Reclamebeleid (voor reclames aan panden)

Geldend van 15-06-1996 t/m 13-06-2017

Intitulé

Reclamebeleid (voor reclames aan panden)

Richtlijnen voor het verlenen van een vergunning voor het maken van handelsreclame zoals bedoeld in artikel 4.7.2, lid 1 van de Algemene Plaatselijke Verordening

Hoofdstuk 1 (algemene bepalingen)

Artikel 1.1.

Het uiterlijk van de reclame moet zodanig zijn, dat deze zowel op zichzelf, als in verband met de gevel waaraan, of met betrekking tot het stadsbeeld waarin de reclame is geplaatst, voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Niet toegestaan zijn in ieder geval:

  • a.

    reclames, geprojecteerd voor plaatsing op daken;

  • b.

    reclames, waarvan de opschriften zijn samengesteld uit niet esthetisch verantwoorde letters en/of tekens, alsmede die waarvan de tekst eventueel in combinatie met een afbeelding, grafisch niet goed verzorgd is;

  • c.

    reclames, waarvan de kleurstelling onharmonisch is en/of in disharmonie is met het pand en/of de omgeving;

  • d.

    reclames die een hinderlijke herhaling vormen van elders aan de gevel reeds aangebrachte of aan te brengen reclames;

Hoofdstuk 2 (binnenstad)

Artikel 2.1.

Naast de onder 1.1. genoemde bepalingen gelden voor de binnenstad de volgende bepalingen:

  • a.

    reclames dienen tegen de gevel te worden aangebracht;

  • b.

    reclames, waarvan de bevestigingsconstructie in verhouding tot de aan te brengen reclame en het gebouw te ver uit het gevelvlak steekt, dan wel reclames, die niet loodrecht op of niet evenwijdig aan en vlak tegen de gevel zijn geplaatst zijn niet toegestaan;

  • c.

    reclames met verticaal aangebrachte belettering zijn niet toegestaan;

  • d.

    bewegende reclames, de zogenaamde lichtcouranten hieronder begrepen en lichtreclames met veranderlijk of met tussenpozen verschijnend licht zijn niet toegestaan;

  • e.

    de bevestigingsconstructies van reclames, waaronder toevoerleidingen en hulptoestellen dienen zoveel mogelijk aan het oog te zijn onttrokken;

  • f.

    het totaal aan reclames dient te blijven binnen een percentage van 15% van het geveloppervlak dat op grond van artikel 2.2 in aanmerking komt voor het aanbrengen van reclames;

  • g.

    het aantal reclameaanduidingen e.d. dient beperkt te blijven tot drie per pand, eventueel te verhogen met maximaal 2 vlaggen met handelsreclame;

  • h.

    op monumenten is het aanbrengen van verlichte reclames uitsluitend toegestaan indien deze zijn uitgevoerd in losse letters in neon en beperkt blijven tot maximaal 60% van de gevelbreedte;

  • i.

    op monumenten is het aanbrengen van onverlichte reclames, in afwijking van het bepaalde in artikel 2.2 uitsluitend toegestaan tot een maat van maximaal 60% van de gevelbreedte;

  • j.

    het aanbrengen van (reclame)lantaarns bij horecapanden is toegestaan aan weerszijden van de entree en overigens met een minimale afstand van 5 meter tot elkaar.

Artikel 2.2.

Ten behoeve van het aanbrengen van reclames op gebouwen worden drie zones onderscheiden volgens bijgaande tekening, namelijk:

ZONE 1 reclame plat op de gevel of op een zonnescherm of markies

ZONE 2

  • A.

    reclame plat op de gevel

    • ­

      Hoogte: maximaal 60% van de bandbreedte met een maximum van 60 cm.

    • ­

      Bandbreedte: Bovenkant beganegrond pui tot onderkant verdiepingskozijn.

    • ­

      Lengte van een lichtbak maximaal 60% van de gevelbreedte.

    • ­

      Lengte van een onverlicht fond tot de penanten.

  • B.

    reclame haaks op de gevel – maximaal 1 per pand

    • ­

      Hoogte: maximaal 1 meter

    • ­

      Breedte: bij straten van minder dan 5 meter breed een maximale uitsteekmaat van 0.50 meter.

ZONE 3 Geen reclames toegestaan.

Artikel 2.3

Het gebied waarop hoofdstuk 2 betrekking heeft is aangegeven op de hierbij behorende kaart. Kaart nog niet digitaal beschikbaar.

