Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ

Geldend van 30-06-2011 t/m 18-07-2013

Intitulé

Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

  • Artikel 1

    Begripsbepalingen

    • 1.

      In deze verordening wordt verstaan onder:

      • a.

        college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel;

      • b.

        de wetten: de IOAW en de IOAZ;

      • c.

        grondslag: de netto uitkering zoals omschreven in artikel 5 van de wetten;

      • d.

        inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW alsmede artikel 8 IOAZ

      • e.

        IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

      • f.

        IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

      • g.

        sanctie: een verlaging of een tijdelijke weigering;

      • h.

        tijdelijke weigering: het op grond van artikel 20, eerste lid, IOAW en artikel 20, tweede lid, IOAZ tijdelijk weigeren van de uitkering;

      • i.

        uitkering: uitkering als bedoeld in artikel 9 van de IOAW of de IOAZ;

      • j.

        verlaging: een verlaging van de uitkering op grond van artikel 20, tweede lid, IOAW en artikel 20, eerste lid, IOAZ;

    • 2.

      de begripsbepalingen van de IOAW en IOAZ zijn op deze verordening van toepassing, tenzij daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken.

  • Artikel 2

    Het toepassen van een verlaging

    • 1.

      Als de belanghebbende zich naar het oordeel van het college gedraagt, zoals omschreven in artikel 20, lid 2 van de IOAW of artikel 20, lid 1 van de IOAZ, wordt overeenkomstig deze verordening de uitkering verlaagd.

    • 2.

      Bij het toepassen van een verlaging, wordt deze verordening in acht genomen, met dien verstande dat een sanctie voor wat betreft de hoogte en duur te allen tijde wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

  • Artikel 3

    Tijdelijk weigeren van een uitkering

    1.het college weigert de uitkering tijdelijk geheel of gedeeltelijk indien belanghebbende uit of in verband met arbeid inkomen zou hebben kunnen verwerven als:

    • a.

      aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

    • b.

      de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd;

    • c.

      de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;

    • d.

      de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

  • Artikel 4

    Berekeningsgrondslag

Een sanctie wordt toegepast op de grondslag.

Artikel 5Het besluit tot het opleggen van een sanctie

In het besluit tot het opleggen van een sanctie worden in ieder geval vermeld: de reden, de duur, het percentage waarmee de grondslag wordt verlaagd of geweigerd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardsanctie.

  • Artikel 6

    Horen van de belanghebbende

  • 1.

    Voordat een sanctie wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • 2.

    Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:

  • a.

    de vereiste spoed zich daartegen verzet;

  • b.

    de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

  • c.

    de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college, of van een derde aan wie het college werkzaamheden in het kader van de IOAW of de IOAZ heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 13 van de IOAW of de IOAZ.

  • d.

    het horen van de belanghebbende redelijkerwijs niet noodzakelijk is voor de vaststelling van de ernst van de gedraging, van de mate van verwijtbaarheid en van de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.

  • 3.

    Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel c, wordt met het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van inlichtingen gelijkgesteld, het geen gevolg geven aan een oproep voor een onderzoek dat in het kader van de IOAW en de IOAZ noodzakelijk geacht kan worden, waaronder begrepen de medewerking aan een huisbezoek.

  • Artikel 7

    Afzien van het opleggen van een sanctie

  • 1.

    Het college legt geen sanctie op, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

  • 2.

    Het college legt geen sanctie op, indien de gedraging meer dan drie jaar vóór constatering van die gedraging heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het college kan afzien van het opleggen van een sanctie, indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 4.

    Indien het college afziet van het opleggen van een sanctie op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

  • Artikel 8

    Ingangsdatum en tijdsvak sanctie

    • 1.

      In geval van een lopende uitkering wordt een sanctie toegepast met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van een sanctie aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende grondslag.

    • 2.

      Indien het recht op uitkering werd opgeschort in verband met nader onderzoek wegens schending van de inlichtingenplicht zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van deze verordening, kan, bij voortzetting van de uitkering, in afwijking van het eerste lid, de sanctie vanaf de datum van opschorting worden opgelegd.

