Gemeenschappelijke Regeling voor Sociale Kredietverlening en Schuldhulpverlening in Limburg

Geldend van 21-02-2005 t/m 01-06-2012

Intitulé

Gemeenschappelijke Regeling voor Sociale Kredietverlening en Schuldhulpverlening in Limburg

De colleges van burgemeester en wethouders, respectievelijk de burgemeesters van de gemeenten Brunssum, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht en Sittard-Geleen, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn;

Overwegende dat de gemeenten streven naar een integratie van de schuldhulpverlening en een doelmatige samenwerking bij het uitvoeren van de bevoegdheden op grond van artikel 7 van de Wet op het consumentenkrediet;

Gelet op het bepaalde in de gemeentewet, de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Wet dualisering gemeentelijke medebewindsbevoegdheden;

Besluiten:

Vast te stellen de navolgende gewijzigde gemeenschappelijke regeling:

“Gemeenschappelijke Regeling voor Sociale Kredietverlening en Schuldhulpverlening in Limburg”.

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1
  • 1.

    In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      de wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • b.

      de regeling: deze gemeenschappelijke regeling;

    • c.

      de gemeente(n): de aan de onder b bedoelde regeling deelnemende gemeente(n);

    • d.

      gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van Limburg;

    • e.

      het algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de regeling;

    • f.

      het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de regeling;

    Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, worden in die artikelen in de plaats van de gemeente, de raad, burgemeester en wethouders, de burgemeester en de secretaris onderscheidenlijk gelezen de regeling, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter en de secretaris van de regeling.

Hoofdstuk 2 Het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam

Artikel 2

Er is een openbaar lichaam, genaamd “Kredietbank Limburg”. Het is gevestigd te Heerlen.

Hoofdstuk 3 Het doel en de taken

Artikel 3
  • 1. De regeling heeft tot doel:

    • a.

      hulp te verlenen aan burgers die door hun schuldenlast in maatschappelijke problemen zijn of kunnen komen, door middel van schuldhulpverlening;

    • b.

      hulp te verlenen aan burgers die zelf niet in staat zijn hun financiële zaken te behartigen, hetzij door middel van budgetbeheer, hetzij door middel van beschermingsbewind;

    • c.

      het op een verantwoorde wijze voorzien in de behoefte aan krediet, door middel van sociale kredietverlening.

  • 2. De regeling tracht zijn doel te bereiken door:

    • a.

      het verrichten van hulpverlenende, bemiddelende, sanerende en voorlichtende werkzaamheden;

    • b.

      het op een maatschappelijk verantwoorde wijze verstrekken van geldleningen;

    • c.

      het verrichten van alle handelingen die met de doelstellingen verband houden of daarvoor bevorderlijk kunnen zijn.

  • 3. De regeling verricht de werkzaamheden ten behoeve van de deelnemende gemeenten en andere Limburgse gemeenten. Alvorens diensten te verrichten maakt de regeling met de betreffende gemeente afspraken over de kwantiteit en kwaliteit van de te leveren diensten en de vergoeding die hiertegenover staat.

Hoofdstuk 4 Het bestuur

§ 1

Het algemeen bestuur

Artikel 4
  • 1. De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen door de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten. Elke gemeente wijst één lid aan per elke 45.000 inwoners of een gedeelte daarvan. Tevens kunnen gemeenten plaatsvervangende leden van het algemeen bestuur aanwijzen.

  • 2. Als lid van het algemeen bestuur kunnen slechts worden aangewezen leden van het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten. Ook het plaatsvervangende lid kan slechts worden aangewezen uit het college.

  • 3. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar door of vanwege de regeling of één der gemeenten aangesteld of daaraan ondergeschikt.

  • 4. Voor de vaststelling van het aantal inwoners wordt uitgegaan van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het jaar voorafgaand aan dat waarin de zittingsperiode van het algemeen bestuur aanvangt.

Artikel 5
  • 1. De leden van het algemeen bestuur worden benoemd voor een periode van vier jaar.

  • 2. Zij treden af op het tijdstip, waarop de zittingsperiode van de colleges van burgemeester en wethouders afloopt.

