NADERE REGELS SUBSIDIES GEMEENTE GRONINGEN

Geldend van 21-09-2019 t/m 02-10-2019

Intitulé

NADERE REGELS SUBSIDIES GEMEENTE GRONINGEN

HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN GRONINGEN;

(BD 11.2583046);

Gezien het voorstel 18 april 2011;

Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 3 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2011;

BESLUIT:

de Nadere regels subsidies gemeente Groningen vast te stellen.

Wijzingen en inhoudsopgave

Deel 1 – Algemeen

Indieningsvereisten en procedureregels

Artikel 1 Begripsbepalingen

In aanvulling op de begripsbepalingen die zijn opgenomen in de ASV wordt voor de toepassing van deze nadere regels verstaan onder:

  • 1.

    Verplicht subsidiedocument: een document dat alle gegevens bevat die vereist zijn voor een zorgvuldige beoordeling van de aanvraag voor subsidieverlening of subsidievaststelling en waarvan de indiening verplicht is gesteld op grond van de wet, de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen of bij beschikking tot subsidieverlening of beschikking tot subsidievaststelling.

  • 2.

    Indieningsdatum: de uiterste datum waarop een verplicht subsidie-document moet zijn ingediend. De Algemene termijnenwet is van toepassing.

  • 3.

    Tijdige indiening: een verplicht subsidiedocument is tijdig ingediend als het voor de uiterste indieningsdatum door het college is ontvangen. Bij verzending per post is een verplicht subsidiedocument tijdig ingediend als het voor de uiterste indieningsdatum ter post is bezorgd, mits het niet langer dan een week na de uiterste indieningsdatum is ontvangen.

  • 4.

    Uitstelverzoek: een verzoek om uitstel voor het indienen van een verplicht subsidiedocument.

Artikel 2 Indieningsvereisten
  • 1. Als een aanvraag om een jaarlijkse subsidie niet voor de uiterste indieningsdatum is ingediend, stelt het college de aanvrager eenmaal in de gelegenheid de aanvraag alsnog in te dienen. Het college stelt daarvoor een uiterste datum voor welke de aanvraag moet zijn ingediend.

  • 2. Het college neemt te laat ingediende aanvragen om subsidieverlening niet in behandeling tenzij de aanvrager aannemelijk maakt dat sprake is van overmacht, ter beoordeling door het college.

  • 3. Als een verplicht subsidiedocument tijdig maar onvolledig is ingediend, stelt het college de aanvrager eenmaal in de gelegenheid om dit aan te vullen. Het college stelt daarvoor een uiterste datum, voor welke de aanvulling moet zijn ingediend. De beslistermijn schort op voor de duur van de gestelde termijn.

  • 4. Als een subsidieaanvrager niet in staat is een verplicht subsidiedocument tijdig in te dienen wegens omstandigheden die het college zijn aan te rekenen dan zal het college de indieningsdatum opschorten. De opschorting eindigt zodra de hiervoor bedoelde omstandigheden zich niet meer voordoen. Het college maakt de opschorting van de indieningsdatum schriftelijk aan de subsidieaanvrager of -ontvanger bekend.

  • 5. Als de in lid 3 bedoelde uiterste termijn ongebruikt is verstreken, doet het college schriftelijk mededeling van die constatering en stelt zij de aanvrager op de hoogte van de consequenties van dit verzuim. Dit kan zijn:

    • -

      de aanvraag buiten behandeling stellen;

    • -

      subsidie ambtshalve vaststellen;

    • -

      het opleggen van een sanctie.

  • 6. In dien het college besluit een sanctie op te leggen bestaat deze uit een verlaging van de subsidieverlening met 1% van de verleende subsidie tot een maximum van € 100,00 voor elke dag na die waarop het college het verzuim heeft vastgesteld tot aan de dag waarop het verzuim is opgeheven. Betreft het in lid 3 bedoelde verzuim een aanvraag om subsidievaststelling dan bestaat de sanctie uit een verlaging van de subsidievaststelling met 1% van het bedrag waarop de subsidie zou zijn vastgesteld tot een maximum van € 100,00 voor elke dag na die waarop het college het verzuim heeft vastgesteld tot aan de dag waarop het verzuim is opgeheven.

  • 7. Zodra drie maanden zijn verstreken sinds de dag waarop het college het verzuim als bedoeld in de leden 3 en 6 van dit artikel heeft vastgesteld, kan het college de subsidieverlening intrekken of ambtelijk vaststellen.

Artikel 3 Uitstelverzoeken
  • 1. Een aanvrager kan eenmalig een uitstelverzoek indienen voor maximaal acht weken. Dit kan schriftelijk of langs elektronische weg.

  • 2. Het college weigert een uitstelverzoek als:

    • a.

      dit onbevoegd is ingediend;

    • b.

      dit later is ingediend dan 2 weken voor voor de uiterste indieningsdatum

    • c.

      dit naar het oordeel van het college niet is voorzien van een deugdelijke motivering.

  • 3. Het college beslist schriftelijk zo spoedig mogelijk op een uitstelverzoek doch uiterlijk binnen twee weken na ontvangst daarvan.

Paragraaf 0.3

Kostprijsmethode

Vervallen

 

Paragraaf 0.4

Vermogensvergoeding

Vervallen

 

Deel 2 – Sectoren en beleidsvelden

Hoofdstuk 1 Werk en inkomen

Paragraaf 1.1

Arbeidsmarktbeleid en maatschappelijke participatie

Artikel 1.1 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verstrekken ten behoeve van:

  • a.

    activiteiten die gericht zijn op de deelname aan het arbeidsproces dan wel op het verbeteren van de positie op de arbeidsmarkt van werklozen;

  • b.

    activiteiten die gericht zijn op het voorkomen van werkloosheid;

  • c.

    overige activiteiten die gericht zijn op het bevorderen van de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau.

Artikel 1.2 Bijzonder bepalingen/verplichtingen
  • 1. Een aanvraag om subsidieverlening voor activiteiten waarop ook een beroep is of zal worden gedaan op fondsen van de Europese Unie, is tijdig ingediend indien deze aanvraag vóór 15 november in het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin de activiteiten worden uitgevoerd, is ingediend.

  • 2. Het college kan op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid een besluit nemen onder de voorwaarde van subsidieverlening door of vanwege de Europese autoriteit overeenkomstig de betreffende aanvraag.

  • 3. Het college kan in verband met een doelmatige verdeling van het beschikbare budget aan subsidieontvangers met gelijksoortige activiteiten de verplichting opleggen dat zij functioneel samenwerken en hun activiteiten op elkaar afstemmen.

Artikel 1.3 Aanvullende weigeringsgronden

Het college kan in aanvulling op artikel 9 van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 een subsidieaanvraag ook weigeren indien:

  • a.

    de subsidieontvanger zich blijkens zijn statuten niet dan wel in onvoldoende mate inzet voor de bestrijding van de werkloosheid en/of de bevordering van de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau;

  • b.

    de activiteiten leiden tot doorkruising van andere werkgelegenheidsbevorderende activiteiten;

  • c.

    de activiteiten leiden tot onredelijke concurrentie jegens derden;

  • d.

    de activiteiten niet arbeidsmarktrelevant zijn.

Artikel 1.4 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor elk kalenderjaar is voor het subsidiëren van de activiteiten als bedoeld in artikel 1:2 het bedrag beschikbaar zoals dat in de begroting voor het betreffende kalenderjaar is vastgesteld.

  • 2. Wanneer voor enig kalenderjaar het totaalbedrag van de aanvragen het bedrag als bedoeld in het eerste lid overschrijdt, worden de aanvragen toegekend op basis van de volgorde van binnenkomst bij het college.

Toelichting bij hoofdstuk 1 Nadere regels subsidies gemeente Groningen

Paragraaf 1.1 Arbeidsmarktbeleid en maatschappelijke participatie

Artikel 1:1 Subsidiabele activiteiten

Het gaat in dit artikel hoofdzakelijk om activiteiten die duidelijk ten doel hebben de kansen van langdurig werklozen op de reguliere arbeidsmarkt te vergroten. Het kan hierbij gaan om werk-/leerprojecten maar ook om scholingstrajecten op allerlei niveaus. Uitgangspunt moet zijn dat er uiteindelijk voor de betrokken deelnemers aan de projecten betere kansen ontstaan op de reguliere arbeidsmarkt. Hiernaast kan het gaan om projecten die in het kader van arbeidsinschakeling een bijdrage leveren aan het vergroten van de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig zijn aangewezen op een inkomen op minimumniveau.

Artikel 1:2 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

In het eerste en tweede lid gaat het in de praktijk om een beroep op het Europees Sociaal Fonds. De gemeente fungeert hierbij als doorgeefluik. De Europese regeling stelt hier als voorwaarde voor de verstrekking van een subsidie dat de gemeente ofwel het te subsidiëren project zelf uitvoert ofwel zich garant stelt voor de goede uitvoering van het te subsidiëren project.

Artikel 1:3 Aanvullende weigeringsgronden

Het onder a gestelde heeft ten doel te voorkomen dat puur commerciële activiteiten worden gesubsidieerd.

Onder b tot en met d worden in dit artikel situaties genoemd waarin subsidieverstrekking overbodig dan wel strijdig is met de doelstelling van werkloosheidsbestrijding. Om aanvragen hierop te kunnen beoordelen zal, indien nodig, extern nader advies worden ingewonnen. Gedacht kan worden aan het UWV voor wat betreft de arbeidsmarktrelevantie en bedrijfsorganisaties (voor de verschillende bedrijfstakken) als het gaat om het aspect van oneerlijke concurrentie.

Paragraaf 1.2

Armoedebeleid

Onderstaande Nadere regel is gebaseerd op de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2019 (ASV).

Artikel 1.5 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen aan instellingen die in belangrijke mate en effectief, daar waar nodig op een innoverende wijze, een bijdrage leveren aan het doorbreken van de armoede-overdracht van ouder op kind. Daarnaast kan subsidie worden verleend voor activiteiten die eraan bijdragen dat een bredere doelgroep met een laag inkomen kan meedoen in de samenleving, een betere kwaliteit van leven kan hebben en/of stappen kan zetten naar het voorkomen of oplossen van (dreigende) armoede. Ook kunnen te subsidiëren initiatieven bijdragen aan een betere herkenning van armoede in de samenleving of het doorbreken van het taboe erop.

Artikel 1:6 Doelgroep

Personen met een inkomen tot 120% van de geldende bijstandsnorm en/of die in traject zijn bij of gebruik maken van de schuldhulpverlening van de Groningse Kredietbank (GKB), te weten:

  • 1.

    gezinnen met kinderen tot 18 jaar

  • 2.

    jongvolwassenen tot en met 23 jaar

  • 3.

    volwassenen zonder kinderen vanaf 24 jaar

Artikel 1:7 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de onder 1. genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 1:8 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

Met betrekking tot de inhoud van de activiteiten zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  • a.

    plannen voor activiteiten worden altijd samen met ervaringsdeskundigen gemaakt. Daar waar het gaat om activiteiten voor kinderen worden kinderen én hun ouders betrokken.

  • b.

    waar mogelijk is sprake van samenwerking/ coalitievorming/verbinding met andere (maatschappelijke) partijen plaats te vinden, zodat in gezamenlijkheid een groter resultaat bereikt wordt;

  • c.

    de activiteiten worden regelmatig geëvalueerd met mensen uit de doelgroep. Daar waar het gaat om activiteiten voor kinderen worden kinderen én hun ouders betrokken.

  • d.

    de activiteiten verantwoord zijn in het licht van de benodigde investering (menskracht en geld).

Het project/programma, initiatief of de te subsidiëren aanpak is of draagt zoveel mogelijk bij aan:

  • e.

    inzet vanuit de samenleving voor mensen in armoede.

  • f.

    een totaal aan activiteiten en voorzieningen die elkaar aanvullen, versterken en/of versnellen.

  • g.

    herkenning van armoede binnen de samenleving en de verbinding naar ‘een volgende stap’.

  • h.

    laagdrempeligheid en toegankelijkheid door de wijze van bejegening, een zo eenvoudig mogelijke inrichting en het niet botsen met andere projecten of regels.

  • i.

    mensgerichtheid en ruimte voor maatwerk.

  • j.

    het daadwerkelijk verzachten of wegnemen van barrières zodat de persoon de regie op het leven kan versterken of terugkrijgen.

  • k.

    ondersteuning of aandacht die zolang duurt als de persoon dit nodig heeft zodat de persoon niet terugvalt.

Artikel 1:9 Beoordeling aanvragen

Bij de beoordeling van een subsidieaanvraag weegt het college, indachtig de volgorde bepaling van de doelgroep, de onder a. tot en met k. genoemde onderdelen afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang beschouwd en de mate waarin de verschillende aanvragen invulling geven aan bedoelde activiteiten en geeft uitsluitsel daarover, die kan luiden:

  • I.

    Komt in aanmerking voor subsidieverlening.

  • II.

    Komt eerst niet aanmerking voor subsidie, wordt in gelegenheid gesteld om aanvraag aan te vullen.

  • III.

    Komt niet in aanmerking voor subsidie omdat door andere aanbieders voldoende wordt voorzien in de geboden activiteiten.

  • IV.

    Voldoet niet of onvoldoende aan de gestelde voorwaarden, komt niet in aanmerking voor subsidieverlening.

Het college kan op grond van individuele en bijzondere omstandigheden hiervan afwijken.

Artikel 1.10 Weigeringsgronden

Het college weigert een aanvraag als de voorgenomen activiteit(en) van de aanvragende instelling

  • -

    niet toegankelijk is voor de gehele doelgroep;

  • -

    het gaat om leer-werktrajecten;

  • -

    het gaat om re-integratietrajecten;

  • -

    de activiteiten voor volwassenen niet kortdurend zijn.

Aanvragen die niet tijdig zijn binnengekomen volgens de bepalingen van de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen (ASV) worden geweigerd.

Artikel 1.11 Subsidieplafond en verdelingsregels

Voor de subsidiabele activiteiten in het kader van armoedebeleid wordt jaarlijks een subsidieplafond ingesteld. Ingeval de toegelaten instellingen (die aan de voorwaarden voldoen) gezamenlijk meer subsidie aanvragen dan er aan budget beschikbaar is, wordt de subsidie toebedeeld naar rato van het bedrag van de subsidieaanvraag.

Hoofdstuk 2 Economie en werkgelegenheid (BSD)

Paragraaf 2.1 Bijzondere leerstoel van de Studie van de Economie van de lagere overheden

Artikel 2:1 Relevant arrangement

Op deze paragraaf is de lichte procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 2:2 Subsidiabele activiteiten

Het college kan een subsidie verlenen als bijdrage in de kosten van het in stand houden van een bijzondere leerstoel Studie van de Economie van de Lagere Overheden aan de Rijksuniversiteit Groningen ten behoeve van onderwijs en het entameren, organiseren en coördineren van wetenschappelijk onderzoek naar de ontvangsten en uitgaven van lagere overheden en de besluitvorming daarover.

Artikel 2:3 Subsidie per activiteit

Voor de in artikel 2:2 genoemde activiteit bedraagt de subsidie een door het college vast te stellen vast bedrag.

Hoofdstuk 3 Jeugd en onderwijs (OCSW)

Paragraaf 3.1 Algemeen

Artikel 3:1 Relevante procedure

Voor dit hoofdstuk is bij subsidies:

  • a.

    van meer dan € 45.000,-- de uitgebreide procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing;

  • b.

    tussen € 10.000,-- en € 45.000,-- de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing;

  • c.

    bij subsidies van minder dan € 5.000,-- de lichte procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Paragraaf 3.2 Voorschoolse educatie

Artikel 3:2 Begripsbepaling

1.

Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen:

De wettelijke en door gemeente Groningen beschreven bovenwettelijke gemeentelijke eisen VVE, onderdeel van het beleidsplan Voor alle jonge kinderen gelijke kansen.

2.

Voorschoolse educatie:

Maatregelen en programma’s gericht op het spelenderwijs stimuleren van de brede (taal-) ontwikkeling van jonge kinderen (2 tot 4 jaar) met als doel de startcondities van kinderen te verbeteren bij hun entree op de basisschool Voorschoolse educatie wordt altijd aangeboden in een groep met enkel kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar.

3.

VVE programma:

Een erkend programma waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd van kinderen in de leeftijd van 2,5 tot 6 jaar op het gebied van rekenen, taal, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling. Dit programma is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut.

Dit programma wordt uitgevoerd volgens de kwaliteitseisen zoals vastgelegd in:

- de Wet IKK – Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang;

- de Wet OKE – Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie;

- het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en

- de bovenwettelijke gemeentelijke eisen VVE, opgenomen in het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen.

Aan een VVE programma is een ouderprogramma gekoppeld.

4.

VVE geïndiceerde kinderen:

Kinderen vanaf 2,5 jaar die door het consultatiebureau geïndiceerd zijn voor VVE (VVE geïndiceerde peuter).

5.

VVE geregistreerd kindercentrum:

Een kindercentrum dat is opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang en dus voldoet aan de eisen die voor een dergelijke opneming gelden, en ook geregisterd staat als VVE locatie en daarmee minimaal aan de geldende wettelijke VVE eisen voldoet.

6.

VVE Vervolgaanvraag:

Een subsidieaanvraag voor peuters die het tweede jaar van een VVE programma volgen.

7.

Rijksnormtarief:

Het normuurtarief dat het rijk hanteert voor de toekenning van de toeslag kinderopvang.

8.

Basistarief:

de kostprijs voor uitvoering van de wettelijke eisen voor de kinderopvang, toegespitst op peuters van 2 tot 4 jaar.

9.

Kwaliteitsontwikkeling:

 De verdere ontwikkeling van een instelling die al voldoet aan de wettelijke VVE eisen en geregistreerd is als VVE locatie, om te voldoen aan de Groningse kwaliteitsnormen, zoals omschreven in het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen.

10.

Ouderbijdrage:

 De eigen inkomensafhankelijke bijdrage die ouders/verzorgers aan de voorschoolse instellingen betalen. Deze bijdrage is gebaseerd op het aantal uren voorschoolse educatie dat wordt afgenomen en wordt berekend aan de hand van de rijksnorm en de kinderopvangtoeslag tabel die door het rijk is vastgesteld voor het betreffende jaar.

11.

Kinderopvang toeslag tabel:

Jaarlijks door het rijk vastgestelde tabel op basis waarvan aan de hand van het (gezamenlijk) toetsingskinkomen wordt berekend welk percentage van de uren dat wordt afgenomen vergoed wordt. Uitgaande van het Rijksnormtarief per uur.

12.

Horizontale peutergroep:

In een horizontale groep zitten kinderen van dezelfde leeftijdscategorie, in dit geval kinderen (peuters) van 2 tot 4 jaar.

13.

VVE Thuisprogramma:

Een programma voor ouders met kinderen van 3 tot 6 jaar die deelnemen aan voor- en vroegschoolse educatie. De activiteiten van VVE Thuis sluiten aan bij vve-programma's zoals Kaleidoscoop en Piramide.

14.

KOT-peuter:

Kind van ouders die een beroep kunnen doen op de kinderopvangtoeslagregeling conform de Wet kinderopvang (WKO).

15.

Niet-KOT-peuter:

Kind van ouders die geen beroep kunnen doen op de kinderopvangtoeslagregeling conform de WKO.

16.

Standalone locatie:

Een locatie waar peuters alleen gebruik kunnen maken van korte opvangmomenten (minimaal 4 uur tot maximaal 6 uur) gedurende de schoolweken gelijk aan de regeling van de gemeente Groningen.

17.

Integrale locatie:

Een dagopvanglocatie waar de peuters gebruik maken van een dag(deel)vullend opvangmoment in een horizontale setting van 2 tot 4 jarigen en waar peuters kunnen instromen in een kort opvangmoment gelijk aan het maximaal aantal uur per moment in deze subsidieregeling.

Artikel 3:3 Relevante procedure

In afwijking van artikel 3:1 lid c is voor subsidies van minder dan € 5.000,-- de reguliere procedure van toepassing.

Artikel 3:4 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Het college kan aan de houder van een VVE geregistreerd kindercentrum subsidie verlenen voor de uitvoering van voorschoolse educatie.

  • 2. Het college kan aan de houder van een VVE geregistreerd kindercentrum subsidie verlenen voor kwaliteitsontwikkeling op het gebied van bovenwettelijke kwaliteitseisen, op de volgende gebieden:

    • a.

      Professionalisering:

      • gedifferentieerd opbrengstgericht werken;

      • VVE coaching (HBO);

      • doorgaande lijn basisonderwijs;

      • ouderprogramma VVE Thuis (NJI);

      • vroegsignalering (zorg en ondersteuning);

      • nt2 programma’s.

    • b.

      materiaalkosten voor de uitvoering van het ouderprogramma.

Artikel 3:5 Subsidie per activiteit
  • 1. De subsidie voor voorschoolse educatie bestaat uit een bijdrage per uur per geplaatst kind. Er zijn twee verschillende tarieven, één voor een standalone locatie en één voor een integrale locatie (zie bijlage 1.).

  • 2. De bijdrage per niet-KOT-peuter bestaat uit twee componenten:

    • a.

      een aanvulling op de inkomensafhankelijke ouderbijdrage tot de het door de gemeente vastgestelde basistarief (zie tabel tariefsopbouw, bijlage 1.);

    • b.

      een door het college vastgestelde opslag per uur voor de door de gemeente Groningen gehanteerde kwaliteitseisen bovenop de wettelijke minimumeisen voor de uitvoering van VVE.

  • 3. Voor niet- KOT-peuters met een VVE indicatie die minimaal 16 uur opvang afnemen geldt dat (maximaal) twee dagdelen van 4 uur volledig wordt gesubsidieerd door de gemeente Groningen. Er is voor deze uren geen ouderbijdrage noodzakelijk.

  • 4. De bijdrage per KOT-peuter bestaat uit een door het college vastgestelde opslag per uur voor de door de gemeente Groningen gehanteerde kwaliteitseisen bovenop de wettelijke minimumeisen voor de uitvoering van VVE.

  • 5. Voor KOT-peuters met een VVE indicatie die minimaal 16 uur opvang afnemen geldt dat (maximaal) twee dagdelen van 4 uur volledig wordt gesubsidieerd door de gemeente Groningen. Voor deze uren mag er geen kinderopvangtoeslag worden aangevraagd bij het Rijk.

  • 6. De subsidie voor de houder van een VVE geregistreerd kindercentrum die nog niet aan de bovenwettelijke eisen zoals beschreven in het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen voldoet, maar daar wel aan werkt, bedraagt maximaal 6.000 euro per locatie.

Artikel 3:6 Bijzondere bepalingen en verplichtingen
  • 1. In aanvulling op artikel 7 en 8 respectievelijk 13 en 14 van de Algemene subsidieverordening moet de aanvraag om subsidieverlening voor voorschoolse educatie zijn voorzien van:

    • a.

      een opgave van het aantal kinderen en VVE geïndiceerde kinderen voor wie de subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd met daarbij duidelijk vermeld het aantal VVE vervolgaanvragen;

    • b.

      een beschrijving en invulling van een effectief bewezen voorschoolse educatie programma, dat is opgenomen in de databank van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI).

    • c.

      Een SMART beschreven plan voor kwaliteitsontwikkeling.

  • 2. De ontvanger van een subsidie voor voorschoolse educatie:

    • a.

      Voldoet aan de wettelijke VVE eisen;

    • b.

      Voldoet of zal binnen een overeengekomen termijn voldoen aan het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen.

  • 3. voorschoolse educatie wordt uitgevoerd:

    • a.

      gedurende 8, 12 of 16 uur per week, afname te bepalen door de ouders;

    • b.

      indien 8 uur, verspreid over 2 dagdelen en 2 dagen per week, indien 12 of 16 uur, verspreid over 3 of 4 dagdelen en 3 dagen per week;

    • c.

      gedurende 40 weken per jaar.

  • 4. indien de voorschoolse educatie wordt uitgevoerd ten behoeve van VVE geïndiceerde kinderen:

    • a.

      gedurende 16 uur per week;

    • b.

      verspreid over 3 of 4 dagdelen en 3 dagen per week;

    • c.

      gedurende 40 weken per jaar.

  • 5. De instelling levert gegevens voor de VVE toeleidingsmonitor van Jeugdgezondheidszorg GGD Groningen en voor de gemeentelijke VVE monitor.

  • 6. In aanvulling op artikel 8 respectievelijk artikel 14 van de verordening moet het activiteitenplan zijn voorzien van informatie over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verplichtingen in lid 1 tot en met 5 van dit artikel.

  • 7. De ontvanger van een subsidie voor kwaliteitsontwikkeling besteedt de subsidie aan het opleiden van personeel teneinde te gaan voldoen aan het Kwaliteitskader voorschoolse en vroegschoolse voorzieningen in Groningen. Kosten voor personele vervanging zijn niet subsidiabel.

Artikel 3:6a Rapportage verplichtingen
  • 1. In aanvulling op artikel 12 respectievelijk artikel 17 van de verordening legt de subsidieontvanger verantwoording af over:

    • a.

      het aantal (doelgroep) kinderen, onderscheiden naar de groepen genoemd volgens artikel 3:5 1 t/m 6.

    • b.

      het aantal bezette dagdelen en/of uren per kind;

    • c.

      de wijze waarop invulling is gegeven aan de verplichtingen in artikel 3:6;

    • d.

      het navolgen van de eisen in het Programma van eisen.

  • 2. In aanvulling op artikel 12 respectievelijk artikel 17 van de verordening legt de subsidieontvanger behalve bij de aanvraag tot subsidievaststelling ook elk kwartaal verantwoording af over lid 1 onder a.

  • 3. Als onderdeel van de rapportage overlegt de instelling jaarlijks een evaluatie van de uitgevoerde VVE activiteiten.

Artikel 3:6b Weigeringsgronden
  • 1. Het college weigert subsidie indien:

    • a.

      De instelling geen geregistreerde VVE locatie heeft.

    • b.

      Er niet gewerkt wordt met horizontale peutergroepen.

  • 2. Het college kan subsidie weigeren indien er niet binnen de overeengekomen termijn wordt voldaan aan de Groningse kwaliteitseisen.

Artikel 3:7 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor voorschoolse educatie zijn de subsidieplafonds gelijk aan de daarvoor in de gemeentebegroting opgenomen bedragen.

  • 2. VVE Vervolgaanvragen gaan voor op andere subsidieaanvragen voor voorschoolse educatie.

  • 3. Subsidieaanvragen voor voorschoolse educatie gaan voor op subsidieaanvragen voor kwaliteitsontwikkeling.

  • 4. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan de subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over nadien ontvangen subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

  • 5. Als na toekenning van de subsidies voor voorschoolse educatie nog middelen resteren, worden de subsidieaanvragen voor kwaliteitsontwikkeling in behandeling genomen.

  • 6. Als het totaal van de subsidieaanvragen voor kwaliteitsontwikkeling hoger is dan de subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      nieuwe aanvragen hebben voorrang boven vervolgaanvragen;

    • b.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over vervolgaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 3.3 Jongerenwerk

Artikel 3:8 Begripsbepalingen

Artikel 3:8 Begripsbepalingen

Artikel 3:9 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Het college kan subsidie verlenen voor sociaal-culturele activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies:

    • a.

      ontmoeting/recreatie;

    • b.

      vorming/educatie;

    • c.

      cultuur/creativiteit;

    • d.

      dienstverlening/voorlichting;

    • e.

      belangenbehartiging/activering;

    • f.

      opvang;

    • g.

      afstemming/coördinatie;

    • h.

      signalering;

    • i.

      sport;

    • j.

      begeleiding;

    • k.

      preventie,

    mits deze activiteiten zijn gericht op jeugdigen in de leeftijd van 12 tot en met 23 jaar.

  • 2. Het college kan subsidie verlenen voor huiskamerprojecten en tieneropvangprojecten.

  • 3. Vervallen.

  • 4. Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies:

    • a.

      afstemming/coördinatie;

    • b.

      informatie en advisering;

    • c.

      dienstverlening;

    • d.

      consultatie;

    • e.

      crisisinterventie;

    • f.

      begeleiding;

    • g.

      hulpverlening;

    • h.

      preventie;

    • i.

      signalering.

  • 5. Het college kan aan besturen van jongerencentra subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies:

    • a.

      ontmoeting/recreatie;

    • b.

      vorming/educatie;

    • c.

      cultuur/creativiteit - in afwijking op artikel 1 van deze paragraaf wordt hieronder verstaan het bieden van ondersteuning aan jongeren in de leeftijd tot 20 jaar die interesse hebben in doelgerichte activiteiten op technisch en creatief gebied met het doel hun ontwikkeling naar zelfstandigheid te bevorderen;

    • d.

      dienstverlening/voorlichting;

    • e.

      belangenbehartiging/activering;

    mits deze activiteiten zijn gericht op jeugdigen in de leeftijd tot en met 23 jaar.

Artikel 3:10 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 3:9 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 3:11 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. Met betrekking tot de eerste 3 leden van artikel 3:9 zijn de volgende bepalingen van toepassing:

    • a.

      Het activiteitenplan moet zijn voorzien van:

      • 1.

        een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

      • 2.

        gegevens over de deelname aan de activiteiten;

      • 3.

        gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      de subsidieontvanger voert een preventief beleid dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe deze verplichting wordt ingevuld.

  • 2. Met betrekking tot het vierde lid van artikel 3:9 zijn de volgende bepalingen van toepassing:

    • a.

      Het activiteitenplan moet zijn voorzien van:

    • 1.

      gegevens over spreiding, frequentie en duur van de activiteiten;

    • 2.

      een beschrijving van de activiteiten per doelgroep afzonderlijk;

    • b.

      de subsidieontvanger voert een preventief beleid dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe deze verplichting wordt ingevuld.

