Nadere regels subsidies gemeente Groningen

Geldend van 11-07-2023 t/m 14-07-2023

Intitulé

Nadere regels subsidies gemeente Groningen

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN GRONINGEN;

(BD 11.2583046);

Gezien het voorstel 18 april 2011;

’Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 3 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019;

BESLUIT:

de Nadere regels subsidies gemeente Groningen vast te stellen.

Wijzingen en inhoudsopgave

Deel 1 – Algemeen

Paragraaf 1.1 Indieningsvereisten en procedureregels

Artikel 1 Begripsbepalingen

In aanvulling op de begripsbepalingen die zijn opgenomen in de ASV wordt voor de toepassing van deze nadere regels verstaan onder:

  • 1.

    Verplicht subsidiedocument: een document dat alle gegevens bevat die vereist zijn voor een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag voor subsidieverlening of subsidievaststelling en waarvan de indiening verplicht is gesteld op grond van de wet, de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen of bij beschikking tot subsidieverlening of beschikking tot subsidievaststelling.

  • 2.

    Indieningsdatum: de uiterste datum waarop een verplicht subsidie-document moet zijn ingediend. De Algemene termijnenwet is van toepassing.

  • 3.

    Tijdige indiening: een verplicht subsidiedocument is tijdig ingediend als het voor de uiterste indieningsdatum door het college is ontvangen. Bij verzending per post is een verplicht subsidiedocument tijdig ingediend als het voor de uiterste indieningsdatum ter post is bezorgd, mits het niet langer dan een week na de uiterste indieningsdatum is ontvangen.

  • 4.

    Uitstelverzoek: een verzoek om uitstel voor het indienen van een verplicht subsidiedocument.

Artikel 2 Indieningsvereisten

  • 1. Als een aanvraag om een jaarlijkse subsidie niet voor de uiterste indieningsdatum is ingediend, stelt het college de aanvrager eenmaal in de gelegenheid de aanvraag alsnog in te dienen. Het college stelt daarvoor een uiterste datum voor welke de aanvraag moet zijn ingediend.

  • 2. Het college neemt te laat ingediende aanvragen om subsidieverlening niet in behandeling tenzij de aanvrager aannemelijk maakt dat sprake is van overmacht, ter beoordeling door het college.

  • 3. Als een verplicht subsidiedocument tijdig maar onvolledig is ingediend, stelt het college de aanvrager eenmaal in de gelegenheid om dit aan te vullen. Het college stelt daarvoor een uiterste datum, voor welke de aanvulling moet zijn ingediend. De beslistermijn schort op voor de duur van de gestelde termijn. Indien bij de toepassing van deze nadere regels de datum van binnenkomst van de aanvraag een rol speelt, geldt als datum van indiening de datum waarop de volledige of de volledig gemaakte aanvraag is binnengekomen.

  • 4. Als een subsidieaanvrager niet in staat is een verplicht subsidiedocument tijdig in te dienen wegens omstandigheden die het college zijn aan te rekenen dan zal het college de indieningsdatum opschorten. De opschorting eindigt zodra de hiervoor bedoelde omstandigheden zich niet meer voordoen. Het college maakt de opschorting van de indieningsdatum schriftelijk aan de subsidieaanvrager of -ontvanger bekend.

  • 5. Als de in lid 3 bedoelde uiterste termijn ongebruikt is verstreken, doet het college schriftelijk mededeling van die constatering en stelt zij de aanvrager op de hoogte van de consequenties van dit verzuim. Dit kan zijn:

    • -

      de aanvraag buiten behandeling stellen;

    • -

      subsidie ambtshalve vaststellen;

    • -

      het opleggen van een sanctie.

  • 6. Indien het college besluit een sanctie op te leggen bestaat deze uit een verlaging van de subsidieverlening met 1% van de verleende subsidie tot een maximum van € 100,00 voor elke dag na die waarop het college het verzuim heeft vastgesteld tot aan de dag waarop het verzuim is opgeheven. Betreft het in lid 3 bedoelde verzuim een aanvraag om subsidievaststelling dan bestaat de sanctie uit een verlaging van de subsidievaststelling met 1% van het bedrag waarop de subsidie zou zijn vastgesteld tot een maximum van € 100,00 voor elke dag na die waarop het college het verzuim heeft vastgesteld tot aan de dag waarop het verzuim is opgeheven.

  • 7. Zodra drie maanden zijn verstreken sinds de dag waarop het college het verzuim als bedoeld in de leden 3 en 6 van dit artikel heeft vastgesteld, kan het college de subsidieverlening intrekken of ambtelijk vaststellen.

Artikel 3 Uitstelverzoeken

  • 1. Een aanvrager kan eenmalig een uitstelverzoek indienen voor maximaal acht weken. Dit kan schriftelijk of langs elektronische weg.

  • 2. Het college weigert een uitstelverzoek als:

    • a.

      dit onbevoegd is ingediend;

    • b.

      dit later is ingediend dan 2 weken voor voor de uiterste indieningsdatum

    • c.

      dit naar het oordeel van het college niet is voorzien van een deugdelijke motivering.

  • 3. Het college beslist schriftelijk zo spoedig mogelijk op een uitstelverzoek doch uiterlijk binnen twee weken na ontvangst daarvan.

Artikel 4 Ontheffing tussenrapportage

In afwijking van het bepaalde in artikel 6 lid 1 onder c van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 behoeven subsidieontvangers uit de volgende categorieën geen tussenrapportage in te dienen:

  • Basissubsidie Amateur Kunst;

  • Subsidies voor accommodaties;

  • Subsidies voor wijkorganisaties;

  • Subsidies lager dan € 5.000, in welk geval de subsidieverlening en -vaststelling samenvallen.

Artikelsgewijze toelichting

Algemeen

Met het oog op de voortgang van het subsidieproces gelden er nadere regels rond de indiening van subsidiedocumenten. Subsidiedocumenten zijn aanvragen om subsidieverlening of subsidievaststelling, tussentijdse rapportages en eventuele andere verplicht gestelde documenten. Het gaat hier niet zozeer om aanscherping van onze huidige handelwijze maar om verduidelijking en om de codificatie van een al langere tijd gebruikelijke gedragslijn. Het doel is om verduidelijking en uniformiteit van de aanvraag- en verantwoordingsprocedure te bereiken.

Artikel 1. Begripsbepalingen

Verplicht subsidiedocument

Een verplicht subsidiedocument is een document dat essentieel is voor het nemen van een deugdelijk subsidiebesluit. Dat zijn een aanvraag om subsidieverlening, een tussentijdse rapportage waarvan de indiening bij verordening, nadere regel of bij beschikking verplicht is gesteld of een aanvraag om subsidievaststelling. Als aan een aanvraag om subsidieverlening een belangrijk onderdeel ontbreekt, zoals een Wnt-verklaring of een activiteitenplan, dan beschouwt het college de indiening als onvolledig. Hetzelfde geldt als aan een aanvraag om subsidievaststelling bijvoorbeeld het activiteitenverslag of de accountantsverklaring ontbreekt. Ook dan beschouwt het college dit subsidiedocument als onvolledig. De bepalingen uit artikel 2 zijn dan van toepassing.

Tijdige indiening

Met de hier gekozen formulering sluiten we aan bij artikel 6:9 Awb. Dit artikel heeft echter betrekking op de indiening van bezwaar- of beroepschriften. Met betrekking tot de tijdige indiening van aanvragen om subsidieverlening of -vaststelling of andere verplichte subsidiedocumenten ontbreken bepalingen in de Awb. De Algemene termijnenwet is van toepassing. Dat houdt in dat een gestelde termijn die eindigt op een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag wordt verlengd tot de eerste dag die geen zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag is.

Artikel 2. Indieningsvereisten

Het college sluit met de formulering van dit artikel aan bij artikel 6:11 Awb. Als na de herinnering een aanvraag om subsidieverlening niet of te laat wordt ingediend, kan het college besluiten om die aanvraag niet te behandelen.

Er wordt dan geen subsidie verstrekt.

Analoog hieraan zal het college een subsidieaanvraag niet buiten behandeling stellen vanwege te late indiening als het college van mening is dat de aanvrager redelijkerwijs niet in verzuim is.

Is een verplicht gestelde tussentijdse rapportage of een aanvraag om subsidievaststelling onvolledig ingediend, dan stelt het college de subsidieontvanger eenmaal schriftelijk in de gelegenheid de rapportage en/of de aanvraag om subsidievaststelling aan te vullen en stelt daarbij een uiterste termijn binnen welke de aanvulling in bezit moet zijn van het college.

De onvolledigheid kan een document betreffen, zoals een accountants- of een Wnt-verklaring, maar het kan ook gaan om de vereiste rechtsgeldige ondertekening of een cruciaal onderdeel van de begroting of van een financieel verslag.

Als de gestelde uiterste termijn ongebruikt is verstreken dan zendt het college een brief waarin het verzuim wordt geconstateerd en waarin een sanctie wordt aangekondigd.

De sanctie bestaat uit een verlaging van de subsidie met 1% (tot een maximum van € 100,00) voor elke dag die de subsidieontvanger in verzuim is. Deze sanctie geldt voor elk document dat te laat wordt ingediend. Het maximum bedrag van de sanctie per te laat ingediend document bedraagt dus circa € 9.000,00 (maar uiteraard nooit meer dan het subsidiebedrag). Afhankelijk van het document kan de verlaging de subsidieverlening betreffen of (bij een aanvraag om subsidievaststelling) de subsidievaststelling.

Stapeling van sancties kan aan de orde zijn, als de subsidieontvanger ten aanzien van meerdere verplichte subsidiedocumenten in verzuim is.

Artikel 3. Uitstelverzoeken

Uit de motivering van het uitstelverzoek moet blijken dat een tijdige indiening van een verplicht subsidiedocument voor de subsidieontvanger respectievelijk de subsidieaanvrager onmogelijk is en dat het college op grond van de aangevoerde reden redelijkerwijs niet tot het oordeel kan komen dat de aanvrager in verzuim is.

Artikel 3 lid 3 - Beslissing op uitstelverzoeken

Het college beslist binnen 14 dagen na ontvangst van een uitstelverzoek of dit wordt ingewilligd. Gebeurt dat niet op tijd dan kan de aanvrager het college met een beroep op de Wet dwangsommen bij niet tijdig beslissen in gebreke stellen. Het college heeft dan maximaal 14 dagen de gelegenheid om het besluit alsnog te nemen. Gebeurt dat niet binnen die termijn dan verbeurt het college een dwangsom overeenkomstig artikel 4:17 Awb.

Als het college een uitstelverzoek weigert, handhaaft het college de geldende indieningstermijnen.

Paragraaf 1.2 Risicoprofiel en fonds subsidies gemeente Groningen

Artikel 5 Samenwerkingspartner en fonds subsidies gemeente Groningen

  • 1. Ter nadere invulling van artikel 19 lid 2 van de ASV kan het college in het kader van de beoordeling van de subsidievaststelling toestaan dat een instelling het behaalde resultaat op door de gemeente verleende subsidie(s) mag doteren aan het eigen vermogen. De gemeente beoogt hiermee te voorzien in de risico’s in de bedrijfsvoering en draagt hiermee bij in de continuïteit van de relatie.

  • 2. Deze regeling is voorbehouden aan relaties/instellingen waarmee een langdurige(r) subsidierelatie bestaat dan wel wordt beoogd, zijnde een zogeheten samenwerkingspartner, die:

    • -

      gedurende tenminste 3 opeenvolgende kalenderjaren een subsidie heeft ontvangen van tenminste € 100.000,- waarbij voor bestaande relaties geldt dat in deze jaren is voldaan aan de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 16 lid 3 of lid 4 van de ASV;

      en

    • -

      bij welke het aandeel van de gemeentelijke subsidie in het totaal van de baten in de geconsolideerde jaarrekening tenminste 25% en maximaal 75% bedraagt.

  • 3. Dotaties aan het weerstandsvermogen zijn uitsluitend met instemming van het college mogelijk in het “fonds subsidies gemeente Groningen”. Wij definiëren dit fonds zoals bedoeld in richtlijn 640 inzake de verslaglegging van organisaties zonder winststreven.

    Wij stellen tenzij anders overeengekomen geen beperkingen aan de hoogte van de jaarlijkse dotatie anders dan dat deze uitsluitend mogelijk zijn indien het totale beschikbare weerstandsvermogen lager is dan het totaal van het vastgestelde risicoprofiel.

Artikel 6 Risicoprofiel en weerstandsvermogen

  • 1. Toepassing van bovenstaand artikel kan alleen plaatsvinden op basis van een door het college vastgesteld risicoprofiel. In dit door de samenwerkingspartner op te stellen document is kwalitatief beschreven en cijfermatig in relatie tot het beschikbare weerstandsvermogen uitgewerkt:

    • -

      welke risico’s er mogelijk zijn;

    • -

      wat de kansen van intreding zijn;

    • -

      en wat de mogelijke impact per omschreven risico is als deze zich daadwerkelijk voordoet. Het gemeentelijke risico kan nooit hoger zijn dan de jaarlijkse subsidie.

      Het college treedt zo nodig in overleg met de instelling over het aangeleverde risicoprofiel.

  • 2. Het weerstandsvermogen wordt gedefinieerd zoals omschreven in artikel 373 boek 2 BW vermeerderd met de bestemmingsfondsen (voor zover het hier geen toekomstige uitvoeringsverplichtingen betreffen) en de voorzieningen voor zover betrekking hebbende op personeel, zoals o.a. ziekte en reorganisatie.

  • 3. Als subsidiabel risico wordt in ieder geval aangemerkt voor een periode van 12 maanden de in de tariefstelling begrepen overhead.

  • 4. Als niet subsidiabele risico’s worden in ieder geval benoemd:

    • -

      directe uitvoeringskosten personeel als gevolg van reorganisatie;

    • -

      risico’s op niet door de gemeente gesubsidieerde activiteiten;

    • -

      inhaalafschrijvingen als gevolg van het beëindigen van de subsidie activiteit.

  • 5. Instellingen die een beroep doen op de relevante bepalingen zoals bovenstaand, dienen dat verzoek gelijktijdig met de aanlevering van het risicoprofiel te doen bij de jaarlijkse tussenrapportage over desbetreffend subsidiejaar. Later ingediende verzoeken worden betrokken bij de vaststelling van de subsidie in het volgende kalenderjaar.

  • 6. De beoordeling van bovenstaand verzoek vindt plaats in het kader van de subsidievaststelling ingevolgde de artikelen 16 en 17 van de ASV.

  • 7. Een voorstel van de instelling om een onttrekking te doen aan het fonds subsidies gemeente Groningen vereist toestemming van het college.

  • 8. Bij beëindiging van de activiteiten en/of liquidatie van de instelling, dan wel indien het eigen vermogen tussentijds een zodanige hoogte heeft verkregen dat daarmee in de geformuleerde risico’s kan worden voorzien, valt het fonds subsidies gemeente Groningen ingevolge artikel 10 ASV geheel of gedeeltelijk toe aan de gemeente.

Artikel 7 Bevoegdheid college en slotbepaling

  • 1. In bijzondere gevallen kan het college gemotiveerd afwijken van de voorgaande bepalingen.

  • 2. Voorgaande artikelen zijn niet van toepassing op de instellingen Groninger Forum en Stichting WIJ met wie de gemeente separate en maatgerichte afspraken heeft gemaakt (raadsbesluiten).

Paragraaf 0.3 Kostprijsmethode

Vervallen

 

Paragraaf 0.4 Vermogensvergoeding

Vervallen

 

Deel 2 – Sectoren en beleidsvelden

Hoofdstuk 1 Werk en inkomen

Paragraaf 1.1 Arbeidsmarktbeleid en maatschappelijke participatie

Artikel 1.1 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verstrekken ten behoeve van:

  • a.

    activiteiten die gericht zijn op de deelname aan het arbeidsproces dan wel op het verbeteren van de positie op de arbeidsmarkt van werklozen;

  • b.

    activiteiten die gericht zijn op het voorkomen van werkloosheid;

  • c.

    overige activiteiten die gericht zijn op het bevorderen van de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau.

Artikel 1.2 Bijzonder bepalingen/verplichtingen

  • 1. Een aanvraag om subsidieverlening voor activiteiten waarop ook een beroep is of zal worden gedaan op fondsen van de Europese Unie, is tijdig ingediend indien deze aanvraag vóór 15 november in het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de activiteiten worden uitgevoerd, is ingediend.

  • 2. Het college kan op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid een besluit nemen onder de voorwaarde van subsidieverlening door of vanwege de Europese autoriteit overeenkomstig de betreffende aanvraag.

  • 3. Het college kan in verband met een doelmatige verdeling van het beschikbare budget aan subsidieontvangers met gelijksoortige activiteiten de verplichting opleggen dat zij functioneel samenwerken en hun activiteiten op elkaar afstemmen.

Artikel 1.3 Aanvullende weigeringsgronden

Het college kan in aanvulling op artikel 9 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 een subsidieaanvraag ook weigeren indien:

  • a.

    de subsidieontvanger zich blijkens zijn statuten niet dan wel in onvoldoende mate inzet voor de bestrijding van de werkloosheid en/of de bevordering van de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau;

  • b.

    de activiteiten leiden tot doorkruising van andere werkgelegenheidsbevorderende activiteiten;

  • c.

    de activiteiten leiden tot onredelijke concurrentie jegens derden;

  • d.

    de activiteiten niet arbeidsmarktrelevant zijn.

Artikel 1.4 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor elk kalenderjaar is voor het subsidiëren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1:2 het bedrag beschikbaar zoals dat in de begroting voor het betreffende kalenderjaar is vastgesteld.

  • 2. Wanneer voor enig kalenderjaar het totaalbedrag van de aanvragen het bedrag als bedoeld in het eerste lid overschrijdt, worden de aanvragen toegekend op basis van de volgorde van binnenkomst bij het college.

Toelichting bij hoofdstuk 1 Nadere regels subsidies gemeente Groningen

Paragraaf 1.1 Arbeidsmarktbeleid en maatschappelijke participatie

Artikel 1:1 Subsidiabele activiteiten

Het gaat in dit artikel hoofdzakelijk om activiteiten die duidelijk ten doel hebben de kansen van langdurig werklozen op de reguliere arbeidsmarkt te vergroten. Het kan hierbij gaan om werk-/leerprojecten maar ook om scholingstrajecten op allerlei niveaus. Uitgangspunt moet zijn dat er uiteindelijk voor de betrokken deelnemers aan de projecten betere kansen ontstaan op de reguliere arbeidsmarkt. Hiernaast kan het gaan om projecten die in het kader van arbeidsinschakeling een bijdrage leveren aan het vergroten van de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau.

Artikel 1:2 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

In het eerste en tweede lid gaat het in de praktijk om een beroep op het Europees Sociaal Fonds. De gemeente fungeert hierbij als doorgeefluik. De Europese regeling stelt hier als voorwaarde voor de verstrekking van een subsidie dat de gemeente ofwel het te subsidiëren project zelf uitvoert ofwel zich garant stelt voor de goede uitvoering van het te subsidiëren project.

Artikel 1:3 Aanvullende weigeringsgronden

Het onder a gestelde heeft ten doel te voorkomen dat puur commerciële activiteiten worden gesubsidieerd.

Onder b tot en met d worden in dit artikel situaties genoemd waarin subsidieverstrekking overbodig dan wel strijdig is met de doelstelling van werkloosheidsbestrijding. Om aanvragen hierop te kunnen beoordelen zal, indien nodig, extern nader advies worden ingewonnen. Gedacht kan worden aan het UWV voor wat betreft de arbeidsmarktrelevantie en bedrijfsorganisaties (voor de verschillende bedrijfstakken) als het gaat om het aspect van oneerlijke concurrentie.

Paragraaf 1.2 Armoedebeleid

Onderstaande Nadere regel is gebaseerd op de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 (ASV).

Artikel 1.5 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen aan instellingen die in belangrijke mate en effectief, daar waar nodig op een innoverende wijze, een bijdrage leveren aan het doorbreken van de armoede-overdracht van ouder op kind. Daarnaast kan subsidie worden verleend voor activiteiten die eraan bijdragen dat een bredere doelgroep met een laag inkomen kan meedoen in de samenleving, een betere kwaliteit van leven kan hebben en/of stappen kan zetten naar het voorkomen of oplossen van (dreigende) armoede. Ook kunnen te subsidiëren initiatieven bijdragen aan een betere herkenning van armoede in de samenleving of het doorbreken van het taboe erop.

Artikel 1:6 Doelgroep

Personen met een inkomen tot 120% van de geldende bijstandsnorm en/of die in traject zijn bij of gebruik maken van de schuldhulpverlening van de Groningse Kredietbank (GKB), te weten:

  • 1.

    gezinnen met kinderen tot 18 jaar

  • 2.

    jongvolwassenen tot en met 23 jaar

  • 3.

    volwassenen zonder kinderen vanaf 24 jaar

Artikel 1:7 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de onder 1. genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 1:8 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

Met betrekking tot de inhoud van de activiteiten zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  • a.

    plannen voor activiteiten worden altijd samen met ervaringsdeskundigen gemaakt. Daar waar het gaat om activiteiten voor kinderen worden kinderen én hun ouders betrokken.

  • b.

    waar mogelijk is sprake van samenwerking/ coalitievorming/verbinding met andere (maatschappelijke) partijen plaats te vinden, zodat in gezamenlijkheid een groter resultaat bereikt wordt;

  • c.

    de activiteiten worden regelmatig geëvalueerd met mensen uit de doelgroep. Daar waar het gaat om activiteiten voor kinderen worden kinderen én hun ouders betrokken.

  • d.

    de activiteiten verantwoord zijn in het licht van de benodigde investering (menskracht en geld).

Het project/programma, initiatief of de te subsidiëren aanpak is of draagt zoveel mogelijk bij aan:

  • e.

    inzet vanuit de samenleving voor mensen in armoede.

  • f.

    een totaal aan activiteiten en voorzieningen die elkaar aanvullen, versterken en/of versnellen.

  • g.

    herkenning van armoede binnen de samenleving en de verbinding naar ‘een volgende stap’.

  • h.

    laagdrempeligheid en toegankelijkheid door de wijze van bejegening, een zo eenvoudig mogelijke inrichting en het niet botsen met andere projecten of regels.

  • i.

    mensgerichtheid en ruimte voor maatwerk.

  • j.

    het daadwerkelijk verzachten of wegnemen van barrières zodat de persoon de regie op het leven kan versterken of terugkrijgen.

  • k.

    ondersteuning of aandacht die zolang duurt als de persoon dit nodig heeft zodat de persoon niet terugvalt.

Artikel 1:9 Beoordeling aanvragen

Bij de beoordeling van een subsidieaanvraag weegt het college, indachtig de volgorde bepaling van de doelgroep, de onder a. tot en met k. genoemde onderdelen afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang beschouwd en de mate waarin de verschillende aanvragen invulling geven aan bedoelde activiteiten en geeft uitsluitsel daarover, die kan luiden:

  • I.

    Komt in aanmerking voor subsidieverlening.

  • II.

    Komt eerst niet aanmerking voor subsidie, wordt in gelegenheid gesteld om aanvraag aan te vullen.

  • III.

    Komt niet in aanmerking voor subsidie omdat door andere aanbieders voldoende wordt voorzien in de geboden activiteiten.

  • IV.

    Voldoet niet of onvoldoende aan de gestelde voorwaarden, komt niet in aanmerking voor subsidieverlening.

Het college kan op grond van individuele en bijzondere omstandigheden hiervan afwijken.

Artikel 1.10 Weigeringsgronden

Het college weigert een aanvraag als de voorgenomen activiteit(en) van de aanvragende instelling

  • -

    niet toegankelijk is voor de gehele doelgroep;

  • -

    het gaat om leer-werktrajecten;

  • -

    het gaat om re-integratietrajecten;

  • -

    de activiteiten voor volwassenen niet kortdurend zijn.

Aanvragen die niet tijdig zijn binnengekomen volgens de bepalingen van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen (ASV) worden geweigerd.

Artikel 1.11 Subsidieplafond en verdelingsregels

Voor de subsidiabele activiteiten in het kader van armoedebeleid wordt jaarlijks een subsidieplafond ingesteld. Ingeval de toegelaten instellingen (die aan de voorwaarden voldoen) gezamenlijk meer subsidie aanvragen dan er aan budget beschikbaar is, wordt de subsidie toebedeeld naar rato van het bedrag van de subsidieaanvraag.

Paragraaf 1.3 Subsidieregeling voormalige vergoeding ouderbijdrage schoolfonds

Artikel 1.12 Begripsbepalingen

Schoolbestuur: Het eindverantwoordelijke orgaan voor de beslissingen die in verband met de school worden genomen over het onderwijs.

Vrijwillige ouderbijdrage: een vrijwillige financiële bijdrage van ouders aan de school van hun kind. Het schoolbestuur stelt vast hoe hoog deze bijdrage is. Het schoolbestuur bepaalt ook waaraan de school de ouderbijdrage besteedt. Het geld wordt gebruikt voor activiteiten of materialen die niet bij het verplichte lesprogramma horen.

Artikel 1.13 Doel van de regeling

Het doel van de regeling is dat scholen (bekostiging gaat via de schoolbesturen) financieel tegemoet gekomen kunnen worden ter voorziening in de kosten van de zogeheten ontbrekende vrijwillige ouderbijdragen die ouders doorgaans betalen ten behoeve voor het schoolfonds voor hun kind die onderwijs volgt bij een onderwijsinstelling. Een en ander is erop gericht dat kinderen in die schooljaargang kunnen blijven meedoen aan diverse door de school te organiseren activiteiten, zoals onder meer geformuleerd in de desbetreffende bepalingen van de onderwijswetten (vgl. o.a. artikel 13 lid 1 onder e van Wet op Primair onderwijs en 24a lid 1 onder d Wet op het Voortgezet onderwijs).

Tot en met schooljaar 2020/2021 kende de gemeente de Beleidsregels vergoeding ouderbijdrage Schoolfonds (VOS) op basis waarvan ouders met een minimum inkomen een vergoeding konden krijgen voor de betaling van de vrijwillige eigen bijdrage. Nieuwe wetgeving heeft bepaald dat kinderen van ouders niet mogen worden uitgesloten van activiteiten als de vrijwillige ouderbijdrage door de ouder niet wordt of kan worden betaald. De VOS is ingetrokken zodat individuele ouderaanvragen niet meer mogelijk zijn. De beschikbare middelen die aan onderhavige subsidieregeling zijn verbonden dienen als vervanging. De bedoelde gelden kunnen als subsidie worden verstrekt aan de verschillende schoolbesturen, waarbij verdeling en toedeling plaats vindt op basis van historische gegevens over de jaren 2017-2019, zoals die bij de gemeente bekend zijn.

Artikel 1.14 Doelgroep

Schoolbesturen waaronder de verschillende scholen vallen; de scholen zelf kunnen geen subsidie aanvragen of rechtstreeks ontvangen.

Artikel 1.15 Subsidiabele kosten

Het moet gaan om de inzet van middelen die zijn bedoeld (uit zogeheten categorie 4) voor extra activiteiten buiten het verplichte onderwijsprogramma, georganiseerd door het bevoegd gezag, waaronder: excursies, introductiekamp, kerstviering, bijles, huiswerkbegeleiding en examentraining en langdurige extra-curriculaire activiteiten zoals tweetalig onderwijs.

Artikel 1.16 Subsidievoorwaarden

  • 1. Ingeval van subsidietoekenning is het schoolbestuur gehouden om de ontvangen subsidie te verdelen onder hun scholen, een en ander als vervanging van de Vos-gelden.

  • 2. De besturen verdelen de gelden onder hun scholen op basis van de historische gegevens.

  • 3. In de verantwoordingsinformatie in verband met de subsidievaststelling geeft het bestuur naast de algemene verantwoordingsvoorwaarden van de ASV aan welke scholen hoeveel middelen dat jaar hebben ontvangen.

Artikel 1.17 Aanvraagprocedure en besluitvorming

  • 1. Aanvragen dienen tijdig conform de ASV te worden ingediend.

  • 2. Schoolbesturen die reeds een subsidierelatie hebben uit andere hoofde, kunnen daarin de aanvraag samenvoegen, mits apart benoemd.

  • 3. Voor het kalenderjaar 2022 kunnen aanvragen worden ingediend van 1 januari tot 1 maart 2022. Voor de kalenderjaren daarna geldt de aanvraagtermijn zoals vermeld in artikel 7 van de ASV.

  • 4. Beoordeling van de aanvraag en toekenning van subsidie aan het schoolbestuur vindt plaats op basis van historische gegevens, zoals deze in de periode 2017-2019 onder de toepassing van de VOS door de gemeente zijn verzameld.

  • 5. Ingeval van toekenning zal dat percentage en bijbehorend bedrag in de subsidie-verleningsbeschikking worden vermeld.

Artikel 1.18 Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond van deze regeling bedraagt € 142.500,-.

  • 2. Voor aanvragers die niet in de historische gegevens zoals vermeld in voorgaand artikel zijn opgenomen is een bedrag van € 7.550,- beschikbaar.

  • 3. Mocht het totaal van de subsidieaanvragen hoger zijn dan het subsidieplafond, wordt eerst beoordeeld op basis van de historische gegevens, zoals die bij de gemeente bekend zijn, en daarna op volgorde van binnenkomst.

Artikel 1:19 Bevoegdheid college

Het college kan in verband met bijzondere omstandigheden afwijken van voorgaande bepalingen.

Hoofdstuk 2 Economie en werkgelegenheid (BSD)

Paragraaf 2.1 Regeling & Voorwaarden incidentele bijdrage naleving coronatoegangsbewijs (CTB)

Artikel 2:1 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening, wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • 1.

    CTB: het Nederlandse coronatoegangsbewijs is een bewijs in de vorm van een QR-code dat de houder volledig gevaccineerd is, hersteld is van een besmetting, of recent negatief getest is op het coronavirus.

  • 2.

    CTB-plichtig: bedrijven en instellingen die in de periode van 1 januari 2022 tot en met 26 maart 2022 op grond van de in die periode geldende regelgeving verplicht zijn of waren bezoekers te controleren op een geldig CTB.

Artikel 2:2 Doelgroep

Voor subsidie als bedoeld in deze paragraaf komen uitsluitend horecaondernemers in aanmerking die, gelet op de aard van hun onderneming, CTB-plichtig waren of zijn en die in de periode 1 januari 2022 tot en met 26 maart 2022 kosten hebben gemaakt die rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van het CTB.

Artikel 2:3 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verstrekken als bijdrage in de kosten die gemaakt worden om ondersteuning te bieden bij of nabij voorzieningen of activiteiten die op grond van die Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 verplicht zijn om de coronatoegangsbewijzen te controleren en, onder omstandigheden, de toegang te ontzeggen en deze controle te bevorderen.

Het gaat om:

  • 1.

    Verschuldigde loonkosten van werknemers en arbeidskrachten.

  • 2.

    Verschuldigd vakantiegeld, verschuldigde pensioenafdrachten en sociale zekerheidslasten, in verband met de loonkosten.

  • 3.

    In geval van externe inhuur, de kosten van werving, selectie, administratie en aansturing van werknemers en arbeidskrachten.

  • 4.

    Materiële kosten die de controle van het coronatoegangsbewijs en identiteitsdocument faciliteren.

Artikel 2:4 Subsidie per activiteit

De hoogte van de vergoeding bedraag ten hoogste € 1250,- per aanvraag.

Artikel 2:5 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Ondernemers of aanvragers moeten ten tijde van de aanvraag beschikken over de volgende SBI-code(s) bij hun KvK registratie: 55101, I 55102, I 56101, I 56102, I 5621, I 5630.

  • 2. De aanvrager dient te verklaren dat:

    • a.

      de gemaakte kosten betrekking hebben op de periode tussen 1 januari 2022 tot en met 25 maart 2022;

    • b.

      de gemaakte kosten inclusief btw, die bijdragen aan het doel, bedoeld in artikel 3 de kosten voor CTB-controle gemaakt zijn binnen de onderneming;

    • c.

      de kosten vallen onder de volgende posten:

      • i.

        verschuldigde loonkosten van werknemers en arbeidskrachten;

      • ii.

        verschuldigd vakantiegeld, verschuldigde pensioenafdrachten en sociale zekerheidslasten, in verband met de loonkosten;

      • iii.

        in geval van externe inhuur, de kosten van werving, selectie, administratie en aansturing van werknemers en arbeidskrachten;

      • iv.

        materiële kosten die de controle van het coronatoegangsbewijs en identiteitsdocument faciliteren.

    • d.

      het aanvraagformulier naar waarheid is ingevuld.

  • 3. De aanvraag moet uiterlijk op 29 april 2022 door de gemeente zijn ontvangen.

  • 4. Voor de aanvraag dient een door het college beschikbaar gesteld formulier te worden gebruikt.

Artikel 2:6 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college weigert de subsidie voor zover het betreft:

    • a.

      Kosten voor activiteiten waarvoor reeds een specifieke uitkering of een andere financiële bijdrage door het Rijk is verstrekt;

    • b.

      Kosten van activiteiten waarvoor op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 recht op aftrek van omzetbelasting bestaat, dan wel recht bestaat op compensatie op grond van de Wet op het btw-compensatiefonds.

  • 2. Het college kan de subsidie weigeren voor zover de ondernemingen, bedoeld in artikel 2:2, niet beschikken over de volgende SBI-codes, blijkend uit de inschrijving bij de Kamer van Koophandel: 55101, I 55102, I 56101, I 56102, I 5621, I 5630. 

Artikel 2:7 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het subsidieplafond voor de subsidie bedoeld voor de in artikel 2:2, eerste lid bedraagt € 891.371,- .

  • 2. Als het totaal van de aanvragen hoger is dan het betreffende subsidieplafond, dan wordt de subsidie toebedeeld op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen die aan de vereisten van deze paragraaf voldoen.

Artikel 2:8 overgangsbepalingen

Aanvragen die zijn ingediend op grond van de Regeling & Voorwaarden incidentele bijdrage naleving coronatoegangsbewijs (CTB), zoals vastgesteld door het college op 15 februari 2022, worden geacht te zijn ingediend op grond van deze paragraaf.

Paragraaf 2.2 Regeling & Voorwaarden incidentele bijdrage Tegemoetkoming Specifieke Sectoren Groningen

Artikel 2:9 Doelgroep

  • 1. Voor subsidie als bedoeld in deze paragraaf komen ondernemingen in aanmerking die het zwaarst getroffen zijn als gevolg van het Covid 19- virus.

  • 2. Selectie op basis van ondernemingen die behoren tot sectoren die meer dan 40% omzetverlies hebben geleden volgens cijfers van het CBS.

  • 3. Om voor subsidie als bedoeld in deze paragraaf in aanmerking te komen dienen de ondernemingen als bedoeld in het eerste lid te beschikken over de volgende SBI-codes bij de Kamer van Koophandel:

    afbeelding binnen de regeling

Artikel 2:10 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan een terugkeer naar een normale bedrijfsvoering zoals de onderneming die kende vóór de Covid-19 crisis. 

Artikel 2:11 Subsidie per activiteit

De hoogte van de vergoeding bedraag ten hoogste € 1.500,- per aanvraag.

Artikel 2:12 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Ondernemers of aanvragers moeten ten tijde van de aanvraag beschikken over de in artikel 2:9 derde lid bedoelde SBI-code(s) bij hun KvK registratie.

  • 2. Onderneming moet minimaal op 1 september 2021 in de gemeente Groningen zijn ingeschreven bij de KvK.

  • 3. Ondernemers of aanvragers moeten een uittreksel van hun KvK registratie toevoegen.

  • 4. Ondernemers of aanvragers moeten een kopie van hun zakelijke bankafschrift toevoegen.

  • 5. De aanvraag moet uiterlijk op 29 april 2022 door de gemeente zijn ontvangen.

  • 6. Voor de aanvraag dient een door het college beschikbaar gesteld formulier te worden gebruikt.

Artikel 2:13 Aanvullende weigeringsgronden

Het college kan de subsidie weigeren voor zover de ondernemingen niet beschikken over de in artikel 2:9 tweede lid bedoelde SBI- codes.

Artikel 2:14 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het subsidieplafond voor de subsidie bedoeld voor de in artikel 2:10 genoemde activiteiten bedraagt € 2.900.000,- .

  • 2. Als het totaal van de aanvragen hoger is dan het betreffende subsidieplafond, dan wordt de subsidie toebedeeld op volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen die aan de vereisten van deze paragraaf voldoen.

Hoofdstuk 3 Jeugd en onderwijs

Paragraaf 3.1 Voorschoolse educatie

Artikel 3:1 Begripsbepalingen

1.

Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen:

De wettelijke en door gemeente Groningen beschreven bovenwettelijke gemeentelijke eisen vve, onderdeel van het beleidsplan ’Een goede start voor alle jonge kinderen’.

2.

Voorschoolse educatie (ve):

Maatregelen en programma’s gericht op het spelenderwijs stimuleren van de brede (taal-) ontwikkeling van jonge kinderen (2 tot 4 jaar) met als doel de startcondities van kinderen te verbeteren bij hun entree op de basisschool Voorschoolse educatie wordt altijd aangeboden in een groep met enkel kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar.

3.

Vve-programma:

Een sterk programma waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd van kinderen in de leeftijd van 2 tot 6 jaar op het gebied van rekenen, taal, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Dit programma wordt uitgevoerd volgens de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in:

  • -

    de Wet IKK – Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang;

  • -

    de Wet OKE – Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie;

  • -

    het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en

  • -

    de bovenwettelijke gemeentelijke eisen vve, opgenomen in het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningeneducatie gemeente Groningen 2023-2026.

Aan een vve-programma is een ouderprogramma gekoppeld.

4.

Vve-geïndiceerde kinderen:

Kinderen vanaf 2 jaar die door de JGZ geïndiceerd zijn voor vve (vve-geïndiceerde peuter/doelgroeppeuter).

5.

Vve-geregistreerd kindcentrum:

Een kindcentrum dat is opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang en dus voldoet aan de eisen die voor een dergelijke opneming gelden, en ook geregisterd staat als vve-locatie en daarmee minimaal aan de geldende wettelijke vve-eisen voldoet.

6.

Maximaal uurtarief:

Het maximaal te vergoeden uurtarief dat het rijk hanteert voor de tegemoetkoming in de kosten voor de kinderopvang voor ouders.

7.

Kostprijs:

De kostprijs voor uitvoering van de wettelijke eisen voor de kinderopvang voor een kinderopvangorganisatie, toegespitst op peuters van 2 tot 4 jaar.

8.

Kwaliteitsontwikkeling:

De verdere ontwikkeling van kwaliteit door een organisatie die al voldoet aan de wettelijke vve-eisen en geregistreerd is als vve-locatie, om te voldoen aan de Groningse kwaliteitsnormen, zoals omschreven in het Kwaliteitskader voorschoolse educatie gemeente Groningen 2023-2026.

9.

Ouderbijdrage:

De eigen inkomensafhankelijke bijdrage die ouders/verzorgers aan de voorschoolse instellingen betalen. Deze bijdrage is gebaseerd op het aantal uren voorschoolse educatie dat wordt afgenomen en wordt berekend aan de hand van het maximaal uurtarief en de kinderopvangtoeslagtabel die door het rijk is vastgesteld voor het betreffende jaar.

10.

Kinderopvangtoeslagtabel:

Jaarlijks door het rijk vastgestelde tabel die laat zien hoeveel procent van de kosten de ouder/verzorger vergoed krijgt. Daarbij geldt een maximumtarief per uur en een maximum aantal uren dat men vergoed kan krijgen.

11.

Horizontale peutergroep:

In een horizontale groep zitten kinderen van dezelfde leeftijdscategorie, in dit geval kinderen (peuters) van 2 tot 4 jaar.

12.