  • 3. De colleges van burgemeester en wethouders wijzen binnen een maand na de aanvang van de zittingsperiode van de nieuwe colleges van burgemeester en wethouders opnieuw de leden aan van het algemeen bestuur. Aftredende leden kunnen met inachtneming van het bepaalde in artikel 4 lid 2 van de regeling opnieuw als lid worden aangewezen.

  • 4. De leden van het algemeen bestuur, aftredende ingevolge het bepaalde in het tweede lid, blijven als zodanig fungeren totdat door de colleges van burgemeester en wethouders opnieuw de leden van het algemeen bestuur zijn aangewezen. In de vergaderingen van het algemeen bestuur kunnen gedurende het in de vorige volzin bedoelde tijdvak geen besluiten worden genomen over het vaststellen van de begroting, het vaststellen van de rekening, alsmede over het wijzigen of opheffen van de regeling.

  • 5. Het verlies van de kwaliteit van burgemeester of wethouder doet het lidmaatschap van het algemeen bestuur van rechtswege ophouden.

  • 6. Indien tussentijds een zetel van een lid van het algemeen bestuur vacant komt, wijst het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente in zijn eerstvolgende vergadering een nieuw lid aan.

  • 7. Van elke aanwijzing tot lid van het algemeen bestuur geven burgemeester en wethouders van de gemeente die het aangaat, onverwijld kennis aan de voorzitter van de regeling.

Artikel 6
  • 1. Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste twee maal en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig acht en voorts indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit het algemeen bestuur bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.

  • 2. Elk lid van het algemeen bestuur heeft in de vergadering één stem.

  • 3. Datum, tijdstip en plaats van een vergadering van het algemeen bestuur worden door de voorzitter bekend gemaakt door middel van een publicatie in ten minste twee regionaal verschijnende dagbladen.

Artikel 7

De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. Artikel 23, 24 en 25 van de Gemeentewet zijn overeenkomstig van toepassing.

Artikel 8

Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast. Het reglement van orde wordt aan gedeputeerde staten en aan de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten medegedeeld.

§ 2

Het dagelijks bestuur

Artikel 9
  • 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit: de voorzitter en ten hoogste 5 leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen, met dien verstande dat geen van de gemeenten op deze wijze met meer dan één lid is vertegenwoordigd. Het verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur doet het lidmaatschap van het dagelijks bestuur van rechtswege ophouden. De leden van het dagelijks bestuur zijn lid van het college van burgemeester en wethouders in de gemeente die zij vertegenwoordigen.

  • 2. Indien naar het oordeel van het algemeen bestuur vanwege de bijzondere deskundigheid zulks wenselijk is, kan in afwijking van het gestelde in lid 1 het algemeen bestuur bovendien ten hoogste twee leden van het dagelijks bestuur benoemen buiten de kring van het algemeen bestuur. Dit lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar door of vanwege de regeling of één der gemeenten aangesteld of daaraan ondergeschikt.

  • 3. Het algemeen bestuur benoemt zo spoedig mogelijk na de aanvang van elke nieuwe zittingsperiode de voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur. Het verlies van de kwaliteit van burgemeester of wethouder doet het lidmaatschap van het dagelijks bestuur van rechtswege ophouden.

  • 4. De door het algemeen bestuur benoemde leden van het dagelijks bestuur treden als lid van het bestuur af op de dag waarop de zittingsperiode van de leden van het algemeen bestuur afloopt. Zij zijn dadelijk weer herkiesbaar.

  • 5. De leden van het dagelijks bestuur, aftredend in gevolge het bepaalde in het vorige lid, blijven als lid van het dagelijks bestuur fungeren totdat nieuw benoemde leden hun benoeming hebben aanvaard, tenzij het algemeen bestuur anders beslist.

  • 6. Indien tussentijds de plaats van een lid van het dagelijks bestuur vacant komt, benoemt het algemeen bestuur in de eerstvolgende vergadering een nieuw lid.

Artikel 10
  • 1. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of twee leden dit nodig oordelen.

  • 2. De artikelen 52 tot en met 60 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Elk lid van het dagelijks bestuur heeft in de vergadering één stem.

§ 3

De voorzitter

Artikel 11
  • 1. Het algemeen bestuur benoemt een voorzitter, die tevens lid is van het college van burgemeester en wethouders van een der gemeenten.

