven en ondernemers van het bedrijvenpark Azeven, op voordracht van Ondernemersvereniging Drachten;

    • f.

      optioneel kan één lid namens de plaatselijke milieugroepen, op voordracht van de Friese Milieu Federatie deel uitmaken van de commissie.

  • 2 Gedeputeerde staten zijn bevoegd de onderdelen e en f gewijzigd vast te stellen.

Artikel 4.1.4. Voorzitterschap
  • 1 De voorzitter van de commissie wordt door gedeputeerde staten benoemd, geschorst en ontslagen.

  • 2 De commissie wijst uit haar midden een lid aan dat bij afwezigheid van de voorzitter diens taken waarneemt.

  • 3 De voorzitter wordt benoemd voor een termijn van vier jaar en is één keer herbenoembaar.

  • 4 De voorzitter heeft geen stemrecht.

  • 5 De voorzitter heeft onder andere de volgende taken:

    • a.

      het leiden van de vergaderingen van de commissie;

    • b.

      het formuleren van conclusies uit beraadslagingen van de commissie;

    • c.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van leden van de commissie overeenkomstig artikel 4.1.6.;

    • d.

      het naar buiten vertegenwoordigen van de commissie.

Artikel 4.1.5. Secretaris
  • 1 Gedeputeerde staten benoemen, de voorzitter gehoord, de secretaris van de commissie.

  • 2 De secretaris is geen lid van de commissie.

  • 3 De provincie stelt aan de commissie een budget beschikbaar ten behoeve van het secretariaat.

  • 4 De secretaris heeft tot taak het zorgdragen voor:

    • a.

      een goede inhoudelijke en logistieke voorbereiding van vergaderingen van de commissie;

    • b.

      de uitvoering van de beslissingen van de commissie, waaronder het opstellen van adviezen, verslagen en correspondentie.

Artikel 4.1.6. Benoeming en ontslag van leden
  • 1 De voorzitter benoemt een lid of plaatsvervangend lid overeenkomstig de voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt, tenzij dringende redenen hem aanleiding geven het orgaan of de organisatie te verzoeken de voordracht te heroverwegen. In dat geval doet het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt een nieuwe voordracht.

  • 2 Een lid wordt benoemd voor een periode van vier jaar en kan op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt door de voorzitter worden herbenoemd.

  • 3 Het lidmaatschap van de commissie eindigt:

    • a.

      van rechtswege;

    • b.

      door opzegging;

    • c.

      door ontslag;

    • d.

      als de grond voor het lidmaatschap komt te vervallen.

  • 4 Het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt kan de voorzitter met redenen omkleed verzoeken het lid te ontslaan.

  • 5 De voorzitter kan een lid schorsen of ontslaan indien het overleg in de commissie naar zijn oordeel niet is gediend met voortzetting van het lidmaatschap.

Artikel 4.1.7. Werkplan en jaarverslag
  • 1 De commissie stelt jaarlijks voor 15 november een werkplan en begroting voor het komende kalenderjaar vast en zendt deze stukken ter goedkeuring naar gedeputeerde staten.

  • 2 Met het goedkeuren van een begroting kennen gedeputeerde staten de financiële middelen in de begroting toe aan de commissie.

  • 3 De commissie stelt jaarlijks voor één mei een verslag vast over de uitgevoerde werkzaamheden in het voorgaande kalenderjaar.

  • 4 In het verslag, bedoeld in het derde lid, geeft de commissie in ieder geval aan:

    • a.

      de mate waarin het werkplan tot uitvoering is gekomen;

    • b.

      de samenstelling van de commissie;

    • c.

      de wijzigingen in de samenstelling;

    • d.

      een verantwoording over de besteding van de financiële middelen in het daaraan voorafgaande kalenderjaar;

    • e.

      eventuele bijzondere voorvallen of omstandigheden die voor haar werkzaamheden van belang zijn geweest.

  • 5 De commissie zendt het verslag, als bedoeld in het derde lid, naar gedeputeerde staten.

Artikel 4.1.8. Vergoeding
  • 1 De voorzitter en de leden van de commissie komen in aanmerking voor een vergoeding overeenkomstig de artikel 32 van de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden provincie Fryslân 2011 juncto artikel 13 van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, conform de uitwerking in het benoemingsbesluit. Een lid kan schriftelijk aan de commissie mededelen geen vergoeding te willen ontvangen.

Artikel 4.1.9. Werkwijze
  • 1 De commissie stelt een reglement van orde op waarin onder andere de volgende onderdelen aan de orde komen:

    • a.

      tot stand komen advies en besluitvorming;

    • b.

      vergaderfrequentie en uitnodigingen;

    • c.

      openbaarheid van vergaderingen;

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde reglement en het wijzigen daarvan behoeft instemming van gedeputeerde staten.

Paragraaf 4.2. Commissie Regionaal Overleg luchthaven Ameland

Artikel 4.2.1. Begripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: - commissie: Commissie Regionaal Overleg luchthaven Ameland;

Artikel 4.2.2. Instelling en taak
  • 1 Er is een Commissie Regionaal Overleg luchthaven Ameland. Deze commissie fungeert als commissie als bedoeld in artikel 8.58 en 8.59 van de wet.

  • 2 De commissie heeft de taak om door overleg van diverse betrokkenen een gebruik van de luchthaven te bevorderen dat zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van die betrokkenen. Tot deze taak behoort ten minste:

    • a.

      het uitwisselen van informatie tussen de leden over het feitelijke en voorziene gebruik van de luchthaven;

    • b.

      het geven van advies aan betrokken partijen over het voorkomen van en omgaan met klachten over het gebruik van de luchthaven;

    • c.

      het geven van advies aan het bevoegd gezag, gevraagd of ongevraagd, over het (ontwerp-) Luchthavenbesluit of wijziging daarvan;

    • d.

      het geven van advies aan het bevoegd gezag over de wijze van uitoefening van toezicht op de uitvoering van het Luchthavenbesluit.