Vve-ouderprogramma:

Een programma voor ouders met kinderen van 2 tot 6 jaar die deelnemen aan voor- en vroegschoolse educatie. En waarbij de activiteiten aansluiten bij het vve-programma.

13.

KOT-peuter:

Kind van ouders die een beroep kunnen doen op de kinderopvangtoeslagregeling conform de Wet kinderopvang (WKO).

14.

Niet-KOT-peuter:

Kind van ouders die geen beroep kunnen doen op de kinderopvangtoeslagregeling conform de WKO.

Artikel 3:2 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan aan de houder van een vve-geregistreerd kindcentrum subsidie verlenen voor de uitvoering van voorschoolse educatie door de realisatie van kindplekken, voor toeleiding naar vve en voor versterking ouderbetrokkenheid middels uitvoering van een ouderprogramma..

  • 2. Het college kan aan de houder van een vve-geregistreerd kindcentrum subsidie verlenen voor kwaliteitsontwikkeling op het gebied van de (bovenwettelijke) kwaliteitseisen op de volgende gebieden:

    • Gedifferentieerd opbrengstgericht werken;

    • Doorgaande ontwikkelingslijn naar het basisonderwijs incl. warme overdracht en digitalisering;

    • Vroegsignalering en vroeg-interventie in samenwerking met onderwijs (zorg en ondersteuning);

    • NT2-programma’s gericht op peuters van nieuwkomers.

    Daarnaast kan een subsidie aangevraagd worden voor de inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker op basis van het aantal vve-peuters.

  • 3. Het college kan aan de houder van een vve-geregistreerd kindcentrum subsidie verlenen voor het versterken van de aansluiting van het voor- en het vroegschoolse aanbod op de volgende gebieden:2.

    • Schakelgroep van 3/4-jarigen

    • Verlengde voorschoolse educatie in de zomerperiode

Artikel 3:3 Subsidie kindplaatsen voorschoolse educatie

De subsidie voor voorschoolse educatie bestaat uit een bijdrage per uur per geplaatst kind. Hierbij hanteren we de volgende tabel:

Doelgroep

Basistarief bekostigd door Rijk of gemeente

Ouderbijdrage

Doelgroeppeuters van wie ouders geen recht hebben op kinderopvangtoeslag

16 uur bekostigd door gemeente

Ouderbijdrage over 8 uur

Doelgroeppeuters met ouders die wel recht hebben op kinderopvangtoeslag

16 uur, waarvan 8 uur bekostigd door gemeente en 8 uur door Rijk

Ouderbijdrage over 8 uur

Niet-doelgroeppeuters met ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag

16 uur bekostigd door gemeente

Ouderbijdrage over 16 uur

Niet-doelgroeppeuters met ouders die wel recht hebben op kinderopvangtoeslag

16 uur bekostigd door Rijk

Ouderbijdrage over 16 uur

Artikel 3:4 Bijzondere bepalingen en verplichtingen 

  • 1. In aanvulling op de artikelen 6 en 16 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen moet de aanvraag om subsidieverlening voor voorschoolse educatie zijn voorzien van:

    • a.

      een opgave van het aantal kinderen en vve-geïndiceerde kinderen, gesplitst in KOT en niet-KOT, voor wie de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      een volledig ingevuld, door de gemeente aangeleverd, financieel en inhoudelijk format aanvraag en verantwoording “Optimale ontwikkelingskansen voor ieder kind”.

  • 2. De ontvanger van een subsidie voor voorschoolse educatie:

    • a.

      voldoet aan de wettelijke vve-eisen;

    • b.

      voldoet of zal binnen een overeengekomen termijn voldoen aan het Kwaliteitskader voorschoolse educatie gemeente Groningen 2023-2026.

  • 3. Voorschoolse educatie wordt uitgevoerd ten behoeve van vve-geïndiceerde kinderen en niet-vve geïndiceerde kinderen:

    • a.

      gedurende 16 uur per week;

    • b.

      verspreid over 3 of 4 dagdelen;

    • c.

      gedurende minimaal 40 weken per jaar.

  • 4. De instelling levert gegevens voor de vve-monitor van GGD Groningen en voor de gemeentelijke vve-monitor.

Artikel 3:5 Rapportage verplichtingen

In aanvulling op artikel 16 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen legt de subsidieontvanger verantwoording af door gebruikmaking van de daartoe beschikbaar gestelde financiële en inhoudelijke formats behorende bij het PvE Optimale ontwikkelingskansen voor ieder kind 2023-2026.

Artikel 3:6 Weigeringsgronden

  • 1. Het college weigert subsidie indien:

    • a.

      De instelling geen geregistreerde vve-locatie heeft.

    • b.

      Er niet gewerkt wordt met horizontale peutergroepen.

  • 2. Het college kan subsidie weigeren indien er niet binnen de overeengekomen termijn wordt voldaan aan de Groningse kwaliteitseisen.

Artikel 3:7 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor voorschoolse educatie zijn de subsidieplafonds gelijk aan de daarvoor in de gemeentebegroting opgenomen bedragen.

  • 2. Aanvragen worden beoordeeld door een team van deskundigen, bestaande uit ten minste een inhoudelijk beleidsmedewerker en contractmanager van de gemeente Groningen, geformuleerd in een uit te brengen advies aan het college.

  • 3. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan de subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      vve-kindplaatsen gaan voor op andere subsidieaanvragen voor voorschoolse educatie;

    • b.

      de verdeling van de middelen voor de overige subsidiabele activiteiten vindt plaats naar rato van het aantal vve-geïndiceerde kinderen per locatie, dan wel groep.

  • 4. Als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over nadien ontvangen subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

  • 5. Eindbeoordeling en advisering ligt bij het team van deskundigen, zoals genoemd in lid 2 van dit artikel.

Paragraaf 3.3 Jongerenwerk

(vervallen)

Paragraaf 3.4 Opstap, opstapje, instapje (vervallen zijn de artikelen 3:13 tot en met 3:17).f

[Klik hier om het document te downloaden]

Paragraaf 3.5 Cultuureducatie (vervallen zijn de artikelen 3:18 tot en met 3:23).

[Klik hier om het document te downloaden]

Paragraaf 3.6 Materiële financiële gelijkstelling onderwijs (vervallen zijn de artikelen 3:24 tot en met 3:29)

[Klik hier om het document te downloaden]

Paragraaf 3.7 Kinderactiviteiten

(vervallen)

Paragraaf 3.8 Wetenschap & techniek

Artikel 3:35 Begripsbepaling

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

a.

activiteiten wetenschap & techniek:

activiteiten van de in artikel 3:36 genoemde functie, die gericht is op kinderen en jongeren in de leeftijd van 4 – 18 jaar;

b.

stedelijk:

activiteiten die op een centrale locatie in de stad plaatsvinden en die gericht zijn op kinderen en jongeren uit de gehele stad;

c.

wijkgericht:

activiteiten die op een locatie in de wijk plaatsvinden en die gericht zijn op kinderen en jongeren uit die wijk.

Artikel 3:36 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten wetenschap & techniek in het kader van de volgende functie: het ontdekken en ontwikkelen van talenten op het gebied van wetenschap & techniek.

Artikel 3:37 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 3:36 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 3:38 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Met betrekking tot de inhoud van de activiteiten wetenschap & techniek zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

    • a.

      de activiteiten zijn zowel stedelijk als ook wijkgericht;

    • b.

      de activiteiten vinden buiten schooltijd plaats.

  • 2. Met betrekking tot de subsidieaanvraag zijn de volgende bepalingen van toepassing:

    • a.

      de subsidieaanvraag moet zijn voorzien van een activiteitenaanbod, onderscheiden in:

      • -

        laagdrempelige inloopactiviteiten, cursorische activiteiten, evenementen en projecten;

      • -

        naar stedelijke en wijkgerichte activiteiten.

    • b.

      een inschatting van het aantal te bereiken kinderen/jongeren per onderscheiden activiteit;

    • c.

      een plan van aanpak voor samenwerking met andere relevante partijen;

    • d.

      een plan van aanpak voor het realiseren van cofinanciering vanuit het rijk, de provincie, het bedrijfsleven, fondsen, eigen inkomsten e.d.;

    • e.

      een plan van aanpak voor scholing voor vrijwilligers.

Artikel 3:39 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor de in artikel 3:36 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:36 en 3:38.

Toelichting

Artikel 3:36

De activiteiten zijn gericht op leren ontwerpen, onderzoeken en ontdekken en het stimuleren van nieuwsgierigheid, creativiteit en oplossend vermogen.

De activiteiten stimuleren de belangstelling voor wetenschap & techniek op jonge leeftijd met als doel dat meer jeugdigen op latere leeftijd kiezen voor een technische opleiding.

Artikel 3:38lid 1 onder a.

De activiteiten vinden zowel stedelijk als wijkgericht plaats, maar de nadruk dient te liggen op wijkgerichte activiteiten. Het aantal kinderen dat aan de activiteiten meedoet, is daarbij maatgevend.

Artikel 3:38lid 2 onder c.

Onder andere relevante partijen worden bijvoorbeeld Kunstencentrum groep, Science Center Noord, SKSG, MJD en het bedrijfsleven verstaan.

Artikel 3:39lid 2 onder b.

Welke subsidieaanvragen het beste voldoen wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria:

  • het ontdekken en ontwikkelen van talenten op het gebied van wetenschap & techniek (artikel 3:36);

  • het realiseren van activiteiten in de wijken (artikel 3:38 lid 1 onder a.);

  • samenwerking met relevante partijen (artikel 3:38 lid 2 onder c.);

  • het realiseren van cofinanciering (artikel 3:38 lid 2 onder d.), in de volgorde waarin de criteria genoemd zijn.

Paragraaf 3.9 Sport- en spelcontainers

(vervallen)

Paragraaf 3.10 Schakelgroepen jonge kinderen

Artikel 3:45 Begripsbepaling

Artikel 3:45 Begripsbepaling

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

a.

schakelgroepen jonge kinderen

i. in een schakelgroep wordt intensieve en uitgebreide taalstimulering aangeboden, uitgevoerd door een extra leerkracht (VVE gekwalificeerd) en gekoppeld aan een breed erkend VVE programma dat tevens wordt uitgevoerd in de reguliere groep;

 

 

ii. een schakelgroep kan binnen of buiten de reguliere groep worden vormgegeven;

b.

doelgroepkinderen

kinderen in de groepen 1 tot en met 3 waarvan de ouders een laag opleidingsniveau hebben conform de gewichtenregeling of kinderen die opgroeien in een niet stimulerende taalrijke thuisomgeving;

c.

VVE programma

een erkend voorschools  programma waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd van kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 7 jaar op het gebied van rekenen, taal, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.

d.

ouderprogramma

programma bedoeld om ouders te ondersteunen bij de ontwikkelingsstimulering van hun kind. Dit programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut.

Artikel 3:46 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan een schoolbestuur subsidie verlenen voor het organiseren van schakelgroepen met als doel achterstanden op basisvaardigheden zoals taal en rekenen te voorkomen en de leerwinst van doelgroepkinderen die hebben deelgenomen aan een schakelgroep te verhogen.

Artikel 3:47 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Met betrekking tot de inhoud van de schakelgroepen jonge kinderen zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

    • a.

      leerlingen in de schakelgroep ontvangen de extra taalstimulering tenminste 10 uur per week en gedurende een schooljaar;

    • b.

      het gemiddelde aantal leerlingen in een schakelgroep is 10, met een minimum van 8 en een maximum van 12 per groep;

    • c.

      deelnemende scholen registreren ten behoeve van de lokale VVE Monitor.

  • 2. De subsidieaanvraag moet zijn voorzien van:

    • a.

      een indicatie van het aantal doelgroepkinderen;

    • b.

      het aantal schakelgroepen.

Artikel 3:48 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor de in artikel 3:46 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:46 en 3:48.

Toelichting

De VVE groepen/schakelgroepen voldoen aan de kwaliteitseisen voor VVE die de onderwijsinspectie heeft gesteld. Instellingen die subsidie ontvangen werken aan de punten die uit de VVE bestandsopname als verbeterpunten naar voren zijn gekomen. In de Bestuursafspraken G4/G33-Rijk Effectief benutten van vve en extra leertijd voor jonge kinderen zijn hierover aanvullende afspraken gemaakt.

Artikel 3:45 onder b

De indicatie vindt in de voorschoolse leeftijd plaats via het consultatiebureau. Het gaat hierbij om kinderen in de groepen 1 tot en met 3 van wie de ouders een laag opleidingsniveau hebben, conform de gewichtenregeling of kinderen die opgroeien in een niet stimulerende taalrijke thuisomgeving.

Artikel 3:45 onder c

Dit programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd  Instituut.

Artikel 3:46

Een schakelgroep bestaat uit gemiddeld 10kinderen met een minimum van 8 en een maximum van 12. Voor een lager aantal kinderen wordt een lager bedrag gesubsidieerd. Voor een hoger aantal kinderen geldt het maximaal aan te vragen bedrag.

Artikel 3:47

De schakelgroepen worden zoveel mogelijk uitgevoerd in aansluiting op en in doorgaande lijn met een voorschoolse VVE programma.

Toelichting

Paragraaf 3.11 Schakelgroepen nieuwkomers

Artikel 3:50 Begripsbepaling

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    schakelgroepen: in een schakelgroep wordt tijdelijk intensieve taalondersteuning geboden aan kinderen die de Nederlandse taal niet of nauwelijks spreken

  • b.

    doelgroepkinderen: kinderen vanaf 6 jaar die de Nederlandse taal niet spreken en bij de instroom in de schakelgroep korter dan 1 jaar in Nederland verblijven (nieuwkomers).

Artikel 3:51 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor het tot stand brengen van vier schakelgroepen op vier locaties (inclusief de coördinatie hiervan) en het lesgeven van de Nederlandse taal aan doelgroepkinderen met als doel door te stromen in het reguliere onderwijs.

Artikel 3:52 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 3:51 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 50% van de noodzakelijke kosten tot een maximum van € 40.000 per groep.

Artikel 3:53 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Met betrekking tot de inhoud van de schakelgroepen nieuwkomers zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

    • a.

      het programma voor de schakelgroepen voor nieuwkomers sluit zodanig aan op het regulier onderwijsprogramma dat doelgroepkinderen kunnen doorstromen;

    • b.

      nieuwkomers nemen maximaal 1,5 jaar deel aan een schakelgroep voor nieuwkomers en stromen vervolgens door naar een reguliere (buurt) school;

    • c.

      deelnemende scholen registreren het aantal kinderen dat heeft deelgenomen aan de schakelgroep en doorstroomt in het reguliere basisonderwijs.

  • 2. De subsidieaanvraag moet zijn voorzien van:

    • a.

      de eigen bijdrage van het schoolbestuur aan de schakelgroep voor nieuwkomers;

    • b.

      een indicatie van het aantal doelgroepkinderen;

    • c.

      het aantal schakelgroepen.

Artikel 3:54 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor de in artikel 3:51 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen.

    • b.

      Indien het totaal van de geldige vervolgaanvragen hoger is dan het subsidieplafond, dan worden de aanvragen naar rato toegekend;

    • c.

      Indien na het toekennen van de vervolgaanvragen het subsidieplafond nog niet bereikt is, dan worden de resterende aanvragen naar rato toegekend.

Paragraaf 3.12 Rebound (vervallen zijn de artikelen 3:55 tot en met 3:59)

Paragraaf 3.13 Jeugdhulp

Artikel 3:60 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

Collectieve jeugdhulp in het onderwijs: collectief aangeboden ondersteuning op school gericht op leerlingen met ondersteunings- en zorgvragen, zodat zij in staat worden gesteld om optimaal gebruik te maken van het hen geboden onderwijs, en zo ondersteund worden dat zij zich optimaal kunnen ontwikkelen binnen hun eigen mogelijkheden. Deze ondersteuning is toegankelijk zonder zorgtoewijzing.

Artikel 3:61 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor collectieve jeugdhulp in het onderwijs.

Artikel 3:62 Bijzondere bepalingen en verplichtingen

Met betrekking tot de in houd van de collectieve jeugdhulp in het onderwijs zijn de volgende aanvullende bepalingen van toepassing:

  • a.

    collectieve jeugdhulp in het onderwijs vindt plaats in het kader van de Jeugdwet en de Wet passend onderwijs en is aanvullend op (collectieve) ondersteuning die het onderwijs zelf biedt in het kader van Passend onderwijs;

  • b.

    collectieve jeugdhulp in het onderwijs vervangt (een deel van) de individuele jeugdhulp in school waarvoor individuele leerlingen in het kader van de Jeugdwet en op basis van een individuele zorgtoewijzing voor in aanmerking zouden komen;

  • c.

    de inzet van collectieve jeugdhulp in het onderwijs vindt altijd plaats in overleg met de gemeente Groningen;

  • d.

    de hulp voldoet tenminste aan de kwaliteitseisen van de Jeugdwet en de AVG;

  • e.

    de meldcode kindermishandeling wordt gehanteerd;

  • f.

    de onderwijsinstelling en de jeugdhulpaanbieder zijn aangesloten bij de verwijsindex Zorg voor Jeugd Groningen.

Artikel 3:63 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor de in artikel 3.61 genoemde activiteiten wordt jaarlijks een subsidieplafond ingesteld.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond, is de werkwijze als volgt:

    • 1.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • 2.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld op basis van welke subsidieaanvragen het beste voldoen aan artikel 3.61 en 3.62.

Paragraaf 3.14 Ondersteuning Schoolbibliotheek

(vervallen)

Paragraaf 3.15 Leerlingbegeleiding

(vervallen)

Paragraaf 3.16 School Maatschappelijk Werk

(vervallen)

Paragraaf 3.17 Vensterscholen

Artikel 3:78 Begripsbepaling

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    Vensterschool:

    Een samenwerkingsverband van onderwijs en kinderopvang, dat zich richt op de ontwikkeling van kinderen vanuit een gezamenlijk pedagogisch fundament.

  • b.

    Schoolbestuur:

    Het bestuur/bevoegd gezag van een Vensterschool.

  • c.

    Positief opgroeien:

    Het streven van de gemeente Groningen waarbij kinderen, samen met hun ouders, gezond, veilig en kansrijk opgroeien in een stimulerende – bij voorkeur eigen – omgeving, waarin kinderen alle kansen krijgen om hun talenten te ontwikkelen, actief mee te doen en hun stem te laten horen.

  • d.

    Vensterschool 3.0:

    Een in de gemeente Groningen gevestigde school, die een intensieve en vergaande samenwerking heeft met partners in de wijk. Een vensterschool is een pedagogische (inclusieve) voorziening georganiseerd rond de ontwikkelbehoefte van kinderen. Waarin ouders mee doen, mee praten en beslissen en kinderen een stem hebben.

Artikel 3:79 Doelgroep

Subsidie kan uitsluitend aangevraagd worden door Schoolbesturen. Schoolbesturen kunnen op basis van een Plan van Aanpak Vensterschool 3.0, mogelijk verwerkt in een wijkplan of als onderdeel van hun schoolplan een subsidieaanvraag doen. Daarbij geldt dat:

  • -

    meerdere partijen zijn betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van het Plan van Aanpak;

  • -

    de te subsidiëren activiteiten dragen bij aan het realiseren van de ambitie van Positief Opgroeien.

Artikel 3:80 Subsidiabele activiteiten

Het college kan voor de volgende activiteiten subsidie verstrekken:

  • 1.

    De doorontwikkeling naar de vorming van Vensterschool 3.0, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:82 lid 1.

  • 2.

    Activiteiten die bijdragen aan het bevorderen van talentontwikkeling en voorkomen van segregatie, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:82 lid 2.

Artikel 3:81 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie voor de in artikel 3:80 genoemde activiteiten bedraagt maximaal € 15.000,- per Vensterschool.

  • 2. Het college kan in bijzondere gevallen, ter beoordeling van het college, ten gunste van de aanvrager afwijken van de het maximum genoemd in het eerste lid.

Artikel 3:82 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Voor de subsidieverstrekking voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:80 eerste lid, gelden de volgende bepalingen:

    • a.

      Voor subsidie komen de volgende kosten in aanmerking:

      • i.

        tijdelijke extra personele inzet op locatie;

      • ii.

        tijdelijke inhuur van specifieke externe deskundigheid;

      • iii.

        deskundigheidsbevordering en gezamenlijke studiedagen van personeel in relatie tot de doorontwikkeling van Vensterschool 3.0.

    • b.

      Om voor subsidie in aanmerking te komen dient sprake te zijn van scholen met een achterstandsscore, conform de gegevens van het CBS en DUO, waarin wordt gewerkt aan tenminste 2 van de volgende resultaten, waarbij uitwerking wordt gegeven in een eigen specifieke plan:

      • i.

        De samenwerkende kernpartners school en kinderopvang en waar mogelijk de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) en WIJ-team werken volgens een gezamenlijke pedagogisch en educatieve visie;

      • ii.

        De medewerkers van school en kinderopvang werken vanuit één aansturing als één team samen met elkaar en met andere partijen en maken optimaal gebruik van elkaars expertise;

      • iii.

        De samenwerkende partners; school, kinderopvang, JGZ, WIJ-team en andere partijen stemmen inhoudelijk en organisatorisch programma’s en activiteiten op elkaar af zodat doorgaande leer- en ontwikkelingslijnen (incl. daar waar nodig passende ondersteuning) ontstaan en zij dagarrangementen kunnen realiseren voor ouders die dat willen en kinderen die extra naschools aanbod nodig hebben;

      • iv.

        De samenwerkende partners onderwijs, kinderopvang, JGZ en WIJ-team realiseren een gezamenlijke ondersteuningsstructuur en werken samen aan het realiseren van voorwaarden die maken dat alle kinderen optimaal kunnen profiteren van het geboden onderwijs;

      • v.

        De samenwerkende partners (school, kinderopvang en waar mogelijk de JGZ en WIJ-team) realiseren een gezamenlijke ouderbeleid.

  • 2. Voor de subsidieverstrekking voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:80 tweede lid, geldt dat de te subsidiëren activiteiten dienen te zijn gericht op:

    • i.

      Het ontdekken en ontwikkelen van diverse talenten van kinderen;

    • ii.

      Het opdoen van nieuwe, bredere of verdiepende kennis of ervaring door kinderen;

    • iii.

      Versterking van studievaardigheden van kinderen;

    • iv.

      Het als school en kinderopvang, samen met betrokken partners in de wijk, actief bijdragen aan het ontwikkelen en borgen van een dekkend talentvol en ontdekkend aanbod voor kinderen van 0 -13 jaar, passend bij de wensen in de wijk, met als doel om de ambities van Positief Opgroeien te realiseren, bij voorkeur in de wijken waar wij als gemeente Positief Opgroeien stimuleren (Selwerd/Paddepoel/Tuinwijk, Lewenborg, Beijum, de Korrewegwijk en De Wijert).

Artikel 3:83 Aanvullende weigeringsgronden

Het college kan subsidie weigeren indien niet of onvoldoende voldaan wordt aan de bepalingen van artikel 3:82.

Artikel 3:84 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor het totaal van de in artikel 3:80 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    De Vensterschool met een hoger aantal leerlingen met (een risico op) een onderwijsachterstand heeft voorrang boven een Vensterschool met een lager aantal leerlingen met (een risico op) een onderwijsachterstand. De achterstandsscore wordt berekend door DUO en CBS.

Paragraaf 3.18 Tijdelijke regeling jongeren activiteiten COVID-19

[vervallen]

Paragraaf 3.19 Subsidieregeling Jeugd expertise netwerk Noord-Nederland (JENN)

[vervallen]

Paragraaf 3.20 Subsidieregeling taalhuizen arbeidsmarktregio Groningen

Artikel 3:103 Afkortingen en begripsomschrijvingen

WEB: Wet educatie en beroepsonderwijs.

Taalhuis: een herkenbare, fysieke plek die als ontmoetingsruimte van de wijk, het dorp of de stad fungeert waar iedereen terecht kan die aan de slag wil met basisvaardigheden als lezen, schrijven, spreken, rekenen en digitale vaardigheden. Daarnaast is het een helpdesk voor taalvrijwilligers. Het doel is een laagdrempelige voorziening te creëren ter bestrijding van laaggeletterdheid.

Contactgemeente: gemeente Groningen.

Arbeidsmarktregio Groningen: omvat de gemeenten Aa en Hunze, Assen, Eemsdelta, Groningen, Het Hogeland, Midden-Groningen, Noordenveld, Oldambt, Pekela, Stadskanaal, Tynaarlo, Veendam, Westerkwartier en Westerwolde.

Artikel 3:104 Doelstelling

De subsidie heeft tot doel het opzetten, uitvoeren en realiseren van non-formele educatie zoals is vastgelegd in het beleidsplan en de WEB, middels het opzetten van taalhuizen, werven en trainen van vrijwilligers, aanschaf en onderhoud lesmateriaal en het aangaan van samenwerkingsverbanden met uitvoerders. Met als uiteindelijke doel het creëren van een laagdrempelige voorziening ter bestrijding van laaggeletterdheid.

Artikel 3:105 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verstrekken voor het opzetten en in standhouden van taalhuizen in de arbeidsmarktregio.

Artikel 3:106 Voorwaarden

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient de aanvrager onderdeel uit te maken van reeds bestaande netwerken en samenwerkingsverbanden inzake bibliotheek- en welzijnsactiviteiten, een en ander in samenhang met de werving, binding en training/begeleiding van (taal)vrijwilligers en tevens te voldoen aan het hetgeen (aanvullend) is op genomen in een Programma van eisen dienaangaande.

Artikel 3:107 Aanvraag

Aanvragen voor subsidie kunnen worden ingediend voor 1 november voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft. Aanvraag dient te bestaan uit een beschrijving en begroting van de activiteiten.

Artikel 3:108 Beoordeling subsidieaanvraag

Binnen 8 weken wordt de subsidieaanvraag beoordeeld. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden in hoeverre tegemoet wordt gekomen aan de eisen van de reeds bestaande infrastructuur rond het fenomeen taalhuizen in de arbeidsmarktregio.

Artikel 3:109 Subsidieplafond en verdelingsregels

Voor het subsidiëren van de activiteiten als bedoeld in deze regeling is een kwart van het bedrag beschikbaar dat jaarlijks door het ministerie van OCW voor de WEB wordt verstrekt. Dit bedrag, een kwart van het educatiebudget, is tevens het subsidieplafond.

Artikel 3:110 Duur en inwerkingtreding

Deze subsidieregeling treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

Paragraaf 3.21 Tijdelijke vervolg-regeling jongeren activiteiten COVID-19

Artikel 3:111 Begripsbepalingen

  • 1. Coronamaatregelen: alle maatregelen die door het Rijk en de veiligheidsregio omwille van de veiligheid zijn gesteld vanaf 12 maart 2020 om de verspreiding van het COVID-19-virus tegen te gaan, zoals sluiting van theaters, afgelasten van evenementen, samenkomsten en concerten.

Artikel 3:112 Doel van de regeling

Het doel van de regeling, als uitvloeisel van het ‘Sociaal Perspectiefplan Corona - Iedereen doet weer mee in 050’, is een aanvullend aanbod voor jongeren van 12 tot 27 jaar te bieden om daarmee de gevolgen van de beperkingen van de coronamaatregelen voor hun mentale en fysieke gezondheid te verminderen. En om te bewerkstelligen dat een impuls wordt gegeven aan jongeren en jongvolwassenen om meer te participeren bij het ontwikkelen van activiteiten, onder het motto: ‘Met, voor en door jongeren’.

Artikel 3:113 Doelgroep

Instelling die activiteiten aanbiedt voor jongeren en jongvolwassenen voor een vrijetijdsbesteding die uitvoerbaar is ook in de uitloopperiode(n) na gehele of gedeeltelijke opheffing van de coronamaatregelen.

Artikel 3:114 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor instellingen die al een subsidie ontvangen voor soortgelijke activiteiten zijn de meerkosten van het organiseren van een alternatief programma subsidiabel.

  • 2. Voor instellingen die voor deze activiteiten nog geen subsidie ontvangen is 100% van de noodzakelijke kosten subsidiabel.

  • 3. Beoordelingscriteria activiteiten:

    • a.

      de activiteit past binnen de geldende coronamaatregelen, waarbij het uitgangspunt is dat de activiteit fysiek wordt aangeboden,

    • b.

      de activiteit sluit aan bij de leeftijd van de beoogde doelgroep namelijk 12-27 jaar,

    • c.

      de activiteit wordt, waar mogelijk, samen met jongeren georganiseerd,

    • d.

      de activiteit wordt, waar mogelijk, in samenwerking met partners georganiseerd,

    • e.

      de activiteit wordt zowel visueel als tekstueel gepresenteerd op GRONG.nl.

Artikel 3:115 Aanvraagprocedure

  • 1. De regeling opent op 1 oktober 2021.

  • 2. De uiterste datum voor het indienen van een aanvraag is 31 maart 2022.

  • 3. Subsidie kan worden aangevraagd voor meerkosten en/of nieuwe activiteiten.

  • 4. De schriftelijk gemotiveerde aanvraag dient te bestaan uit:

    • a.

      Een berekening van de netto meerkosten, indien van toepassing,

    • b.

      Een omschrijving en begroting van de activiteit(en),

    • c.

      Een schema met data van de activiteiten,

    • d.

      Een plan hoe de activiteit zowel visueel als tekstueel op GRONG.nl wordt gepubliceerd.

Artikel 3:116 Subsidieplafond en verdeelregel

  • 1. Het subsidieplafond van deze regeling bedraagt € 75.000,-.

  • 2. Per aanvraag is maximaal € 3000,- beschikbaar.

  • 3. De subsidie wordt op volgorde van binnenkomst verdeeld.

Artikel 3:117 Bevoegdheid college

Het college kan in verband met bijzondere omstandigheden afwijken van voorgaande bepalingen.

Artikel 3:118 Tijdelijke nadere regel

Deze tijdelijke nadere regel geldt tot en met 31 december 2022.

Paragraaf 3.22 Subsidieregeling regie- en beheerfunctie GRONG

Artikel 3:119 Doel van de regeling

Het doel van de regeling is naast het bieden van een (aanvullend) aanbod voor jongeren van 12-27 jaar, om de gevolgen van de coronamaatregelen voor hun mentale en fysieke gezondheid te verminderen, de website GRONG.nl verder uit te bouwen als instrument voor jongerenparticipatie in de gemeente Groningen.

Artikel 3:120 Subsidiabele kosten

  • 1. De aan de regie- en beheerfunctie gerelateerde kosten voor de organisatie, werking en promotie van de doelstelling van het platform GRONG uit te voeren door een instelling die over voldoende, uit de praktijk gebleken, bewezen expertise beschikt.

  • 2. Beoordelingscriteria activiteit regie- en beheerfunctie:

    • a.

      de mate waarin jongeren actief worden betrokken bij de organisatie van activiteiten en deze zijn opgepakt met, voor en door jongeren en in hoeverre de activiteit bijdraagt aan het vergroten van jongerenparticipatie,

    • b.

      de mate waarin de activiteiten in samenwerking met maatschappelijk betrokken partners wordt vormgegeven,

    • c.

      de mate waarin de activiteit aanvullend is op het bestaande aanbod,

    • d.

      de mate waarin de activiteit door kan gaan na versoepeling of opheffen coronamaatregelen,

    • e.

      de mate waarin het bezoekersaantal van de website gaat toenemen in de subsidieperiode,

    • f.

      of en in welke mate publicatie plaatsvindt van het aanbod op GRONG.nl en of deze dagelijks wordt geactualiseerd,

    • g.

      of er plannen worden voorbereid en uitgerold, gericht op structurele borging van het platform GRONG.nl,

    • h.

      of er een communicatieplan is gemaakt hoe publiciteit te krijgen voor jongerenparticipatie en het aanbod op GRONG.nl,

    • i.

      of er een plan is hoe de groei van GRONG.nl meetbaar wordt gemaakt.

Artikel 3:121 Aanvraagprocedure

  • 1. De regeling opent op 1 oktober 2021.

  • 2. De uiterste datum voor het indienen van een aanvraag is 15 oktober 2021.

  • 3. De schriftelijk gemotiveerde aanvraag dient overeenkomstig artikel 6 lid 1 van de ASV te bestaan uit:

    • a.

      een activiteiten- en communicatieplan,

    • b.

      een op de activiteiten gerichte begroting van de kosten en inkomsten, met daarbij inzicht biedend op de te verwachten uitgaven in 2021 en 2022.

Artikel 3:122 Subsidieplafond

Het subsidieplafond van deze regeling bedraagt € 100.000,-.

Paragraaf 3.23 Subsidieregels Jeugd expertise netwerk Noord-Nederland (JENN)

Artikel 3:123 Begripsbepalingen

Jeugd expertise netwerk Noord-Nederland (verder genoemd: JENN)

Het JENN heeft drie verschillende functies:

  • 1.

    Consultatie en advies

  • 2.

    Organiseren van hulp

  • 3.

    Kennis- en leerfunctie

Deze functies zijn beschreven en toegelicht in de kamerbrief van 17 juni 2020 VWS kenmerk 1700326-20496. Zie ook: https://jennoord.nl

Artikel 3:124 Doel van de subsidieregeling

De gemeente Groningen is voor de jeugdhulpregio’s Groningen, Friesland en Drenthe in de ‘Regeling specifieke uitkering opzet expertisecentra jeugdhulp 2020’ aangewezen als coördinerend gemeente voor de opzet en realisatie van het bovenregionale jeugdexpertisenetwerk. Deze subsidieregeling stimuleert initiatieven en (bovenregionale) expertise netwerken in Noord- Nederland zodat aan jongeren en gezinnen die kampen met zeer complexe en meervoudige hulpvragen, waarvoor binnen de bestaande mogelijkheden/zorginfrastructuur geen passende oplossing voorhanden is, adequaat en op maat (domein overstijgende) hulp en ondersteuning kan worden gegeven.

De subsidieregeling is aanvullend op al lopende initiatieven, in het verlengde van en als aanvulling op de gemeentelijke zorgplicht uit de Jeugdwet en als uitwerking van bovengenoemde kamerbrief.

Om invulling te geven aan de doelstelling van het netwerk, welke bijdragen aan de ambities ‘geen kinderen tussen wal en schip: 0 zoekende jeugdigen, ouders en professionals met een vraag naar expertise en passende zorg’ worden middelen verstrekt aan initiatieven die vallen binnen de functies van het JENN

Voor de functie ‘Consultatie en advies’ worden er zogeheten impulsgelden voor de organisatie, instandhouding en doorontwikkeling van de regionale expertteams in de drie Jeugdhulpregio’s Groningen, Friesland en Drenthe beschikbaar gesteld.

Als bovenregionaal netwerk sluit het JENN zoveel mogelijk aan bij de bestaande infrastructuur en de verstevigt daartoe verbinding. Daarom is de opdracht van het JENN, waar het gaat om individuele casuïstiek in Noord-Nederland, belegd bij de regionale expertteams. De beschikbare middelen zijn gericht op de verdere ondersteuning, facilitering en doorontwikkeling van de regionale expertteams.

Bij de functie ‘Organiseren van hulp’, gaat het om een financiële bijdrage in de (ontwikkel-, onderzoeks- en pilot) kosten van een initiatief dat bijdraagt aan de doelstellingen van het netwerk. Een initiatief kan zijn een nieuwe of innovatieve voorziening/dienst voor jeugdigen met een complexe hulpvraag.

Bij de ‘Kennis- en leerfunctie’ gaat het om financiële ondersteuning voor initiatieven die bijdragen aan het ontwikkelen (bijvoorbeeld onderzoek of monitoring), delen of het toepassen van kennis. Dit alles in het licht van de doelstelling van het JENN.

In bepaalde gevallen kan het mogelijk en wenselijk zijn om complexe programma’s/initiatieven die naar verwachting een langere doorlooptijd kennen intentioneel te subsidiëren voor meerdere jaren (max. T+3). Basis voor de intentionele subsidieverlening is een meerjarig activiteitenplan en begroting waarin ook de jaarlijkse activiteiten en daarbij behorende noodzakelijke kosten zijn opgenomen. Subsidieverstrekking vindt dan intentioneel plaats voor de gehele periode met verlening op jaarbasis. De jaarlijkse tussenrapportages kunnen, na akkoord, fungeren als subsidieaanvraag voor het volgende jaar. Definitieve vaststelling van dergelijke subsidieverlening vindt plaats na afronding van de activiteiten in een later te bepalen kalenderjaar (max. T+3).

Artikel 3:125 Doelgroep

Jongeren tot 23 jaar met weinig voorkomende ernstige psychiatrische en anderszins complexe problematiek voor wie gespecialiseerde hulp nodig is en die nu geen passende zorg krijgen. Zie hiertoe https://jennoord.nl/ onder documenten: ‘doelgroep en knelpunten per doelgroep’.

Het gaat hierbij om passende zorg voor de doelgroep afkomstig uit Drenthe, Friesland en Groningen

Artikel 3:126 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Impulsgelden in het kader van de functie ‘consultatie en advies’ voor de organisatie/instandhouding en de doorontwikkeling van de regionale expertteams in de drie Jeugdhulpregio’s Groningen, Friesland en Drenthe.

  • 2. Subsidie voor initiatieven die bijdragen aan een oplossing voor de problematiek en de ambitie van het JENN. Het betreft ontwikkel- en/of opstartkosten voor:

    • a)

      het organiseren van hulp: initiatieven die het zorglandschap verbeteren (bijvoorbeeld door het verbreden van bestaande of door het ontwikkelen van nieuwe hulpvormen),

    • b)

      kennis- en leerfunctie: benodigde kennis en expertise in Noord-Nederland vergroten en aanvullen door scholing, training of andere vormen van kennisdelen.

Artikel 3:127 Verkenningsfase

Voorafgaand aan de aanvraagprocedure geldt een verkenningsfase. Het JENN beoogt daarmee in samenspraak en afstemming te komen tot een betere onderbouwing van de aanvragen ook gericht op een betere regionale en landelijke aansluiting bij soortgelijke of relevante andere initiatieven. In deze fase gelden de onderstaande voorwaarden als richtsnoer. Als de gezamenlijke conclusie is dat het initiatief bijdraagt aan de ambitie van het JENN en de genoemde aspecten voldoende zijn verkend, nodigt het JENN de indieners uit een aanvraag in te dienen. Het JENN kan ook zelf initiatief nemen voor een verkenning op een thema en oproepen tot specifieke subsidieaanvragen.

Artikel 3:128 Subsidievoorwaarden

  • 1. Met betrekking tot het onderdeel ‘Consultatie en advies’ (impulsgelden) gelden de volgende subsidievoorwaarden:

    • a.

      Voor de component doorontwikkeling dient via de jeugdhulpregio jaarlijks een plan en begroting in te worden ingediend. Onderdeel van de jaarlijkse verantwoording is deelname van de regionale expertteamleden aan een JENN-bijeenkomst in verband met de netwerk-, kennis- en leerfunctie. Daarbij wordt aangegeven:

      • -

        wat de door ontwikkelplannen van het betreffende jaar waren;

      • -

        wat is gerealiseerd;

      • -

        wat dit heeft opgeleverd;

      • -

        wat het ontwikkelplan voor het nieuwe jaar is.

    • Ook wordt verkend of gezamenlijke ontwikkelpunten in bovenregionaal verband opgepakt kunnen worden.

    • b.

      Voor de component organisatie en instandhouding (bemensing regionaal expertteam) dient jaarlijks een begroting en verantwoording van de middelen te worden ingediend. De aanvrager committeert zich aan het volgende:

      • deelname van de voorzitter(s) van het regionale expertteam aan het reguliere voorzittersoverleg van voorzitters regionaal expertteams en projectleider/voorzitter JENN;

      • voor het monitoren van casuïstiek wordt gebruik gemaakt van de landelijk ontwikkelde monitor. Leden van de regionale expertteams dragen daarnaast bij aan het duiden van de uitkomsten van de monitoring;

      • deelname van de voorzitters regionale expertteams aan jaarlijkse actualisatie van de JENN platen en inbreng van de ‘rode draden analyse’ van de regionale expertteams.