  • 3. Met betrekking tot het vijfde lid van artikel 3:9 zijn de volgende bepalingen van toepassing:

    • a.

      Het activiteitenplan moet zijn voorzien van:

      • 1.

        gegevens over frequentie en duur van de activiteiten;

      • 2.

        gegevens over de verwachte in- en uitstroom van deelnemers aan de activiteiten;

    • b.

      de subsidieontvanger voert een preventief beleid dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe deze verplichting wordt ingevuld.

Artikel 3:12 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor de in artikel 3:9 genoemde activiteiten zijn de subsidieplafonds gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen onder aftrek van reeds lopende meerjarige verplichtingen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan de subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over nadien ontvangen subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 3.4 Opstap, opstapje, instapje (vervallen zijn de artikelen 3:13 tot en met 3:17).

[Klik hier om het document te downloaden]

Paragraaf 3.5 Cultuureducatie (vervallen zijn de artikelen 3:18 tot en met 3:23).

[Klik hier om het document te downloaden]

Paragraaf 3.6 Materiële financiële gelijkstelling onderwijs (vervallen zijn de artikelen 3:24 tot en met 3:29)

[Klik hier om het document te downloaden]

Paragraaf 3.7 Kinderactiviteiten

Artikel 3:30 Begripsbepaling

Artikel 3:30 Begripsbepaling

Artikel 3:31 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor kinderactiviteiten ter uitvoering van onderstaande functies:

  • a.

    het ontwikkelen van talenten op de talentgebieden sport en beweging, kunst en cultuur en wetenschap, natuur en techniek;

  • b.

    het ontwikkelen van basisvaardigheden als taal-, reken- en communicatievaardigheden en sociale vaardigheden.

Artikel 3:32 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 3:31 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 3:33 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. Met betrekking tot de inhoud van de kinderactiviteiten zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

    • a.

      de activiteiten worden uitgevoerd in de NLA wijken;

    • b.

      de activiteiten vinden zowel gedurende het schooljaar als tijdens de schoolvakanties plaats;

    • c.

      de kinderactiviteiten worden op wijkniveau georganiseerd door de inzet van minimaal één jeugdbuurtwerker;

    • d.

      de kinderactiviteiten moeten zich richten op het bereiken van doelgroepkinderen;

    • e.

      de kinderactiviteiten zijn gratis voor doelgroepkinderen.

  • 2. Met betrekking tot de subsidieaanvraag zijn de volgende bepalingen van toepassing. De subsidieaanvraag moet zijn voorzien van:

    • a.

      werkplannen op wijkniveau die opgesteld zijn in overleg met betrokken partijen in de wijk (in ieder geval de afdeling Wijkzaken van de dienst OCSW, het CJG en de scholen). Deze werkplannen bevatten gegevens over ureninzet jeugdbuurtwerker en kinderwerker, inzet activiteitenbudget (incl. budget vakantieactiviteiten), samenwerking, deelname aan overleggen, inhoudelijke afstemming van het activiteitenaanbod op de specifieke vraag vanuit de wijk, de locaties waar de activiteiten georganiseerd worden, inzet van vrijwilligers en stagiaires;

    • b.

      een inschatting van het aantal (doelgroep)kinderen dat zal worden bereikt.

Artikel 3:34 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor de in artikel 3:31 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • 1.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • 2.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:31 en 3:3.3

Toelichting

Toelichting

Paragraaf 3.8 Wetenschap & techniek

Artikel 3:35 Begripsbepaling

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

Artikel 3:35 Begripsbepaling

Artikel 3:36 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten wetenschap & techniek in het kader van de volgende functie: het ontdekken en ontwikkelen van talenten op het gebied van wetenschap & techniek.

Artikel 3:37 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 3:36 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 3:38 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. Met betrekking tot de inhoud van de activiteiten wetenschap & techniek zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

    • a.

      de activiteiten zijn zowel stedelijk als ook wijkgericht;

    • b.

      de activiteiten vinden buiten schooltijd plaats.

  • 2. Met betrekking tot de subsidieaanvraag zijn de volgende bepalingen van toepassing:

    • a.

      de subsidieaanvraag moet zijn voorzien van een activiteitenaanbod, onderscheiden in:

      - laagdrempelige inloopactiviteiten, cursorische activiteiten, evenementen en projecten;

      - naar stedelijke en wijkgerichte activiteiten.

    • b.

      een inschatting van het aantal te bereiken kinderen/jongeren per onderscheiden activiteit;

    • c.

      een plan van aanpak voor samenwerking met andere relevante partijen;

    • d.

      een plan van aanpak voor het realiseren van cofinanciering vanuit het rijk, de provincie, het bedrijfsleven, fondsen, eigen inkomsten e.d.;

    • e.

      een plan van aanpak voor scholing voor vrijwilligers.

Artikel 3:39 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor de in artikel 3:36 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:36 en 3:38.

Toelichting

Toelichting

Paragraaf 3.9 Sport- en spelcontainers

Artikel 3:40 Begripsbepaling

Artikel 3:40 Begripsbepaling

Artikel 3:41 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor sport- en spelcontainers ter uitvoering van onderstaande functies:

  • a.

    het creëren van veilige en uitdagende speel- en sportplekken in de stad waar kinderen, met name kinderen die niet bereikt worden met andere vrijetijds activiteiten en/of zorgaanbod, veilig met elkaar kunnen spelen en sporten;

  • b.

    het contact leggen met en doorverwijzen van kinderen naar andere vrijetijds activiteiten in de wijk en/of naar zorgaanbod.

Artikel 3:42 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 3:41 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 3:43 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. Met betrekking tot de inhoud van de sport- en spelcontainers zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

    • a.

      de sport- en spelcontainers worden ingezet in wijken waar relatief veel doelgroepkinderen wonen;

    • b.

      een beheerder en additioneel beheerder houden toezicht bij de sport- en spelcontainer;

    • c.

      de inzet van de sport- en spelcontainer vindt plaats buiten de schoolvakanties;

    • d.

      bij winterse weersomstandigheden worden er indien nodig binnenactiviteiten geboden

    • e.

      de sport- en spelcontainer is minimaal op twee dagen per week open;

    • f.

      de openingstijden zijn afgestemd op de overige activiteiten in de wijk;

    • g.

      de sport- en spelcontainer moet zich richten op het bereiken van doelgroepkinderen;

    • h.

      deelname is gratis;

    • i.

      er wordt gerapporteerd over het aantal bereikte (doelgroep)kinderen.

  • 2. Met betrekking tot de subsidieaanvraag zijn de volgende bepalingen van toepassing. De subsidieaanvraag moet zijn voorzien van:

    • a.

      een overzicht van de wijken waar de sport- en spelcontainers ingezet worden;

    • b.

      de locatie van de sport- en spelcontainers;

    • c.

      de openingstijden van de sport- en spelcontainers;

    • d.

      de ureninzet van de (additioneel) beheerder.

Artikel 3:44 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor de in artikel 3:41 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:41 en 3:4.3

Toelichting

Toelichting

Paragraaf 3.10 Schakelgroepen jonge kinderen

Artikel 3:45 Begripsbepaling

Artikel 3:45 Begripsbepaling

Artikel 3:46 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan een schoolbestuur subsidie verlenen voor het organiseren van schakelgroepen met als doel achterstanden op basisvaardigheden zoals taal en rekenen te voorkomen en de leerwinst van doelgroepkinderen die hebben deelgenomen aan een schakelgroep te verhogen.

Artikel 3:47 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 3:46 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 3:48 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. Met betrekking tot de inhoud van de schakelgroepen jonge kinderen zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

    • a.

      leerlingen in de schakelgroep ontvangen de extra taalstimulering tenminste 10 uur per week en gedurende een schooljaar;

    • b.

      het gemiddelde aantal leerlingen in een schakelgroep is 10, met een minimum van 8 en een maximum van 12 per groep;

    • c.

      deelnemende scholen registreren ten behoeve van de lokale VVE Monitor.

  • 2. De subsidieaanvraag moet zijn voorzien van:

    • a.

      een indicatie van het aantal doelgroepkinderen;

    • b.

      het aantal schakelgroepen.

Artikel 3:49 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor de in artikel 3:46 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:46 en 3:48.

Toelichting

Toelichting

Paragraaf 3.11 Schakelgroepen nieuwkomers

Artikel 3:50 Begripsbepaling

Artikel 3:50 Begripsbepaling

Artikel 3:51 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor het tot stand brengen van twee schakelgroepen op twee locaties (inclusief de coördinatie hiervan) en het lesgeven van de Nederlandse taal aan doelgroepkinderen met als doel door te stromen in het reguliere onderwijs.

 

Artikel 3:52 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 3:51 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 50% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 3:53 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. Met betrekking tot de inhoud van de schakelgroepen nieuwkomers zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

    • a.

      het programma voor de schakelgroepen voor nieuwkomers sluit zodanig aan op het regulier onderwijsprogramma dat doelgroepkinderen kunnen doorstromen;

    • b.

      nieuwkomers nemen maximaal 1,5 jaar deel aan een schakelgroep voor nieuwkomers en stromen vervolgens door naar een reguliere (buurt) school;

    • c.

      deelnemende scholen registreren het aantal kinderen dat heeft deelgenomen aan de schakelgroep en doorstroomt in het reguliere basisonderwijs.

  • 2. De subsidieaanvraag moet zijn voorzien van:

    • a.

      de schoolbesturen maken in de aanvraag om subsidie het deel dat zij zelf bijdragen zichtbaar;

    • b.

      een indicatie van het aantal doelgroepkinderen;

    • c.

      het aantal schakelgroepen.

Artikel 3:54 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor de in artikel 3:51 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:51 en 3:53.

Paragraaf 3.12 Rebound (vervallen zijn de artikelen 3:55 tot en met 3:59)

Paragraaf 3.13 Jeugdhulp

Artikel 3:60 Begripsbepaling

Artikel 3:60 Begripsbepaling

Artikel 3:61 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen in het kader van Opvoedkracht, ter uitvoering van onderstaande functies:

  • a.

    inlooppunt voor informatie, en advies;

  • b.

    opvoedondersteuning en Opvoedhulp;

  • c.

    ontwikkelingsstimulering;

  • d.

    opgroeihulp voor kinderen en jongeren.

Artikel 3:62 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 3:61 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 3:63 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

Met betrekking tot de inhoud van Opvoedkracht zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

  • a.

    meldcode kindermishandeling hebben en hanteren;

  • b.

    aangesloten zijn bij Lokale verwijsindex zorg voor jeugd;

  • c.

    nauwe samenwerking met voorschoolse instellingen en basisonderwijs

  • d.

    op vve gerichte ouderprogramma’s worden ingezet voor ouders van VVE doelgroepkinderen

  • e.

    voor activiteiten wordt er afgestemd met het Centrum voor Jeugd en Gezin.

 

Artikel 3:64 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor de in artikel 3:61 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • 1.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • 2.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld op basis van welke subsidieaanvragen het beste voldoen aan artikel 3:61 en 3:63.

Toelichting

Toelichting

Paragraaf 3.14 Ondersteuning Schoolbibliotheek

Artikel 3:65 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor advies aan en ondersteuning vand scholen, ten behoeve van de schoolbibliotheken, waaronder:

  • a.

    advies over de aanschaf boeken;

  • b.

    ondersteuning op school ten aanzien van de schoolbibliotheek;

  • c.

    ondersteuning en advisering rondom zoek- en uitleensystemen;

  • d.

    leesbevorderingsprojecten op scholen.

 

Artikel 3:66 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 3:65 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

 

Artikel 3:67 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor de in artikel 3:65 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedrag.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 3:65.

Paragraaf 3.15 Leerlingbegeleiding

Artikel 3:68 Begripsbepaling

Artikel 3:68 Begripsbepaling

Artikel 3:69 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan schoolbesturen van primair onderwijs subsidie verlenen voor het uitvoeren van leerlingbegeleiding op scholen.

Artikel 3:70 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 3:69 genoemde activiteiten bedraagt per school een percentage van het in de begroting opgenomen bedrag. Dit percentage wordt berekend door het gewogen aantal leerlingen per school te delen door het gewogen totaal aantal leerlingen van alle scholen (100%).

Artikel 3:71 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

Met betrekking tot de inhoud van leerlingbegeleiding op scholen zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

  • a.

    de activiteiten die worden gesubsidieerd worden uitgevoerd door daarvoor gekwalificeerde medewerkers;

  • b.

    de subsidieontvanger verantwoordt de inzet van de middelen;

  • c.

    de subsidieontvanger levert een beschrijving van de uitgevoerde activiteiten en de resultaten daarvan.

Artikel 3:72 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor de in artikel 3:69 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan het in de begroting hiervoor opgenomen bedrag.

  • 2. De verdeling van het subsidieplafond gebeurt op basis van het gewogen totaal aantal leerlingen, zoals bedoeld in artikel 3:70.

Toelichting

Toelichting

Paragraaf 3.16 School Maatschappelijk Werk

Artikel 3:73 Begripsbepaling

Artikel 3:73 Begripsbepaling

Artikel 3:74 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor:

  • a.

    gesprekken met leerlingen;

  • b.

    gesprekken met ouders/verzorgers van leerlingen;

  • c.

    deelname aan overleggen van de school en advies aan docenten.

Artikel 3:75 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in art. 3.74 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100 % van de noodzakelijke kosten.

Artikel 3:76 Bijzondere bepalingen/ verplichtingen

Met betrekking tot de in artikel 3:74 genoemde activiteiten zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

  • a.

    de Schoolmaatschappelijk werker voert gemiddeld vijf gesprekken met leerlingen en een gesprek met ouder/verzorgers van leerlingen;

  • b.

    de Schoolmaatschappelijk werker verwijst bij complexe en of specialistische problematiek door naar het CJG, jeugdhulpverlening of een andere discipline.

Artikel 3:77 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor de in art. 3.74 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan het in de begroting hiervoor opgenomen bedrag;

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond is de verdeling als volgt:

    • a.

      Op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven vervolgaanvragen;

    • b.

      Als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen verdeeld.

Paragraaf 3.17 Vensterscholen

Artikel 3:78 Begripsbepaling

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

Vensterschool

:

Een in de gemeente Groningen gevestigde school, die werkt volgens het ambitiedocument nieuwe impuls vensterscholen, zoals vastgesteld door het college op 11 juli 2013.

Stuurgroep

:

Bestuurders van onderwijs en kinderopvang die het ambitiedocument nieuwe impuls vensterscholen hebben ondertekend, tezamen met de wethouder Onderwijs en de lector integraal jeugdbeleid.

Schoolbestuur

:

Het bestuur/bevoegd gezag van een Vensterschool.

Cofinanciering

:

Het bedrag, dan wel de op geld te waarderen uren, die een Schoolbestuur aan een activiteit besteedt, wordt in de vorm van subsidie door de gemeente bijgedragen als cofinanciering.

Artikel 3:79 Relevante procedure
  • 1. In afwijking van artikel 3.1 is voor subsidieaanvragen in het kader van deze paragraaf altijd de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

  • 2. Daarbij wordt uitgegaan van twee indieningsmomenten, namelijk 1 mei en 1 oktober voorafgaand aan het eerstvolgende kalenderjaar

  • 3. Subsidie kan uitsluitend aangevraagd worden door Schoolbesturen.

Artikel 3:80 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Het college kan subsidie verlenen als cofinanciering van activiteiten (inclusief materiaalkosten) van Vensterscholen en Schoolbesturen voor de onderwerpen Uitvoering, Coördinatie en Innovatie.

  • 2. Om in aanmerking te komen voor subsidie, dient de door het Schoolbestuur ingebrachte financiering voor ten minste eenzelfde bedrag aangetoond te worden.

Artikel 3:81 Subsidie per activiteit
  • 1. De subsidie voor de in artikel 3:80 genoemde activiteiten bedraagt per activiteit maximaal 100% van de door de Vensterschool of het Schoolbestuur ingebrachte financiering.

  • 2. Naast het in lid 1 genoemde maximum subsidie gelden bovendien de volgende maximale subsidies:

    • a.

      Voor het onderwerp Uitvoering geldt een maximale subsidie van € 20.000 per Vensterschool gedurende twee jaar.

    • b.

      Voor het onderwerp Coördinatie geldt een maximale subsidie van € 7.500 per Vensterschool gedurende twee jaar.

    • c.

      Voor het onderwerp Innovatie geldt een maximale subsidie van € 37.500 per Vensterschool gedurende twee jaar.

  • 3. Voor de in lid 2 bedoelde onderdelen geldt dat bij een aanvraag waar meerdere scholen bij betrokken zijn, het college na advies van de Stuurgroep kan besluiten van deze maximale subsidies af te wijken.

Artikel 3:82 Bijzondere bepalingen/ verplichtingen

Met betrekking tot de inhoud van de activiteiten zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

  • a.

    De activiteiten voldoen aan het ambitiedocument nieuwe impuls vensterscholen;

  • b.

    Vensterscholen dienen mee te werken aan een evaluatie op basis van de notitie Venstersamenwerking.

Artikel 3:83 Aanvullende weigeringsgronden

Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien:

  • a.

    De vraag om cofinanciering financieel niet voldoende is onderbouwd;

  • b.

    Het plan waarop de subsidieaanvraag is gebaseerd niet is goedgekeurd door de Stuurgroep.

Artikel 3:84 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor het totaal van de in artikel 3:80 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan adviseert de Stuurgroep het college over de prioritering.

Toelichting

Toelichting

Artikelsgewijze toelichting

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 4 Welzijn, gezondheid en zorg (OCSW)

Paragraaf 4.1 Algemeen

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

Artikel 4:2 Relevante procedure

Voor dit hoofdstuk is bij subsidies:

  • a.

    van meer dan € 45.000,-- de uitgebreide procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing;

  • b.

    tussen € 5.000,-- en € 45.000,-- de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing;

  • c.

    bij subsidies van minder dan € 5.000,-- de lichte procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 4:3 Subsidie per activiteit

De subsidie voor alle in dit hoofdstuk genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Per paragraaf kunnen afwijkende hoogtes van de subsidie gesteld worden.

Artikel 4:4 Hoogte subsidieplafond in het algemeen

Het subsidieplafond voor activiteiten die gesubsidieerd worden op basis van dit hoofdstuk is gelijk aan de hiervoor in de begroting opgenomen bedragen, tenzij in de betreffende paragraaf daarvan afgeweken wordt.

Paragraaf 4.2 Emancipatie en vrouwenzaken

(vervallen zijn de artikel 4:5 tot en met 4:8)

Paragraaf 4.3 Internationale betrekkingen

Artikel 4:9 Begripsbepalingen

Artikel 4:10 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter invulling van een stedenband, te weten:

    het bevorderen van persoonlijke contacten, ontmoetingen en samenwerking tussen inwoners van Groningen en een stedenbandgemeente;

    • b.

      het informeren van de Groningse bevolking over een stedenbandgemeente;

    • c.

      stage-uitwisseling van ambtenaren van de gemeente Groningen en van een stedenbandgemeente;

    • d.

      het onderhouden van contacten met zusterorganisaties;

    • e.

      het ondersteunen, zowel financieel als anderszins, van initiatieven van organisaties of personen die strekken tot verwezenlijking van de doelstelling van een stedenband;

    • f.

      kennis- en informatie-uitwisseling tussen Groningen en een stedenbandgemeente.

  • 2. Het college kan subsidie verlenen voor mondiale bewustwording, te weten:

    • a.

      het geven van informatie aan de bevolking van de gemeente Groningen over de problematiek in een land door middel van voorlichting en bewustwordingsactiviteiten;

    • b.

      steun aan de opbouw van de democratie van een land;

    • c.

      het stimuleren van burgers en overheden om actief mee te werken aan het oplossen van sociaal-economische en maatschappelijke vraagstukken in een land;

    • d.

      de uitwisseling van ambtenaren en stages van ambtenaren van de gemeente Groningen en van een land;

    • e.

      het werven van fondsen voorzover die zullen worden ingezet in concrete ontwikkelingsprojecten in een land.

Artikel 4:11 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

De ontvanger van subsidie voor mondiale bewustwording is verplicht om de Groningse bevolking te informeren over de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en in zijn werkplan informatie op te nemen over de wijze waarop hij deze verplichting invult.

Artikel 4:12

Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1.

    Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt, dan is de verdeling daarvan als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      leidt bovenstaande verdeelwijze tot overschrijding van het subsidiebudget dan wordt dat naar evenredigheid over de op tijd ingediende vervolgaanvragen verdeeld.

  • 2.

    Resteert er na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidiebudget dan wordt dat over de overige aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.4 Diversiteit

Artikel 4:13 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 4.1 wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • 1.

    Diversiteitsbeleid: beleid gericht op gelijke kansen voor iedere inwoner om op een gelijkwaardige wijze deel te nemen aan de samenleving en zich te kunnen ontwikkelen en ontplooien ongeacht sekse, huidskleur, leeftijd, mate van gezondheid, seksuele voorkeur, religieuze en politieke overtuiging, burgerlijke staat of opleiding.

  • 2.

    integratie: het proces dat leidt tot zelfredzaamheid van etnisch culturele groepen in de samenleving in economisch, educatief, sociaal en cultureel opzicht;

  • 3.

    emancipatie: het streven naar gelijke kansen en eerlijke maatschappelijke verhoudingen door het bevorderen van zelfontplooiing, zelfredzaamheid, eigen kracht, veiligheid en weerbaarheid;

  • 4.

    dialoog: een gesprek tussen meerdere personen of groepen gericht op het vergroten van het wederzijds begrip over thema’s op het gebied van diversiteit, integratie of emancipatie;

  • 5.

    Doelstellingen: de doelstellingen in het burgerschap en diversiteitsbeleid met onder meer de resultaatgebieden mensenrechten, antidiscriminatie, vrouwenemancipatie en emancipatie en acceptatie van LHBTI’ers

  • 6.

    Vrijwilligersorganisatie: organisatie die voor de uitvoering van haar activiteiten geen permanente arbeidsrelatie is aangegaan met degenen die de activiteit(en) ondersteunen en uitvoeren. Wel kan zij voor de uitvoering van activiteiten arbeidsrelaties van beperkte duur aangaan.

  • 7.

    Platform voor religie en levensbeschouwing: een samenwerkingsverband van in Groningen aanwezige religies en levensbeschouwingen dat tot doel heeft de onderlinge samenwerking, respect en solidariteit tussen verschillende religieuze en levensbeschouwelijke groeperingen, maar ook tussen burgers algemeen te bevorderen;

  • 8.

    Discriminatiemeldpunt: Het Discriminatie Meldpunt Groningen (DMG) is een onafhankelijke en bij of krachtens wet ingestelde organisatie die zich ten doel stelt het voorkomen, signaleren en bestrijden van discriminerende uitingen, gedragingen of regelgeving;

  • 9.

    COC Groningen en Drenthe: Een organisatie die de belangen van de Groninger LHBTI-gemeenschap behartigt en activiteiten uitvoert die deze belangen ten goede komen en de sociale acceptatie en zichtbaarheid van LHBTI inwoners vergroten.

  • 10.

    Platform LGBT Groningen: Een samenwerkingsverband van in Groningen aanwezige LHBTI-organisaties met tot doel de onderlinge samenwerking tussen deze verschillende groeperingen, maar ook tussen burgers en deze groeperingen te bevorderen en de zichtbaarheid en sociale acceptatie van LHBTI inwoners te vergroten;

  • 11

    Vrouwencentrum: een interculturele ontmoetingsplek in de gemeente Groningen waar vrouwen, met- en zonder kinderen, met verschillende achtergronden en culturen elkaar ontmoeten en dat is gericht op de bewustwording van de maatschappelijke positie van vrouwen door hen te wijzen op het belang van het kunnen en durven kiezen waar het gaat om de inrichting van het leven binnen bestaande mogelijkheden

  • 12

    Zelforganisatie: een rechtspersoon die opgericht en bestuurd wordt door de in Groningen aanwezige niet-westerse etnisch culturele gemeenschappen en die functioneert op basis van inzet vrijwilligers.

Artikel 4:13a Doel van de Subsidieregeling

Deze Subsidieregeling heeft tot doel het bevorderen van activiteiten van Groningse stedelijke vrijwilligersorganisaties/zelforganisaties en maatschappelijke organisaties door ondersteuning van activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen van het Diversiteitsbeleid, waaronder in ieder geval de instellingen genoemd in artikel 4:13 onder 8. tot en met 11.

Artikel 4:13b Ontvanger subsidie
  • 1. Subsidie kan worden verleend aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die beschikt over ervaring met de doelgroep waarop de activiteit zich richt en die woonachtig (voor natuurlijke personen) dan wel statutair en feitelijk gevestigd (voor rechtspersonen) is in Groningen.

  • 2. Indien de aanvrager een natuurlijke persoon is, heeft hij ten minste twee andere Groningers bereid gevonden de aanvraag te ondersteunen.

  • 3. Natuurlijke personen kunnen alleen als vrijwilliger subsidie aanvragen.

  • 4. Aan natuurlijke personen worden subsidies tot maximaal € 750,- verstrekt.

Artikel 4:14 Relevant procedure

(vervallen)

Artikel 4:15 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Het college kan subsidie verlenen aan een vrijwilligersorganisatie/zelforganisaties, bewonersinitiatieven of een maatschappelijke organisatie als de activiteit gericht is op één of meer van de activiteiten die:

    • a.

      dialoog en verbinding tussen groepen bewerkstelligen, opbouw van netwerken en het bespreekbaar maken van de kernwaarden van de democratische staat.

    • b.

      ertoe bijdragen dat meer Groningers mensen accepteren die anders zijn dan zijzelf (in afkomst, opleiding, burgerlijke staat, politieke overtuiging, levensbeschouwing of religie, ras, seksuele gerichtheid of sekse) en dat in hun gedrag laten zien;

    • c.

      gericht zijn op het opzetten en inrichten van een vrijwilligersorganisatie voor een groep die relevant is voor het diversiteitsbeleid en voor wie nog geen vrijwilligersorganisatie bestaat in de stad, dan wel voor het aantrekken van jongeren binnen een bestaande vrijwilligersorganisatie.

    • d.

      gericht zijn op het uitvoeren van inloop en ondersteuningsactiviteiten voor kwetsbare groepen, zoals organisaties voor oudere migranten en organisaties van voormalige vluchtelingen, met een achterban die door taalproblemen de weg naar de reguliere voorzieningen niet kan vinden.

    • e.

      ertoe bijdragen dat emancipatie wordt vergroot.

    • f.

      het bevorderen van het inburgeringproces, met inachtneming van de eigen identiteit en daarbij behorende behoeften door de zelforganisaties;

    • g.

      de samenwerking bevorderen met andere sociaal-maatschappelijke organisaties en instellingen;

    • h.

      een bijdrage leveren aan de bewustwording, participatie en integratie van de migrantengroepen in de samenleving en de spreekbuisfunctie c.q. belangenbehartiging voor deze zelforganisaties.

  • 2. Het college kan subsidie verlenen aan de instellingen genoemd in artikel 4:13 onder 8. tot en met 11 voor activiteiten zoals die zijn beschreven in de voor die instellingen van toepassing zijnde Programma’s van Eisen.

  • 3. Het college kan aan een platform voor religie en levensbeschouwing subsidie verlenen voor:

    • a.

      activiteiten die zijn gericht op de rol van gespreks- en netwerkpartner van de gemeente en van maatschappelijke organisaties in de gemeente Groningen;

    • b.

      het gezamenlijk naar buiten treden met activiteiten ter bevordering van de dialoog tussen de deelnemende religies en levensbeschouwingen en de inwoners van de gemeente Groningen.

Artikel 4:16 Subsidie per activiteit
  • 1. In afwijking van artikel 4:3 bedraagt de subsidie als bedoeld in artikel 4:15 eerste lid per zelforganisatie maximaal € 1.250,- onder de voorwaarde dat maximaal twee zodanige organisaties per etnische groepering uit een niet-westers land voor de basissubsidie in aanmerking kunnen komen.

  • 2. In afwijking van artikel 4:3 van dit hoofdstuk bedraagt de subsidie voor de in artikel 4:15 lid 3 genoemde activiteiten maximaal € 2.500,-- per jaar

Artikel 4:17 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. Een zelforganisatie aan wie een basissubsidie is verleend, is verplicht als gesprekspartner voor het college te fungeren over:

    • a.

      algemene zaken die betrekking hebben op onderwerpen op het gebied van diversiteit of integratie;

    • b.

      specifieke zaken die betrekking hebben op de achterban van de subsidie-ontvangende zelforganisatie.

  • 2. De activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd dient aanvullend te zijn op het activiteitenaanbod op het bestaande activiteitenaanbod van lokale maatschappelijke voorzieningen;

  • 3. Het platform als bedoeld in artikel 4:13 onder 7. is verplicht om deelname toe te staan van vertegenwoordigingen van elke religie of levensbeschouwing die actief in de gemeente Groningen beleden wordt.

  • 4. Bij subsidieaanvragen voor activiteiten waarvan de begroting hoger is dan € 7.500 geldt een verplichte cofinanciering van minimaal:

    10% voor vrijwilligersorganisaties;

    30% voor maatschappelijke organisaties.

    De aanvrager geeft aan wat de overige financieringsbronnen zijn, en wat de omvang ervan is.

Artikel 4:18 Aanvullende weigeringgronden
  • 1. Het college weigert aanvragen voor subsidie op het gebied van ontspanning, ontmoeting in eigen kring, politiek, cultuur, sport, religie of levensbeschouwing.