  • 3 De commissie treedt niet in de bevoegdheden en rechten van de in haar vertegenwoordigde organen en organisaties.

Artikel 4.2.3. Samenstelling
  • 1 De commissie bestaat naast de voorzitter uit de volgende leden:

    • a.

      één lid namens het college van burgemeester en wethouders van Ameland;

    • b.

      één lid namens de exploitant;

    • c.

      ten minste één lid en ten hoogste twee leden namens de rechtspersoonlijkheid bezittende gebruiksorganisaties;

    • d.

      ten minste één lid en ten hoogste twee leden namens de omwonenden van de luchthaven, op voordracht van Dorpsbelang Ballum;

    • e.

      één lid namens bedrijven en ondernemers van Ballum, op voordracht van de Klankbordgroep Toerisme Ameland;

    • f.

      één lid namens de plaatselijke natuur- en milieugroepen, op voordracht van de Beheersoverleggroep Ameland.

  • 2 Gedeputeerde staten zijn bevoegd de onderdelen d, e en f gewijzigd vast te stellen.

Artikel 4.2.4. Voorzitterschap
  • 1 De voorzitter van de commissie wordt door gedeputeerde staten benoemd, gehoord de gemeente Ameland.

  • 2 De voorzitter van de commissie kan door gedeputeerde staten worden geschorst en ontslagen.

  • 3 De commissie wijst uit haar midden een lid aan dat bij afwezigheid van de voorzitter diens taken waarneemt.

  • 4 De voorzitter wordt benoemd voor een termijn van vier jaar en is één keer herbenoembaar.

  • 5 De voorzitter heeft geen stemrecht.

  • 6 De voorzitter heeft onder andere de volgende taken:

    • a.

      het leiden van de vergaderingen van de commissie;

    • b.

      het formuleren van conclusies uit beraadslagingen van de commissie;

    • c.

      het benoemen, schorsen en ontslaan van leden van de commissie overeenkomstig artikel 4.2.6.;

    • d.

      het naar buiten vertegenwoordigen van de commissie.

Artikel 4.2.5. Secretaris
  • 1 Gedeputeerde staten benoemen, de voorzitter gehoord, de secretaris van de commissie.

  • 2 De secretaris is geen lid van de commissie.

  • 3 De provincie stelt aan de commissie een budget beschikbaar ten behoeve van het secretariaat.

  • 4 De secretaris heeft tot taak het zorgdragen voor:

    • a.

      een goede inhoudelijke en logistieke voorbereiding van vergaderingen van de commissie;

    • b.

      de uitvoering van de beslissingen van de commissie, waaronder het opstellen van adviezen, verslagen en correspondentie.

Artikel 4.2.6. Benoeming en ontslag van leden
  • 1 De voorzitter benoemt een lid of plaatsvervangend lid overeenkomstig de voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt, tenzij dringende redenen hem aanleiding geven het orgaan of de organisatie te verzoeken de voordracht te heroverwegen. In dat geval doet het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt een nieuwe voordracht.

  • 2 Een lid wordt benoemd voor een periode van vier jaar en kan op voordracht van het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt door de voorzitter worden herbenoemd.

  • 3 Het lidmaatschap van de commissie eindigt:

    • a.

      van rechtswege;

    • b.

      door opzegging;

    • c.

      door ontslag;

    • d.

      als de grond voor het lidmaatschap komt te vervallen.

  • 4 Het orgaan of de organisatie die het lid vertegenwoordigt kan de voorzitter met redenen omkleed verzoeken het lid te ontslaan.

  • 5 De voorzitter kan een lid schorsen of ontslaan indien het overleg in de commissie naar zijn oordeel niet is gediend met voortzetting van het lidmaatschap.

Artikel 4.2.7. Werkplan en jaarverslag
  • 1 De commissie stelt jaarlijks voor 15 november een werkplan en begroting voor het komende kalenderjaar vast en zendt deze stukken ter goedkeuring naar gedeputeerde staten.

  • 2 Met het goedkeuren van een begroting kennen gedeputeerde staten de financiële middelen in de begroting toe aan de commissie.

  • 3 De commissie stelt jaarlijks voor één mei een verslag vast over de uitgevoerde werkzaamheden in het voorgaande kalenderjaar.

  • 4 In het verslag, bedoeld in het derde lid, geeft de commissie in ieder geval aan:

    • a.

      de mate waarin het werkplan tot uitvoering is gekomen;

    • b.

      de samenstelling van de commissie;

    • c.

      de wijzigingen in de samenstelling;

    • d.

      een verantwoording over de besteding van de financiële middelen in het daaraan voorafgaande kalenderjaar;

    • e.

      eventuele bijzondere voorvallen of omstandigheden die voor haar werkzaamheden van belang zijn geweest.

  • 5 De commissie zendt het verslag, als bedoeld in het derde lid, naar gedeputeerde staten.

Artikel 4.2.8. Vergoeding
  • 1 De voorzitter en de leden van de commissie komen in aanmerking voor een vergoeding overeenkomstig de artikel 32 van de Verordening rechtspositie gedeputeerden, staten- en commissieleden provincie Fryslân 2011 juncto artikel 13 van het Rechtspositiebesluit staten- en commissieleden, conform de uitwerking in het benoemingsbesluit. Een lid kan schriftelijk aan de commissie mededelen geen vergoeding te willen ontvangen.

Artikel 4.2.9. Werkwijze
  • 1 De commissie stelt een reglement van orde op waarin onder andere de volgende onderdelen aan de orde komen:

    • a.

      tot stand komen advies en besluitvorming;

    • b.

      vergaderfrequentie en uitnodigingen;

    • c.

      openbaarheid van vergaderingen;

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde reglement en het wijzigen daarvan behoeft instemming van gedeputeerde staten.