  • 2. Met betrekking tot de onderdelen ‘Organiseren van hulp’ en de ‘Kennis- en leerfunctie’ gelden de volgende subsidievoorwaarden:

    • a.

      Er wordt getoetst op de mate waarin het initiatief impact heeft op de geformuleerde doelstelling ‘Geen kinderen tussen wal en schip: 0 zoekende jeugdigen, ouders en professionals met een vraag naar expertise en passende zorg’ en bijdraagt aan mogelijkheden voor het beter kunnen voorzien in passende zorg voor de doelgroep met multi-complexe hulpvragen.

    • b.

      In de subsidieaanvraag moet worden opgenomen:

      • -

        omschrijving en onderbouwing van het initiatief;

      • -

        een plan van aanpak waarin ook de wijze van monitoring omschreven wordt;

      • -

        een duidelijke omschrijving van de doelgroep en de omvang daarvan

      • -

        het knelpunt in de zorg en waarom huidige aanbod niet in de vraag kan voorzien.

    • c.

      Een duidelijke en concrete beschrijving van de gewenste resultaten of verandering en de haalbaarheid daarvan. De resultaten of veranderingen hebben bij voorkeur een bredere impact dan alleen een effect binnen de eigen instelling.

    • d.

      Inzichtelijk wordt gemaakt: verbinding met andere relevante ontwikkelingen in Noord-Nederland, verbinding met relevante netwerken en ketenpartners in Noord-Nederland en oriëntatie op beschikbare kennis in (Noord) Nederland; alsmede de wijze waarop jongeren en ouders meedenken of anderszins een rol hebben in het initiatief

    • e.

      De aanvraag bevat een plan voor de continuïteit en de borging van de opbrengsten/resultaten. In geval het initiatief het starten van nieuw zorgaanbod betreft dit ook uitzicht op structurele financiering. Aannames over vervolg reguliere structurele financiering zijn vooraf getoetst.

Artikel 3:129 Aanvraag- en beoordelingsprocedure

  • 1.In afwijking van het bepaalde in artikel 7 van de ASV kunnen subsidieaanvragen gerelateerd aan artikel 3:126 onder 2. gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend, echter niet nadat de verkenning zoals genoemd in artikel 3:127 heeft plaatsgevonden.

  • 2. Bij de aanvraag dient gebruik te worden gemaakt van het daartoe beschikbaar gestelde aanvraagformulier, op te vragen bij ContracteringMO@groningen.nl.

  • 3. Het JENN is een netwerkorganisatie, waaraan een coördinator is verbonden. Via de netwerk coördinator wordt het uitgebrachte advies van het JENN aangeleverd.

  • 4. De beoordeling van de aanvragen wordt gedaan door een team van deskundigen en wordt geformuleerd in een uit te brengen advies van het JENN aan het college. Het college van de gemeente Groningen neemt een besluit over het al dan niet toekennen van de subsidieaanvraag.

Artikel 3:130 Subsidieplafond en verdeelregel

  • 1. Het subsidieplafond van deze subsidieregeling is gelijk aan het bedrag dat daartoe in de geldende jaarlijkse JENN-begroting is opgenomen. De bedragen die beschikbaar zijn in het kader van artikel 3:126 lid 1 worden jaarlijks opgenomen in de JENN-begroting.

  • 2. Subsidieaanvragen worden beoordeeld en toegekend op basis van volgorde van binnenkomst.

Artikel 3:131 Bevoegdheid college

Op grond van bijzondere omstandigheden kan het college gemotiveerd afwijken van een van bovenstaande bepalingen.

Hoofdstuk 4 Welzijn, gezondheid en zorg

Paragraaf 4.1 Algemeen

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

Artikel 4:2 Relevante procedure

(vervallen)

Artikel 4:3 Subsidie per activiteit

(vervallen)

Artikel 4:4 Hoogte subsidieplafond in het algemeen

Het subsidieplafond voor activiteiten die gesubsidieerd worden op basis van dit hoofdstuk is gelijk aan de hiervoor in de begroting opgenomen bedragen, tenzij in de betreffende paragraaf daarvan afgeweken wordt.

Paragraaf 4.2 Emancipatie en vrouwenzaken

(vervallen zijn de artikel 4:5 tot en met 4:8)

Paragraaf 4.3 Internationale betrekkingen

Artikel 4.9 Begripsbepaling

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 4.1 wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • 1.

    mondiale bewustwording: het verschaffen van inzicht aan de burgers en het stimuleren van activiteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, democratisering, mensenrechten en duurzame ontwikkeling. De werkzaamheden vinden plaats op basis van wederkerigheid in internationale - en ontwikkelingssamenwerking;

  • 2.

    stedenband : meerjarige overeenkomst tussen de gemeente Groningen en een door de Raad aangewezen buitenlandse gemeente met het doel onderling duurzame betrekkingen aan te gaan op sociaal-cultureel, economisch en wetenschappelijk gebied;

  • 3.

    stedenbandgemeente: een door het college aangewezen buitenlandse gemeente waarmee een stedenband wordt aangegaan;

Artikel 4:10 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter invulling van een stedenband, te weten:

    • a.

      het bevorderen van persoonlijke contacten, ontmoetingen en samenwerking tussen inwoners van Groningen en een stedenbandgemeente;

      het informeren van de Groningse bevolking over een stedenbandgemeente;

    • b.

      stage-uitwisseling van ambtenaren van de gemeente Groningen en van een stedenbandgemeente;

    • d.

      het onderhouden van contacten met zusterorganisaties;

    • e.

      het ondersteunen, zowel financieel als anderszins, van initiatieven van organisaties of personen die strekken tot verwezenlijking van de doelstelling van een stedenband;

    • f.

      kennis- en informatie-uitwisseling tussen Groningen en een stedenbandgemeente.

  • 2. Het college kan subsidie verlenen voor mondiale bewustwording, te weten:

    • a.

      het geven van informatie aan de bevolking van de gemeente Groningen over de problematiek in een land door middel van voorlichting en bewustwordingsactiviteiten;

    • b.

      steun aan de opbouw van de democratie van een land;

    • c.

      het stimuleren van burgers en overheden om actief mee te werken aan het oplossen van sociaal-economische en maatschappelijke vraagstukken in een land;

    • d.

      de uitwisseling van ambtenaren en stages van ambtenaren van de gemeente Groningen en van een land;

    • e.

      het werven van fondsen voorzover die zullen worden ingezet in concrete ontwikkelingsprojecten in een land.

Artikel 4:11 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

De ontvanger van subsidie voor mondiale bewustwording is verplicht om de Groningse bevolking te informeren over de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en in zijn werkplan informatie op te nemen over de wijze waarop hij deze verplichting invult.

Artikel 4:12

Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1.

    Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt, dan is de verdeling daarvan als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      leidt bovenstaande verdeelwijze tot overschrijding van het subsidiebudget dan wordt dat naar evenredigheid over de op tijd ingediende vervolgaanvragen verdeeld.

  • 2.

    Resteert er na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidiebudget dan wordt dat over de overige aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.4 Diversiteit

Artikel 4:13 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 4.1 wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • 1.

    Diversiteitsbeleid: beleid gericht op gelijke kansen voor iedere inwoner om op een gelijkwaardige wijze deel te nemen aan de samenleving en zich te kunnen ontwikkelen en ontplooien ongeacht sekse, huidskleur, leeftijd, mate van gezondheid, seksuele voorkeur, religieuze en politieke overtuiging, burgerlijke staat of opleiding.

  • 2.

    integratie: het proces dat leidt tot zelfredzaamheid van etnisch culturele groepen in de samenleving in economisch, educatief, sociaal en cultureel opzicht;

  • 3.

    emancipatie: het streven naar gelijke kansen en eerlijke maatschappelijke verhoudingen door het bevorderen van zelfontplooiing, zelfredzaamheid, eigen kracht, veiligheid en weerbaarheid;

  • 4.

    dialoog: een gesprek tussen meerdere personen of groepen gericht op het vergroten van het wederzijds begrip over thema’s op het gebied van diversiteit, integratie of emancipatie;

  • 5.

    Doelstellingen: de doelstellingen in het burgerschap en diversiteitsbeleid met onder meer de resultaatgebieden mensenrechten, antidiscriminatie, vrouwenemancipatie en emancipatie en acceptatie van LHBTI’ers

  • 6.

    Vrijwilligersorganisatie: organisatie die voor de uitvoering van haar activiteiten geen permanente arbeidsrelatie is aangegaan met degenen die de activiteit(en) ondersteunen en uitvoeren. Wel kan zij voor de uitvoering van activiteiten arbeidsrelaties van beperkte duur aangaan.

  • 7.

    Platform voor religie en levensbeschouwing: een samenwerkingsverband van in Groningen aanwezige religies en levensbeschouwingen dat tot doel heeft de onderlinge samenwerking, respect en solidariteit tussen verschillende religieuze en levensbeschouwelijke groeperingen, maar ook tussen burgers algemeen te bevorderen;

  • 8.

    Discriminatiemeldpunt: Het Discriminatie Meldpunt Groningen (DMG) is een onafhankelijke en bij of krachtens wet ingestelde organisatie die zich ten doel stelt het voorkomen, signaleren en bestrijden van discriminerende uitingen, gedragingen of regelgeving;

  • 9.

    COC Groningen en Drenthe: Een organisatie die de belangen van de Groninger LHBTI-gemeenschap behartigt en activiteiten uitvoert die deze belangen ten goede komen en de sociale acceptatie en zichtbaarheid van LHBTI inwoners vergroten.

  • 10.

    Platform LGBT Groningen: Een samenwerkingsverband van in Groningen aanwezige LHBTI-organisaties met tot doel de onderlinge samenwerking tussen deze verschillende groeperingen, maar ook tussen burgers en deze groeperingen te bevorderen en de zichtbaarheid en sociale acceptatie van LHBTI inwoners te vergroten;

  • 11

    Vrouwencentrum: een interculturele ontmoetingsplek in de gemeente Groningen waar vrouwen, met- en zonder kinderen, met verschillende achtergronden en culturen elkaar ontmoeten en dat is gericht op de bewustwording van de maatschappelijke positie van vrouwen door hen te wijzen op het belang van het kunnen en durven kiezen waar het gaat om de inrichting van het leven binnen bestaande mogelijkheden

  • 12

    Zelforganisatie: een rechtspersoon die opgericht en bestuurd wordt door de in Groningen aanwezige niet-westerse etnisch culturele gemeenschappen en die functioneert op basis van inzet vrijwilligers.

Artikel 4:13a Doel van de Subsidieregeling

Deze Subsidieregeling heeft tot doel het bevorderen van activiteiten van Groningse stedelijke vrijwilligersorganisaties/zelforganisaties en maatschappelijke organisaties door ondersteuning van activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen van het Diversiteitsbeleid, waaronder in ieder geval de instellingen genoemd in artikel 4:13 onder 8. tot en met 11.

Artikel 4:13b Ontvanger subsidie

  • 1. Subsidie kan worden verleend aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die beschikt over ervaring met de doelgroep waarop de activiteit zich richt en die woonachtig (voor natuurlijke personen) dan wel statutair en feitelijk gevestigd (voor rechtspersonen) is in Groningen.

  • 2. Indien de aanvrager een natuurlijke persoon is, heeft hij ten minste twee andere Groningers bereid gevonden de aanvraag te ondersteunen.

  • 3. Natuurlijke personen kunnen alleen als vrijwilliger subsidie aanvragen.

  • 4. Aan natuurlijke personen worden subsidies tot maximaal € 750,- verstrekt.

Artikel 4:14 Relevant procedure

(vervallen)

Artikel 4:15 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan subsidie verlenen aan een vrijwilligersorganisatie/zelforganisaties, bewonersinitiatieven of een maatschappelijke organisatie als de activiteit gericht is op één of meer van de activiteiten die:

    • a.

      dialoog en verbinding tussen groepen bewerkstelligen, opbouw van netwerken en het bespreekbaar maken van de kernwaarden van de democratische staat.

    • b.

      ertoe bijdragen dat meer Groningers mensen accepteren die anders zijn dan zijzelf (in afkomst, opleiding, burgerlijke staat, politieke overtuiging, levensbeschouwing of religie, ras, seksuele gerichtheid of sekse) en dat in hun gedrag laten zien;

    • c.

      gericht zijn op het opzetten en inrichten van een vrijwilligersorganisatie voor een groep die relevant is voor het diversiteitsbeleid en voor wie nog geen vrijwilligersorganisatie bestaat in de stad, dan wel voor het aantrekken van jongeren binnen een bestaande vrijwilligersorganisatie.

    • d.

      gericht zijn op het uitvoeren van inloop en ondersteuningsactiviteiten voor kwetsbare groepen, zoals organisaties voor oudere migranten en organisaties van voormalige vluchtelingen, met een achterban die door taalproblemen de weg naar de reguliere voorzieningen niet kan vinden.

    • e.

      ertoe bijdragen dat emancipatie wordt vergroot.

    • f.

      het bevorderen van het inburgeringproces, met inachtneming van de eigen identiteit en daarbij behorende behoeften door de zelforganisaties;

    • g.

      de samenwerking bevorderen met andere sociaal-maatschappelijke organisaties en instellingen;

    • h.

      een bijdrage leveren aan de bewustwording, participatie en integratie van de migrantengroepen in de samenleving en de spreekbuisfunctie c.q. belangenbehartiging voor deze zelforganisaties.

  • 2. Het college kan subsidie verlenen aan de instellingen genoemd in artikel 4:13 onder 8. tot en met 11 voor activiteiten zoals die zijn beschreven in de voor die instellingen van toepassing zijnde Programma’s van Eisen.

  • 3. Het college kan aan een platform voor religie en levensbeschouwing subsidie verlenen voor:

    • a.

      activiteiten die zijn gericht op de rol van gespreks- en netwerkpartner van de gemeente en van maatschappelijke organisaties in de gemeente Groningen;

    • b.

      het gezamenlijk naar buiten treden met activiteiten ter bevordering van de dialoog tussen de deelnemende religies en levensbeschouwingen en de inwoners van de gemeente Groningen.

Artikel 4:16 Subsidie per activiteit

  • 1. In afwijking van artikel 4:3 bedraagt de subsidie als bedoeld in artikel 4:15 eerste lid per zelforganisatie maximaal € 1.250,- onder de voorwaarde dat maximaal twee zodanige organisaties per etnische groepering uit een niet-westers land voor de basissubsidie in aanmerking kunnen komen.

  • 2. In afwijking van artikel 4:3 van dit hoofdstuk bedraagt de subsidie voor de in artikel 4:15 lid 3 genoemde activiteiten maximaal € 2.500,-- per jaar

Artikel 4:17 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Een zelforganisatie aan wie een basissubsidie is verleend, is verplicht als gesprekspartner voor het college te fungeren over:

    • a.

      algemene zaken die betrekking hebben op onderwerpen op het gebied van diversiteit of integratie;

    • b.

      specifieke zaken die betrekking hebben op de achterban van de subsidie-ontvangende zelforganisatie.

  • 2. De activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd dient aanvullend te zijn op het activiteitenaanbod op het bestaande activiteitenaanbod van lokale maatschappelijke voorzieningen;

  • 3. Het platform als bedoeld in artikel 4:13 onder 7. is verplicht om deelname toe te staan van vertegenwoordigingen van elke religie of levensbeschouwing die actief in de gemeente Groningen beleden wordt.

  • 4. Bij subsidieaanvragen voor activiteiten waarvan de begroting hoger is dan € 7.500 geldt een verplichte cofinanciering van minimaal:

    10% voor vrijwilligersorganisaties;

    30% voor maatschappelijke organisaties.

    De aanvrager geeft aan wat de overige financieringsbronnen zijn, en wat de omvang ervan is.

Artikel 4:18 Aanvullende weigeringgronden

  • 1. Het college weigert aanvragen voor subsidie op het gebied van ontspanning, ontmoeting in eigen kring, politiek, cultuur, sport, religie of levensbeschouwing.

  • 2. De subsidieaanvraag kan geweigerd worden indien de aanvraag betrekking heeft op dezelfde activiteit als het voorgaande jaar.

  • 3. In aanvulling op het bepaalde in artikel 4:35 Awb en artikel 6 van de Verordening kan de subsidieaanvraag ongeacht de hoogte van de aanvraag geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien:

    • a.

      er onvoldoende andere financieringsbronnen zijn gevonden;

    • b.

      de activiteiten niet of in onvoldoende mate een aanvulling zijn op reeds bestaande activiteiten van andere (vrijwilligers- of professionele) organisaties, of zich daar niet of in onvoldoende mate van onderscheiden;

    • c.

      de activiteiten in tegenspraak zijn of een dubbeling zijn met gemeentelijk beleid op andere beleidsterreinen.

Artikel 4:19 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. het subsidieplafond voor de op deze paragraaf gebaseerde subsidies is gelijk aan de daarvoor in de begroting opgenomen bedragen.

  • 2. Het college kan een deel van het beschikbare budget reserveren voor de in artikel 4:15 tweede lid en derde lid genoemde activiteiten.

  • 3. Als het totaal van de subsidieaanvragen voor een subsidie, zoals bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, hoger is dan het hiervoor beschikbare subsidiebudget, worden de aanvragen gehonoreerd die het beste scoren op de onderstaande criteria. Daarbij weegt het eerst genoemde criterium zwaarder dan het tweede, het tweede zwaarder dan het derde enzovoort:

    • a.

      inhoudelijke relevantie en impact in relatie tot het diversiteitsbeleid;

    • b.

      mate van innovatie;

    • c.

      duurzaamheid: in welke mate beklijven de resultaten?

    • d.

      samenwerking met anderen;

    • e.

      schaalbaarheid: in hoeverre kan het resultaat elders in de gemeente worden toegepast?

    • f.

      projectmatige opzet.

Paragraaf 4.5 Algemeen sociaal-cultureel werk

Artikel 4:20 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 4.1 wordt voor de toepassing van de paragrafen 4.5 Algemeen sociaal-cultureel werk tot en met 4.11 Vrijwilligerswerk verstaan onder:

  • a.

    accommodatie: een multifunctioneel centrum, een buurtcentrum, een buurtkamer, een dorpshuis, speeltuingebouw of een jongerencentrum zoals bedoeld in de accommodatienota ‘Sociaal-culturele accommodaties, geharmoniseerd’ vastgesteld op 9 september 2020;

  • b.

    accommodatiebestuur: het bestuur van een stichting of vereniging die verantwoordelijk is voor beheer en exploitatie van een accommodatie;

  • c.

    b.v.o. (bruto vloer oppervlak): de oppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten behorend tot een accommodatie, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen en waarbij geldt dat:

    • -

      indien een binnenruimte aan een andere binnenruimte grenst, wordt gemeten tot het hart van de desbetreffende scheidingsconstructie;

    • -

      indien een gebouw gebonden buitenruimte aan een binnenruimte grenst, het grondvlak van de scheidingsconstructie volledig wordt toegerekend aan de bruto-vloeroppervlakte van de binnenruimte;

    • -

      indien een binnenruimte grenst aan een schuin dak de bruto-vloeroppervlakte wordt bepaald op 1,5 m hoogte, gemeten tot en met de dakconstructie (dakpan).

  • d.

    personeelskosten beheer: totale bruto werkgeverslasten vermeerderd met de kosten van begeleiding, scholing, loopbaanontwikkeling en bevordering van doorgroeimogelijkheden terzake van beheerpersoneel dat in dienst is bij een door het college aangewezen centrale beheerpool. Eventuele specifieke (loonkosten-)subsidies komen op deze kosten in mindering;

  • e.

    MJOP: meerjarenonderhoudsplan, opgesteld volgens richtlijnen van het college voor de betreffende accommodatie;

  • f.

    marktconform tarief: het tarief dat accommodatiebesturen voor de commerciële verhuur van accommodatieruimten in rekening brengen;

  • g.

    gereduceerd tarief: maximaal 50% van het marktconforme tarief, waarbij het college aan de berekening van dit tarief nadere regels kan stellen;

  • h.

    Multifunctioneel centrum: een grote accommodatie, met een belangrijke functie voor een wijk/gebied, met ruime openingstijden. Het heeft een breed gevarieerd activiteitenaanbod voor een groot voorzieningengebied en werkt samen met (indien aanwezig) de buurtcentra en de buurtkamers in de wijk;

  • i.

    Buurtcentrum: een middelgrote accommodatie met een buurtfunctie met ruime openingstijden. Het heeft een breed gevarieerd activiteitenaanbod voor een buurt en werkt samen met (indien aanwezig) het Multifunctioneel centrum en de buurtkamers in de wijk;

  • j.

    Buurtkamer: een accommodatie met een buurtfunctie, vaak gericht op een specifieke groep bewoners. Hier vallen de buurt- en, speeltuinaccommodaties onder. Het werkt samen met (indien aanwezig) het Multifunctioneel centrum en de buurtcentra in de wijk;

  • k.

    Dorpshuis: een accommodatie in een dorp, met een unieke functie voor het dorp (vrijwel de enige voorziening). De accommodatie heeft een breed gevarieerd activiteitenaanbod voor een klein voorzieningengebied, met veelal beperkte openingstijden;

  • l.

    Zakelijke huisvestingslasten: onroerende zaakbelasting, gemeentelijke en provinciale heffingen en rechten en verzekeringspremies voor zover het eigenaarslasten betreft en voor zover die samenhangen met de accommodatie. Lasten die niet samenhangen met het eigenaarschap van het gebouw, vallen onder exploitatielasten.

Artikel 4:21 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan instellingen voor sociaal-cultureel werk subsidie verlenen voor:

  • a.

    wijk- en/of stedelijke activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies:

    • 1.

      ontmoeting/recreatie;

    • 2.

      vorming/educatie;

    • 3.

      cultuur/creativiteit;

    • 4.

      dienstverlening/voorlichting;

    • 5.

      belangenbehartiging/activering;

    • 6.

      opvang;

    • 7.

      afstemming/coördinatie;

    • 8.

      signalering;

    • 9.

      sport.

  • b.

    wijkactiviteiten passend binnen de in het vorige lid genoemde functies ter uitvoering van

    • 1.

      de beheerderfunctie voor de wijk-, buurt- en wijkjongerencentra;

    • 2.

      het accommodatiemanagement voor de wijk-, buurt- en wijkjongerencentra;

    • 3.

      exploitatie en instandhouding van wijk- en andere centra.

  • c.

    knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk.

Artikel 4:22 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Het activiteitenplan moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      gegevens over de deelname aan de activiteiten;

    • c.

      gegevens over de eigen bijdrage van de deelnemers aan de activiteiten;

    • d.

      gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd.

  • 2. Het college verleent slechts subsidie voor het oplossen van knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk voorzover de subsidieontvanger aannemelijk kan maken dat:

    • a.

      bekostiging uit andere aan subsidieontvanger verstrekte subsidies niet mogelijk is;

    • b.

      het knelpunt na aanwending van de gevraagde subsidie zal zijn opgelost.

  • 3. De subsidieontvanger dient een preventief beleid te voeren dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. In het activiteitenplan moet de subsidieontvanger aangeven hoe dat beleid zal worden vormgegeven en uitgevoerd.

Artikel 4:23 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag voor de oplossing van knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk weigeren als hiervoor al eerder aan de subsidieontvanger subsidie was verleend.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag voor de in artikel 4:21 genoemde activiteiten weigeren als die activiteiten zijn gericht op jongeren in de leeftijd van 0 tot en met 23 jaar.

Artikel 4:24 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Als het totaal van de aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 4:21, onder a en b hoger is dan de respectievelijke subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      voor zover bovenstaande verdeelwijze zou leiden tot overschrijding van de subsidieplafonds worden deze naar evenredigheid over de op tijd ingediende vervolgaanvragen verdeeld;

    • c.

      voor zover na de in de onderdelen a bedoelde verdeelwijze nog middelen resteren worden deze over de op tijd ingediende overige aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen;

    • d.

      als het totaal van de aanvragen voor knelpunten in het sociaal-cultureel werk hoger is dan het subsidiebudget dan wordt dat over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.6 Sociaal-culturele accommodaties Algemeen

Artikel 4:25 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan aan een accommodatiebestuur van een Multifunctioneel centrum, een buurtcentrum of een buurtkamer subsidie verlenen voor:

    • a.

      hypotheeklasten als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft;

    • b.

      kale huur;

    • c.

      zakelijke huisvestingslasten, als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft;

    • d.

      exploitatielasten.

  • 2. Het college kan aan een accommodatiebestuur van een dorpshuis subsidie verlenen voor:

    • a.

      het voortzetten van sociaal culturele activiteiten en andere noodzakelijke kosten, zoals in 2020;

    • b.

      zakelijke huisvestingslasten, als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft.

  • 3. Het college kan aan het door hem aan te wijzen samenwerkingsorgaan voor speeltuinverenigingen ten behoeve van de aangesloten leden subsidie verlenen voor:

    • a.

      hypotheeklasten als de betreffende accommodatie in eigendom is bij een aangesloten lid;

    • b.

      kale huur;

    • c.

      zakelijke huisvestingslasten, als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft;

    • d.

      exploitatielasten;

    • e.

      inrichting en onderhoud van speeltuinen en speeltoestellen;

    • f.

      exploitatiekosten van het samenwerkingsorgaan zelf.

  • 4. Het college kan aan een door hem aan te wijzen samenwerkingsorgaan voor sociaal culturele accommodaties subsidie verlenen voor:

    • a.

      belangenbehartiging van de aangesloten accommodaties;

    • b.

      het fungeren als aanspreekpunt voor de gemeente.

Artikel 4:26 Subsidie per activiteit

  • 1. In afwijking van artikel 14 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 bedraagt de subsidie voor Multifunctionele centra, buurtcentra en buurtkamers:

    • a.

      voor de in artikel 4:25, eerste lid onder a tot en met c alsmede de in het derde lid onder a tot en met c genoemde kosten maximaal 100% daarvan, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn en door het college zijn erkend;

    • b.

      voor de in artikel 4:25, eerste lid onder d evenals de in het derde lid onder d genoemde kosten voor exploitatielasten een vast bedrag van: € 42,14 per m2 b.v.o., alsmede een vast bedrag voor organisatiekosten.

    • c.

      voor de in artikel 4:25, derde lid onder e genoemde kosten voor inrichting en onderhoud van speeltuinen en speeltoestellen € 14,77 per m2 b.v.o.;

  • 2. In afwijking van artikel 14 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 bedraagt de subsidie voor dorpshuizen:

    • a.

      voor de in artikel 4:25, tweede lid onder a genoemde kosten maximaal 100% van het bedrag waar het dorpshuis in 2020 recht op had, voor zover dit bedrag noodzakelijk is en door het college is erkend, alsmede een vast bedrag voor organisatiekosten;

    • b.

      voor de in artikel 4:25, tweede lid onder b genoemde kosten maximaal 100% daarvan, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn en door het college zijn erkend.

  • 3. In afwijking van artikel 14 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 bedraagt de subsidie voor een samenwerkingsorgaan voor speeltuinverenigingen voor de in artikel 4:25, derde lid onder f genoemde activiteiten maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

  • 4. In afwijking van artikel 4:3 bedraagt de subsidie voor een samenwerkingsorgaan voor sociaal culturele accommodaties voor de in artikel 4:25, vierde lid genoemde activiteiten een bijdrage in de exploitatie tot maximaal het bedrag van het tekort op de begroting van het samenwerkingsorgaan.

  • 5. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder b van dit artikel kan het college in specifieke door hem aan te wijzen gevallen de subsidie op andere wijze berekenen.

  • 6. De in het eerste lid onder b en c en in het tweede lid van dit artikel genoemde bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil 2020. Het college kan deze bedragen aanpassen aan de voor het subsidietijdvak geldende begrotingsrichtlijnen.

Artikel 4:27 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger stemt met bewoners van wijk/gebied en daar gevestigde maatschappelijke organisaties af aan welke activiteiten behoefte is en stemt daar het activiteitenplan op af, rekening houdend met het tweede lid van dit artikel.

  • 2. De subsidieontvanger stelt in overleg met andere aanbieders van activiteiten een gezamenlijke activiteitenprogrammering op voor de wijk/gebied waarin de subsidieontvanger gebruik maakt van de accommodatie.

  • 3. In aanvulling op artikel 6 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen, dient de aanvrager te vermelden:

    • a.

      in zijn activiteitenplan op welke wijze invulling wordt gegeven aan alle verplichtingen die krachtens deze verordening aan de subsidieverlening worden verbonden;

    • b.

      in zijn activiteitenplan in hoeverre het activiteitenaanbod aansluit op de behoeften van wijk/gebied en geeft een verklaring voor eventuele afwijkingen daartussen;

    • c.

      in zijn activiteitenplan hoe het activiteitenplan past in de in het tweede lid van dit artikel bedoelde activiteitenprogrammering;

    • d.

      in zijn activiteitenverslag hoe de invulling van de verplichtingen uiteindelijk vorm heeft gekregen en de afwijkingen te verklaren tussen de voorgenomen invulling (activiteitenplan) en de realisatie daarvan;

    • e.

      in zijn financiële en inhoudelijke verslag gegevens met betrekking tot groeperingen aan wie accommodatieruimte wordt verhuurd en de tarieven die daarbij in rekening worden gebracht;

  • 4. De subsidieontvanger is verantwoordelijk voor een goede balans tussen de sociaal-culturele activiteiten enerzijds en overige (eigen) activiteiten anderzijds, waarbij prioriteit gegeven wordt aan de sociaal-culturele activiteiten en bewonersactiviteiten. De subsidieontvanger is gehouden om in zijn activiteitenplan en activiteitenverslag aan te geven op welke wijze aan deze verantwoordelijkheid invulling wordt c.q. is gegeven.

  • 5. Het college kan terzake van het accommodatiegebruik aan openingstijden, ingebruikgeving, prioritering en de programmering van activiteiten in de subsidieverlening nadere voorschriften verbinden.

  • 6. Multifunctionele centra, buurtcentra en buurtkamers dienen accommodatieruimte inclusief beheer gratis ter beschikking te stellen aan doelgroepen en activiteiten die vallen onder de functies van het algemeen sociaal-cultureel werk zoals bedoeld in artikel 4:21;

  • 7. Het college kan bepalen dat exclusief beslag op een accommodatieruimte of een deel daarvan slechts geschiedt tegen een marktconform tarief.

  • 8. De subsidieontvanger aan wie subsidie wordt verleend op grond van artikel 4:25, derde lid is verplicht om de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde nadere verplichtingen op te leggen aan de bij het samenwerkingsverband aangesloten speeltuinverenigingen.

  • 9. De subsidieontvanger aan wie subsidie wordt verleend op grond van artikel 4:25, vierde lid dient:

  • a.

    bij de aanvraag aan te tonen dat de subsidie noodzakelijk is voor het uitvoeren van de taak van het samenwerkingsverband;

  • b.

    zijn leden regelmatig te consulteren teneinde te weten wat zij nodig hebben om goed te functioneren;

  • c.

    bij de verantwoording van de subsidie aan te tonen dat de subsidie noodzakelijk was voor het uitvoeren van de taak van het samenwerkingsverband.

Artikel 4:28 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. het subsidieplafond voor de op deze paragraaf gebaseerde subsidies is gelijk aan de daarvoor in de begroting opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond wordt dat als volgt verdeeld:

  • a.

    vervolgaanvragen hebben voorrang boven nieuwe aanvragen.

  • b.

    als na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidiebudget resteert, dan wordt dat over de nieuwe aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop deze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.6a Sociaal-Culturele accommodaties Onderhoud

Artikel 4:28a relevante procedure

  • 1. Subsidie voor de activiteiten bedoeld in deze paragraaf wordt verstrekt voor een periode van vijf jaar op basis van het MJOP (jaarlijks aan te vragen).

  • 2. Onverlet het bepaalde in het eerste lid, wordt de subsidie jaarlijks aangevraagd en verleend.

  • 3. Op grond van artikel 17 vierde lid ASV, in samenhang met artikel 16 eerste lid ASV, geldt voor subsidieverstrekking op grond van deze paragraaf dat de aanvraag subsidievaststelling na afloop van de periode van vijf jaar bij het college ingediend wordt.

  • 4. Artikel 5, vierde lid ASV is van toepassing op de in deze paragraaf bedoelde subsidie.

Artikel 4:28b Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan subsidie verlenen voor het onderhoud van sociaal-culturele accommodaties voor zover deze accommodatie in eigendom is bij de subsidieontvanger.

  • 2. Indien ruimten binnen de sociaal-culturele accommodatie worden gebruikt voor activiteiten die niet tot het sociaal-cultureel werk kunnen worden gerekend, zoals ten behoeve van commercieel gebruik, blijven deze ruimten buiten de bepaling van de hoogte van de subsidie.

Artikel 4:28c Subsidie per activiteit

  • 1. Op basis van de demarcatie die is opgenomen in het MJOP, zijn de onderhoudskosten bepaald over een periode van 40 jaar. De subsidie bedraagt ten hoogste het gemiddelde bedrag aan onderhoudskosten per jaar.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan het college in specifieke door hem aan te wijzen gevallen de subsidie op andere wijze berekenen.

  • 3. De in het eerste lid genoemde bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil 2022. Het college kan deze bedragen aanpassen aan de voor het subsidietijdvak geldende begrotingsrichtlijnen.

Artikel 4:28d Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verantwoordelijk voor de uitvoering van het MJOP.

  • 2. De subsidieontvanger actualiseert jaarlijks het MJOP met als doel te voldoen aan het bepaalde in het vijfde lid.

  • 3. Het MJOP wordt eens per vijf jaar herzien door een externe partij. De subsidieontvanger is hiervoor verantwoordelijk, met dien verstande dat het college de kosten draagt voor de herziening. Het college kan bepalen op welke wijze de herziening dient plaats te vinden.

  • 4. De subsidieontvanger verplicht zich de subsidie te gebruiken voor de uitvoering van het MJOP.

  • 5. Jaarlijks geeft de subsidieontvanger inzicht in de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het MJOP. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven op welke punten is afgeweken van het MJOP en wat de reden daarvoor was.

  • 6. Indien de subsidie voor het betreffende jaar niet geheel wordt aangewend voor de uitvoering van het MJOP, bijvoorbeeld maar niet uitsluitend door zelfwerkzaamheid, kan de subsidie worden aangewend voor een bestemmingsfonds onderhoud als bedoeld in artikel 19 ASV.

  • 7. De besteding van dit onderhoud bestemmingsfonds moet aantoonbaar ten goede komen aan de uitvoering van het MJOP.

  • 8. Na afloop van de periode van vijf jaar waarvoor de subsidie is verstrekt wordt door het college vastgesteld of de subsidie die gedurende de periode van vijf jaar is verleend, ten goede is gekomen aan de uitvoering van het MJOP. Daarbij besluit het college of een eventueel gevormd bestemmingsfonds in stand kan blijven, of dat het bestemmingsfonds geheel of gedeeltelijk dient te worden terug betaald.

  • 9. De aanvraag tot vaststelling als bedoeld in het vorige lid dient de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na afloop van de periode van vijf jaar bij het college in.

Artikel 4:28e Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. het subsidieplafond voor de op deze paragraaf gebaseerde subsidies is gelijk aan de daarvoor in de begroting opgenomen bedragen.

  • 2. Indien het totaal van de aanvragen, met in achtneming van artikel 4:28c het subsidieplafond overschrijdt, dan geschiedt de verdeling van het beschikbare budget naar rato.

Paragraaf 4.7 Beheer sociaal-culturele accommodaties

Artikel 4:29 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan aan een door het college aan te wijzen organisatie die het beheer regelt voor Multifunctionele centra, buurtcentra en buurtkamers subsidie verlenen voor de salariëring, scholing en loopbaanontwikkeling van beheerpersoneel evenals voor de inzet van dat personeel ten behoeve van het beheer van accommodaties.

  • 2. Het college kan in afwijking van het vorige lid van dit artikel de subsidie ook verlenen aan andere subsidieontvangers als naar het oordeel van het college sprake is van bijzondere omstandigheden.

  • 3. Het college kan in specifieke door hem aan te wijzen gevallen subsidie verlenen voor andere kosten van accommodatiebeheer dan zoals beschreven in het e lid van dit artikel.

Artikel 4:30 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de in de subsidietoekenning 2020 opgenomen kosten, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn en door het college zijn erkend.

  • 2. In afwijking van het vorige lid van dit artikel kan het college in specifieke door hem aan te wijzen gevallen de subsidie voor kosten van beheer op andere wijze berekenen.

  • 3. Het college kan de subsidie aanpassen aan de voor het subsidietijdvak geldende begrotingsrichtlijnen.

Artikel 4:31 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger aan wie op grond van het eerste lid van artikel 4:30 subsidie wordt verleend, stelt in overleg met de dorpshuizen een ondersteuningsplan op, waarin wordt beschreven hoe advies en indien noodzakelijk invalkrachten geleverd worden en/of incidenteel hulp geboden bij administratie en dergelijke.

  • 2. De subsidieontvanger aan wie op grond van het eerste lid van artikel 4:30 subsidie wordt verleend, is verplicht:

    • a.

      het beheerpersoneel waarvoor het college subsidie verleent voor beheertaken om niet aan accommodatiebesturen ter beschikking te stellen in relatie tot de openingstijden van de accommodatie en de vraag van de accommodatiebesturen zoals opgenomen in een door laatstgenoemden op te stellen beheervoorstel;

    • b.

      om voor het inroosteren van beheerpersoneel bij de accommodaties op overeenstemming gericht overleg te voeren met de accommodatiebesturen over het aantal in te zetten uren, de openingstijden van de accommodatie en de te leveren functieniveaus. Dit overleg moet hebben plaatsgehad vóórdat de subsidieontvanger een besluit heeft genomen over de bij accommodaties in te zetten beheeruren;

    • c.

      in het activiteitenplan en het activiteitenverslag aan te geven hoe invulling is gegeven aan de hierboven beschreven verplichtingen.

  • 3. Het in het tweede lid onder a. en b. bepaalde is niet van toepassing als de subsidie aan een accommodatiebestuur wordt verleend in plaats van aan een door het college aangewezen organisatie die het beheer regelt voor Multifunctionele centra, buurtcentra en buurtkamers.

  • 4. De subsidieontvanger aan wie op grond van artikel 4:30 subsidie wordt verleend streeft ernaar dat mensen met afstand tot de arbeidsmarkt deel uit maken van het personeelsbestand.

Artikel 4:32 Weigeringsgronden

  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag voor personeelskosten beheer weigeren voor zover voor de kosten daarvan al door derden subsidie wordt verleend.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag voor beheer weigeren indien die kosten al gedekt worden door subsidieverlening op grond van paragraaf 4.6 van deze nadere regels.

Artikel 4:33 Subsidieplafond en verdelingsregels

Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond wordt dat als volgt verdeeld:

  • a.

    vervolgaanvragen hebben voorrang boven nieuwe aanvragen;

  • b.

    als na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidiebudget resteert, dan wordt dat over de nieuwe aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop deze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.8 Bewonersorganisaties

Artikel 4:35 Begripsbepalingen

Artikel 4:35 Begripsbepalingen

Artikel 4:36 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan aan een bewonersorganisatie een basissubsidie verlenen als bijdrage in de kosten voor zover die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van een bewonersorganisatie.

  • 2. Het college kan aan een bewonersorganisatie subsidie verlenen als bijdrage in de kosten van:

    • a.

      communicatie en informatieverstrekking;

    • b.

      activering.