    • 3.

      Indien, als gevolg van het beëindigen van het recht op uitkering, er geen besluit tot het opleggen van een sanctie meer kan worden genomen, kan, als aan de belanghebbende binnen drie jaar na de beëindiging opnieuw een uitkering wordt toegekend, dit besluit alsnog genomen worden.

    • 4.

      Als het recht op uitkering eindigt, wordt, voor zover het tijdvak waarover de sanctie is opgelegd nog niet is verstreken, het resterende deel van de sanctie ten uitvoer gelegd als de belanghebbende binnen drie jaar na de beëindiging opnieuw aanspraak op uitkering maakt.

    • 5.

      De sanctie wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een sanctie die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk binnen drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.

  • Artikel 9

    Eéndaadse en meerdaadse samenloop

    1.Indien een belanghebbende door één gedraging zich schuldig maakt aan schending van meerdere verplichtingen die elk op zich tot een sanctie op grond van deze verordening dienen te leiden, wordt voor het bepalen van de hoogte en de duur van de sanctie uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste sanctie is gesteld. Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die elk op zich tot het opleggen van een sanctie dienen te leiden, wordt de hoogte en de duur van de op te leggen sanctie bepaald met inachtneming van artikel 2, tweede lid, en artikel 3, tweede lid.

Hoofdstuk 2 Niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen tot arbeidsinschakeling

Artikel 10Indeling in categorieën

Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 37 van de IOAW en IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a en c IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

    • 1.

      Eerste categorie:

      a.het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij de Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

    • 2.

      Tweede categorie:

      • a.

        het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek door een derde naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;

      • b.

        het niet voldoen aan de verplichting om zich – op advies van een arts – te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard;

    • 3.

      Derde categorie:

      • a.

        het niet dan wel onvoldoende nakomen van de verplichting(en) zoals opgenomen in een zorgtraject;

      • b.

        het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 34, lid 1, sub a, van de IOAW / IOAZ, waaronder begrepen sociale activering;

      • c.

        gedragingen die een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering, belemmeren;

    • 4.

      Vierde categorie:

      • a.

        het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling, waardoor de belanghebbende concrete kansen op werk of concreet uitzicht op werk heeft verspeeld;

      • b.

        gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren, als de belanghebbende door de betreffende gedraging concrete kansen op werk of concreet uitzicht op werk heeft verspeeld.

  • Artikel 11

    Hoogte en duur van de verlaging

    • 1.

      Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, bedraagt de verlaging:

      • a.

        tien procent van de grondslag gedurende één maand bij een gedraging van de eerste categorie;

      • b.

        vijfentwintig procent van de grondslag gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

      • c.

        vijftig procent van de grondslag gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie;

      • d.

        honderd procent van de uitkering gedurende één maand bij gedragingen uit de vierde categorie.

    • 2.

      De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit waarbij de verlaging is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als genoemd in artikel 10. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 7, lid 3.

    • 3.

      Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan het tweede lid, wederom schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als genoemd in artikel 10, wordt een sanctie opgelegd waarbij de hoogte en duur nader wordt bepaald met in achtneming van artikel 2, tweede lid, en artikel 8, lid 5.

Hoofdstuk 3 Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid,

alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden

Artikel 12Tijdelijke weigering van de uitkering

  • 1.

    Het college weigert de uitkering voor de duur van een maand, met 25% van de grondslag, indien belanghebbende niet naar vermogen tracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen.

  • 2.

    Het college weigert de uitkering voor de duur van 1 maand met 100% van de grondslag, indien:

    • a.

      Belanghebbende zijn dienstbetrekking of onderneming niet (geheel of gedeeltelijk) heeft behouden en dit belanghebbende te verwijten is;

    • b.

      Belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.

  • 3.

    De duur van de weigering als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij de uitkering op grond van dit artikel geweigerd is, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dat artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte.

  • 4.