Hoofdstuk 5: Toezicht

Artikel 5.1 - Aanwijzing toezichthouders

Gedeputeerde staten wijzen ambtenaren aan die zijn belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de wet gegeven regels en voorschriften.

Hoofdstuk 6: Slotbepalingen

Artikel 6.1 – Citeertitel en inwerkingtreding

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Luchtvaartverordening provincie Fryslân’ en treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking in het Provinciaal Blad.

Ondertekening

Leeuwarden, 21 december 2011
Voorzitter J.A. Jorritsma
Griffier A. Oortgiesen
 

 Bijlagen

bijlagen/file/Kaart 3_2_1 Luchtvaartterrein Arum.pdfbijlagen/file/Kaart 3_2_2 Luchtvaartterrein Jirnsum.pdfbijlagen/file/Kaart 3_2_3 Luchtvaartterrein Ypecolsga.pdfbijlagen/file/Kaart 3_2_4 Luchtvaartterrein Akkrum.pdfbijlagen/file/Kaart 3_2_5 Luchtvaartterrein Kollumerzwaag.pdfbijlagen/file/Kaart 3_2_6 Luchtvaartterrein Nieuwehorne.pdfbijlagen/file/Kaart 3_2_7 Luchtvaartterrein Scheepswerf De Vries Makkum.pdf bijlagen/file/Kaart 3_2_9 Luchtvaartterrein St_ Jacobiparochie.pdf  

Toelichting

Algemeen Deel

Inleiding Met een recente wijziging van de Luchtvaartwet is de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens herzien en zijn taken en bevoegdheden naar het provinciaal bestuur gedecentraliseerd. Het gaat om bevoegdheden voor besluitvorming over de aanwezigheid van luchthavens, de omvang van de milieuruimte waarover een luchthaven kan beschikken en over de eventuele ruimtelijke implicaties daarvan. Het Rijk stelt wel randvoorwaarden op grond van milieu- en externe veiligheidsoverwegingen waarmee het provinciaal bestuur minimaal rekening dienen te houden in hun besluitvorming.

De provincie kan aldus beslissen over aantal, aard en omvang van burgerluchthavens op haar grondgebied. Dit betekent ook dat de provincie kan bepalen of luchthavens kunnen groeien en waar eventueel nieuwe luchthavens mogen worden ontwikkeld. Niet alle bevoegdheden voor de besluitvorming rond luchthavens van regionale betekenis zijn gedecentraliseerd. Er is nadrukkelijk geen verandering beoogd op het terrein van de bevoegdheden van het Rijk met betrekking tot het luchtruim, de interne veiligheid en de beveiliging van luchthavens. Deze onderwerpen vereisen bij uitstek uniforme (al dan niet internationaal bepaalde) regelgeving en toepassing en lenen zich daarom niet voor decentralisatie naar een andere bestuurslaag.

De wet bepaalt welke categorieën burgerluchthavens er zullen zijn. Hierbij wordt – naast de luchthaven Schiphol – een onderscheid gemaakt tussen luchthavens van regionale betekenis en luchthavens van nationale betekenis. Voor de laatste categorie blijft het Rijk het bevoegde gezag. Daarnaast zijn er militaire luchthavens al dan niet met (structureel) burgermedegebruik. Ook hiervoor blijft het Rijk het bevoegde gezag. De wet maakt het mogelijk luchthavens van nationale betekenis te verklaren.

Voor burgerluchthavens van regionale betekenis krijgen provinciale staten de genoemde bevoegdheden, waarbij het Rijk in het Besluit burgerluchthavens voorschrijft welke systematiek ten minste moet worden toegepast en welk beschermingsniveau provinciale staten bij de vaststelling van luchthavenbesluiten ten minste moet bieden. Dit zijn minimumeisen bedoeld om een landelijk minimum beschermingsniveau voor burgers te creëren. Provinciale staten kunnen desgewenst meer of verdergaande eisen opnemen in een luchthavenbesluit. De decentralisatie leidt er derhalve toe dat provinciale staten bevoegdheden krijgen omtrent de besluitvorming over de aanwezigheid van luchthavens en de milieugebruiksruimte van luchthavens.

De instrumenten die provinciale staten op grond van de wet ter beschikking staan zijn het luchthavenbesluit en de luchthavenregeling. In het Besluit burgerluchthavens wordt bepaald wanneer in ieder geval een luchthavenbesluit moet worden gemaakt. In de wet is opgenomen dat provinciale staten voor een luchthaven één van beide opstellen, afhankelijk van de effecten van de geluidbelasting of de externe veiligheidsrisico’s buiten het luchthavengebied. Indien het gebruik van de luchthaven leidt tot zodanige effecten dat daarmee rekening moet worden gehouden bij de ruimtelijke inrichting van de directe omgeving van de luchthaven, is vaststelling van een luchthavenbesluit noodzakelijk. Zijn deze ruimtelijke consequenties er niet, dan kan worden volstaan met een luchthavenregeling. Een luchthavenbesluit of -regeling wordt al dan niet op verzoek vastgesteld.