  • 3. Het college kan aan een bewonersorganisatie een aanvulling op de subsidies als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel een subsidie verlenen voor eenmalige activiteiten.

Artikel 4:37 Subsidie per activiteit

  • 1. In afwijking van artikel 14 van de ASV bedraagt de basissubsidie voor de in artikel 4:36, eerste lid genoemde activiteiten voor bewonersorganisatie met een werkgebied van:

    • a.

      1-100 inwoners: € 600,--;

    • b.

      101-500 inwoners: € 750,--;

    • c.

      501-1000 inwoners: € 850,--;

    • d.

      1001-4.500 inwoners: € 1.250,--;

    • e.

      4.501 en meer inwoners: € 1.500,--.

  • 2. Het college kan de basissubsidie indexeren aan de hand van de voor het subsidietijdvak geldende begrotingsrichtlijnen.

  • 3. Voor de in artikel 4:36, tweede lid genoemde activiteiten bedraagt de subsidie maximaal de noodzakelijke kosten, als volgt te berekenen: een door het college te bepalen bedrag per inwoner vermenigvuldigd met het aantal inwoners van het werkgebied. Het college maakt voor de bepaling van het aantal inwoners gebruik van de meest recente gegevens die beschikbaar zijn op het moment dat het college op de subsidieaanvraag beslist.

  • 4. Het college kan in afwijking van het vorige lid boven het maximum aanvullend subsidie verlenen als de subsidieaanvraag van de bewonersorganisatie daarvoor voldoende aanleiding geeft en het college daartoe voldoende middelen ter beschikking staan.

  • 5. Voor de in artikel 4:36, derde lid genoemde activiteiten bedraagt de subsidie maximaal de noodzakelijke kosten.

Artikel 4:38 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. De bewonersorganisatie dient de activiteiten uit het activiteitenplan in beginsel te richten op alle inwoners van haar werkgebied.

  • 2. Als de bewonersorganisatie de activiteiten of een deel daarvan niet richt op alle inwoners van het werkgebied dient de bewonersorganisatie aan te geven op welke subbuurten van het werkgebied de activiteiten gericht zijn en op welke doelgroepen.

  • 3. Als het vorige lid van toepassing is, kan het college bepalen dat de bewonersorganisatie in zijn activiteitenplan moet aangeven hoe over de voornoemde beperking in de activiteitenuitvoering naar de inwoners is gecommuniceerd en welke bezwaren hiertegen zijn ingebracht.

  • 4. De bewonersorganisatie rubriceert de activiteiten uit het activiteitenplan naar de in artikel 4:36, tweede lid genoemde categorieën.

  • 5. De bewonersorganisatie begroot de kosten en de baten van elke activiteit afzonderlijk.

  • 6. De bewonersorganisatie is beschikbaar voor het college als aanspreekpunt voor ambtelijk of bestuurlijk overleg over aangelegenheden die van belang zijn voor de inwoners van het werkgebied.

  • 7. De bewonersorganisatie draagt zorg voor een goede balans in de uitvoering van de activiteiten en de inzet van de verleende subsidiegelden, zulks ter beoordeling van het college. Het activiteitenplan bevat alle informatie die voor deze beoordeling noodzakelijk is.

  • 8. De bewonersorganisatie communiceert ten minste eenmaal per jaar over het activiteitenplan en het activiteitenverslag met de inwoners van het werkgebied. De bewonersorganisatie stemt de activiteiten uit het activiteitenplan af met professionele instellingen, die zelf werkzaam zijn op 1 of meer van die activiteiten, vóórdat met de uitvoering ervan wordt begonnen.

  • 9. De bewonersorganisatie stemt de activiteiten uit het activiteitenplan af met professionele instellingen, die zelf werkzaam zijn op 1 of meer van die activiteiten, vóórdat met de uitvoering ervan wordt begonnen.

Artikel 4:39 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college kan een aanvraag voor een basissubsidie weigeren als in de 2 direct voorafgaande subsidietijdvakken geen subsidie is verleend voor de in artikel 4:36, tweede lid genoemde activiteiten.

  • 2. Het college kan een aanvraag om subsidie weigeren als en voor zover deze bedoeld is voor de permanente huur van accommodatieruimte.

  • 3. Het college kan een subsidieaanvraag voor de in artikel 4:36 genoemde activiteiten binnen een werkgebied weigeren als door toewijzing van de aanvraag aan meer dan 1 bewonersorganisatie binnen dat werkgebied subsidie zou worden verleend.

Artikel 4:40 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het college kan een deel van het subsidiebudget reserveren voor nader door hem aan te wijzen belangenorganisaties voor bewoners.

  • 2. Het college kan een deel van het subsidiebudget reserveren voor de in artikel 4:36, derde lid genoemde activiteiten.

  • 3. Wanneer de totalen van de aanvragen voor de artikel 4:36 genoemde activiteiten de hiervoor ingestelde, respectievelijke subsidieplafonds overschrijden, worden deze naar evenredigheid over de in aanmerking komende aanvragen verdeeld.

Paragraaf 4.9 Maatschappelijke activering

Artikel 4:41 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten die gericht zijn op de maatschappelijke activering van burgers.

Artikel 4:42 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Het activiteitenplan moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      gegevens over de deelname aan de activiteiten;

    • c.

      gegevens over de eigen bijdragen van deelnemers aan de activiteiten.

  • 2. De subsidieontvanger moet samenwerking zoeken met instellingen die soortgelijk of complementair werk verrichten als het college dat noodzakelijk acht. In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe deze verplichting is ingevuld.

Artikel 4:43 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van het subsidieplafond dan wordt dat naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld;

    • c.

      resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.10 Vrijwilligerswerk

Artikel 4:44 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies:

  • a.

    bemiddeling, informatievoorziening, ondersteuning, advisering en scholing van (groepen) vrijwilligers;

  • b.

    deskundigheidsbevordering, ondersteuning en informatievoorziening van vrijwilligers-organisaties op het terrein van:

    • 1.

      vrijwilligersmanagement ( het vinden en binden van vrijwilligers);

    • 2.

      het afstemmen van de vraag van vrijwilligersorganisaties op het aanbod van het bedrijfsleven op het gebied van maatschappelijk ondernemen;

  • d.

    bevorderen van maatschappelijk ondernemen en het bemiddelen tussen vrijwilligersorganisaties en bedrijfsleven.

Artikel 4:45 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. De in artikel 4:44 bedoelde activiteiten moeten zijn gericht op de bevordering van de maatschappelijke participatie en betrokkenheid van burgers bij wat er in de samenleving in het algemeen en de eigen woon- en leefomgeving in het bijzonder gebeurt, een en ander binnen de door de gemeente gecreëerde randvoorwaarden.

  • 2. Het activiteitenplan moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de wijze waarop aan het vorige lid invulling wordt gegeven;

    • b.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over het aantal vrijwilligers per activiteit;

    • d.

      gegevens over de frequentie waarmee vrijwilligers worden ingeschakeld evenals een omschrijving van de aard en de zwaarte van de hen opgedragen taken.

Artikel 4:46 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Als het totaal van de aanvragen de respectievelijke subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling van deze subsidieplafonds als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van de respectievelijke subsidieplafonds dan worden deze naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld.

  • 2. Resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.11 Maatschappelijke dienstverlening

Artikel 4:47 Begripsbepalingen

Artikel 4:48 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan subsidie verlenen in het kader van maatschappelijke en juridische dienstverlening:

    • a.

      ter uitvoering van onderstaande functies:

      • 1.

        cliëntgerichte hulpverlening;

      • 2.

        dienstverlening;

      • 3.

        informatie en advies;

      • 4.

        voorlichting;

      • 5.

        consultatie;

      • 6.

        signalering;

      • 7.

        preventie;

    • b.

      voor activiteiten en projecten op door de raad benoemde aandachtsgebieden.

  • 2. Het staat de subsidieontvanger op basis van het vorige lid vrij om binnen een nader door het college aan te geven bandbreedte gedurende het subsidietijdvak andere activiteiten uit te voeren dan in de beschikking tot subsidieverlening is bepaald mits deze activiteiten passen binnen de in eerste lid genoemde functies en mits de subsidieontvanger in staat is deze activiteiten voor de verleende subsidie uit te voeren.

  • 3. Het college kan subsidie verlenen in het kader van Rechtswinkels ter uitvoering van onderstaande functies:

    • a.

      voorlichting;

    • b.

      informatie en advies.

  • 4. Het college kan subsidie verlenen in het kader van Slachtofferhulp ter uitvoering van onderstaande functies:

    • a.

      dienstverlening;

    • b.

      voorlichting;

    • c.

      preventie;

    • d.

      informatie en advies;

    • e.

      signalering.

Artikel 4:49 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Het activiteitenplan moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd.

  • 2. Het activiteitenplan in het kader van subsidieaanvragen op grond van artikel 4:48, eerste lid moet tevens voorzien zijn van gegevens over de spreiding van de activiteiten.

  • 3. Het activiteitenplan in het kader van subsidieaanvragen op grond van artikel 4:48, derde en vierde lid moet tevens voorzien zijn van gegevens over de eigen bijdragen van cliënten waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd.

  • 4. De activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend op grond van artikel 4:48, vierde lid moeten door vrijwilligers worden uitgevoerd.

Artikel 4:50 Subsidieplafond en verdelingsregels

Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt:

  • a.

    op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

  • b.

    als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van het subsidieplafond dan wordt dit naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld;

  • c.

    resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.12 Ouderenbeleid

Artikel 4:51 Begripsbepalingen

Artikel 4:52 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan ouderenbonden of daarmee vergelijkbare partijen subsidie verlenen voor activiteiten gericht op de behartiging van gezamenlijke belangen van hun leden.

Artikel 4:53 Subsidie per activiteit

In afwijking van artikel 14 van de ASV is de subsidie per kalenderjaar voor de in artikel 4:52, eerste lid genoemde activiteiten gelijk aan het subsidieplafond voor deze activiteiten gedeeld door het totale aantal leden van de ouderenbonden in de gemeente Groningen.

Artikel 4:54 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

(vervallen)

Artikel 4:55 Subsidieplafond en verdelingsregels

Als het totaal van de aanvragen de subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt:

  • a.

    op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

  • b.

    resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.13 Maatschappelijke en vrouwenopvang, verslavingszorg en overlastbestrijding

Artikel 4:56 Begripsbepalingen 

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 4.1 wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    24-uurs opvang: opvang gedurende 1 of meerdere etmalen van de hiervoor in het eerste lid genoemde personen;

  • b.

    begeleiding: ondersteunen van de cliënt gericht op behoud dan wel herstel van maatschappelijk functioneren;

  • c.

    behandeling: het aanbieden van intensieve en gespecialiseerde hulp gericht op herstel van de zelfredzaamheid van de cliënt;

  • d.

    coördinatie en afstemming: het uitvoeren van coördinatie en afstemming van hulpverlening, waarbij meerdere instanties zijn betrokken;

  • e.

    dagopvang: opvang overdag van de onder f onder 3 genoemde personen, niet zijnde 24-uurs opvang;

  • f.

    doelgroep:

    • 1.

      personen die dakloos zijn, thuisloos of marginaal gehuisvest;

    • 2.

      personen in een acute en ernstige crisis;

    • 3.

      zwerfjongeren;

    • 4.

      vrouwen die het slachtoffer zijn van bedreiging, mishandeling dan wel vrouwenhandel;

    • 5.

      personen die verslaafd zijn en bij wie tevens sprake is van achterstandssituaties;

    • 6.

      risicogroepen;

  • g.

    maatschappelijk herstel: het aanbieden van activiteiten gericht op het (hernieuwd) deelnemen aan het maatschappelijk verkeer;

  • h.

    nachtopvang: opvang ’s nachts van de onder f onder 1 en 3 genoemde personen niet zijnde 24-uurs opvang;

  • i.

    nazorg: het bieden van ondersteuning na afloop van een klinische of deeltijdbehandeling;

  • j.

    opvang en zorg: het bieden van een tijdelijke verblijfplaats en/of elementaire hulpverlening;

  • k.

    outreachende hulpverlening: actieve benadering van potentiële klanten die erop gericht is om de doelgroep toe te leiden naar een gestructureerd hulpaanbod;

  • l.

    overlast: gevoelens van onveiligheid bij burgers in de samenleving als gevolg van confrontatie met verloedering, met irritant, hinderlijk en onaangepast gedrag, met geweld en bedreiging, met criminaliteit evenals met ongewenste annexatie van openbare ruimten, mogelijkerwijs leidend tot economische schade, daling van het voorzieningenniveau en/of aantasting van de leefbaarheid;

  • m.

    preventie: het uitvoeren van activiteiten die erop gericht zijn bij risicogroepen verslaving te voorkomen;

  • n.

    risicogroep: groep individuen die extra ontvankelijk is voor verslaving;

  • o.

    verblijf: het beschikbaar stellen van huisvesting in de vorm van dagopvang, nachtopvang en/of 24-uurs opvang en crisisopvang;

  • p.

    verslaving: psychische en fysieke afhankelijkheid van alcohol, drugs, medicijnen en/of gokken;

  • q.

    zelfhulpgroep: een groep lotgenoten die gezamenlijk verbetering tracht aan te brengen in hun eigen problematiek met betrekking tot vrouwenopvang, maatschappelijke opvang, verslavingszorg en overlastbestrijding.

Artikel 4:57 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies:

    • a.

      verblijf;

    • b.

      zorgverlening;

    • c.

      psychosociale begeleiding;

    • d.

      outreachende hulpverlening;

    • e.

      opvang en zorg;

    • f.

      crisishulpverlening;

    • g.

      begeleiding;

    • h.

      behandeling;

    • i.

      nazorg;

    • j.

      maatschappelijk herstel;

    • k.

      consultatie;

    • l.

      coördinatie en afstemming;

    • m.

      deskundigheidsbevordering;

    • n.

      preventie;

    • o.

      voorlichting, informatie en advies;

    • p.

      beleidsadvisering;

    • q.

      zelfhulpgroep;

    • r.

      psychosociale behandeling.

  • 2.

    Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten of projecten op door de raad aangewezen aandachtsgebieden.

  • 3.

    Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten met als doel het voorkomen en/of verminderen van door burgers ervaren overlast.

  • 4.

    Het college kan aan zelfhulpgroepen subsidie verlenen voor activiteiten met als doel om over hun problematiek voortvloeiend uit verslaving, dakloosheid of huiselijk geweld onderlinge contacten te hebben en ervaringen uit te wisselen.

Artikel 4:58 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1.

    In afwijking van artikel 4:2 dienen andere subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:57 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend.

  • 2.

    Het activiteitenplan voor subsidieaanvragen op grond van artikel 4:57, eerste, tweede en derde lid moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      een groepering van de activiteitenbeschrijvingen per doelgroep;

    • c.

      een beschrijving van de wijze waarop inhoud wordt gegeven aan het in het volgende lid bedoelde preventieve beleid.

  • 3.

    Het activiteitenplan voor subsidieaanvragen op grond van artikel 4:57, vierde lid moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over de wijze waarop de activiteiten worden uitgevoerd.

  • 4.

    De ontvanger van subsidies op grond van artikel 4:57, eerste, tweede en derde lid voert een preventief beleid dat erop is gericht:

    • a.

      het aantal daklozen en de duur van de dakloosheid zoveel mogelijk te verminderen;

    • b.

      het aantal verslaafden en de duur van de verslaving zoveel mogelijk te verminderen;

    • c.

      de door de doelgroepen veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. De subsidieontvanger onderhoudt hiertoe contacten met instellingen die zich op dezelfde doelgroepen richten, met omwonenden en hun belangenbehartigers, met omwonende organisaties en met de politie;

    • d.

      het aantal slachtoffers van huiselijk geweld zoveel mogelijk te verminderen en het herstel zo veel mogelijk te bevorderen.

Artikel 4:59 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1.

    Het college kan een deel van de subsidieplafonds behorend bij de subsidies op basis van artikel 4:57, eerste, tweede en derde lid reserveren voor specifiek door het college aan te wijzen activiteiten maatschappelijke opvang en vrouwenopvang.

  • 2.

    Als het totaal van de aanvragen de respectievelijke subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling van deze subsidieplafonds als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van de respectievelijke subsidieplafonds dan worden deze naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld;

    • c.

      resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college jn binnengekomen.

Paragraaf 4.14 Oppasvergoeding kinderopvang voor vrijwilligers (vervallen zijn de artikelen 4:60 tot en met 4:64)

Paragraaf 4.15 Subsidiëring van initiatieven met en door mensen met een psychiatrische beperking of verstandelijke handicap die het meedoen in een inclusieve gemeente bevorderen

Artikel 4:65 Begripsbepaling

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

Doelgroep

burgers met een verstandelijke beperking en /of met een psychiatrische handicap.

Maatschappelijke activiteit

een activiteit buiten GGz-verband en buiten de verstandelijke gehandicaptenzorg

Aanvraagperiode

een door het college te bepalen tijdvak waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend voor activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie kan worden verleend.

Artikel 4:66 Subsidiabele activiteiten

  • Het college kan subsidie verlenen voor:

    • 1.

      het nemen van initiatieven die het meedoen van mensen met een verstandelijke handicap en/of een psychiatrische beperking in een inclusieve gemeente bevorderen.

    • 2.

      uitwisseling van ervaringen (met mee doen in de samenleving/gemeente) tussen mensen van de doelgroep onderling of tussen mensen van de doelgroep en derden.

    • 3.

      voorlichting en deskundigheidsbevordering door mensen van de doelgroep aan derden met het doel ruimte te maken voor meedoen in een inclusieve gemeente.

Artikel 4:67 Subsidie per activiteit

  • 1. Een aanvrager kan voor elk van de in artikel 4:66 genoemde activiteiten slechts éénmaal per kalenderjaar in aanmerking komen voor een subsidie van maximaal € 10.000,-- per activiteit.

  • 2. Op de noodzakelijke kosten worden baten die rechtstreeks op subsidiabele activiteiten betrekking hebben in mindering gebracht.

  • 3. Het college neemt alleen kosten van overhead en ondersteuning in aanmerking die in redelijkheid aan de subsidiabele activiteiten kunnen worden toegerekend.

Artikel 4:68 Subsidieplafond en verdeelregels

  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 4:66 genoemde activiteiten is per kalenderjaar gelijk aan het in de gemeentebegroting voor dat jaar opgenomen bedrag.

  • 2. Het college verdeelt het kalenderjaar in twee aanvraagperioden van elk zes maanden.

  • 3. Het college stelt per aanvraagperiode een deelbudget vast van 50% van het subsidieplafond.

  • 4. Het college kan een overschot op het eerste deelbudget van een kalenderjaar toevoegen aan het tweede deelbudget van dat kalenderjaar.

  • 5. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het beschikbare deelbudget, dan wordt dat budget over de op tijd ingediende aanvragen als volgt verdeeld:

    • a.

      een subsidieaanvraag komt eerder voor subsidie in aanmerking naarmate de activiteiten beter voldoen aan de volgende criteria:

      • i.

        activiteiten leiden tot meer sociale contacten en/of maatschappelijke activiteiten;

      • ii.

        activiteiten worden uitgevoerd door en/of samen met mensen met een psychiatrische beperking of verstandelijke handicap;

      • iii.

        maatschappelijke verworvenheden op het gebied van ontmoeting en participatie aan de samenleving die met de activiteiten zijn bereikt blijven in stand;

    • b.

      In de afweging van het college wegen eerder genoemde criteria zwaarder dan later genoemde.

Artikel 4:69 Subsidieaanvraag

  • Uit de subsidieaanvraag moet blijken op welke wijze de activiteiten van de aanvrager voldoen aan de in artikel 4:68 lid 5 onder a bedoelde criteria.

Artikel 4:70 SNadere verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger maakt bij de uitvoering van zijn activiteiten zoveel mogelijk gebruik van bestaande faciliteiten en accommodaties.

  • 2. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat zijn activiteiten aansluiten bij reguliere voorzieningen waaronder accommodaties, vrijwilligers en mantelzorgers.

Artikel 4:71 Aanvullende weigeringsgronden

  • Het college weigert een subsidieaanvraag voor activiteiten die niet bijdragen aan participatie van de doelgroep leden in het reguliere maatschappelijke verkeer volgens de doelstelling van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning.

Artikel 4:72 Aanvullende weigeringsgronden

Het college weigert een subsidieaanvraag voor activiteiten die niet bijdragen aan participatie van de doelgroepleden in het reguliere maatschappelijke verkeer volgens de doelstelling van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning.

 

Paragraaf 4.16 Maatschappelijke stages

(vervallen)

Paragraaf 4.17 Caribische Nederlanders in Groningen

(vervallen)

Paragraaf 4.18 Activiteiten sociale wijkteams

Artikel 4:83 Begripsbepaling

  • a.

    Adviseren en toeleiden: zorgvuldig gemotiveerd en gedocumenteerd advies ten behoeve van besluitvorming door het college als resultaat van het onderzoek naar de ondersteuningsvraag van inwoners alsmede het verwijzen naar de meest geschikte zorgaanbieder.

  • b.

    Casusregie op het ondersteuningsplan en familiegroepsplan: verantwoordelijkheid voor de inhoud van de ondersteuning, het onderhouden van het contact en het bewaken van het bereiken van de doelen.

  • c.

    Checken en present zijn: aanwezig en beschikbaar zijn in de fysieke nabijheid (c.q. in de wijk) om indien nodig snel te kunnen interveniëren. ‘Vinger aan de pols contact’ waar van belang maakt hier onderdeel van uit.

  • d.

    Faciliteren van inloop, ontmoeting en ingang: het digitaal, telefonisch en fysiek faciliteren van een laagdrempelige inloop om wijkbewoners in de gelegenheid te stellen om anderen te ontmoeten, hun vragen te kunnen stellen en om eventuele diensten (zoals vrijwilligerswerkzaamheden) aan te bieden ten behoeve van de samenleving.

  • e.

    Faciliteren en benutten sociale basis: zorgdragen dat ondersteuningskwesties die thuishoren in het normale leven daar ook zoveel mogelijk worden opgelost.

  • f.

    Outreachend signaleren: het vroegtijdig en actief ophalen van (potentiële) ondersteuningsvragen.

  • g.

    Normaliseren van specialistische ondersteuning: het maximaal gebruik maken van ondersteuningsmogelijkheden in de sociale basis, door individuele ondersteuningswerkzaamheden en preventie werkzaamheden aan elkaar te verbinden.

  • h.

    Opstellen van ondersteuningsplan en hulp bij het opstellen van familiegroepsplan: in gezamenlijkheid met de inwoner te behalen doelen en acties vastleggen.

  • i.

    Procesregie op het ondersteuningsplan en familiegroepsplan: faciliteren van samenwerking tussen inwoners, informele netwerken, professionals en/of organisaties en zorgen voor afstemming.

  • j.

    Triageren: ondersteuningsvragen beoordelen in de zin van aard en urgentie en hier vervolgens op acteren.

  • k.

    Verrichten van een integrale vraaganalyse: samen met de inwoner en zijn omgeving alle voor zijn/haar ondersteuningsbehoefte relevante leefdomeinen analyseren, met als doel om de ondersteuningsbehoefte helder te krijgen.

Artikel 4:84 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor:

  • 1.

    Preventief werken, met als kernactiviteiten:

    • -

      Faciliteren en benutten van de sociale basis;

    • -

      Normaliseren van specialistische ondersteuning;

    • -

      Faciliteren van inloop, ontmoeting en ingang;

    • -

      Outreachend signaleren 

  • 2.

    Toegang, met als kernactiviteiten:

    • -

      Organiseren van de toegang tot algemene en bijzondere voorzieningen in het kader van de Jeugdwet en de Wmo 2015;

    • -

      Triageren;

    • -

      Verrichten van een integrale vraaganalyse;

    • -

      Opstellen van ondersteuningsplannen en hulp bij het opstellen van familiegroepsplannen;

    • -

      Adviseren en toeleiden;

    • -

      Procesregie op het ondersteuningsplan en familiegroepsplan;

    • -

      Checken en present zijn.

  • 3.

    Individueel ondersteunen, met als kernactiviteiten:

    • -

      Bieden van ondersteuning op één of meerdere leefgebieden;

    • -

      Casusregie op het ondersteuningsplan en familiegroepsplan;

    • -

      Checken en present zijn.

Artikel 4:85 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Subsidieaanvragen zijn voorzien van een activiteitenplan.

  • 2. Het activiteitenplan dient in elk geval in te gaan op:

    • a.

      de in art. 4:84 opgenomen subsidiabele activiteiten;

    • b.

      de geldende kwaliteitsregels zoals opgenomen in de geldende Jeugdwet, WMO 2015, de verordening jeugdhulp, de nadere regels jeugdhulp en de verordening Wmo 2015 en de nadere regels Wmo 2015.

Artikel 4:86 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college weigert een subsidieaanvraag die niet afkomstig is van de instelling die eerder subsidie heeft gekregen voor het geheel van de in artikel 4:84 genoemde activiteiten.

  • 2. Het college weigert een subsidieaanvraag als de aanvrager niet het geheel van de in artikel 4:84 genoemde activiteiten biedt.

Artikel 4:87 Subsidieplafond en Verdelingsregels

Het subsidieplafond voor de in artikel 4:84 genoemde activiteiten is per kalenderjaar gelijk aan het in de gemeentebegroting voor dat jaar opgenomen bedrag.

Paragraaf 4.19 Innovatie Beschermd wonen en Opvang

Artikel 4:90 Begripsbepaling

  • 1. Innovatie: De ontwikkeling en implementatie van nieuwe producten, diensten of modellen die in de toekomst door meer aanbieders ingezet kunnen worden en/of bestaande producten vervangen.

  • 2. Innovatie Beschermd wonen en Opvang: Het ontwikkelen van werkwijzen gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie van (zeer) kwetsbare inwoners waarbij de effecten geborgd kunnen worden en een kostenreductie wordt gerealiseerd door lagere productkosten of vermindering van de instroom of een verhoging van de uitstroom naar zelfstandig wonen of algemene voorzieningen en als zodanig bijdraagt aan de transformatieopgave.

  • 3. Positief, sluitende businesscase: Een initiatief dient aan te tonen dat de activiteit leidt tot een besparing in de reguliere BW&O zorgkosten. Daarbij wordt vooraf bewijsbaar aangetoond dat de besparing minimaal overeenkomstig is met het totale begrootte subsidiebedrag.

Artikel 4:91 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten Innovatie Beschermd wonen en Opvang die naar het oordeel van het college voldoen aan de innovatiekenmerken zoals deze in artikel 4:90 zijn omschreven. Daarnaast dienen activiteiten te voldoen aan:

    • -

      de bevordering van de uitstroom van cliënten Beschermd wonen en Opvang naar zelfstandig wonen met passende ondersteuning en daginvulling;

    • -

      de preventie van de instroom in een voorziening Beschermd wonen of Opvang;

    • -

      het bevorderen van doorstroom van maatwerkvoorzieningen naar algemene voorzieningen.

Artikel 4:92 De aanvraag

  • 1. De aanvraag in aanvulling op artikel 6 van de Algemene Subsidieverordening gemeente Groningen 2019 vergezeld van een activiteitenplan en een positieve businesscase die bijdragen aan het bepaalde in artikel 4:90 lid 1 en 3.

Artikel 4:93 Beoordeling activiteitenplan

  • 1. Het college beoordeelt het activiteitenplan op basis van de positieve businesscase die aan de aanvraag ten grondslag ligt.

  • 2. Het college beoordeelt daarnaast het activiteitenplan volgens het toekennen van een score aan de hand van punten op de onderdelen:

    • -

      impact;

    • -

      draagvlak;

    • -

      toekomstbestendigheid;

    • -

      schaalbaarheid;

    • -

      nieuw product, dienst of model.

  • 3. Het initiatief kan op elk onderdeel een score krijgen van 1, 2, 3, 4, of 5 punten met een maximum van 25 punten.

Artikel 4:94 Weigeringsgronden

  • 1. Het college weigert een aanvraag indien er geen positieve businesscase aan de aanvraag ten grondslag ligt en indien het aantal behaalde punten, toegekend volgens de systematiek van artikel 4:93, minder is dan 15 punten.

Artikel 4:95 Subsidieplafond en verdeelregels

Als het totaal van de aanvragen hoger is dan het beschikbare budget, dan worden de ontvankelijke subsidieaanvragen toegewezen naar de mate waarin ze naar het oordeel van burgemeester en wethouders het meest een bewezen positief, sluitende businesscase hebben en naar de mate waarin ze naar het oordeel van burgemeester en wethouders het hoogste scoren volgens de systematiek van artikel 4:93 leden 1 en 2.

Artikel 4:96 Duur

Het subsidietijdvak loopt van 15 maart 2021 tot en met 31 december 2021 en daarna jaarlijks van 1 januari t/m 31 december van het betreffende jaar.

Artikel 4:97 Overgangsrecht

Voor de vaststelling van de subsidie die verleend is vóór 1 maart 2021, geldt de regeling zoals deze is vastgesteld met ingang van 1 mei 2020 en bekend is gemaakt in het Gemeenteblad 2020 nr. 131185 d.d. 25 mei 2020.

Toelichting

1. ALGEMEEN

Conform de Wmo 2015 werken de Groninger gemeenten samen op het gebied van Beschermd wonen en Opvang. De gemeente Groningen is als centrumgemeente namens alle Groninger gemeenten gedeeltelijk verantwoordelijk voor Beschermd wonen en Opvang.

Het doel van deze nadere regel is, conform het meerjarenprogramma ‘Beschermd Wonen en Opvang 2021 tot 2025’ , bij te dragen aan de participatie en het bevorderen van de zelfredzaamheid van kwetsbare burgers. Deze draagt bij aan de doelstelling van de programmabegroting te weten “de effectieve uitvoering van de taken als Groninger gemeenten”.

Met de nadere regels worden specifiek de volgende doelstellingen beoogd:

  • 1.

    Beweging van intensieve intramurale naar ambulante begeleiding, waarbij de cliënt zelfstandig woont;

  • 2.

    Verschuiving van intensieve naar een lichtere vorm van ambulante begeleiding;

  • 3.

    Vermindering van de instroom van cliënten in de voorzieningen beschermd wonen en opvang;

  • 4.

    Bevorderen van doorstroom vanuit maatwerkvoorzieningen naar algemene voorzieningen zoals lokale wijk- en buurtteams.

De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, dienen bij te dragen aan vermindering van de toestroom naar beschermd wonen te voorkomen en verschuiving van intensieve naar lichtere vormen van begeleiding. De activiteiten moeten zijn gericht op persoonlijk en maatschappelijk herstel, het voorkomen van uitval en het versterken van de zelfredzaamheid. De activiteiten dragen bij aan de uitstroom van huidige cliëntgroepen in Beschermd wonen en opvangvoorzieningen of hebben preventieve effecten op potentiele cliëntgroepen naar Beschermd wonen en opvangvoorzieningen in de regio Groningen.

Hierbij valt te denken aan activiteiten gericht op ondersteuning van zelfstandig wonen van potentiële cliënten en uitstroom van zittende cliënten Beschermd wonen en Opvang.

2. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 4:95 Subsidieplafond en verdeelregels

In dit artikel staat hoe het subsidieplafond wordt bepaald. Het subsidieplafond voor Innovatie Beschermd Wonen en Opvang wordt jaarlijks gepubliceerd.

In dit artikel wordt beschreven hoe wordt omgegaan indien het totaal aangevraagde bedrag hoger is dan het beschikbare budget/plafond.

Paragraaf 4.20 Tijdelijke regeling dorps- en buurthuizen COVID-19

[vervallen]

Paragraaf 4.21 Tijdelijke herstart-subsidieregeling dorps- en buurthuizen COVID-19

[vervallen]

Paragraaf 4.22 Tijdelijke herstart-subsidieregeling dorps- en buurthuizen COVID-19, voorjaar 2022

[vervallen]

Paragraaf 4.23 Subsidieregeling Lokaal Preventieakkoord

Artikel 4:120 Begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de Algemene subsidieverordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

Lokaal Preventieakkoord: set afspraken tussen diverse lokale partijen waaronder de gemeente over het realiseren van gezamenlijke gezondheidsambities, zoals op het gebied van roken, overgewicht en mentale weerbaarheid.

Artikel 4:121 Doel van de regeling

Het stimuleren van activiteiten en interventies die gericht zijn op het bevorderen van een gezonde leefstijl of een gezonde omgeving en passen binnen de bovengenoemde themagebieden.

Artikel 4:122 Subsidiabele activiteiten

De activiteiten komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien:

  • a.

    deze plaatsvinden op grondgebied van de gemeente Groningen

  • b.

    deze passen binnen het doel, zoals genoemd onder artikel 01 en wordt ingezet op versterking, vernieuwing of uitbreiding van het bestaande preventieve aanbod;

  • c.

    deze aansluiten bij een aantoonbare behoefte of problematiek van de inwoners;

  • d.

    er sprake is van een planmatige aanpak;

  • e.

    deze worden uitgevoerd in het jaar van de aanvraag;

  • f.

    de aanvrager een rechtspersoon is;

  • g.

    er bij de uitvoering sprake is van samenwerking met andere betrokken partijen;

  • h.

    deze een duurzaam karakter hebben en er is nagedacht over toekomstbestendigheid ingeval de subsidie stopt;

  • i.

    na afloop wordt gecommuniceerd, gemonitord en geëvalueerd.

Artikel 4:123 Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt tenminste € 2500,- en maximaal € 50.000,-

Artikel 4:124 Subsidieaanvraag

  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 7 van de ASV kunnen subsidieaanvragen voor activiteiten over het kalenderjaar 2022 worden ingediend vanaf moment publicatie regeling.

  • 2. De subsidieaanvraag gaat in ieder geval vergezeld met:

    • a.

      een omschrijving van de activiteit/het project en bij welk thema het hoort (middelenge- bruik/overgewicht);

    • b.

      een beschrijving van het doel van de activiteit/het project;

    • c.

      een beschrijving van de doelgroep van de activiteit/het project;

    • d.

      een beschrijving van de partners die bij de activiteit/het project is betrokken en wat de taakverdeling/verantwoordelijkheden zijn van elke partner;

    • e.

      op welke manier de inwoners bij het initiatief worden betrokken;

    • f.

      wat het tijdspad is van de activiteit/het project;

    • g.

      waar de activiteit/het project plaatsvindt;

    • h.

      wat de haalbaarheid is van de activiteit (rekening houdend met eventuele vertragingen of bemoeilijkheden);

    • i.

      een beschrijving van de borging van de activiteit/het project, op welke manier het een duurzaam karakter heeft;

    • j.

      een beschrijving van de monitoring en evaluatie tijdens en na afloop van de activiteit/het project;

    • k.

      een beschrijving op welke manier andere partijen worden geïnformeerd over de activiteit/het project;

    • l.

      een beschrijving hoe de werkwijze en verbinding eruit ziet met breder project/programma;

    • m.

      een reële en sluitende begroting bestaande uit de kosten die noodzakelijk zijn om de activiteit of het project uit te voeren.

Artikel 4:125 Subsidieplafond en verdelingsregels

Het subsidieplafond voor deze regeling bedraagt voor 2022 € 239.000,- en voor 2023 € 200.000,-; verstrekking vindt plaats op volgorde van binnenkomst van een complete aanvraag tot dat het subsidieplafond is bereikt.

Artikel 4:126 Duur van de subsidieregeling

Deze regeling geldt tot en met 31 december 2023

Paragraaf 4.24 Voortgezette Tijdelijke subsidieregeling Energiefonds maatschappelijke organisaties

Artikel 4:127 Begripsbepaling

Maatschappelijke organisaties: organisaties/instellingen/stichtingen/verenigingen, zijnde een rechtspersoon, met een locatie in de gemeente Groningen die zonder winstoogmerk activiteiten verrichten in, dan wel een bijdrage leveren aan, de sociaal-maatschappelijke infrastructuur en gemeentelijke beleidsdoelstellingen.

Artikel 4:128 Doel van de regeling

De regeling heeft als doel financiële ondersteuning bieden aan maatschappelijke organisaties die als gevolg van de sterk gestegen energieprijzen in hun continuïteit en voortbestaan worden bedreigd.

Artikel 4:129 Subsidiabele kosten

Het college kan subsidie verstrekken voor de extra energiekosten die als gevolg van prijsstijgingen op energiemarkt in de periode 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 zijn/worden gemaakt in vergelijking tot dezelfde periode van een voorgaand jaar waarbij het voorschotbedrag van januari 2022 als referentiepunt geldt; een en ander bij nagenoeg gelijkblijvende beoogde activiteiten.

Artikel 4:130 Bijzondere bepalingen/weigeringsgronden

  • 1. Geen subsidie wordt verstrekt als aanvrager gebruik kan maken van of in overwegende mate wordt gefinancierd uit andere (vangnet)regelingen die van overheidswege (Rijk/Provincie e.d.) of vanuit koepelorganisaties in het leven zijn geroepen. De algemene regeling van het Prijsplafond valt hier buiten; deze wordt wel meegewogen in de hoogte van de subsidie.

  • 2. Geen subsidie wordt verstrekt als de maatschappelijke organisatie de kostenstijging(en) kan opvangen en er gelet op de liquiditeitspositie (current ratio 1.0 of hoger) geen sprake is van een dreigende betalingsonmacht.

  • 3. Voor maatschappelijke organisaties die al gebruik hebben gemaakt van de oorspronkelijke regeling Energiefonds geldt dat alleen subsidie verstrekt kan worden voor meerkosten in de periode 1 april 2023 tot 1 januari 2024.

Artikel 4:131 Aanvraagprocedure

  • 1. De uiterste datum voor het indienen van een aanvraag is 1 december 2023.

  • 2. De aanvraag wordt ingediend met behulp van een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

  • 3. De aanvraag dient vergezeld te gaan van:

    • a.

      een bewijs dat de kosten van m3 gas en kWh over de periode zoals genoemd in artikel 4:129 zijn gestegen als gevolg van buitengewone prijsverhogingen op de energiemarkt;

    • b.

      een beschrijving waarin aanvrager aangeeft op welke wijze het energieverbruik inmiddels is of zal worden beperkt, inclusief aangevuld met in te plannen of gerealiseerde duurzaamheidsmaatregelen voor de korte en lange termijn;

    • c.

      een verklaring dat de recente energiekosten niet gedekt kunnen worden uit het vrij besteedbare eigen vermogen of opgevangen kunnen worden in de lopende exploitatie.

  • 4. Bij aanvragen boven de € 5000,- dient het effect van de onttrekking aan het eigen vermogen door gestegen energiekosten op de financiële gezondheid van de maatschappelijke organisatie inzichtelijk te worden gemaakt met behulp van de gangbare financiële ratio’s.

Artikel 4:132 Hoogte en beoordeling subsidie

  • 1. Bij subsidieaanvragen tot maximaal € 5000,- wordt de hoogte van de subsidie bepaald aan de hand van de aangeleverde gegevens. Deze subsidies worden verleend en vastgesteld onder toepassing van artikel 15 van de Algemene subsidie verordening (ASV).

  • 2. Subsidieaanvragen boven de grens van € 5000,- worden intrinsiek/aanvullend en maatgericht beoordeeld, met name op hetgeen dat in het vierde lid van artikel 4:131 is benoemd. Te subsidiëren organisaties dienen op 1 januari 2023 een current ratio van 1.0 of hoger te hebben. Overeenkomstig de ASV vindt definitieve vaststelling van de subsidie in deze categorie plaats op basis van nadien te overleggen financiële verantwoordingsinformatie.

  • 3. Subsidiabel is maximaal het bedrag van de prijsstijging van de energiekosten met dien verstande dat een eventueel batig saldo op de liquiditeitsbegroting hierop in mindering zal worden gebracht.

