Monumentenverordening Den Haag

Geldend van 08-03-2006 t/m 30-09-2010

Intitulé

Monumentenverordening Den Haag

HOOFDSTUK I Begripsomschrijvingen

Artikel 1

Deze verordening verstaat onder:

1.

Monumenten:

a.

zaken en terreinen, welke van algemeen belang zijn voor de gemeente Den Haag wegens hun schoonheid, hun architectuurhistorische en stedenbouwkundige waarde, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde;

b.

terreinen, welke van algemeen belang zijn voor de gemeente Den Haag wegens daar aanwezige zaken als bedoeld onder a.

2.

Gemeentelijk monumentenregister:

het register, waarin zijn vermeld de overeenkomstig deze verordening beschermde monumenten.

3.

a.

Beschermde gemeentelijke monumenten: monumenten, welke zijn vermeld in het gemeentelijk monumentenregister.

b.

Beschermde rijksmonumenten: onroerende monumenten, die zijn ingeschreven in de ingevolge de Monumentenwet vastgestelde registers.

4.

Kerkelijke monumenten:

monumenten, welke eigendom zijn van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling en welke uitsluitend of voor een overwegend deel worden gebruikt voor de uitoefening van de eredienst. Onder kerkelijk wordt ook verstaan levensbeschouwelijk in een ruime betekenis van het woord.

5.

Eigenaren:

a.

degenen, die, voorzover het onroerende monumenten betreft, in de kadastrale registers als eigenaren en zakelijk gerechtigden van een monument zijn ingeschreven;

b.

degenen, die voorzover het roerende monumenten betreft, naar burgerlijk recht als zodanig aan te merken zijn.

6.

Stadsgezichten:

groepen van onroerende zaken, hieronder begrepen bomen, wegen, straten, pleinen en bruggen, grachten, vaarten, sloten en andere wateren, welke een beeld vormen, dat van algemeen belang is voor de gemeente Den Haag wegens de schoonheid of het karakter van het geheel.

7.

Gemeentelijke lijst van stadsgezichten:

de lijst waarop zijn vermeld de overeenkomstig deze verordening beschermde stadsgezichten.

8.

Beschermde stadsgezichten:

stadsgezichten, welke zijn vermeld op de gemeentelijke lijst van stadsgezichten.

9.

Monumentencommissie:

de door het college ingestelde commissie die adviseert op het gebied van de monumentenzorg als bedoeld in artikel 15, eerste lid van de Monumentenwet 1988 en in het kader van deze verordening.

10.

Archeologische lijst:

de lijst, waarop zijn vermeld de overeenkomstig deze verordening beschermde archeologisch belangrijke plaatsen.

11.

Archeologisch belangrijke plaatsen:

(groepen van) onroerende zaken en zich daarin bevindende roerende zaken, die door hun ligging en geschiedenis van archeologisch belang zijn.

12.

Door de gemeente beschermde archeologisch belangrijke plaatsen:

plaatsen, die zijn vermeld op de archeologische lijst.

HOOFDSTUK II de bescherming van monumenten; samenstelling monumentenregister

Artikel 2

Burgemeester en wethouders nemen met betrekking tot kerkelijke monumenten geen besluit ingevolge deze verordening dan na overleg met de betrokken eigenaar.

Artikel 3

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen een monumentenregister samen en houden het bij.

  • 2. Bij de vaststelling van het register geven burgemeester en wethouders aan of een in het monumentenregister in te schrijven monument geheel dan wel alleen voor met name omschreven onderdelen onder de werking van deze verordening valt, de reden van inschrijving in het register, alsmede-indien het een onroerend goed betreft-de kadastrale tenaamstelling en aanduiding van het monument.

Artikel 4

  • 1. Monumenten, welke zijn ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 6 der Monumentenwet 1988, worden door burgemeester en wethouders niet in het gemeentelijk monumentenregister ingeschreven.

  • 2. Monumenten, welke na inschrijving in het gemeentelijk monumentenregister worden ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 6 der Monumentenwet 1988, worden door burgemeester en wethouders uitgeschreven uit het gemeentelijk monumentenregister.

Artikel 5

  • 1. Burgemeester en wethouders geven, gehoord de monumentencommissie, behoudens in spoedeisende gevallen, van een voornemen tot inschrijving in het monumentenregister kennis aan de betrokken eigenaren. Van deze kennisgevingen zenden zij een afschrift aan de monumentencommissie en de Dienst Bouwen en Wonen.

  • 2. De betrokken eigenaren kunnen binnen zes weken na de datum van verzending der kennisgeving bedoeld in het eerste lid bij burgemeester en wethouders hun bezwaren indienen.