Een luchthavenbesluit bevat allereerst grenswaarden en regels voor het luchthavenluchtverkeer en daarnaast regels voor de ruimtelijke indeling van het gebied van en rond de luchthaven. Hoe deze worden ingevuld is aan het bevoegde gezag. De grenswaarden en regels voor het luchthavenluchtverkeer beogen de milieubelasting in de directe omgeving te beheersen. Desgewenst kan het bevoegde gezag ook grenswaarden voorschrijven voor externe veiligheid en regels en grenswaarden voor lokale luchtverontreiniging. Ook kunnen bijvoorbeeld openingstijden worden vastgesteld en kunnen regels worden gesteld aan de vluchtuitvoering en het baangebruik. De regels voor het luchthavenluchtverkeer richten zich tot de exploitant van de luchthaven, de gezagvoerders die de luchthaven aandoen en indien aanwezig de luchtverkeersdienstverlening. De regels voor de ruimtelijke indeling beogen de inrichting van het gebied op en rond de luchthaven af te stemmen op het gebruik van de luchthaven. Grotendeels zijn deze regels een ruimtelijke vertaling van de grenzen die door provinciale staten aan het luchthavenluchtverkeer worden opgelegd. Om te beginnen wordt door provinciale staten het directe ruimtebeslag van de luchthaven bepaald, dat wil zeggen de grenzen van de luchthaven en de ligging van de banen. Daarnaast wordt – gelet op de geluidbelasting, de externe veiligheid en de vliegveiligheid – het indirecte ruimtebeslag van de luchthaven bepaald. Dit indirecte ruimtebeslag wordt vastgelegd in een zogenaamd beperkingengebied, waar restricties gelden ten aanzien van diverse bestemmingen. Het Besluit burgerluchthavens geeft aan hoe het bevoegde gezag het indirecte ruimtebeslag bepaalt en welke ruimtelijke beperkingen daar ten minste gelden. Daarmee worden gebieden vlak rond de luchthaven gevrijwaard van (nieuwe) gevoelige en kwetsbare bestemmingen of worden eisen aan dergelijke bestemmingen gesteld. Daarnaast moeten in een luchthavenbesluit gebieden worden vastgelegd waar – gelet op de vliegveiligheid – obstakel- en hoogtebeperkingen gelden. De omvang van deze obstakelvlakken volgt uit (inter)nationale regelgeving. Een luchthavenbesluit voor burgerluchthavens van regionale betekenis wordt door provinciale staten bij verordening vastgesteld. Tegen dit besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.

Voor luchthavens waar het gebruik door luchthavenluchtverkeer – gelet op de randvoorwaarden uit het Besluit burgerluchthavens – geen ruimtelijke consequenties buiten het luchthavengebied heeft, wordt een luchthavenregeling vastgesteld. Over het algemeen zal het gaan om luchthavens met gebruik van geringe omvang zoals de meeste helikopterlandingsplaatsen en kleine recreatieluchthavens. Voor de in artikel 5, tweede lid Besluit burgerluchthavens genoemde luchtvaartterreinen kan altijd met een luchthavenregeling worden volstaan. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld gemotoriseerd schermvliegen (paramoteurs), Ultralight vliegtuigen (MLA) en zweefvliegers. Gelet op de aard van dit verkeer, zal de 56 dB Lden geluidcontour en/of 10-6 plaatsgebonden risico externe veiligheidscontour nooit buiten de grenzen van het luchthavengebied komen en hoeven dus ook geen contourberekeningen te worden opgesteld.

De terreinen die structureel gebruikt worden voor luchtballonnen, zeil- en schermvliegers zijn als gevolg van een lobby van de sector in juli 2010 vrijgesteld van de verplichting om een luchthavenregeling te hebben.

Een luchthavenregeling bevat alleen regels en grenswaarden voor het luchthavenluchtverkeer (en geen regels voor de ruimtelijke indeling van de directe omgeving van een luchthaven). De luchthavenregeling richt zich derhalve alleen tot de exploitant en de gezagvoerders van luchtvaartuigen die gebruik maken van de luchthaven.

De bepalingen in de luchthavenregeling moeten garanderen dat het gebruik van de luchthaven niet leidt tot zodanige effecten dat daarmee rekening moet worden gehouden bij de ruimtelijke inrichting van de directe omgeving van de luchthaven. Anders moet immers een luchthavenbesluit worden gemaakt. Het Besluit burgerluchthavens zal niet voorschrijven op welke wijze dit moet worden bereikt. Provinciale staten kunnen zelf bepalen welk instrument zij daarvoor willen opnemen in de luchthavenregeling. Dit kunnen bijvoorbeeld grenswaarden in de vorm van handhavingspunten in het verlengde van de baan zijn. Maar ook het opnemen van een maximum aantal vliegtuigbewegingen kan een adequaat instrument zijn, afhankelijk van het gebruik van de luchthaven. Een luchthavenregeling bij burgerluchthavens van regionale betekenis wordt door provinciale staten vastgesteld bij verordening. Ook tegen dit besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.

Op grond van de wet stellen provinciale staten het aantal, de omvang, de aard en de ligging van luchthavens van regionale betekenis op hun grondgebied vast. Het bevoegde gezag – in de praktijk provinciale staten – bepaalt daarmee feitelijk de gebruiksruimte van de luchthaven: of deze ruimte kleiner moet worden of kan toenemen, of er nieuwe luchthavens kunnen komen en of er luchthavens gesloten moeten worden. Het kabinet gaat ervan uit dat het provinciaal bestuur dat doet op grond van een integrale afweging waarbij aspecten als economische ontwikkeling, verstedelijking, bereikbaarheid, leefbaarheid, milieu, veiligheid en ruimtelijke kwaliteit een rol spelen. Een dergelijke afweging is immers een goede basis voor de beleidsuitvoering door het bevoegde gezag, dat wil zeggen voor het vaststellen van luchthavenbesluiten of -regelingen. Het provinciaal bestuur kan dat als gebiedsregisseur het beste doen, beter dan het Rijk dat op grotere afstand van de regio staat. Ontwikkelingen van de luchthaven zijn immers nauw verweven met die van de regio. Investeringen in een luchthaven dienen dan ook nauw samen te hangen met investeringen in economie, infrastructuur, milieu en woonlocaties en vergen dus een integrale ruimtelijke planning. Voor het tijdelijk en uitzonderlijk gebruik van terreinen als start en landingslocatie geldt ingevolge de Wet luchtvaart een bijzonder ontheffingenregime. Hiervoor hebben Gedeputeerde Staten op 13 juli 2010 de “Beleidsregel tijdelijk en uitzonderlijk gebruik Wet luchtvaart provincie Fryslân” vastgesteld. De bepalingen in onderhavige verordening hebben daarom geen betrekking op genoemde ontheffingen.

