VERORDENING PEUTERSPEELZALEN ALBLASSERDAM.

Geldend van 01-01-2005 t/m 31-12-2011

Intitulé

VERORDENING PEUTERSPEELZALEN ALBLASSERDAM.

De raad van de gemeente Alblasserdam;

 

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 31 augustus 2004, nr 16 , inzake invoering Wet kinderopvang;

 

overwegende dat vanwege de inwerkingtreding van de Wet kinderopvang een nieuwe Verordening op de Peuterspeelzalen dient te worden vastgesteld;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 20 van de Welzijnswet 1994; 

 

B E S L U I T :

 

Vast te stellen, de navolgende

 

 

VERORDENING PEUTERSPEELZALEN ALBLASSERDAM.

Hoofdstuk 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels worden verstaan onder:

  • a.

    burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van Alblasserdam; 

  • b.

    kindercentrum: kinderopvang in een ruimtelijke voorziening buiten een gezinssituatie, alsmede kinderopvang binnen een gezinssituatie indien de opvang betrekking heeft op meer dan vier kinderen gelijktijdig; 

  • c.

    peuterspeelzaal: een kindercentrum uitsluitend voor kinderen vanaf 2 jaar tot het moment waarop zij basisonderwijs kunnen volgen, met een maximale verblijfsduur van 3,5 uur per dag; 

  • d.

    functionaris:

    in een peuterspeelzaal werkzame persoon, die werkzaamheden verricht, opgenomen in de voor kinderopvang geldende CAO, en die over die werkzaamheden benodigde opleiding beschikt; 

  • e.

    houder: een natuurlijke of rechtspersoon die een peuterspeelzaal in stand houdt; 

  • f.

    NEN: door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut vastgestelde norm; 

  • g.

    begeleider: de in een peuterspeelzaal werkzame persoon, die anders dan als functionaris belast is met het bieden van verzorging en opvoeding of onderdak en begeleiding aan kinderen.

 

Artikel 2 Vergunningplicht

Het is verboden, zonder schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders, een peuterspeelzaal open te stellen of te houden.

Artikel 3
  • 1.

    Burgemeester en wethouders weigeren de vergunning indien niet wordt voldaan aan de kwaliteitsregels die in hoofdstuk 2 van deze verordening worden gesteld.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 zijn burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van de voorschriften in artikel 17 en de op artikel 11 gebaseerde nadere regels.

Artikel 4 Voorschriften en beperkingen
  • 1.

    Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2.

    Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 5 Behandeling aanvragen
  • 1.

    Op in behandeling genomen aanvragen is afdeling 2.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 2.

    Een ieder kan zijn zienswijzen over de aanvraag naar voren brengen.

Artikel 6 Termijnen
  • 1.

    Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om vergunning of op een verzoek tot ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag of het verzoek is ontvangen.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

Artikel 7 Aanhouding
  • 1.

    Burgemeester en wethouders houden de beslissing op de aanvraag om vergunning of het verzoek tot ontheffing aan, totdat zij een beslissing hebben genomen over de aanvraag voor een bouwvergunning overeenkomstig artikel 40, lid 1 van de Woningwet.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 6 nemen burgemeester en wethouders, voor zover de aanhouding bedoeld in het eerste lid langer duurt dan de in artikel 6 gestelde termijnen, de beslissing op een aanvraag om vergunning of een verzoek tot ontheffing zo spoedig mogelijk na afloop van de in artikel 6 bedoelde termijnen.

Artikel 8 Duur van de vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing wordt verleend voor maximaal vijf jaar.

Artikel 9 Verplichtingen van de houder
  • 1.

    De vergunning of ontheffing is niet overdraagbaar.

  • 2.

    De houder is verplicht aan burgemeester en wethouders te verstrekken die door of namens hen in verband met de huisvesting, verzorging en begeleiding van de kinderen van belang worden geacht.

  • 3.

    De houder is voorts verplicht om bij wijziging van de gegevens, die zijn verstrekt bij de vergunningaanvraag daarvan onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen aan burgemeester en wethouders.

  • 4.

    De vergunninghouder is verplicht de vergunning op een zichtbare plaats in de peuterspeelzaal op te hangen.

Artikel 10 Intrekken of wijzigen van vergunning of ontheffing
  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning of ontheffing intrekken of wijzigen:

    • a)

      indien ter verkrijging daarvan onjuiste danwel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

    • b)

      indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging daarvan wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is verstrekt;

    • c)

      indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften niet zijn of worden nagekomen;

    • d)

      indien binnen de termijn van één jaar geen gebruik van de vergunning wordt gemaakt;

    • e)

      indien de houder dit verzoekt. 

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de kinderen tijdelijke of blijvende sluiting van een peuterspeelzaal gelasten, indien naar hun oordeel dringende omstandigheden, die niet uit deze verordening voortvloeien, daartoe aanleiding geven.

Hoofdstuk 2 KWALITEITSREGELS

Artikel 11 Nadere regels
  • 1.

