BELEIDSREGELS ACTUALISATIE COFFEESHOPBELEID GEMEENTE GRONINGEN

Geldend van 10-09-2010 t/m 31-12-2020

Intitulé

BELEIDSREGELS ACTUALISATIE COFFEESHOPBELEID GEMEENTE GRONINGEN

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE GRONINGEN

(BD 05.2429);

Gezien het voorstel van 12 januari 2006;

HEBBEN BESLOTEN:

de Beleidsregels actualisatie coffeeshopbeleid gemeente Groningen vast te stellen.

1. Inleiding

Het Groningse coffeeshopbeleid bestaat uit een aantal beleidsnota’s en evaluaties die in de loop der jaren zijn vastgesteld. Een actueel overzicht van de geldende regels en richtlijnen ontbreekt echter. Daarnaast is sprake van enkele landelijke ontwikkelingen, zoals de inwerkingtreding van de Wet BIBOB (Wet Bevordering Integriteitbeoordelingen door het Openbaar Bestuur) en de landelijke discussie over de achterdeurproblematiek, die van invloed zijn op het lokale coffeeshopbeleid. Deze nota is in de eerste plaats bedoeld om een geactualiseerd overzicht te geven van het huidige coffeeshopbeleid.

Uitgangspunt voor het Groningse gedoogbeleid is het landelijke coffeeshopbeleid. De relevante landelijke uitgangspunten worden in deze nota op een rij gezet. Daarna volgt een beschouwing over de specifieke Groningse beleidsregels die van toepassing zijn voor de vestiging van coffeeshops. Tot slot wordt ingegaan op de wijze waarop de handhaving van het beleid plaatsvindt.

Een concrete wijziging die in deze nota wordt voorgesteld heeft betrekking op de wijze waarop de hardheidsclausule wordt toegepast met betrekking tot eventuele verzoeken om wijziging van de rechstvorm en eigendomsverhoudingen van een coffeeshop. Expliciet is vastgelegd dat een wijziging van een natuurlijk persoon (eenmanszaak of VOF) in een rechtspersoon is uitgesloten. Een beroep op de hardheidsclausule is in die gevallen uitgesloten. In paragraaf 3.3 wordt hier verder op ingegaan.

Het coffeeshopbeleid wordt in deze nota uitsluitend benaderd vanuit het oogpunt van openbare orde en woon- en leefklimaat. Preventie en voorlichting over het gebruik van soft- en harddrugs blijven hier dan ook buiten beschouwing.

2. Landelijk coffeeshopbeleid

2.1 AHOJG-criteria

Het Groningse gedoogbeleid is gebaseerd op het landelijke coffeeshopbeleid. Het landelijke beleid kreeg gestalte in 1976 toen als gevolg van een wijziging van de Opiumwet een onderscheid werd aangebracht tussen harddrugs (onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid) en softdrugs (een geringer risico). De gedachte hierachter was om de softdrugsgebruiker uit het hardere en criminele circuit van de harddrugs te houden.

Toen eind jaren tachtig bleek dat de verkoop van softdrugs met name in coffeeshops plaatsvond, besloot het College van procureurs-generaal in 1991 tot de landelijke invoering van de zogenaamde AHOJG-criteria. Na enkele aanscherpingen in de jaren negentig werden de criteria in december 2000 als volgt vastgesteld:

  • ·

    Geen Affichering; behalve een summiere aanduiding van de lokaliteit mag géén reclame worden gemaakt.

  • ·

    Geen Harddrugs; in een coffeeshop mogen geen harddrugs aanwezig zijn en/of worden verkocht.

  • ·

    Geen Overlast; een coffeeshop mag geen overlast veroorzaken. Onder overlast kan worden verstaan parkeeroverlast, geluidhinder, vervuiling en rondhangende klanten.

  • ·

    Geen Jeugdigen; geen verkoop en geen toegang aan jeugdigen beneden de 18 jaar.

  • ·

    Geen Grote hoeveelheden; niet meer dan 5 gram te verhandelen per transactie (per klant, per dag) en niet meer dan 500 gram op voorraad.

Deze voorwaarden gelden voor alle coffeeshops in Nederland. Het is niet mogelijk om lokaal van deze voorwaarden af te wijken. Wanneer coffeeshops zich houden aan deze voorwaarden wordt door het Openbaar Ministerie (OM) niet opgetreden. Bij overtreding van de beleidsregels of wanneer softdrugs vanuit andere punten dan coffeeshops wordt verkocht wordt wél strafrechtelijk opgetreden. Vanzelfsprekend volgen in dat geval ook bestuursrechtelijke maatregelen.