Bestuursrechtelijke handhaving door gedeputeerde statenIn het luchthavenbesluit worden grenswaarden, in ieder geval voor geluid vastgelegd. Daarnaast worden er regels in een luchthavenbesluit opgenomen waaraan alle sectorgenoten zich hebben te houden, bijvoorbeeld met betrekking tot de openstelling of om de hinder van vliegtuigen met een hoog geluidsniveau in het weekend te voorkomen. De grenswaarden in het besluit geven de exploitant, de gebruikers en eventueel de luchtverkeersdienstverlening gezamenlijk een milieugebruiksruimte. Binnen die ruimte kunnen zij opereren voor zover ook wordt voldaan aan de regels van het besluit en overige wettelijke eisen als bijvoorbeeld voor veiligheid. De grenswaarden richten zich tot alle sectorgenoten en zijn niet gericht tot één bepaalde sectorgenoot. De veroorzaakte belasting voor de omgeving vloeit immers voort uit het samengestelde gedrag van de exploitant, de gebruikers en eventueel de luchtverkeersdienstverlening. Bij regels ligt dit anders. Deze kunnen zich weliswaar tot alle sectorgenoten richten, maar een ieder is daarop wel individueel aanspreekbaar. Zij hebben het allen zelf in hun macht om aan een regel te voldoen. De exploitant stelt bijvoorbeeld de luchthaven beschikbaar conform de openstellingsregel in het luchthavenbesluit; gebruikers maken bijvoorbeeld gebruik van de luchthaven conform de regels die operationele beperkingen stellen aan vliegtuigen met een hoog geluidsniveau en de eventueel aanwezige luchtverkeersdienstverlening geeft luchtverkeersdienstverlening conform de regels met betrekking tot de verdeling van het verkeer over de baan.

Er zijn geen verschillen tussen de handhaving van een luchthavenbesluit en een luchthavenregeling. Hetzelfde instrumentarium kan worden gebruikt met dien verstande dat in een luchthavenregeling geen grenswaarden hoeven te worden opgenomen en in een luchthavenbesluit wel. Zodra het provinciale bestuur echter besluit om in een luchthavenregeling een grenswaarde op te nemen, bijvoorbeeld een maximale grens aan het aantal vliegtuigbewegingen, dan staat bij overschrijding daarvan hetzelfde instrumentarium ter beschikking als bij een luchthavenbesluit. Het kenmerkende verschil tussen grenswaarden en regels is de reden waarom een overschrijding van een grenswaarde anders wordt behandeld dan overtreding van een regel.

De wet verplicht de geadresseerde van een regel om zich aan die regel te houden. Overtreding van de regel kan worden bedreigd met een bestuurlijke boete, behoudens gevallen waarin afwijken van de regel in het belang van de veiligheid nodig is. De mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete is in de wet geformuleerd als een bevoegdheid van het bevoegde gezag en niet als een verplichting omdat de verwijtbaarheid een rol speelt. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete is neergelegd in titel 11.2 van de Wet luchtvaart. De bepalingen in deze titel zijn zodanig aangepast dat voor luchthavens van regionale betekenis gedeputeerde staten deze bevoegdheden ook krijgen.

Grenswaarden zijn niet gericht tot een bepaalde sectorgenoot. De mate van belasting van de omgeving vloeit immers voort uit het samengestelde gedrag van de sectorgenoten. Als een grenswaarde wordt overschreden is het niet zo zeer meer van belang of iemand blaam treft en zo, ja wie, als wel dát er een maatregel wordt getroffen die erop is gericht dat in de toekomst een dergelijke overschrijding niet meer voorkomt. Als een maatregel kan worden getroffen, moet deze ook worden opgelegd. Een maatregel is in beginsel niet begrensd in de tijd (of een gebruiksjaar). Het bevoegd gezag kan de maatregel opleggen zolang als deze van oordeel is dat de maatregel bijdraagt aan het terugdringen van de belasting binnen de grenswaarden. Het bevoegde gezag kan bijvoorbeeld een maatregel intrekken als de betrokkenen zelf orde op zaken stellen, bijvoorbeeld als de exploitant minder of minder lawaaiige vliegtuigen op zijn terrein toelaat, als gebruikers hun gebruik van de luchthaven aanpassen of als de luchtverkeersleiding de verdeling van het verkeer over de baan aanpast.

Al zijn grenswaarden gericht tot een bepaalde sectorgenoot, een maatregel moet op zijn beurt gericht zijn tot degene die het in zijn vermogen heeft aan de maatregel te voldoen. Bij een maatregel helpt het de sectorgenoten niet te verwijzen naar elkaar. Het gaat er immers niet om wie blaam treft maar wie het in zijn vermogen heeft een maatregel uit te voeren. Bijvoorbeeld: indien een grenswaarde in een handhavingspunt wordt overschreden, kan de maatregel inhouden dat de exploitant minder capaciteit op de baan toelaat. Het kan ook zijn dat een andere verdeling van het luchthavenluchtverkeer over de baan een oplossing voor de overschrijding kan zijn. In dat geval kan de maatregel (waarin de mate van verdeling van het verkeer over de baan is vastgelegd) zich richten tot de exploitant en de eventueel aanwezige luchtverkeersdienstverlening. In weer een ander geval kan het zijn dat een op een luchthaven gevestigd bedrijf met lawaaiige toestellen operationele beperkingen krijgt opgelegd bij wijze van maatregel. Een maatregel kan aldus diep ingrijpen in de exploitatie van een luchthaven en in de mogelijkheden van gebruikers. Een op te leggen maatregel zal dan ook vanzelfsprekend moeten voldoen aan de eisen van behoorlijk bestuur, zoals die onder meer in de Algemene wet bestuursrecht zijn verwoord. Zo zal een maatregel moeten voldoen aan de eisen van proportionaliteit en zal ook bij de voorbereiding van de maatregel acht geslagen moeten worden op de belangen van degene tot wie de maatregel is gericht. Daarom verplicht de wet dat betrokkene de mogelijkheid krijgt om zijn zienswijze vooraf kenbaar te maken. In die zienswijze kunnen ook voorstellen worden opgenomen omtrent de maatregel, bijvoorbeeld opdat deze zo min mogelijk belastend kan zijn zonder aan effectiviteit in te boeten. Overtreding van een maatregel kan bestraft worden met een bestuurlijke boete. Voor de bestuursrechtelijke handhaving zijn gedeputeerde staten bevoegd gezag.