  • 2. De subsidieaanvraag kan geweigerd worden indien de aanvraag betrekking heeft op dezelfde activiteit als het voorgaande jaar.

  • 3. In aanvulling op het bepaalde in artikel 4:35 Awb en artikel 6 van de Verordening kan de subsidieaanvraag ongeacht de hoogte van de aanvraag geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien:

    • a.

      er onvoldoende andere financieringsbronnen zijn gevonden;

    • b.

      de activiteiten niet of in onvoldoende mate een aanvulling zijn op reeds bestaande activiteiten van andere (vrijwilligers- of professionele) organisaties, of zich daar niet of in onvoldoende mate van onderscheiden;

    • c.

      de activiteiten in tegenspraak zijn of een dubbeling zijn met gemeentelijk beleid op andere beleidsterreinen.

Artikel 4:19 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. het subsidieplafond voor de op deze paragraaf gebaseerde subsidies is gelijk aan de daarvoor in de begroting opgenomen bedragen.

  • 2. Het college kan een deel van het beschikbare budget reserveren voor de in artikel 4:15 tweede lid en derde lid genoemde activiteiten.

  • 3. Als het totaal van de subsidieaanvragen voor een subsidie, zoals bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, hoger is dan het hiervoor beschikbare subsidiebudget, worden de aanvragen gehonoreerd die het beste scoren op de onderstaande criteria. Daarbij weegt het eerst genoemde criterium zwaarder dan het tweede, het tweede zwaarder dan het derde enzovoort:

    • a.

      inhoudelijke relevantie en impact in relatie tot het diversiteitsbeleid;

    • b.

      mate van innovatie;

    • c.

      duurzaamheid: in welke mate beklijven de resultaten?

    • d.

      samenwerking met anderen;

    • e.

      schaalbaarheid: in hoeverre kan het resultaat elders in de gemeente worden toegepast?

    • f.

      projectmatige opzet.

Paragraaf 4.5 Algemeen sociaal-cultureel werk

Artikel 4:20 Begripsbepalingen

Artikel 4:20 Begripsbepalingen

Artikel 4:21 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan instellingen voor sociaal-cultureel werk subsidie verlenen voor:

  • a.

    wijk- en/of stedelijke activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies:

    • 1.

      ontmoeting/recreatie;

    • 2.

      vorming/educatie;

    • 3.

      cultuur/creativiteit;

    • 4.

      dienstverlening/voorlichting;

    • 5.

      belangenbehartiging/activering;

    • 6.

      opvang;

    • 7.

      afstemming/coördinatie;

    • 8.

      signalering;

    • 9.

      sport.

  • b.

    wijkactiviteiten passend binnen de in het vorige lid genoemde functies ter uitvoering van

    • 1.

      de beheerderfunctie voor de wijk-, buurt- en wijkjongerencentra;

    • 2.

      het accommodatiemanagement voor de wijk-, buurt- en wijkjongerencentra;

    • 3.

      exploitatie en instandhouding van wijk- en andere centra.

  • c.

    knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk.

Artikel 4:22 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. Het activiteitenplan moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      gegevens over de deelname aan de activiteiten;

    • c.

      gegevens over de eigen bijdrage van de deelnemers aan de activiteiten;

    • d.

      gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd.

  • 2. Het college verleent slechts subsidie voor het oplossen van knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk voorzover de subsidieontvanger aannemelijk kan maken dat:

    • a.

      bekostiging uit andere aan subsidieontvanger verstrekte subsidies niet mogelijk is;

    • b.

      het knelpunt na aanwending van de gevraagde subsidie zal zijn opgelost.

  • 3. De subsidieontvanger dient een preventief beleid te voeren dat erop is gericht om door de doelgroep veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. In het activiteitenplan moet de subsidieontvanger aangeven hoe dat beleid zal worden vormgegeven en uitgevoerd.

Artikel 4:23 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag voor de oplossing van knelpunten in de uitvoering van sociaal-cultureel werk weigeren als hiervoor al eerder aan de subsidieontvanger subsidie was verleend.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag voor de in artikel 4:21 genoemde activiteiten weigeren als die activiteiten zijn gericht op jongeren in de leeftijd van 0 tot en met 23 jaar.

Artikel 4:24 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Als het totaal van de aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 4:21, onder a en b hoger is dan de respectievelijke subsidieplafonds, dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      voor zover bovenstaande verdeelwijze zou leiden tot overschrijding van de subsidieplafonds worden deze naar evenredigheid over de op tijd ingediende vervolgaanvragen verdeeld;

    • c.

      voor zover na de in de onderdelen a en b bedoelde verdeelwijze nog middelen resteren worden deze over de op tijd ingediende overige aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen;

    • d.

      als het totaal van de aanvragen voor knelpunten in het sociaal-cultureel werk hoger is dan het subsidiebudget dan wordt dat over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.6 Sociaal-culturele accommodaties

Artikel 4:25 Subsidiabele activiteiten
  • 1.

    Het college kan aan een accommodatiebestuur subsidie verlenen voor:

    • a.

      hypotheeklasten als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft;

    • b.

      kale huur;

    • c.

      verbouwkosten en/of kleine uitbreidingen als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft;

    • d.

      groot onderhoud, daaronder mede begrepen calamiteiten, als de subsidieontvanger de accommodatie in eigendom heeft;

    • e.

      zakelijke huisvestingslasten;

    • f.

      exploitatielasten;

    • g.

      organisatiekosten.

  • 2.

    Het college kan aan het door hem aan te wijzen samenwerkingsorgaan voor speeltuinverenigingen ten behoeve van de aangesloten leden subsidie verlenen voor:

    • a.

      hypotheeklasten als de betreffende accommodatie in eigendom is bij een aangesloten lid;

    • b.

      kale huur;

    • c.

      verbouwkosten en/of kleine uitbreidingen als de betreffende accommodatie in eigendom is bij een aangesloten lid;

    • d.

      groot onderhoud, daaronder mede begrepen calamiteiten, als de betreffende accommodatie in eigendom is bij een aangesloten lid;

    • e.

      zakelijke huisvestingslasten;

    • f.

      exploitatielasten;

    • g

      organisatiekosten;

    • h.

      inrichting en onderhoud van speeltuinen en speeltoestellen;

    • i.

      exploitatiekosten van het samenwerkingsorgaan zelf.

Artikel 4:26 Subsidie per activiteit
  • 1.

    In afwijking van artikel 4:3 bedraagt de subsidie:

    • a.

      voor de in artikel 4:25, eerste lid onder a tot en met e alsmede de in het tweede lid onder a tot en met e genoemde kosten 100% daarvan, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn en door het college zijn erkend;

    • b.

      voor de in artikel 4:25, eerste lid onder f evenals de in het tweede lid onder f genoemde kosten voor exploitatielasten € 39,-- per m2 b.v.o.;

    • c.

      voor de in artikel 4:25, eerste lid onder g en de in het tweede lid onder g genoemde kosten voor organisatiekosten een vast bedrag van € 2.500,-- per accommodatie c.q. per aangesloten accommodatie;

    • d.

      voor de in artikel 4:25, tweede lid onder h genoemde kosten voor inrichting en onderhoud van speeltuinen en speeltoestellen € 14,-- per m2 b.v.o.;

    • e.

      voor de in artikel 4:25, tweede lid onder i genoemde activiteiten maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder b van dit artikel kan het college in specifieke door hem aan te wijzen gevallen de subsidie op andere wijze berekenen.

  • 3.

    De in het eerste lid onder b, c en d van dit artikel genoemde bedragen zijn gebaseerd op het prijspeil 2005. Het college kan deze bedragen aanpassen aan de voor het subsidietijdvak geldende begrotingsrichtlijnen.

Artikel 4:27 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1.

    In afwijking van artikel 4:2 moeten subsidieaanvragen voor kosten van verbouw, kleine uitbreidingen en groot onderhoud uiterlijk op 1 februari van het voorafgaande kalenderjaar in bezit zijn van het college.

  • 2.

    In afwijking van artikel 4:2 beslist het college op aanvragen voor verbouwingen en/of kleine uitbreidingen en op subsidieaanvragen voor groot onderhoud vóór 1 januari volgend op het jaar van indiening.

  • 3.

    Calamiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd moeten binnen een week bij het college zijn gemeld. Het college bepaalt in overleg met de subsidieontvanger een nadere termijn waarbinnen een beschrijving moet zijn ingediend van de werkzaamheden evenals een begroting van de kosten en de baten die daarop betrekking hebben.

  • 4.

    Als aan de subsidieontvanger subsidie wordt verleend op grond van artikel 4:25, dient hij te vermelden:

    • 1.

      in zijn activiteitenplan op welke wijze invulling wordt gegeven aan alle verplichtingen die krachtens deze verordening aan de subsidieverlening worden verbonden;

    • 2.

      in zijn activiteitenverslag hoe de invulling van de verplichtingen uiteindelijk vorm heeft gekregen en de afwijkingen te verklaren tussen de voorgenomen invulling (activiteitenplan) en de realisatie daarvan;

    • 3.

      in zijn financiële en inhoudelijke verslag gegevens met betrekking tot groeperingen aan wie accommodatieruimte wordt verhuurd en de tarieven die daarbij in rekening worden gebracht.

  • 5.

    De subsidieontvanger is verplicht om bij zijn subsidieaanvraag voor de in artikel 4:25, eerste lid onder c en de in het tweede lid onder c genoemde activiteiten een (ver-)bouwplan te overleggen voorzien van een kostenraming evenals een beschrijving van de noodzaak van de in die leden bedoelde werkzaamheden.

  • 6.

    Subsidieaanvragen voor groot onderhoud moeten zijn voorzien van een beschrijving van de werkzaamheden, de noodzaak daarvan en tevens van een kostenraming.

  • 7.

    De subsidieontvanger aan wie subsidie wordt verleend op grond van artikel 4:25, eerste of tweede lid is gehouden om de in de beide vorige leden bedoelde gegevens aan te vullen binnen 6 weken nadat het college daarom heeft verzocht.

  • 8.

    De subsidieontvanger geeft in zijn activiteitenplan aan in hoeverre het activiteitenaanbod aansluit op de behoeften van de wijk of buurt en geeft een verklaring voor eventuele afwijkingen daartussen.

  • 9.

    Het college kan bepalen dat de subsidieontvanger, aan wie op grond van artikel 4:25, eerste of tweede lid subsidie wordt verleend, initiatieven neemt om in overleg met andere aanbieders van activiteiten tot een gezamenlijke activiteitenprogrammering te komen in de wijk waarin de subsidieontvanger gebruik maakt van de accommodatie.

  • 10.

    De subsidieontvanger is verantwoordelijk voor een goede balans tussen de geprioriteerde sociaal-culturele activiteiten enerzijds en overige (eigen) activiteiten anderzijds. De subsidieontvanger is gehouden om in zijn activiteitenplan en activiteitenverslag aan te geven op welke wijze aan deze verantwoordelijkheid invulling wordt c.q. is gegeven.

  • 11.

    Het college kan terzake van het accommodatiegebruik aan openingstijden, ingebruikgeving, prioritering en de programmering van activiteiten nadere regels stellen.

  • 12.

    De subsidieontvanger dient accommodatieruimte inclusief beheer:

    • 1.

      gratis ter beschikking te stellen aan doelgroepen en activiteiten die vallen onder de functies van het algemeen sociaal-cultureel werk zoals bedoeld in artikel 4:21;

    • 2.

      tegen gereduceerd tarief ter beschikking te stellen aan doelgroepen en activiteiten die niet vallen onder de functies van het algemeen sociaal-cultureel werk mits deze passen binnen het gemeentelijk beleid;

    • 3.

      de beide voorgaande onderdelen van dit lid zijn niet van toepassing als en voor zover voor de huisvestingskosten terzake van de in dit lid bedoelde activiteiten subsidie wordt verleend.

  • 13.

    Het college kan bepalen dat bij de toewijzing van gratis accommodatieruimte door accommodatie-besturen activiteiten die gericht zijn op de eigen wijk voorrang hebben boven andere activiteiten.

  • 14.

    Het college kan bepalen dat exclusief beslag op een accommodatieruimte of een deel daarvan slechts geschiedt tegen een marktconform tarief.

  • 15.

    De subsidieontvanger aan wie subsidie wordt verleend op grond van artikel 4:25, tweede lid is verplicht om de in de voorgaande leden van dit artikel bedoelde nadere verplichtingen op te leggen aan de bij het samenwerkingsverband aangesloten speeltuinverenigingen.

  • 16.

    Het college legt de verplichtingen als bedoeld in het elfde tot en met dertiende lid van dit artikel slechts op voor zover daardoor de exploitatie c.q. de bedrijfsvoering van de accommodatie niet in gevaar komt.

  • 17.

    Het college kan bepalen dat de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidieverlening en/of de aanvraag tot subsidievaststelling gebruik maakt van een daartoe vastgesteld formulier.

Artikel 4:28 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1.

    Het college kan een subsidieaanvraag geheel of gedeeltelijk weigeren als de accommodatie niet voldoet aan het toetsingskader zoals beschreven in de hoofdstukken 3 en 4 en in bijlage 3 bij de accommodatienota.

  • 2.

    Het college weigert een subsidieaanvraag:

    • 1.

      voor de in artikel 4:25, eerste lid onderdelen a, c en d of de in het tweede lid, onderdelen a, c en d genoemde kosten als de subsidieontvanger de accommodatie waarvoor de subsidie wordt gevraagd niet in eigendom heeft;

    • 2.

      voor de in artikel 4:25, eerste lid onderdelen b of in het tweede lid onderdeel b genoemde kosten als de subsidieontvanger de accommodatie waarvoor de subsidie wordt gevraagd in eigendom heeft.

  • 3.

    Het college kan een subsidie voor de in artikel 4:25, eerste lid onderdelen a tot en met c of in het tweede lid onderdelen a tot en met c genoemde kosten weigeren:

    • a.

      als die kosten niet in een redelijke verhouding staan tot de waarde van de accommodatie zoals wordt bedoeld in hoofdstuk 3 van de accommodatienota;

    • b.

      voor zover de kosten samenhangen met accommodatieruimte waarvoor het college geen subsidie verleent of heeft verleend op grond van artikel 4:25, eerste lid onderdeel f respectievelijk op grond van artikel 4:25, tweede lid onderdeel f;

    • c.

      voor zover de subsidieaanvraag betrekking heeft op kosten die voortvloeien uit nieuwbouw, verbouw of kleine uitbreidingen waarvan het (ver-)bouwplan inclusief de daarbij horende kostenraming niet door het college is goedgekeurd;

    • d.

      voor zover die voortvloeien uit verplichtingen die de subsidieontvanger zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van het college is aangegaan na 31 december 2005;

    • e.

      voor zover die voortvloeien uit bouwkundige aanpassingen aan accommodaties die niet in eigendom zijn van de gemeente of van het accommodatiebestuur zonder dat het college daaraan schriftelijke goedkeuring heeft gehecht.

  • 4.

    Het college kan van de subsidieontvanger vergen dat deze een nader door het college te bepalen gedeelte van zijn voorziening voor groot onderhoud besteedt aan de uitvoering van de groot-onderhoudswerkzaamheden als en voor zover die voorziening ten laste van de subsidie tot stand is gekomen. Bij de berekening van de subsidie zoals bedoeld in artikel 4:25, eerste lid onderdeel c houdt het college rekening met het hier bepaalde.

Artikel 4:29 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1.

    Het subsidieplafond voor de in artikel 4:25, eerste lid onder d en de in het tweede lid onder d genoemde kosten is gelijk aan het hiervoor in de begroting opgenomen bedrag onder aftrek van:

    • 1.

      reeds lopende meerjarige verplichtingen, en

    • 2.

      een nader door het college te bepalen bedrag voor calamiteiten.

  • 2.

    Als het totaal van de kosten van de door het college erkende werkzaamheden voor verbouw en/of kleine uitbreidingen hoger is dan het daarvoor geldende subsidieplafond dan komen op tijd ingediende aanvragen eerder voor subsidie in aanmerking naarmate ze beter voldoen aan onderstaande criteria:

    • a.

      de werkzaamheden hebben als doel de accommodatie laten voldoen aan wettelijk eisen;

    • b.

      de werkzaamheden hebben als doel de accommodatie aan te passen aan veranderende activiteiten;

    • c.

      de werkzaamheden hebben als doel de accommodatie aan te passen aan eigentijdse eisen;

    • d.

      in de afweging van het college wegen eerder genoemde criteria zwaarder dan later genoemde;

    • e.

      bij de bepaling van de hier bedoelde urgentie worden werkzaamheden aan accommodaties die eigendom zijn van de gemeente mede in beschouwing genomen.

  • 3.

    Als het totaal van de subsidieaanvragen voor groot onderhoud hoger is dan het daarvoor geldende subsidieplafond dan komen op tijd ingediende aanvragen eerder voor subsidie in aanmerking naarmate de urgentie op basis van een bouwkundig of technisch onderzoek groter is. Een dergelijk onderzoek wordt verricht door deskundigen werkzaam bij de gemeente dan wel een externe door het college aan te wijzen deskundige. Bij de bepaling van de hier bedoelde urgentie worden werkzaamheden voor groot onderhoud aan accommodaties die eigendom zijn van de gemeente mede in beschouwing genomen.

  • 4.

    Het subsidieplafond voor calamiteiten zoals bedoeld in het tweede lid onder b wordt over de subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen, een en ander voor zover het college de kosten heeft erkend.

Paragraaf 4.7 Beheer sociaal-culturele accommadaties

Artikel 4:30 Subsidiabele activiteiten
  • 1.

    Het college kan aan een door het college aan te wijzen centrale beheerpool subsidie verlenen voor de salariëring, scholing en loopbaanontwikkeling van beheerpersoneel evenals voor de inzet van dat personeel ten behoeve van het beheer van accommodaties.

  • 2.

    Het college kan in afwijking van het vorige lid van dit artikel de subsidie ook verlenen aan andere subsidieontvangers als naar het oordeel van het college sprake is van bijzondere omstandigheden.

  • 3.

    Het college kan in specifieke door hem aan te wijzen gevallen subsidie verlenen voor andere kosten van accommodatiebeheer dan zoals beschreven in het vorige lid van dit artikel, een en ander in overeenstemming met wat hierover is bepaald in bijlage 1 bij de accommodatienota.

Artikel 4:31 Subsidie per activiteit
  • 1.

    De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten maar niet meer dan zoals beschreven in paragraaf 5.3 van de accommodatienota.

  • 2.

    In afwijking van het vorige lid van dit artikel kan het college in specifieke door hem aan te wijzen gevallen de subsidie voor kosten van beheer op andere wijze berekenen.

Artikel 4:32 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1.

    In afwijking van artikel 4:2 dienen nieuwe subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:30 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend.

  • 2.

    De subsidieontvanger aan wie op grond van het eerste lid van artikel 4:30 subsidie wordt verleend, is verplicht:

  • a.

    het beheerpersoneel waarvoor het college subsidie verleent voor beheerstaken om niet aan accommodatiebesturen ter beschikking te stellen:

  • 1.

    in relatie tot de openingstijden van de accommodatie en de vraag van de accommodatiebesturen zoals opgenomen in een door laatstgenoemden op te stellen beheersvoorstel;

  • 2.

    in overeenstemming met paragraaf 5.3 van de accommodatienota als het hiervoor onder nr. 1 bedoelde beheersplan niet beschikbaar is;

  • b.

    om voor het inroosteren van beheerspersoneel bij de accommodaties op overeenstemming gericht overleg te voeren met de accommodatiebesturen over het aantal in te zetten uren, de openingstijden van de accommodatie en de te leveren functieniveaus. Dit overleg moet hebben plaatsgehad vóórdat de subsidieontvanger een besluit heeft genomen over de bij accommodaties in te zetten beheersuren;

  • c.

    bij de taakomschrijving van het bij de accommodaties in te zetten beheerpersoneel aan te sluiten bij bijlage 2 van de accommodatienota (Functieprofiel en takenpakket van de diverse beheersfuncties);

  • d.

    in het activiteitenplan en het activiteitenverslag aan te geven hoe invulling is gegeven aan de hierboven beschreven verplichtingen.

  • 3.

    Het in het tweede lid onder nummer a.1 en a.2 bepaalde is niet van toepassing als de subsidie aan een accommodatiebestuur wordt verleend in plaats van aan een door het college aangewezen centrale beheerpool.

Artikel 4:33

Het college kan een subsidieaanvraag voor personeelskosten beheer weigeren voor zover voor de kosten daarvan al door derden subsidie wordt verleend.

Artikel 4:34 Subsidieplafond en verdelingsregels

Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond wordt dat als volgt verdeeld:

  • a.

    vervolgaanvragen hebben voorrang boven nieuwe aanvragen;

  • b.

    als na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidieplafond resteert, dan wordt dat over nadien binnengekomen subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop deze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.8 Wijkorganisaties

Artikel 4:35 Begripsbepalingen

Artikel 4:35 Begripsbepalingen

Artikel 4:36 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Het college kan aan een wijkorganisatie een basissubsidie verlenen als bijdrage in de kosten voor zover die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van een wijkorganisatie.

  • 2. Het college kan aan een wijkorganisatie subsidie verlenen als bijdrage in de kosten van:

    • a.

      communicatie en informatieverstrekking;

    • b.

      activering.

  • 3. Het college kan aan een wijkorganisatie in aanvulling op de subsidies als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel een subsidie verlenen voor eenmalige activiteiten.

Artikel 4:37 Subsidie per activiteit

In afwijking van artikel 4:3 bedraagt de subsidie:

  • 1.

    Voor de in artikel 4:36, eerste lid genoemde activiteiten bedraagt de basissubsidie voor wijkorganisaties met een werkgebied van:

    a. 0-1000 inwoners: € 750,--;

    b. 1001-4.500 inwoners: € 1.250,--;

    c. 4.501 en meer inwoners: € 1.500,--.

  • 2.

    Het college kan de basissubsidie indexeren aan de hand van de voor het subsidietijdvak geldende begrotingsrichtlijnen. Voor de in artikel 4:36, tweede lid genoemde activiteiten bedraagt de subsidie maximaal de noodzakelijke kosten tot een door het college te bepalen maximum per inwoner vermenigvuldigd met het aantal inwoners van het werkgebied. Het college maakt voor de bepaling van het aantal inwoners gebruik van de meest recente gegevens die beschikbaar zijn op het moment dat het college op de subsidieaanvraag beslist.

  • 3.

    Het college kan in afwijking van het vorige lid boven het maximum aanvullend subsidie verlenen als de subsidieaanvraag van de wijkorganisatie daarvoor voldoende aanleiding geeft en het college daartoe voldoende middelen ter beschikking staan.

  • 4.

    Voor de in artikel 4:36, derde lid genoemde activiteiten bedraagt de subsidie maximaal de noodzakelijke kosten.

Artikel 4:38 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. In afwijking van artikel 4:2 dienen subsidieaanvragen voor de in artikel 4:36, derde lid genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend.

  • 2. De wijkorganisatie dient de activiteiten uit het activiteitenplan in beginsel te richten op alle inwoners van haar werkgebied.

  • 3. Als de wijkorganisatie de activiteiten of een deel daarvan niet richt op alle inwoners van het werkgebied dient de wijkorganisatie aan te geven op welke subbuurten van het werkgebied de activiteiten gericht zijn en op welke doelgroepen.

  • 4. Als het vorige lid van toepassing is, kan het college bepalen dat de wijkorganisatie in zijn activiteitenplan moet aangeven hoe over de voornoemde beperking in de activiteitenuitvoering naar de inwoners is gecommuniceerd en welke bezwaren hiertegen zijn ingebracht.

  • 5. De wijkorganisatie rubriceert de activiteiten uit het activiteitenplan naar de in artikel 4:36, tweede lid genoemde categorieën.

  • 6. De wijkorganisatie begroot de kosten en de baten van elke activiteit afzonderlijk.

  • 7. De wijkorganisatie is beschikbaar voor het college als aanspreekpunt voor ambtelijk of bestuurlijk overleg over aangelegenheden die van belang zijn voor de inwoners van het werkgebied.

  • 8. De wijkorganisatie draagt zorg voor een goede balans in de uitvoering van de activiteiten en de inzet van de verleende subsidiegelden, zulks ter beoordeling van het college. Het activiteitenplan bevat alle informatie die voor deze beoordeling noodzakelijk is.

  • 9. De wijkorganisatie communiceert ten minste eenmaal per jaar over het activiteitenplan en het activiteitenverslag met de inwoners van het werkgebied. De wijkorganisatie stemt de activiteiten uit het activiteitenplan af met professionele instellingen, die zelf werkzaam zijn op 1 of meer van die activiteiten, vóórdat met de uitvoering ervan wordt begonnen.

  • 10. De wijkorganisatie stemt de activiteiten uit het activiteitenplan af met professionele instellingen, die zelf werkzaam zijn op 1 of meer van die activiteiten, vóórdat met de uitvoering ervan wordt begonnen.

Artikel 4:39 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1.

    Het college kan een aanvraag voor een basissubsidie weigeren als in de 2 direct voorafgaande subsidietijdvakken geen subsidie is verleend voor de in artikel 4:36, tweede lid genoemde activiteiten.

  • 2.

    Het college kan een aanvraag om subsidie weigeren als en voor zover deze bedoeld is voor de permanente huur van accommodatieruimte.

  • 3.

    Het college kan een subsidieaanvraag voor de in artikel 4:36 genoemde activiteiten binnen een werkgebied weigeren als door toewijzing van de aanvraag aan meer dan 1 wijkorganisatie binnen dat werkgebied subsidie zou worden verleend.

Artikel 4:40 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1.

    Het college kan een deel van het subsidiebudget reserveren voor nader door hem aan te wijzen belangenorganisaties voor bewoners.

  • 2.

    Het college kan een deel van het subsidiebudget reserveren voor de in artikel 4:36, derde lid genoemde activiteiten.

  • 3.

    Wanneer de totalen van de aanvragen voor de artikel 4:36 genoemde activiteiten de hiervoor ingestelde, respectievelijke subsidieplafonds over­schrijden, worden deze naar evenredig­heid over de in aanmerking komende aanvragen verdeeld.

Paragraaf 4.9 Maatschappelijke activering

Artikel 4:41 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten die gericht zijn op de maatschappelijke activering van burgers.

Artikel 4:42 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1.

    In afwijking van artikel 4:2 dienen subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:41 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend.

  • 2.

    Het activiteitenplan moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      gegevens over de deelname aan de activiteiten;

    • c.

      gegevens over de eigen bijdragen van deelnemers aan de activiteiten.

  • 3.

    De subsidieontvanger moet samenwerking zoeken met instellingen die soortgelijk of complementair werk verrichten als het college dat noodzakelijk acht. In het activiteitenverslag moet de subsidieontvanger aangeven hoe deze verplichting is ingevuld.

Artikel 4:43 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1.

    Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van het subsidieplafond dan wordt dat naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld;

    • c.

      resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.10 Vrijwilligerswerk

Artikel 4:44 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies:

  • a.

    bemiddeling, informatievoorziening, ondersteuning, advisering en scholing van (groepen) vrijwilligers zowel op het terrein van de vrijwillige thuishulp als daarbuiten;

  • b.

    de ondersteuning van mantelzorgers;

  • c.

    deskundigheidsbevordering, ondersteuning en informatievoorziening van vrijwilligers-organisaties op het terrein van:

    • 1.

      vrijwilligersmanagement (vinden en binden van vrijwilligers);

    • 2.

      het bieden van maatschappelijke stages aan jongeren;

    • 3.

      het afstemmen van de vraag van vrijwilligersorganisaties op het aanbod van het bedrijfsleven op het gebied van maatschappelijk ondernemen;

  • d.

    bevorderen van maatschappelijk ondernemen en het bemiddelen tussen vrijwilligersorganisaties en bedrijfsleven.

Artikel 4:45 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1.

    In afwijking van artikel 4:2 dienen andere subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:44 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend.

  • 2.

    De in artikel 4:44 bedoelde activiteiten moeten zijn gericht op de bevordering van de maatschappelijke participatie en betrokkenheid van burgers bij wat er in de samenleving in het algemeen en de eigen woon- en leefomgeving in het bijzonder gebeurt, een en ander binnen de door de gemeente gecreëerde randvoorwaar­den.

  • 3.

    Het activiteitenplan moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de wijze waarop aan het vorige lid invulling wordt gegeven;

    • b.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over het aantal vrijwilligers per activiteit;

    • d.

      gegevens over de frequentie waarmee vrijwilligers worden ingeschakeld evenals een omschrij­ving van de aard en de zwaarte van de hen opgedragen taken.

Artikel 4:46 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1.

    Als het totaal van de aanvragen de respectievelijke subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling van deze subsidieplafonds als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van de respectievelijke subsidieplafonds dan worden deze naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld.

  • 2.

    Resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.11 Maatschappelijke dienstverlening

Artikel 4:47 Begripsbepalingen

Artikel 4:48 Subsidiabele activiteiten
  • 1.

    Het college kan subsidie verlenen in het kader van maatschappelijke en juridische dienstverlening:

    • a.

      ter uitvoering van onderstaande functies:

      • 1.

        cliëntgerichte hulpverlening;

      • 2.

        dienstverlening;

      • 3.

        informatie en advies;

      • 4.

        voorlichting;

      • 5.

        consultatie;

      • 6.

        signalering;

      • 7.

        preventie;

    • b.

      voor activiteiten en projecten op door de raad benoemde aandachtsgebieden.

  • 2.