  • 3. Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijn bedoeld in het tweede lid geven burgemeester en wethouders een beschikking - gehoord de in het gebied, waar het monument is gelegen, werkzame bewonersorganisatie - of al dan niet tot inschrijving in het monumentenregister zal worden overgegaan.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen de in het derde lid bedoelde termijn met ten hoogste twaalf weken verlengen. Van deze verlenging geven zij terstond kennis aan de betrokken eigenaren.

  • 5. Burgemeester en wethouders geven in de gevallen dat:

    • -

      een bezwaarschrift is ontvangen tegen het voornemen tot inschrijving of

    • -

      de monumentencommissie niet werd gehoord voordat tot de kennisgeving van het voornemen tot inschrijving als bedoeld in het eerste lid werd overgegaan, een beschikking over de definitieve inschrijving in het monumentenregister nadat de monumentencommissie is gehoord.

  • 6. Burgemeester en wethouders dragen onverwijld zorg voor de kennisgeving van hun beschikking aan de betrokken eigenaren, de monumentencommissie, de Dienst Bouwen en Wonen en de bewonersorganisatie.

Artikel 6

  • 1. Burgemeester en wethouders schrijven een monument niet uit, uit het monumentenregister dan gehoord de in het gebied waar het monument is gelegen, werkzame bewonersorganisatie en de monumentencommissie, tenzij de uitschrijving plaatsvindt ingevolge het bepaalde in artikel 4 dan wel in de bezwaarschriftenprocedure is beslist, dat de inschrijving in het monumentenregister ten onrechte heeft plaatsgevonden.

  • 2. Burgemeester en wethouders leggen de ontwerp beschikking tot uitschrijving vier weken ter inzage, zodat belanghebbenden hun zienswijze over het ontwerp schriftelijk of mondeling naar voren kunnen brengen. Van de mondelinge inbreng wordt een verslag gemaakt.

  • 3. Burgemeester en wethouders geven van het uitschrijven van een monument uit het monumentenregister kennis aan de betrokken eigenaren en zenden een afschrift der kennisgeving aan de monumentencommissie, de dienst Bouwen en Wonen, de indieners van zienswijzen en de bewonersorganisatie.

Artikel 7

Het gemeentelijk monumentenregister ligt voor een ieder bij de afdeling monumentenzorg van de gemeente Den Haag ter inzage. Van het gemeentelijk monumentenregister wordt een exemplaar ter kennisneming toegezonden aan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, de minister, belast met de monumentenzorg en aan de 'Raad voor het Cultuurbeheer', die tevens op de hoogte worden gesteld van mutaties.

HOOFDSTUK III Rechtsgevolgen beschermde monumenten

§ 1. Algemeen.

Artikel 8

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op beschermde monumenten. Voor de toepassing van deze bepalingen worden met beschermde monumenten gelijkgesteld monumenten, ten aanzien waarvan burgemeester en wethouders hebben kennisgegeven van hun voornemen tot inschrijving in het monumentenregister en wel vanaf de datum van verzending van de kennisgeving als bedoeld in artikel 5, eerste lid, met dien verstande dat de toepasselijkheid van deze bepalingen eindigt zodra onherroepelijk vaststaat, dat niet tot inschrijving in het monumentenregister zal worden besloten.

§ 2 Verbodsbepalingen; vergunningen

Artikel 9

  • 1. Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorwaarden:

    • a.

      een beschermd onroerend monument af te breken, te verplaatsen, te verstoren of in enig opzicht te wijzigen;

    • b.

      een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht;

    • c.

      een beschermd roerend monument te vernietigen, in enig opzicht te wijzigen of te verplaatsen buiten de ruimte waar het monument thuishoort, anders dan tijdelijk voor normaal onderhoud.

Artikel 10

  • 1. Een vergunning als bedoeld in het vorige artikel wordt aangevraagd bij burgemeester en wethouders.

  • 2. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent een aanvraag om vergunning binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Zij kunnen bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen.

  • 3. Indien de aanvraag in behandeling wordt genomen, leggen burgemeester en wethouders de aanvraag bij de afdeling monumentenzorg van de gemeente Den Haag voor een ieder ter inzage. Indien in de aanvraag gegevens voorkomen of uit de aanvraag kunnen worden afgeleid, waarvan de geheimhouding met het oog op de bescherming van bedrijfsgeheimen gerechtvaardigd is, besluiten burgemeester en wethouders op een daartoe strekkend verzoek van de aanvrager dat die gegevens niet ter inzage worden gelegd. De burgemeester doet kennisgeving van de terinzagelegging op de gebruikelijke wijze en vermeldt daarbij de mogelijkheid om binnen een termijn van veertien dagen zienswijzen naar voren te brengen bij burgemeester en wethouders.

