Wadloopverordening provincie Groningen 1996

Geldend van 12-11-2005 t/m 31-12-2019

Intitulé

Wadloopverordening provincie Groningen 1996

Provinciale Staten van Groningen:

 

Gelezen de voordracht van Gedeputeerde Staten van 26 september 1995, nummer 95/15.446, RG en de aanvullende voordracht van 5 december 1995, nummer 95/19.858, RG; Gelet op de bepalingen van de Provinciewet;

 

BESLUITEN:

 

I. 1. de Wadloopverordening Groningen 1983 in te trekken en 2. vast te stellen de volgende verordening:

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • Waddenzee: het gebied, zoals aangegeven op de kaart met toelichting bij de Nota Waddenzee (Deel 4: tekst van de planologische kernbeslissing zoals deze luidt na vaststelling door de Tweede en Eerste Kamer), voorzover ingedeeld bij de provincie Groningen.

  • Platen en kwelders: die gedeelten van de Waddenzee die bij gemiddeld laag water geheel of grotendeels droogvallen;

  • Wadlooptocht: het zich, al dan niet in groepsverband, te voet op de platen of kwelders begeven of bevinden, of het zich verzamelen op het vasteland of de eilanden, voorafgaand aan het zich begeven op de platen of kwelders.

Artikel 2

  • 1 Toepassing van deze verordening dient te geschieden in het belang van de veiligheid van degenen die zich te voet op de platen en/of kwelders begeven of bevinden.

  • 2 Toepassing van deze verordening kan mede geschieden in het belang van het voorkomen of beperken van schade aan de landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden van de Waddenzee.

Artikel 3

  • 1 Een ieder die zich, al dan niet in groepsverband, te voet op de platen of kwelders begeeft of bevindt, wordt geacht voldoende maatregelen te hebben genomen voor de veiligheid van zichzelf.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid van dit artikel geldt tevens voor degene die derden meeneemt voor een wadlooptocht.

Artikel 4

Het houden van een wadlooptocht is verboden, behoudens het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 7.

Artikel 5

Het in artikel 4 omschreven verbod geldt niet voor:

  • a.

    de deelnemers aan een wadlooptocht, georganiseerd door een rechtspersoon, die in het bezit is van een daartoe door Gedeputeerde Staten verstrekte vergunning (A-vergunning), alsmede de personen die door de houder van genoemde vergunning schriftelijk zijn gemachtigd tot het leiden van een wadlooptocht, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 9, 12 en 13;

  • b.

    de deelnemers aan een wadlooptocht, georganiseerd door een natuurlijk persoon die in het bezit is van een daartoe door Gedeputeerde Staten verstrekte vergunning (B-vergunning), alsmede de vergunninghouder zelf;

  • c.

    de natuurlijke persoon, die op basis van een door Gedeputeerde Staten verstrekte vergunning (C-vergunning) individueel of samen met andere vergunninghouders als bedoeld in dit lid een wadlooptocht mag houden;

  • d.

    hen die zich uit hoofde van hen toegestane werkzaamheden noodzake- lijkerwijs op de Waddenzee bevinden;

  • e.

    de opvarende of opvarenden van een drooggevallen of een voor anker liggende boot die zich op dezelfde plaat of kwelder als de boot bevindt of bevinden en zij met ten hoogste zeven personen zijn, en mits zij terugkeren aan boord van de boot, of:

  • f.

     de opvarenden van een drooggevallen of een voor anker liggende boot die zich op dezelfde plaat of kwelder als de boot bevinden en zij binnen een straal van 500 meter van de boot blijven indien zij met acht of meer personen zijn;

  • g.

    hen die alleen of in een groep van minder dan acht personen vanaf de vastelandkust of vanaf een eiland een aan deze kust of dat eiland grenzende plaat of kwelder betreden teneinde een recreatieve activiteit te ondernemen met een strikt lokaal karakter zoals handmatig pierensteken, peuren, beoefenen zeehengelsport en dergelijke.

Artikel 6

  • 1 Van het in artikel 4 omschreven verbod kunnen Gedeputeerde Staten een ontheffing verlenen aan hen die deelnemen of leiding geven aan wadlooptochten georganiseerd door instellingen die excursies met een uitgesproken educatief karakter organiseren, en deze tochten beperkt blijven tot door Gedeputeerde Staten aan te wijzen gebieden.

  • 2 Gedeputeerde Staten verbinden voorschriften aan de in het eerste lid bedoelde ontheffing. De voorschriften hebben betrekking op de veiligheid van de deelnemers en de bescherming van natuurwaarden.

Artikel 7

  • 1 Een vergunningaanvraag dient vòòr een door Gedeputeerde Staten te bepalen datum bij de Stuurgroep Waddenprovincies te zijn ingediend. Na die datum ingekomen aanvragen worden geacht te zijn ingediend voor het daarop volgende wadloopseizoen.

  • 2  De aanvrager legt daarbij alle bescheiden over en verstrekt desgewenst alle inlichtingen, die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voor een beoordeling van de aanvraag noodzakelijk zijn. Indien de aanvrager een rechtspersoon is, dient deze in ieder geval over te leggen:

    • a.

      de statuten;

    • b.

      een overzicht van personen als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder a en hun staat van dienst als wadloopgids over de afgelopen vijf jaar;

    • c.

      een overzicht van de aanwezige hulp- en reddingsmiddelen.

Artikel 8

  • 1 Alvorens op de aanvraag te beslissen, winnen Gedeputeerde Staten het advies in van een commissie van deskundigen.