    Het staat de subsidieontvanger op basis van het vorige lid vrij om binnen een nader door het college aan te geven bandbreedte gedurende het subsidietijdvak andere activiteiten uit te voeren dan in de beschikking tot subsidieverlening is bepaald mits deze activiteiten passen binnen de in eerste lid genoemde functies en mits de subsidieontvanger in staat is deze activiteiten voor de verleende subsidie uit te voeren.

  • 3.

    Het college kan subsidie verlenen in het kader van Rechtswinkels ter uitvoering van onderstaande functies:

    • a.

      voorlichting;

    • b.

      informatie en advies.

  • 4.

    Het college kan subsidie verlenen in het kader van Slachtofferhulp ter uitvoering van onderstaande functies:

    • a.

      dienstverlening;

    • b.

      voorlichting;

    • c.

      preventie;

    • d.

      informatie en advies;

    • e.

      signalering.

Artikel 4:49 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1.

    In afwijking van artikel 4:2 dienen andere subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:48 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend.

  • 2.

    Het activiteitenplan moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd.

  • 3.

    De activiteiten in het kader van subsidieaanvragen op grond van artikel 4:48, eerste lid moeten voor een nader door het college te bepalen gedeelte worden uitgevoerd ten behoeve van migranten.

  • 4.

    Het activiteitenplan in het kader van subsidieaanvragen op grond van artikel 4:48, eerste lid moet tevens voorzien zijn van gegevens over de spreiding van de activiteiten.

  • 5.

    Het activiteitenplan in het kader van subsidieaanvragen op grond van artikel 4:48, derde en vierde lid moet tevens voorzien zijn van gegevens over de eigen bijdragen van cliënten waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd.

  • 6.

    De activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend op grond van artikel 4:48, vierde lid moeten door vrijwilligers worden uitgevoerd.

Artikel 4:50 Subsidieplafond en verdelingsregels

Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt:

  • a.

    op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

  • b.

    als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van het subsidieplafond dan wordt dit naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld;

  • c.

    resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.12 Ouderenbeleid

Artikel 4:51 Begripsbepalingen

Artikel 4:52 Subsidiabele activiteiten
  • 1.

    Het college kan aan ouderenbonden subsidie verlenen voor activiteiten gericht op de behartiging van gezamenlijke belangen van hun leden.

  • 2.

    Het college kan aan het Stedelijk Overleg Ouderenbonden Groningen subsidie verlenen voor activiteiten ter bevordering van de samenwerking tussen de bij het samenwerkingsverband aangesloten ouderenbonden.

Artikel 4:53 Subsidie per activiteit

In afwijking van artikel 4:3 van dit hoofdstuk:

  • a.

    is de subsidie per kalenderjaar voor de in artikel 4:52, eerste lid genoemde activiteiten gelijk aan het subsidieplafond voor deze activiteiten gedeeld door het totale aantal leden van de ouderenbonden in de gemeente Groningen;

  • b.

    bedraagt de subsidie voor de in artikel 4:52, tweede lid genoemde activiteiten:

    • 1.

      maximaal 100% van de noodzakelijke huisvestingskosten;

    • 2.

      maximaal 100% van de noodzakelijke salariskosten van een steunfunctionaris voor ten hoogste een nader door het college te bepalen aantal uren.

Artikel 4:54 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

In afwijking van artikel 4:2 dienen andere subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:52 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend.

Artikel 4:55

Subsidieplafond en verdelingsregels

Als het totaal van de aanvragen de subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling hiervan als volgt:

  • a.

    op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

  • b.

    resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 4.13 Maatschappelijke en vrouwenopvang, verslavingszorg en overlastbestrijding

Artikel 4:56 Begripsbepalingen

Artikel 4:57 Subsidiabele activiteiten
  • 1.

    Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten ter uitvoering van onderstaande functies:

    • a.

      verblijf;

    • b.

      zorgverlening;

    • c.

      psychosociale begeleiding;

    • d.

      outreachende hulpverlening;

    • e.

      opvang en zorg;

    • f.

      crisishulpverlening;

    • g.

      begeleiding;

    • h.

      behandeling;

    • i.

      nazorg;

    • j.

      maatschappelijk herstel;

    • k.

      consultatie;

    • l.

      coördinatie en afstemming;

    • m.

      deskundigheidsbevordering;

    • n.

      preventie;

    • o.

      voorlichting, informatie en advies;

    • p.

      beleidsadvisering;

    • q.

      zelfhulpgroep;

    • r.

      psychosociale behandeling.

  • 2.

    Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten of projecten op door de raad aangewezen aandachtsgebieden.

  • 3.

    Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten met als doel het voorkomen en/of verminderen van door burgers ervaren overlast.

  • 4.

    Het college kan aan zelfhulpgroepen subsidie verlenen voor activiteiten met als doel om over hun problematiek voortvloeiend uit verslaving, dakloosheid of huiselijk geweld onderlinge contacten te hebben en ervaringen uit te wisselen.

Artikel 4:58 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1.

    In afwijking van artikel 4:2 dienen andere subsidieaanvragen, niet zijnde vervolgaanvragen, voor de in artikel 4:57 genoemde activiteiten uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteiten bij het college zijn ingediend.

  • 2.

    Het activiteitenplan voor subsidieaanvragen op grond van artikel 4:57, eerste, tweede en derde lid moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      een groepering van de activiteitenbeschrijvingen per doelgroep;

    • c.

      een beschrijving van de wijze waarop inhoud wordt gegeven aan het in het volgende lid bedoelde preventieve beleid.

  • 3.

    Het activiteitenplan voor subsidieaanvragen op grond van artikel 4:57, vierde lid moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd;

    • c.

      gegevens over de wijze waarop de activiteiten worden uitgevoerd.

  • 4.

    De ontvanger van subsidies op grond van artikel 4:57, eerste, tweede en derde lid voert een preventief beleid dat erop is gericht:

    • a.

      het aantal daklozen en de duur van de dakloosheid zoveel mogelijk te verminderen;

    • b.

      het aantal verslaafden en de duur van de verslaving zoveel mogelijk te verminderen;

    • c.

      de door de doelgroepen veroorzaakte overlast zoveel mogelijk te beperken. De subsidieontvanger onderhoudt hiertoe contacten met instellingen die zich op dezelfde doelgroepen richten, met omwonenden en hun belangenbehartigers, met omwonende organisaties en met de politie;

    • d.

      het aantal slachtoffers van huiselijk geweld zoveel mogelijk te verminderen en het herstel zo veel mogelijk te bevorderen.

Artikel 4:59 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1.

    Het college kan een deel van de subsidieplafonds behorend bij de subsidies op basis van artikel 4:57, eerste, tweede en derde lid reserveren voor specifiek door het college aan te wijzen activiteiten maatschappelijke opvang en vrouwenopvang.

  • 2.

    Als het totaal van de aanvragen de respectievelijke subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling van deze subsidieplafonds als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als bovenstaande verdeelwijze leidt tot overschrijding van de respectievelijke subsidieplafonds dan worden deze naar evenredigheid over de op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld;

    • c.

      resteren er na toepassing van bovenstaande verdeelwijze nog middelen dan worden deze over de op tijd ingediende aanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college jn binnengekomen.

Paragraaf 4.14 Oppasvergoeding kinderopvang voor vrijwilligers (vervallen zijn de artikelen 4:60 tot en met 4:64)

Paragraaf 4.15 Subsidiëring initiatieven van burgers met een psychiatrische of verstandelijke handicap

Artikel 4:65 Begripsbepaling

Artikel 4:65 Begripsbepaling

Artikel 4:66 Relevante procedure
  • 1. Voor subsidies die krachtens deze paragraaf worden verstrekt is de lichte procedure van toepassing.

  • 2. In afwijking van artikel 18 lid 5 van de Algemene subsidieverordening beslist het college over de eerste aanvraagperiode op 1 november voorafgaand aan de eerste aanvraagperiode en op 1 mei voorafgaand aan de tweede aanvraagperiode.

Artikel 4:67 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor:

  • 1.

    het nemen van initiatieven die de participatie van mensen met een verstandelijke beperking en/of een psychiatrische handicap bevorderen.

  • 2.

    uitwisseling van ervaringen met participatie in de samenleving tussen mensen van de doelgroep onderling of tussen mensen van de doelgroep en derden.

  • 3.

    voorlichting en deskundigheidsbevordering door mensen van de doelgroep aan derden met het doel ruimte te maken voor participatie.

Artikel 4:68 Subsidie per activiteit
  • 1. De subsidie voor de in artikel 4:67 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Daarbij geldt dat een aanvrager voor elk van de in artikel 4:67 genoemde activiteiten slechts éénmaal per kalenderjaar in aanmerking kan komen voor een subsidie van maximaal € 10.000,-- per activiteit.

  • 2. Op de noodzakelijke kosten worden baten die rechtstreeks op subsidiabele activiteiten betrekking hebben in mindering gebracht.

  • 3. Het college neemt alleen kosten van overhead en ondersteuning in aanmerking die in redelijkheid aan de subsidiabele activiteiten kunnen worden toegerekend.

Artikel 4:69 Subsidieplafond en verdeelregels
  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 4:67 genoemde activiteiten is per kalenderjaar gelijk aan het in de gemeentebegroting voor dat jaar opgenomen bedrag.

  • 2. Het college verdeelt het kalenderjaar in twee aanvraagperioden van elk zes maanden.

  • 3. Het college stelt per aanvraagperiode een deelbudget vast van 50% van het subsidieplafond.

  • 4. Het college kan een overschot op het eerste deelbudget van een kalenderjaar toevoegen aan het tweede deelbudget van dat kalenderjaar.

  • 5. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het beschikbare deelbudget, dan wordt dat budget over de op tijd ingediende aanvragen als volgt verdeeld:

    • a.

      een subsidieaanvraag komt eerder voor subsidie in aanmerking naarmate de activiteiten beter voldoen aan de volgende criteria:

      • i.

        activiteiten leiden tot meer sociale contacten en/of maatschappelijke activiteiten;

      • ii.

        activiteiten worden uitgevoerd door en voor mensen van de doelgroep;

      • iii.

        maatschappelijke verworvenheden op het gebied van ontmoeting en participatie aan de samenleving die met de activiteiten zijn bereikt blijven in stand;

    • b.

      In de afweging van het college wegen eerder genoemde criteria zwaarder dan later genoemde.

Artikel 4:70 Subsidieaanvraag

Uit de subsidieaanvraag moet blijken op welke wijze de activiteiten van de aanvrager voldoen aan de in artikel 4:69 lid 5 onder a bedoelde criteria.

 

Artikel 4:71 Nadere verplichtingen
  • 1. De subsidieontvanger maakt bij de uitvoering van zijn activiteiten zoveel mogelijk gebruik van bestaande faciliteiten en accommodaties.

  • 2. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat zijn activiteiten aansluiten bij reguliere voorzieningen waaronder vrijwilligerswerk en mantelzorgondersteuning.

Artikel 4:72 Aanvullende weigeringsgronden

Het college weigert een subsidieaanvraag voor activiteiten die niet bijdragen aan participatie van de doelgroepleden in het reguliere maatschappelijke verkeer volgens de doelstelling van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning.

 

Paragraaf 4.16 Maatschappelijke stages

Artikel 4:73 Begripsbepaling

Artikel 4:73 Begripsbepaling

Artikel 4:74 Subsidiabele activiteiten

Het college kan een instelling subsidie verlenen voor activiteiten in het kader van de uitvoering van de Wet Maatschappelijke Stage. De subsidie is specifiek bedoeld voor het vervullen van de makelaarsfunctie maatschappelijke stages en vrijwilligerswerk. De makelaarsfunctie omvat in ieder geval de volgende werkzaamheden:

  • a.

    het ontwikkelen van een communicatieplan met als doel de maatschappelijke stages in Groningen positief onder de aandacht te brengen;

  • b.

    het belang uitstralen van maatschappelijke stages voor de stad, onder meer door het inzetten van ambassadeurs en het belonen van jongeren die een belangrijke bijdrage leveren aan het vrijwilligerswerk in Groningen;

  • c.

    het versterken van de samenwerking tussen lokale partners door het stimuleren van kennisoverdracht en kennisuitwisseling;

  • d.

    het ontwikkelen van een inspirerend en uitdagend aanbod dat rekening houdt met de wensen en behoeften van leerlingen en van vrijwilligersorganisaties;

  • e.

    het genereren van nieuwe aanbieders om ook in de toekomst over voldoende en gevarieerde stage mogelijkheden te kunnen beschikken;

  • f.

    het ontwikkelen van kwaliteitseisen voor aanbod en begeleiding, oftewel de vrijwilligersorganisaties maatschappelijke stage proof te maken;

  • g.

    het ontwikkelen van een instrument voor de het aanbieden van stages aan leerlingen, zodat een leerling goed zicht houdt op het totale aanbod van stages en makkelijker iets van zijn gading vindt.

Artikel 4:75 Bijzondere belastingen/verplichtingen
  • 1. De instelling heeft binding met de stad Groningen en beschikt over een aantoonbaar netwerk binnen het vrijwilligerswerk en de scholen voor het voortgezet onderwijs.

  • 2. De instelling is in staat de maatschappelijke stage te integreren in het brede terrein van het vrijwilligerswerk.

  • 3. De instelling heeft aantoonbare ervaring met het vergroten van de betrokkenheid en de participatie van jongeren.

  • 4. De instelling heeft aantoonbare ervaring met de uitvoering van de makelaarsfunctie uit de Wet Maatschappelijke Stage.

Artikel 4:76 Aanvullende weigeringsgronden

Het college weigert een subsidie indien er naar het oordeel van het college onvoldoende afstemming plaatsvindt met de scholen voor het voortgezet onderwijs en de vrijwilligersorganisaties in de stad Groningen.

Artikel 4:77 Subsidieplafond en verdelingsregels

Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

  • a.

    op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

  • b.

    als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 4:74 en 4:75.

Paragraaf 4.17 Caribische Nederlanders in Groningen

Artikel 4:78 Begripsbepaling

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

a. Caribische Nederlanders

:

inwoners van Groningen die afkomstig zijn uit de voormalige Nederlandse Antillen.

Artikel 4:79 Subsidiabele activiteiten

Het college kan een aanvrager subsidie verlenen voor activiteiten in het kader van de integratie en participatie van Caribische Nederlanders in Groningen. De werkzaamheden van de aanvrager dienen zich te richten op:

  • a.

    interactie met de Caribische Nederlanders  in Groningen;

  • b.

    het in kaart brengen van de wensen en de noden van de Caribische Nederlanders  in Groningen en te vertalen naar (beleids)initiatieven;

  • c.

    hiertoe onderzoekswerkzaamheden te (laten) verrichten;

  • d.

    het initiëren van activiteiten die bijdragen aan communicatie en samenwerking binnen de Carbisch-Nederlandse gemeenschap in Groningen;

  • e.

    het initiëren van activiteiten die bijdragen aan participatie van Caribische Nederlanders in de gemeente Groningen;

  • f.

    het leveren van een bijdrage aan het tot stand komen van een dialoog tussen de Caribisch-Nederlandse gemeenschap en (vertegenwoordigers van) de Nederlandse samenleving;

  • g.

    het gevraagd en ongevraagd adviseren van het college over beleidsonderwerpen met de betrekking tot de Caribisch-Nederlandse gemeenschap.

 

Artikel 4:80 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. De aanvrager heeft een aantoonbaar sociaal netwerk binnen de Caribisch Nederlandse gemeenschap.

  • 2. De aanvrager geeft voldoende bekendheid aan de werkzaamheden onder de Caribisch Nederlandse gemeenschap in Groningen.

  • 3. Voldoende Caribische Nederlanders zijn actief betrokken bij de uitvoering van de werkzaamheden van de aanvrager.

  • 4. De aanvrager licht de werkzaamheden minimaal één keer per jaar toe in een bestuurlijk overleg met het college.

Artikel 4:81 Aanvullende weigeringsgronden

Het college weigert een subsidie indien:

  • 1.

    de aanvrager onvoldoende draagvlak kan aantonen binnen de Caribisch Nederlandse gemeenschap;

  • 2.

    de aanvrager onvoldoende kan aantonen dat er een dialoog tussen de Caribische Nederlanders en (vertegenwoordigers van) de Nederlandse samenleving tot stand is gebracht;

  • 3.

    de activiteiten niet voldoende toegankelijk zijn voor de Caribische Nederlanders in Groningen.

Artikel 4:82 Subsidieplafond en verdelingsregels

Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

  • a.

    op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

  • b.

    als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze verdeeld over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen die het beste voldoen aan artikel 4:79 en 4:80.

Paragraaf 4.18 Activiteiten WIJ-teams

Artikel 4:83 Begripsbepaling

Artikel 4:83 Begripsbepaling

Artikel 4:84 Relevante procedures
  • 1. Voor deze paragraaf zijn naast de uitgebreide procedure, zoals opgenomen in de verordening, tevens de in hoofdstuk 5 van het Beschrijvend document opgenomen criteria en de bijbehorende beoordelingsmethode van toepassing.

  • 2. Artikel 12, leden 4 en 5 van de verordening zijn niet van toepassing.

Artikel 4:85 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan instellingen die hebben voldaan aan de subsidievoorwaarden zoals opgenomen in de Selectieleidraad subsidie verlenen voor:

  • 1.

    activiteiten ter uitvoering van de functie generalistisch werker met het specialisme psychiatrie volwassenen tot een maximum van 32 uur per week per functie en per WIJ-team;

  • 2.

    activiteiten ter uitvoering van de functie generalistisch werker met het specialisme middelengebruik tot een maximum van 32 uur per week per functie en per WIJ-team;

  • 3.

    activiteiten ter uitvoering van de functie generalistisch werker met het specialisme verstandelijke beperkingen tot een maximum van 32 uur per week per functie en per WIJ-team;

  • 4.

    activiteiten ter uitvoering van de functie generalistisch werker met het specialisme (psychiatrie) ouderen tot een maximum van 16 uur per week per functie en per WIJ-team;

  • 5.

    activiteiten ter uitvoering van de functie generalistisch werker met het specialisme zorgmijders en zware multiproblem huishoudens tot een maximum van 32 uur per week per functie en per WIJ-team;

  • 6.

    activiteiten ter uitvoering van de functie generalistisch werker met het specialisme gezinsondersteuning tot een maximum van 32 uur per week per functie en per WIJ-team.

Artikel 4:86 Subsidie per activiteit
  • 1. De subsidie voor in artikel 4:87 onder 1, 2, 3, 5 en 6 genoemde activiteiten bedraagt € 56.092 op jaarbasis per functie.

  • 2. De subsidie voor in artikel 4:87 onder 4 genoemde activiteiten bedraagt € 28.046 op jaarbasis per functie.

  • 3. Het college kan besluiten om de in de leden 1 en 2 genoemde bedragen te wijzigen. Het college motiveert in dat geval zijn besluit.

Artikel 4:87 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. Subsidieaanvragen dienen te voldoen aan de bepalingen en verplichtingen, zoals die gesteld zijn in het Beschrijvend document.

  • 2. Subsidieaanvragen zijn voorzien van een plan van aanpak.

  • 3. Het plan van aanpak dient in te gaan op de volgende kwaliteitsaspecten:

    • a.

      bijdrage aan visie en doelstellingen (generiek);

    • b.

      bijdrage deskundigheid WIJ teams (specifiek per functiegroep);

    • c.

      specifieke aanpak t.b.v. Groningen (specifiek per functiegroep);

    • d.

      een beschrijving van de competenties waarover de functionarissen beschikken die met de activiteitenuitvoering worden belast.

  • 4. Subsidieaanvragen zijn voorzien van een berekening van de kosten per functie.

  • 5. De subsidieontvanger ondertekent het Convenant WIJ-Teams en onderschrijft daardoor de in het convenant opgenomen uitgangspunten, definities en werkwijze en het daarin opgenomen privacyreglement.

Artikel 4:88 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1. Het college weigert een subsidieaanvraag als die afkomstig is van een instelling die niet heeft voldaan aan de subsidievoorwaarden zoals opgenomen in de Selectieleidraad.

  • 2. Het college weigert een subsidieaanvraag als die niet voldoet aan de Vormvereisten inzake indienen van de Subsidieaanvraag, zoals bedoeld in artikel 3.3 van het Beschrijvend document.

  • 3. Het college weigert een subsidieaanvraag als die niet op de wijze is ondertekend, zoals bedoeld in artikel 3.4 van het Beschrijvend document.

  • 4. Het college weigert een subsidieaanvraag voor zover aan de aanvrager al voor drie functies op de functiegroepen aanpak zorgmijders / zware multiproblem huishoudens en gezinsondersteuning subsidie is verstrekt.

Artikel 4:89 Subsidieplafonds en verdelingsregels
  • 1. In afwijking van artikel 4:4 bedragen de subsidieplafonds voor 2016 voor:

    • a.

      functiecategorie psychiatrie volwassenen ; € 617.007

    • b.

      functiecategorie middelengebruik ; € 617.007

    • c.

      functiecategorie verstandelijke beperkingen ; € 617.007

    • d.

      functiecategorie (psychiatrie) ouderen ; € 308.504

    • e.

      functiecategorie aanpak zorgmijders en multiproblem huishoudens ; € 336.549

    • 6.

      functiecategorie gezinsondersteuning 280.458.

  • 2. Als het totaal van de aanvragen de respectievelijke subsidieplafonds overschrijdt dan is de verdeling daarvan als volgt:

    • a.

      Op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      Resteert na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidiebudget dan wordt dat over de in aanmerking komende aanvragen verdeeld op basis van de in artikel 4:86 bedoelde criteria en de bijbehorende beoordelingsmethode, waarbij hoger geplaatste aanvragen eerder voor subsidie in aanmerking komen dan lager geplaatste.

Paragraaf 4.19 - Innovatieateliers Beschermd wonen en Opvang

Artikel 4:90 Begripsbepaling

1.

Innovatie

De ontwikkeling en implementatie van nieuwe (producten, diensten of modellen) die bijdragen aan:

- de bevordering van de uitstroom van cliënten Beschermd wonen en Opvang naar zelfstandig wonen met passende ondersteuning en daginvulling.

- de preventie van de instroom in een voorziening Beschermd wonen of Opvang;

2.

Innovatieatelier Beschermd wonen en Opvang

Projectmatige activiteiten gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie van (zeer) kwetsbare inwoners waarbij de effecten geborgd kunnen worden en een kostenreductie gerealiseerd.

3.

Profijtgroepen

Mensen die zich individueel of samen met anderen, al dan niet in formele samenwerkingsverbanden, inzetten om bij te dragen aan het bepaalde in de leden 1 en 2.

Artikel 4:91 Relevante procedure
  • 1. In afwijking van artikel 4:2 is voor de toepassing van deze paragraaf de reguliere procedure van toepassing, ongeacht de hoogte van de subsidie.

  • 2. In afwijking van artikel 13 Algemene Subsidieverordening is de datum voor het indienen van subsidieaanvragen 15 oktober 2018.

Artikel 4:92 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Het college kan subsidie verlenen voor projectmatige activiteiten Innovatieatelier Beschermd wonen en Opvang die naar het oordeel van het college voldoen aan de innovatiekenmerken zoals deze in artikel 4: 90 zijn omschreven.

  • 2. Het subsidietijdvak loopt van 1 september 2018 tot en met uiterlijk 31 december 2019.

Artikel 4:93 Subsidie per activiteit

In afwijking van artikel 4:3 van dit hoofdstuk bedraagt de subsidie voor de in artikel 4:92 genoemde activiteiten maximaal 50% van de noodzakelijke kosten met een maximum van € 15.000,- per aanvraag.

Artikel 4:94 De aanvraag
  • 1. De aanvraag om subsidieverlening dient te zijn voorzien van een projectplan met hierin opgenomen:

    • a.

      Het vraagstuk, de activiteiten, de doelen en de samenhang met het te bereiken beoogd effect;

    • b.

      Een begroting van de kosten en de baten van de uit te voeren activiteiten. De aanvraag bevat een beschrijving van de wijze waarop het verschil tussen de subsidiabele projectkosten en de door het college te verstrekken subsidie wordt gedekt ofwel de overige baten naast de gewenste subsidie.

Artikel 4:95 Beoordeling projectplan
  • 1. Het college zal het projectplan beoordelen volgens het toekennen van een score aan de hand van punten op de onderdelen:

    • -

      Impact,

    • -

      Draagvlak,

    • -

      Ondernemend, toekomstbestendig

    • -

      Schaalbaar,

    • -

      Vernieuwend product, dienst of model.

  • 2. Het initiatief zal op elk onderdeel een score krijgen van 1, 2, 3, 4, of 5 punten met een maximum van 25 punten.

Artikel 4:96 Bijzondere bepalingen en verplichtingen
  • 1. De subsidieontvanger is verplicht mee te werken aan een nulmeting, een tussenmeting en een eindmeting in het kader van een impactanalyse.

Artikel 4:97 Weigeringsgronden
  • 1. Het college weigert een aanvraag indien het aantal behaalde punten, toegekend volgens de systematiek van artikel 4:95, minder is dan 15 punten.

Artikel 4:98 Subsidieplafond en verdeelregels
  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 4:92 genoemde activiteiten bedraagt het daarmee in de begroting corresponderende bedrag.

  • 2. Als het totaal van de aanvragen hoger is dan het beschikbare budget, dan worden de ontvankelijke subsidieaanvragen toegewezen naar de mate waarin ze naar het oordeel van burgemeester en wethouders het hoogste scoren volgens de systematiek van artikel 4:95 leden 1 en 2.

Artikel 4:99 Duur

Deze subsidieregeling eindigt op 31 december 2019.

Artikel 4:100 Overgangsrecht

Voor de vaststelling van de subsidie die verleend is voor 1 september 2018, geldt de regeling zoals deze luidde op 1 september 2017 en bekend is gemaakt in het Gemeenteblad 2017 nr. 36243 dd. 7 maart 2017.

Algemene toelichting

Conform de Wmo 2015 werken de Groninger gemeenten samen op het gebied van Beschermd wonen en Opvang. Het Rijk en de VNG hebben afgesproken dat in de vorm van een centrumregeling te doen. Dit betekent dat we met de regiogemeenten overleggen. We geven gestalte aan het overleg in de eerste fase van de procedure om te komen tot subsidiëring. De subsidie wordt verstrekt voor de periode van één jaar. Er vindt toetsing aan het inkoopdocument plaats en de gemeente Groningen verstrekt de subsidie op grond van de centrumregeling.

Het proces van aanvraag en toekenning verloopt in de volgende stappen:

  • 1.

    Innovatieatelier d.d. 1 juli 2016: van instellingen wordt verwacht dat zij in een pitch van 3 minuten hun innovatieve plan presenteren voor commissie van bestuurders (wethouders) van de centrumgemeente én de regiogemeenten alsmede beleidsmedewerkers van de centrumgemeente én de regiogemeenten (werkgroep innovatieve pilots BW&O). Na de pitch kan de commissie vragen stellen ter verheldering. Deze commissie maakt een voorselectie van de innovatieve plannen met het oog op de subsidieaanvraag.

  • 2.

    Subsidieaanvraag inclusief projectplan en begroting indienen vóór 22 augustus 2016 (conform de Nadere Regels).

  • 3.

    Na de ontvankelijkheidstoets beoordeelt de werkgroep innovatieve pilots BW&O de projectplannen inhoudelijk aan de hand van de afwegingscriteria.

  • 4.

    Het college van de gemeente Groningen verleent de subsidie, ook in de regiogemeenten op basis van de centrumregeling.

Artikelsgewijze toelichting

4:91

Op grond van artikel 4:2 van de Nadere regels is de uitgebreide procedure van toepassing.

4:92

In het inkoopdocument ten behoeve van “Continuïteit Beschermd Wonen, 18+” en het inkoopdocument ten behoeve van “Wonen met begeleiding op maat, 18+” staan criteria vermeld om de kwaliteit van de aanbieders én de kwaliteit van de dienstverlening te borgen. Deze criteria zijn leidend.

4:95

De criteria staan vermeld in het Beschrijvend document.

Hoofdstuk 5 Sport en bewegen (OCSW)

Paragraaf 5.1 Sport algemeen

Artikel 5:1 Begripsbepalingen

Artikel 5:1  Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan onder:

  • a.

    sportvereniging : een vereniging die is aangesloten bij een landelijke, door het NOC*NSF erkende of bij een andere landelijke of internationale sportbond en die statutair gevestigd is in de gemeente Groningen;

  • b.

    talentopleiding: een vereniging of stichting die activiteiten uitvoert op het gebied van ontwikkeling en begeleiding van jeugdsporters met als doel training voor of deelname aan competities;

  • c.

    clubgebouw: een gebouw of deel daarvan dat grotendeels gebruikt wordt door de leden van de subsidieontvanger, anders dan voor de beoefening van sport;

  • d.

    duurzame sportmaterialen: materialen bestemd voor het beoefenen van een binnensport, die niet behoren tot de basisuitrusting van een gemeentelijke binnensportaccommodatie en die onder normale omstandigheden een levensduur hebben van tenminste 3 jaren;

  • e.

    jeugdlid: een lid van een sportvereniging dat door de sportbond waarbij die vereniging is aangesloten wordt beschouwd als een jeugdlid;

  • f.

    topsportevenement: een sportevenement met ten minste een landelijke uitstraling waaraan wordt deelgenomen door sporters van nationaal en/of internationaal aanzien;

  • g.

    sportseizoen: het tijdvak lopend van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend. Als de landelijke sportkoepel waarbij de subsidieaanvrager is aangesloten een ander tijdvak hanteert, geldt dat laatstgenoemde tijdvak;

  • h.

    seizoensaanvraag: een aanvraag om huur van een sportaccommodatie voor de duur van een sportseizoen mits ingediend uiterlijk 8 weken voor aanvang van het sportseizoen;

  • i.

    gemeentelijke sportaccommodatie: een sportaccommodatie die het eigendom is van de gemeente Groningen met uitzondering van de 400-meter baan van Sportcentrum Kardinge en atletiekcentrum Stadspark;

  • j.

    standaardhuurtarief: het standaard tarief zoals gehanteerd door de Werkmaatschappij Sport en Recreatie.