Luchtvaartverordening De wetgever heeft bij het opstellen van de wet en de op de wet gebaseerde uitvoeringsbesluiten en ministeriële regelingen alleen het minimaal vanuit het Rijk noodzakelijke geachte kader opgenomen. Aan deze minimum eisen moeten de provinciale besluiten tenminste voldoen. Uit de toelichting op de wet blijkt dat de provincies beleidsvrijheid hebben om naast deze minimumeisen aanvullend (ruimtelijk) beleid te ontwikkelen. Op deze wijze kunnen de provinciale kaders worden aangegeven waarbinnen de luchtvaartactiviteiten moeten plaatsvinden. Dit betekent enerzijds een zo maximaal mogelijke vrijheid voor een provincie om haar eigen beleid te ontwikkelen, anderzijds is het hierdoor noodzakelijk om aanvullend beleid en/of procedureregels op te stellen. In de luchtvaartverordening worden daarom een aantal noodzakelijke procedurele aspecten geregeld. De volgende zaken worden in de verordening geregeld: - het eenduidig vastleggen van de taak van gedeputeerde staten bij het voorbereiden van het luchthavenbesluit en/of –regeling. - het vastleggen van gegevens die een aanvraag om vaststelling van een luchthavenbesluit en/of –regeling ten minste moet bevatten om te kunnen komen tot een goed en onderbouwd luchthavenbesluit en/of –regeling. - De bevoegdheid opnemen dat gedeputeerde staten ambtenaren kunnen aanwijzen die belast zijn met het toezicht op de Wet luchtvaart.

Daarnaast is er voor gekozen om ook de luchthavenbesluiten, luchthavenregelingen en instellingsbesluiten CRO in afzonderlijke hoofdstukken en paragrafen in deze verordening op te nemen. Op deze manier kan er binnen de provincie een grote mate van samenhang, gelijkheid en eenheid gecreëerd worden als het gaat om de eisen en voorwaarden. Verder is het bij één verordening mogelijk, zeker nu het gaat om de eerste luchtvaartverordening, om alles goed met elkaar af te stemmen (dus zowel het algemene deel als het procedurele deel plus de in afzonderlijke hoofdstukken opgenomen vliegvelden) om de eerder genoemde eenheid te realiseren. Het is dus op deze manier waarschijnlijker dat de in de toekomst in te voegen terreinen veel beter aansluiten bij de gekozen structuur. Overzichtelijkheid en duidelijkheid zijn dan dus het resultaat.

Om eenheid in beleid en provinciale regelgeving te bevorderen vindt afstemming op hoofdlijnen van beleid en regelgeving tussen provincies onderling plaats door middel van interprovinciaal overleg (IPO). In de IPO Contactgroep Luchtvaart is een modelverordening opgesteld. De Luchtvaartverordening provincie Fryslân is gebaseerd op genoemde modelverordening, maar is zo nodig aangepast aan de Friese situatie of zijn er ter verduidelijking aanvullende bepalingen opgenomen.

Wettelijke grondslagDeze Luchtvaartverordening is gebaseerd op de artikelen 8.43, 8.58 en 8.64 Wet luchtvaart en de (aanvullende) verordenende bevoegdheid van PS ingevolge artikel 145 van de Provinciewet en de algemene delegatiebepaling van PS ingevolge artikel 152 van de Provinciewet. Verder zijn GS op grond van artikel 158, eerste lid, onder b, van de Provinciewet bevoegd de beslissingen van PS voor te bereiden en uit te voeren. Hieronder valt ook de voorbereiding van een luchthavenbesluit of -regeling op grond van afdeling 3.4 van de Awb.

Artikelsgewijs

Artikel 1.1Ad c) tot en met e) Deze omschrijvingen zijn conform de Wet luchtvaart.

Artikel 1.2lid 1: Een luchthavenbesluit of luchthavenregeling hoeft niet op aanvraag te worden vastgesteld. Het bevoegd gezag kan dit ook uit eigen beweging doen. lid 2: De artikelen van deze verordening die betrekking hebben op aanvragen, zijn niet van toepassing op de overgangsregeling voor de zogenaamde omzettingsbesluiten. Deze besluiten worden niet op aanvraag genomen, maar uit eigen beweging van het bevoegd gezag. Uiteraard geldt dit niet voor een latere wijziging van deze omzettingsbesluiten. Dan is gewoon het gestelde in deze verordening van toepassing.

Artikel 2.1Lid 1: Vanwege het rondsturen van de aanvraag aan de adviseurs en ten behoeve van de terinzagelegging is een aantal kopieën van de aanvraag noodzakelijk. Tevens is rekening gehouden met het niet onnodig verzwaren van de administratieve lasten voor de aanvrager. Zodra daartoe de weg door de provincie is opengesteld, kunnen aanvragen uiteraard ook digitaal worden ingediend. Lid 2: In artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraagformulier kan worden vastgesteld door het bestuursorgaan dat bevoegd is om op de aanvraag te beslissen. Op grond van de Wet luchtvaart is dit Provinciale Staten. Om een voorspoedig verloop van de voorbereiding van het besluit te bevorderen, is het noodzakelijk dat Provinciale Staten op grond van artikel 152 van de Provinciewet bepalen dat, in afwijking van artikel 4:4 van de Awb, het aanvraagformulier door GS wordt vastgesteld. Wij hebben er voor gekozen om het gebruik van dit formulier niet verplicht te stellen. Als je het gebruik van een aanvraagformulier verplicht stelt, houdt dit automatisch in dat bij geen gebruik van dit formulier de aanvraag buiten behandeling gelaten moet worden. Dit gaat wel heel ver als toch, op een andere wijze, alle gegevens aangeleverd zijn om de aanvraag te kunnen beoordelen. lid 3: Ingevolge artikel 4:1 Awb wordt een aanvraag ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is om op de aanvraag te beslissen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. In de verordening is bepaald dat de aanvraag bij gedeputeerde staten moet worden ingediend, nu dit college is belast met de voorbereiding van het ontwerpbesluit en het toepassing geven aan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze procedure voorziet in het ter inzage leggen van het ontwerpbesluit, met de mogelijkheid dat door een ieder zienswijzen worden ingediend. Ook het verlengen van de beslistermijn op basis van artikel 3.18, tweede lid Awb valt hieronder.