Artikel 4:133 Subsidieplafond en verdeelregel

Het subsidieplafond van deze regeling bedraagt € 1,4 miljoen minus de bedragen die op grond van de voormalige gelijknamige subsidieregeling zijn of nog worden uitgekeerd; aanvragen worden afgehandeld op volgorde van binnenkomst.

Artikel 4:134 Bevoegdheid college/hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van hetgeen in voorgaande artikelen staat vermeld.

Artikel 4:135 Tijdelijke nadere regel

Deze tijdelijke subsidieregeling vervalt met ingang van 1 januari 2024.

Paragraaf 4.25 Tijdelijke subsidieregeling Energiefonds maatschappelijke initiatieven

Artikel 4:136 Begripsbepaling

[vervallen]

Artikel 4:137 Doel van de regeling

[vervallen]

Artikel 4:138 Subsidiabele kosten

[vervallen]

Artikel 4:139 Bijzondere bepalingen/weigeringsgronden

[vervallen]

Artikel 4:140 Aanvraagprocedure

[vervallen]

Artikel 4:141 Hoogte en beoordeling subsidie

[vervallen]

Artikel 4:142 Subsidieplafond en verdeelregel

[vervallen]

Artikel 4:143 Bevoegdheid college/hardheidsclausule

[vervallen]

Artikel 4:144 Tijdelijke nadere regel

[vervallen]

Hoofdstuk 5 Sport en bewegen

Paragraaf 5.1 Sport algemeen

Artikel 5:1 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan onder:

  • a.

    sportclub: verband waar mensen met enige regelmaat samen sporten: in verenigingsverband, of anders georganiseerd en gevestigd in de gemeente Groningen;

  • b.

    clubgebouw: een gebouw of deel daarvan dat grotendeels gebruikt wordt door de leden van de subsidieontvanger, anders dan voor de beoefening van sport;

  • c.

    duurzame sportmaterialen: materialen bestemd voor het beoefenen van een binnensport, die niet behoren tot de basisuitrusting van een gemeentelijke binnensportaccommodatie en die onder normale omstandigheden een levensduur hebben van tenminste 3 jaren;

  • d.

    seizoensaanvraag: een roosteraanvraag bij Sport050 om huur van een sportaccommodatie voor de duur van een sportseizoen;

  • e.

    sportseizoen: het tijdvak lopend van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend. Als de landelijke sportbond waarbij de subsidieaanvrager is aangesloten een ander tijdvak hanteert, geldt dat laatstgenoemde tijdvak;

  • f.

    gemeentelijke sportaccommodatie: een sportaccommodatie die het eigendom is van de gemeente Groningen;

  • g.

    sportverenigingstarief: het tarief voor verenigingen, bestaande uit seniorentarief en jeugdtarief, zoals gehanteerd door Sport050;

  • h.

    sportinfrastructuur: het geheel aan gebouwen, velden, sportmaterialen en overige fysieke zaken die noodzakelijk zijn om sportuitoefening mogelijk te maken;

  • i.

    sportief kapitaal: de verzameling van fysiologische, sociale en psychologische competenties en ervaringen die een individu stimuleren en motiveren om op de lange termijn deel te nemen aan sport en bewegen;

  • j.

    Adviescommissie voor de Sport: commissie door de gemeenteraad ingesteld die tot taak heeft gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen aan het college van Burgemeester & Wethouders en/of gemeenteraad ten aanzien van de algemene beleidsvoorbereiding en beleidsondersteuning op het terrein van sport en bewegen.

Paragraaf 5.2 Co-financieringsfonds Sport

Artikel 5:2 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan sportclubs subsidie verlenen in de kosten van sportinfrastructuur:

  • a.

    aanschaf van duurzame sportmaterialen die bijdragen aan het realiseren van aanvullende of nieuwe activiteiten;

  • b.

    investeringen in nieuwbouw, uitbreiding of vernieuwing van clubgebouwen die bijdragen aan het versterken van het clubgevoel en het creëren van een ontmoetingsplek;

  • c.

    investeringen in nieuwbouw, uitbreiding, of vernieuwing van sportaccommodaties die een aanvulling zijn op het gemeentelijke aanbod van sportaccommodaties en bijdragen aan het realiseren van aanvullende of nieuwe activiteiten.

Artikel 5:3 Subsidie per activiteit

  • 1. In afwijking van artikel 14 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 bedraagt de subsidie:

    • a.

      Voor de in het vorige artikel, onder a. genoemde activiteiten maximaal 50% van de noodzakelijke kosten met een maximum van € 6.000,- per aanvraag;

    • b.

      Voor de in het vorige artikel, onder b. genoemde activiteiten maximaal 50% van de noodzakelijke kosten met een maximum van € 45.000,- per aanvraag;

    • c.

      Voor de in het vorige artikel, onder c. genoemde activiteiten maximaal 50% van de noodzakelijke kosten met een maximum van € 45.000,- per aanvraag.

  • 2. In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de subsidieontvanger afwijken van de in het eerste lid van dit artikel genoemde maxima.

Artikel 5:4 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. In de subsidieaanvraag wordt beschreven hoe door middel van de gewenste investering wordt bijgedragen aan het ontwikkelen van sportief kapitaal in Groningen.

  • 2. Het college legt subsidieaanvragen op basis van artikel 5:2 onder b. en c. voor advies voor aan de Adviescommissie voor de Sport.

Artikel 5:5 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college wijst een subsidieaanvraag voor de in artikel 5:2, onder b. en c. genoemde activiteiten, af als het bouwplan niet voldoet aan de eisen die het bouwbesluit stelt.

  • 2. Subsidie op grond van deze paragraaf wordt geweigerd indien de aanvraag betrekking heeft op de nieuwbouw, uitbreiding of vernieuwing van kleedkamers in eigendom van de gemeente op gemeentelijke sportaccommodaties.

  • 3. Subsidie op grond van deze paragraaf wordt geweigerd indien de aanvraag betrekking heeft op de nieuwbouw, uitbreiding of vernieuwing van kleedkamers in eigendom van aanvrager op gemeentelijke sportaccommodaties, waarvoor de aanvrager een operationele vergoeding en/of ingebruikgevingsvergoeding voor gebruik van kleedkamers ontvangt.

Artikel 5:6 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor subsidieaanvragen zoals bedoeld in artikel 5:2 onder a. gelden de volgende regels:

    • a.

      het subsidieplafond bedraagt het budget “duurzame sportmaterialen” dat voor het betreffende subsidietijdvak door het college wordt vastgesteld;

    • b.

      Het college verdeelt het subsidiebedrag over de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie op volgorde van binnenkomst.

  • 2. Voor subsidieaanvragen zoals bedoeld in artikel 5:2 onder b. en c. gelden de volgende regels:

    • a.

      het subsidieplafond bedraagt het budget “duurzame sportfaciliteiten” dat voor het betreffende subsidietijdvak door het college wordt vastgesteld;

    • b.

      als het totaal van de aanvragen hoger is dan het subsidieplafond, dan honoreert het college de aanvragen die aan de voorwaarden voldoen in deze volgorde:

      • i.

        aanvragen afkomstig van subsidieontvangers die nog niet eerder op basis van artikel 5:2 onder b. en c. subsidie ontvangen hebben gaan voor;

      • ii.

        de mate waarin de subsidieaanvragen bijdragen aan het ontwikkelen van sportief kapitaal in Groningen.

    • c.

      resteert er na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidiebudget dan honoreert het college aanvragen die na 1 oktober worden ingediend en die aan de voorwaarden voldoen, in de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Toelichting indieningstermijnen (paragraaf 5.2)

De indieningstermijnen voor de subsidies in deze paragraaf vallen onder de regels daarvoor, zoals in de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 bedoeld. Dat betekent dat voor de subsidie bedoeld in artikel 5:2 onder a. (“duurzame sportmaterialen”) gedurende het gehele jaar aangevraagd kan worden (zie artikel 7 tweede lid ASV). Voor de subsidies bedoeld in artikel 5:2 onder b. en c. (“duurzame sportfaciliteiten”) dient de aanvraag voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie gebruikt zal gaan worden, ingediend te worden (zie artikel 7 eerste lid ASV).

Paragraaf 5.3 Compensatie huur niet gemeentelijke sportaccommodaties

Artikel 5:7 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan sportclubs die een seizoensaanvraag bij gemeente Groningen hebben ingediend, maar die niet in een gemeentelijke accommodatie terecht kunnen een subsidie verlenen voor de compensatie van de huur bij het gebruik van niet gemeentelijke sportaccommodaties.

Artikel 5:8 Subsidie per activiteit

In afwijking van artikel 14 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 bedraagt de subsidie het verschil tussen het gemeentelijke sportverenigingstarief en het tarief van de niet gemeentelijke sportaccommodatie.

Artikel 5:9 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. In afwijking van artikel 7 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 dienen subsidieaanvragen in het kader van deze paragraaf, uiterlijk 8 weken na het vaststellen van het rooster van de sportaccommodaties voor het sportseizoen door Sport050, bij het college te worden ingediend.

  • 2. Een subsidieaanvraag kan alleen ingediend worden als het subsidiebedrag hoger is dan € 100,--.

  • 3. Een subsidieaanvraag kan alleen ingediend worden bij gebruik van minimaal 12 achtereenvolgende weken.

Artikel 5:10 Aanvullende weigeringsgronden

Het college kan een aanvraag voor subsidie voor de compensatie van de huur bij het gebruik van een niet gemeentelijke sportaccommodatie weigeren als de subsidieaanvrager naar het oordeel van het college van een gemeentelijke accommodatie gebruik kan maken.

Artikel 5:11 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt het budget “compensatie huur niet gemeentelijke sportaccommodaties” dat voor het betreffende subsidietijdvak door het college wordt vastgesteld.

  • 2. Bij overschrijding van het subsidieplafond verdeelt het college het budget naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen.

Paragraaf 5.4 Talenthub Groningen

Artikel 5:12 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    Regionaal Trainingscentrum (RTC): een door de betreffende sportbond erkend trainingscentrum, waarbinnen talenten uit de regio (extra) training krijgen met als doel uiteindelijk door te stromen in de landelijke senioren topsportprogramma’s van de sportbonden, dat aan de volgende criteria voldoet:

    • i.

      de trainingen vinden in de gemeente Groningen plaats;

    • ii.

      het programma is door de betreffende sportbond erkend;

    • iii.

      er is sprake van samenwerking tussen RTC en onderwijs;

    • iv.

      er is sprake van cofinanciering van het RTC;

    • v.

      er trainen erkende talenten middels een status vanuit de bond;

    • vi.

      het programma heeft een looptijd van minimaal vier jaar.

  • b.

    talentvereniging: een sportclub waar individuele talenten trainen, die niet onder een RTC vallen. Een talentvereniging wordt gelijkgesteld met een RTC.

  • c.

    talent: een sporter met erkenning middels een door diens sportbond afgegeven status die voldoet aan tenminste twee van de volgende criteria:

    • i.

      de sporter woont in gemeente Groningen;

    • ii.

      de sporter is lid van een sportclub in gemeente Groningen;

    • iii.

      de sporter gaat naar school of studeert in gemeente Groningen.

  • d.

    topsporttraining: training middels een door de betreffende sportbond erkend opleidingsprogramma, waarbij gebruik gemaakt wordt van de door de betreffende sportbond aangewezen begeleiding en faciliteiten voor die specifieke doelgroep. De trainingen worden gegeven door een gekwalificeerde trainer.

  • e.

    gekwalificeerde trainer: een door de betreffende sportbond erkende en gekwalificeerde trainer die door Topsport NOORD is goedgekeurd. De gekwalificeerde trainer is een combinatiefunctionaris die:

    • a.

      talenten coacht in een RTC;

    • b.

      conform het activiteitenprogramma, bedoeld in artikel 5:15 activiteiten/ clinics geeft of doet geven binnen het onderwijs.

  • f.

    penvoerder: de instelling die namens de erkende RTC’s alle correspondentie voert betreffende de subsidieverstrekking als bedoeld in deze paragraaf.

Artikel 5:13 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan subsidie verlenen aan in Groningen gevestigde RTC’s voor topsporttrainingen onder leiding van een gekwalificeerde trainer, waarbij de subsidie kan worden ingezet voor:

    • a.

      het voldoen van de loonkosten van de trainer;

    • b.

      het voldoen van de huurkosten van een accommodatie of het voldoen van de kosten van materialen.

  • 2. Het college erkent maximaal zeven RTC’s in Groningen, op basis van de Lijst Topsport- en Internationale wedstrijdsportdisciplines 2021-2024, zoals door NOC*NSF vastgesteld. Alleen deze kunnen voor subsidie in aanmerking komen.

  • 3. Topsport NOORD adviseert het college in de keuze van de RTC’s.

Artikel 5:14 Subsidie per activiteit

In afwijking van artikel 14 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 bedraagt de subsidie voor de in artikel 5:13 genoemde activiteiten per activiteit maximaal 50% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 5:15 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. De subsidie wordt verstrekt onder de voorwaarde dat tussen de erkende RTC’s en een door deze RTC’s aangewezen penvoerder een samenwerkingsovereenkomst wordt gesloten. In deze overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke taken de deelnemers aan de penvoerder opdragen;

    • b.

      welke verantwoordelijkheden de penvoerder en de deelnemers hebben, zowel gezamenlijk als ieder voor zich;

    • c.

      hoe de subsidie onderling tussen de deelnemers wordt verdeeld;

    • d.

      dat de deelnemers de penvoerder machtigen om namens de deelnemers op te treden;

    • e.

      hoe een deelnemer uit de overeenkomst kan treden;

    • f.

      hoe de gevolgen worden geregeld die het uittreden uit de overeenkomst met zich meebrengen;

    • g.

      dat de overeenkomst inhoudelijk wordt afgestemd met het college.

  • 2. Indien de aanvragers deelnemers in een samenwerkingsverband zijn, wordt de subsidie verstrekt aan de deelnemers gezamenlijk en betaald aan penvoerder om subsidie in de zin van deze nadere regel is opgetreden, hierna te noemen de penvoerder.

  • 3. De aanvraag gaat vergezeld van een activiteitenplan per deelnemer aan het samenwerkingsverband en een begroting voor het de activiteiten per deelnemer.

  • 4. De penvoerder is verantwoordelijk voor de doorbetaling van de subsidie, inclusief eventuele voorschotten, aan de deelnemers in het samenwerkingsverband.

  • 5. Indien de aanvraag een project betreft dat wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband vermeldt de beschikking tot subsidieverlening de hoogte van de verleende subsidie per deelnemer in het samenwerkingsverband.

  • 6. Elke deelnemer in het samenwerkingsverband is tot ten hoogste de verleende subsidie aansprakelijk voor terugbetaling van de subsidie aan de penvoerder, voor zover de subsidieontvangers daartoe verplicht zijn.

  • 7. De penvoerder is aansprakelijk voor de terugbetaling van de subsidie, voor zover de subsidieontvangers daartoe verplicht zijn, aan het college.

  • 8. Met betrekking tot de in artikel 5:13 genoemde activiteiten adviseert Topsport NOORD het college op basis van de volgende informatie:

    • a.

      of er sprake is van cofinanciering van het RTC;

    • b.

      de hoogte van de noodzakelijke kosten van het RTC-programma;

    • c.

      de kwaliteit van de samenwerkingsverbanden ten behoeve van het RTC (bijvoorbeeld onderwijs, medische begeleiding etc.);

    • d.

      het percentage talenten dat een hogere status behaalt en/of doorstroomt naar een vervolgprogramma in de betreffende tak van sport;

    • e.

      het aantal erkende talenten middels een status vanuit de bond dat deelneemt aan het RTC-programma;

    • f.

      de kwaliteit van het trainingsprogramma van het RTC;

    • g.

      de kwaliteit van de trainer;

    • h.

      de toekomstbestendigheid van het RTC.

  • 9. Met betrekking tot de in artikel 5:13 genoemde activiteiten zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

    • a.

      de gekwalificeerde trainer geeft als combinatiefunctionaris minimaal twee activiteiten/clinics binnen het onderwijs of zorgt ervoor dat die geven worden;

    • b.

      bij de subsidieaanvraag wordt een activiteitenprogramma gevoegd, waarin beschreven wordt hoe de gekwalificeerde trainer invulling geeft aan de verplichting onder a;

    • c.

      bij de subsidieaanvraag worden de noodzakelijke kosten van de onder 5:13 genoemde subsidiabele activiteiten afzonderlijk inzichtelijk gemaakt en onderbouwd in een gespecificeerde begroting;

    • d.

      in de subsidieaanvraag wordt aangegeven wat de stand van zaken is van bij derden aangevraagde gelden;

    • e.

      na afloop van de activiteit wordt gerapporteerd over de uitvoering van het activiteitenprogramma.

Artikel 5:16 Subsidieplafond en verdelingsregels

Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

  • 1.

    Voor het totaal van de in artikel 5:13 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2.

    Het beschikbare budget wordt verdeeld op basis van het activiteitenplan bedoeld in artikel 5:15 derde lid.

  • 3.

    Als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden die toegevoegd aan het budget Talenthub Groningen.

Paragraaf 5.5 Bslim bewegingsonderwijs en naschools aanbod

Artikel 5:17 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    Bslim wijken: de Groningse wijken Hoogkerk, Vinkhuizen, Selwerd-Paddepoel-Tuinwijk (SPT), Indische Buurt-De Hoogte (IBDH), Zuid (Corpus Den Hoorn/De Wijert Noord), Beijum, Lewenborg en Oosterparkwijk.

  • b.

    Bslim bewegingsonderwijs: kinderen in het reguliere basisonderwijs krijgen minimaal twee keer in de week kwalitatief goed bewegingsonderwijs, gegeven door een brede vakdocent in een Bslim wijk. De deelnemers worden door de brede vakdocent gestimuleerd lid te worden van een sportclub.

  • c.

    Bslim naschools aanbod: voor jeugd van 4 tot 12 jaar wordt een laagdrempelig buitenschools sport- en beweegaanbod gerealiseerd, begeleid door een brede vakdocent in een Bslim wijk, met als doel dat kinderen meer en veelzijdiger gaan bewegen en sporten, dat overgewicht en bewegingsarmoede afnemen en gezondheid en motorische vaardigheden bij (inactieve)kinderen toeneemt. De deelnemers worden door de brede vakdocent gestimuleerd lid te worden van een sportclub.

  • d.

    Brede vakdocent: een ALO opgeleide docent, met bij voorkeur binnen- en buitenschoolse taken. Op verzoek van de school en na overleg met de gemeente kan deze functie ook worden ingevuld door een groepsleerkracht mét een leergang bewegingsonderwijs.

Artikel 5:18 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan scholen subsidie verlenen voor Bslim bewegingsonderwijs.

  • 2. Het college kan scholen subsidie verlenen voor Bslim naschools aanbod.

Artikel 5:19 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie voor de artikel 5:18, eerste lid genoemde activiteiten bedraagt maximaal € 24.750,- per fte met een maximum van 11,9 fte als deze volledig wordt ingezet op de in artikel 5:18, eerste lid genoemde activiteiten.

  • 2. De subsidie voor de artikel 5:18, tweede lid genoemde activiteiten bedraagt maximaal € 66.000,- per fte met een maximum van 2,77 fte als deze volledig wordt ingezet op de in artikel 5:18, tweede lid genoemde activiteiten.

  • 3. In bijzondere gevallen, te beoordelen door het college, kan het college ten gunste van de subsidieontvanger afwijken van de in dit artikel genoemde maxima.

Artikel 5:20 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Een gezonde actieve leefstijl wordt actief gestimuleerd in het bewegingsonderwijs en het naschools sport- en beweegaanbod.

  • 2. Er wordt gezorgd voor een doorgaande lijn binnen- en buitenschools aanbod.

  • 3. Scholen hebben een visie op en beleid aangaande bewegingsonderwijs, gezonde leefstijl, een gezond schoolklimaat en deskundigheidsbevordering en deze vastgelegd in hun schoolplan.

  • 4. Scholen zorgen ervoor dat de voor bewegingsonderwijs bevoegde leerkrachten en (brede) vakdocenten hun kennis en vaardigheden actueel houden door (bij)scholing.

  • 5. De scholen zorgen ervoor dat er inzicht in de bewegingsactiviteiten, de gezondheid en de motorische vaardigheden van kinderen in de basisschoolleeftijd verkregen wordt middels het leerlingvolgsysteem Volgmij.

  • 6. De scholen zorgen ervoor dat er gewerkt wordt met een werkagenda waarin de organisatie, personeelsbeleid, aansturing en professionalisering van de brede vakdocenten is vastgelegd.

Artikel 5:21 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt maximaal € 294.525,- voor de activiteiten genoemd in artikel 5:18, eerste lid.

  • 2. Het subsidieplafond bedraagt maximaal € 182.820,- voor de activiteiten genoemd in artikel 5:18, tweede lid.

  • 3. Als het totaal van de aanvragen hoger is dan het subsidieplafond, dan wordt de subsidie toebedeeld naar rato van het bedrag van de verschillende subsidieaanvragen.

Paragraaf 5.6 Bslim buurtsport

Artikel 5:22 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    Bslim buurtsport: sport- en beweegaanbod gericht op jeugd van 4 tot 15 jaar met als doel de jeugd die niet of weinig beweegt, te stimuleren tot een sportieve en gezonde leefstijl en kinderen te stimuleren lid te worden van een sportclub.

Artikel 5:23 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan een instelling subsidie verlenen voor de inzet van buurtsportcoaches ter uitvoering van Bslim buurtsportprogramma’s.

  • 2. Het college kan een instelling subsidie verlenen voor de kosten die gemaakt worden voor Bslim buurtsport, anders dan in het eerste lid bedoeld.

Artikel 5:24 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie voor de artikel 5:23 eerste lid genoemde activiteiten bedraagt maximaal het door het college vastgestelde normbedrag per fte met een maximum van 11 fte als deze volledig wordt ingezet op de in artikel 5:23, eerste lid genoemde activiteiten.

  • 2. De subsidie voor de in artikel 5:23, tweede lid genoemde gemaakte kosten bedraagt maximaal het in de begroting opgenomen bedrag.

  • 3. In bijzondere gevallen, te beoordelen door het college, kan het college ten gunste van de subsidieontvanger afwijken van de in dit artikel genoemde maxima.

Artikel 5:25 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het subsidieplafond is gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de aanvragen hoger is dan het subsidieplafond, dan wordt de subsidie toebedeeld naar rato van het bedrag van de verschillende subsidieaanvragen.

Hoofdstuk 6 Cultuur

Paragraaf 6.1 Cultuur algemeen

Artikel 6:1 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan onder:

  • a.

    de cultuurnota:

    de door de gemeenteraad van Groningen vastgestelde, op dit moment geldende cultuurnota;

  • b.

    aanvraagperiode:

    een door het college te bepalen tijdvak waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend voor activiteiten waarvoor op grond van dit hoofdstuk subsidie kan worden verleend;

  • c.

    noodzakelijke:

    kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van activiteiten kosten waarvoor het college op grond van dit hoofdstuk subsidie kan verlenen onder aftrek van de op die activiteiten betrekking hebbende baten, met als minimum de inkomstennorm;

  • d.

    inkomstennorm:

    het percentage van de overheidsbijdragen dat instellingen minimaal aan eigen inkomsten verwerven, zoals publieksinkomsten of sponsoring. Het percentage bedraagt tenminste 21,5%;

  • e.

    eigen inkomsten:

    publieksinkomsten, inkomsten uit particuliere fondsen, overige inkomsten, zijnde

    • 1.

      directe opbrengsten, sponsorinkomsten en overige inkomsten;

    • 2.

      indirecte opbrengsten en

    • 3.

      overige bijdragen.

      • a.

        subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan,

      • b.

        overige bijdragen uit publieke middelen,

      • c.

        rentebaten en

      • d.

        overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap;

  • f.

    kernvoorziening:

    een grote instelling met een breed aanbod voor een breed publiek, een en ander zoals bedoeld in de geldende cultuurnota;

  • g.

    specifieke voorzieningen:

    voor de looptijd van de geldende cultuurnota gesubsidieerde instellingen van zeer verschillende aard, kleinschaliger dan kernvoorzieningen en waarvan het aanbod een aanvulling vormt op dat van de kernvoorzieningen, een en ander zoals bedoeld in de geldende cultuurnota;

  • h.

    amateurkunst:

    een activiteit op het gebied van muziek, dans, toneel, beeldende en audiovisuele kunst en literatuur, beoefend in de vrije tijd, die voor de kunstbeoefenaar geen primaire inkomstenbron oplevert;

  • i.

    kunstvakopleiding:

    elke door de rijksoverheid erkende beroepsopleiding voor kunstenaars op Universitair of HBO niveau;

  • j.

    kunstprofessional:

    vakmatig beoefenaar van kunst en cultuur met professionele kennis en ervaring;

  • k.

    Kunstraad Groningen:

    onafhankelijke instelling die voor de provincie en de gemeente Groningen (onder meer) subsidieaanvragen voor kunst- en:cultuurprojecten beoordeelt en daarover adviseert, dan wel subsidies in mandaat verleent;

  • l.

    [vervallen.]

  • m.

    actieve kunstdeelname:

    het zelf beoefenen van een kunst- of cultuurdiscipline, zoals muziek, dans, toneel, beeldende en audiovisuele kunst en literatuur;

  • n.

    podiumkunsten:

    verzamelnaam voor kunstvormen die een tijdelijk waarneembaar:product opleveren, waarvoor ze afhankelijk zijn van uitvoerende:kunstenaars, bijvoorbeeld toneel, opera, muziek, cabaret en dergelijke;

  • o.

    beeldende kunst:

    verzamelnaam van kunstvormen die een duurzaam, optisch waarneembaar object voortbrengen, dat onafhankelijk van zijn schepper voort bestaat; daarmee is zij tegengesteld aan podiumkunsten; voorbeelden zijn schilderkunst, grafische kunst, film en beeldhouwkunst;

  • p.

    immaterieel erfgoed:

    sporen uit het verleden in het heden, in de vorm van gebruiken, verhalen en gewoonten;

  • q.

    materieel erfgoed:

    sporen uit het verleden in het heden, die zichtbaar en tastbaar aanwezig zijn, zoals voorwerpen in musea, archeologische vondsten, archieven, monumenten en landschappen;

  • r.

    letteren:

    activiteiten die zich richten op de promotie of productie van:literatuur en poëzie of vallen onder de kerntaken van de openbare bibliotheek zoals benoemd in de bibliotheekvisie, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 30 maart 2011;

  • s.

    culturele beurzen:

    Subsidies in de vorm van een geldbedrag voor een door het college uitgeschreven uitdaging, toe te kennen op basis van beoordeling door een jury.

  • t.

    cultuurnota:

    het document met de titel Kunst en Cultuur voor Iedereen, Cultuurnota 2021-2024 zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 18 november 2020.

Artikel 6:2 Relevante procedure

  • 1. Op de paragrafen 6.6 tot en met 6.10 van dit hoofdstuk is de uitgebreide procedure, zoals opgenomen in de verordening van toepassing, waarbij subsidie verleend wordt voor de gehele periode van de geldende cultuurnota. In afwijking van artikel 7, lid 1 van de verordening stelt het college de aanvraagperiode vast.

  • 2. Op de paragrafen 6.2, 6.4 en 6.5 is de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening van toepassing, met de volgende toevoegingen:

    • a.

      de termijn voor het indienen van een aanvraag is altijd 13 weken voor aanvang van de activiteit;

    • b.

      artikel 20 eerste lid van de verordening is van toepassing op alle subsidies die op grond van dit hoofdstuk worden verleend.

  • 3. Op de paragrafen 6.3 en 6.11 van dit hoofdstuk is de lichte procedure, zoals opgenomen in de verordening van toepassing.

Artikel 6:3 Toetsingscriteria

Voor de paragrafen 6.2 en 6.4 geldt als drempelcriterium dat een aanvraag voldoende artistieke kwaliteit moet hebben. Indien dat het geval is, dan worden de volgende toetsingscriteria gehanteerd om te bepalen of een aanvraag in aanmerking komt voor subsidie:

  • a.

    aanvullend op het aanbod;

  • b.

    cultureel ondernemerschap;

  • c.

    deelnemers- en/of publieksbereik;

  • d.

    degelijkheid van de financiële onderbouwing;

  • e.

    stevigheid van de organisatie;

  • f.

    kans van slagen van het project.

Artikel 6:4 Reproductie/openbaarmaking/publiciteit/toegankelijkheid

Voor de incidentele subsidies, zoals bedoeld in paragraaf 6.2 tot en met 6.5 gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    De aanvrager verleent het college indien van toepassing toestemming voor verveelvoudiging of openbaarmaking van beelden of andere reproducties van het project of het kunstobject door middel van beeld- of promotiemateriaal of op welke andere wijze ook.

  • b.

    De subsidieontvanger dient door middel van publiciteit ruchtbaarheid te geven aan de publieke uiting van het project.

  • c.

    De subsidieontvanger is verplicht in zijn publiciteitsuitingen te vermelden dat de activiteit mede tot stand is gekomen dankzij subsidie van de gemeente Groningen. De subsidieontvanger maakt daarbij gebruik van het door het college voorgeschreven logo.

  • d.

    De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat het project toegankelijk is voor het publiek door uitvoering of plaatsing in de openbare ruimte of in een openbaar of voor publiek opengesteld gebouw binnen de provincie Groningen.

Paragraaf 6.2 Incidentele activiteiten cultuur

Artikel 6:5 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan subsidie verlenen als bijdrage aan incidentele activiteiten cultuur die voldoen aan de criteria van artikel 6.3.

Artikel 6:6 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie voor de in het vorige artikel, eerste lid genoemde activiteiten bedraagt maximaal 30% van de noodzakelijke kosten.

  • 2. Een aanvrager kan per kalenderjaar voor maximaal € 20.000 aan subsidie op grond van deze paragraaf in aanmerking komen.

  • 3. Het college kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in lid 2 en 3.

Artikel 6:7 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht een naar het oordeel van het college redelijke financiële eigen bijdrage te leveren aan de uitvoering van de activiteiten.

  • 2. Voor zover van toepassing is de subsidieontvanger verplicht een naar het oordeel van het college redelijk bedrag als entree te heffen van de bezoekers van de activiteit.

  • 3. De subsidieontvanger is verplicht om de relatie aan te geven tussen de activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie wordt gevraagd en zijn reguliere activiteiten als hij daarvoor subsidie ontvangt krachtens een gemeentelijke subsidieregeling of van een derde.

  • 4. De subsidieontvanger die naast de activiteiten waarvoor subsidie krachtens deze paragraaf wordt gevraagd tevens andere activiteiten uitvoert, dient:

    • a.

      bij de aanvraag tot subsidieverlening een begroting te voegen van al zijn baten en lasten tenzij hij deze begroting reeds eerder bij het college heeft ingediend, en

    • b.

      bij de aanvraag tot subsidievaststelling een rekening van al zijn baten en lasten te voegen tenzij hij deze rekening reeds eerder bij het college heeft ingediend.

  • 5. Subsidie wordt alleen verstrekt voor een activiteit, niet voor investeringen in goederen of huisvesting.

Artikel 6:8 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college weigert een aanvraag voor een in artikel 6:5 genoemde activiteit als:

    • a.

      het een project betreft rond materieel erfgoed, behalve als daarin door middel van een actieve scheppingsdaad de verschillende elementen van het verleden in een hernieuwd kader worden vervat en zo een eigen vitale betekenis krijgen;

    • b.

      die activiteit plaatsvindt in het kader van een opleiding van de subsidieontvanger of een publicatie van wetenschappelijke werken en/of leermethoden;

    • c.

      de subsidieontvanger een volgens de cultuurnota structureel gesubsidieerde voorziening is;

    • d.

      de activiteit wordt geïnitieerd door amateurs;

    • e.

      het project ondersteund wordt vanuit het NPG of Toukomst;

  • 2. Het college kan voorts een subsidieaanvraag weigeren:

    • a.

      die primair betrekking heeft op publicaties en beeld- en geluidsdragers die geen uniek kunstwerk betreffen;

    • b.

      als de aanvrager een beroep doet op artikel 6:5, tweede lid niet bereid is om een andere locatie te kiezen voor de uitvoering van het community artproject of de plaatsing van een kunstobject in gevallen dat het algemene belang zich tegen de voorgenomen locatie verzet;

    • c.

      voor zover die betrekking heeft op onderhouds- of instandhoudingskosten van een bestaand kunstobject.

  • 3. Het college kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 6:9 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Per kalenderjaar is het subsidieplafond voor de in artikel 6:5 genoemde activiteiten gelijk aan het daarvoor in de begroting van gemeente en provincie Groningen opgenomen bedrag.

  • 2. Het college kan per kalenderjaar een of meer aanvraagperioden vaststellen.

  • 3. Het college bepaalt jaarlijks voor alle aanvraagperioden de uiterste datum waarop de subsidieaanvraag in bezit moet zijn van het college.

  • 4. Het college kan per aanvraagperiode een deelbudget vaststellen.

  • 5. Het college kan een eventueel overschot op een deelbudget toevoegen aan een deelbudget van een daaropvolgende aanvraagperiode. Dit geldt niet voor de laatste aanvraagperiode van het kalenderjaar.

  • 6. Het college kan een eventueel overschot op een deelbudget ook toevoegen aan een deelbudget dat betrekking heeft op paragraaf 6.4.

  • 7. Het college brengt in de subsidieaanvragen voor de in artikel 6:5 genoemde activiteiten een rangschikking aan waarbij de aanvragen hoger worden gerangschikt naarmate ze:

    • a.

      voor het eerste lid beter voldoen aan de in artikel 6:3 genoemde criteria;

    • b.

      voor het tweede lid beter voldoen aan de in dat lid genoemde criteria.

  • 8. In de afweging van het college wegen de in artikel 6:3 eerder genoemde criteria zwaarder dan later genoemde.

  • 9. Het college kan besluiten om de behandeling van een subsidieaanvraag uit te stellen tot een volgende aanvraagperiode mits het college met in achtneming van de daarvoor geldende termijn de gelegenheid heeft een besluit te nemen voordat de activiteit wordt uitgevoerd.

  • 10. In uitzonderlijke gevallen kan het college gemotiveerd besluiten om subsidie te verlenen voor de in artikel 6:5 genoemde activiteiten in afwijking van de in het zevende lid bedoelde rangschikking.

Paragraaf 6.3 Basissubsidies amateurkunst

Artikel 6:10 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan statutair in de gemeente Groningen gevestigde verenigingen en stichtingen die actief zijn op het gebied van amateurkunst subsidie verlenen in de kosten van deskundige artistieke leiding en de huur van repetitieruimten (basissubsidie).

Artikel 6:11 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten bedraagt 30% van het totaal van de honoraria voor deskundige artistieke leiding en de huur van repetitieruimten met een gezamenlijk maximum van € 1.589,-- per subsidieontvanger per jaar.

Artikel 6:12 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. In afwijking van de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, is de uiterste datum waarop een subsidieaanvraag voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten in bezit moet zijn van het college 1 december van het voorafgaande jaar.

  • 2. De subsidieontvanger dient ten minste 1 maal per jaar een openbare presentatie in de gemeente Groningen te geven. Hiertoe wordt niet gerekend een presentatie, die plaatsvindt in het kader van onderwijs, als onderdeel van een levensbeschouwelijke of politieke bijeenkomst of als onderdeel van een bedrijfsactiviteit.

  • 3. De subsidieontvanger wordt verzocht zich aan te melden bij VRIJDAG huis van de amateurkunst Groningen.

  • 4. Een subsidieontvanger levert naar het oordeel van het college een redelijke eigen bijdrage in de kosten via contributie van de actieve leden en andere inkomstenbronnen.

Toelichting

Artikel 6:12, lid 3

Artikel 6:13 Aanvullende weigeringsgronden

Het college weigert een subsidie:

  • a.

    voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten als de subsidieontvanger statutair niet in de gemeente Groningen is gevestigd;

  • b.

    voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten als subsidieontvanger niet de repetitieruimte in de gemeente Groningen heeft;

  • c.

    voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten als de subsidieontvanger minder dan twee jaar staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

  • d.

    voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten als de subsidieontvanger onderdeel is van of gelieerd is aan rechtspersonen zonder primaire doelstellingen op het gebied van de amateurkunst;

  • e.

    indien de presentaties op grond van artikel 6:12, tweede lid niet in de gemeente Groningen uitgevoerd worden.

Artikel 6:14 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen op basis van artikel 6:10 het subsidieplafond overschrijdt dan worden deze naar evenredigheid over de op tijd ontvangen subsidieaanvragen verdeeld.

Toelichting

Artikel 6:14 Subsidieplafonds en verdelingsregels

[Klik hier om het document te downloaden]

Paragraaf 6.4 Plusregeling amateurkunst

Artikel 6:15 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen aan producties of projecten op het gebied van de amateurkunst die voldoen aan de criteria van artikel 6.3 en die vallen onder:

  • a.

    uitvoeringen, die een mate van bijzonderheid hebben ten opzichte van reguliere uitvoeringen en die zich onderscheiden op het gebied van artistieke kwaliteit, participatie/bereik, samenwerking en/of scholing op niet-individueel niveau;

  • b.

    samenwerkingsprojecten met andere partners uit het amateurveld;

  • c.

    festivals;

  • d.

    inhoudelijke, niet individuele deskundigheidsbevordering (scholing, workshops, trainingen);

  • e.

    investeringen in infrastructuur zoals repetitieruimtes of podia die naar het oordeel van het college ten goede komen aan de totale sector van de brede amateurkunst.

 

Toelichting

Artikel 6:15, onder a en e

Artikel 6:16 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie voor de in artikel 6:15 genoemde activiteiten bedraagt maximaal twee derde deel van de naar het oordeel van het college noodzakelijke kosten.

  • 2. Een aanvrager kan per kalenderjaar voor maximaal € 15.000,-- aan subsidie op grond van deze paragraaf in aanmerking komen.

  • 3. Het college kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in het vorige lid.

Artikel 6:17 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Als de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd een presentatie is, heft de subsidieontvanger een naar het oordeel van het college redelijk bedrag als entreegeld.

  • 2. Als een subsidieontvanger ook subsidie ontvangt op grond van paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk geeft hij in zijn subsidieaanvraag de meerwaarde aan van de activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie wordt gevraagd ten opzichte van zijn overige, door de gemeente Groningen gesubsidieerde activiteiten.

  • 3. Bij de voorbereiding van de activiteiten maakt de subsidieontvanger gebruik van de expertise van ter zake deskundigen. In het activiteitenplan, geeft de subsidieontvanger aan hoe deze voorwaarde zal worden vervuld.

Artikel 6:18 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college weigert een subsidieaanvraag:

    • a.

      als minder dan de helft van de actieve leden en/of actieve deelnemers in de gemeente Groningen woont. Dit dient te worden aangetoond met een door het bestuur gewaarmerkte deelnemers- en/of ledenlijst, dat wil zeggen getekend door tenminste twee bestuursleden;

    • b.

      als de subsidieaanvrager onderdeel is van of gelieerd is aan een of meer rechtspersonen zonder statutaire doelstellingen op het gebied van de amateurkunst;

    • c.

      als de uitvoering niet plaatsheeft in de gemeente Groningen

    • d.

      voor de in artikel 6:15 genoemde activiteiten als subsidieontvanger niet de repetitieruimte in de gemeente Groningen heeft.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren als aan de uitvoerenden voor hun medewerking een financiële vergoeding wordt verstrekt. Deze bepaling geldt niet als de vergoeding voor artistieke leiding wordt verstrekt.

Toelichting

Artikel 6:18, onder a

Artikel 6:19 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:15 genoemde activiteiten bedraagt het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college kan per kalenderjaar meerdere aanvraagperioden vaststellen.