  • k.

    sportinfrastructuur: het geheel aan gebouwen, velden, sportmaterialen en overige fysieke zaken die noodzakelijk zijn om sportuitoefening mogelijk te maken.

  • l.

    strategie Sport verbindt: strategie als bedoeld in het Meerjarenprogramma Sport en bewegen 2016-2020, vastgesteld door de raad op 8 juni 2016.

  • m.

    Beter benutten: actie om te komen tot optimale bezetting van sportaccommodaties, als bedoeld in de nota het Meerjarenprogramma Sport en bewegen 2016-2020, vastgesteld door de raad op 8 juni 2016.

Artikel 5:2 Relevante procedure

Voor dit hoofdstuk is bij subsidies:

  • a.

    van meer dan € 45.000,-- de uitgebreide procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing;

  • b.

    tussen € 5.000,-- en € 45.000,-- de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing;

  • c.

    bij subsidies van minder dan € 5.000,-- de lichte procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 5:3

Subsidie per activiteit

De subsidie voor alle in dit hoofdstuk genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten. Per paragraaf kunnen meer precieze hoogtes van de subsidie gesteld worden.

Paragraaf 5.2 Investeringen in sportmaterialen en sportinfrastructuur

Artikel 5:3a Relevante procedures
  • 1. In afwijking van de in artikel 5.2 genoemde procedures, voor zover die betrekking hebben op de data waarop de aanvragen voor subsidies moeten worden ingediend, geldt voor de in deze paragraaf beschreven subsidies dat voorstellen die een voornemen betreffen een subsidieaanvraag te doen te allen tijde aan het college kunnen worden voorgelegd. Deze voorstellen zijn geen aanvragen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde voorstellen worden, indien door de sportvereniging niet ingetrokken, geacht een aanvraag voor subsidie te zijn nadat de gemeenteraad de jaarrekening van het voorgaande jaar heeft vastgesteld en het college het subsidieplafond heeft vastgesteld.

  • 3. De van toepassing zijnde beslistermijn, behorende bij de in artikel 5.2 genoemde procedures, neemt een aanvang een dag na de bekendmaking van het subsidieplafond in het elektronisch gemeenteblad.

  • 4. Aanvragen die na de in het vorige lid bedoelde datum zijn ingediend, worden afgedaan met in achtneming van artikel 5:7, eerste lid onder v.

  • 5. Aanvragen die na 1 oktober van enig jaar zijn ingediend die betrekking hebben op activiteiten in datzelfde jaar zijn niet ontvankelijk, en worden geacht een voornemen te zijn als bedoeld in het eerste lid.

  • 6. Het college legt subsidieaanvragen voor advies voor aan de Adviescommissie voor de Sport.  

Artikel 5:3b Subsidietijdvak

Het subsidietijdvak voor de subsidies op grond van deze paragraaf loopt van 1 juli tot en met 30 juni.

Artikel 5:4 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan sportverenigingen subsidie verlenen in de kosten van sportinfrastructuur:

  • a.

    investeringen in nieuwbouw, uitbreiding of vernieuwing van clubgebouwen indien dit aantoonbaar bijdraagt aan de strategie ‘Sport verbindt’ of de actie ‘Beter benutten’.

  • b.

    aanschaf van duurzame sportmaterialen;

  • c.

    investeringen in nieuwbouw, uitbreiding, of vernieuwing van sportaccommodaties die vanwege het innovatieve karakter van die nieuwbouw, uitbreiding of vernieuwing een aanvulling zijn op het gemeentelijke aanbod van sportaccommodaties.

Artikel 5:5 Subsidie per activiteit
  • 1. In afwijking van artikel 5:3 bedraagt de subsidie:

    • a.

      voor de investeringen in nieuwbouw en verbouw van clubgebouwen indien dit aantoonbaar bijdraagt aan de strategie ‘Sport verbindt’ of de actie ‘Beter benutten’ maximaal 50% van de noodzakelijke kosten met een maximum van € 45.000,- per aanvraag.

    • b.

      Voor de aanschaf van duurzame sportmaterialen maximaal 50% van de noodzakelijke kosten met een maximum van € 6.000,- per aanvraag;

    • c.

      Voor de investeringen in uitbreiding of vernieuwing van sportaccommodaties die vanwege het innovatieve karakter van die uitbreiding of vernieuwing een aanvulling zijn op het gemeentelijke aanbod van sportaccommodaties maximaal 50 % van de noodzakelijke kosten met een maximum van € 45.000,- per aanvraag.

  • 2. In bijzondere gevallen kan het college ten gunste van de subsidieontvanger afwijken van de in het eerste lid van dit artikel genoemde maxima.

Artikel 5:6 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

In de subsidieaanvraag wordt beschreven hoe door middel van de gewenste investering de participatie onder sporters en onder mensen die nog niet sportief actief zijn wordt vergroot.

Artikel 5:6a Aanvullende weigeringsgronden
  • 1. Het college wijst een subsidieaanvraag voor de in artikel 5:4, onder a. en c. genoemde activiteiten, af als het bouwplan niet voldoet aan de eisen die het bouwbesluit stelt.

  • 2. Subsidie op grond van deze paragraaf wordt geweigerd indien de aanvraag betrekking heeft op de nieuwbouw, uitbreiding of vernieuwing van kleedkamers op gemeentelijke sportaccommodaties.

Artikel 5:7 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor subsidieaanvragen voor investeringen op grond van deze paragraaf, anders dan voor duurzame sportmaterialen, gelden de volgende regels:

    • a.

      het subsidieplafond bedraagt voor de in artikel 5:4, eerste lid onder a. en c. genoemde activiteiten dat deel van het budget van de “Bestemmingsreserve Vrijval kapitaallasten sportaccommodaties” dat voor het betreffende subsidietijdvak door het college wordt vastgesteld;

    • b.

      als het totaal van de aanvragen hoger is dan het subsidieplafond, dan honoreert het college de aanvragen die aan de voorwaarden voldoen in deze volgorde:

      • i.

        subsidieaanvragen afkomstig van subsidieontvangers die in de afgelopen 3 jaar nog niet eerder subsidie op grond van deze paragraaf ontvangen hebben, gaan boven subsidie ontvangers die wel de afgelopen drie jaar een dergelijke subsidie hebben ontvangen;

      • ii.

        subsidieaanvragen die aantoonbaar bijdragen aan Sport Verbindt of aan Beter benutten gaan voor voorstellen die dat niet of minder doen.

      • iii.

        subsidieaanvragen die voorstellen betreffen die meer op jeugd gericht zijn gaan boven voorstellen die meer op volwassenen zijn gericht.

      • iv.

        subsidieaanvragen die meer gericht zijn op innovatie gaan boven aanvragen die meer gericht zijn op uitbreiding van het bestaande aanbod;

      • v.

        resteert er na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidiebudget dan honoreert het college de aanvragen die aan de voorwaarden voldoen, en die bij het college zijn binnengekomen na de in artikel 5:3a lid 3 bedoelde datum maar voor 1 oktober, in de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

  • 2. Voor subsidieaanvragen voor de aanschaf van duurzame sportmaterialen gelden de volgende regels:

    • a.

      Het subsidieplafond bedraagt het budget “duurzame sportmaterialen” dat voor het betreffende subsidietijdvak door het college wordt vastgesteld;

    • b.

      als het totaal van de aanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan honoreert het college de aanvragen die aan de voorwaarden voldoen in deze volgorde:

      • i.

        aanvragen afkomstig van subsidieontvangers die nog niet eerder voor de aanschaf van duurzame sportmiddelen subsidie ontvangen hebben;

      • ii.

        subsidieaanvragen die meer gericht zijn op talentontwikkeling en jeugd gaan boven andere aanvragen.

       

    • c.

      resteert er na bovenstaande verdeelwijze nog een deel van het subsidiebudget dan honoreert het college de overige aanvragen die aan de voorwaarden voldoen, in de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 5.3 Subsidies gebruik sportaccommodaties

Artikel 5:8

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Het college kan aan sportverenigingen, landelijke sportbonden of aan talentopleidingen een basissubsidie verlenen voor het gebruik van gemeentelijke sportaccommodaties.

  • 2.

    Het college kan aan sportverenigingen, landelijke sportbonden of aan talentopleidingen een jeugdsubsidie verlenen voor het gebruik van gemeentelijke sportaccommodaties door jeugdleden.

  • 3.

    Het college kan aan sportverenigingen, landelijke sportbonden of aan talentopleidingen die niet in een gemeentelijke accommodatie terecht kunnen een subsidie verlenen voor het gebruik van niet-gemeentelijke sportaccommodaties door jeugdleden.

Artikel 5:9

Subsidie per activiteit

  • 1.

    De subsidie bedraagt één derde deel van het geldende tarief van de niet-gemeentelijke accommodatie maal het aantal uren waarop de aanvrager de accommodatie gedurende een sportseizoen heeft gehuurd. Deze subsidie kan nooit hoger zijn dan één derde deel van het standaardhuurtarief voor een vergelijkbare gemeentelijke accommodatie.

  • 2.

    Als er geen vergelijkbare gemeentelijke accommodatie bestaat, bedraagt de subsidie € 7,-- per jeugdlid per sportseizoen maal het aantal jeugdleden van de aanvrager. De bij de sportorganisatie gangbare teldatum geldt als peildatum voor het bepalen van het aantal jeugdleden.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid bedraagt de subsidie voor de 400-meter baan van sportcentrum Kardinge € 14,-- per jeugdlid.

Artikel 5:10

Bijzondere bepalingen bij subsidieaanvraag

Een subsidieaanvraag voor huur van een niet-gemeentelijke sportaccommodatie dient uiterlijk 8 weken vóór het begin van de huur in bezit te zijn van het college.

Artikel 5:11

Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1.

    Het college verstrekt geen subsidie van minder dan € 100,--.

  • 2.

    In afwijking van de in artikel 5:2 bedoelde procedure besluit het college op een subsidieaanvraag voor huur van een niet-gemeentelijke sportaccommodatie uiterlijk binnen 8 weken na ontvangst daarvan.

Artikel 5:11a Aanvullende weigeringsgronden

Het college kan een aanvraag voor subsidie voor een niet-gemeentelijke accommodatie weigeren als de subsidieaanvrager naar het oordeel van het college van een gemeentelijke accommodatie gebruik kan maken.

Toelichting op de Nadere Regel tot wijziging van de nadere regels subsidie gemeente Groningen

Toelichting op de Nadere Regel tot wijziging van de nadere regels subsidie gemeente Groningen

Paragraaf 5.4 Verbetering verenigingsstructuur

Artikel 5:12

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Het college kan aan sportverenigingen subsidie verlenen voor de kosten van:

    • a.

      fusie, reorganisatie of samenwerking met als doel schaalvergroting en/of structuurverbetering;

    • b.

      deskundigheidsbevordering van bestuurlijk en begeleidingskader en - in bijzondere gevallen - van sporttechnisch kader;

    • c.

      knelpunten die ontstaan door de overdracht van het beheer van gemeentelijke sportaccommodaties aan sportverenigingen.

  • 2.

    Het college verleent de in het vorige lid bedoeld subsidie voor een tijdvak van ten hoogste 2 jaren.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in het vorige lid kan het college de subsidie met ten hoogste 1 jaar verlengen als het college dit wenselijk acht.

Artikel 5:13

Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1.

    Het subsidieplafond voor de in artikel 5:12 genoemde activiteiten bedraagt het daarmee in de begroting corresponderende bedrag.

  • 2.

    Ten laste van het subsidiebudget worden subsidieaanvragen toegekend op basis van de volgorde waarop deze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 5.5 Stimulering sportdeelname

Artikel 5:14

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Het college kan aan sportverenigingen subsidie verlenen voor activiteiten met als doel om groepen burgers en buurten met een lage sportparticipatie te stimuleren tot sportdeelname.

  • 2.

    Het college kan aan andere instellingen dan sportverenigingen subsidie verlenen voor projectmatig opgezette activiteiten met als doel groepen burgers en buurten met een lage sportparticipatie te stimuleren tot sportdeelname mits de activiteiten na afloop van de projectperiode door een sportvereniging kunnen worden uitgevoerd.

  • 3.

    Er dient een sportvereniging bereid te zijn de activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie is verleend na beëindiging van de subsidie binnen de eigen organisatie voort te zetten.

  • 4.

    Het college verleent de in beide vorige leden bedoelde subsidies voor een tijdvak van ten hoogste 2 jaren.

  • 5.

    In afwijking van het vierde lid kan het college de subsidie met ten hoogste 1 jaar verlengen als het college dit wenselijk acht.

Artikel 5:15

Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1.

    Het subsidieplafond voor de in artikel 5:14 genoemde activiteiten bedraagt het daarmee in de begroting corresponderende bedrag.

  • 2.

    Ten laste van het subsidiebudget worden subsidieaanvragen toegekend op basis van de volgorde waarop deze bij het college zijn binnengekomen.

Paragraaf 5.6 Sportevenementen (vervallen zijn de artikelen 5:16 tot en met 5:18)

Paragraaf 5.7 Gebruik Martiniplaza voor sportwedstrijden

Artikel 5:19

Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan (sport)organisaties subsidie verlenen voor het gebruik van Martiniplaza ten behoeve van sportwedstrijden of activiteiten.

Artikel 5:20

Subsidie per activiteit

De subsidie bedraagt een nader door het college te bepalen deel van de accommodatiehuur die Martiniplaza aan de subsidieaanvrager in rekening brengt voor de activiteiten, genoemd in artikel 5:19.

Artikel 5:21

Bijzondere bepalingen/ verplichtingen

  • 1.

    Het college weigert een subsidieaanvraag als de aanvrager voor zijn activiteiten terecht kan in een andere geschikte sportaccommodatie in de gemeente Groningen.

  • 2.

    Het college kan een subsidieaanvraag weigeren:

    • a.

      voor zover de gevraagde subsidie betrekking heeft op verhoging van de huur voor het gebruik van Martiniplaza en de daarvan deel uitmakende voorzieningen en diensten ten behoeve van sportwedstrijden;

    • b.

      als de aanvrager geen stichtings- of verenigingsvorm heeft of geen samenwerkingsverband daarvan met rechtspersoonlijkheid is.

Artikel 5:22

Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1.

    Het subsidieplafond voor de activiteiten, genoemd in artikel 5:24, bedraagt het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag onder aftrek van de reeds lopende meerjarige verplichtingen.

  • 2.

    Het college kan een (groot) deel van het subsidieplafond reserveren voor specifiek door hem aangewezen sportorganisaties.

  • 3.

    Als het totaal van de aanvragen het subsidieplafond overschrijdt, is de verdeling van het subsidieplafond over de aanvragen als volgt:

    • a.

      als eerste komen in aanmerking de subsidieaanvragen van aanvragers die in 3 aaneengesloten en direct voorafgaande jaren een korting op de huur ontvangen hebben uit de bijdrage sportaccommodatie Martiniplaza en/of een subsidie op grond van de in deze paragraaf bedoelde regeling;

    • b.

      als op grond van bovenstaande verdeelwijze het totaalbedrag van de subsidieaanvragen het beschikbare subsidieplafond overtreft, wordt dat naar evenredigheid over de onder a bedoelde aanvragers verdeeld;

    • c.

      als na toepassing van de onder a genoemde verdeelwijze nog een deel van het subsidieplafond resteert, wordt dat over de nadien ontvangen subsidieaanvragen toegewezen op basis van de volgorde van binnenkomst.

Paragraaf 5.8 Regionale Trainingscentra en individuele talenten

Artikel 5:23 Begripsbepaling

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    Regionaal Trainingscentrum (RTC): een door de betreffende sportbond erkend trainingscentrum, waarbinnen talenten uit de regio (extra) training krijgen met als doel uiteindelijk door te stromen in de landelijke senioren topsportprogramma’s van de sportbonden, dat aan de volgende criteria voldoet:

    • °

      de trainingen vinden in de stad Groningen plaats;

    • °

      het programma is door de betreffende nationale sportbond erkend;

    • °

      er is sprake van een samenwerkingsverband tussen RTC en het onderwijs;

    • °

      er is sprake van cofinanciering van het RTC;

    • °

      bij het RTC trainen talenten met een Nationaal Talent of Internationaal Talent-status;

    • °

      het betreft een programma met een looptijd van minimaal vier jaar.

    Een talentvereniging wordt gelijkgesteld met een RTC.

  • b.

    Talentvereniging : een sportvereniging waar individuele talenten trainen, die niet onder een RTC vallen.

  • c.

    Individueel talent : een sporter met een door diens bond afgegeven status van Nationaal Talent of Internationaal Talent volgens de regels van NOC*NSF, die voldoet aan tenminste twee van de volgende criteria:

    • 1.

      de sporter woont in stad Groningen;

    • 2.

      de sporter is lid van een sportvereniging in stad Groningen;

    • 3.

      de sporter gaat naar school of studeert in stad Groningen.

  • d.

    Topsporttraining : training middels een door de betreffende sportbond erkend opleidingsprogramma, waarbij gebruik gemaakt wordt van de door de betreffende bond aangewezen begeleiding en faciliteiten voor die specifieke doelgroep. De trainingen worden gegeven door een gekwalificeerde trainer.

  • e.

    Gekwalificeerde trainer : een door de betreffende sportbond erkende en gekwalificeerde trainer die door Topsport NOORD is goedgekeurd. De gekwalificeerde trainer is een combinatiefunctionaris die:

    • 1.

      talenten coacht in een RTC;

    • 2.

      conform het activiteitenprogramma, bedoeld in artikel 5:26 sportles (doet) geven op scholen.

Artikel 5:24 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Het college kan subsidie verlenen aan in Groningen gevestigde RTC’s voor topsporttrainingen onder leiding van een gekwalificeerde trainer, waarbij de subsidie kan worden ingezet voor:

    • a.

      het voldoen van de loonkosten van de trainer;

    • b.

      het voldoen van de huurkosten van een trainingsaccommodatie of het voldoen van de kosten van trainingsmaterien.

  • 2. Het college erkent maximaal zeven RTC’s in Groningen, in de disciplines 1, 2, 3, 4a en 4b volgens de indeling van NOC*NSF en Topsport NOORD. Alleen deze kunnen voor subsidie in aanmerking komen.

  • 3. Topsport NOORD adviseert het college in de keuze van deze zeven RTC’s en over de subsidieaanvraag.

Artikel 5:25 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 5:24 genoemde activiteiten bedraagt per activiteit maximaal 50% van de noodzakelijke kosten, tot een maximum van eenzevende deel van het totale budget, zoals in artikel 5:28 bedoeld.

Artikel 5:26 Bijzondere bepalingen/ verplichtingen

Met betrekking tot de in artikel 5:24 genoemde activiteiten zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

  • a.

    De gekwalificeerde trainer geeft als combinatiefunctionaris sportlessen op scholen of zorgt ervoor dat die geven worden.

  • b.

    In de subsidieaanvraag wordt aangegeven wat de stand van zaken is van bij derden aangevraagde gelden.

  • c.

    Bij de subsidieaanvraag wordt een activiteitenprogramma gevoegd, waarin beschreven wordt hoe de gekwalificeerde trainer invulling geeft aan de verplichting onder a.

  • d.

    Bij de subsidieaanvraag worden de noodzakelijke kosten van de onder 5:24 genoemde subsidiabele activiteiten afzonderlijk inzichtelijk gemaakt en onderbouwd in een gespecificeerde begroting.

  • e.

    Na afloop van de activiteit wordt gerapporteerd over de uitvoering van het activiteitenprogramma.

Artikel 5:27 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1. Het college weigert een aanvraag voor een in artikel 5:24 genoemde activiteit als Topsport NOORD geen positief advies heeft uitgebracht.

  • 2. Topsport NOORD adviseert het college op basis van de volgende informatie:

    • a.

      het aantal talenten met Nationaal Talent, Internationaal Talent of Belofte-status dat deelneemt aan het RTC-programma;

    • b.

      het percentage talenten dat een hogere status behaalt en/ of doorstroomt naar een vervolgprogramma in de betreffende tak van sport;

    • c.

      de toekomstbestendigheid van het RTC;

    • d.

      de kwaliteit van de trainer;

    • e.

      de kwaliteit van het trainingsprogramma van het RTC;

    • f.

      of er sprake is van cofinanciering van het RTC;

    • g.

      de hoogte van de noodzakelijke kosten van het RTC-programma;

    • h.

      de kwaliteit van de samenwerkingsverbanden ten behoeve van het RTC (bijvoorbeeld onderwijs, medische begeleiding etc.).

Artikel 5:28 Subsidieplafond en verdelingsregels

Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

  • a.

    Per RTC, zoals in artikel 5:24 bedoeld, wordt maximaal een zevende van het in de begroting opgenomen bedrag toegekend;

  • b.

    als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden die toegevoegd aan het budget Talentevenementen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikelsgewijze toelichting

Paragraaf 5.9 Talentevenementen

Artikel 5:29 Begripsbepaling

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    Talentevenement: een evenement van een door het NOC*NSF erkende sport in de stad Groningen, dat een directe relatie heeft met talentontwikkeling in de stad, dat voldoet aan de volgende criteria:

  • °

    het evenement biedt talenten uit de regio de kans om wedstrijdervaring op te doen;

  • °

    het betreft een door de betreffende bond erkend kampioenschap (NK, EK, WK) en/of een evenement met een kwalitatief sterk deelnemersveld;

  • °

    het evenement speelt zich af in de stad Groningen;

  • °

    het evenement legt een link met de breedtesport in de stad;

  • °

    het betreft een evenement waarvoor brede publieke belangstelling valt te verwachten.

  • b.

    Talenten uit de regio : een sporter met een door diens bond afgegeven status van Belofte, Nationaal Talent of Internationaal Talent volgens de regels van NOC*NSF, die voldoet aan tenminste twee van de volgende criteria:

    • 1.

      de sporter woont in stad Groningen;

    • 2.

      de sporter is lid van een sportvereniging in stad Groningen;

    • 3.

      de sporter gaat naar school of studeert in stad Groningen.gen.

  • c.

    Talentdeel : het onderdeel van een talentevenement waar talenten uit de r aan deelnemen.

Artikel 5:30 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor het talentdeel van de organisatie van talentevenementen.

Artikel 5:31 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 5:30 genoemde activiteiten bedraagt per activiteit maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 5:32 Bijzondere bepalingen/ verplichtingen

Met betrekking tot de in artikel 5:30 genoemde activiteiten zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

  • a.

    Bij de subsidieaanvraag worden de noodzakelijke kosten van het talentdeel afzonderlijk inzichtelijk gemaakt en onderbouwd in een gespecificeerde begroting.

  • b.

    Het college kan in de subsidiebeschikking aanvullende regels stellen aan de promotie-uitingen van de subsidieontvanger voor het eveneme

Artikel 5:33 Aanvullende weigeringsgronden

Het college weigert een subsidieaanvraag voor competitiewedstrijden.

Artikel 5:34 Subsidieplafond en verdelingsregels

Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

  • a.

    de Adviescommissie voor de Sport geeft advies over de status en rangorde van de aanvragen. Over de erkende Talentevenementen wordt op volgorde van rang het subsidiebedrag verdeeld.

  • b.

    als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over de overige, later binnengekomen en door de Adviescommissie voor de Sport erkende subsidieaanvragen verdeeld op basis van welke subsidieaanvragen het beste voldoen aan artikel 5:30.

Artikelsgewijze toelichting

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 6 Cultuur (OCSW)

Paragraaf 6.1 Cultuur algemeen

Artikel 6:1 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan onder:

  • a.

    de cultuurnota:

    de door de gemeenteraad van Groningen vastgestelde, op dit moment geldende cultuurnota;

  • b.

    aanvraagperiode:

    een door het college te bepalen tijdvak waarin subsidieaanvragen kunnen worden ingediend voor activiteiten waarvoor op grond van dit hoofdstuk subsidie kan worden verleend;

  • c.

    noodzakelijke:

    kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van activiteiten kosten waarvoor het college op grond van dit hoofdstuk subsidie kan verlenen onder aftrek van de op die activiteiten betrekking hebbende baten, met als minimum de inkomstennorm;

  • d

    inkomstennorm:

    het percentage van de overheidsbijdragen dat instellingen minimaal aan eigen inkomsten verwerven, zoals publieksinkomsten of sponsoring. Het percentage bedraagt vanaf 2013 tenminste 17,5 % en vanaf 2016 tenminste 21,5%;

  • e

    eigen inkomsten:

    publieksinkomsten, inkomsten uit particuliere fondsen, overige inkomsten, zijnde

    • 1.

      directe opbrengsten, sponsorinkomsten en overige inkomsten;

    • 2.

      indirecte opbrengsten en

    • 3.

      overige bijdragen.

      • a.

        subsidies die zijn verstrekt door een bestuursorgaan,

      • b.

        overige bijdragen uit publieke middelen,

      • c.

        rentebaten en

      • d.

        overige baten die geen relatie hebben met cultureel ondernemerschap;

  • f.

    kernvoorziening:

    een grote instelling met een breed aanbod voor een breed publiek, een en ander zoals bedoeld in de geldende cultuurnota;

  • g.

    specifieke voorzieningen:

    voor de looptijd van de geldende cultuurnota gesubsidieerde instellingen van zeer verschillende aard, kleinschaliger dan kernvoorzieningen en waarvan het aanbod een aanvulling vormt op dat van de kernvoorzieningen, een en ander zoals bedoeld in de geldende cultuurnota;

  • h.

    amateurkunst:

    een activiteit op het gebied van muziek, dans, toneel, beeldende en audiovisuele kunst en literatuur, beoefend in de vrije tijd, die voor de kunstbeoefenaar geen primaire inkomstenbron oplevert;

  • i.

    kunstvakopleiding:

    elke door de rijksoverheid erkende beroepsopleiding voor kunstenaars op Universitair of HBO niveau;

  • j.

    kunstprofessional:

    vakmatig beoefenaar van kunst en cultuur met professionele kennis en ervaring;

  • k.

    Kunstraad Groningen:

    onafhankelijke instelling die voor de provincie en de gemeente Groningen (onder meer) subsidieaanvragen voor kunst- en:cultuurprojecten beoordeelt en daarover adviseert, dan wel subsidies in mandaat verleent;

  • l.

    community art:

    vorm van kunstbeoefening waarin amateurs zoveel mogelijk op basis van gelijkwaardigheid met (een) kunstprofessional(s) deelnemen aan een artistiek proces, met een kunstuiting of kunstwerk als resultaat;

  • m.

    actieve kunstdeelname:

    het zelf beoefenen van een kunst- of cultuurdiscipline, zoals muziek, dans, toneel, beeldende en audiovisuele kunst en literatuur;

  • n.

    podiumkunsten:

    verzamelnaam voor kunstvormen die een tijdelijk waarneembaar:product opleveren, waarvoor ze afhankelijk zijn van uitvoerende:kunstenaars, bijvoorbeeld toneel, opera, muziek, cabaret en dergelijke;

  • o.

    beeldende kunst:

    verzamelnaam van kunstvormen die een duurzaam, optisch waarneembaar object voortbrengen, dat onafhankelijk van zijn schepper voort bestaat; daarmee is zij tegengesteld aan podiumkunsten; voorbeelden zijn schilderkunst, grafische kunst, film en beeldhouwkunst;

  • p.

    immaterieel erfgoed:

    sporen uit het verleden in het heden, in de vorm van gebruiken, verhalen en gewoonten;

  • q.

    materieel erfgoed:

    sporen uit het verleden in het heden, die zichtbaar en tastbaar aanwezig zijn, zoals voorwerpen in musea, archeologische vondsten, archieven, monumenten en landschappen;

  • r.

    letteren:

    activiteiten die zich richten op de promotie of productie van:literatuur en poëzie of vallen onder de kerntaken van de openbare bibliotheek zoals benoemd in de bibliotheekvisie, zoals vastgesteld bij raadsbesluit van 30 maart 2011;

  • s.

    culturele beurzen:

    Subsidies in de vorm van een geldbedrag voor een door het college uitgeschreven uitdaging, toe te kennen op basis van beoordeling door een jury.

  • t.

    cultuurnota:

    het document met de titel Cultuurstad Groningen, City of Talent 2017-2020 zoals vastgesteld door de gemeenteraad in het najaar van 2016.

Artikel 6:2 Relevante procedure
  • 1. Op de paragrafen 6.6 tot en met 6.10 van dit hoofdstuk is de uitgebreide procedure, zoals opgenomen in de verordening van toepassing, waarbij subsidie verleend wordt voor de gehele periode van de geldende cultuurnota. In afwijking van artikel 7, lid 1 van de verordening stelt het college de aanvraagperiode vast.

  • 2. Op de paragrafen 6.2, 6.4 en 6.5 is de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening van toepassing, met de volgende toevoegingen:

    • a.

      de termijn voor het indienen van een aanvraag is altijd 13 weken voor aanvang van de activiteit;

    • b.

      artikel 20 eerste lid van de verordening is van toepassing op alle subsidies die op grond van dit hoofdstuk worden verleend.

  • 3. Op de paragrafen 6.3 en 6.11 van dit hoofdstuk is de lichte procedure, zoals opgenomen in de verordening van toepassing.