In de richtlijnen wordt verder aangegeven dat het coffeeshopbeleid op onderdelen nader kan worden bepaald door het lokale driehoeksoverleg (burgemeester, politie, OM). Aan de hand van bestuursrechtelijke instrumenten als het bestemmingsplan, een exploitatievergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en een gedoogbeschikking is het voor gemeenten mogelijk een lokaal coffeeshopbeleid te voeren.

2.2 Artikel 13b Opiumwet

Lange tijd ontbrak een bepaling op grond waarvan de burgemeester rechtstreeks op kon treden tegen de verkoop van softdrugs. De burgemeester had op grond van de APV of de gemeentewet enkel de mogelijkheid om coffeeshops tijdelijk te sluiten op grond van ernstige overlast of wanneer sprake was van verkoop van harddrugs.

In 1999 is de Opiumwet echter uitgebreid met een artikel 13b. Daarmee kreeg de burgemeester de bevoegdheid bestuursrechtelijk op te treden tegen een coffeeshop die de voorwaarden overtreedt. Dit instrument is niet alleen van toepassing op coffeeshops, maar geldt voor handel in drugs in alle 'voor publiek toegankelijke lokalen'.

2.3 Cannabisbrief Kabinet

In april 2004 heeft het huidige kabinet zijn standpunten over het cannabisbeleid uiteengezet in een brief aan de Tweede Kamer. Het kabinet vraagt hierin onder andere van gemeenten of zij mee willen werken aan een aanscherping van het cannabisbeleid. Dat kan bijvoorbeeld door het nog verder terugdringen van coffeeshops in de buurt van scholen en in grensgebieden. Tevens zullen niet-gedoogde verkooppunten worden aangepakt. Ook wordt gepleit voor een intensivering van de handhaving van het coffeeshopbeleid en de aanpak van niet-gedoogde verkooppunten.

2.4 De Achterdeur

De cannabisbrief van het Kabinet en de verhevigde aanpak van de hennepkweek leidt tot een vernieuwde discussie over ‘de achterdeur’ van coffeeshops. Hiermee wordt de opmerkelijke situatie bedoeld dat coffeeshops kunnen worden toegelaten en dat daar aan iedereen boven de 18 jaar een gebruikershoeveelheid cannabis mag worden verkocht, maar dat de exploitant diezelfde cannabis illegaal moet inkopen.

Het pleidooi om te komen tot het reguleren van de achterdeur, en daarmee een groot deel van de hennepkweek niet langer te vervolgen, wordt de laatste jaren regelmatig gehoord. De diverse moties die tijdens de behandeling van de cannabisbrief in 2004 zijn ingediend om experimenten aan te gaan om regulering van de achterdeur te realiseren zijn echter allen verworpen.

Dit neemt niet weg dat er alternatieve plannen worden ontwikkeld. In april 2004 hebben, op initiatief van de PvdA-Amsterdam, alle fracties uit de Amsterdamse gemeenteraad met uitzondering van het CDA, het manifest ‘Open de achterdeur’ ondertekend. Dit manifest is sindsdien in verschillende gemeenteraden - en ook in de gemeenteraad van Groningen - aan de orde gesteld. Behandeling van het manifest in de Groningse gemeenteraad heeft op 28 april 2004 geleid tot het aannemen van de motie “Open de achterdeur”, waarin het college wordt verzocht de boodschap van het manifest waar mogelijk actief uit te dragen in contacten met andere gemeentebesturen en vertegenwoordigers van regering en parlement.

Tegen ‘de achterdeur’ kan heel verschillend worden aangekeken. Een zorgvuldige regulering van ‘de achterdeur’ kan, zo vinden velen, een verdere criminalisering van de softdrugsmarkt indammen. De teelt van wiet is immers een lucratieve (illegale) bezigheid. Bovendien brengt het kweken van wiet overlast en veiligheidsproblemen met zich mee zoals het brandgevaar als gevolg van het illegaal aftappen van stroom. Hoe dit ook zij, het niet reguleren van ‘de achterdeur’ volgt rechtstreeks uit het landelijk gevoerde (soft)drugsbeleid. Op lokaal niveau bestaat niet de mogelijkheid om daar op dit moment van af te wijken.