  • 3. Het college kan per aanvraagperiode een deelbudget vaststellen. Het deelbudget van een aanvraagperiode is gelijk aan het subsidieplafond gedeeld door het aantal aanvraagperioden.

  • 4. Het college kan een eventueel overschot op een deelbudget toevoegen aan het deelbudget van de daaropvolgende aanvraagperiode. Dit geldt niet voor de laatste aanvraagperiode van het kalenderjaar.

  • 5. Het college kan een eventueel overschot op een deelbudget ook toevoegen aan een deelbudget dat betrekking heeft op paragraaf 6.2.

  • 6. Het college brengt in de ontvangen subsidieaanvragen een rangorde aan op basis van de in artikel 6:3 genoemde criteria.

  • 7. In de afweging van het college wegen eerder genoemde criteria zwaarder dan later genoemde.

  • 8. Als het totaal van de subsidieaanvragen voor een aanvraagperiode hoger is dan het beschikbare subsidiebudget of hoger dan een deelbudget zoals bedoeld in het derde lid van dit artikel, dan wordt het budget over de aanvragen verdeeld op basis van de rangorde zoals bedoeld in het vijfde lid van dit artikel.

Artikel 6:20 Subsidie in verband met Coronamaatregelen (geldend tot 31 december 2022) 

  • 1. Subsidieontvangers die op basis van deze paragraaf een reguliere/incidentele subsidie ontvangen of potentiële gegadigden die onder de reikwijdte vallen van deze paragraaf kunnen in aanmerking komen voor een subsidie die voorziet in gemaakte extra kosten als gevolg van de coronacrisis-maatregelen.

  • 2. Als subsidiabele kosten worden aangemerkt:

    • -

      door de coronamaatregelen veroorzaakte extra kosten voor de uitvoering van activiteiten (bijvoorbeeld hogere zaalhuur, digitaliseringskosten, publiciteit);

    • -

      compensatie van gederfde inkomsten veroorzaakt door de coronamaatregelen (bijvoorbeeld teruglopende publieksinkomsten of contributiegelden).

  • 4. Bij de aanvraag dient een overzicht te worden meegezonden, met daarin opgenomen een berekening van de feitelijke schade/extra kosten en een kwalitatieve omschrijving van de genomen maatregelen/acties die hebben geleid tot extra kosten of minder inkomsten. Ook dient de aanvrager aan te geven of er uit andere bronnen in verband met de coronacrisis financiële tegemoetkomingen zijn ontvangen ter compensatie.

  • 5. Het maximum bedrag aan subsidie per aanvrager bedraagt € 5000,-, waarbij een mix van kostensoorten, zoals genoemd in lid 2, mogelijk is.

  • 6. Het subsidieplafond is gelijk aan het bedrag dat daartoe in de begroting is opgenomen.

    Indien het totaal van de toe te laten aanvragen dit budget overschrijdt, vindt verlaagde toekenning plaats naar evenredigheid van het aangevraagde subsidiebedrag.

  • 7. In bijzondere gevallen kan het college afwijken van vorenstaande artikelleden.

Paragraaf 6.5 Stimuleringsregeling cultuurparticipatie in de wijk (De wijk als werkplaats) (vervallen zijn de artikelen 6:20 t/m 6:24).

Paragraaf 6.6 Podiumkunsten

Artikel 6:25 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan stichtingen of verenigingen subsidie verlenen voor activiteiten in het kader van de podiumkunsten, zoals bedoeld in de cultuurnota. Hierbij betrekt het college het door de Kunstraad Groningen hierover uitgebrachte advies op basis van de in de cultuurnota genoemde criteria.

Artikel 6:26 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 6:27 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien een nieuwe instelling zich nog niet bewezen heeft, gedurende een cultuurnotaperiode.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien de Kunstraad op basis van artikel 6.25 een negatief advies uitbrengt.

Artikel 6:28 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:25 genoemde activiteiten is gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college verdeelt het in de begroting opgenomen bedrag op basis van het in artikel 6.25 bedoelde advies.

Paragraaf 6.7 Beeldende kunst

Artikel 6:29 Subsidiabele activiteiten

Het college kan stichtingen of verenigingen subsidie verlenen voor activiteiten in het kader van de beeldende kunst, zoals bedoeld in de cultuurnota, met name voor collectievorming, museale presentaties, opdrachten aan aansprekende beeldende kunstenaars, instandhouding collectie of productie. Hierbij betrekt het college het door de Kunstraad Groningen hierover uitgebrachte advies op basis van de in de cultuurnota genoemde criteria.

 

Artikel 6:30 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 6:31 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien een nieuwe instelling zich nog niet bewezen heeft, gedurende een cultuurnotaperiode.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien de Kunstraad op basis van artikel 6.29 een negatief advies uitbrengt.

Artikel 6:32 Subsidieplafond weigeringsgronden

  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:29 genoemde activiteiten is gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college verdeelt het in de begroting opgenomen bedrag op basis van het in artikel 6:29 bedoelde advies.

Paragraaf 6.8 Materieel Erfgoed

Artikel 6:33 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan instellingen subsidie verlenen voor het in stand houden en onder de aandacht brengen van materieel erfgoed, zoals bedoeld in de cultuurnota. Hierbij betrekt het college het door de Kunstraad Groningen hierover uitgebrachte advies op basis van de in de cultuurnota genoemde criteria.

Artikel 6:34 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 6:35 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien een nieuwe instelling zich nog niet bewezen heeft, gedurende een cultuurnotaperiode.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien de Kunstraad op basis van artikel 6.33 een negatief advies uitbrengt.

Artikel 6:36 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:33 genoemde activiteiten is gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college verdeelt het in de begroting opgenomen bedrag op basis van het in artikel 6:33 bedoelde advies.

Paragraaf 6.9 Immaterieel Erfgoed

Artikel 6:37 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan instellingen subsidie verlenen voor het in stand houden en onder de aandacht brengen van immaterieel erfgoed.

 

Artikel 6:38 Subsidie activiteiten

De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 6:39 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

De subsidieaanvraag voor immaterieel erfgoed bevat gegevens over:

  • a.

    het tijdsverloop tussen het subsidiebesluit van het college en de dag dat de activiteit plaatsvindt;

  • b.

    de uiterlijke verschijningsvorm waarbij de subsidieontvanger ingaat op:

    • i.

      het risico van overlast en hinder voor de omgeving;

    • ii.

      risico’s voor de verkeersveiligheid of de veiligheid in het algemeen.

  • c.

    de locatie waar de activiteit plaatsvindt.

Artikel 6:40 Aanvullende weigeringsgronden

Het college kan een subsidieaanvraag voor immaterieel erfgoed weigeren als:

  • a.

    de activiteit naar het oordeel van het college niet voldoende toegankelijk is voor het algemene publiek;

  • b.

    het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien een nieuwe instelling zich nog niet bewezen heeft, gedurende een cultuurnotaperiode.

Artikel 6:41 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:38 genoemde activiteiten is gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld.

Paragraaf 6.10 Letteren

Artikel 6:42 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan instellingen subsidie verlenen voor activiteiten in het kader van de letteren, zoals bedoeld in de cultuurnota en/of de bibliotheekvisie. Hierbij betrekt het college het door de Kunstraad Groningen hierover uitgebrachte advies op basis van de in de cultuurnota genoemde criteria.

Artikel 6:43 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 6:44 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien een nieuwe instelling zich nog niet bewezen heeft, gedurende een cultuurnotaperiode.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien de Kunstraad op basis van artikel 6.42 een negatief advies uitbrengt.

Artikel 6:45 Subsid0ieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:42 genoemde activiteiten is gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college verdeelt het in de begroting opgenomen bedrag op basis van het in artikel 6:42 bedoelde advies.

Paragraaf 6.11 Culturele beurzen

Artikel 6:46 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan subsidie verlenen, in de vorm van een beurs, naar aanleiding van een prijsvraag of als stipendium. De volgende beurzen komen voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      Hendrik de Vriesstipendium;

    • b.

      George Verbergstipendium;

    • c.

      Andrea Elkenbrachtfonds;

    • d.

      Stadsdichter;

    • e.

      Stipendium Samenleven met cultuur.

  • 2. Om in aanmerking te komen voor subsidie dient voldaan te worden aan de bij uitschrijving van de beurs relevante criteria.

  • 3. De subsidie wordt toegekend op basis van beoordeling door een jury.

Artikel 6:47 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

 

Artikel 6:48 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

Het subsidiebedrag dient aangewend te worden voor de realisering van een kunstuiting van de subsidieontvanger, zoals bedoeld in de regels van de relevante culturele beurs.

Artikel 6:49 Aanvullende weigeringsgronden

Het college verleent geen subsidie, indien de inzendingen voor de beurs naar het oordeel van de jury van onvoldoende kwaliteit zijn.

Paragraaf 6:12 Activiteiten Groninger Forum

Artikel 6:50 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 6.1 wordt voor de toepassing van de paragraaf 6.12 verstaan onder:

Groninger Forum

:

Een openbare, multifunctionele cultuurinstelling in Groningen, met een vernieuwende interdisciplinaire programmering.

Artikel 6:51 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan subsidie verlenen voor een integraal aanbod van de volgende activiteiten in één publieks- en cultuurinstelling (Groninger Forum), op het gebied van:

    • a.

      de voorbereiding van de opening van het Groninger Forum;

    • b.

      ontmoeting en debat;

    • c.

      kennis en informatie;

    • d.

      lezen en literatuur;

    • e.

      leesbevordering;

    • f.

      film;

    • g.

      cultuur educatie;

    • h.

      netwerktaken zoals omschreven in de Bibliotheekvisie;

    • i.

      culturele activiteiten.

  • 2. Het college houdt bij de verlening van subsidie op basis van het eerste lid onder b. tot en met i. rekening met het door de Kunstraad Groningen hierover uitgebrachte advies.

  • 3. De Kunstraad Groningen houdt in zijn advies aan het college rekening met de in de cultuurnota genoemde criteria, alsmede met de volgende toetsingscriteria:

    • a.

      aanvullend op het aanbod;

    • b.

      cultureel ondernemerschap;

    • c.

      deelnemers- en/of publieksbereik;

    • d.

      degelijkheid van de financiële onderbouwing;

    • e.

      stevigheid van de organisatie;

    • f.

      kans van slagen van het project.

Artikel 6:52 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 6:51 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 6:53 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Met betrekking tot de subsidie op basis van de Nadere regel zijn de volgende bepalingen van toepassing. De subsidieontvanger stelt een jaarlijks te actualiseren integraal activiteitenplan op. Dat moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      gegevens over de deelname aan de activiteiten;

    • c.

      gegevens over de eigen bijdrage van de deelnemers aan de activiteiten;

    • d.

      gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd

    • e.

      een beschrijving van welk percentage van de inkomsten uit eigen inkomsten afkomstig is.

    • f.

      De subsidieontvanger dient vrijwilligersbeleid te formuleren.

    • g.

      De subsidieontvanger dient vrijwilligers die actief zijn binnen de organisatie, alsmede inwoners te betrekken bij zowel bij de ontwikkeling als bij de uitvoering van activiteiten en programma’s.

    • h.

      De subsidieontvanger dient goede bereikbaarheidsinformatie op te nemen in diens marketinguitingen (zowel in print als online) en zich in te spannen om alle informatie ook zo goed mogelijk beschikbaar maakt voor mensen met een auditieve of visuele beperking en anderstaligen (in elk geval Engels en Duits).

  • 2. Met betrekking tot de subsidie op basis van de Nadere regel zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

    • a.

      De subsidieontvanger dient tot aan de opening jaarlijks gemiddeld 5% van de toegekende subsidie te reserveren voor het opbouwen van voldoende weerstandsvermogen;

    • b.

      De subsidieontvanger rapporteert driemaandelijks aan het college over de activiteiten genoemd in artikel 6:51 lid 1 onder a.

    • c.

      In het kader van het vorige sub lid zorgt de subsidieontvanger voor een sluitende exploitatie en adequate governance en rapporteert daar over aan het college.

Artikel 6:54 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag voor de in artikel 6:51 bedoelde activiteiten weigeren als er onvoldoende vorderingen in verband met de in artikel 6:51 lid 1 onder a. bedoelde activiteiten wordt geconstateerd.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) weigeren indien de Kunstraad op basis van artikel 6.51 lid 2 een negatief advies uitbrengt.

  • 3. Het college kan een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) weigeren indien niet wordt voldaan aan de verplichting zoals genoemd in artikel 6:53 lid 2 onder a.

  • 4. Het college kan een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) weigeren indien de subsidieontvanger niet voldoet aan de Code Cultural Governance.

  • 5. Het college kan een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) weigeren indien de subsidieontvanger niet voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in de Kadernota Cultuur Ruimte voor vernieuwing, vernieuwing voor ruimte ten aanzien van cultureel ondernemerschap.

  • 6. Het college kan een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) weigeren indien er onvoldoende weerstandsvermogen opgebouwd wordt.

  • 7. Het college kan een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) weigeren indien het integraal activiteitenplan te weinig kwaliteit heeft.

Artikel 6:55 Subsidieplafond

Voor het totaal van de in artikel 6:51 lid 1 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

Artikelgewijze toelichting

Artikelgewijze toelichting

Paragraaf 6.13 Cofinancieringsfonds

Artikel 6:56 Relevante procedure

[vervallen]

Artikel 6:57 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor projecten die sector overstijgend zijn op het gebied van cultuur en ruimtelijke ordening of cultuur en maatschappij.

Artikel 6:58 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 75% van de noodzakelijke kosten. 

  • 2. Een aanvrager kan per kalenderjaar voor maximaal € 30.000 aan subsidie op grond van deze paragraaf in aanmerking komen.

  • 3. Het college kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in het vorige lid.

Artikel 6:59 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. De activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan de strategieën zoals genoemd in de cultuurnota en aan één of meer van de onderstaande voorwaarden te voldoen:

    • a.

      Door middel van kunst en cultuur een bijdrage te leveren aan maatschappelijke vraagstukken bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid, zorg en sociale cohesie.

    • b.

      Door middel van culturele activiteiten in de openbare ruime een bijdrage leveren aan gebiedsontwikkeling en het vergroten van het publieksbereik van de culturele sector.

  • 2. De subsidieontvanger is verplicht:

    • a.

      een naar het oordeel van het college redelijke financiële eigen bijdrage te leveren aan de uitvoering van de activiteiten evenals een redelijke bijdrage van derden.

    • b.

      voor zover van toepassing een naar het oordeel van het college redelijk bedrag als entree te heffen van de bezoekers van de activiteit.

    • c.

      om de relatie aan te geven tussen de activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie wordt gevraagd en zijn reguliere activiteiten als hij daarvoor subsidie ontvangt krachtens een gemeentelijke subsidieregeling of van een derde.

  • 3. De subsidieontvanger die naast de activiteiten waarvoor subsidie krachtens deze paragraaf wordt gevraagd tevens andere activiteiten uitvoert, dient:

    • a.

      bij de aanvraag tot subsidieverlening een begroting te voegen van al zijn baten en lasten tenzij hij deze begroting reeds eerder bij het college heeft ingediend, en

    • b.

      bij de aanvraag tot subsidievaststelling een rekening van al zijn baten en lasten te voegen tenzij hij deze rekening reeds eerder bij het college heeft ingediend.

  • 4. Subsidie wordt alleen verstrekt voor een activiteit, niet voor investeringen in goederen of huisvesting.

Artikel 6:60 Aanvullende weigeringsgronden

Het college kan een subsidieaanvraag weigeren als de activiteiten gericht zijn op het behalen van winst.

Artikel 6:61 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Per kalenderjaar is het subsidieplafond voor de in artikel 6:57 genoemde activiteiten gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college verdeelt het subsidiebedrag over de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie op volgorde van binnenkomst.

Toelichting

Toelichting

Paragraaf 6.14 Vernieuwingsfonds

Artikel 6:62 Relevante procedure

In afwijking van artikel 13 ASV worden aanvragen om subsidieverlening ingediend uiterlijk 8 weken voor de aanvang van de activiteiten.

Artikel 6:63 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan de strategieën genoemd in de cultuurnota. Deze paragraaf heeft betrekking op nieuwe initiatieven die niet op grond van paragraaf 6.13 Cofinancieringsfonds voor subsidie in aanmerking komen.

Artikel 6:64 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten met een maximum van € 20.000,- per aanvrager.

  • 2. Het college kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in het vorige lid.

Artikel 6:65 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

Om voor een subsidie op grond van deze paragraaf in aanmerking te komen moet de activiteit of de aanvrager een positief advies van de Kunstraad Groningen hebben.

Artikel 6:66 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Per kalenderjaar is het subsidieplafond voor de in artikel 6:63 genoemde activiteiten gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college kan per kalenderjaar een of meer aanvraagperioden vaststellen.

  • 3. Het college bepaalt jaarlijks voor alle aanvraagperioden de uiterste datum waarop de subsidieaanvraag in bezit moet zijn van het college.

  • 4. Het college kan per aanvraagperiode een deelbudget vaststellen.

  • 5. Het college kan een eventueel overschot op een deelbudget toevoegen aan een deelbudget van een daaropvolgende aanvraagperiode. Dit geldt niet voor de laatste aanvraagperiode van het kalenderjaar.

  • 6. Het college verdeelt het subsidiebedrag over de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie op basis van welke subsidieaanvragen het beste voldoen aan artikel 6:63.

Toelichting

Toelichting

Paragraaf 6.15 Pronkjewail Fonds

[vervallen]

Paragraaf 6.16 Tijdelijke regeling culturele instellingen COVID-19

[vervallen]

Paragraaf 6.17 Tweejarige bewezen talentregeling

Artikel 6:83 Doel van de regeling

  • 1. De regeling biedt de mogelijkheid een subsidie te verstrekken voor initiatieven van beginnende professionele kunstenaars om hen in de gelegenheid te stellen een eigen signatuur te ontwikkelen en zo een betekenisvolle bijdrage leveren aan de hedendaagse kunst in de gemeente Groningen. Door te kunnen experimenteren en “vlieguren” te maken, wordt de kans op een beroepspraktijk vergroot, het oeuvre gestimuleerd en het zichtbaarheid en cultureel ondernemerschap vergroot.

  • 2. De regeling is beschikbaar voor initiatieven op het gebied van de podiumkunsten (dans, muziek, theater), beeldende kunst, literaire en audiovisuele kunst, of combinaties daarvan.

  • 3. De aanvrager richt zich met de activiteiten op publiek.

Artikel 6:84 Relevante procedure

  • 1. Subsidie op grond van deze paragraaf wordt verstrekt voor een periode van twee jaar.

  • 2. Voor deze paragraaf geldt dat het college zich laat adviseren door de Kunstraad over de aanvragen.

  • 3. De wijze waarop de Kunstraad tot het advies komt, waaronder in ieder geval de door de Kunstraad gevolgde systematiek, zal de Kunstraad tijdig, dat wil zeggen in ieder geval voor de aanvang van de indieningstermijn van de aanvragen als bedoeld in het zevende lid, op de website van de Kunstraad bekendmaken.

  • 4. Om versnippering van het beschikbare budget te voorkomen wordt per subsidietijdvak van twee jaar zoals bedoeld in het eerste lid aan maximaal drie initiatieven subsidie verstrekt.

  • 5. De Kunstraad zal in de wijze waarop zijn advies tot stand komt als bedoeld in het derde lid, tevens bekend maken op welke wijze de maximaal drie initiatieven worden geselecteerd om te worden voorgedragen voor subsidie.

  • 6. Indien het college voornemens is af te wijken van het advies van de Kunstraad, zal het college dit voornemen eerst bespreken met de Kunstraad.

  • 7. In afwijking van artikel 7 ASV, besluit het college wanneer en hoelang deze regeling wordt opengesteld voor het indienen van aanvragen. Dit besluit wordt bekend gemaakt op overheid.nl

Artikel 6:85 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verstrekken aan culturele instellingen of initiatieven die naar de mening van het college zoveel talent hebben dat met ondersteuning van een subsidie op grond van deze regeling een eigen signatuur kan worden ontwikkeld en de kans vergroot dat het talent tot wasdom komt.

Artikel 6:86 Subsidie per activiteit

De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 80.000 per twee jaar per aanvrager.

Artikel 6:87 Eisen aan de aanvraag

De aanvraag omvat, naast de vereisten van de ASV, in ieder geval:

  • 1.

    Activiteitenplan:

    • a.

      Een overzicht van de door de subsidieontvanger voorgenomen activiteiten, uit te voeren binnen de periode.

    • b.

      De te subsidiëren activiteiten dienen in overwegende mate gericht te zijn op de gemeente of haar ingezetenen en dragen bij aan de gemeentelijke doelstellingen zoals geformuleerd in de kadernota cultuur 2021-2028.

    • c.

      De activiteiten dienen uitgevoerd te worden door en/of onder begeleiding van professionele kunstenaars.

  • 2.

    Begroting:

    • a.

      Een op activiteiten gerichte begroting (productbegroting) van de kosten en de inkomsten van deze activiteiten, waaruit duidelijk blijkt waarvoor de subsidie wordt aangewend.

    • b.

      Een bijdrage van maximaal € 80.000 voor 2 jaar, als tegemoetkoming voor projecten en activiteiten (minimaal 2/3 van de begroting) en in materiaal, huisvesting, tijd en diensten van derden (maximaal 1/3 van de begroting).

    • c.

      De begroting bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten (dekkingsplan) en indien van toepassing een opgave van de gehanteerde uurtarieven en overheadkosten en de wijze waarop deze zijn opgebouwd.

    • d.

      Minimaal 21,5% van de totale inkomsten dient door eigen inkomsten gefinancierd te worden. Onder eigen inkomsten wordt verstaan:

      • i.

        directe opbrengsten, sponsorinkomsten en overige inkomsten;

      • ii.

        indirecte opbrengsten;

      • iii.

        subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan;

      • iv.

        overige bijdragen uit publieke middelen;

      • v.

        rentebaten;

      • vi.

        overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap;

      • vii.

        bijdrage in natura worden niet gerekend tot inkomsten.

Artikel 6:88 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Voor een subsidie op basis van deze regeling kan slechts in aanmerking komen de organisatie of natuurlijke persoon die:

    • a.

      overwegend of in belangrijke mate activiteiten ontplooit in de Gemeente Groningen;

    • b.

      als doel heeft het uitvoeren van professionele kunsten voor publiek;

    • c.

      hierbij geen winstoogmerk heeft;

    • d.

      waarvan de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet zonder subsidie kunnen worden gerealiseerd en waar de markt niet in kan voorzien;

    • e.

      aantoonbaar kwaliteit heeft (diploma’s, CV, talententraject of adhesieverklaring);

    • f.

      niet eerder een subsidie op grond van deze paragraaf heeft ontvangen;

    • g.

      indien de aanvrager een rechtspersoon is: deze instelling of organisatie niet ouder is dan vijf jaar, blijkend uit de datum van inschrijving bij de Kamer van Kophandel;

    • h.

      de natuurlijke persoon of personen aan wie de subsidie ten goede komt, is of zijn niet ouder dan 35 jaar; blijkend uit een kopie van een geldig identiteitsbewijs;

    • i.

      over aantoonbare artistieke en inhoudelijke kwaliteit beschikt om bij te dragen aan de beleidsdoelen genoemd in de Cultuurnota. Onder artistieke en inhoudelijke kwaliteit wordt verstaan zeggingskracht, vernieuwing, vakmanschap en authenticiteit;

    • j.

      een artistiek inhoudelijke visie heeft, die aanvullend is op het huidige aanbod in de culturele infrastructuur;

    • k.

      die wat activiteiten betreft aansluit op talentontwikkelingstrajecten zoals bv. Station Noord, Hit en Up North, of een adhesiebetuiging van een Groninger culturele instelling wanneer er geen talententraject is.

  • 2. Bij de beoordeling van de aanvragen wordt het volgende betrokken:

    Toepassing landelijke codes

    • a.

      De aanvrager past de Code Cultural Governance toe en geeft aan op welke manier dat gebeurt.

    • b.

      De aanvrager past de Fair Practice Code toe en geeft aan op welke manier dat gebeurt.

    • c.

      De aanvrager past de Code Culturele diversiteit toe of legt uit op welke manier deze al dan niet wordt toegepast (‘pas toe OF leg uit’).

  • 3. Visie op de brede maatschappelijke functie van de organisatie

    De aanvrager heeft een visie op welke manier de activiteiten bijdragen aan de maatschappelijke opgaves in de gemeente Groningen, zoals participatie, leefbaarheid, economie en welzijn.

  • 4. Publieksbereik, toegankelijkheid en educatie

    De aanvrager heeft een visie op welke publieksdoelgroepen de organisatie wil bereiken en op welke manier(en) dit gebeurt (bijvoorbeeld marketing, educatie, prijsbeleid, toegankelijkheid voor mensen met een beperking).

Artikel 6:89 Aanvullende weigeringsgronden

  • 1. Het college weigert subsidie indien de aanvrager niet voldoet aan de drempelvereisten van artikel 6:87 en artikel 6:88, eerste lid onder a. tot en met h.

  • 2. Het college weigert de subsidie indien de aanvragers onvoldoende scoren om bij de beste drie aanvragen te komen op basis van de systematiek die de Kunstraad hanteert bij het uitbrengen van zijn advies.

  • 3. Het college kan de subsidie weigeren, indien naar het oordeel van het college het advies van de Kunstraad niet voldoet aan de daar aan te stellen eisen van zorgvuldigheid, transparantie en deskundigheid.

  • 4. In afwijking van het eerste lid, kan het college de subsidie tevens weigeren indien naar het oordeel van het college het advies van de Kunstraad tot een voordracht voor subsidie is gekomen die onvoldoende ondersteuning vindt in de aan het advies ten grondslag liggende aanvragen.

Artikel 6:90 Subsidieplafond en verdeelregels

  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:85 genoemde activiteiten bedraagt het daarmee in de begroting corresponderende bedrag.

  • 2. Indien het totaal aangevraagde subsidiebedrag hoger is dan het in het eerste lid bedoelde bedrag, zal het beschikbare bedrag evenredig worden verdeeld over de maximaal drie initiatieven bedoeld in artikel 6:84, vierde lid.

Artikel 6:91 Eisen aan de aanvraag

[vervallen]

Artikel 6:92 Kwaliteit van de organisatie

  • [vervallen]

Paragraaf 6.18 [vervallen]

Artikel 6.93 Doel van de regeling

[vervallen]

Artikel 6.94 Toetsingscriteria

[vervallen]

Artikel 6.95 Budget

[vervallen]

Artikel 6.96 Subsidieplafond

[vervallen]

Artikel 6.97 Looptijd

[vervallen]

Paragraaf 6.19 Tijdelijke subsidieregeling Snelloket cultuur

[vervallen]

Paragraaf 6.20 Regeling lokale instellingen Steunpakket Cultuur

[vervallen]

Paragraaf 6.21 Nadere regel Noodfonds Culturele Ondernemers

[vervallen]

Hoofdstuk 7 Verkeer (RO/EZ)

Paragraaf 7.1 Openbaar toegankelijke oplaadpunten voor elektrische auto’s

Vervallen

Hoofdstuk 8 Wonen (RO/EZ/MD)

Paragraaf 8.1 Milieu en duurzaamheid

(vervallen)

Paragraaf 8.2 Energiescans

(vervallen)

Paragraaf 8.3 Schoonmaakacties

Artikel 8:15 Begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    ingezetenen: alle natuurlijke personen en rechtspersonen die woonachtig dan wel gevestigd zijn in de gemeente Groningen;

  • b.

    openbare ruimte: de gemeenschappelijke, publieke ruimte waaronder in ieder geval wordt verstaan: openbare wegen, openbare wateren en openbaar groen;

  • c.

    LenteKriebels: schoonmaakacties door ingezetenen, gericht op het verbeteren van de eigen leefomgeving en die plaatsvinden in de periode maart en april.

Artikel 8:16 Subsidiabele activiteiten

Het college kan (een groep van) ingezetenen subsidie verstrekken voor allerhande schoonmaakacties in het kader van LenteKriebels, die geheel in de openbare ruimte plaatsvinden.

Artikel 8:17 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie in het kader van LenteKriebels bedraagt maximaal € 200,- per schoonmaakactie, per groep van ingezetenen.

  • 2. De hoogte van de subsidie per schoonmaakactie bedraagt € 5,- per deelnemer.

  • 3. Per kalenderjaar kan de subsidie aan dezelfde (groep van) ingezetenen slechts eenmaal verstrekt worden.

Artikel 8:18 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. In afwijking van artikel 7 van de Verordening, dient de subsidieaanvraag 2 weken vóór aanvang van de voor het lopende kalenderjaar vastgestelde LenteKriebels periode zijn ingediend bij het college.

  • 2. In afwijking van artikel 8:15 onder c. kan het college bepalen dat bij uitzondering ook buiten de genoemde periode schoonmaakacties voor subsidie in aanmerking komen.

  • 3. Voor de subsidieaanvraag moet gebruik worden gemaakt van het door het college vastgestelde aanvraagformulier.

Artikel 8:19 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor de in artikel 8:16 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen het subsidieplafond overschrijdt, wordt het in het eerste lid bedoelde bedrag naar evenredigheid over de op tijd ontvangen subsidieaanvragen verdeeld.

Paragraaf 8.4 Subsidie oud papier

Artikel 8:21 Begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    grantieprijs: door het college vastgestelde prijs per kilogram ingezameld oud papier, die aan inzamelaars wordt betaald op het moment dat de marktprijs lager is dan de garantieprijs;

  • b.

    marktprijs: prijs die door het papier inzamelend en/of verwerkend bedrijf aan de Milieudienst wordt betaald;

  • c.

    inzamelaar: inzamelaar van oud papier die beschikt over een geldige inzamelvergunning ex artikel 11, eerste lid van de Afvalstoffenverordening van de gemeente Groningen

  • d.

    paier inzamelend en/of papier verwerkend bedrijf: het bedrijf dat het transport en de inzameling van door inzamelaars aangeleverd oud papier verzorgt, welk bedrijf op dat moment een contract heeft met ARCG;

  • e.

    inzameloverzicht: een door het papier inzamelend en verwerkend bedrijf verstrekt overzicht van het door de inzamelaar ingezameld papier.

Artikel 8:22 Relevante procedure

Op deze paragraaf is de lichte procedure zoals opgenomen in de verordening van toepassing.

Artikel 8:23 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan een inzamelaar subsidie verstrekken voor de inzameling van oud papier.

Artikel 8:24 Subsidie per activiteit

  • 1. Subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantieprijs: indien de marktprijs op een bepaald moment lager is dan de door het college vastgestelde garantieprijs, wordt de garantieprijs uitgekeerd.

  • 2. Voor het bepalen van de marktprijs wordt uitgegaan van de datum van de weegbon.

  • 3. De garantieprijs, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks door het college vastgesteld.

Artikel 8:25 Bijzondere bepalingen/verplichtingen subsidieaanvraag en betaling

  • 1. In afwijking van het bepaalde in de verordening, geldt het door het oud papier inzamelend en/of verwerkend bedrijf verstrekte inzameloverzicht als subsidieaanvraag.

  • 2. De hoeveelheid ingezameld oud papier wordt bepaald door het papier inzamelend en/of papier verwerkend bedrijf.

  • 3. Een kopie van het inzameloverzicht wordt aan het college verstrekt en dient als basis voor de eventueel te subsidiëren hoeveelheid ingezameld oud papier.

  • 4. De subsidie wordt aan de inzamelaar betaald door het papier inzamelend en/of verwerkend bedrijf.

Paragraaf 8.5 Klimaatadaptatie

Artikel 8:26 Begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    dakconstructie: samenstelling van balken (hout of staal), regels en bebording die sterk genoeg is om de dakbedekking van een gebouw te dragen en de wind-/regen-/ en sneeuwbelasting op te vangen. De dakconstructie dient zodanig te zijn dat deze beloopbaar is voor onderhoud en inspectie;

  • b.

    gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

  • c.

    groene daken: daken, met een vegetatiepakket, dat is opgebouwd uit een wortelkerende laag, een drainagelaag, een substraatlaag en een vegetatielaag met droogteresistente soorten, en die geen gebruiksfunctie hebben. De belasting ligt tussen de 20 en 200 kg/m2;

  • d.

    afgekoppeld dakoppervlak: oppervlak dat niet langer op het vuilwaterriool loost;

  • e.

    groenoppervlak: levend groen door beplanting en bijpassende ondergrond, met de bodem of dakconstructie verbonden;

  • f.

    klimaatrobuuste bomen: een boom met een positieve bijdrage aan klimaat, waterhuishouding, luchtkwaliteit en biodiversiteit en is opgenomen in de tabel Soortenlijst bomen en klimaatadaptatie van Wageningen University & Research. De lijst is opgenomen in bijlage 1;

  • g.

    groene muur: geheel van in de volle grond aangebrachte planten die, eventueel met geleiding of ondersteuning, tegen gevels aan groeien;

  • h.

    aanvraagperiode: periode waarbinnen de subsidie kan worden aangevraagd, start op 15 januari en eindigt op 30 juni.

Artikel 8:27 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Een eenmalige subsidie kan worden verstrekt voor het toevoegen van groenoppervlak, waterberging of afgekoppeld dakoppervlak.

  • 2. De activiteiten komen uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien:

    • a.

      het te realiseren groenoppervlakte op daken ten minste 6 m² bedraagt, waarbij geldt dat het groenoppervlak op daken een waterbergend vermogen heeft van minimaal 30 liter per m².

    • b.

      het af te koppelen oppervlak ten minste 20 m² bedraagt en het hemelwater van het afgekoppeld oppervlak vertraagd wordt afgevoerd.

    • c.

      de te realiseren waterberging:

      • 1.

        ten minste één kubieke meter bedraagt;

      • 2.

        een afvoer heeft;

      • 3.

        ten minste vijftien m² verhard oppervlak per kubieke meter waterberging aansluit;

    • d.

      het te realiseren groenoppervlak op maaiveld ten minste 20 m² bedraagt

    • e.

      de te realiseren groene muur een beoogd oppervlak van ten minste 5 m² heeft;

    • f.

      de aan te planten (een of meerdere) klimaatrobuuste bomen een minimale stamomtrek van zestien cm heeft op één meter boven maaiveld.

  • 3. Geen subsidie wordt verstrekt aan gebouwen uit nieuwbouwprojecten die in gebruik zijn genomen vanaf 1 januari 2022 of braakliggende terreinen.

  • 4. Scholen kunnen alleen gebruik maken van de regeling voor het onderdeel Groene Daken als bedoeld in het tweede lid onder a.

Artikel 8:28 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie bedraagt nooit meer dan de werkelijke kosten of de begrote kosten en is maximaal:

    • a.

      € 25,- per m2 voor het vergroenen van dakoppervlakken van 6 tot 200 m²;

    • b.

      € 10,- per m2 voor het vervangen van verharding door groen op maaiveld met een minimum oppervlak van 20 m²;

    • c.

      € 250 per toegevoegde kubieke meter waterberging;

    • d.

      € 10,- per m² voor het afkoppelen van dakoppervlak met een minimum oppervlak van 20 m²;

    • e.

      € 20,- per m² voor het beoogde oppervlakte groene muur van ten minste 5 m²;

    • f.

      € 50,- per aangeplante boom met een minimale omtrek van 16 cm op één meter boven de grond.

  • 2. De subsidie bedraagt per aanvraag minimaal € 200,- en maximaal € 5.000,- voor één of meerdere van de onder artikel 8.27 lid 2 beschreven activiteiten.

  • 3. Per adres kan slechts één aanvraag per aanvraagperiode worden ingediend.

Artikel 8:29 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. In afwijking van artikel 7, eerste lid ASV worden aanvragen ingediend in de periode vanaf 15 januari tot 30 juni.

  • 2. Subsidie wordt slechts verstrekt als voldaan wordt aan de volgende verplichtingen:

    • a.

      voor het aanvragen van de subsidie moet gebruik gemaakt worden van de door het college vastgestelde formulieren;

    • b.

      het gebouw en/of perceel waarvoor subsidie wordt aangevraagd is gelegen in de gemeente Groningen;

    • c.

      de aanvrager is de eigenaar van het gebouw of de gebouwen, of huurder van het gebouw of gebouwen en de huurder overlegt een akkoordverklaring van de eigenaar voor de aanleg.

  • 3. Bij de aanvraag dienen de volgende gegevens te worden overgelegd:

    • a.

      een gespecificeerde begroting of offerte van de kosten;

    • b.

      voor het onderdeel groene daken als bedoeld in het tweede lid onder a, geldt dat in de offerte duidelijk aangegeven is wat het waterbergend vermogen is in de nieuwe situatie in l/m²;

    • c.

      een situatietekening op schaal;

    • d.

      de subsidieverkrijger stuurt een foto van de situatie na het treffen van de klimaatadaptieve maatregel;

    • e.

      een bouwvergunning of een monumentenvergunning, indien vereist;

  • 4. Het ontwerp, de aanleg en de instandhouding van de klimaatadaptieve maatregelen wordt deugdelijk en zorgvuldig uitgevoerd.

  • 5. De getroffen klimaatadaptieve maatregelen zoals aangegeven in artikel 8:27 lid 2 worden ten minste tien jaar in stand gehouden.

  • 6. Het college kan de subsidieverlening intrekken indien blijkt dat de activiteiten niet binnen één jaar na de datum van verlening van de subsidie zijn uitgevoerd.

  • 7. Voor klimaatadaptieve maatregelen die maximaal 1 jaar voor de datum van de aanvraag zijn uitgevoerd kan (ook) subsidie aangevraagd worden.

  • 8. Het college kan naar aanleiding van de aanvraag om vaststelling van de subsidie controle verlangen van de klimaatadaptieve maatregel. De aanvrager van de subsidie zal hiertoe de benodigde medewerking verlenen.

  • 9. In geval uit controle naar de uitvoering van de klimaatadaptieve maatregelen naar het oordeel van het college is gebleken dat de klimaatadaptieve maatregel niet, niet geheel conform de aanvraag of ondeskundig is aangelegd, kan:

    • a.

      in het geval er een subsidieverlening heeft plaatsgevonden de subsidie op een lager bedrag of op € 0 worden vastgesteld en reeds betaalde subsidie worden teruggevorderd.

    • b.

      in het geval de subsidie direct is vastgesteld kan de subsidievaststelling worden ingetrokken of gewijzigd. Reeds betaalde subsidie kan worden teruggevorderd.

  • 10. In afwijking van artikel 17, eerste lid ASV stelt het college binnen 8 weken de hoogte van de subsidie vast.

  • 11. In afwijking van artikel 20, eerste lid ASV wordt de vastgestelde subsidie binnen zes weken uitgekeerd aan de aanvrager.

Artikel 8:30 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het college kan de subsidie voor het realiseren van een groen dak of een groene gevel aan panden met een monumentale status of een beeldbepalende waarde weigeren indien het pand naar het oordeel van het college zichtbare gevolgen heeft voor de beeldbepalende waarde van het pand.

Artikel 8:31 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 8:27 genoemde activiteiten per kalenderjaar is € 470.000,- waarbij de volgende onderverdeling wordt gehanteerd:

    • a.

      een subsidieplafond van € 270.000 betreffende de activiteiten onder artikel 8:27, lid 2a,;

    • b.

      een subsidieplafond van € 200.000 betreffende de activiteiten onder artikel 8:27 lid 2b, 2c, 2d, 2e en 2f; waarvan € 100.000 bestemd is voor woningbouwcorporaties;

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het beschikbare (deel)budget, dan wordt dat (deel)budget over de op tijd ingediende en complete aanvragen verdeeld op volgorde van binnenkomst.