Artikel 6:3 Toetsingscriteria

Voor de paragrafen 6.2 en 6.4 geldt als drempelcriterium dat een aanvraag voldoende artistieke kwaliteit moet hebben. Indien dat het geval is, dan worden de volgende toetsingscriteria gehanteerd om te bepalen of een aanvraag in aanmerking komt voor subsidie:

  • a.

    aanvullend op het aanbod;

  • b.

    cultureel ondernemerschap;

  • c.

    deelnemers- en/of publieksbereik;

  • d.

    degelijkheid van de financiële onderbouwing;

  • e.

    stevigheid van de organisatie;

  • f.

    kans van slagen van het project.

Artikel 6:4 Reproductie/openbaarmaking/publiciteit/toegankelijkheid

Voor de incidentele subsidies, zoals bedoeld in paragraaf 6.2 tot en met 6.5 gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    De aanvrager verleent het college indien van toepassing toestemming voor verveelvoudiging of openbaarmaking van beelden of andere reproducties van het project of het kunstobject door middel van beeld- of promotiemateriaal of op welke andere wijze ook.

  • b.

    De subsidieontvanger dient door middel van publiciteit ruchtbaarheid te geven aan de publieke uiting van het project.

  • c.

    De subsidieontvanger is verplicht in zijn publiciteitsuitingen te vermelden dat de activiteit mede tot stand is gekomen dankzij subsidie van de gemeente Groningen. De subsidieontvanger maakt daarbij gebruik van het door het college voorgeschreven logo.

  • d.

    De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat het project toegankelijk is voor het publiek door uitvoering of plaatsing in de openbare ruimte of in een openbaar of voor publiek opengesteld gebouw binnen de provincie Groningen.

Paragraaf 6.2 Incidentele activiteiten cultuur

Artikel 6:5 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Het college kan subsidie verlenen als bijdrage aan incidentele activiteiten cultuur die voldoen aan de criteria van artikel 6.3.

  • 2. Community artprojecten die onder het eerste lid vallen, dienen bovendien aan alle onderstaande criteria tegelijk te voldoen.

    • a.

      Voldoende wijkbewoners zijn actief betrokken bij opzet, invulling en uitvoering van het project;

    • b.

      bij de uitvoering van het project is een professional betrokken;

    • c.

      het project draagt bij aan leefbaarheid in de wijk.

Artikel 6:6 Subsidie per activiteit
  • 1. De subsidie voor de in het vorige artikel, eerste lid genoemde activiteiten bedraagt maximaal eenderde deel van de noodzakelijke kosten .

  • 2. De subsidie voor de in het vorige artikel, tweede lid genoemde activiteiten bedraagt maximaal de helft van de noodzakelijke kosten.

  • 3. Een aanvrager kan per kalenderjaar voor maximaal € 15.000 aan subsidie op grond van deze paragraaf in aanmerking komen.

  • 4. Het college kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in het vorige lid.

Artikel 6:7 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. De subsidieontvanger is verplicht een naar het oordeel van het college redelijke financiële eigen bijdrage te leveren aan de uitvoering van de activiteiten.

  • 2. Voor zover van toepassing is de subsidieontvanger verplicht een naar het oordeel van het college redelijk bedrag als entree te heffen van de bezoekers van de activiteit.

  • 3. De subsidieontvanger is verplicht om de relatie aan te geven tussen de activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie wordt gevraagd en zijn reguliere activiteiten als hij daarvoor subsidie ontvangt krachtens een gemeentelijke subsidieregeling of van een derde.

  • 4. De subsidieontvanger die naast de activiteiten waarvoor subsidie krachtens deze paragraaf wordt gevraagd tevens andere activiteiten uitvoert, dient:

    • a.

      bij de aanvraag tot subsidieverlening een begroting te voegen van al zijn baten en lasten tenzij hij deze begroting reeds eerder bij het college heeft ingediend, en

    • b.

      bij de aanvraag tot subsidievaststelling een rekening van al zijn baten en lasten te voegen tenzij hij deze rekening reeds eerder bij het college heeft ingediend.

  • 5. Subsidie wordt alleen verstrekt voor een activiteit, niet voor investeringen in goederen of huisvesting.

  • 6. Voor community artprojecten, zoals bedoeld in artikel 6:5, tweede lid, gelden de volgende, aanvullende vereisten:

    • a.

      De schaal van een project is op wijkniveau. Stedelijke projecten komen niet voor subsidie in aanmerking.

    • b.

      Indien de aanvraag betrekking heeft op een specifiek kunstobject dient de subsidieaanvraag gegevens te bevatten over de uiterlijke verschijningsvorm waarbij de subsidieontvanger ingaat op:

      • °

        het risico van overlast en hinder voor de omgeving;

      • °

        de mate waarin het kunstobject gevoelig is voor vandalisme;

      • °

        risico’s voor de verkeersveiligheid of de veiligheid in het algemeen;

      • °

        de duur van het project en - indien van toepassing - de periode dat de subsidieontvanger het met de subsidie tot stand gebrachte kunstobject voor het publiek toegankelijk houdt.

    • c.

      De subsidieaanvrager geeft voldoende bekendheid in de wijk aan het project waarvoor subsidie wordt gevraagd.

    • d.

      Het college behoudt zich het recht voor om een tijdelijk kunstobject, dat mede door subsidie krachtens deze paragraaf tot stand is gebracht en tijdelijk in de openbare ruimte of in gemeentelijke eigendommen is geplaatst, vanwege het algemeen belang na overleg met de maker te verwijderen of te doen verwijderen.

    • e.

      Indien er sprake is van een kunstwerk of kunstobject, is dit van tijdelijke aard.

Artikel 6:8 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1. Het college weigert een aanvraag voor een in artikel 6:5 genoemde activiteit als:

    • a.

      het een project betreft rond materieel erfgoed, behalve als daarin door middel van een actieve scheppingsdaad de verschillende elementen van het verleden in een hernieuwd kader worden vervat en zo een eigen vitale betekenis krijgen;

    • b.

      die activiteit plaatsvindt in het kader van een opleiding van de subsidieontvanger of een publicatie van wetenschappelijke werken en/of leermethoden;

    • c.

      de subsidieontvanger een volgens de cultuurnota structureel gesubsidieerde voorziening is tenzij de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd aantoonbaar een inhoudelijke aanvulling is op de reeds structureel gesubsidieerde activiteiten van de subsidieontvanger of tenzij het college op grond van de cultuurnota alleen een bijdrage in de huisvestings- en/of organisatiekosten verleent;

    • d.

      de activiteit wordt geïnitieerd door amateurs;

    • e.

      er niet duidelijk sprake is van community art, indien de aanvraag betrekking heeft op artikel 6:5, tweede lid.

  • 2. Het college kan voorts een subsidieaanvraag weigeren:

    • a.

      die primair betrekking heeft op publicaties en beeld- en geluidsdragers die geen uniek kunstwerk betreffen;

    • b.

      als de aanvrager een beroep doet op artikel 6:5, tweede lid niet bereid is om een andere locatie te kiezen voor de uitvoering van het community artproject of de plaatsing van een kunstobject in gevallen dat het algemene belang zich tegen de voorgenomen locatie verzet;

    • c.

      voor zover die betrekking heeft op onderhouds- of instandhoudingskosten van een bestaand kunstobject.

  • 3. Het college kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 6:9 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Per kalenderjaar is het subsidieplafond voor de in artikel 6:5 genoemde activiteiten gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college kan per kalenderjaar een of meer aanvraagperioden vaststellen.

  • 3. Het college bepaalt jaarlijks voor alle aanvraagperioden de uiterste datum waarop de subsidieaanvraag in bezit moet zijn van het college.

  • 4. Het college kan per aanvraagperiode een deelbudget vaststellen.

  • 5. Het college kan een eventueel overschot op een deelbudget toevoegen aan een deelbudget van een daaropvolgende aanvraagperiode. Dit geldt niet voor de laatste aanvraagperiode van het kalenderjaar.

  • 6. Het college kan een eventueel overschot op een deelbudget ook toevoegen aan een deelbudget dat betrekking heeft op paragraaf 6.4.

  • 7. Het college brengt in de subsidieaanvragen voor de in artikel 6:5 genoemde activiteiten een rangschikking aan waarbij de aanvragen hoger worden gerangschikt naarmate ze:

    • a.

      voor het eerste lid beter voldoen aan de in artikel 6:3 genoemde criteria;

    • b.

      voor het tweede lid beter voldoen aan de in dat lid genoemde criteria.

  • 8. In de afweging van het college wegen de in artikel 6:3 eerder genoemde criteria zwaarder dan later genoemde.

  • 9. Het college kan besluiten om de behandeling van een subsidieaanvraag uit te stellen tot een volgende aanvraagperiode mits het college met in achtneming van de daarvoor geldende termijn de gelegenheid heeft een besluit te nemen voordat de activiteit wordt uitgevoerd.

  • 10. In uitzonderlijke gevallen kan het college gemotiveerd besluiten om subsidie te verlenen voor de in artikel 6:5 genoemde activiteiten in afwijking van de in het zevende lid bedoelde rangschikking.

Paragraaf 6.3 Basissubsidies amateurkunst

Artikel 6:10 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan statutair in de gemeente Groningen gevestigde verenigingen en stichtingen die actief zijn op het gebied van amateurkunst subsidie verlenen in de kosten van deskundige artistieke leiding en de huur van repetitieruimten (basissubsidie).

Artikel 6:11 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten bedraagt 30% van het totaal van de honoraria voor deskundige artistieke leiding en de huur van repetitieruimten met een gezamenlijk maximum van € 1.589,-- per subsidieontvanger per jaar.

Artikel 6:12 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. In afwijking van de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, is de uiterste datum waarop een subsidieaanvraag voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten in bezit moet zijn van het college 1 december van het voorafgaande jaar.

  • 2. De subsidieontvanger dient ten minste 1 maal per jaar een openbare presentatie in de gemeente Groningen te geven. Hiertoe wordt niet gerekend een presentatie, die plaatsvindt in het kader van onderwijs, als onderdeel van een levensbeschouwelijke of politieke bijeenkomst of als onderdeel van een bedrijfsactiviteit.

  • 3. De subsidieontvanger wordt verzocht zich aan te melden bij VRIJDAG huis van de amateurkunst Groningen.

  • 4. Een subsidieontvanger levert naar het oordeel van het college een redelijke eigen bijdrage in de kosten via contributie van de actieve leden en andere inkomstenbronnen.

Toelichting

Artikel 6:12, lid 3

Artikel 6:13 Aanvullende weigeringsgronden

Het college weigert een subsidie:

  • a.

    voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten als de subsidieontvanger statutair niet in de gemeente Groningen is gevestigd;

  • b.

    voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten als subsidieontvanger niet de repetitieruimte in de gemeente Groningen heeft;

  • c.

    voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten als de subsidieontvanger minder dan twee jaar staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

  • d.

    voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten als de subsidieontvanger onderdeel is van of gelieerd is aan rechtspersonen zonder primaire doelstellingen op het gebied van de amateurkunst;

  • e.

    indien de presentaties op grond van artikel 6:12, tweede lid niet in de gemeente Groningen uitgevoerd worden.

Artikel 6:14 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Voor de in artikel 6:10 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen op basis van artikel 6:10 het subsidieplafond overschrijdt dan worden deze naar evenredigheid over de op tijd ontvangen subsidieaanvragen verdeeld.

Toelichting

Artikel 6:14 Subsidieplafonds en verdelingsregels

[Klik hier om het document te downloaden]

Paragraaf 6.4 Plusregeling amateurkunst

Artikel 6:15 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen aan producties of projecten op het gebied van de amateurkunst die voldoen aan de criteria van artikel 6.3 en die vallen onder:

  • a.

    uitvoeringen, die een mate van bijzonderheid hebben ten opzichte van reguliere uitvoeringen en die zich onderscheiden op het gebied van artistieke kwaliteit, participatie/bereik, samenwerking en/of scholing op niet-individueel niveau;

  • b.

    samenwerkingsprojecten met andere partners uit het amateurveld;

  • c.

    festivals;

  • d.

    inhoudelijke, niet individuele deskundigheidsbevordering (scholing, workshops, trainingen);

  • e.

    investeringen in infrastructuur zoals repetitieruimtes of podia die naar het oordeel van het college ten goede komen aan de totale sector van de brede amateurkunst.

 

Toelichting

Artikel 6:15, onder a en e

Artikel 6:16 Subsidie per activiteit
  • 1. De subsidie voor de in artikel 6:15 genoemde activiteiten bedraagt maximaal één derde deel van de naar het oordeel van het college noodzakelijke kosten.

  • 2. Een aanvrager kan per kalenderjaar voor maximaal € 15.000,-- aan subsidie op grond van deze paragraaf in aanmerking komen.

  • 3. Het college kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in het vorige lid.

Artikel 6:17 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. Als de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd een presentatie is, heft de subsidieontvanger een naar het oordeel van het college redelijk bedrag als entreegeld.

  • 2. Als een subsidieontvanger ook subsidie ontvangt op grond van paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk geeft hij in zijn subsidieaanvraag de meerwaarde aan van de activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie wordt gevraagd ten opzichte van zijn overige, door de gemeente Groningen gesubsidieerde activiteiten.

  • 3. Bij de voorbereiding van de activiteiten maakt de subsidieontvanger gebruik van de expertise van ter zake deskundigen. In het activiteitenplan, geeft de subsidieontvanger aan hoe deze voorwaarde zal worden vervuld.

Artikel 6:18 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1. Het college weigert een subsidieaanvraag:

    • a.

      als minder dan de helft van de actieve leden en/of actieve deelnemers in de gemeente Groningen woont. Dit dient te worden aangetoond met een door het bestuur gewaarmerkte deelnemers- en/of ledenlijst, dat wil zeggen getekend door tenminste twee bestuursleden;

    • b.

      als de subsidieaanvrager onderdeel is van of gelieerd is aan een of meer rechtspersonen zonder statutaire doelstellingen op het gebied van de amateurkunst;

    • c.

      als de uitvoering niet plaatsheeft in de gemeente Groningen

    • d.

      voor de in artikel 6:15 genoemde activiteiten als subsidieontvanger niet de repetitieruimte in de gemeente Groningen heeft.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren als aan de uitvoerenden voor hun medewerking een financiële vergoeding wordt verstrekt. Deze bepaling geldt niet als de vergoeding voor artistieke leiding wordt verstrekt.

Toelichting

Artikel 6:18, onder a

Artikel 6:19 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:15 genoemde activiteiten bedraagt het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college kan per kalenderjaar meerdere aanvraagperioden vaststellen.

  • 3. Het college kan per aanvraagperiode een deelbudget vaststellen. Het deelbudget van een aanvraagperiode is gelijk aan het subsidieplafond gedeeld door het aantal aanvraagperioden.

  • 4. Het college kan een eventueel overschot op een deelbudget toevoegen aan het deelbudget van de daaropvolgende aanvraagperiode. Dit geldt niet voor de laatste aanvraagperiode van het kalenderjaar.

  • 5. Het college kan een eventueel overschot op een deelbudget ook toevoegen aan een deelbudget dat betrekking heeft op paragraaf 6.2.

  • 6. Het college brengt in de ontvangen subsidieaanvragen een rangorde aan op basis van de in artikel 6:3 genoemde criteria.

  • 7. In de afweging van het college wegen eerder genoemde criteria zwaarder dan later genoemde.

  • 8. Als het totaal van de subsidieaanvragen voor een aanvraagperiode hoger is dan het beschikbare subsidiebudget of hoger dan een deelbudget zoals bedoeld in het derde lid van dit artikel, dan wordt het budget over de aanvragen verdeeld op basis van de rangorde zoals bedoeld in het vijfde lid van dit artikel.

Paragraaf 6.5 Stimuleringsregeling cultuurparticipatie in de wijk (De wijk als werkplaats) (vervallen zijn de artikelen 6:20 t/m 6:24).

Paragraaf 6.6 Podiumkunsten

Artikel 6:25 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan stichtingen of verenigingen subsidie verlenen voor activiteiten in het kader van de podiumkunsten, zoals bedoeld in de cultuurnota. Hierbij betrekt het college het door de Kunstraad Groningen hierover uitgebrachte advies op basis van de in de cultuurnota genoemde criteria.

Artikel 6:26 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 6:27 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien een nieuwe instelling zich nog niet bewezen heeft, gedurende een cultuurnotaperiode.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien de Kunstraad op basis van artikel 6.25 een negatief advies uitbrengt.

Artikel 6:28 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:25 genoemde activiteiten is gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college verdeelt het in de begroting opgenomen bedrag op basis van het in artikel 6.25 bedoelde advies.

Paragraaf 6.7 Beeldende kunst

Artikel 6:29 Subsidiabele activiteiten

Het college kan stichtingen of verenigingen subsidie verlenen voor activiteiten in het kader van de beeldende kunst, zoals bedoeld in de cultuurnota, met name voor collectievorming, museale presentaties, opdrachten aan aansprekende beeldende kunstenaars, instandhouding collectie of productie. Hierbij betrekt het college het door de Kunstraad Groningen hierover uitgebrachte advies op basis van de in de cultuurnota genoemde criteria.

 

Artikel 6:30 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 6:31 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien een nieuwe instelling zich nog niet bewezen heeft, gedurende een cultuurnotaperiode.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien de Kunstraad op basis van artikel 6.29 een negatief advies uitbrengt.

Artikel 6:32 Subsidieplafond weigeringsgronden
  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:29 genoemde activiteiten is gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college verdeelt het in de begroting opgenomen bedrag op basis van het in artikel 6:29 bedoelde advies.

Paragraaf 6.8 Materieel Erfgoed

Artikel 6:33 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan instellingen subsidie verlenen voor het in stand houden en onder de aandacht brengen van materieel erfgoed, zoals bedoeld in de cultuurnota. Hierbij betrekt het college het door de Kunstraad Groningen hierover uitgebrachte advies op basis van de in de cultuurnota genoemde criteria.

Artikel 6:34 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 6:35 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien een nieuwe instelling zich nog niet bewezen heeft, gedurende een cultuurnotaperiode.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien de Kunstraad op basis van artikel 6.33 een negatief advies uitbrengt.

Artikel 6:36 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:33 genoemde activiteiten is gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college verdeelt het in de begroting opgenomen bedrag op basis van het in artikel 6:33 bedoelde advies.

Paragraaf 6.9 Immaterieel Erfgoed

Artikel 6:37 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan instellingen subsidie verlenen voor het in stand houden en onder de aandacht brengen van immaterieel erfgoed.

 

Artikel 6:38 Subsidie activiteiten

De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 6:39 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

De subsidieaanvraag voor immaterieel erfgoed bevat gegevens over:

  • a.

    het tijdsverloop tussen het subsidiebesluit van het college en de dag dat de activiteit plaatsvindt;

  • b.

    de uiterlijke verschijningsvorm waarbij de subsidieontvanger ingaat op:

    • i.

      het risico van overlast en hinder voor de omgeving;

    • ii.

      risico’s voor de verkeersveiligheid of de veiligheid in het algemeen.

  • c.

    de locatie waar de activiteit plaatsvindt.

Artikel 6:40 Aanvullende weigeringsgronden

Het college kan een subsidieaanvraag voor immaterieel erfgoed weigeren als:

  • a.

    de activiteit naar het oordeel van het college niet voldoende toegankelijk is voor het algemene publiek;

  • b.

    het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien een nieuwe instelling zich nog niet bewezen heeft, gedurende een cultuurnotaperiode.

Artikel 6:41 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:38 genoemde activiteiten is gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het subsidieplafond dan is de verdeelwijze als volgt:

    • a.

      op tijd ingediende vervolgaanvragen hebben voorrang boven andere aanvragen;

    • b.

      als na bovenstaande verdeelwijze nog middelen resteren dan worden deze over de overige, op tijd ingediende subsidieaanvragen verdeeld.

Paragraaf 6.10 Letteren

Artikel 6:42 Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan instellingen subsidie verlenen voor activiteiten in het kader van de letteren, zoals bedoeld in de cultuurnota en/of de bibliotheekvisie. Hierbij betrekt het college het door de Kunstraad Groningen hierover uitgebrachte advies op basis van de in de cultuurnota genoemde criteria.

Artikel 6:43 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 6:44 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien een nieuwe instelling zich nog niet bewezen heeft, gedurende een cultuurnotaperiode.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren indien de Kunstraad op basis van artikel 6.42 een negatief advies uitbrengt.

Artikel 6:45 Subsid0ieplafond en verdelingsregels
  • 1. Het subsidieplafond voor de in artikel 6:42 genoemde activiteiten is gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college verdeelt het in de begroting opgenomen bedrag op basis van het in artikel 6:42 bedoelde advies.

Paragraaf 6.11 Culturele beurzen

Artikel 6:46 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Het college kan subsidie verlenen, in de vorm van een beurs, naar aanleiding van een prijsvraag of als stipendium. De volgende beurzen komen voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      Hendrik de Vriesstipendium;

    • b.

      George Verbergstipendium;

    • c.

      Andrea Elkenbrachtfonds;

    • d.

      Stadsdichter;

    • e.

      Stipendium Samenleven met cultuur.

  • 2. Om in aanmerking te komen voor subsidie dient voldaan te worden aan de bij uitschrijving van de beurs relevante criteria.

  • 3. De subsidie wordt toegekend op basis van beoordeling door een jury.

Artikel 6:47 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

 

Artikel 6:48 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

Het subsidiebedrag dient aangewend te worden voor de realisering van een kunstuiting van de subsidieontvanger, zoals bedoeld in de regels van de relevante culturele beurs.

Artikel 6:49 Aanvullende weigeringsgronden

Het college verleent geen subsidie, indien de inzendingen voor de beurs naar het oordeel van de jury van onvoldoende kwaliteit zijn.

Paragraaf 6:12 Activiteiten Groninger Forum

Artikel 6:50 Begripsbepalingen

In aanvulling op het begrippenkader zoals vastgelegd in de verordening en in paragraaf 6.1 wordt voor de toepassing van de paragraaf 6.12 verstaan onder:

Groninger Forum

:

Een openbare, multifunctionele cultuurinstelling in Groningen, met een vernieuwende interdisciplinaire programmering.

Artikel 6:51 Subsidiabele activiteiten
  • 1. Het college kan subsidie verlenen voor een integraal aanbod van de volgende activiteiten in één publieks- en cultuurinstelling (Groninger Forum), op het gebied van:

    • a.

      de voorbereiding van de opening van het Groninger Forum;

    • b.

      ontmoeting en debat;

    • c.

      kennis en informatie;

    • d.

      lezen en literatuur;

    • e.

      leesbevordering;

    • f.

      film;

    • g.

      cultuur educatie;

    • h.

      netwerktaken zoals omschreven in de Bibliotheekvisie;

    • i.

      culturele activiteiten.

  • 2. Het college houdt bij de verlening van subsidie op basis van het eerste lid onder b. tot en met i. rekening met het door de Kunstraad Groningen hierover uitgebrachte advies.

  • 3. De Kunstraad Groningen houdt in zijn advies aan het college rekening met de in de cultuurnota genoemde criteria, alsmede met de volgende toetsingscriteria:

    • a.

      aanvullend op het aanbod;

    • b.

      cultureel ondernemerschap;

    • c.

      deelnemers- en/of publieksbereik;

    • d.

      degelijkheid van de financiële onderbouwing;

    • e.

      stevigheid van de organisatie;

    • f.

      kans van slagen van het project.

Artikel 6:52 Subsidie per activiteit

De subsidie voor de in artikel 6:51 genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten.

Artikel 6:53 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. Met betrekking tot de subsidie op basis van de Nadere regel zijn de volgende bepalingen van toepassing. De subsidieontvanger stelt een jaarlijks te actualiseren integraal activiteitenplan op. Dat moet zijn voorzien van:

    • a.

      een beschrijving van de doelgroep waarvoor de activiteiten worden uitgevoerd;

    • b.

      gegevens over de deelname aan de activiteiten;

    • c.

      gegevens over de eigen bijdrage van de deelnemers aan de activiteiten;

    • d.

      gegevens over de frequentie waarmee de activiteiten worden uitgevoerd

    • e.

      een beschrijving van welk percentage van de inkomsten uit eigen inkomsten afkomstig is.

    • f.

      De subsidieontvanger dient vrijwilligersbeleid te formuleren.

    • g.

      De subsidieontvanger dient vrijwilligers die actief zijn binnen de organisatie, alsmede inwoners te betrekken bij zowel bij de ontwikkeling als bij de uitvoering van activiteiten en programma’s.

    • h.

      De subsidieontvanger dient goede bereikbaarheidsinformatie op te nemen in diens marketinguitingen (zowel in print als online) en zich in te spannen om alle informatie ook zo goed mogelijk beschikbaar maakt voor mensen met een auditieve of visuele beperking en anderstaligen (in elk geval Engels en Duits).

  • 2. Met betrekking tot de subsidie op basis van de Nadere regel zijn de volgende verplichtingen van toepassing:

    • a.

      De subsidieontvanger dient tot aan de opening jaarlijks gemiddeld 5% van de toegekende subsidie te reserveren voor het opbouwen van voldoende weerstandsvermogen;

    • b.

      De subsidieontvanger rapporteert driemaandelijks aan het college over de activiteiten genoemd in artikel 6:51 lid 1 onder a.

    • c.

      In het kader van het vorige sub lid zorgt de subsidieontvanger voor een sluitende exploitatie en adequate governance en rapporteert daar over aan het college.

Artikel 6:54 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1. Het college kan een subsidieaanvraag voor de in artikel 6:51 bedoelde activiteiten weigeren als er onvoldoende vorderingen in verband met de in artikel 6:51 lid 1 onder a. bedoelde activiteiten wordt geconstateerd.

  • 2. Het college kan een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) weigeren indien de Kunstraad op basis van artikel 6.51 lid 2 een negatief advies uitbrengt.

  • 3. Het college kan een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) weigeren indien niet wordt voldaan aan de verplichting zoals genoemd in artikel 6:53 lid 2 onder a.

  • 4. Het college kan een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) weigeren indien de subsidieontvanger niet voldoet aan de Code Cultural Governance.

  • 5. Het college kan een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) weigeren indien de subsidieontvanger niet voldoet aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in de Kadernota Cultuur Ruimte voor vernieuwing, vernieuwing voor ruimte ten aanzien van cultureel ondernemerschap.

  • 6. Het college kan een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) weigeren indien er onvoldoende weerstandsvermogen opgebouwd wordt.

  • 7. Het college kan een subsidieaanvraag (gedeeltelijk) weigeren indien het integraal activiteitenplan te weinig kwaliteit heeft.

Artikel 6:55 Subsidieplafond

Voor het totaal van de in artikel 6:51 lid 1 genoemde activiteiten is het subsidieplafond gelijk aan de in de begroting hiervoor opgenomen bedragen.

Artikelgewijze toelichting

Artikelgewijze toelichting

Paragraaf 6.13 Cofinancieringsfonds

Artikel 6:56 Relevante procedure

Voor deze paragraaf geldt de volgende procedure:

  • 1.

    Aanvragen kunnen twee keer per jaar worden ingediend resp. voor 1 maart en 1 september.

  • 2.

    Het college kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in het vorige lid.

Artikel 6:57 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor projecten die sector overstijgend zijn op het gebied van cultuur en ruimtelijke ordening of cultuur en maatschappij.

Artikel 6:58 Subsidie per activiteit
  • 1. De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 50% van de noodzakelijke kosten. 

  • 2. Een aanvrager kan per kalenderjaar voor maximaal € 30.000 aan subsidie op grond van deze paragraaf in aanmerking komen.

  • 3. Het college kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in het vorige lid.

Artikel 6:59 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. De activiteiten dienen een bijdrage te leveren aan de strategieën zoals genoemd in de cultuurnota en aan één of meer van de onderstaande voorwaarden te voldoen:

    • a.

      Door middel van kunst en cultuur een bijdrage te leveren aan maatschappelijke vraagstukken bijvoorbeeld op het gebied van duurzaamheid, zorg en sociale cohesie.

    • b.

      Door middel van culturele activiteiten in de openbare ruime een bijdrage leveren aan gebiedsontwikkeling en het vergroten van het publieksbereik van de culturele sector.

  • 2. De subsidieontvanger is verplicht:

    • a.

      een naar het oordeel van het college redelijke financiële eigen bijdrage te leveren aan de uitvoering van de activiteiten evenals een redelijke bijdrage van derden.

    • b.

      voor zover van toepassing een naar het oordeel van het college redelijk bedrag als entree te heffen van de bezoekers van de activiteit.

    • c.

      om de relatie aan te geven tussen de activiteiten waarvoor op grond van deze paragraaf subsidie wordt gevraagd en zijn reguliere activiteiten als hij daarvoor subsidie ontvangt krachtens een gemeentelijke subsidieregeling of van een derde.

  • 3. De subsidieontvanger die naast de activiteiten waarvoor subsidie krachtens deze paragraaf wordt gevraagd tevens andere activiteiten uitvoert, dient:

    • a.

      bij de aanvraag tot subsidieverlening een begroting te voegen van al zijn baten en lasten tenzij hij deze begroting reeds eerder bij het college heeft ingediend, en

    • b.

      bij de aanvraag tot subsidievaststelling een rekening van al zijn baten en lasten te voegen tenzij hij deze rekening reeds eerder bij het college heeft ingediend.

  • 4. Subsidie wordt alleen verstrekt voor een activiteit, niet voor investeringen in goederen of huisvesting.

Artikel 6:60 Aanvullende weigeringsgronden

Het college kan een subsidieaanvraag weigeren als de activiteiten gericht zijn op het behalen van winst.

Artikel 6:61 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Per kalenderjaar is het subsidieplafond voor de in artikel 6:57 genoemde activiteiten gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college verdeelt het subsidiebedrag over de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie op volgorde van binnenkomst.