Hoofdstuk 3 (industrieterreinen)

Artikel 3.1

Naast de onder 1.1. genoemde bepalingen gelden voor industrieterreinen de volgende voorschriften:

  • a.

    situering tegen de gevel tot maximaal 10% van het geveloppervlak;

  • b.

    bij meerdere gebruikers per pand wordt het maximale percentage reclame tegen het geveloppervlak per gebruikslengte per individuele ondernemer berekend;

  • c.

    naast reclames tegen de gevel per perceel maximaal:

    • ­

      1 reclamemast met een hoogte van maximaal 5 meter, met daaraan ten hoogste 3 lichtbakken waarvan de afmeting per bak maximaal 1 x 1 meter bedraagt, of:

    • ­

      1 reclamezuil met een hoogte van maximaal 7 meter met daaraan aan de bovenzijde bevestigd één object van drie of vier zijden, waarvan de afmeting per zijde niet meer mag bedragen dan 2.75 x 1.50 meter; de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van de onder dit punt bedoelde objecten dient ten minste 5 meter te bedragen, of:

    • ­

      1 monosign met een hoogte van maximaal 5 meter en een breedte van maximaal 2 meter;

  • d.

    voor zover geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid genoemd onder c. en indien de desbetreffende kavel een breedte heeft van minimaal 30 meter, haaks op de gevel een bill-board met reclame waarvan de afmeting maximaal 1.5 m x 3.00 (hxb) mag bedragen. Het bill-board dient op palen geplaatst te worden waarbij de onderzijde van het bord tenminste 1 meter en de bovenkant maximaal 3 meter boven het maaiveld dient te staan en ten minste 10 meter uit de zijdelingse perceelsgrens;

Hoofdstuk 4 (winkelcentra)

Artikel 4.1

Naast de onder 1.1. genoemde bepalingen gelden voor winkelcentra de volgende voorschriften:

  • a.

    reclames dienen beperkt te blijven tot de onderpui;

  • b.

    het totaal aan reclames dient beperkt te blijven tot 15% van het geveloppervlak dat in aanmerking komt voor het aanbrengen van reclames.

  • c.

    indien de panden zijn voorzien van een luifel kunnen per winkelcentra specifieke regels van toepassing worden verklaard.

  • d.

    bewegende reclames, de zogenaamde lichtcouranten hieronder begrepen en lichtreclames met veranderlijk of met tussenpozen verschijnend licht zijn niet toegestaan;

Artikel 4.2

Voor specifieke winkelcentra kunnen in afwijking van het bepaalde in deze richtlijnen afzonderlijke regels van toepassing worden verklaard.

Hoofdstuk 5 (kantoorgebieden)

Artikel 5.1.

Naast de onder 1.1. genoemde bepalingen geldt voor kantoorgebieden het voorschrift dat het totaal aan reclames beperkt dient te blijven tot 5% van het geveloppervlak. In sommige gevallen is een reclamemast mogelijk zoals bedoeld in artikel 3.1, sub b. De aanvaardbaarheid daarvan dient van geval tot geval te worden beoordeeld.

Hoofdstuk 6 (overige woongebieden en lintbebouwing)

Artikel 6.1

Naast de onder 1.1. genoemde bepalingen gelden voor deze gebieden de volgende voorschriften:

  • a.

    reclames aan de gevel zijn, behoudens de vergunningsvrije situaties genoemd in de Algemene Plaatselijke Verordening, niet toegestaan;

  • b.

    reclames dienen los van de gevel in de voortuin geplaatst te worden, de maximale afmeting bedraagt 2 meter lang en 0.50 meter hoog, geplaatst op palen met een hoogte van maximaal 1 meter en in principe onverlicht;

  • c.

    bbewegende reclames, de zogenaamde lichtcouranten hieronder begrepen en lichtreclames met veranderlijk of met tussenpozen verschijnend licht zijn niet toegestaan;

Hoofdstuk 7 (slotbepalingen)

Artikel 7.1.

Burgemeester en wethouders kunnen, na raadpleging van de Welstandscommissie of Monumentencommissie, nadere eisen stellen met betrekking tot de plaats en de kleur van de reclames.

Artikel 7.2.

Indien vanwege bijzondere omstandigheden de strikte toepassing van deze richtlijnen naar het oordeel van burgemeester en wethouders tot een onaanvaardbare afwijzing zou leiden, kunnen zij niettemin vergunning verlenen, mits de aard en de strekking van deze richtlijnen niet worden aangetast.

Artikel 7.3.

Deze richtlijnen treden in werking op de derde dag nadat ze zijn afgekondigd.

Bijlage

(Deze plattegrond is momenteel niet digitaal beschikbaar)

Toelichting:

ARTIKELSGEWIJS

Artikel 1.1

sub a: Het (negatieve) uitstralingseffect neemt toe indien de reclame boven de dakrand uitsteekt of op het dak is geplaatst. Dit is slechts in uitzonderingssituaties toelaatbaar.

Artikel 2.1

In de historische binnenstad dient het aanbrengen van reclames zich tot de onderpui te beperken, dit mede ter voorkoming van het mogelijk visueel af schermen van de veelal belangrijke bovengevels.

ad f: Het simpele feit dat de reclame past binnen het gegeven percentage betekent uiteraard niet dat ook medewerking kan worden verleend. Aan de overige voor de aanvraag relevante richtlijnen dient eveneens te worden voldaan. Bij de bepaling van de 15% worden ook reclames meegerekend die in de zone 1 op de ruit en/of zonnescherm zijn aangebracht. In zone 1 worden bij horecapanden vaak kleine (reclame) lantaarns opgehangen. Deze tellen vanwege hun kleinschalige karakter niet mee bij het bepalen van het maximale percentage. Dit kleinschalige karakter betekent niet dat dergelijke lantaarns ongelimiteerd toegepast kunnen worden. Maximaal is toelaatbaar een lantaarn aan weerszijde van de entree en verder met een minimale afstand van 5 meter. Bij tweezijdige haaks op de gevel aangebrachte uithangborden wordt de reclame enkelzijdig meegerekend.

ad g. Door deze bepaling wordt voorkomen dat een wirwar aan reclames ontstaat. De verhoging met maximaal een tweetal vlaggen met handelsreclame wordt aanvaardbaar geacht. Daarbij wordt er van uitgegaan dat deze vlaggen uitsluitend tijdens openingstijden zijn aangebracht.