2.5 Wet BIBOB

Op 1 juni 2003 is de Wet BIBOB in werking getreden. De wet BIBOB maakt het bestuursorganen onder andere mogelijk vergunningen te weigeren of in te trekken als er sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunning wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten of het witwassen van geld. In december 2003 heeft het college ingestemd met het voorstel over te gaan tot de implementatie van de Wet BIBOB in Groningen. Daarbij is aangegeven dat bij de implementatie onder andere prioriteit wordt toegekend aan de toepassing voor de exploitatievergunningen voor coffeeshops. In augustus 2004 is de beleidslijn voor toepassing van de Wet BIBOB in Groningen vastgesteld.

In Groningen is dit voorjaar (2005) voor de eerste maal de BIBOB-toets uitgevoerd op de exploitatievergunningen voor coffeeshops. De aanvraagformulieren voor het verkrijgen van een exploitatievergunning zijn uitgebreid met de ‘BIBOB-vragen’ die betrekking hebben op de financiering en zeggenschapsstructruur van de onderneming. De uitkomsten van de BIBOB-toets geven geen aanleiding om de vergunningen van de huidige coffeeshops te weigeren of in te trekken.

3. Coffeeshopbeleid in Groningen

3.1 Terugblik

In maart 1995 is de nota “Verkoop van softdrugs in horecabedrijven” vastgesteld. Het in die nota vastgelegde coffeeshopbeleid was vooral gericht op de bestrijding van overlast rond softdrugs verkopende horecabedrijven. Daarnaast werd een einde gemaakt aan de gecombineerde verkoop van alcohol en softdrugs en werd gestreefd naar een afname van het aantal softdrugs verkopende horecabedrijven.

In de periode tussen 1995 en 1997 nam het aantal coffeeshops af van 35 tot 14. Een verdere afname van het aantal coffeeshops werd (en wordt) als ongewenst beschouwd omdat het aantal bezoekers per coffeeshop dan te veel zou oplopen (wat de kans op overlast weer zou doen toenemen). Het maximum aantal toegestane coffeeshops werd vastgesteld op 14. Daarmee ontstond een redelijk stabiel evenwicht tussen vraag en aanbod. Vervolgens werd een wachtlijst ingesteld voor horecaondernemers die een coffeeshop wilden beginnen (nota “Aanvulling Coffeeshopbeleid”, april 1997).

Op verzoek van de gemeenteraad werd het coffeeshopbeleid in 1999/2000 geëvalueerd. Dat leidde in juli 2000 opnieuw tot een aantal wijzigingen (“Wijziging beleidsregels Coffeeshopbeleid, gemeente Groningen”). De belangrijkste wijzigingen en conclusies zijn:

  • ·

    Afschaffing van het uitsterfbeleid buiten de diepenring.

  • ·

    Invoering van een vestigingsbeleid voor coffeeshops.

  • ·

    Handhaving van het maximumstelsel (14 coffeeshops).

  • ·

    Invoering van een hardheidsclausule voor de gevolgen van de wijziging van rechtsvorm.

  • ·

    Handhaving van de leeftijdsgrens op minimaal 18 jaar.

  • ·

    Regelmatig overleg met de coffeeshophouders.

3.2 Aanvullende (gedoog)criteria

Naast de genoemde AHOJG-criteria gelden de navolgende vereisten/(gedoog)criteria voor het exploiteren van een coffeeshop in de stad Groningen.

Exploitatievergunning APVG 2009

Een coffeeshop wordt beschouwd als een horecabedrijf in de zin van artikel 2:26, lid, sub d, van de APVG 2009. Op grond van artikel 2:27 (Exploitatie horecabedrijf) dient een coffeeshop te beschikken over een exploitatievergunning. Daarbij wordt getoetst of vestiging en exploitatie van de coffeeshop past in het bestemmingsplan. Binnen de diepenring wordt tevens getoetst aan de Staat van Horecabedrijven, zoals opgenomen in bijlage 5 van de APVG 2009. In de vergunning kunnen voorwaarden worden opgenomen over het voorkomen van overlast voor de woon- en leefsituatie in de omgeving, de openbare orde, verplichtingen in het kader van de Woningwet i.c. het Bouwbesluit, etc.