Toelichting

Toelichting

Paragraaf 6.14 Vernieuwingsfonds

Artikel 6:62 Relevante procedure

In afwijking van artikel 13 ASV worden aanvragen om subsidieverlening ingediend uiterlijk 8 weken voor de aanvang van de activiteiten.

Artikel 6:63 Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan de strategieën genoemd in de cultuurnota. Deze paragraaf heeft betrekking op nieuwe initiatieven die niet op grond van paragraaf 6.13 Cofinancieringsfonds voor subsidie in aanmerking komen.

Artikel 6:64 Subsidie per activiteit
  • 1. De subsidie voor de in het vorige artikel genoemde activiteiten bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten met een maximum van € 20.000,- per aanvrager.

  • 2. Het college kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in het vorige lid.

Artikel 6:65 Bijzondere bepalingen/verplichtingen

Om voor een subsidie op grond van deze paragraaf in aanmerking te komen moet de activiteit of de aanvrager een positief advies van de Kunstraad Groningen hebben.

Artikel 6:66 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Per kalenderjaar is het subsidieplafond voor de in artikel 6:63 genoemde activiteiten gelijk aan het daarvoor in de begroting opgenomen bedrag.

  • 2. Het college kan per kalenderjaar een of meer aanvraagperioden vaststellen.

  • 3. Het college bepaalt jaarlijks voor alle aanvraagperioden de uiterste datum waarop de subsidieaanvraag in bezit moet zijn van het college.

  • 4. Het college kan per aanvraagperiode een deelbudget vaststellen.

  • 5. Het college kan een eventueel overschot op een deelbudget toevoegen aan een deelbudget van een daaropvolgende aanvraagperiode. Dit geldt niet voor de laatste aanvraagperiode van het kalenderjaar.

  • 6. Het college verdeelt het subsidiebedrag over de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie op basis van welke subsidieaanvragen het beste voldoen aan artikel 6:63.

Toelichting

Toelichting

Paragraaf 6.15 Pronkjewail Fonds

Artikel 6:67 Begripsdefinitie
  • 1.

    Oudere:

  • Iemand die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt.

  • 2.

    Culturele activiteit:

  • Activiteiten in de disciplines beeldende kunst, dans, erfgoed, film/nieuwe media, literatuur, muziek of theater.

  • 3.

    Noodzakelijke kosten:

  • Kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een subsidiabele activiteit onder aftrek van de eigen inkomsten. De in artikel 6:1 onder d bedoelde inkomstennorm is niet van toepassing.

  • 4.

    Organisatie:

  • Een vereniging of een stichting met volledige rechtsbevoegdheid.

  • 5.

    Particulieren:

  • Hieronder verstaan wij een individueel persoon of een groep van individuele personen die niet is of zijn aangesloten bij een stichting, vereniging of anderszins.

Artikel 6:68 Relevante procedure
  • 1. Op subsidies voor de in artikel 6:69 genoemde activiteiten van particulieren is de lichte procedure volgens de Verordening van toepassing.

  • 2. Op subsidies van € 10.000 of hoger voor de in artikel 6:69 genoemde activiteiten van organisaties is de reguliere procedure volgens de Verordening van toepassing. Als de subsidie lager is dan € 10.000, is de lichte procedure van toepassing.

Artikel 6:69 Subsidiabele activiteiten

Zowel particulieren als organisaties kunnen subsidie aanvragen voor culturele activiteiten waarbij ouderen actief participeren in de activiteit. Receptieve activiteiten, zoals het bezoeken van theatervoorstellingen, concerten, musea e.d. vallen hier niet onder. Onder culturele activiteiten worden activiteiten verstaan op het gebied van de amateurkunst (muziek, beeldende kunst, theater, dans, literatuur, film/nieuwe media) en erfgoed. Combinaties hierin zijn mogelijk. De culturele activiteit draagt aantoonbaar bij aan healthy ageing, is aanvullend op regulier bestaand aanbod en richt zich op de specifieke doelgroepen: kwetsbare ouderen, zorgbehoevende ouderen en ouderen met een andere culturele achtergrond. Vitale ouderen kunnen hier alleen onderdeel van uitmaken wanneer zij een actieve rol spelen voor de hiervoor genoemde specifieke doelgroepen.

Artikel 6:70 Subsidie per activiteit
  • 1. De subsidie voor activiteiten van particulieren bedraagt maximaal 100% van de noodzakelijke kosten tot een maximum van € 1.000 per aanvrager per kalenderjaar.

  • 2. De subsidie activiteiten van organisaties bedraagt maximaal 50% van de noodzakelijke kosten tot een maximum van € 20.000 per aanvrager per kalenderjaar.

  • 3. Het college kan in uitzonderlijke gevallen gemotiveerd afwijken van het bepaalde in de beide vorige leden.

Artikel 6:71 De aanvraag
  • 1. Een subsidieaanvraag voor activiteiten van particulieren dient uiterlijk 8 weken voor het begin van de activiteit in bezit te zijn van het college.

  • 2. Het college stelt voor activiteiten van organisaties twee aanvraagronden vast. Aanvragen voor de eerste ronde moeten uiterlijk op 15 juni 2017, maar niet later dan 13 weken voor het begin van de activiteiten in bezit zijn van het college. Aanvragen voor de tweede ronde moeten uiterlijk op 1 november 2017, maar niet later dan 13 weken voor het begin van de activiteiten in bezit zijn van het college.

  • 3. Voor een subsidieaanvraag voor activiteiten van particulieren dient de aanvrager gebruik te maken van het Aanvraagformulier Particulieren. Deze aanvraag moet zijn voorzien van een projectplan en een begroting.

  • 4. Voor een subsidieaanvraag voor activiteiten van organisaties dient de aanvrager gebruik te maken van het Aanvraagformulier Organisaties. Deze aanvraag moet zijn voorzien van een projectplan en een begroting.

Artikel 6:72 Bijzondere bepalingen en verplichtingen
  • 1. Om in aanmerking te komen voor subsidie voor activiteiten van particulieren moet zijn voldaan aan onderstaande criteria:

    • a.

      De deelnemers aan de activiteiten dienen overwegend in de provincie Groningen woonachtig te zijn.

    • b.

      De deelnemers dienen in overwegende mate ouder te zijn dan 65 jaar.

    • c.

      De activiteiten dienen voor deelnemers en publiek openbaar toegankelijk te zijn.

    • d.

      De activiteit dient plaats te vinden in 2017 of 2018.

    • e.

      De activiteit dient plaats te vinden in de provincie Groningen.

    • f.

      Bij de voorbereiding en de uitvoering van de activiteit maakt de subsidieaanvrager gebruik van de expertise van een professional. In de aanvraag moet worden aangegeven op welke wijze aan deze voorwaarde wordt voldaan.

    • g.

      De activiteit dient open te staan voor personen uit tenminste een van onderstaande doelgroepen:

      • (1)

        Kwetsbare ouderen;

      • (1)

        Zorgbehoevende ouderen;

      • (1)

        Oudere met een andere culturele achtergrond.

    • h.

      Aan de gesubsidieerde activiteit dient bij particuliere initiatieven door tenminste 10 personen uit de hiervoor in lid 1 onder g genoemde doelgroepen actief te worden deelgenomen.

    • 1.

      De aanvragen worden beoordeeld op de volgende aspecten:

      • 1.

        De mate waarin het gaat om nieuwe, innovatieve initiatieven.

      • 2.

        De mate waarin het gaat om doorontwikkeling en verduurzaming van bestaande initiatieven.

      • 3.

        Het aantal ouderen dat wordt bereikt. (Hoe realistisch is de inschatting?)

      • 4.

        De mate waarin activiteiten aantoonbaar op initiatief van ouderen worden georganiseerd.

      • 5.

        De spreiding van activiteiten in de provincie Groningen.

      • 6.

        De mate van betrokkenheid van organisaties uit andere domeinen dan cultuur.

      • 7.

        De programmeerbaarheid in de actiemaand voor ouderen Kunst op Stee en/of het festival De kunst van het ouder worden.

    • 1.

      Bij overvraging van het budget wordt een rangschikking gemaakt op basis van bovenstaande aspecten, waarbij de volgorde het belang aangeeft.

  • 2. Om in aanmerking te komen voor subsidie voor activiteiten van organisaties moet zijn voldaan aan onderstaande criteria:

    • a.

      De deelnemers aan de activiteiten dienen overwegend in de provincie Groningen woonachtig te zijn

    • b.

      De deelnemers dienen in overwegende mate ouder te zijn dan 65 jaar.

    • c.

      De activiteiten dienen voor deelnemers en publiek openbaar toegankelijk te zijn.

    • d.

      De activiteit dient plaats te vinden in 2017 of 2018.

    • e.

      De activiteit moet plaatsvinden in de provincie Groningen.

    • f.

      Bij de voorbereiding en de uitvoering van de activiteit maakt de subsidieaanvrager gebruik van de expertise van een professional. In de aanvraag moet worden aangegeven op welke wijze aan deze voorwaarde wordt voldaan.

    • g.

      De activiteit moet open staan voor personen uit tenminste een van onderstaande doelgroepen:

      • (1)

        Kwetsbare ouderen;

      • (1)

        Zorgbehoevende ouderen;

      • (1)

        Oudere met een andere culturele achtergrond.

    • h.

      Aan de gesubsidieerde activiteit dient door tenminste 15 personen uit de hiervoor in lid 2 onder g genoemde doelgroepen actief te worden deelgenomen.

    • 1.

      De aanvragen worden beoordeeld op de volgende aspecten:

      • 1.

        De mate waarin het gaat om nieuwe, innovatieve initiatieven.

      • 2.

        De mate waarin het gaat om doorontwikkeling en verduurzaming van bestaande initiatieven.

      • 3.

        Het aantal ouderen dat wordt bereikt. (Hoe realistisch is de inschatting?)

      • 4.

        De mate waarin activiteiten aantoonbaar op initiatief van ouderen worden georganiseerd.

      • 5.

        De spreiding van activiteiten in de provincie Groningen.

      • 6.

        De mate van betrokkenheid van organisaties uit andere domeinen dan cultuur.

      • 7.

        De programmeerbaarheid in de actiemaand voor ouderen Kunst op Stee en/of het festival De kunst van het ouder worden.

    • 1.

      Bij overvraging van het budget wordt een rangschikking gemaakt op basis van bovenstaande aspecten, waarbij de volgorde het belang aangeeft.

  • 3. Voor activiteiten van particulieren geldt dat de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na afloop van het tijdvak waarvoor het college de subsidie heeft verstrekt een kort inhoudelijk verslag van de activiteiten moet indienen.

  • 4. Voor activiteiten van organisaties geldt dat de subsidieontvanger uiterlijk 13 weken na afloop van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend een aanvraag om subsidievaststelling moet indienen, bestaande uit een financieel en inhoudelijk activiteitenverslag. Het financieel verslag dient op dezelfde wijze te zijn gerubriceerd als de begroting op basis waarvan het college de subsidie heeft verleend.

Artikel 6:73 Aanvullende weigeringsgronden
  • 1. Het college legt elke subsidieaanvraag voor aan een Adviescommissie. Het college kan een subsidieaanvraag weigeren als deze commissie hierop negatief adviseert.

  • 2. Het college weigert een subsidieaanvraag voor boeken, cd’s of andere beeld- en geluidsdragers.

  • 3. Het college weigert een subsidieaanvraag voor regulier cursusaanbod van stedelijke en/of provinciale instellingen of vergelijkbaar aanbod van particulieren en/of organisaties.

Artikel 6:74 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Het subsidieplafond voor activiteiten van particulieren bedraagt voor de hele looptijd van deze paragraaf € 12.000.

  • 2. Het college stelt voor de activiteiten van organisaties twee aanvraagperioden vast. De eerste aanvraagperiode loopt van 15 juni tot en met 31 december 2017; de tweede aanvraagperiode loopt van 1 januari tot en met 31 december 2018.

  • 3. Het subsidieplafond voor beide aanvraagperioden tezamen bedraagt voor de hele looptijd van deze regeling € 58.000.

  • 4. Als op 31 januari 2018 nog een deel van het subsidiebudget voor activiteiten van organisaties resteert, kan het college dit toevoegen aan het subsidiebudget voor activiteiten van particulieren.

  • 5. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het in lid 1 van dit artikel genoemde subsidieplafond dan wordt het beschikbare plafond over de in aanmerking komende subsidieaanvragen verdeeld op basis van de volgorde waarop ze bij het college zijn binnengekomen.

  • 6. Als het totaal van de subsidieaanvragen hoger is dan het in de lid 3 van dit artikel genoemde subsidieplafond dan komen aanvragen eerder voor subsidie in aanmerking naarmate:

    • a.

      meer sprake is van doorontwikkeling en verduurzaming van reeds bestaande initiatieven;

    • b.

      meer ouderen aan de activiteiten deelnemen;

    • c.

      activiteiten aantoonbaar meer op initiatief van de ouderen worden georganiseerd;

    • d.

      meer sprake is van een gelijkmatige spreiding van de activiteiten in de provincie Groningen;

    • e.

      de betrokkenheid van organisaties uit andere domeinen dan cultuur groter is;

    • f.

      de activiteiten meer worden geprogrammeerd in de actiemaand voor ouderen Kunst op Stee en/of het festival De kunst van het ouder worden.

  • 7. In de afweging van het college wegen de in lid 6 eerder genoemde criteria zwaarder dan later genoemde.

  • 8. Het college kan besluiten om de behandeling van een subsidieaanvraag aan te houden tot een volgende aanvraagperiode mits het college met in achtneming van de daarvoor geldende termijn voldoende gelegenheid heeft een besluit te nemen voordat de activiteit wordt uitgevoerd.

Artikel 6:75 Overige bepalingen
  • 1. Deze paragraaf kan worden aangehaald als de subsidieregeling Pronkjewail Fonds.

  • 2. Deze subsidieregeling eindigt van rechtswege op 31 december 2018 maar hij blijft van toepassing

    • a.

      voor de vaststelling van subsidies die op grond van deze paragraaf zijn verstrekt en

    • b.

      voor beslissingen op bezwaarschriften die zijn ingediend tegen subsidiebesluiten die het college op grond van deze paragraaf heeft genomen.

  • 3. Op deze regeling is de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen 2011 van toepassing.

Hoofdstuk 7 Verkeer (RO/EZ)

Paragraaf 7.1 Openbaar toegankelijke oplaadpunten voor elektrische auto’s
Artikel 7:1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    schoon vervoer : vervoermiddelen zonder motor of enige andere vorm van mechanische aandrijving en vormen van gemotoriseerd vervoer die voldoen aan minimaal de EURO 6/VI norm;

  • b.

    elektrische vervoer : een volledig elektrisch voertuig of plug-in hybride voertuig met 4 wielen en met een minimaal volledig elektrisch bereik van 50 km;

  • c.

    instelling : een organisatie die aan andere personen of rechtspersonen producten levert of diensten verleent zonder winstdoelstelling;

  • d.

    bedrijf/onderneming : een organisatie die aan andere personen of rechtspersonen producten levert of diensten verleent met een winstdoelstelling;

  • e.

    oplaadpunt : parkeerplek met bijbehorende (openbare) voorziening waar een elektrisch voertuig, kan worden opgeladen, waarbij:

    • 1.

      de stroom kan worden aan- en uitgeschakeld door gebruikers;

    • 2.

      een systeem van persoonlijke identificatie en beveiliging nodig is om de stroom aan en uit te schakelen en misbruik te voorkomen.

Artikel 7:2 Relevante procedure

Op deze regeling is de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 7:3 Te subsidiëren activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor het realiseren van oplaadpunten voor elektrische auto’s op particuliere parkeerterreinen ter bevordering van schoon vervoer.

Artikel 7:4 Grondslag

Aan de aanvrager kan subsidie worden verleend voor de kosten voor het aanleggen van oplaadpunten voor elektrische auto’s:

  • a.

    de subsidie bedraagt maximaal € 1000,-- per openbaar oplaadpunt en maximaal € 500,-- per niet-openbaar oplaadpunt;

  • b.

    tot een maximum van € 2500,-- per adres en/of per aaneengesloten parkeerterrein bij openbare oplaadpalen en € 1000,-- per adres en/of per aaneengesloten parkeerterrein bij niet-openbare oplaadpal

Artikel 7:5 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. De subsidie kan worden aangevraagd door bedrijven/ondernemingen of instellingen in de gemeente als zodanig geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.

  • 2. Het oplaadpunt/de oplaadpunten moeten worden aangelegd op een bij het bedrijf of instelling horend parkeerterrein met minimaal 3 parkeerplekken.

  • 3. Het oplaadpunt/de oplaadpunten moeten binnen zes maanden na verlening van de subsidie worden aangelegd.

  • 4. Voor openbare oplaadpunten geldt tevens:

    • a.

      Het bedrijf of de instelling dient er voor te zorgen dat de oplaadpunten openbaar toegankelijk zijn voor bezoekers gedurende openingstijden. Eigen voertuigen dienen buiten de openingstijden te worden opgeladen.

    • b.

      De laadpunten moeten, zo mogelijk, zichtbaar zijn vanaf de openbare weg.

    • c.

      De te realiseren oplaadpunten en bijbehorende dienstverlening moet voldoen aan de volgende specificaties:

      • -

        interoperabiliteit voor de gebruikers;

      • -

        laden volgens normering Type 2, mode 3;

      • -

        openbaar toegankelijk op openingstijden organisatie voor een periode van minimaal 4 jaar na ingebruikname oplaadpunt;

      • -

        de tijden van openbare beschikbaarheid oplaadpunten dienen in ieder geval te worden vermeld op de website van de organisatie en op de volgende websites:

        * www.laadpunten.nl;

        * www.laad.nl;

        * www.oplaadpunten.nl.

Artikel 7:6 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. Aanvragen worden behandeld in volgorde van binnenkomst.

  • 2. Het college kan afwijken van het vorige lid ten behoeve van een betere verspreiding van laadpunten over de gemeente of ten voordele van openbare oplaadpunten.

Hoofdstuk 8 Wonen (RO/EZ/MD)

Paragraaf 8.1 Milieu en duurzaamheid

Artikel 8:1Begripsbepalingen
  • 1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

    • a.

      ingezetene: alle natuurlijke- en rechtspersonen binnen de gemeente Groningen;

    • b.

      leefomgevingskwaliteit: de kwaliteit van het geheel van aspecten die de fysieke leefomgeving kunnen beïnvloeden (zoals: afval, geluid, groen, lucht en water);

  • 2. Voor de toepassing van deze nadere regels wordt telkens waar de term activiteiten wordt gebruikt tevens projecten bedoeld.

Artikel 8:2 Relevant arrangement

Op deze paragraaf is de lichte procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 8:3

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten die naar het oordeel van het college substantieel het milieubelang in de stad Groningen dienen of activiteiten die de medeverantwoordelijkheid van ingezetenen van Groningen voor het milieu stimuleren.

  • 2.

    Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten die naar het oordeel van het college het mondiale (milieu)bewustzijn van de ingezetenen van Groningen versterken of de leefomgevingskwaliteit en het milieu in andere landen verbeteren.

  • 3.

    Het college kan subsidie verlenen voor activiteiten die naar het oordeel van het college substantieel bijdragen aan:

    • a.

      vermindering van het energieverbruik, daaronder kan ook verstaan worden

      CO2 –reductie door het gebruik van andere energiebronnen;

    • b.

      het vergroten van de kennis op het gebied van duurzame maatregelen;

    • c.

      verbetering van de leefomgevingskwaliteit in de stad Groningen;

    • d.

      het proces tot bewustwording en gedragsverandering bij ingezetenen van Groningen met betrekking tot het bewust energieverbruik en de verbetering van de leefomgevingskwaliteit.

  • 4.

    Het college zal jaarlijks specifieke subsidiabele activiteiten aanwijzen die vallen onder de genoemde generieke subsidiabele activiteiten in dit artikel, eerste tot en met derde lid.

  • 5.

    Het college kan voor de activiteiten zoals bedoeld in het vierde lid, de criteria aangeven waar de te subsidiëren activiteit aan moet voldoen.

Artikel 8:4 Subsidie per activiteit
  • 1. Het college kan per subsidiabele activiteit, de hoogte van de subsidie aangeven in een vast bedrag of in een percentage ten opzichte van de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte kosten.

  • 2. Het college kan een subsidie verstrekken voor maximaal 100% van de kosten van de in artikel 8:3, eerste tot en met vierde lid genoemde activiteiten.

  • 3. In aanvulling op het eerste lid kan het college tevens aangeven welke kosten wel of niet subsidiabel zijn.

Artikel 8:5

Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1.

    Alleen ingezetenen van de gemeente Groningen kunnen een aanvraag indienen.

  • 2.

    Naast de in artikel 6 van de verordening genoemde gevallen kan subsidie worden geweigerd, indien voor soortgelijke activiteiten als waarvoor de betreffende subsidieaanvraag wordt ingediend al subsidie is aangevraagd of verstrekt.

Artikel 8:6 Subsidieplafonds en verdelingsregels
  • 1. Het subsidieplafond kan gedifferentieerd naar de activiteiten of voor de gehele paragraaf vastgesteld worden.

  • 2. Indien het college op grond van artikel 8:3, vierde lid meerdere activiteiten aanwijst die voor subsidie in aanmerking komen dan kan het college het ter beschikking gestelde bedrag middels een verdeelsleutel verdelen.

  • 3. Het college kan de verdeelsleutel tussentijds aanpassen indien naar het oordeel van het college de verdeling van het vastgestelde plafond niet tot een optimaal resultaat zal leiden.

  • 4. Aanvragen worden in beginsel behandeld in volgorde van binnenkomst, tenzij het college anders aangeeft.

Paragraaf 8.2 Energiescans

Artikel 8:7 Begripsbepalingen
  • 1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

    • a.

      MKB-bedrijf: een bedrijf dat voldoet aan de criteria genoemd in artikel 8:13;

    • b.

      aanvrager: de aanvraag kan worden ingediend door een eigenaar van een MKB-bedrijf in de gemeente Groningen;

  • 2. Indien er sprake is van een bedrijfsverzamelgebouw dan kan de eigenaar of exploitant van het bedrijfsverzamelgebouw de aanvraag indienen.

Artikel 8:8

Relevant arrangement

Op deze paragraaf is de lichte procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 8:9

Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor een energiescan, uitgevoerd door een erkend bedrijf in het kader van de BRL 9500 "Energieprestatieadvisering” of een bedrijf dat naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met een erkend bedrijf.

Artikel 8:10

Subsidie per activiteit

  • 1.

    De subsidie bedraagt 75 % van de kosten verminderd met de omzetbelasting (BTW) voor uitvoering en rapportage van een energiescan.

  • 2.

    De subsidie bedraagt maximaal € 3.000,-- per MKB-bedrijf.

Artikel 8:11

Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1.

    Het bedrijf dat de energiescan uitvoert dient een extern bedrijf te zijn zonder organisatorische of functionele banden met het bedrijf waar de scan wordt uitgevoerd.

  • 2.

    De energiescan en de rapportage moeten voldoen aan de criteria zoals gesteld in artikel 8:12.

  • 3.

    Alleen de kosten van de energiescan komen in aanmerking voor subsidie, overige en interne kosten van het bedrijf komen niet in aanmerking voor subsidie.

  • 4.

    De rapportage van de energiescan moet ter bespreking worden voorgelegd aan het college.

Artikel 8:12

Criteria van een MKB-bedrijf

Het uitgangspunt voor de criteria van een MKB-bedrijf zijn de door de Europese Commissie vastgestelde definities van de kleine en middelgrote ondernemingen (bron: Publicatieblad Europese Commissie van de Europese Gemeenschappen L 107, 30 april 1996, bijlage “Door de Commissie vastgestelde definities van de kleine en middelgrote ondernemingen”,

artikel 1, eerste, derde, zesde, zevende en achtste lid):

  • a.

    als kleine en middelgrote ondernemingen, hierna “KMO’s” genoemd, worden beschouwd ondernemingen:

  • -

    met minder dan 250 werknemers,

  • -

    en waarvan

    ofwel de jaaromzet 40 miljoen euro niet overschrijft,

    ofwel het jaarlijkse balanstotaal 27 miljoen euro niet overschrijdt en

  • -

    die het zelfstandigheidscriterium in acht nemen zoals dit onder 2 is omschreven.

  • b.

    als “zelfstandig” wordt beschouwd de onderneming die niet voor 25% of meer van het kapitaal of van de stemrechten in handen is van 1 onderneming of van verscheidene ondernemingen gezamenlijk die niet aan de definitie van de KMO of van de kleine onderneming, naar gelang van het geval, beantwoorden. Deze drempelwaarde mag in 2 gevallen worden overschreden:

  • -

    indien de onderneming in handen is van openbare participatiemaatschappijen, van ondernemingen van risicokapitaal of van institutionele beleggers, mits deze individueel noch gezamenlijk in enig opzicht zeggenschap over de onderneming hebben;

  • -

    indien het wegens de spreiding van het kapitaal onmogelijk is te weten in wiens handen het is, en de onderneming verklaart dat zij redelijkerwijs mag aannemen niet voor 25% of meer in handen te zijn van 1 onderneming of van verscheidene ondernemingen gezamenlijk die niet aan de definitie van de “KMO” of van de kleine onderneming, naar gelang van het geval, beantwoorden;

  • c.

    indien ondernemingen op de balansdatum boven de aangegeven werknemersdrempels of financiële maxima blijven, verliezen zij de hoedanigheid van “KMO”: “middelgrote onderneming” of “kleine onderneming”, eerst indien die omstandigheid zich gedurende 2 opeenvolgende boekjaren voordoet;

  • d.

    het aantal werknemers komt overeen met het aantal jaar-arbeidseenheden (JAE), zijnde het aantal gedurende een jaar voltijds werkende werknemers, waarbij deeltijdwerkers en seizoenarbeiders in fracties van JAE worden uitgedrukt. Het in aanmerking te nemen referentiejaar is het laatste afgesloten boekjaar;

  • e.

    de voor de omzet en het balanstotaal te hanteren drempels zijn die welke betrekking hebben op het laatste afgesloten boekjaar van 12 maanden. Bij recent opgerichte ondernemingen waarvan de jaarrekening nog niet is afgesloten, dienen de in aanmerking te nemen bedragen te worden bepaald door middel van een in de loop van het boekjaar te goeder trouw gemaakte schatting.

Artikel 8:13

Voorwaarden rapportage energiescan

De rapportage van energiescan dient de volgende elementen te bevatten:

  • a.

    beschrijving van het bedrijf: productie-omvang, aantal werknemers, bedrijfstijden; belangrijkste processen en activiteiten; eventueel een organisatieschema;

  • b.

    beschrijving van bestaande of geplande bouwwerken en processen in hun geheel: beschrijving van de gebouwen (ligging, bouwjaar, oppervlakte, staat van isolatie, tochtwering, etcetera). Processen dienen duidelijk omschreven te worden. Dit kan het beste door gebruik te maken van stroomschema ’s waar per processtap wordt aangegeven wat in- en uitgaat. Daarbij moet een inventarisatie gemaakt worden van alle installaties en voorzieningen;

  • c.

    energiehuishouding van de bouwwerken en processen in hun geheel: overzichten van het jaarverbruik (zowel kosten als hoeveelheden) van alle energiedragers (gas, elektra, huisbrandolie, etcetera) van de afgelopen jaren inclusief trendanalyse, overzichten van het maandelijks verbruik;

  • d.

    energiebalans van de relevante energiedragers per bedrijfsonderdeel: daarbij moet 90%van het energieverbruik van de betreffende energiedrager gespecificeerd worden. Voor moeilijk te meten energiedragers zoals stoom of perslucht kan volstaan worden met een specificatie van 80% van het energieverbruik;

  • e.

    energiezorg: beschrijving van de wijze waarop energiezorg in het bedrijf wordt geborgd;

  • f.

    overzicht van de technische en organisatorische mogelijkheden tot energiebesparing en de kwantificering ervan (ook van de niet redelijke maatregelen). Per maatregel wordt de volgende informatie vermeld: algemene beschrijving, toepasbaarheid (inclusief eventuele voorwaarden), investeringskosten, de te verwachten energiebesparing (in hoeveelheid en in kosten), een berekening van de terugverdientijd. Ook de maatregelen die al genomen zijn of nog lopen worden vermeld. Bij het beschrijven van al genomen en lopende maatregelen moet vermeld worden wat de (voorlopige)resultaten van die maatregelen zijn en wat de knelpunten bij het invoeren zijn of waren. Ook eerder onderzochte opties die niet zijn uitgevoerd behoren hier te worden beschreven, met vermelding van de redenen voor het niet doorvoeren van de opties;

  • g.

    overzicht van de subsidie- en fiscale mogelijkheden per maatregel.

Artikel 8:14

Subsidieplafond en verdelingsregels

Artikel 8:6 is van overeenkomstige toepassing op deze paragraaf.

Paragraaf 8.3 Subsidie schoonmaakacties

Artikel 8:15

Begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    ingezetenen : alle natuurlijke personen en rechtspersonen die woonachtig dan wel gevestigd zijn in de gemeente Groningen;

  • b.

    openbare ruimte : de gemeenschappelijke, publieke ruimte waaronder in ieder geval wordt verstaan: openbare wegen, openbare wateren en

    openbaar groen.

Artikel 8:16

Relevante procedure

Op deze paragraaf is de lichte procedure zoals opgenomen in de verordening van toepassing.

Artikel 8:17

Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Het college kan subsidie verstrekken voor allerhande schoonmaakacties in het kader van LenteKriebels, zusje van LenteKriebels, ZomerKriebels, zwerfvuilteams of overige incidentele acties.