  • 4. Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het bepaalde in het tweede lid wordt de vergunning geacht te zijn verleend.

  • 5. Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning voorschriften verbinden in het belang van het monument.

  • 6. Burgemeester en wethouders beschikken ten aanzien van een aanvraag om vergunning nadat de monumentencommissie is gehoord en geven van de beschikking onverwijld kennis aan de aanvrager, de indieners van de zienswijzen, de Welstandscommissie en de Dienst Bouwen en Wonen.

  • 7. De vergunning kan voor een bepaalde tijd worden verleend.

  • 8. De werking van de vergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist. De vergunninghouder kan de president van de rechtbank, onderscheidenlijk de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzoeken de opschorting op te heffen. Titel 8.3 van de Awb is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11

Burgemeester en wethouders geven met betrekking tot een kerkelijk monument geen beschikking ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk dan na overeenstemming met de eigenaar, indien en voorzover het betreft een beschikking waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstoefeningen in dat monument in het geding zijn.

§ 3 Schadevergoeding

Artikel 12

  • 1. Indien de vergunning als bedoeld in artikel 10, tweede lid, is geweigerd of aan de vergunning voorwaarden zijn verbonden en de belanghebbende daardoor schade lijdt, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kennen burgemeester en wethouders hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

  • 2. Ten aanzien van de behandeling der aanvragen zijn de bepalingen van de Schadevergoedingsverordening 1988 van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK IV Beschermde rijksmonumenten

Artikel 13

  • 1. Burgemeester en wethouders zenden onmiddellijk een afschrift van de aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument met de ingediende zienswijzen aan de welstandscommissie na afloop van de termijn van 14 dagen, genoemd in artikel 12 lid 2 van de monumentenwet.

  • 2. De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.

  • 3. Bij overschrijding van de in lid 2 genoemde termijn wordt de welstandscommissie geacht positief te hebben geadviseerd.

HOOFDSTUK V De aanwijzing van te beschermen stadsgezichten

Artikel 14

  • 1.

    • a.

      De gemeenteraad wijst op voordracht van burgemeester en wethouders stadsgezichten aan en plaatst deze vervolgens op de gemeentelijke lijst van stadsgezichten, indien deze stadsgezichten naar zijn oordeel voor bescherming in aanmerking komen vanwege stedenbouwkundige, architectuur-historische en cultuurhistorische waarden. Deze waarden zullen worden vastgelegd in een beschermend bestemmingsplan.

    • b.

      Bij het besluit wordt bepaald of en in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend plan kunnen worden aangemerkt. De aanwijzing omvat een topografische kaart op een schaal van ten minste 1 op 1000 waarop de gebieden zijn aangegeven welke zijn aangewezen, alsmede een toelichting welke de aanwijzing motiveert.

  • 2. De gemeenteraad kan een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk intrekken en vervolgens deze stadsgezichten geheel of gedeeltelijk van de gemeentelijke lijst van stadsgezichten afvoeren. Het bepaalde in het eerste lid ten aanzien van de kaart en toelichting is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Een voordracht tot een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid of een intrekking als bedoeld in het tweede lid ligt gedurende zes weken voor een ieder ter inzage.

  • 4. De burgemeester maakt de terinzagelegging overeenkomstig artikel 3:12 lid 1 van de AWB bekend. Tevens wordt van het besluit tot aanwijzing of de intrekking van de aanwijzing mededeling gedaan in de Staatscourant en aan de Raad voor het cultuurbeheer en gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

  • 5. Binnen vierentwintig weken na het verstrijken van de in het derde lid genoemde termijn beslist de raad over een voordracht als bedoeld in het derde lid.

  • 6. Het besluit tot een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid of een intrekking als bedoeld in het tweede lid wordt voor een ieder ter inzage gelegd.

  • 7. De burgemeester geeft kennis van de ter-inzage-legging aan de Raad voor het cultuurbeheer en gedeputeerde staten van Zuid-Holland.

Artikel 15

  • 1. De bescherming van panden in de beschermde stadsgezichten is gewaarborgd door het sloopvergunningvereiste in artikel 8 van de bouwverordening.

Artikel 16

  • 1. Stadsgezichten, welke zijn aangewezen als bedoeld in artikel 35 der Monumentenwet worden door de gemeenteraad niet aangewezen ter plaatsing op de gemeentelijke lijst van stadsgezichten.

  • 2. Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 15 eerste lid vervalt indien en voorzover na de aanwijzing stadsgezichten worden aangewezen als bedoeld in artikel 35 der Monumentenwet.

HOOFDSTUK VI Gemeentelijke archeologisch belangrijke plaatsen

Artikel 17

  • 1. Burgemeester en wethouders stellen de plaatsen die zij van archeologisch belang vinden, voorlopig vast.