    De peuterspeelzaal dient hygiënisch en veilig te zijn en een deugdelijke inrichting te hebben.

  • 2.

    Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere regels te stellen waaraan het peuterspeelzaal, de houder en de in de peuterspeelzaal werkzame functionarissen en begeleiders moeten voldoen. Deze regels hebben betrekking op:

    • a)

      de verzorging en begeleiding van en het toezicht op de kinderen;

    • b)

      hygiënische toestand en veiligheid van het kindercentrum voor zover deze eisen noodzakelijk zijn voor de kinderopvang en hierin niet wordt voorzien bij of krachtens de Woningwet;

    • c)

      de aan functionarissen en begeleiders te stellen gezondheidseisen;

    • d)

      de aanwezigheid van gegevens in de peuterspeelzaal.

Artikel 12 Invloed van functionarissen en begeleiders op het gebied van de houder

De houder zorgt ervoor, dat de invloed van functionarissen en begeleiders op het beleid van de houder gewaarborgd is.

Artikel 13 Informatie aan ouders/verzorgers

De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouders/verzorgers voorafgaand aan het aangaan van de overeenkomst schriftelijk over:

  • a.

    het te voeren beleid, waaronder het pedagogisch gebied beleid en de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 15, derde lid;

  • b.

    de wijze waarop klachten worden behandeld;

  • c.

    de wijze waarop de inspraak is geregeld;

  • d.

    de wijze waarop het contact met de ouders/verzorgers wordt onderhouden.

Artikel 14 De aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering
  • 1.

    De houder van een peuterspeelzaal moet ten behoeve van in het centrum aanwezige functionarissen, begeleiders en kinderen een passende aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering afsluiten.

Artikel 15 Groepsgrootte en aantallen functionarissen
  • 1.

    De opvang van kinderen vindt in groepen plaats, met dien verstande dat een groep van kinderen vanaf 2 jaar tot het moment waarop zij basisonderwijs kunnen volgen gelijktijdig ten hoogste 20 kinderen omvat.

Artikel 16 Verblijfsruimte kindercentra
  • 1.

    Per groep is een ruimte beschikbaar, die per kind drie vierkante meter netto speel-/werkoppervlak bevat, bepaald overeenkomstig NEN 2580.

  • 2.

    Er is buitenspeelruimte beschikbaar, waarvan de oppervlakte minimaal vier vierkante meter per spelend kind bedraagt, bepaald overeenkomstig NEN 2580.

Artikel 17 Voorkoming verspreiding infectieziekten
  • 1.

    Het is aan de houder danwel aan degene die met de dagelijkse leiding is belast, verboden:

    • a)

      enig persoon tot de peuterspeelzaal of tot enige daarmee in verbinding staande lokaliteit toe te laten of daarin te vertoeven, wanneer, volgens of vanwege de directeur van de GGD, daarmee het gevaar van overbrenging van een infectieziekte, zoals genoemd in de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken, aanwezig is;

    • b)

      enig persoon tot de peuterspeelzaal of tot enige daarmee in verbinding staande lokaliteit toe te laten of daarin zelf te vertoeven, wanneer hij redelijkerwijs kan vermoeden dat daarmee het gevaar van overbrenging van een infectieziekte, zoals genoemd in de onder a. vermelde wet, aanwezig is.

  • 2.

    Van het in het eerste lid onder a. omschreven verbod is de houder ontheven, zodra de behandelend geneesheer een schriftelijke verklaring heeft afgegeven, dat de kans op overbrenging van een infectieziekte is uitgesloten.

  • 3.

    De bepalingen in het eerste en tweede lid laten onverlet de bepalingen krachtens de in het eerste lid onder a genoemde wet.

Hoofdstuk 3 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 18 Strafbepaling

Overtreding van artikel 2 en 9 en van de kwaliteitsregels in hoofdstuk 2 wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechtelijke uitspraak.

Artikel 19 Toezicht en opsporing
  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen personen aanwijzen, die belast zijn met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gestelde voorschriften.

  • 2.

    De opsporing van de in artikel 21 strafbaar gestelde feiten is, naast de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door burgemeester en wethouders met het toezicht op de naleving van deze verordening zijn belast, voor zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.

Artikel 20 Controle

Burgemeester en wethouders controleren tenminste éénmaal per jaar de houders op naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

Artikel 21 Overgangsbepaling

Een jaar na de inwerkingtreding van deze verordening dienen alle houders van peuterspeelzalen te voldoen aan de in of krachtens deze verordening gestelde eisen.

Artikel 22 Inwerkingtreding

Onder toepassing van artikel 25 van de Tijdelijke Referendumwet treedt deze verordening in werking 3 dagen na haar bekendmaking.

Artikel 23 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald onder de titel: "Verordening peuterspeelzalen gemeente Alblasserdam".

Ondertekening

Alblasserdam,9 december  2004
 
De raad voornoemd,
de griffier,                           de voorzitter,