  • 2. De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur.

  • 3. Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt hij vervangen door een lid, door en uit het dagelijks bestuur aan te wijzen.

§ 4

De commissies

Artikel 12

Het algemeen bestuur kan besluiten commissies met adviserende bevoegdheden in te stellen. Het stelt alsdan een verordening vast, regelende de samenstelling en werkwijze van deze commissies.

Artikel 13
  • 1. Onverminderd het gestelde in artikel 12 stelt het algemeen bestuur een commissie met adviserende bevoegdheden in ten aanzien van de financiën van de regeling.

  • 2. Het algemeen bestuur benoemt, uit het dagelijks bestuur, de voorzitter van de commissie financiën. Het secretariaat van de commissie is opgedragen aan de directie. De directie is in de vergaderingen van de commissie aanwezig en heeft daarin een raadgevende stem.

  • 3. Het dagelijks bestuur benoemt de gewone leden van de commissie financiën. Bij samenstelling van de commissie wordt als uitgangspunt genomen, dat er in de commissie ruime deskundigheid aanwezig moet zijn op de navolgende gebieden:

    • a.

      financieel-bancair gebied;

    • b.

      overheidsfinanciën;

    • c.

      de inrichting en het beheer van de financiële administratie;

    • d.

      treasury.

    Het lidmaatschap van de commissie financiën is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar door of vanwege de regeling aangesteld of daaraan ondergeschikt.

§ 5

Vergoedingen

Artikel 14

De leden van het algemeen bestuur, van het dagelijks bestuur, de commissies en de voorzitter kunnen een tegemoetkoming in de kosten en – voor zover zij niet de functie van burgemeester of wethouder vervullen – een vergoeding voor hun werkzaamheden ontvangen. Het algemeen bestuur stelt de bedragen van de vergoeding en de tegemoetkoming op jaarbasis vast en brengt deze ter kennis van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten.

§ 6

De secretaris, overige directieleden en het overig personeel

Artikel 15
  • 1. Met de dagelijkse leiding van de regeling is belast een secretaris, die benoemd, geschorst en ontslagen wordt door het algemeen bestuur. Voor zover dat in het zakelijk verkeer dienstig is, voert de secretaris de titel van algemeen directeur.

  • 2. Voor hem stelt het algemeen bestuur een instructie vast, waarin tevens zijn vervanging is geregeld.

  • 3. Hij heeft de leiding van en verantwoordelijkheid voor het functioneren van het ambtelijk apparaat en de daarin werkzame personen.

  • 4. De secretaris staat het algemeen en dagelijks bestuur, de voorzitter en de commissies als bedoeld in artikel 12 bij de uitvoering van hun taak ter zijde.

  • 5. Hij is in de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur aanwezig en heeft daarin een raadgevende stem.

  • 6. Hij is secretaris van het algemeen en dagelijks bestuur. Door hem worden alle stukken, die van het algemeen en dagelijks bestuur uitgaan, mede ondertekend.

Artikel 16

De directie kan naast de secretaris/algemeen directeur ook nog bestaan uit door het Algemeen bestuur te benoemen overige directieleden.

Artikel 17
  • 1. Het algemeen bestuur regelt de bezoldiging van de secretaris, de overige directieleden en van de overige ambtenaren van de regeling, alsmede van het personeel, werkzaam op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

  • 2. Het algemeen bestuur regelt de rechtspositie van de secretaris, de overige directieleden en van het overige personeel van de regeling, met dien verstande dat op hen van toepassing zijn de rechtspositie en de overige arbeidsvoorwaarden, geldend voor het personeel van de gemeente Maastricht, tenzij door het algemeen bestuur anders wordt bepaald.

Hoofdstuk 5 De bevoegdheden en taken van het bestuur

Artikel 18
  • 1. Aan de regeling worden ten behoeve van de behartiging van de in artikel 3 lid 2 van de regeling vermelde taken dezelfde bevoegdheden toegekend, welke de gemeenten terzake hebben.

  • 2. In het bijzonder mandateren de deelnemende gemeenten de bevoegdheid als bedoeld in artikel 285 van de Faillissementswet aan deze regeling.