  • 2. Alvorens tot de voorlopige vaststelling als bedoeld in lid 1 over te gaan, winnen burgemeester en wethouders het advies in van de raadscommissie voor Verkeer en Vervoer, Binnenstad en Monumenten.

  • 3. De beschikking als bedoeld in lid 1 wordt gedurende vier weken voor een ieder ter inzage gelegd.

  • 4. De burgemeester doet van de ter-inzage-legging als bedoeld in lid 3 onverwijld mededeling in een of meer dag- en nieuwsbladen die in de gemeente verspreid worden. Tevens geeft hij kennis van het besluit aan de minister belast met de monumentenzorg.

  • 5. Gedurende de in lid 3 genoemde termijn kunnen belanghebbenden bezwaren indienen bij burgemeester en wethouders.

  • 6. Na afloop van de in lid 3 genoemde termijn beschikken burgemeester en wethouders over de definitieve vaststelling van de archeologisch belangrijke plaatsen.

  • 7. De beschikking als bedoeld in lid 6 wordt overeenkomstig het bepaalde in lid 4 bekend gemaakt.

  • 8. Met ingang van de datum waarop de mededeling als bedoeld in lid 4 heeft plaatsgevonden tot aan het moment van de beschikking als bedoeld in lid 6, is artikel 19 van overeenkomstige toepassing.

  • 9. De in dit artikel beschreven procedure is van overeenkomstige toepassing op de beschikking een plaats van de archeologische lijst af te voeren.

  • 10. De archeologische lijst ligt voor een ieder bij de gemeentelijke Dienst Stadsbeheer, hoofdafdeling archeologie, ter inzage.

Artikel 18

  • 1. Onverminderd het bepaalde in de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder vergunning in op de archeologische lijst vermelde plaatsen:

    • a.

      graafwerk te verrichten op een diepte van meer dan 0,50 m onder het maaiveld;

    • b.

      aanwezige(delen van) fundamenten of andere, met de archeologische structuren verband houdende zaken af te breken te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen aan de in lid 1 bedoelde vergunning voorwaarden verbinden om archeologisch onderzoek ter plaatse mogelijk te maken. Die voorwaarden kunnen in ieder geval behelzen:

    • a.

      de mogelijkheid van toegang van door burgemeester en wethouders aan te wijzen personen op het terrein en tevens;

    • b.

      de mogelijkheid van de onder a. genoemde personen om graafwerk en/of documentatiewerkzaamheden te verrichten.

  • 3. Geen vergunning is vereist voor werken of werkzaamheden waarvan de onmiddellijke uitvoering door het bevoegde gezag nodig wordt geoordeeld om dringend en dreigend gevaar tegen te gaan of vermeerdering van geleden schade te voorkomen.

  • 4. Op het aanvragen en verlenen van een vergunning als bedoeld in lid 1 is het bepaalde in de artikelen 11 (met uitzondering van lid 6) en 13 van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK VII Strafbepaling

Artikel 19

Hij, die handelt in strijd met de artikelen 9 en 18 van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

HOOFDSTUK VIII Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 20

  • 1. De monumenten geplaatst op de monumentenlijst op basis van de Monumentenverordening 's-Gravenhage 1981 zijn met ingang van inwerkingtreding van de monumentenverordening Den Haag automatisch ingeschreven in het monumentenregister. De vergunningen afgegeven op basis van de Monumentenverordening 's-Gravenhage 1981, waartegen geen beroep meer kan worden ingesteld, blijven rechtsgeldig na inwerkingtreding van de Monumentenverordening Den Haag.

  • 2. De archeologisch belangrijke plaatsen aangewezen op basis van de Monumentenverordening 's-Gravenhage 1981 blijven als zodanig aangewezen onder het regime van Monumentenverordening Den Haag.

  • 3. Aanvragen om monumentenvergunning in behandeling genomen voor de inwerkingtreding van de Monumentenverordening Den Haag, worden afgehandeld conform de regeling in de Monumentenverordening 's-Gravenhage 1/1981.

  • 4. Voornemens tot plaatsing op de monumentenlijst, die ter kennis zijn gebracht aan de eigenaren en hypotheekhouders voor de inwerkingtreding van de Monumentenverordening Den Haag, worden afgehandeld conform de monumentenverordening 's-Gravenhage 1/1981.

Artikel 21

Met het opsporen van overtredingen van deze verordening zijn behalve de bij of krachtens artikel 141 van het wetboek van Strafvordering aangewezen personen belast, de door burgemeester en wethouders daartoe aangewezen personen.

Artikel 22

Deze verordening kan worden aangehaald als 'Monumentenverordening Den Haag'.