  • 2 De leden van deze commissie worden benoemd door Gedeputeerde Staten. Zij worden zoveel mogelijk aangezocht uit de kring van personen die, vanwege hun bijzondere betrokkenheid bij het wadlopen, geacht kunnen worden een ter zake kundig oordeel te geven, en uit de kring van personen die geacht kunnen worden deskundig te zijn op het gebied van de bescherming van landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden.

  • 3 Gedeputeerde Staten stellen nadere regels omtrent de samenstelling en de werkzaamheden van de commissie.

Artikel 9

De vergunning wordt niet verleend indien:

  • 1.

    ten aanzien van natuurlijke personen:

    • a.

      blijkt dat de aanvrager de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt;

    • b.

      blijkt dat de aanvrager, de in artikel 8 bedoelde commissie gehoord, niet over voldoende ervaring beschikt in het leiden van wadlooptochten;

    • c.

      de aanvrager niet over hulp- en reddingsmiddelen beschikt;

  • 2.

    ten aanzien van rechtspersonen:

    • a.

      de aanvrager niet kan aantonen dat de in artikel 5 onder a bedoelde personen over voldoende ervaring beschikken in het leiden van wadlooptochten;

    • b.

      de aanvrager niet over voldoende hulp- en reddingsmiddelen beschikt;

  • 3.

    de in artikel 2, tweede lid bedoelde landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden dreigen te worden geschaad of verstoord.

Artikel 10

De machtiging als bedoeld in artikel 5, onder a, kan worden verleend indien de te machtigen persoon in ieder geval de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

Artikel 11

De vergunning onderscheidenlijk machtiging voor het leiden van een wadloop-tocht als bedoeld in artikel 5 onder a en b mag voor dezelfde wadlooptocht niet worden gebruikt in combinatie met een andere vergunning onderscheidenlijk machtiging voor het leiden van een wadlooptocht als bedoeld in artikel 5 onder a en b.

Artikel 12

  • 1 De vergunningen en ontheffingen worden voor maximaal drie jaar verleend.

  • 2 Gedeputeerde Staten verbinden voorschriften aan de vergunning in het belang van de veiligheid van de deelnemers aan een wadlooptocht.

  • 3 Gedeputeerde Staten kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden in het belang van de in artikel 2, tweede lid genoemde landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden.

  • 4 De vergunninghouder, die zich niet aan een aan de vergunning verbonden voorschrift houdt, wordt geacht zonder vergunning te handelen.

  • 5 Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de vereiste ervaring die benodigd is om in aanmerking te komen voor een vergunning onderscheidenlijk machtiging.

Artikel 13

  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van aantallen deelnemers aan wadlooptochten, alsmede aan plaatsen waar, dagen en tijden waarop en doeleinden waarvoor wadlooptochten worden toegestaan.

  • 2 Wadlooptochten zullen niet eerder een aanvang nemen dan drieëneenhalf uur vóór lokaal laagwater, en zullen volgens plan worden beëindigd niet later dan twee uur na lokaal laagwater, tenzij lokale omstandigheden zich tegen deze uiterste vertrek- en aankomsttijden verzetten.

Artikel 14

  • 1 Gedeputeerde Staten kunnen de vergunning intrekken indien:

    • a.

      het belang van de veiligheid van het wadlopen dit naar het oordeel van Gedeputeerde Staten vordert;

    • b.

      de vergunninghouder niet meer aan één of meer vereisten voor verlening van de vergunning voldoet;

    • c.

      de vergunninghouder zich aan één of meer aan de vergunning verbonden voorschriften niet heeft gehouden;

    • d.

      bij of in verband met het aanvragen van een vergunning onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt zonder welke handelwijze niet tot het verlenen van de vergunning zou zijn overgegaan;

    • e.

      het belang van de in artikel 2, tweede lid genoemde landschappelijke of natuurwetenschappelijke waarden dit vordert.

  • 2 Gedeputeerde Staten gaan hiertoe niet over dan nadat zij de vergunning- houder in de gelegenheid hebben gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en nadat zij advies van de in artikel 8 bedoelde commissie hebben ingewonnen.

Artikel 15

Gedeputeerde Staten kunnen te allen tijde de vergunning schorsen, indien zij een redelijk vermoeden hebben dat één of meer feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 14 zich voordoen.

Artikel 15a

Een commissie voor de behandeling van bezwaarschriften van de provincie Fryslân adviseert over bezwaren tegen besluiten van Gedeputeerde Staten tot het verlenen, weigeren, wijzigen, schorsen of intrekken van een vergunning of een ontheffing.

Artikel 16

  • 1 Gedeputeerde staten kunnen één of meer toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht aanwijzen.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde toezichthouders zijn belast met het toezicht op de naleving van de in of krachtens deze verordening gegeven regels.

Artikel 17

Overtreding van de artikelen 3 en 4 of van hetgeen krachtens deze verordening is geregeld, wordt bestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 18

De houders van een vergunning als bedoeld in artikel 2 onder c van de "Wadloopverordening Friesland 1983" onderscheidenlijk "Wadloopverordening Groningen 1983" worden geacht te voldoen aan de eisen van de "Wadloopverordening provincie Friesland 1996" respectievelijk "Wadloopverordening provincie Groningen 1996".

Artikel 19

Deze verordening kan worden aangehaald als "Wadloopverordening provincie Groningen 1996".

Ondertekening

II. te bepalen, dat dit besluit in werking treedt met ingang van 1 januari 1996.    
Groningen,
 
Provinciale Staten voornoemd:
, voorzitter.
 
, griffier.