§ 1

Het algemeen bestuur

Artikel 19
  • 1. Aan het algemeen bestuur behoort alle bevoegdheid, die niet bij of krachtens de regeling is opgedragen aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter.

  • 2. Het algemeen bestuur is bevoegd binnen de in artikel 3 omschreven doelstelling samenwerkingsovereenkomsten met derden aan te gaan.

§ 2

Het dagelijks bestuur

Artikel 20
  • 1. Tot de taak van het dagelijks bestuur behoort, voor zover niet aan anderen opgedragen:

    • a.

      het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ten overweging en beslissing wordt voorgelegd;

    • b.

      het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;

    • c.

      het beheer van de inkomsten en de uitgaven van de regeling;

    • d.

      de zorg voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

    • e.

      het nemen van alle maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht of bezit;

    • f.

      het benoemen dan wel tewerkstellen op arbeidsovereenkomst en het schorsen en ontslaan van personeel in dienst van de regeling, een en ander voor zover het algemeen bestuur zich de desbetreffende bevoegdheid niet heeft voorbehouden of bij deze regeling niet anders is bepaald;

    • g.

      de organisatie van het ambtelijke apparaat;

    • h.

      het beheer en onderhoud van alle werken, verrichtingen en eigendommen van de regeling;

    • i.

      het houden van een gedurig toezicht op al wat de regeling aangaat.

§ 3

De voorzitter

Artikel 21
  • 1. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur.

  • 2. Hij is belast met de uitvoering van de besluiten van het dagelijks bestuur.

  • 3. De voorzitter vertegenwoordigt de regeling in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen.

§ 4

De commissie financiën

Artikel 22

De commissie financiën adviseert het algemeen en dagelijks bestuur en de voorzitter, gevraagd en ongevraagd over al wat de financiën van de regeling betreft. De commissie is bevoegd haar adviezen ter kennis van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten te brengen.

Hoofdstuk 6 Inlichtingen, verantwoording en terugroeping

Artikel 23

De besturen van de gemeenten verstrekken op verzoek van het algemeen of dagelijks bestuur de benodigde inlichtingen en geven de medewerking, die voor de vervulling van de taken van de regeling nodig is.

Artikel 24
  • 1. De leden van het dagelijks bestuur zijn tezamen en ieder afzonderlijk aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2. Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie, die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is. Deze informatie wordt verstrekt tijdens de vergaderingen van het algemeen bestuur en van door dit orgaan ingestelde commissies.

  • 3. Zij geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen. Deze inlichtingen worden, behoudens strijdigheid met het algemeen belang, zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden in een vergadering van het algemeen bestuur of schriftelijk verstrekt.

  • 4. Artikel 49 en 50 van de gemeentewet zijn van toepassing.

  • 5. De leden 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.

Artikel 25
  • 1. Het algemeen en dagelijks bestuur verstrekt aan de colleges van burgemeester en wethouders, almede aan de raden van de gemeenten de door een of meer leden van die colleges dan wel raden gevraagde inlichtingen schriftelijk en zo spoedig mogelijk, voor zover dat niet strijdig is met het algemeen belang.

  • 2. Het algemeen bestuur verstrekt de inlichtingen binnen twee maanden, het dagelijks bestuur en de voorzitter binnen één maand.

Artikel 26
  • 1. Een lid van het algemeen bestuur verschaft het college van burgemeester en wethouders, alsmede de raad van zijn gemeente alle inlichtingen, die door deze raad en/of dit college, of een of meer leden daarvan, worden verlangd. Deze inlichtingen worden, behoudens strijdigheid met het algemeen belang, zo spoedig mogelijk doch in ieder geval binnen twee maanden verstrekt.

  • 2. Een lid van het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid aan het college van burgemeester en wethouders die hem als lid heeft aangewezen, alsmede aan de raad van zijn gemeente waaruit hij afkomstig is voor zover zulks niet is strijd is met het algemeen belang.

  • 3. Vervallen

Hoofdstuk 7 De administratie

Artikel 27
  • 1. Het algemeen bestuur stelt voorschriften vast met betrekking tot de inrichting van de financiële administratie, het geldelijk beheer en de boekhouding van de regeling en brengt deze ter kennisname van het college van gedeputeerde staten.