  • 2.

    De activiteiten genoemd in het eerste lid, dienen geheel of gedeeltelijk in de openbare ruimte plaats te vinden.

Artikel 8:18

Subsidie per activiteit

  • 1.

    De subsidie in het kader van zwerfvuilteams bedraagt maximaal € 250,-- per team per jaar.

  • 2.

    De subsidie in het kader van LenteKriebels bedraagt maximaal € 250,-- per activiteit.

  • 3.

    De subsidie in het kader van incidentele acties bedraagt maximaal € 250,-- per activiteit.

  • 4.

    De subsidie in het kader van het zusje van LenteKriebels bedraagt maximaal € 250,-- per activiteit.

  • 5.

    De subsidie in het kader van ZomerKriebels bedraagt maximaal € 250,-- per activiteit.

  • 6.

    De hoogte van de subsidie wordt bepaald door het aantal aanvragen, door de omvang en het te verwachten effect van de activiteit.

Artikel 8:19

Bijzondere bepalingen/verplichtingen

De subsidieaanvraag dient 2 weken vóór aanvang van de activiteiten te zijn ingediend bij het college.

Artikel 8:20

Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1.

    Ten laste van het onder het eerste lid genoemde beschikbare bedrag wordt subsidie overeenkomstig onderstaande volgorde toegekend:

    • a.

      als eerste de subsidie voor zwerfvuilteams en

    • b.

      voorts de overige subsidies en wel op volgorde van binnenkomst van de aanvraag.

  • 2.

    Het bedrag genoemd onder het eerste lid wordt jaarlijks geïndexeerd.

Paragraaf 8.4 Subsidie oud papier

Artikel 8:21

Begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    garantieprijs : door het college vastgestelde prijs per kilogram ingezameld oud papier, die aan inzamelaars wordt betaald op het moment dat de marktprijs lager is dan de garantieprijs;

  • b.

    marktprijs : prijs die door het papier inzamelend en/of verwerkend bedrijf aan de Milieudienst wordt betaald;

  • c.

    inzamelaar : inzamelaar van oud papier die beschikt over een geldige inzamelvergunning ex artikel 11, eerste lid van de Afvalstoffenverordening van de gemeente Groningen;

  • d.

    papier inzamelend en/of papier verwerkend bedrijf : het bedrijf dat het transport en de inzameling van door inzamelaars aangeleverd oud papier verzorgt, welk bedrijf op dat moment een contract heeft met ARCG;

  • e.

    inzameloverzicht : een door het papier inzamelend en verwerkend bedrijf verstrekt overzicht van het door de inzamelaar ingezameld papier.

Artikel 8:22

Relevante procedure

Op deze paragraaf is de lichte procedure zoals opgenomen in de verordening van toepassing.

Artikel 8:23

Subsidiabele activiteiten

Het college kan aan een inzamelaar subsidie verstrekken voor de inzameling van oud papier.

Artikel 8:24

Subsidie per activiteit

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantieprijs: indien de marktprijs op een bepaald moment lager is dan de door het college vastgestelde garantieprijs, wordt de garantieprijs uitgekeerd.

  • 2.

    Voor het bepalen van de marktprijs wordt uitgegaan van de datum van de weegbon.

  • 3.

    De garantieprijs, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks door het college vastgesteld.

Artikel 8:25

Bijzondere bepalingen/verplichtingen subsidieaanvraag en betaling

  • 1.

    In afwijking van het bepaalde in de verordening, geldt het door het oud papier inzamelend en/of verwerkend bedrijf verstrekte inzameloverzicht als subsidieaanvraag.

  • 2.

    De hoeveelheid ingezameld oud papier wordt bepaald door het papier inzamelend en/of papier verwerkend bedrijf.

  • 3.

    Een kopie van het inzameloverzicht wordt aan het college verstrekt en dient als basis voor de eventueel te subsidiëren hoeveelheid ingezameld oud papier.

  • 4.

    De subsidie wordt aan de inzamelaar betaald door het papier inzamelend en/of verwerkend bedrijf.

Paragraaf 8.5 Groene daken

Artikel 8:26 Begripsbepalingen

Artikel 8:27

Relevante procedure

Op deze regeling is de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 8:28

Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor de aanleg van groene daken zodanig dat de aanleg daarvan een bijdrage levert aan de waterbergingscapaciteit van hemelwater.

Artikel 8:29

Subsidie per activiteit

De subsidie bedraagt:

  • a.

    € 30,- per m² voor oppervlakken van 6 tot 100 m2;

  • b.

    € 20,- per m² voor oppervlakken van 100 tot 250 m2;

  • c.

    € 10,- per m² voor oppervlakken van 250 tot 1000 m2.

Artikel 8:30

Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het dient te gaan om een plat dak van minimaal 6 m2 op een gebouw;

  • b.

    er dient niet met de aanleg te zijn begonnen voordat op de subsidieaanvraag is beslist;

  • c.

    aanvrager dient eigenaar van gebouwen of bijgebouwen in de gemeente Groningen te zijn of huurder van gebouwen of bijgebouwen in de gemeente Groningen terwijl hij beschikt over een akkoordverklaring van de eigenaar voor de aanleg.

  • 2.

    Bij de aanvraag dienen de volgende gegevens te worden overgelegd:

    • a.

      een gespecificeerde begroting van de kosten of een offerte van de kosten;

    • b.

      een situatietekening op schaal;

    • c.

      een foto van het bestaande dak;

    • d.

      een bouwvergunning of een monumentenvergunning, indien vereist;

    • e.

      de schriftelijke akkoordverklaring van de eigenaar (als aanvrager huurder is).

  • 3.

    Het college kan de subsidie intrekken indien blijkt dat de werkzaamheden niet binnen 1 jaar na de datum van verlening van de subsidie zijn uitgevoerd.

  • 4.

    Op de aanvraag om vaststelling van de subsidie dient aanvrager de datum te vermelden waarop de werkzaamheden zijn afgerond.

Artikel 8:31

Subsidieplafond en verdelingsregels

De subsidieaanvragen worden op volgorde van binnenkomst afgehandeld.

Paragraaf 8.6 Onderhoud woonboten diepenring (Vervallen zijn de artikelen 8:32 tot en met 8:37)

Paragraaf 8.7 Beter verbeteren

Artikel 8:38

Relevante procedure

Op deze regeling is de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 8:39

Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor het herstel van historisch waardevolle onderdelen van monumentale panden zoals bedoeld in 'Beter Verbeteren' zoals vastgesteld in de raad van 6 december 1995 onder nr. 6 vastgesteld bij nota 'Van ethiek naar strategie'.

Artikel 8:40

Subsidie per activiteit

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten bepaald volgens de methode van de 'Leidraad subsidiabele kosten' van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

  • 2.

    De subsidie bedraagt maximaal € 5000,- per adres per jaar.

Artikel 8:41

Bijzondere bepalingen/verplichtingen

Subsidie wordt slechts verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het dient te gaan om een rijksmonument, een gemeentelijk monument of anderszins om een aantoonbaar historisch waardevol pand;

  • b.

    het dient te gaan om herstel van historische waardevolle onderdelen, die niet op basis van een rijkssubsidieregeling gesubsidieerd kunnen worden.

Artikel 8:42

Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1.

    De aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst.

  • 2.

    Het college kan afwijken van de behandelvolgorde indien herstel dringend vereist is.

Paragraaf 8.8 Monumentale molens

Artikel 8:43 Begripsbepaling

Artikel 8:44

Relevante procedure

Op deze regeling is de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 8:45

Subsidiabele activiteiten

Het college kan, in aanvulling op de Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten, subsidie verlenen voor het fysiek in stand houden van monumentale molens.

Artikel 8:46 Subsidie per activiteit
  • 1. De subsidie bestaat uit een geldelijke bijdrage voor het in stand houden van monumentale windmolens in aanvulling op de door het rijk op grond van het Brim verleende subsidie.

  • 2. De subsidie bedraagt maximaal 30% van de door het rijk op grond van het Brim vastgestelde instandhoudingskosten.

Artikel 8:47

Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verleend als voor de activiteit door het rijk subsidie is verleend op grond van het Brim.

  • 2.

    Het college verstrekt subsidieontvanger jaarlijks een voorschot.

  • 3.

    Na afloop van de vaststelling door het rijk op grond van de Brim stelt het college de (gemeentelijke) subsidie vast op grond van de afrekening door het Rijk.

  • 4.

    Bij de aanvraag om vaststelling van de subsidie dient aanvrager een afschrift van de vaststellingsbeschikking van het Rijk te voegen.

Paragraaf 8.9 Monumentale kerken

Artikel 8:48 Begripsbepaling

Artikel 8:49

Relevante procedure

Op deze regeling is de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 8:50

Subsidiabele activiteiten

Het college kan, in aanvulling op de Regeling rijkssubsidiëring instandhouding monumenten, subsidie verlenen voor het fysiek in stand houden van monumentale kerken.

Artikel 8:51

Subsidie per activiteit

  • 1.

    De subsidie bestaat uit een geldelijke bijdrage voor het in stand houden van monumentale kerken in aanvulling op de door het rijk op grond van het Brim verleende subsidie.

  • 2.

    De subsidie bedraagt maximaal 25% van de door het rijk op grond van het Brim vastgestelde instandhoudingskosten.

Artikel 8:52

Bijzondere bepalingen/verplichtingen.

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verleend als voor de activiteit door het rijk subsidie is verleend op grond van het Brim.

  • 2.

    Het college verstrekt subsidieontvanger jaarlijks een voorschot.

  • 3.

    Na afloop van de vaststelling door het rijk op grond van de Brim stelt het college de (gemeentelijke) subsidie vast op grond van de afrekening door het Rijk.

  • 4.

    Bij de aanvraag om vaststelling van de subsidie dient aanvrager een afschrift van de vaststellingsbeschikking van het Rijk te voegen.

Paragraaf 8.10 Revolverend fonds monumenten

Artikel 8:53 Begripsbepalingen

Artikel 8:54

Relevante procedure

Op deze regeling is de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 8:55

Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor buitengewoon onderhoud of restauratie van gemeentelijke monumenten.

Artikel 8:56

Subsidie per activiteit

  • 1.

    De subsidie bestaat uit een geldelijke lening voor het verbeteren van de staat van onderhoud en restauratie.

  • 2.

    De subsidie voor onderhoudskosten verlopen via een lening tot 100% van de kosten, te vermeerderen met de bijkomende kosten.

Artikel 8:57

Bijzondere bepalingen/verplichtingen

1.Subsidie wordt slechts verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het dient te gaan om een door de gemeente aangewezen monument in de zin van de Erfgoedverordening;

  • b.

    aanvrager dient voldoende zakelijk gerechtigde van het monument te zijn.

  • 2.

    Bij de aanvraag om verlening van subsidie dient aanvrager alle gegevens te overleggen die nodig zijn om voldoende inzicht in de uitvoering van de werkzaamheden te krijgen. In elk geval worden de volgende gegevens overgelegd:

    • a.

      het aanvraagformulier;

    • b.

      een gespecificeerde begroting van de kosten of een offerte van de kosten;

    • c.

      rapport van de monumentenwacht; en

    • d.

      een beschrijving hoe de voorgenomen werkzaamheden zullen worden uitgevoerd.

  • 3.

    Na het besluit tot het verlenen van de subsidie dient aanvrager een ingevuld en van gevraagde bijlagen voorzien aanvraagformulier SVN(Stichting Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten) in te dienen.

  • 4.

    De aanvrager dient overeenkomstig het bijgevoegde onderhoudsplan het monument gedurende de looptijd van de lening in goede staat van onderhoud te houden en lid te zijn van Monumentenwacht.

Artikel 8:58

Subsidieplafond en verdelingsregels

  • 1.

    De aanvragen worden behandeld op volgorde van binnenkomst.

  • 2.

    Het college kan afwijken van de behandelvolgorde indien herstel dringend vereist is.

Paragraaf 8.11 Geluidreducerende maatregelen kamerverhuurpanden

Vervallen.

Artikel 8:59  Begripsbepalingen

Vervallen.

Artikel 8:60 Relevante procedure

Vervallen.

Artikel 8:61 Te subsidiëren activiteiten

Vervallen.

Artikel 8:62 Subsidie per activiteit

Vervallen.

Artikel 8:63 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • Vervallen.

Artikel 8:64 Subsidieplafond en verdelingsregels

Vervallen.

Paragraaf 8.12 Subsidie Vastgoedverbetering Vishoek, Hoekstraat en Muurstraat

Artikel 8:65 Begripsbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1 van de verordening wordt voor de toepassing van deze paragraaf verstaan onder:

  • a.

    Bouwwerk: hoofdgebouw aan de straatzijde op één duidelijk bouwvlak of kadastraal perceel;

  • b.

    Projectkosten: bouwkosten alsmede bijkomende kosten (opstellen verbeterplan, ontwerpkosten procedurekosten, advies- en begeleidingskosten en btw voor zover niet aftrekbaar).

Artikel 8:66 Relevante procedure

Op deze regeling is de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 8:67 Subsidiabele activiteiten

Het college verleent subsidie voor het verbouwen of bouwkundig verbeteren van panden naar woningen met eventueel gedeeltelijke bedrijfsfunctie in de aangewezen delen van de Vishoek, Hoekstraat en Muurstraat.

Artikel 8:68 Subsidie per activiteit

De subsidie bedraagt 25 procent van de projectkosten tot maximaal € 25.000 per te verbeteren of op te richten bouwwerk.

Artikel 8:69 Bijzondere bepalingen/verplichtingen
  • 1. Subsidie wordt slechts verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      Het pand moet liggen in de Vishoek, Hoekstraat en Muurstraat zoals aangegeven op de bijbehorende kaart;

    • b.

      Na de gesubsidieerde activiteit moet het pand bestaan uit:

      • -

        in elk geval zelfstandige woningen van minimaal 50 m2 gebruiksoppervlakte (GO) bewoond door één huishouden;

      • -

        en op de begaande grond eventueel bedrijfsruimte.

    • c.

      De aanpassingen moeten bestaan uit gebruikelijke bouwkundige aanpassingen en worden uitgevoerd in algemeen aanvaarde goede uitvoeringskwaliteit;

    • d.

      Het casco en de funderingen moeten indien nodig worden aangepakt conform de bijlage technische voorwaarden;

    • e.

      Aanvrager dient eigenaar van gebouwen te zijn of huurder of beheerder van de gebouwen terwijl hij beschikt over een akkoordverklaring van de eigenaar voor de werkzaamheden.

    • f.

      Er mag niet met de uitvoering zijn begonnen voordat op de subsidieaanvraag is beslist, uitgezonderd aanvang werkzaamheden in de periode 1 januari 2016 tot en met een maand na inwerkingtreding van deze regeling;

  • 2. Bij de aanvraag dienen de volgende gegevens te worden overgelegd:

    • a.

      een realistische en gespecificeerde begroting opgesteld door een voldoende gecertificeerd bureau van de kosten of een realistische en gespecificeerde offerte van de kosten;

    • b.

      een gespecificeerd en gedetailleerd verbeterplan conform de bijlage technische voorwaarden;

    • c.

      een bouwkundige opname van het pand conform NEN 2767;

    • d.

      een situatietekening op schaal;

    • e.

      tekeningen van de ‘bestaande situatie’ en de ‘nieuwe situatie’ conform de eisen uit de Wabo aanvraag aspect bouwen;

    • f.

      indien een omgevingsvergunning is vereist de vergunningen of een zo goed als complete aanvraag;

    • g.

      de schriftelijke akkoordverklaring van de eigenaar in het geval de aanvrager huurder of beheerder is.

    • h.

      Als de werkzaamheden deel uitmaken van de onderneming van aanvrager of eigenaar een ingevulde en getekende De-minimisverklaring.

  • 3. Het college kan de subsidie intrekken indien blijkt dat de werkzaamheden niet binnen 1 jaar na de datum van verlening van de subsidie zijn uitgevoerd.

  • 4. Voor de aanvraag om vaststelling van de subsidie dient aanvrager:

    • a.

      schriftelijk de werkzaamheden gereed te melden;

    • b.

      te beschikken over alle vereiste vergunningen en te voldoen aan de daarvoor geldende regelgeving voor de uitgevoerde werkzaamheden.

  • 5. Voor de definitieve vaststelling van de subsidie dient de gemeente de gereedmelding voor akkoord te hebben geïnspecteerd.

Artikel 8:70 Bevoorschotting
  • 1. Voorschotten worden verstrekt op vertoon van een rekening van een aannemer of voor de kosten horend bij een gedeelte dat is gereed gemeld.

  • 2. Er wordt tot maximaal 60% van het verleende subsidiebedrag aan voorschotten verstrekt.

  • 3. Indiende de activiteiten tevens worden gefinancierd via de SVN wordt er geen voorschot verstrekt maar wordt na de vaststelling van de subsidie de voor de activiteiten lopende lening verminderd met het vastgestelde subsidiebedrag.

Artikel 8:71 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1. De subsidieaanvragen worden op volgorde van binnenkomst afgehandeld.

  • 2. Bij gecombineerde aanvragen over meerdere percelen mogen de bijkomende projectkosten worden verdeeld over de verschillende percelen.

Bijlage

bij artikel 8:69 lid 1 sub d in Paragraaf 8.12 (Subsidie Vastgoedverbetering Vishoek-Hoekstraat-Muurstraat) van de Nadere regels Subsidies Gemeente Groningen

Bijlage (bij artikel 8:69 lid 1 sub d in Paragraaf 8.12 (Subsidie Vastgoedverbetering Vishoek-Hoekstraat-Muurstraat) van de Nadere regels Subsidies Gemeente Groningen)

Toelichting bij hoofdstuk 8 Nadere regels subsidies gemeente Groningen

Toelichting paragraaf 8.1

Artikelsgewijze toelichting

Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 9 Onderhoud en beheer openbare ruimte (RO/EZ)

Paragraaf 9.1 Monumentale houtopstand

Artikel 9:1 Begripsbepaling

Artikel 9:2

Relevante procedure

Op deze regeling is de reguliere procedure, zoals opgenomen in de verordening, van toepassing.

Artikel 9:3

Subsidiabele activiteiten

Het college kan subsidie verlenen voor het treffen van maatregelen die noodzakelijk zijn voor instandhouding van monumentale houtopstand. In dat kader kan het college subsidie verlenen voor het treffen van maatregelen voor de instandhouding van monumentale houtopstand op particulier terrein.

Artikel 9:4

Subsidie per activiteit

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de door het college vast te stellen subsidiabele kosten met een maximum van € 1000,--.

Artikel 9:5

Bijzondere bepalingen/verplichtingen

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verleend als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het dient te gaan om maatregelen voor onderhoud aan een monumentale houtopstand;

  • b.

    het dient te gaan om een monumentale houtopstand op particulier terrein;

  • c.

    aanvrager dient krachtens zakelijk recht bevoegd te zijn om over de monumentale houtopstand te beschikken;

  • d.

    de maatregelen dienen noodzakelijk te zijn voor instandhouding van de monumentale houtopstand;

  • e.

    er dient de afgelopen 15 jaar niet eerder subsidie verstrekt te zijn voor de betreffende monumentale houtopstand;

  • f.

    de houtopstand dient binnen een door de raad aangewezen stadsvernieuwingsgebied te liggen en

  • g.

    er dient niet met het werk begonnen te zijn voordat op de aanvraag is beslist, behoudens wanneer het college schriftelijke toestemming heeft gegeven om eerder te beginnen.

  • 2.

    De werkzaamheden dienen door een erkend boomverzorgingsbedrijf te worden uitgevoerd.

  • 3.

    Bij de aanvraag dienen de volgende gegevens te worden overgelegd:

    • a.

      vermelding van de monumentale houtopstand waarvoor subsidie wordt aangevraagd, verduidelijkt door een tekening of foto;

    • b.

      een overzicht van de te treffen maatregelen;

    • c.

      een gespecificeerde offerte van een erkend boomverzorgingsbedrijf.

  • 4.

    Het uitvoeren van de werkzaamheden dient ten minste 7 dagen tevoren door of namens aanvrager bij de directie Stadsbeheer, afdeling Wijkbeheer, gemeld te zijn.

  • 5.

    Bij de aanvraag om vaststelling van de subsidie dient een betalingsbewijs aan het boomverzorgingsbedrijf te worden overgelegd.

Artikel 9:6 Subsidieplafond en verdelingsregels
  • 1.

    De subsidieaanvragen worden op volgorde van binnenkomst afgehandeld.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Artikel 10:1 Inwerkingtreding

Deze nadere regels treden in werking op 1 november 2011.

Artikel 10:2 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als Nadere regels subsidies gemeente Groningen.

Ondertekening

Gedaan te Groningen in de collegevergadering van 3 mei 2011.
De burgemeester,
dr. J.P. (Peter) Rehwinkel.
De secretaris,
drs. M.A. (Maarten) Ruys.

Bijlage 1: Kwaliteitseisen VVE (inspectiekader) bij Nadere regels basis ontwikkelingsgerichte programma’s en VVE programma’s

Bijlage 1: Kwaliteitseisen VVE (inspectiekader) bij Nadere regels basis ontwikkelingsgerichte programma’s en VVE programma’s

Toelichting

Algemene toelichting

Paragraaf 3.1 Voorschoolse educatie

Elke Groningse peuter kan vanaf tweejarige leeftijd, tot het moment waarop de peuter uitstroomt naar de basisschool, gebruik maken van voorschoolse educatie gedurende minimaal 320 tot maximaal 640 uur op jaarbasis bij een houder van een VVE geregistreerd kindercentrum. De gemeente Groningen vergoed jaarlijks tot dit maximum van 640 uur. Afhankelijk van de werkwijze van de voorschoolse voorziening is dit verdeeld in: 8 uur per week, verdeeld over minimaal twee dagdelen van 4 uur per week, gedurende 40 weken per kalenderjaar, 12 of 16 uur per week, verdeeld over minimaal drie dagdelen van 4 of 6 uur, over minimaal drie dagen per week, gedurende 40 weken per kalenderjaar.

Elke Groningse peuter met een VVE indicatie (doelgroep peuters) wordt vanaf de leeftijd van tweeëneenhalf jaar, tot het moment waarop de peuter uitstroomt naar de basisschool, gestimuleerd om gebruik te maken van 16 uur. Alleen indien hiervan sprake is hebben ouders recht op 8 uur gratis.

Ter verduidelijking: peuters met een VVE indicatie vanaf 2,5 jaar die 320 uur per jaar deelnemen aan voorschoolse educatie, tegen betaling van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage, hebben recht op 320 volledig door de gemeente gesubsidieerde uren per jaar extra, mits zij ook 640 uur komen.

NB Om een flexibele overgang mogelijk te maken, kan de uitbreiding van het VVE programma van bijvoorbeeld 8 naar 16 uur per week door een houder aan een geïndiceerde peuter worden aangeboden in de leeftijdsperiode tussen twee jaar en vier maanden en twee jaar en acht maanden.

Inkomensafhankelijke ouderbijdrage

Alle ouders van wie de peuter gebruik maakt van de voorschoolse voorziening VVE betalen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Bij de berekening onderscheidt de houder twee groepen ouders: ouders met en ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag (KOT- en niet-KOT-peuters). De houder berekent de hoogte van de inkomensafhankelijke ouderbijdrage voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag volgens onderstaande procedure.

Groep 1: ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag (niet-KOT-peuters):

Ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag betalen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage per uur voor de peuter die deelneemt aan de voorschoolse basisvoorziening VVE van 8, 12 of 16 uur per week aan de hand van het gezamenlijke verzamelinkomen, het daaraan verbonden percentage tegemoetkoming van het Rijk als percentage van de kosten kinderopvang (A) en het Rijksnormtarief voor dagopvang (B) volgens de kinderopvangtoeslagtabel wordt de hoogte van de ouderbijdrage als volgt bepaald: € (100% minus A) maal B per uur. Vervolgens wordt dit bedrag in mindering gebracht op het subsidiebedrag per uur dat de gemeente hanteert.

Groep 2: ouders met recht op kinderopvangtoeslag:

Ouders die recht hebben op kinderopvangtoeslag vragen deze aan voor 8, 12 of 16 uur. De houder brengt de uren per week keer het Rijksnormtarief voor dagopvang (B) volgens de kinderopvangtoeslagtabel, in rekening aan de ouders.

De gratis uren voor peuters met een VVE indicatie mogen door de ouder niet in rekening gebracht worden bij de belastingdienst (zie verder hieronder)

In het contract dat tussen houder en ouder wordt gesloten, verklaart de ouder dat in slechts één voorziening maximaal 8 gratis uren worden afgenomen, voor zover dat op de ouder van toepassing is.

Zoals hierboven aangegeven is er een onderscheid in peuters van wie de ouders recht hebben op een toeslag via de belastingdienst volgens de wet Kinderopvang (KOT-peuters) en peuters van wie de ouders hier geen recht op hebben. Daarnaast is er ook nog onderscheid in peuters met en zonder een VVE indicatie.

Voor de peuters zonder een VVE indicatie geldt een ondergrens van 2 dagdelen voorschoolse educatie en een bovengrens van 16 uur voorschoolse educatie.

Peuters met een VVE indicatie krijgen altijd een aanbod van 16 uur, verdeeld over 4 dagdelen van 4 uur verdeeld over vier dagen (gewenst) of 2 dagdelen van 6 uur en 1 dagdeel van 4 vier uur verdeeld over drie dagen. Desgewenst kan, indien sprake moet zijn van maatwerk, hiervan afgeweken worden in 3 dagdelen van 5,5 uur maar de subsidie geldt altijd voor 16 uur

VVE-peuters vanaf 2,5 jaar (KOT-/ niet-KOT-peuters) krijgen 16 uur voorschoolse educatie per week

  • *

    Niet KOT-ouders betalen hiervoor 8 uur inkomensafhankelijke ouderbijdrage, de Gemeente Groningen betaalt de overige 8 uur,

  • *

    KOT-ouders vragen voor 8 uur kinderopvangtoeslag aan, de Gemeente Groningen betaalt de overige 8 uur.

Nb. Voor KOT-peuters die al gebruik maken van reguliere kinderdagopvang, geldt dit niet. Zie hieronder.

VVE peuters die al kinderopvang hebben voordat ze 2,5 jaar worden.

Er zijn KOT -ouders die reguliere kinderopvang afnemen van wie de peuter een VVE-indicatie heeft of krijgt. Wanneer ouders al 2 dagen of 2 dagdelen kinderopvang afnemen kunnen zij wanneer hun kind 2,5 jaar wordt en een VVE indicatie krijgt respectievelijk een extra dagdeel van 4 uur (bij 2 dagen) of 6 uur (bij 2 dagdelen van 6 uur) aangeboden krijgen.

Als dit kind al 3 dagdelen komt, dan is dat (bij minimaal 16 uur) uur per week voldoende voor VVE en worden geen extra VVE uren aangevraagd. Bij 1 dag kinderopvang zouden er nog max. 2 dagdelen van 4 uur VVE bijkomen.

Gratis uren en aanvraag toeslag:

WKO-ouders van kinderen die een VVE indicatie krijgen kunnen voor de gratis uren (maximaal 8) die de Gemeente Groningen wil bieden geen kinderopvangtoeslag aanvragen. Dit is wettelijk niet toegestaan. De belastingdienst stelt een inkomensafhankelijke bijdrage voor alle uren verplicht. Deze uren komen derhalve volledig voor rekening van de Gemeente Groningen. De instellingen sturen deze ouders een factuur van minimaal 8 uur.

  • 1.

    Niet-KOT-peuters zonder VVE indicatie krijgen vanaf 2 jaar minimaal 2 dagdelen van 4 uur (8 uur) en maximaal 16 uur voorschoolse educatie verdeeld over de 3 dagen in de week aangeboden en betalen hiervoor een inkomensafhankelijke ouderbijdrage.  

  • 2.

    KOT-peuters zonder VVE indicatie krijgen vanaf 2 jaar minimaal 2 dagdelen van 4 uur (8 uur) en maximaal 16 uur voorschoolse educatie aangeboden, verdeeld over de 3 dagen in de week en betalen hiervoor een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Zij vragen hiervoor Kinderopvangtoeslag aan via de belastingdienst.

NB Ouders die over willen stappen naar meer dagdelen uur betalen naar rato ook meer ouderbijdrage. Met ouders die minder willen afnemen maakt de instelling gepaste afspraken

 

Voorrangsregels

Een instelling spant zich altijd zoveel mogelijk in om VVE geïndiceerde peuters snel te plaatsen volgens de afspraken die hierover met de JeugdGezondheidszorg zijn gemaakt.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 3:4 lid 4 onder b.

Uitvoering en Materiaalkosten VVE Thuisprogramma’s thuis

Gekoppeld aan het VVE programma dat aan de kinderen wordt aangeboden, ontvangen de ouders een ouderprogramma. Voor ouders van geïndiceerde VVE kinderen betreft dit een uitgebreider programma.

In de meeste gevallen zal het hierbij gaan om het programma VVE thuis, dat is opgenomen in de databank van het Nederlands Jeugd Instituut (NJI). Zowel scholing in dit programma als de kosten van het materiaal kunnen door de gemeente worden vergoed. We gaan er daarbij vanuit dat het programma op ‘intensieve locaties’ wordt uitgevoerd en ouders van ander locaties kunnen aanhaken. Daarbij kan samenwerking gezocht worden met het WIJ-team. Aanvragen voor scholing en materiaalkosten kunnen alleen voor het VVE thuis programma en alleen voor locaties met groepen waarvan 20% of structureel 4 kinderen een VVE indicatie hebben worden aangevraagd.