Paragraaf 8.6 Onderhoud authentieke schepen Noorderhaven

Artikel 8.32 Begripsbepalingen

In aanvulling op het in artikel 1 van de verordening bepaalde wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

authentiek schip:

een authentiek schip als bedoeld in artikel 1 van de Verordening openbaar vaarwater 2006;

onderhoudskosten:

kosten voor het in goede staat brengen en houden van het (on)zichtbare deel van een authentiek schip gelegen in de Noorderhaven;

vaarklaar:

een schip dat zelfstandig kan varen zoals het is ontworpen of door een passende aanpassing van het schip; daarvoor moet er een voorziening voor voortstuwing zijn en er moet een functionele stuurinrichting, zowel technisch functioneel als praktisch bruikbaar zijn;

Noorderhaven:

het gebied zoals aangegeven op de bij deze nadere regels behorende kaart ‘gebiedsafbakening Noorderhaven’.

Artikel 8.33 Relevante procedure

Op deze subsidieregeling is de reguliere procedure als bedoeld in de verordening van toepassing.

Artikel 8.34 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan de eigenaar van een authentiek schip met ligplaats in de Noorderhaven subsidie verlenen voor:

  • a.

    het in goede staat brengen en houden van het (on)zichtbare deel van een authentiek schip gelegen in de Noorderhaven;

  • b.

    het in vaarklare staat brengen van een authentiek schip gelegen in de Noorderhaven.

Artikel 8.35 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie bestaat uit een geldelijke bijdrage voor het in goede staat brengen en houden van het (on)zichtbare deel van een authentiek schip en voor het in vaarklare staat brengen van een authentiek schip gelegen in de Noorderhaven.

  • 2. Voor de aanvrager is de subsidie eenmalig per jaar en bedraagt maximaal 50% van de te maken onderhoudskosten met een maximum van € 5.000,--.

Artikel 8.36 Bijzondere bepalingen en verplichtingen

  • 1. Subsidie wordt slechts verleend als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het authentieke schip dient uitsluitend door het huishouden van de eigenaar bewoond te worden;

    • b.

      het onderhoudsniveau dient waarneembaar slechter te zijn dan normaal regulier onderhouden en/of het authentieke schip is niet vaarklaar;

    • c.

      het dient te gaan om onderhoud aan de buitenzijde van het authentieke schip indien het gaat over het in goede staat brengen en houden van het (on)zichtbare deel en/of om onderhoud aan het voortstuwingsmechanisme of het besturingssysteem van het authentieke schip indien het gaat over subsidie voor het vaarklaar maken;

    • d.

      de aanvrager dient eigenaar van het authentieke schip te zijn;

    • e.

      het authentieke schip dient rechtmatig in de Noorderhaven ligplaats te hebben.

  • 2. Bij de aanvraag dienen de volgende gegevens te worden overgelegd:

    • a.

      een gespecificeerde begroting of offerte van de kosten;

    • b.

      een situatietekening op schaal;

    • c.

      een of meerdere foto(‘s) van de bestaande situatie;

    • d.

      een onderhoudsplan voor minimaal 3 jaar;

    • e.

      een geldig legitimatiebewijs.

  • 3. De aanvrager dient overeenkomstig het overgelegde en door het college goedgekeurde onderhoudsplan gedurende 3 jaar het authentieke schip in goede staat van onderhoud te houden indien het ligplaats blijft houden in de Noorderhaven.

  • 4. Het college kan de subsidie op basis van strijd met het bepaalde in de leden 1 en 3 onmiddellijk terugvorderen van de aanvrager.

Artikel 8.37 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 10.000,-- voor het jaar 2020 en € 25.000,-- voor de jaren 2021 en 2022;

  • 2. De aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst;

  • 3. Het college kan afwijken van de behandelvolgorde indien herstel dringend vereist is.

Artikel 8.37a Duur

Deze subsidieregeling eindigt op 31 december 2022.

Paragraaf 8.7 Beter verbeteren

Artikel 8:38

(vervallen)

Artikel 8:39

Het college kan subsidie verlenen voor het herstel van historisch waardevolle onderdelen van een rijksmonument, een gemeentelijk monument (light) of anderszins om een aantoonbaar historisch waardevol pand.

Artikel 8:40

  • 1. De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten bepaald volgens de methode van de 'Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten' van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

  • 2. De subsidie bedraagt maximaal € 5000,- per adres per jaar.

Artikel 8:41

Subsidie wordt slechts verleend indien het gaat om herstel van historisch waardevolle onderdelen, die niet op basis van een rijkssubsidieregeling gesubsidieerd kunnen worden.

Artikel 8:42

  • 1. Voor de in artikel 8:39 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedrag.

  • 2. De aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst.

  • 3. Het college kan afwijken van de behandelvolgorde indien herstel dringend vereist is.

Paragraaf 8.8 Monumentale molens

Artikel 8:43 Begripsbepaling

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

de Sim: Subsidieregeling instandhouding monumenten.

Artikel 8:44

(vervallen)

Artikel 8:45 Subsidiabele activiteiten

Het college kan, in aanvulling op de Sim, subsidie verlenen voor het fysiek in stand houden van monumentale molens.

Artikel 8:46 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie bestaat uit een geldelijke bijdrage voor het in stand houden van monumentale windmolens in aanvulling op de door het rijk op grond van de Sim verleende subsidie.

  • 2. De subsidie bedraagt maximaal 30% van de door het rijk op grond van de Sim vastgestelde instandhoudingskosten.

Artikel 8:47 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Subsidie wordt slechts verleend als voor de activiteit door het rijk subsidie is verleend op grond van de Sim.

  • 2. Het college verstrekt subsidieontvanger jaarlijks een voorschot.

  • 3. Na afloop van de vaststelling door het rijk op grond van de Sim stelt het college de (gemeentelijke) subsidie vast op grond van de afrekening door het Rijk.

  • 4. Bij de aanvraag om vaststelling van de subsidie dient aanvrager een afschrift van de vaststellingsbeschikking van het Rijk te voegen.

Artikel 8:47a Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor de subsidiabele activiteiten in het kader van monumentale molens wordt jaarlijks een subsidieplafond ingesteld.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen.

    • b.

      Indien het totaal van de geldige vervolgaanvragen hoger is dan het subsidieplafond, dan worden de aanvragen naar rato toegekend;

    • c.

      Indien na het toekennen van de vervolgaanvragen het subsidieplafond nog niet bereikt is, dan worden de resterende op tijd ingediende aanvragen naar rato toegekend.

Paragraaf 8.9 Monumentale kerken

Artikel 8:48 Begripsbepaling

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

de Sim: Subsidieregeling instandhouding monumenten.

Artikel 8:49

(vervallen)

Artikel 8:50 Subsidiabele activiteiten

Het college kan, in aanvulling op de Sim, subsidie verlenen voor het fysiek in stand houden van monumentale kerken.

Artikel 8:51 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie bestaat uit een geldelijke bijdrage voor het in stand houden van monumentale kerken in aanvulling op de door het rijk op grond van de Sim verleende subsidie.

  • 2. De subsidie bedraagt maximaal 25% van de door het rijk op grond van de Sim vastgestelde instandhoudingskosten.

Artikel 8:52 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Subsidie wordt slechts verleend als voor de activiteit door het rijk subsidie is verleend op grond van de Sim.

  • 2. Het college verstrekt subsidieontvanger jaarlijks een voorschot.

  • 3. Na afloop van de vaststelling door het rijk op grond van de Sim stelt het college de (gemeentelijke) subsidie vast op grond van de afrekening door het Rijk.

  • 4. Bij de aanvraag om vaststelling van de subsidie dient aanvrager een afschrift van de vaststellingsbeschikking van het Rijk te voegen.

Artikel 8:52a Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor de subsidiabele activiteiten in het kader van monumentale kerken wordt jaarlijks een subsidieplafond ingesteld.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen.

    • b.

      Indien het totaal van de geldige vervolgaanvragen hoger is dan het subsidieplafond, dan worden de aanvragen naar rato toegekend;

    • c.

      Indien na het toekennen van de vervolgaanvragen het subsidieplafond nog niet bereikt is, dan worden de resterende op tijd ingediende aanvragen naar rato toegekend.

Paragraaf 8.10 Revolverend fonds monumenten

Artikel 8:53 Begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    bijkomende kosten: kosten die in direct verband met financiering moeten worden gemaakt (zoals: financieringskosten en notariskosten);

  • b.

    voldoende zakelijk gerechtigde:

    • -

      natuurlijke of andere rechtspersoon die voor 100% het juridische en het economische eigendom bezit van het onroerend goed;

    • -

      vereniging van eigenaren;

    • -

      de erfpachter, de opstaller;

    • -

      de houder van een appartementsrecht als bedoeld in artikel 875a van het Burgerlijk Wetboek;

    • -

      degene aan wie een rechtspersoon deelnemings- of lidmaatschapsrechten heeft verleend, die recht geven op het gebruik van een woning.

Artikel 8:54

(vervallen)

Artikel 8:55 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor buitengewoon onderhoud of restauratie van gemeentelijke monumenten.

Artikel 8:56 Subsidie per activiteit

  • 1. De subsidie bestaat uit een geldelijke lening voor het verbeteren van de staat van onderhoud en restauratie.

  • 2. De subsidie voor onderhoudskosten verlopen via een lening tot 100% van de kosten, te vermeerderen met de bijkomende kosten.

Artikel 8:57 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. Subsidie wordt slechts verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het dient te gaan om een door de gemeente aangewezen monument in de zin van de Erfgoedverordening;

    • b.

      aanvrager dient voldoende zakelijk gerechtigde van het monument te zijn.

  • 2. Bij de aanvraag om verlening van subsidie dient aanvrager alle gegevens te overleggen die nodig zijn om voldoende inzicht in de uitvoering van de werkzaamheden te krijgen. In elk geval worden de volgende gegevens overgelegd:

    • a.

      het aanvraagformulier;

    • b.

      een gespecificeerde begroting van de kosten of een offerte van de kosten;

    • c.

      rapport van de monumentenwacht; en

    • d.

      een beschrijving hoe de voorgenomen werkzaamheden zullen worden uitgevoerd.

  • 3. Na het besluit tot het verlenen van de subsidie dient aanvrager een ingevuld en van gevraagde bijlagen voorzien aanvraagformulier SVN (Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten) in te dienen.

  • 4. De aanvrager dient overeenkomstig het bijgevoegde onderhoudsplan het monument gedurende de looptijd van de lening in goede staat van onderhoud te houden en lid te zijn van Monumentenwacht.

Artikel 8:58 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. De aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst.

  • 2. Het college kan afwijken van de behandelvolgorde indien herstel dringend vereist is.

Paragraaf 8.11 Geluidreducerende maatregelen kamerverhuurpanden

Vervallen.

Artikel 8:59  Begripsbepalingen

Vervallen.

Artikel 8:60 Relevante procedure

Vervallen.

Artikel 8:61 Te subsidiëren activiteiten

Vervallen.

Artikel 8:62 Subsidie per activiteit

Vervallen.

Artikel 8:63 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • Vervallen.

Artikel 8:64 Subsidieplafond en verdelingsregels

Vervallen.

Paragraaf 8.12 Subsidie energieneutraal Ten Post

Artikel 8:65. Begripsbepalingen

In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Energieneutraal: het compenseren van het gebruik van fossiele brandstoffen door het produceren van duurzame energie. Energieneutraal betekent niet dat er geen fossiele brandstoffen worden gebruikt.

  • b.

    Energieadvies: advies gegeven door een energie-adviseur die vanuit de Gemeente Groningen opdracht heeft gekregen een advies te maken. In dit advies staan maatregelen opgenomen die bijdragen aan het energieneutraal maken van de woning.

  • c.

    Rijkssubsidieregeling: Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 8 mei 2018, nr. WJZ / 17153498, houdende regels over energiebesparende maatregelen in woningen in combinatie met het bouwkundig versterkingsprogramma als gevolg van gaswinning Groningenveld (Regeling energiebesparing woningen bouwkundig versterkingsprogramma Groningenveld).

  • d.

    Blok B regeling: Regeling Blok B (versterken en verduurzamen) als bedoeld in paragraaf 8.13 van de Nadere regels subsidie gemeente Groningen.

  • e.

    Woning: gebouw met woonbestemming.

  • f.

    Sloopnieuwbouw: gebouwen die niet op norm zijn verklaard en dus onveilig zijn, kunnen onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen voor sloopnieuwbouw. Hierbij wordt de onveilige woning gesloopt en wordt er een nieuwe, veilige woning teruggebouwd.

Artikel 8:66 Doelgroep:

Voor subsidie op grond van deze paragraaf komen uitsluitend in aanmerking:

  • 1.

    Particuliere eigenaren van een woning in Ten Post en Wittewierum (postcodegebied 9792), die niet vallen onder de sloop/nieuwbouwregeling ingevolge de versterkingsoperatie.

  • 2.

    Woningen behorende tot MKB bedrijven, indien deze woningen ook daadwerkelijk door de eigenaar van de MKB-onderneming bewoond wordt. Bedrijfsgebouwen zijn uitgesloten van de subsidie op grond van deze paragraaf.

  • 3.

    Nieuw te bouwen woningen zijn uitgesloten van subsidie op grond van deze paragraaf.

Artikel 8:67. Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan subsidie verlenen voor het aanschaffen van materiaal en de installatiekosten door een installateur/aannemer, voor het aanbrengen of installeren van de navolgende energiebesparingsmaatregelen:

    • a.

      dakisolatie in de thermische schil of isolatie van de zolder- of vlieringvloer, indien de zolder of vliering onverwarmd is, met een minimale Rd-waarde van 3,5 [m2 K/W], of isolatie voor een monument;

    • b.

      vloer- of bodemisolatie in de thermische schil met een minimale Rd-waarde van 3,5 [m2 K/W], of isolatie voor een monument;

    • c.

      gevelisolatie van de binnen- en buitengevel met een minimale Rd-waarde van 3,5 [m2 K/W], of isolatie voor een monument;

    • d.

      spouwmuurisolatie in de thermische schil met een minimale Rd-waarde van 1,1 [m2 K/W], of isolatie voor een monument;

    • e.

      HR++ glas met een maximale U-waarde van 1,2 [W/m2 K], of triple-glas met een maximale U-waarde van 0,8 [W/m2 K] in de thermische schil, of isolerend glas voor een monument;

    • f.

      kozijn vereist voor HR++ of triple-glas met een maximale U-waarde van 1,5 [W/m2 K], of kozijn vereist voor het isoleren van glas voor een monument;

    • g.

      technieken voor warmteterugwinning (wtw), bestaande uit een systeem voor balansventilatie met wtw met een rendement van ten minste 90%, een verticaal systeem om douchewater voor te verwarmen met afvalwater (douchepijp wtw) met een rendement van ten minste 45%, of een systeem om douchewater voor te verwarmen met afvalwater (douchegoot wtw of douchebak wtw) met een rendement van ten minste 45%;

    • h.

      isolerende deur in de gevel met een maximale U-waarde van 2,0 [W/m2 K];

    • i.

      isolerende gevelpanelen met een maximale U-waarde van 0,7 [W/m2 K];

    • j.

      ruimteverwarmingstoestel of waterverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.1. juncto artikel 4.5.4. van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies;

    • k.

      zonneboiler als bedoeld in artikel 4.5.5. van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies;

    • l.

      zonnepanelen;

    • m.

      infraroodpanelen;

    • n.

      Energieopslag;

    • o.

      lage temperatuurverwarming;

    • p.

      energiezuinige verwarmingspomp;

    • q.

      technieken voor de opwekking van windenergie.

  • 2. Het college kan in bijzondere gevallen toestaan dat waarden bedoeld in het eerste lid onder a. tot en met i. niet gehaald zullen worden. Indien de verwachting is dat de waarden niet gehaald zullen worden, dient dit in de aanvraag vermeld te worden.

  • 3. Kosten, bedoeld in het eerste lid, komen ook voor subsidie in aanmerking indien deze zijn gemaakt vóór de indiening van de aanvraag doch na 6 november 2020.

  • 4. Niet subsidiabel zijn de kosten van:

    • a.

      stoffering en inrichting (zoals gordijnen, behang en vloerbedekking);

    • b.

      nieuwe dakpannen (bijvoorbeeld na het aanbrengen van dakisolatie);

    • c.

      stucwerk (bijvoorbeeld na het aanbrengen van een voorzetwand).

Artikel 8:68. Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 8:67 genoemde activiteiten bedraagt maximaal € 28.000,- per woning als bijdrage voor het energieneutraal maken van de woning. Subsidies op grond van andere regelingen voor dezelfde activiteiten worden met de maximale subsidie van € 28.000,- verrekend. De subsidie kan daardoor lager uitvallen.

Artikel 8:69. Procedurele bepalingen

  • 1. De Algemene Subsidieverordening (ASV) van de gemeente Groningen is van toepassing op deze regeling, tenzij deze nadere regeling anders bepaalt.

  • 2. Deze regeling is aanvullend op de Rijkssubsidieregeling en de Blok B regeling: eigenaren die een beroep doen op deze regeling moeten eerst gebruik maken van de Rijkssubsidieregeling of de Blok B regeling.

  • 3. Aanvragen voor subsidie op grond van deze paragraaf kunnen tot 1 januari 2027 worden gedaan.

  • 4. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in deze paragraaf bevat ten minste:

    • a.

      de naam, het post- en bezoekadres, het e-mailadres en het telefoonnummer van de aanvrager;

    • b.

      het energieadvies, maximaal 18 maanden oud;

    • c.

      de onderbouwing van de kosten, blijkende uit een door de aanvrager aanvaarde offerte of opdrachtbevestiging van de aannemer of leverancier met daarop vermeld de datum van aanvang van de werkzaamheden, respectievelijk levering van de installatie voorzien van het merk en type, of – indien beschikbaar – de meldcode, van maximaal twee maanden oud, respectievelijk een factuur en het daarbij behorende betalingsbewijs;

    • d.

      een afschrift van de besluiten tot verlening van andere subsidies op grond van de rijkssubsidieregeling en de Blok B regeling, dan wel van de aanvragen tot verlening van deze subsidieregelingen;

    • e.

      een opgave van de omzetbelasting die in rekening is gebracht voor de getroffen maatregelen voor zover deze omzetbelasting is verrekend.

  • 5. De aanvraag wordt ingediend bij het college en kan uitsluitend via de website van de gemeente Groningen worden ingediend.

  • 6. De maatregelen dienen binnen drie jaar na de subsidieverlening uitgevoerd te zijn. Hierop kan na schriftelijk verzoek verlenging worden gegeven.

Artikel 8:70. Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1. De in het energieadvies vermelde stappen dienen in de vastgelegde volgorde te worden gevolgd.

  • 2. Het college kan toestaan dat van de volgorde, bedoeld in het eerste lid, wordt afgeweken indien deze toestemming vooraf wordt gevraagd.

  • 3. In afwijking van artikel 17 ASV wordt de indiening bij het college van de facturen van de installateur/aannemer, mits schriftelijk ondertekend door de subsidieontvanger, geacht te zijn de aanvraag tot subsidievaststelling namens de aanvrager als bedoeld in artikel 17 ASV.

  • 4. In afwijking van artikel 20 ASV wordt de subsidie betaalbaar gesteld aan de installateur/aannemer als bedoeld in artikel 8:67, eerste lid aanhef.

  • 5. In afwijking van artikel 17 ASV stelt het college binnen 8 weken de subsidie vast.

Artikel 8:71. Weigeringsgronden

  • 1. De subsidie kan geweigerd worden indien:

    • a.

      voor de woning reeds eerder subsidie is verstrekt op grond van deze regeling;

    • b.

      de aanvrager niet de eigenaar of mede-eigenaar van de woning is;

    • c.

      de woning niet valt onder artikel 8:66 lid 1;

    • d.

      het gebouw geen woonbestemming heeft;

  • 2. Het college kan voorts de subsidie weigeren indien niet aan één of meerdere van de verplichtingen is voldaan als bedoeld in de artikel 8:69.

Artikel 8:71a. Eigendomsoverdracht

Indien de subsidieontvanger de woning in eigendom overdraagt aan een derde en de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend nog niet zijn uitgevoerd, dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na de overdracht:

  • gezamenlijk met de nieuwe eigenaar een verzoek tot overdracht van de subsidie in waarbij alle verplichtingen en rechten uit de beschikking(en) en de voorwaarden en verplichtingen uit deze paragraaf op de nieuwe eigenaar overgaan.

Artikel 8:71b. Subsidieplafond en verdeelregels

  • 1. Het plafond voor deze regeling is vastgesteld op € 6.000.000,-.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    de aanvragen worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst.

Paragraaf 8.13 Regeling Blok B (versterken en verduurzamen)

Artikel 8:72 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Aanvullende maatregelen: maatregelen die het college de eigenaar van een gebouw dat valt onder de clustering kan aanbieden om specifieke problemen op te lossen, gevoelens van onveiligheid weg te nemen of om vergelijkbare maatregelen te kunnen nemen als bij beoordelingen op basis van het beoordelingskader NPR:9998:2018 T2 of ouder; Adres: adres als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen;

Batch 1.588: door de Nationaal Coördinator Groningen benoemde batch van 1.588 gebouwen waarvoor versterkingsadviezen zijn opgesteld;

Beoordeling: bouwkundige berekening of een gebouw aan de veiligheidsnorm, bedoeld in artikel 52d, tweede lid, onderdeel a, van de Mijnbouwwet, voldoet;

Clustering: door het college in het versterkingsprogramma aangewezen gebouwen zoals vastgesteld op 7 september 2021 in de Regeling Geclusterde Gebouwen Blok B Versterking;

College: college van burgemeester en wethouders van Groningen;

Lokaal energieproject: project gericht op energiebesparing of opwekking van duurzame energie ten behoeve van het eigen gebouw, dat wordt uitgevoerd binnen een postcodegebied als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel z, van de Wet belastingen op milieugrondslag;

Maatwerkadviesrapport: maatwerkadviesrapport als bedoeld in de door de Stichting Kwaliteit voor Installaties Nederland bindend verklaarde Nationale Beoordelingsrichtlijn 9500, deel 02, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011, inclusief latere wijzigingen, opgesteld door een persoon die voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid van ‘EPA’-adviseur conform bijlage 2 van deze beoordelingsrichtlijn;

Meldcode: code beschikbaar gesteld door de minister per type en merk installatie voor de productie van duurzame energie;

Rijksregeling: Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 31 mei 2021, nr. 2021-0000136391, houdende vaststelling van regels voor het verstrekken van subsidie aan gebouweigenaren in het aardbevingsgebied in de provincie Groningen ten behoeve van verduurzaming, onderhoud en verbetering van het gebouw (Subsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen);

Verduurzamingsmaatregel: maatregel als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b van deze regeling;

Verordening: de Algemene subsidieverordening Groningen 2019 (ASV);

Versterkingsprogramma: bouwkundig versterkingsprogramma als gevolg van de gaswinning in het Groningenveld.

Artikel 8:73 Subsidieverstrekking

  • 1. Voor subsidie op grond van deze regeling komen in aanmerking eigenaren van gebouwen binnen de clustergrenzen zoals aangegeven in de Regeling Geclusterde Gebouwen Blok B Versterking, vastgesteld door het College d.d. 7 september 2021.

  • 2. Het college verstrekt op aanvraag een subsidie voor de kosten van een verduurzamingsmaatregel en/of deelname aan een lokaal energieproject aan de eigenaar van een gebouw, voor zover:

    • a.

      dat gebouw is opgenomen onder de clustering en op of voor 6 november 2020 deel uitmaakt van het versterkingsprogramma;

    • b.

      dat gebouw niet valt onder batch 1588;

    • c.

      dat gebouw niet valt onder de Rijksregeling;

    • d.

      de eigenaar van dat gebouw de keuze is geboden om voor aanvullende maatregelen te kiezen en dat ook heeft gekozen.

  • 3. Het college verstrekt op aanvraag een subsidie voor de kosten van een verduurzamingsmaatregel, voor onderhoud of voor verbetering aan de eigenaar van een gebouw voor zover:

    • a.

      dat gebouw is opgenomen onder de clustering en op of voor 6 november 2020 deel   uitmaakt van het versterkingsprogramma;

    • b.

      dat gebouw niet valt onder batch 1588;

    • c.

      dat gebouw niet valt onder de Rijksregeling;

    • d.

      e eigenaar van dat gebouw de keuze is geboden om voor aanvullende maatregelen te kiezen en dat niet heeft gekozen.

  • 4. Het college verstrekt op aanvraag een subsidie voor de kosten van een verduurzamingsmaatregel, voor onderhoud of voor verbetering aan de eigenaar van een gebouw voor zover:

    • a.

      dat gebouw is opgenomen onder de clustering en op of voor 6 november 2020 deel uitmaakt van het versterkingsprogramma;

    • b.

      dat gebouw niet valt onder batch 1588;

    • c.

      dat gebouw niet valt onder de Rijksregeling;

    • d.

      de eigenaar van dat gebouw geen keuze is geboden om voor aanvullende maatregelen te kiezen.

  • 5. De subsidie, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, wordt verstrekt per adres zoals dat bestond op 6 november 2020.

  • 6. Per adres kan ten hoogste twee maal subsidie worden verstrekt, waarbij het totale bedrag aan subsidie niet meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 8:79.

  • 7. Op grond van deze regeling kan ook subsidie worden verstrekt voor activiteiten als bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid die ook uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd of gefinancierd.

  • 8. In afwijking van artikel 7 van de Verordening kunnen aanvragen om subsidie op grond van het eerste lid kunnen worden ingediend vanaf 15 november 2021 tot 15 november 2026.

  • 9. In afwijking van artikel 6, eerste lid van de Verordening wordt een aanvraag voor subsidie ingediend met een formulier dat beschikbaar is gesteld op de website van Samenwerkingsverband Noord-Nederland.

  • 10. Een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet mag voor meerdere adressen tegelijk een aanvraag doen.

Artikel 8:74 De aanvraag

  • 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 8:73, tweede, derde en vierde lid, bevat ten minste:

    • a.

      het adres van het gebouw ten behoeve waarvan subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      het bankrekeningnummer waarop het subsidiebedrag dient te worden overgemaakt;

    • c.

      een door de aanvrager:

      • i.

        opgestelde begroting van voorgenomen maatregelen, die dient te bestaan uit realistische prijsopgaven voor de betreffende maatregelen, gelet op marktprijzen en hetgeen anderszins volgens verkeersopvattingen redelijk is,

      • ii.

        ondertekende offerte of een opdrachtbevestiging van de aannemer of leverancier met daarop vermeld de datum van aanvang van de werkzaamheden of, indien van toepassing, de datum van levering van de installatie voorzien van het merk en type, of – indien beschikbaar – de meldcode, van ten hoogste twee maanden oud, respectievelijk een factuur en het daarbij behorende betalingsbewijs;

    • d.

      indien van toepassing, een door de aanvrager aanvaarde offerte of opdrachtbevestiging van een gecertificeerd adviseur met daarop vermeld de datum van oplevering van het maatwerkadviesrapport, respectievelijk een factuur en het daarbij behorende betalingsbewijs;

    • e.

      als subsidie wordt aangevraagd voor reeds getroffen activiteiten, een factuur en het daarbij behorende betalingsbewijs voor die activiteiten;

    • f.

      indien van toepassing, een afschrift van de besluiten tot verlening van andere subsidies op grond van deze regeling dan wel van de aanvragen tot verlening van deze andere subsidies.

Artikel 8:75 Subsidiabele kosten bij verduurzaming

  • 1. De subsidiabele kosten voor verduurzamingsmaatregelen of ter zake van een lokaal energieproject, zijn de kosten voor:

    • a.

      een maatwerkadviesrapport;

    • b.

      het aanschaffen van materiaal en de kosten van de installatie voor zover de installatie wordt uitgevoerd door een onderneming, voor het aanbrengen of installeren van de navolgende energiebesparingsmaatregelen:

      • 1°.

         dakisolatie in de thermische schil of isolatie van de zolder- of vlieringvloer, indien de zolder of vliering onverwarmd is, met een minimale Rd-waarde van 3,5 [m2K/W], of isolatie voor een monument;

      • 2°.

         vloer- of bodemisolatie in de thermische schil met een minimale Rd-waarde van 3,5 [m2K/W], of isolatie voor een monument;

      • 3°.

         gevelisolatie van de binnen- en buitengevel met een minimale Rd-waarde van 3,5 [m2K/W], of isolatie voor een monument;

      • 4°. 

        spouwmuurisolatie in de thermische schil met een minimale Rd-waarde van 1,1 [m2K/W], of isolatie voor een monument;

      • 5°.

         HR++ glas met een maximale U-waarde van 1,2 [W/m2K], of triple-glas met een maximale U-waarde van 0,8 [W/m2K] in de thermische schil, of isolerend glas voor een monument;

      • 6°.

         kozijn vereist voor HR++ of triple-glas met een maximale U-waarde van 1,5 [W/m2K], of kozijn vereist voor het isoleren van glas voor een monument;

      • 7°.

        technieken voor warmteterugwinning (wtw), bestaande uit een systeem voor balansventilatie met wtw met een rendement van ten minste 90%, een verticaal systeem om douchewater voor te verwarmen met afvalwater (douchepijp wtw) met een rendement van ten minste 45%, of een systeem om douchewater voor te verwarmen met afvalwater (douchegoot wtw of douchebak wtw) met een rendement van ten minste 45%;

      • 8°.

         isolerende deur in de gevel met een maximale U-waarde van 2,0 [W/m2K];

      • 9°.

         isolerende gevelpanelen met een maximale U-waarde van 0,7 [W/m2K];

      • 10°.

        ruimteverwarmingstoestel of waterverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.1. juncto artikel 4.5.4. van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies;

      • 11°.

        zonneboiler als bedoeld in artikel 4.5.5. van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies;

      • 12°.

        zonnepanelen;

      • 13°.

        infraroodpanelen;

      • 14°.

        warmte-koudeopslag;

      • 15°.

        lage temperatuurverwarming voor woonkamer en keuken;

      • 16°.

        energiezuinige verwarmingspomp;

      • 17°.

        technieken voor de opwekking van windenergie.

Artikel 8:76 Subsidiabele kosten voor onderhoud

De subsidiabele kosten voor onderhoud zijn de kosten voor onderhoud in of aan het gebouw.

Artikel 8:77 Subsidiabele kosten voor verbetering

De subsidiabele kosten voor verbetering van het gebouw zijn de kosten voor verbeteringen in of verbonden aan het gebouw die niet tot de inboedel behoren.

Artikel 8:78 Subsidiabele kosten vóór indiening van de aanvraag

Kosten, bedoeld in artikel 8:73, tweede tot en met het vierde lid, komen ook voor subsidie in aanmerking indien deze zijn gemaakt vóór de indiening van de aanvraag doch na 6 november 2020.

Artikel 8:79 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie op grond van artikel 8:73, tweede lid, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 7.000,–.

  • 2. De subsidie op grond van artikel 8:73, derde lid, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 17.000,–.

  • 3. De subsidie op grond van artikel 8:73, vierde lid, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 17.000,–.

  • 4. Indien een eigenaar eerder subsidie heeft ontvangen op grond van artikel 8:73, tweede, derde of vierde lid, wordt de subsidie in mindering gebracht op het bedrag dat ten hoogste kan worden ontvangen op grond van de in het tweede, derde of vierde lid genoemde bedragen.

Artikel 8:80 Bijzondere bepalingen Woltersum

  • 1. Eigenaren van gebouwen in Woltersum (postcodegebied 9795), zoals bedoeld in de Regeling Geclusterde Gebouwen Blok B Versterking, die tevens gebruik maken van de Subsidieverordening funderingsproblematiek Woltersum 2021, komen in afwijking van het bepaalde in artikel 8:73 in aanmerking voor de volgende subsidies of bijdragen:

    • a.

      subsidie als bedoeld artikel 8:73, tweede en derde lid indien de eigenaar beschikt of zal beschikken over een versterkingsadvies op basis van NPR 2020 T5. Deze eigenaar komt ook in aanmerking voor de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 8:85.

    • b.

      subsidie als bedoeld artikel 8:73, tweede lid indien de eigenaar beschikt of zal beschikken over een versterkingsadvies op basis NPR 2020 T5 maar kiest voor versterking door een aannemer op basis van NPR 2018 T2. Deze eigenaar komt niet in aanmerking voor de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 8:85.

  • 2. Eigenaren in Woltersum die nog niet beschikken over een door de NCG verstrekt versterkingsadvies kunnen, zodra het versterkingsadvies bekend is, kiezen voor de regeling als bedoeld in het eerste lid onder a. of de regeling als bedoeld in het eerste lid onder b.

  • 3. De overige bepalingen van deze regeling zijn voor eigenaren van gebouwen in Woltersum zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:81 besluit op aanvraag (verlening) en vaststelling

  • 1. In afwijking van artikel 7, tweede lid van de Verordening beslist het college op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in deze paragraaf binnen 13 weken nadat de aanvraag is ingediend en aan alle indieningsvereisten is voldaan.

  • 2. Artikel 17, derde lid van de Verordening is van toepassing op subsidies die op grond van deze paragraaf zijn verleend.

Artikel 8:82 Afwijzingsgronden

Het college wijst een aanvraag (gedeeltelijk) af, indien de te verlenen subsidie samen met andere subsidies op grond van deze regeling die de aanvrager heeft ontvangen of nog zal ontvangen het maximum van 100% van de subsidiabele kosten van die activiteit overstijgt.

Artikel 8:83 Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond voor aanvragen op grond van artikel 8:73, tweede tot en met vierde lid is € 13.000.000,-.

  • 2. Het college verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 3. Indien op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag wordt ontvangen, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van loting.

Artikel 8:84 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. Een activiteit waarvoor op grond van deze regeling een subsidie is verstrekt, wordt binnen 36 maanden na de verlening van de subsidie uitgevoerd.

  • 2. Het college kan op verzoek van de aanvrager de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste één jaar verlengen, indien sprake is van onvoorziene omstandigheden op grond waarvan het aannemelijk is dat niet aan de in het eerste lid genoemde termijn kan worden voldaan.

  • 3. De subsidieontvanger houdt alle facturen en betalingsbewijzen beschikbaar voor de activiteiten waarvoor de subsidie is vastgesteld gedurende drie jaar na vaststelling van de subsidie. Het college kan gedurende deze drie jaar op elk moment verzoeken om deze gegevens.

Artikel 8:85 Aanspraak op tegemoetkoming

  • 1. Eigenaren van gebouwen maken aanspraak op een vrij te besteden tegemoetkoming van € 13.000,-- voor zover:

    • a.

      het een gebouw betreft zoals bedoeld in artikel 8:73 derde lid of vierde lid, of

    • b.

      het een gebouw betreft dat:

      • i.

        op of voor 6 november 2020 deel uitmaakt van het versterkingsprogramma;

      • ii.

        Volgens een beoordeelding die heeft plaatsgevonden met de NPR:9998:2018 tijdvak 2 of een eerdere versie van de NPR:9998 voldoet aan de veiligheidsnorm;

      • iii.

        Voor zover het een gebouw in eigendom is van een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van de Woningwet, niet valt onder batch 1588, en

      • iv.

        niet valt onder de clustering als bedoeld in artikel 8:73 van deze regeling.

  • 2. Een melding om voor de tegemoetkoming in aanmerking te komen wordt gedaan met een formulier dat beschikbaar is gesteld op de website van Samenwerkingsverband Noord-Nederland.

  • 3. De tegemoetkoming zoals bedoeld in het eerste lid is niet afhankelijk van een subsidieaanvraag.

  • 4. De tegemoetkoming zoals bedoeld in het eerste lid wordt uitgekeerd door het Samenwerkingsverband Noord-Nederland.

Artikel 8:86 Horizonbepaling

Deze regeling vervalt met ingang van 15 november 2026, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op aanvragen om subsidies die voor deze datum zijn ingediend.

Artikel 8:87 Citeertitel

Nadere regels subsidie gebouweigenaren aardbevingsgebied als tegemoetkoming voor niet-uitlegbare verschillen met betrekking tot versterkingsmaatregelen.

Paragraaf 8.14 Subsidieregeling Groene schoolpleinen

Artikel 8:88 Doel van de regeling

Deze subsidieregeling beoogt stimulering en bekostiging van het groen- en klimaatbestendig (her)inrichten van schoolpleinen/terreinen bij basisscholen en scholen voor Voortgezet speciaal onderwijs, te weten het ‘groener’ worden, door meer gras, bomen, struiken en planten en het tevens daarmee voorkomen dat regenwater rechtstreeks wordt afgevoerd naar het riool. Het toegankelijke, duurzame en uitdagende groene schoolplein draagt bij aan de mogelijkheden voor sport, spel en educatie in de omgeving en een betere gezondheid van kinderen.

Artikel 8:89 Subsidiabele activiteiten

Een eenmalige subsidie kan worden verstrekt voor het herinrichten van het plein door het toevoegen van groenoppervlak of waterberging op maaiveld. Het college kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de kosten die verband houden met ontwerp, aanleg, uitvoering en de realisatie van een groen schoolplein, daarbij rekening houdend met de monumentstatus richtlijnen.

Artikel 8:90 Bijzondere bepalingen en verplichtingen

  • 1. De activiteiten komen voor subsidie in aanmerking indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      ten minste 25% van de bestrating vervangen wordt door levend groen;

    • b.

      het ontwerp en aan te leggen groene schoolplein geeft kinderen de ruimte om vrij te spelen, ontdekken en te experimenteren;

    • c.

      het ontwerp is gemaakt in samenspraak met leerlingen en docenten;

    • d.

      er wordt aangegeven hoe het groene schoolplein na aanleg de komende 10 jaar onderhouden gaat worden (financiële kant (binnen schoolexploitatie) en praktische kant);

    • e.

      aanleg wordt binnen 2 jaar uitgevoerd en afgerond;

    • f.

      voor en na afloop aanleg met foto’s situatie aantonen, idem met het betegelde oppervlakte van reductie met 25% in vierkante meters;

  • 2. Alleen scholen die zelf verantwoordelijk zijn voor het onderhoud en beheer van het schoolplein en daarin de kosten dragen, kunnen gebruik maken van deze subsidieregeling.

Artikel 8:91 Niet subsidiabele kosten

Geen subsidie wordt verstrekt voor:

  • -

    schoolpleinen die binnen 4 jaar nieuw aangelegd of grootschalig gerenoveerd worden;

  • -

    vrijwilligerskosten;

  • -

    loonkosten van eigen personeel;

  • -

    een tweede aanvraag;

Artikel 8:92 Hoogte subsidie

De subsidie ter voorziening in de kosten die zijn verbonden aan de (her)inrichting en vergroening van het schoolplein, waaronder de kosten van ontwerp, aanleg, materialen bedraagt maximaal € 25.000,- .

Artikel 8:93 Subsidieaanvrager

Subsidie kan worden aangevraagd door het schoolbestuur.

Artikel 8:94 Aanvraagprocedure

  • 1. In afwijking van artikel 7, eerste lid ASV worden aanvragen ingediend in de periode vanaf 1 maart tot 1 mei.

  • 2. Naast de in artikel 6 ASV genoemde gegevens dienen bij de aanvraag de volgende stukken te worden gevoegd:

    • -

      een projectplan met daarin opgenomen een schetsontwerp;

    • -

      een overzicht waaruit blijkt dat wordt voldaan de voorwaarden zoals die zijn vermeld in artikel 8:90;

    • -

      een begroting.

Artikel 8:95 Subsidieplafond en verdeelregel

  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 8:89 genoemde activiteiten is per kalenderjaar gelijk aan het in de gemeentebegroting voor dat jaar opgenomen bedrag.