  • 2. De bepalingen in Titel IV van de gemeentewet en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28
  • 1. Het dagelijks bestuur maakt jaarlijks een ontwerpbegroting van inkomsten en uitgaven op, welke voorzien is van een toelichting.

  • 2. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting uiterlijk op 1 april van het jaar voorafgaande aan het jaar, waarop de begroting betrekking heeft, toe aan de raden van de gemeenten, die vervolgens binnen twee maanden na ontvangst ter zake het dagelijks bestuur van hun gevoelen kunnen doen blijken; een en ander overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 van de wet.

  • 3. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, met alle bijbehorende stukken aan de gemeenten en gedeputeerde staten.

Artikel 29
  • 1. Er is een afzonderlijke rekening “risicofonds”. Van de opbrengst lenersvergoedingen zal door het algemeen bestuur jaarlijks een percentage worden vastgesteld voor de reservering ten gunste van het “risicofonds”. Ten laste van deze rekening worden gebracht de door de bank geleden verliezen wegens door het algemeen bestuur vast te stellen afschrijving op de geldleningen.

  • 2. De directie verstrekt binnen een maand na afloop van ieder kalenderkwartaal aan het dagelijks bestuur een totaaloverzicht van de stand van de uitstaande leningen. Daarbij wordt aangegeven, met vermelding der redenen, welke posten als oninbaar moeten worden beschouwd en in aanmerking komen voor afschrijving ten laste van de rekening “risicofonds”.

Artikel 30
  • 1. Het batig saldo van de verlies- en winstrekening van de bank wordt op de in artikel 29 bedoelde rekening “risicofonds” geboekt.

  • 2. Bedraagt het saldo van de rekening “risicofonds” vóór de in lid 1 bedoelde bijboeking meer dan een door het algemeen bestuur vast te stellen percentage van het uitstaand kapitaal, dan wordt het batig saldo in lid 1 bedoeld geboekt op een afzonderlijke reserverekening.

  • 3. Indien er voor zover de in het vorig lid bedoelde reserverekening een door het algemeen bestuur te bepalen bedrag overschrijdt, wordt het batig saldo in lid 1 bedoeld uitgekeerd aan de gemeenten op de basis, vermeld in lid 5.

  • 4. Een eventueel tekort volgens de verlies- en winstrekening van de bank wordt, voor zover het niet van de in lid 2 bedoelde reserverekening kan worden afgeschreven, door de gemeenten vergoed.

  • 5. Door de gemeenten wordt in de vergoeding, in het vorige lid bedoeld, bijgedragen als volgt:

    • a.

      in de helft van het totaal te vergoeden bedrag naar verhouding van het bevolkingscijfer van elke gemeente tot het totale bevolkingscijfer van alle deelnemende gemeenten. Artikel 4 lid 4 is overeenkomstig van toepassing.

    • b.

      in de overige helft naar verhouding van het totaalbedrag van de aan de inwoners van elke gemeente in het jaar, waarop de vergoeding betrekking heeft, uitstaande kredieten, tot het totaalbedrag van de aan de inwoners van alle gemeenten gedurende hetzelfde jaar uitstaande kredieten, beiden per 1 januari van dat jaar.

  • 6. De gemeenten betalen de in lid 5 bedoelde bijdrage binnen 3 maanden na vaststelling van de rekening, als bedoeld in artikel 31 lid 2.

  • 7. Bij niet-tijdige betaling van de in lid 6 bedoelde bijdrage zal rente verschuldigd zijn gelijk aan de debetrente in rekening-courant, die de N.V. Bank voor Nederlandse Gemeenten alsdan aan zijn relaties in rekening brengt.

Artikel 31
  • 1. Het dagelijks bestuur legt aan het algemeen bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording af over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag. Het dagelijks bestuur voegt daarbij de accountantsverklaring.

  • 2. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgend op het begrotingsjaar. De jaarrekening betreft alle baten en lasten van de regeling.

  • 3. De vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot decharge behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden.

  • 4. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, doch in elk geval vóór 15 juli van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, met alle bijbehorende stukken aan de gemeenten en gedeputeerde staten.