Artikel 2.2

De zone-indeling geeft een voor iedereen duidelijk beeld van de plaats waar reclames op/aan de gevel kunnen worden toegestaan. Bij reclames in zone 1 kan gedacht worden aan teksten op winkelruiten en/of zonneschermen en markiezen. Bij relatief grote panden kan het aanvaardbaar zijn ook in zone 3 reclame toe te staan. Uitgangspunt blijft evenwel hoog in de gevel geen reclames toe te staan. Haaks op luifels aangebrachte reclames zijn over het algemeen niet aanvaardbaar.

Artikel 3.1

sub a: Zie opmerking bij 2.1, sub f. Voor een voorbeeld van een situatie waarbij de 10%-norm wordt benaderd, zie voorbeeld 2.

sub c: De reclamemast dient uiteraard op het eigen terrein geplaatst te worden. Indien de daaraan verbonden lichtbakken boven gemeentegrond komen is toestemming van de gemeente vereist en is precario verschuldigd. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van 5 meter is van belang om te voorkomen dat dergelijke objecten te dicht bij elkaar worden geplaatst. Onder een monosign wordt verstaan een constructie waarbij vanaf een korte afstand boven het maaiveld, tussen twee palen een reclamebord of meerdere borden zijn aangebracht.

Per industriegebied moet het mogelijk zijn 1 hogere mast op te richten met daaraan bevestigd informatie over de op het industrieterrein gevestigde bedrijven. Gelet op het per definitie grootschalige karakter zal een dergelijke aanvraag altijd ter beoordeling aan de welstandscommissie worden voorgelegd.

sub d: Deze mogelijkheid kan worden toegepast indien niet gekozen wordt voor mogelijkheid c. De afstand van 10 meter tot de zijdelingse perceelsgrens is noodzakelijk om te voorkomen dat bill-boards te dicht op elkaar komen te staan. Bij het verlenen van toestemming dient het aspect van de verkeersveiligheid een rol te spelen.

Artikel 4.1

Gezocht is naar algemene criteria die in principe voor alle winkelcentra kunnen worden toegepast. In specifieke gevallen kan meer worden toegestaan. Het advies van de welstandscommissie zal daarbij een rol spelen.

sub a: Om de negatieve uitstraling zoveel mogelijk te beperken dienen de reclames beperkt te blijven tot de onderpui. In situaties dat dit niet of onvoldoende mogelijk is kan van deze regel worden afgeweken.

sub b: Bij de bepaling van de 15% worden ook reclames meegerekend die in zone 1 direct op de ruit zijn aangebracht. Bij tweezijdige haaks op de gevel aangebrachte uithangborden wordt de reclame enkelzijdig meegerekend.

Artikel 6.1

In deze gebieden is het in het algemeen niet wenselijk reclame-objecten tegen de gevels van woningen aan te brengen. Op grond van de Algemeen Plaatselijke Verordening is het wel toegestaan zonder vergunning een klein bord aan de gevel aan te brengen. Het gaat dan om een bord waarvan de afmeting niet meer bedraagt dan 0,15 m2 of 50 x 50 centimeter. Als alternatief kan gedacht worden aan een losse plaatsing vóór het bouwwerk. De voorkeur gaat daarbij uit naar een bord dat evenwijdig aan de weg is geplaatst. In een gebied met lintbebouwing kan bij bedrijven soms meer worden toegestaan.

algemeen:

tijdelijke reclames

Het college van burgemeester en wethouders heeft op 7 mei 1996 besloten het aanbrengen van grootschalige tijdelijke reclames eveneens vergunningplichtig te maken. Op dit moment is het nog zo dat voor tijdelijke reclames met een instandhoudingstermijn van maximaal 9 weken op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) geen vergunning is vereist. De APV zal op dit punt worden aangepast.

Overgangsregeling

Op grond van de overgangsbepaling van de op 30 maart 1992 in werking getreden APV vervallen alle reclamevergunningen c.q. ontheffingen verleend op basis van de Verordening op de Rechtsorde, twee jaar na inwerkingtreding van de APV. Op dit moment zullen deze situaties moeten worden getoetst aan het nieuwe beleid. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 7 mei 1996 besloten om de overgangstermijn te verlengen tot 1 januari 2000. Het gaat daarbij om illegale reclames die niet passen in het nieuwe beleid en legale reclames, voor zover verleend vóór 30 maart 1992, die niet passen in het nieuwe beleid. De betrokken ondernemers zullen hiervan op de hoogte worden gesteld.