    Indien de belanghebbende, op wie het tweede lid van toepassing is, zich binnen vierentwintig maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een uitkering op grond van dit artikel geweigerd is, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel en van dezelfde of een hogere zwaarte, wordt de omvang van de weigering individueel bepaald, rekening houdend met alle van belang zijnde omstandigheden.

  • 5.

    Voor het toepassen van dit artikel is de bepaling in artikel 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 4 Niet nakomen van de inlichtingenplicht

Artikel 13Indeling in categorieën

Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 13, lid 1 van de IOAW of de IOAZ of het niet nakomen van de verplichting op grond van artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen zijn onderverdeeld in de volgende categorieën.

    • 1.

      Eerste categorie:

      • a.

        het niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang is voor de verlening van uitkering of de voortzetting daarvan;

      • b.

        het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht dat niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering;

    • 2.

      Tweede categorie:

      a.het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;

    • 3.

      Derde categorie:

      a.het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht dat heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

  • Artikel 14

    De hoogte en de duur van de verlaging

    1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, bedragen de verlagingen genoemd in artikel 13 als volgt:

    • a.

      vijf procent van de grondslag gedurende één maand bij een gedraging van de eerste categorie;

    • b.

      tien procent van de grondslag gedurende één maand bij een gedraging van de tweede categorie;

    • c.

      de hoogte van de verlaging bij een gedraging van de derde categorie wordt afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag gerelateerd aan de grondslag en op de volgende wijze vastgesteld:

      • 1.

        bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,--: 10% van de grondslag gedurende één maand;

      • 2.

        bij een benadelingsbedrag van € 1.000,-- tot € 2.000,--: 20% van de grondslag gedurende één maand;

      • 3.

        bij een benadelingsbedrag van € 2.000,-- tot € 4.000,--: 40% van de grondslag gedurende één maand;

      • 4.

        bij een benadelingsbedrag van € 4.000,-- tot € 6.000,--: 100% van de grondslag gedurende één maand;

      • 5.

        bij een benadelingsbedrag van € 6.000,-- tot € 8.000,--: 100% van de grondslag gedurende twee maanden;

      • 6.

        bij een benadelingsbedrag vanaf € 8.000,--: 100% van de grondslag gedurende twee maanden plus één maand voor elke € 2.000,-- waarmee het benadelingsbedrag boven € 8.000,-- uitstijgt.

    • d.

      De duur van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit waarbij de verlaging wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een verlaging is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, sub d.

    • e.

      Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij toepassing is gegeven aan het tweede lid, wederom schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbaar aan te merken gedraging, wordt een verlaging opgelegd, waarbij de hoogte en de duur nader wordt bepaald met inachtneming van artikel 2, tweede lid.

    • f.

      Van het opleggen van de verlaging als bedoeld in het eerste lid onderdeel a kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij voor de betreffende verwijtbare gedraging binnen een periode van twee jaar eerder een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

  • Artikel 15

    Overige bepalingen schending inlichtingenplicht

De verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie en blijft definitief achterwege indien ter zake een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoofdstuk 5 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging

Artikel 16Het zich jegens het college zeer ernstig misdragen

Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ en onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, wordt een verlaging opgelegd van vijftig procent van de uitkering gedurende één maand.

Hoofdstuk 6 Slot- en overgangsbepalingen

  • Artikel 17

    Overgangsbepaling

    • 1.

      Gedragingen die plaatsvinden na inwerkingtreding van deze verordening worden uitsluitend met inachtneming van deze verordening beoordeeld. Gedragingen die plaatsvinden voor inwerkingtreding van deze verordening worden uitsluitend met inachtneming van deze verordening opgelegd als de verordening gunstiger is. Zo niet, dan is voor zover mogelijk de ‘oude regeling’ van toepassing.

    • 2.

      Met de oude regeling wordt bedoeld ‘Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz’ en artikel 20a van de IOAW of artikel 20a van de IOAZ.

  • Artikel 18

    Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ Capelle aan den IJssel 2011.

Artikel 19Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking de dag na de bekendmaking zoals bedoeld in artikel 139 van de Gemeentewet.