  • 2. Na afloop van de termijn genoemd in 8:94 lid 1 wordt een beoordeling gedaan door het projectteam aangevuld met deskundigen. Als het totaal van de tijdige en compleet ingediende subsidieaanvragen hoger is dan het beschikbare budget vindt een nadere rangordening plaats met een weging op de volgende onderdelen:

    • hittestress en wateroverlast urgentie (https://groningenklimaatbestendig.nl/meer-weten/);

    • of het schoolbestuur maatschappelijk akkoord partner is/het maatschappelijk akkoord heeft ondertekend;

    • of er sprake is van een verlengde schooldag en de mogelijkheid voor bieden buitenlessen;

    • realisatie van klimaat-robuuste bomen met een minimale stamomtrek van 16 cm hebben op 1 meter boven maaiveld. (Klimaat-robuuste bomen zijn opgenomen in de tabel Soortenlijst bomen en klimaatadaptatie van Wageningen University & Research; de lijst is opgenomen in bijlage 1);

    • of er is gekozen voor een voor een waterberging van minimaal één kubieke meter met een afvoer;

    • in hoeverre inzichtelijk is gemaakt dat het plan een verbetering is voor planten en dieren; hoe het bijdraagt aan biodiversiteit (voorkeur inheemse beplanting die goed zijn voor insecten/vogels; nestplaatsen bieden).

Paragraaf 8.15 Subsidie Volkshuisvestingsfonds

Artikel 8:96 Begripsbepaling

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder: 

  • a.

    Aangewezen wijken: Paddelpoel, Selwerd en Vinkhuizen met achtereenvolgens de postcodes 9742, 9741 en 9743.

  • b.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht

  • c.

    Cluster: door of namens het college samengestelde gegroepeerde straten met woningen in de wijken Paddepoel, Selwerd of Vinkhuizen.

  • d.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen.

  • e.

    Energielabel: weergave van de energieprestatie van een gebouw zoals bedoeld in het Besluit energieprestatie gebouwen en de Regeling energieprestatie gebouwen.

  • f.

    Eigen bijdrage: bijdrage buiten de subsidie op grond van deze paragraaf, bijvoorbeeld eigen spaargeld of externe financiering.

  • g.

    Eigenaar-bewoner: natuurlijk persoon die:

    • I.

      een woning in eigendom heeft waarin hij/zij zijn/haar hoofdverblijf heeft; of

    • II.

      gerechtigde is van een appartementsrecht, zijnde een woning als bedoeld in artikel 106 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek en in het desbetreffende appartement zijn hoofdverblijf heeft.

  • h.

    Noodzakelijke kosten: de kosten van materialen en werkzaamheden of de kosten van de investering voor zover noodzakelijk voor het treffen van maatregelen;

  • i.

    SVn: Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten, statutair gevestigd te Hoevelaken en kantoorhoudende te Amersfoort, financiële dienstverlener, geregistreerd onder AFM–vergunningnummer 12013647;

  • j.

    Voorschotbeschikking: een beschikking tot verlening van een voorschot zoals bedoeld in artikel 4:95 Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 8:97 Doelgroep

  • 1. Voor de subsidie als bedoeld in deze paragraaf komen uitsluitend in aanmerking eigenaar-bewoners van woningen in een geselecteerd cluster met een maximale WOZ-waarde van € 305.000,- (prijspeil 2021, of zoals mogelijk geïndexeerd), een (indicatief) energielabel C, D, E, F of G en een bouwjaar van vóór 1 januari 1975.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid kunnen ook Verenigingen van eigenaren voor subsidie op grond van deze paragraaf in aanmerking komen.

Artikel 8:98 Subsidiabele activiteiten

  • 1. Het college kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van maatregelen ter verduurzaming van woningen voor zover deze maatregelen leiden tot een verbetering van de energetische prestatie van de woning. Ook maatregelen die genomen moeten worden om de door te voeren duurzaamheidsmaatregelen te kunnen realiseren en de kosten voor het verkrijgen van een energielabel komen voor subsidie in aanmerking.

  • 2. Voor subsidie komen eveneens in aanmerking de maatregelen die genomen zijn voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze paragraaf, mits de maatregelen aantoonbaar na 15 juli 2021 zijn uitgevoerd en voor het overige voldoen aan de bepalingen van deze paragraaf.

  • 3. De subsidie wordt slechts verstrekt als met de maatregelen een verbetering van minimaal drie energielabel- stappen wordt bereikt of energie-label B of beter wordt bereikt.

Artikel 8:99 Hoogte subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt maximaal 75 % van de noodzakelijke kosten van de maatregelen; in het geval dat zonnepanelen worden geïnstalleerd bedraagt de subsidie 70 % van de noodzakelijke kosten.

  • 2. De eigenaar van de woning draagt bij aan de verduurzaming door het betalen van een eigen bijdrage van 25%. Indien het plaatsen van zonnepanelen onderdeel van de maatregelen vormt, betaalt de aanvrager een eigen bijdrage van 30%.

  • 3. De subsidie bedraagt maximaal € 25.000,- per aanvraag door de eigenaar-bewoner.

  • 4. De subsidie bedraagt maximaal € 25.000,- per appartement als bedoeld in artikel 106 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek per aanvraag door een Vereniging van Eigenaren (VvE).

  • 5. Subsidies minder dan € 2500,- worden niet verstrekt.

  • 6. De subsidie kan gecombineerd worden met andere (nog vast te stellen) subsidies of leningen anders dan bedoeld in deze paragraaf.

Artikel 8:100 Aanvraag

  • 1. Het college stelt per cluster een periode vast waarbinnen de aanvragen voor dat betreffende cluster kunnen worden ingediend. Buiten deze periode ingediende aanvragen worden niet in behandeling genomen. Aanvragen die betrekking hebben op woningen die geen deel uitmaken van het betreffende cluster worden niet in behandeling genomen.

  • 2. In afwijking van resp. aanvulling op artikel 6, eerste lid van de ASV, dienen de volgende gegevens te worden overlegd bij de aanvraag:

    • a.

      Volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier. Andere formulieren dan de door het college voor de uitvoering van deze paragraaf vastgestelde formulieren worden niet in behandeling genomen.

    • b.

      Het adres waarvoor de subsidie wordt aangevraagd en de persoonsgegevens van de eigenaar van het pand;

    • c.

      Een kopie van de meest recente WOZ-waarde van de woning.

    • d.

      Het start-energielabel van de woning of een energierapport van de woning met daarin een indicatie van het energielabel;

    • e.

      Een omschrijving van de te nemen maatregelen als bedoeld in artikel 3 (8:98) van deze paragraaf en een gespecificeerde begroting of offerte van de totale kosten (incl. de eigen bijdrage);

    • f.

      Onderbouwing van de dekking van de te betalen eigen bijdrage.

    • g.

      Een adequate identificatie van de aanvrager.

    • h.

      Een geldig IBAN.

  • 3. Indien het een subsidieaanvraag voor een of meerdere eigenaar-bewoners betreft die lid zijn van een Vereniging van Eigenaren (VvE) en zich tevens richt op activiteiten waarvoor een VvE verantwoordelijk is, dient de VvE de aanvraag in. In het geval bedoeld in de vorige volzin kunnen eigenaren van een appartementsrecht niet daarnaast ook nog een individuele aanvraag indienen.

  • 4. Bij een aanvraag door een VvE gelden de volgende aanvullende vereisten:

    • a.

      de VvE toont aan hoe de financiering voor die activiteiten die mede zijn toe te rekenen aan de leden die geen subsidie ontvangen is geregeld;

    • b.

      de VvE dient een verklaring te overleggen waarin staat dat de VvE de eigen bijdrage, van de eigenaren die subsidie ontvangen, zal voldoen.

  • 5. Indien de aanvraag wordt ingediend door een VvE moet de VvE naast het bovenstaande tevens de volgende gegevens overleggen: bezoek- en correspondentieadres, gegevens contactpersoon, splitsingsakte, IBAN van de VvE, kamer van Koophandel nummer van de VvE, informatie over de woningen (aantal dat in aanmerking komt voor de subsidie), de door het bestuur van de VvE ondertekende notulen van de Algemene Leden Vergadering waarin het besluit tot de te nemen maatregelen als bedoeld in artikel 3 (8:98) van deze paragraaf is genomen.

Artikel 8:101 Bijzondere bepalingen en verplichtingen

  • 1. Per adres kan slechts eenmaal een aanvraag worden ingediend.

  • 2. De woning dient binnen het cluster te liggen waarvoor de subsidie op grond van deze paragraaf is opengesteld.

  • 3. De aanvrager dient mee te doen met de cluster-aanpak door de gemeente voor de verduurzaming van de woningen. 

  • 4. De subsidie wordt verstrekt onder de voorwaarde dat de aanvrager meewerkt aan de totstandkoming van een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 4:36 Awb waarin wordt vastgelegd dat de aanvrager de voorgenomen maatregelen zal (laten) uitvoeren en de verschuldigde eigen bijdrage zal voldoen.

  • 5. Het college kan de subsidieverlening intrekken indien blijkt dat de activiteiten niet binnen twéé jaar na de datum van verlening van de subsidie zijn uitgevoerd.

  • 6. Bij de verleningsbeschikking kunnen, naast het in deze paragraaf en de ASV bepaalde, aanvullende verplichtingen opgelegd worden op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

  • 7. Het college kan, naar aanleiding van de aanvraag om vaststelling van de subsidie, controle verlangen van de uitgevoerde maatregelen. De aanvrager van de subsidie zal hiertoe de benodigde medewerking verlenen.

  • 8. Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over onder meer:

    • a.

      verkoop door de eigenaar-bewoner van de woning waarvoor subsidie is verstrekt;

    • b.

      alle ontwikkelingen bij de eigenaar-bewoner die ertoe kunnen leiden dat aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zullen kunnen worden nagekomen;

    • c.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend.

Artikel 8:102 Aanvullende weigeringsgronden

In aanvulling op het bepaalde in artikel 10 ASV en de artikelen 4:25 en 4:35 van de Awb kan de aanvraag geweigerd worden indien:

  • 1.

    de aanvrager of de aanvraag niet aan de bepalingen van deze paragraaf voldoet;

  • 2.

    de VvE geen toestemming verleent voor de uitvoering van activiteiten waarvoor zij verantwoordelijk is;

  • 3.

    de VvE geen eigen bijdrage betaalt zoals bedoeld in artikel 4 (8:99), tweede lid, sub f van deze regeling;

  • 4.

    het aannemelijk is dat de subsidie niet of niet volledig besteed zal worden voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt;

  • 5.

    een eigenaar-bewoner al eens eerder een subsidie op grond van deze regeling heeft ontvangen.

Artikel 8:103 Verzoek tot verlening voorschot

  • 1. Nadat het College een besluit tot subsidieverlening heeft genomen, kan de aanvrager verzoeken om verlening van een voorschot van de subsidie door het indienen en ter goedkeuring voorleggen van een of meerdere declaraties op de wijze als omschreven in het besluit tot subsidieverlening.

  • 2. Een declaratie kan betrekking hebben op het gehele subsidiebedrag, dan wel een gedeelte daarvan.

  • 3. Het College kan nadere regels stellen over de voorwaarden voor goedkeuring van een declaratie.

  • 4. Het College verleent een voorschot van de verleende subsidie bij Voorschotbeschikking.

Artikel 8:104 Uitvoering en administratie subsidiestromen

  • 1. SVn verricht en administreert, namens het College, de betalingen waartoe een besluit tot Subsidieverlening strekt.

  • 2. In afwijking van de bepalingen in de ASV wordt de subsidie op grond van deze paragraaf niet ter beschikking gesteld aan de aanvrager, uitgezonderd de situatie beschreven in het derde lid.

  • 3. Nadat een overeenkomstig artikel 8 (8:103} ingediende declaratie is goedgekeurd en SVn van het College opdracht heeft gekregen tot betaling, keert SVn het corresponderende bedrag rechtstreeks (via Stichting Derdengelden SVn) uit aan de begunstigde van de betreffende declaratie of aan de aanvrager, als deze aantoont de betreffende declaratie te hebben voorgeschoten. 

  • 4. Declaraties die worden ingediend nadat de subsidie krachtens artikel 10 (8:105) is vastgesteld, komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Artikel 8:105 Subsidievaststelling

  • 1. De aanvrager meldt, op de wijze als omschreven in het besluit tot subsidieverlening, binnen dertien weken na voltooiing van de laatste activiteit waarvoor Subsidie is verleend en in ieder geval binnen twee jaar nadat de Subsidie is verleend, aan het College dat de activiteit(en) zijn voltooid.

  • 2. Gelijktijdig met het doen van de in het eerste lid omschreven melding, dient de aanvrager bij het College een aanvraag tot Subsidievaststelling in.

  • 3. Bij de aanvraag tot vaststelling wordt door de aanvrager de akkoordverklaring (behorend bij de oplevering) en het nieuwe energielabel overgelegd.

  • 4. Het College stelt de subsidie vast op het bedrag waarvoor de aanvrager in de periode van twee jaar na subsidieverlening overeenkomstig artikel 8 (8:103) voorschotten zijn verleend. Indien een aanvraag tot Subsidievaststelling wordt ingediend voordat deze termijn van twee jaar is verlopen, stelt het College het bedrag waarvoor Subsidie is verleend, vast op het bedrag waarvoor op het moment van Subsidievaststelling voorschotten zijn verleend overeenkomstig artikel 8 (8:103).

  • 5. Indien de Aanvrager twee jaar nadat de Subsidie is verleend, nog geen aanvraag tot vaststelling van de Subsidie heeft ingediend, als omschreven in het tweede lid, stelt het College de Subsidie ambtshalve vast.

  • 6. Bij subsidies van minder dan € 5000,- wordt de subsidie direct vastgesteld, dus zonder voorafgaande subsidieverlening, in dat geval kan het college eveneens verzoeken om overlegging van het nieuwe energielabel.

Artikel 8:106 Eigendomsoverdracht

Indien de subsidieontvanger de woning in eigendom overdraagt aan een derde dient de subsidieontvanger, binnen drie maanden na de overdracht, afhankelijk van de situatie:

  • a.

    gezamenlijk met de nieuwe eigenaar een verzoek tot overdracht van de subsidie in waarbij alle verplichtingen en rechten uit de beschikking(en) en de voorwaarden en verplichtingen uit deze paragraaf op de nieuwe eigenaar overgaan.

  • b.

    een schriftelijke afstandsverklaring van de subsidie in.

Artikel 8:107 Vermogensvergoeding

  • 1. De subsidieontvanger is ook na afronding van de werkzaamheden en vaststelling van de subsidie verplicht aan het college het voornemen tot verkoop van een met subsidiegelden verbeterde woning te melden.

  • 2. Op grond van artikel 10 ASV kan het college een verplichting opleggen tot vermogensvergoeding voor zover de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming.

  • 3. In afwijking van artikel 10, tweede lis ASV wordt de hoogte van de vergoeding bepaald op grond van onderstaande tabel.

Verkoop binnen periode van

Percentage bedrag terugvordering subsidie

1 jaar

75%

2 jaar

50%

3 jaar

25%

Artikel 8:108 Horizonbepaling

Subsidieaanvragen kunnen uiterlijk tot 1 januari 2031 worden ingediend.

Artikel 8:109 Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1. Voor het totaal van de in artikel 8 (8:98) genoemde activiteiten is het subsidieplafond per subsidietijdvak (= kalenderjaar) gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Het totale subsidieplafond over de gehele looptijd van de subsidie, tot 1 januari 2031, is € 15.000.000,-.

  • 3. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het beschikbare budget, dan wordt dat budget over de op tijd ingediende en complete aanvragen verdeeld op volgorde van binnenkomst.

Bijlage

bij artikel 8:69 lid 1 sub d in Paragraaf 8.12 (Subsidie Vastgoedverbetering Vishoek-Hoekstraat-Muurstraat) van de Nadere regels Subsidies Gemeente Groningen

[vervallen]

Toelichting bij hoofdstuk 8 Nadere regels subsidies gemeente Groningen

Toelichting paragraaf 8.1

Artikelsgewijze toelichting

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 9 Onderhoud en beheer openbare ruimte (RO/EZ)

(vervallen)

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Artikel 10:1 Inwerkingtreding

Deze nader1e regels treden in werking op 1 november 2011.

Artikel 10:2 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als Nadere regels subsidies gemeente Groningen.

Ondertekening

Gedaan te Groningen in de collegevergadering van 3 mei 2011.
De burgemeester,
dr. J.P. (Peter) Rehwinkel.
De secretaris,
drs. M.A. (Maarten) Ruys.

Bijlage 1: Kwaliteitseisen VVE (inspectiekader) bij Nadere regels basis ontwikkelingsgerichte programma’s en VVE programma’s

Bijlage 1: Kwaliteitseisen VVE (inspectiekader) bij Nadere regels basis ontwikkelingsgerichte programma’s en VVE programma’s

Toelichting

Algemene toelichting

Paragraaf 3.1 Voorschoolse educatie

Elke Groningse peuter kan vanaf tweejarige leeftijd, tot het moment waarop de peuter uitstroomt naar de basisschool, gebruik maken van voorschoolse educatie gedurende minimaal 320 tot maximaal 640 uur op jaarbasis bij een houder van een VVE geregistreerd kindercentrum. De gemeente Groningen vergoed jaarlijks tot dit maximum van 640 uur. Afhankelijk van de werkwijze van de voorschoolse voorziening is dit verdeeld in: 8 uur per week, verdeeld over minimaal twee dagdelen van 4 uur per week, gedurende 40 weken per kalenderjaar, 12 of 16 uur per week, verdeeld over minimaal drie dagdelen van 4 of 6 uur, over minimaal drie dagen per week, gedurende 40 weken per kalenderjaar.

Elke Groningse peuter met een VVE indicatie (doelgroep peuters) wordt vanaf de leeftijd van tweeëneenhalf jaar, tot het moment waarop de peuter uitstroomt naar de basisschool, gestimuleerd om gebruik te maken van 16 uur. Alleen indien hiervan sprake is hebben ouders recht op 8 uur gratis.

Ter verduidelijking: peuters met een VVE indicatie vanaf 2,5 jaar die 320 uur per jaar deelnemen aan voorschoolse educatie, tegen betaling van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage, hebben recht op 320 volledig door de gemeente gesubsidieerde uren per jaar extra, mits zij ook 640 uur komen.

NB Om een flexibele overgang mogelijk te maken, kan de uitbreiding van het VVE programma van bijvoorbeeld 8 naar 16 uur per week door een houder aan een geïndiceerde peuter worden aangeboden in de leeftijdsperiode tussen twee jaar en vier maanden en twee jaar en acht maanden.

Inkomensafhankelijke ouderbijdrage

Alle ouders van wie de peuter gebruik maakt van de voorschoolse voorziening VVE betalen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Bij de berekening onderscheidt de houder twee groepen ouders: ouders met en ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag (KOT- en niet-KOT-peuters). De houder berekent de hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag volgens onderstaande procedure.

Groep 1: ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag (niet-KOT-peuters):

Ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag betalen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage per uur voor de peuter die deelneemt aan de voorschoolse basisvoorziening VVE van 8, 12 of 16 uur per week aan de hand van het gezamenlijke verzamelinkomen, het daaraan verbonden percentage tegemoetkoming van het Rijk als percentage van de kosten kinderopvang (A) en het Rijksnormtarief voor dagopvang (B) volgens de kinderopvangtoeslagtabel wordt de hoogte van de ouderbijdrage als volgt bepaald: € (100% minus A) maal B per uur. Vervolgens wordt dit bedrag in mindering gebracht op het subsidiebedrag per uur dat de gemeente hanteert.

Groep 2: ouders met recht op kinderopvangtoeslag:

Ouders die recht hebben op kinderopvangtoeslag vragen deze aan voor 8, 12 of 16 uur. De houder brengt de uren per week keer het Rijksnormtarief voor dagopvang (B) volgens de kinderopvangtoeslagtabel, in rekening aan de ouders.

De gratis uren voor peuters met een VVE indicatie mogen door de ouder niet in rekening gebracht worden bij de belastingdienst (zie verder hieronder)

In het contract dat tussen houder en ouder wordt gesloten, verklaart de ouder dat in slechts één voorziening maximaal 8 gratis uren worden afgenomen, voor zover dat op de ouder van toepassing is.

Zoals hierboven aangegeven is er een onderscheid in peuters van wie de ouders recht hebben op een toeslag via de belastingdienst volgens de wet Kinderopvang (KOT-peuters) en peuters van wie de ouders hier geen recht op hebben. Daarnaast is er ook nog onderscheid in peuters met en zonder een VVE indicatie.

Voor de peuters zonder een VVE indicatie geldt een ondergrens van 2 dagdelen voorschoolse educatie en een bovengrens van 16 uur voorschoolse educatie.

Peuters met een VVE indicatie krijgen altijd een aanbod van 16 uur, verdeeld over 4 dagdelen van 4 uur verdeeld over vier dagen (gewenst) of 2 dagdelen van 6 uur en 1 dagdeel van 4 vier uur verdeeld over drie dagen. Desgewenst kan, indien sprake moet zijn van maatwerk, hiervan afgeweken worden in 3 dagdelen van 5,5 uur maar de subsidie geldt altijd voor 16 uur

VVE-peuters vanaf 2,5 jaar (KOT-/ niet-KOT-peuters) krijgen 16 uur voorschoolse educatie per week

  • *

    Niet KOT-ouders betalen hiervoor 8 uur inkomensafhankelijke ouderbijdrage, de Gemeente Groningen betaalt de overige 8 uur,

  • *

    KOT-ouders vragen voor 8 uur kinderopvangtoeslag aan, de Gemeente Groningen betaalt de overige 8 uur.

Nb. Voor KOT-peuters die al gebruik maken van reguliere kinderdagopvang, geldt dit niet. Zie hieronder.

VVE peuters die al kinderopvang hebben voordat ze 2,5 jaar worden.

Er zijn KOT -ouders die reguliere kinderopvang afnemen van wie de peuter een VVE-indicatie heeft of krijgt. Wanneer ouders al 2 dagen of 2 dagdelen kinderopvang afnemen kunnen zij wanneer hun kind 2,5 jaar wordt en een VVE indicatie krijgt respectievelijk een extra dagdeel van 4 uur (bij 2 dagen) of 6 uur (bij 2 dagdelen van 6 uur) aangeboden krijgen.

Als dit kind al 3 dagdelen komt, dan is dat (bij minimaal 16 uur) uur per week voldoende voor VVE en worden geen extra VVE uren aangevraagd. Bij 1 dag kinderopvang zouden er nog max. 2 dagdelen van 4 uur VVE bijkomen.

Gratis uren en aanvraag toeslag:

WKO-ouders van kinderen die een VVE indicatie krijgen kunnen voor de gratis uren (maximaal 8) die de Gemeente Groningen wil bieden geen kinderopvangtoeslag aanvragen. Dit is wettelijk niet toegestaan. De belastingdienst stelt een inkomensafhankelijke bijdrage voor alle uren verplicht. Deze uren komen derhalve volledig voor rekening van de Gemeente Groningen. De instellingen sturen deze ouders een factuur van minimaal 8 uur.

  • 1.

    Niet-KOT-peuters zonder VVE indicatie krijgen vanaf 2 jaar minimaal 2 dagdelen van 4 uur (8 uur) en maximaal 16 uur voorschoolse educatie verdeeld over de 3 dagen in de week aangeboden en betalen hiervoor een inkomensafhankelijke ouderbijdrage.  

  • 2.

    KOT-peuters zonder VVE indicatie krijgen vanaf 2 jaar minimaal 2 dagdelen van 4 uur (8 uur) en maximaal 16 uur voorschoolse educatie aangeboden, verdeeld over de 3 dagen in de week en betalen hiervoor een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Zij vragen hiervoor Kinderopvangtoeslag aan via de belastingdienst.

NB Ouders die over willen stappen naar meer dagdelen uur betalen naar rato ook meer ouderbijdrage. Met ouders die minder willen afnemen maakt de instelling gepaste afspraken

 

Voorrangsregels

Een instelling spant zich altijd zoveel mogelijk in om VVE geïndiceerde peuters snel te plaatsen volgens de afspraken die hierover met de JeugdGezondheidszorg zijn gemaakt.

De gemeente Groningen groeit de komende jaren. Deze groei mag niet ten koste gaan van de leefkwaliteit. In de concept omgevingsvisie Levende Ruimte (2021) is aangegeven dat we een zo hoog mogelijke leefkwaliteit in een groene, gezonde en veilige leefomgeving nastreven. We maken daarmee onder andere werk van klimaatadaptatie.

De vijf belangrijkste opgaven voor de gemeente Groningen zijn:

  • 1.

    Faciliteren groei van de gemeente.

  • 2.

    De werkgelegenheid groeit mee in stad en regio.

  • 3.

    De groeiende gemeente blijft leefbaar, veilig en aantrekkelijk voor álle inwoners.

  • 4.

    De energietransitie wordt versneld.

  • 5.

    Iedereen doet mee en helpt mee in een gezonde groeiende gemeente.

In de Omgevingsvisie wordt de strategie voor elke opgave verwoord. In de omgevingsvisie worden alleen de hoofdlijnen van het beleid verwoord. Het thema klimaatadaptatie is verweven in de vijf strategieën. De uitwerking van de Omgevingsvisie gebeurt in gebiedsvisies en thematische beleidsnota’s. Op het thema klimaatadaptatie zijn al diverse beleidsnota’s opgesteld. Het gaat om het Groninger Water en Rioleringsplan, Uitvoeringsagenda Klimaatbestendig Groningen en Groenplan Vitamine G. Deze worden hierna kort beschreven.

Uitvoeringsagenda Klimaatbestendig Groningen Klimaatadaptie is het treffen van maatregelen die nodig zijn vanwege de veranderingen in het klimaat. Centraal daarbij staat de vraag op welke manier wij ons het beste kunnen voorbereiden op en aanpassen aan deze effecten. Daarover gaat de uitvoeringsagenda Klimaatbestendig Groningen. De ambitie is een klimaatbestendig Groningen in 2050. Om dit te bereiken zijn er vier doelstellingen geformuleerd:

  • 1.

    Wateroverlast voorkomen;

  • 2.

    Hittestress voorkomen en verminderen;

  • 3.

    Ruimtelijke kwaliteit verbeteren;

  • 4.

    Kwetsbare groepen extra beschermen.

Dit gaan we bereiken door integraal en toekomstgericht te werken. Ook is samenwerking met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties essentieel. Als gemeente geven we tevens het goede voorbeeld. Klimaatverandering is niet alleen een uitdaging voor overheden, maar ook van burgers, bedrijven en instellingen. Zij zullen ook zelf aan de slag moeten met de klimaatverandering. De gemeente kan hierbij helpen. Om partijen in beweging te brengen, kan de gemeente stimulerende en activerende maatregelen treffen. Denk hierbij aan bijvoorbeeld aan communicatiemiddelen of een subsidieregeling voor klimaatadaptieve maatregelen.

Groninger Water en Rioleringsplan

In het Groninger Water en Rioleringsplan (GWRP) staat het behoud en de versterking van een gezonde leefomgeving centraal. Het GWRP is in de eerste plaats een beheerplan voor riolering en oppervlaktewater. Het gaat over het efficiënt en doelmatig in stand houden van het (afval)watersysteem. We doen dat in een veranderende wereld, waarin onze inwoners, onze omgeving en klimaatverandering nieuwe opgaven stellen.

Riolering is en blijft een belangrijk middel voor het handhaven van een goede volksgezondheid en het voorkomen van de verspreiding van ziektes. De gemeente Groningen geeft met dit plan invulling aan haar zorgplichten, zoals omschreven in de Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken. Het GWRP bevat een financieel kader dat gebaseerd is op de drie zorgplichten:

  • 1.

    Zorgplicht voor inzameling en transport van stedelijk afvalwater;

  • 2.

    Zorgplicht voor doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater;

  • 3.

    Zorgplicht voor het nemen van grondwatermaatregelen.

Deze zorgplichten raken aan maatschappelijke ontwikkelingen en klimaatverandering. Een van de speerpunten in het GWRP is klimaatadaptatie. Als het gaat om klimaatadaptatie dan zijn de volgende vragen leidend:

  • -

    Hoe kunnen wij bij een veranderend klimaat ook in de toekomst een prettige leef- en werkomgeving behouden?

  • -

    Hitte, droogte en zwaardere buien zorgen potentieel voor steeds meer overlast en schade. Hoe kunnen we die overlast en schade in de toekomst zo veel mogelijk beperken?

De gemeente streeft een robuust rioolstelsel na, waarin zo veel mogelijk regenwater aan de bron wordt gescheiden en zo veel mogelijk direct wordt afgevoerd naar de bodem of het oppervlaktewater. Het beleid richt zich daarom op de aanleg van gescheiden riolering bij nieuwbouw en wijkvernieuwing. Bij grootschalige renovatie of herstructurering is gescheiden afvoer de norm. Zo mogelijk wordt het water van daken en erven direct via een regenwaterafvoer naar het oppervlaktewater afgevoerd. Ook wordt er actief regenwater afgekoppeld; op kavelniveau doen we dit op kleine schaal via Operatie Steenbreek. We zien kansen voor een intensivering van afkoppelen. Datzelfde geldt voor waterberging op eigen terrein. De aanleg van groene daken helpt ook om de afvoer te vertragen en het regenwater te benutten. Andere voordelen zijn het tegengaan van hittestress en het verhogen van de biodiversiteit.

Groenplan Vitamine G

Via het groenplan Vitamine G zet de gemeente in op meer groen, beter groen en bereikbaarder groen. Naast het toevoegen van extra groen en het verbeteren van bestaand groen in de openbare ruimte zetten we samen met inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties in op het ontstenen en vergroenen van privé-eigendommen. Daarmee zorgen we voor we onder andere verkoeling en het vasthouden van regenwater.

We vinden het belangrijk om het groen in de woonomgeving te verbeteren en het gebruik ervan te laten toenemen. Groen in de directe omgeving verbetert namelijk de leefkwaliteit, niet alleen op het gebied van klimaatadaptatie, maar ook op gezondheid. We zetten in op meer groen in de directe nabijheid van inwoners, zowel in de openbare ruimte als in tuinen en bedrijfsterreinen. Groen nodigt uit tot ontmoeting met straatgenoten of collega’s, zorgen ervoor dat men gaat bewegen of juist tot rust kunt komen.

Het vergroenen van buurten en dorpen doen we samen met de inwoners. In de gemeente zijn tal van projecten die de nabijheid van groen vergroten of waarbij inwoners het initiatief kunnen nemen voor het opzetten van eigen groenprojecten, zoals Eetbaar Groningen en via Operatie Steenbreek. De projecten zorgen voor een kwaliteitsimpuls in de straat. Met kleine en eenvoudige maatregelen is een straat groener te maken. Ook zetten we in op het vergroenen van daken. Het bestaande programma aan groenparticipatie en stimuleringsprojecten gaan we aanvullen. We richten ons meer en meer op het vergroenen van de directe leefomgeving en particuliere terreinen in wijken en dorpen. Naast groene daken zetten we in op de aanplant van extra bomen in tuinen via Nieuwe dag, Nieuwe boom. Ook het vergroenen van gevels is een van de projecten die in het Groenplan is opgenomen zodat meer verticaal groen wordt toegepast. Met eenvoudige en goedkope maatregelen zijn gevels te voorzien van beplanting. In het uitvoeringsprogramma Groen is aangegeven om te onderzoeken of de bestaande groene dakenregeling is te verruimen naar een brede groenblauwe regeling voor klimaatadaptieve maatregelen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 3:4 lid 4 onder b.

Uitvoering en Materiaalkosten VVE Thuisprogramma’s thuis

Gekoppeld aan het VVE programma dat aan de kinderen wordt aangeboden, ontvangen de ouders een ouderprogramma. Voor ouders van geïndiceerde VVE kinderen betreft dit een uitgebreider programma.

In de meeste gevallen zal het hierbij gaan om het programma VVE thuis, dat is opgenomen in de databank van het Nederlands Jeugd Instituut (NJI). Zowel scholing in dit programma als de kosten van het materiaal kunnen door de gemeente worden vergoed. We gaan er daarbij vanuit dat het programma op ‘intensieve locaties’ wordt uitgevoerd en ouders van ander locaties kunnen aanhaken. Daarbij kan samenwerking gezocht worden met het WIJ-team. Aanvragen voor scholing en materiaalkosten kunnen alleen voor het VVE thuis programma en alleen voor locaties met groepen waarvan 20% of structureel 4 kinderen een VVE indicatie hebben worden aangevraagd.

Artikel 8:27 Subsidiabele activiteiten

De regeling bestond tot en met 2021 alleen uit het subsidiëren van groene daken. Omdat niet iedereen de mogelijkheid had om voor deze subsidie in aanmerking te komen (dak is bijvoorbeeld ongeschikt) en omdat nog meer maatregelen bijdragen aan een klimaatadaptieve gemeente, is het aantal subsidiabele activiteiten uitgebreid. In totaal komen zes klimaatadaptieve maatregelen in aanmerking voor subsidie. Maatregelen die subsidiabel zijn hebben een minimale omvang zodat deze vrijwel direct na toepassing ook daadwerkelijk een positieve impact hebben.

De regeling spitst zich toe op de transitie van de bestaande bebouwing in de gemeente Groningen. Gebouwen die na 1 januari 2022 zijn opgericht en in gebruik zijn genomen komen niet in aanmerking voor deze regeling. Later in 2022 wordt het beleidskader natuur inclusief bouwen van kracht. Hiermee stelt de gemeente een nieuwe norm met betrekking tot hoe maatregelen in, op/aan en direct om een gebouw de biodiversiteit versterken. Daarbij zetten we eerst in op de toepassing van dit beleidskader bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De specifieke maatregelen voor aan/op en direct om het gebouwen die in het beleidskader zijn opgenomen hebben ook een effect op het klimaat adaptief maken van de gemeente. Bij uitstek bij nieuwe ontwikkelingen zijn direct de juiste klimaatadaptieve en biodiversiteitsversterkende maatregelen toepasbaar zodat een subsidieregeling.

Ook scholen en kinderopvanglocaties komen niet in aanmerking voor deze regeling. In 2021 is de gemeente gestart met het vergroenen van schoolpleinen. In 2022 wordt dit gecontinueerd via een aparte subsidieregeling. Scholen kunnen via die weg in aanmerking komen voor financiële ondersteuning.

Panden met een monumentale status of een beeldbepalende waarde van de gevel komen niet in aanmerking voor de onderdelen Groen dak en groene muur uit de regeling. Het behoud van deze monumentale en beeldbepalende waarden heeft prioriteit.

Artikel 8:28 Subsidie per activiteit

Tot 2021 kende de gemeente Groningen een royale regeling. Om de ambitie van groene daken te vergroten en vooral inwoners in aanmerking te laten komen voor de subsidie is het subsidiabele bedrag verlaagd naar € 25 per meter. Daarmee is het subsidiabele bedrag gelijk aan gemeenten als Utrecht en Eindhoven. We begrenzen de oppervlakte van de oppervlakte zodat grote panden geen onevenredig beroep doen op het beschikbare budget. Met deze keuzes kunnen nog meer inwoners dan voorheen gebruik maken van dit onderdeel van de totale regeling. We geven subsidieverkrijgers de mogelijkheden om verschillende maatregelen met elkaar te combineren zodat er een minimaal subsidiebedrag per aanvraag kan worden uitgekeerd en deze in verhouding is met de administratieve last (het verwerken van een subsidieaanvraag door de gemeentelijke organisatie). Ook stellen we een grens aan het subsidiebedrag waar inwoners aanspraak op kunnen maken, zodat het bereik van de regeling groter is. Ook het hanteren van het uitgangspunt dat elk adres in de gemeente slechts één aanvraag per jaar kan indienen draagt daar aan bij.

Artikel 8:29 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

Voor een eenduidige en snelle verwerking is het van belang dat de benodigde informatie wordt verstrekt bij het indienen van een subsidieaanvraag. Met een vastgesteld formulier is een eenduidige en snelle verwerking ook te bewerkstelligen. De maatregelen die in aanmerking komen moeten bijdragen aan een klimaatadaptieve gemeente Groningen en moeten dus worden toegepast worden aan gebouwen of op percelen die zijn gelegen binnen de gemeentegrenzen.

In het tweede lid worden bijzondere bepalingen benoemd waaraan een aanvraag aan moet voldoen. Op basis van de gegevens die worden gevraagd is te bepalen of de kosten van de toe te passen maatregelen waarvoor subsidie wordt aangevraagd redelijk zijn. Via een tekening en foto’s kan achteraf worden bepaald of maatregelen waar mogelijk subsidie voor wordt verstrekt ook daadwerkelijk zijn toegepast en in stand zijn gehouden. Omdat maatregelen op of aan privé-eigendommen worden getroffen moet eigenaar altijd instemmen met de toepassing en de aanvraag voor een eventuele subsidie. Een aanvraag wordt niet in behandeling genomen als deze niet compleet is.

Om de administratieve last te verminderen wordt geen verantwoordingsdocument gevraagd na toepassing van de maatregelen. We vertrouwen erop dat de subsidieverkrijger ter goede trouw handelt. Op basis van steekproeven voeren wij controles uit of de verkregen subsidie ook op juiste gronden binnen een kalenderjaar na verlening van de subsidie is toegepast. Elke subsidieverkrijger werkt mee aan een controle.

Om de gemeente klimaat adaptief te maken is het van belang dat te treffen maatregelen juist worden uitgevoerd. Alleen dan hebben de maatregelen het optimale effect en is er sprake van een duurzame instandhouding, in elk geval voor een periode van minimaal 10 jaar. Maatregelen die worden gesubsidieerd dienen te allen tijde effectief en duurzaam te zijn. Advies over en toepassing van de maatregelen door deskundigen wordt sterk aanbevolen.

In de algemene subsidieverordening Groningen 2019 is in artikel 17 aangegeven aan het college binnen 13 weken een besluit neemt over de aanvraag om subsidie. Dit is eerste lid bevat –overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb– de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden. Ervaring leert dat aanvragen omtrent subsidie groene daken veelal binnen 8 weken na aanvraag vastgesteld konden worden. Bij de verbreding van de regeling naar klimaatadaptieve maatregelen handhaven we deze periode van 8 weken. Lid 7 geeft het college een ruimere periode tot uitbetaling van de subsidie dan is benoemd in de algemene subsidieverordening. Desalniettemin biedt deze termijn zekerheid aan subsidieontvangers.

Artikel 8:31 Subsidieplafond en verdelingsregels

Het eerste lid geeft aan welk budget jaarlijks beschikbaar is voor de ondersteuning van te treffen klimaatadaptieve maatregelen op privaat eigendom. Het jaarlijks subsidiebedrag van € 500.000,- is opgebouwd via een bijdrage uit het GWRP en SIF Groen. De bijdrage uit het GWRP wordt alleen ingezet voor klimaatadaptieve maatregelen die afvoer van regenwater naar de riolering vertraagt of wegneemt. Daarmee besteden we de middelen uit het GWRP waarvoor ze zijn bedoeld. De vergroeningsmaatregelen worden bekostigd met middelen uit het SIF Groen.

In het tweede lid wordt geregeld dat door het college verdeelregels van het beschikbaar gestelde subsidiebudget worden opgenomen. Gekozen is voor de meest eenvoudige vorm, namelijk een verdeelmechanisme op volgorde van binnenkomst, “wie het eerst komt, het eerst maalt”, waarbij volledig ingediende aanvragen in volgorde van ontvangst worden behandeld. Met het oog op de rechtszekerheid verlangt de Awb, dat subsidieplafond(s) en de wijze van verdeling van de beschikbare middelen voor subsidiering bekend wordt gemaakt, vóórdat deze, ingaat. Zo kunnen potentiële aanvragers tijdig weten hoeveel geld beschikbaar is. Maar vooral van belang is, dat subsidieaanvragen zonder nadere motivering kunnen worden afgewezen op het moment dat het subsidieplafond bereikt is.