Gedooglijst

De gemeente hanteert een gedooglijst. Naast de exploitatievergunning op grond van de APVG 2009 geldt als voorwaarde voor de exploitatie van een coffeeshop in de stad Groningen dat men in aanmerking komt voor plaatsing op de gedooglijst.Men kan verzoeken om plaatsing op de gedooglijst door een correct en volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier in te dienen bij de gemeente. Bij de aanvraag dient een recente Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) te worden overgelegd van de ondernemer dan wel, als de ondernemer een rechtspersoon is, van degene(n) die de onderneming krachtens de bij te voegen statuten vertegenwoordigt/vertegenwoordigen. Ook personen die als leidinggevende (in de zin van de Drank- en Horecawet) optreden in afwezigheid van de vergunninghouder of diens statutair vertegenwoordiger dienen deze verklaring aan te leveren.

Een verzoek om op de gedooglijst te worden geplaatst wordt pas als aanvraag geboekt en in behandeling genomen als de aanvraag volledig en correct is ingevuld. De aanvragen worden op volgorde van boekingsdatum in behandeling genomen.

Wanneer men in aanmerking komt voor plaatsing op de gedooglijst, geeft de gemeente een gedoogbeschikking af. Gelet op het door de gemeente gehanteerde maximumstelsel wordt aan maximaal 14 coffeeshophouders een gedoogbeschikking afgegeven. De gemeente toetst jaarlijks of de coffeeshophouders die op de gedooglijst zijn geplaatst hun gedoogstatus kunnen behouden. Daartoe ontvangen de coffeeshophouders jaarlijks een invulformulier met het verzoek dit volledig en correct ingevuld, met de bijbehorende (bewijs)stukken, te retourneren. Tevens dienen de coffeeshophouders jaarlijks een actuele VOG te overleggen.

Als de informatie die uit het invulformulier en/of de bijbehorende stukken naar voren komt daartoe aanleiding geeft, kan besloten worden tot intrekking van de gedoogstatus van de betreffende coffeeshophouder. Het ontbreken van een actuele VOG leidt in ieder geval tot intrekking van de gedoogstatus.

Wachtlijst

Naast de gedooglijst, met daarop de 14 coffeeshophouders aan wie een gedoogstatus is verleend, hanteert de gemeente een wachtlijst. Personen die kenbaar maken dat zij een coffeeshop willen gaan exploiteren in de stad Groningen kunnen op deze wachtlijst worden geplaatst. Voor plaatsing op de wachtlijst dient men een daartoe bestemd aanvraagformulier in te vullen. Bij de aanvraag dient een recente VOG te worden overgelegd van de aanvrager.

Een verzoek om op de wachtlijst te worden geplaatst wordt pas als aanvraag geboekt en in behandeling genomen als het aanvraagformulier volledig en correct is ingevuld. De aanvragen worden op volgorde van boekingsdatum in behandeling genomen. Personen die in aanmerking komen voor plaatsing op de wachtlijst worden daarop geplaatst in volgorde van boekingsdatum van de aanvraag.

Personen die op de wachtlijst staan moeten jaarlijks, op verzoek van de gemeente, een actuele VOG aanleveren. Het ontbreken van een actuele VOG leidt ertoe dat de betrokkene van de wachtlijst wordt verwijderd.

De rangorde op de wachtlijst is bepalend voor de vraag wie in een voorkomend geval in aanmerking komt voor plaatsing op de gedooglijst. Dit betekent dat, als de gedoogstatus van een coffeeshophouder wordt ingetrokken en, in navolging daarvan sluiting van de betreffende coffeeshop wordt gerealiseerd, degene die bovenaan de wachtlijst staat als eerste in aanmerking komt voor plaatsing op de gedooglijst.

Vestigingscriteria

Zoals hiervoor al is genoemd werd in juli 2000 het uitsterfbeleid voor coffeeshops buiten de diepenring afgeschaft. Omdat het onwenselijk werd geacht dat coffeeshops zich vervolgens op alle plaatsen zouden kunnen vestigen werd een aantal vestigingscriteria vastgesteld.

In enkele bezwaarprocedures (vestiging The Happy in 2001 en The Medley in 2004) bleek dat op de toepasbaarheid en duidelijkheid van de vestigingscriteria het één en ander viel af te dingen. Daarom zijn de vestigingscriteria in januari 2004 nader gepreciseerd.

De volgende criteria gelden sindsdien voor de vestiging van een coffeeshop:

  • 1.