  • 5. Artikel 197 tot en met 201 van de Gemeentewet zijn overeenkomstig van toepassing.

Artikel 32
  • 1. De gemeenten waarborgen de betaling van rente, aflossing en kosten voor de door de regeling aangegane geldleningen en op te nemen gelden in rekening-courant, onder het doen van afstand van de voorrechten, die de wet borgen toekent, zulks in verhouding tot het inwonertal van elk van de gemeenten. Artikel 4 lid 4 is overeenkomstig van toepassing.

Artikel 33
  • 1. De bepalingen van de Archiefwet 1995 en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsvoorschriften, voor zover deze betrekking hebben op de archiefbescheiden van de gemeenten, zijn van overeenkomstige toepassing op de regeling.

  • 2. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden.

  • 3. Het dagelijks bestuur wijst de functionaris aan, die belast is met het beheer van de archiefbescheiden overeenkomstig de regels, die hiervoor bij de gemeente Heerlen gelden.

  • 4. De gemeentearchivaris van Heerlen oefent overeenkomstig de voor hem vastgestelde regelen toezicht uit op het beheer van de archiefbescheiden.

  • 5. Bij opheffing van de regeling worden alle archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de gemeente Heerlen.

Hoofdstuk 8 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 34
  • 1. Voor toetreding tot deze regeling kan worden volstaan met een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de toetredende gemeente, mits het algemeen bestuur in die toetreding bewilligt. Een daartoe strekkend besluit kan slechts worden genomen met een meerderheid van twee/derde van het aantal leden van het algemeen bestuur.

  • 2. De toetreding gaat in op de eerste dag van de maand, volgend op die, waarin de besluiten daartoe, zijn opgenomen in de registers als bedoeld in artikel 27 lid 2 van de wet, tenzij de besluiten een andere datum aangeven.

  • 3. In het besluit van het algemeen bestuur als bedoeld in lid 1 kan de toetreding tot de regeling afhankelijk worden gesteld van het voldoen aan bepaalde voorwaarden door de betrokken gemeente.

Artikel 35
  • 1. Een gemeente kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van daartoe strekkende besluiten van haar bestuursorganen.

  • 2. Het algemeen bestuur regelt, na overleg met de betrokken gemeente, de financiële en andere gevolgen van de uittreding.

  • 3. De uittreding kan, behoudens door het algemeen bestuur toegestane afwijking, niet eerder plaatsvinden dan op 1 januari van het tweede jaar volgend op dat, waarin de in lid 1 bedoelde besluiten, zijn opgenomen in de registers als bedoeld in artikel 27 lid 2 van de wet.

Artikel 36
  • 1. De regeling kan worden gewijzigd, indien de bestuursorganen van tenminste drie/vierde van de gemeenten daartoe besluiten.

  • 2. De wijziging treedt in werking met ingang van de dag volgend op die, waarop de besluiten daartoe, zijn opgenomen in de registers als bedoeld in artikel 27 lid 2 van de wet.

Artikel 37
  • 1. De regeling wordt opgeheven, indien de bestuursorganen van tenminste drie/vierde van de gemeente daartoe besluiten.

  • 2. De opheffing gaat in op de dag, volgend op die, waarop de besluiten zijn opgenomen in de registers als bedoeld in artikel 27 lid 2 van de wet.

  • 3. Ingeval van opheffing van de regeling stelt het algemeen bestuur, de gemeenten gehoord, een liquidatieplan vast, waarin in elk geval ook een regeling ten aanzien van het personeel van de regeling wordt opgenomen. In het liquidatieplan kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken.

  • 4. Vervallen

  • 5. Zonodig blijven de bestuursorganen van de regeling ook na de ingangsdatum van de opheffingsbesluiten in functie, totdat de liquidatie is beëindigd.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 38

Vervallen

Artikel 39

Vervallen

Artikel 40

In alle gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur, zoveel mogelijk analoog aan of in de geest van de bepalingen van de gemeentewet en de wet.

Artikel 41
  • 1. Vervallen

  • 2. Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

  • 3. Vervallen

  • 4. Deze regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling voor Sociale Kredietverlening en Schuldhulpverlening in Limburg”.