Artikel 2.2De Wlv bepaalt enkel wat er in een luchthavenbesluit moet staan en bepaalt niets over de inhoud van een aanvraag. Dit artikel regelt welke gegevens tenminste moeten worden overgelegd. Dit zijn dus provinciale eisen en deze zijn mede in Interprovinciaal verband overwogen. In het aanvraagformulier kunnen de wenselijke details, zoals de vliegtuigen, openingstijden, aantal vluchten e.d. specifieker opgevraagd worden. Voor zover van belang worden de verschillende onderwerpen hieronder toegelicht.

Sub b.: Aan de hand van de kadastrale aanduiding kunnen wij vaststellen om welke grond (perceel) het gaat. Een aanduiding bestaat uit: 1. De aanwijzing van de gemeente waar de onroerende zaak ligt. 2. Een sectie-aanduiding door middel van een letter. 3. Een perceelsaanduiding door middel van een nummer.

Sub d/e.: De gebieden die hier moeten worden aangegeven hebben betrekking op de gebieden genoemd in hoofdstuk 3 paragraaf 3.2.4 van het Besluit burgerluchthavens. Het betreft hier gebieden waarvoor beperkingen gelden op grond van vliegveiligheid. Daarnaast kan het van belang zijn duidelijkheid te verstrekken over de planologische status van de luchthaven in het bestemmingsplan. Is de luchthaven in het bestemmingsplan opgenomen of niet en zo ja in welk(e) bestemmingsplan(nen). Op deze wijze kan worden beoordeeld of en op welke wijze de gemeente de ruimtelijke inpassing van het luchthaventerrein heeft geregeld. Het door provinciale staten vastgestelde luchthavenbesluit heeft namelijk de status van een voorbereidingsbesluit en kan tevens regels bevatten omtrent de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op het gebruik van het gebied als luchthaven. Dit betekent dat door middel van het luchthavenbesluit aan terrein/gebied de planologische bestemming "luchthaven" kan worden toegekend ook als dat nu nog niet het geval is.

Sub f.: Hierbij gaat het om het aantal en de soort luchtvaartuigen die naar verwachting van de luchthaven gebruik zullen maken en het tijdstip waarop zij dat doen. Verder kan hier de verwachte verdeling van het luchthavenluchtverkeer over de op de luchthaven aanwezige start- en landingsbanen worden vermeld. Naast het vermelden van de reguliere vluchten kunnen hier ook te verwachten uitzonderlijke activiteiten en/of evenementen worden vermeld. In het luchthavenbesluit kan zo nodig hiermee rekening worden gehouden of indien wenselijk in uitzonderingsgevallen een ontheffingsregime worden opgenomen. Daarmee wordt voorkomen dat bij afwijkende activiteiten en/of vluchten het luchthavenbesluit gewijzigd moet worden vastgesteld. In het door gedeputeerde staten vast te stellen formulier kunnen details nader worden opgenomen, bijvoorbeeld: de soorten vliegtuigen, de aantallen vluchten, de dagen waarop gevlogen wordt, de openingstijden e.d.

Sub h: voor wat betreft de gegevens voor de geluidbelasting betreft het hier met name het bepalen van de geluidsbelasting in de handhavingpunten op 100 meter van de koppen van de baan. Daarnaast moet door middel van deze berekeningen worden aangetoond dat een contour van het plaatsgebonden risico van 10-6 of een geluidcontour van 56 dB(A) Lden buiten het luchthavengebied valt waardoor het vaststellen van een luchthavenbesluit voor dit luchthaventerrein noodzakelijk is. Provinciale staten nemen bij de het vaststellen van een luchthavenbesluit regels op ten behoeve van de ruimtelijke indeling. Het gaat daarbij om het vaststellen van een luchthavengebied en beperkingengebieden. Het luchthavengebied wordt vastgesteld op grond van de gegevens die worden verstrekt op basis van het tweede lid van dit artikel. De grootte van het beperkingengebied is afhankelijk van gebieden waarvoor beperkingen gelden op grond van vliegveiligheid, de geluidbelasting en externe veiligheid. Het gebied met beperkingen voor vliegveiligheid wordt bepaald op grond van de gegevens die onder het vijfde en achtste lid van dit artikel zijn verstrekt. De gegevens noodzakelijk voor het vaststellen van de geluid- en externe veiligheidscontouren waarbinnen beperkingen gelden voor onder andere woningbouw moeten op grond van dit lid worden verstrekt. Het gaat in elk geval om de contouren /gebieden genoemd in hoofdstuk 3 paragraaf 3.2.1 van het Besluit burgerluchthavens. Voor het vaststellen van een beperkingengebied moeten provinciale staten tenminste een afweging (ruimtelijke visie) maken over de ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied tussen 56 dB(A) Lden en de 48 dB(A) Lden geluidcontour. Provinciale Staten kunnen ook een ruimtelijke visie maken voor een groter gebied (bijvoorbeeld tot 40 dB(A) Lden of 10-7 externe veiligheid).