    De locatie waar een coffeeshop wordt gevestigd mag niet gelegen zijn aan een straat waar de woonfunctie centraal staat. Uitgangspunt is dat de aanwezigheid van coffeeshops in specifieke woonwijken ongewenst is. Om te bepalen of de woonfunctie daadwerkelijk centraal staat is niet alleen de letter, maar ook de geest van het bestemmingsplan bepalend. Wanneer uit de toelichting op het bestemmingsplan blijkt dat de woonfunctie moet worden geïntensiveerd, en zich niet verdraagt met andere functies, kan zonder twijfel worden gesteld dat de woonfunctie centraal staat. Indien in een straat meerdere functies zijn toegestaan (bijvoorbeeld winkels, zakelijke dienstverlening, horeca én wonen) kan die conclusie niet worden getrokken.

  • 2.

    De locatie mag niet gelegen zijn binnen een afstand van 100 meter (loopafstand: van voordeur tot voordeur) van een basisschool of een school voor voortgezet onderwijs. Dit criterium is gericht op jongeren jonger dan 18 jaar, omdat voor deze categorie jongeren geldt dat zij niet in coffeeshops mogen worden toegelaten. Het criterium heeft betrekking op de categorie jongeren die op de basisschool zitten of voortgezet onderwijs volgen. De bedoeling is om zoveel mogelijk te voorkomen dat deze jongeren zich in tussenuren of na schooltijd in de buurt van coffeeshops zullen begeven.

  • 3.

    De locatie mag niet gelegen zijn in een gebied waar sprake is van een concentratie van horecabedrijven. Het criterium is toegespitst op gebieden waar sprake is van een concentratie van horecabedrijven. Gebieden waarvoor dat geldt zijn o.a.: de Grote Markt zuidzijde, de Poelestraat, Peperstraat, Gelkingestraat en de Kromme Elleboog. De reden om geen coffeeshops toe te staan in een gebied waar sprake is van een concentratie van horecabedrijven, is en blijft dat het gevaar voor aantasting van de openbare orde en/of het woon- en leefklimaat hierdoor cumulatief toe zou kunnen nemen.

  • 4.

    De locatie mag niet gelegen zijn in de directe nabijheid van winkels of bedrijven met een dusdanig andere bezoekersgroep dat de ontmoeting van de betrokken bezoekersgroepen openbare orde problemen tot gevolg heeft of tot gevolg dreigt te hebben. Behalve dat dit criterium door openbare orde motieven is ingegeven, speelt ook een rol dat coffeeshops niet kunnen worden aangemerkt als winkelondersteunende horeca.”

3.3 Wijziging rechtsvorm

Sinds jaar en dag is in het beleid vastgelegd dat gedoogsituaties niet overdraagbaar zijn. Bij elke verandering van rechtsvorm verliest de betreffende coffeeshop de gedoogstatus. De reden om vast te houden aan dit uitgangspunt is om criminalisering van de coffeeshopsector te voorkomen.

Omdat strikte toepassing van het criterium ‘wijziging rechtsvorm’ in sommige gevallen onredelijk uit kan pakken is het beleid op dit punt in 2000 genuanceerd. Er is een hardheidsclausule geïntroduceerd voor die gevallen waarin de firmanten aan kunnen tonen dat bij wijziging van de rechtsvorm niets verandert in de feitelijke situatie voor wat betreft de persoon van de firmant(en). Dat betekent dat de gedoogstatus bij wijziging van de rechtsvorm kan worden behouden wanneer dezelfde personen firmant blijven of wanneer een deel van de oude firmanten de coffeeshop in de nieuwe rechtsvorm voort willen zetten. Als voorbeeld wordt gegeven de omzetting van een VOF naar eenmanszaak door één van de beide firmanten.

Hoewel dat uit de nota ‘Wijziging beleidsregels Coffeeshopbeleid, gemeente Groningen’ (2000) niet expliciet blijkt is de hardheidsclausule niet bedoeld voor wijzigingen van een natuurlijk persoon (zoals een eenmanszaak of VOF) in een BV. Dat kan onder andere worden afgeleid uit het gegeven voorbeeld (van VOF naar eenmanszaak).

Zoals hiervoor al is opgemerkt is het beleid er op gericht om criminalisering van de coffeeshopsector te voorkomen. Een zo optimaal mogelijke transparantie in de zeggenschap in de onderneming is daarbij essentieel. Wanneer een coffeeshop in de vorm van een rechtspersoon (BV, NV of stichting) wordt gedreven kan het zicht op de zeggenschap in de onderneming worden bemoeilijkt.

Daarom wordt nu voorgesteld om expliciet in het beleid vast te leggen dat coffeeshops slechts als natuurlijk persoon kunnen worden geëxploiteerd. Uiteraard heeft dit uitgangspunt geen consequenties voor de huidige coffeeshops (Stichting Rag-A-Muffin en Stichting Kunstpromotie) die wél rechtspersoon zijn.

3.4 de coffeeshops in Groningen

In Groningen worden de volgende 14 coffeeshops geëxploiteerd:

  • 1.

    Dr. Anders - Gelkingestraat 17

  • 2.

    Taverne Oasis - Meeuwerderweg 60

  • 3.

    Café Dees - Papengang 3

  • 4.

    Soft Shop de Driemaster - Nieuweweg 18

  • 5.

    Stichting Rag-A-Muffin - Noorderstationsstraat 15

  • 6.

    Stichting Kunstpromotie - Oude Boteringestraat 53

  • 7.

    De Stoker - Padangstraat 27

  • 8.

    Koffieshop Reykjavik - Spilsluizen 6

  • 9.

    Coffeeshop the Glory - Steentilstraat 3

  • 10.

    Upper 10 - Steentilstraat 22

  • 11.

    The Clown - Folkingestraat 24

  • 12.

    De Vliegende Hollander - Gedempte Zuiderdiep 63

  • 13.

    The Happy - Damsterdiep 5

  • 14.

    Koffieshop De Medley - Gedempte Zuiderdiep 64

Op de wachtlijst staan de volgende (potentiële) coffeeshopexploitanten:

  • 15.

    Café De Bommel - Gedempte Zuiderdiep 53.

3.5 Handhaving

Het coffeeshopbeleid wordt zowel strafrechtelijk als bestuursrechtelijk gehandhaafd. Het opleggen van strafrechtelijke sancties is voorbehouden aan het OM en de strafrechter. Daarnaast is de burgemeester bevoegd bestuursrechtelijke maatregelen op te leggen. De strafrechtelijke en bestuursrechtelijke maatregelen die kunnen worden genomen bij overtredingen zijn uitgewerkt in het ‘Handhavingsprotocol verkoop drugs’ dat als bijlage bij deze nota is gevoegd.

Toezichthouders

De controles naar de coffeeshops vinden plaats door gemeentelijke toezichthouders en toezichthouders van de politie. De gemeentelijke toezichthouders controleren (elke coffeeshop gemiddeld één keer per maand) of in overeenstemming met de exploitatievergunning op grond van de APVG wordt gehandeld. De toezichthouders van de politie houden toezicht op de naleving van de AHOJG-criteria (minimaal 6 keer per jaar per coffeeshop). Vanwege de integraliteit en efficiency trekken de toezichthouders van politie en gemeente samen op.

Ervaringen met de coffeeshops

Het in Groningen gevoerde gedoogbeleid met een maximum van 14 coffeeshops functioneert naar tevredenheid. De ervaringen met de coffeeshopexploitanten is dat zij zich - behoudens enkele incidenten - goed aan de geldende regels en richtlijnen houden. In 2004 heeft de politie in 5 gevallen geconstateerd dat een minderjarige aanwezig was. De betreffende coffeeshopexploitanten hebben daarop een bestuursrechtelijke waarschuwing ontvangen. In één van de gevallen ging het daarbij om de tweede constatering en waarschuwing binnen een jaar. In 2005 is tot nu toe slechts in één geval rapport opgemaakt (gevolgd door een bestuursrechtelijke waarschuwing) van een minderjarige in een coffeeshop.

Ten aanzien van de overige AHOJG-criteria zijn in 2004 en 2005 geen overtredingen geconstateerd die hebben geleid tot bestuursrechtelijke waarschuwingen. Bij het Meldpunt Overlast zijn in 2004 en 2005 slechts enkele meldingen binnengekomen. De meldingen hadden betrekking op geuroverlast als gevolg van een openstaande deur, parkeergedrag van klanten en rondhangende klanten en zijn door tussenkomst van de politie opgelost.

Ondertekening

Gedaan te Groningen in de collegevergadering van 17 januari 2006.
 
 
De burgemeester,                     De secretaris,
 
 
 
 J. Wallage                                H.P. Bakker