Sub i.: onder dit onderwerp vallen onder meer beoordeling of het Besluit milieueffectrapportage van toepassing is. De aanvrager dient tevens na te gaan of er in de relevante omgeving van de beoogde luchthaven gebieden zijn met een bijzondere status, bijvoorbeeld in het kader van Natura 2000, ecologische hoofdstructuur, Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet, grondwater- beschermingsgebied, stiltegebied en waterwingebied.

Artikel 2.3Indien een luchthavenregeling wordt aangevraagd, dient de aanvraag in ieder geval de genoemde gegevens te bevatten. Sub a.: Voor een groot deel zijn dit dezelfde gegevens als die ook bij een aanvraag om een luchthavenbesluit moeten worden aangeleverd. Voor een toelichting wordt dan ook naar het vorige artikel verwezen. Voor het bestemmingsplan ligt het iets anders. De planologische status van de luchthaven in het bestemmingsplan is van belang om te kunnen beoordelen of en op welke wijze de gemeente de ruimtelijke inpassing van het luchthaventerrein heeft geregeld of nog gaat regelen. Indien de gemeente de planologische inpassing niet wenst te regelen ontstaat er voor de aanvrager een procesrisico omdat dan strijdigheid met het bestemmingsplan ontstaat. Dit is echter geen weigeringsgrond voor de luchthavenregeling. Sub b.: hierbij moet door middel van berekeningen worden aangetoond dat een contour van het plaatsgebonden risico van 10-6 of een geluidcontour van 56 dB(A) Lden niet buiten het luchthavengebied valt. Deze berekeningen hoeven niet te worden uitgevoerd voor luchthavens die vallen onder de reikwijdte van artikel 5, tweede lid van het Besluit burgerluchthavens (o.a., micro light aeroplanes en paramoteurs). In geval op andere deugdelijke wijze kan worden aangetoond dat er zich geen milieugevolgen (geluid en externe veiligheid) buiten het luchthaventerrein voordoen dan is het niet vereist dat de hiertoe noodzakelijke berekeningen worden toegevoegd aan de aanvraag. In het door gedeputeerde staten eventueel vast te stellen formulier kunnen de wenselijke details nader worden opgenomen, bijvoorbeeld soorten vliegtuigen, aantallen vluchten, de dagen waarop wordt gevolgen, openingstijden, etc.

Artikel 2.4Indien een aanvraag wordt ingediend om een luchthavenbesluit of luchthavenregeling te wijzigen, dienen de genoemde gegevens te worden opgenomen in de aanvraag.

Artikel 2.5Om de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van de luchtvaart, en in het bijzonder het luchtruim, te kunnen garanderen is in de wet RBML opgenomen dat een door de provincie vastgesteld luchthavenbesluit of luchthavenregeling pas in werking treedt wanneer er door de Minister van Infrastructuur en Milieu een Verklaring Veilig Gebruik Luchtruim is afgegeven. Het doel van de toetsing door de IVW is om het luchtruimgebruik vanaf de verschillende soorten luchthavens en luchtverkeer op elkaar af te stemmen. Uit de Memorie van Toelichting van de wet RBML kan worden opgemaakt dat het bevoegd gezag deze verklaring moet aanvragen bij het ministerie van Milieu en Infrastructuur. Op grond van artikel 152 van de Provinciewet wordt deze taak van PS gedelegeerd aan GS. Aangezien GS belast zijn met de gehele voorbereiding van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling, ligt het voor de hand dat GS deze aanvraag indienen. Uiteraard vindt er van te voren overleg met het IVW plaats. Hiermee wordt ook een voorspoedige voorbereiding bereikt.

Paragraaf 3.1:In de paragraaf wordt per luchthavenbesluit een apart artikel opgenomen met daarin, voor zover van toepassing: de locatie-aanduiding, de baan-aanduiding, de kaart met het luchthavengebied, de geluidbelasting, de typen luchtvaartuigen, de tijden en dagen waarop gevlogen mag worden, het aantal vliegbewegingen, het circuit, de ruimtelijke indeling van de omgeving / het beperkingengebied / het afwegingsgebied, het gebruiksjaar, de rapportageverplichting, en de inhoud daarvan.

Paragraaf 3.2:In de paragraaf wordt per luchthavenregeling een apart artikel opgenomen met daarin, voor zover van toepassing: de locatie-aanduiding, de baan-aanduiding, de kaart met het luchthavengebied, de geluidbelasting, de typen luchtvaartuigen, de tijden en dagen waarop gevlogen mag worden, het aantal vliegbewegingen, het circuit, de ruimtelijke indeling van omgeving, het gebruiksjaar, de rapportageverplichting en de inhoud daarvan.

Hoofdstuk 4Artikel 8.58 Wlv schrijft voor dat provinciale staten voor iedere luchthaven met een luchthavenbesluit een commissie regionaal overleg moeten instellen. Deze commissie is de opvolger van de zogeheten commissie 28. De instellingsbesluiten worden in hoofdstuk vier van deze verordening opgenomen. In deze instellingsbesluiten wordt onder andere aangeven hoe de taak, samenstelling en werkwijze van de commissie er uit moet komen te zien. Voor Fryslân betreft het de velden in Drachten en Ameland.

Artikel 5.1De Wet luchtvaart regelt dat de bevoegdheid tot handhaving ligt bij gedeputeerde staten. In de gewijzigde Wet luchtvaart is echter niet bepaald dat bij besluit van GS toezichthouders worden aangewezen. Daarom dient de toewijzing van provinciale ambtenaren als toezichthouders in een provinciale verordening te worden geregeld. Hierbij is aangesloten bij een soortgelijke bepaling uit de Wet milieubeheer (artikel 18.4).

Artikel 6.1Zoals elke provinciale verordening kent ook onderhavige verordening een bepaling waarin is vastgelegd hoe de verordening dient te worden geciteerd. De verordening treedt eerst in werking na bekendmaking in het provinciale blad.