Brandbeveiligingsverordening

Geldend van 01-01-1994 t/m heden

Intitulé

Brandbeveiligingsverordening

De raad van de gemeente Alblasserdam;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 november 1993, nr. 4955;

gelet op artikel 12 van de Brandweerwet 1985 (Stb. 87);

BESLUIT :

 

vast te stellen de BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING

Hoofdstuk I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsomschrijving

Onder inrichting wordt verstaan een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde plaats.

Artikel 1.2 Werkingssfeer

Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in de Woningwet en de Bouwverordening.

Hoofdstuk II BRANDVEILIG GEBRUIK

Paragraaf 1

Vergunning

Artikel 2.1.1 Vergunning gebruik inrichting
  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders een inrichting in gebruik te hebben of te houden, waarin:

    • a.

      meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een één ­of meersgezinshuis;

    • b.

      bedrijfsmatig de in artikel 2.2.2. bedoelde stoffen zullen worden opgeslagen;

    • c.

      aan meer dan tien personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;

    • d.

      aan personen in het kader van de Wet op de bejaardenoorden huisvesting zal worden verschaft;

    • e.

      aan meer dan tien personen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan tien lichamelijk en/of geestelijk gehandicapte personen, dagverblijf zal worden verschaft.

    • f.

      een onderkomen/verblijf is gevestigd voor ten minste vijf of meer verstandelijk gehandicapten, met of zonder begeleiding;

    • g.

      prostitutie wordt uitgeoefend, voor zover in de inrichting vijf of meer personen aanwezig kunnen zijn. 

  • 2.

    Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders kunnen nieuwe voorschriften aan de vergunning verbinden en/of gestelde voorschriften wijzigen of intrekken. Een dergelijke wijziging van de vergunning kan plaatsvinden als het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van

    - verandering van inzichten en/of

    - verandering van omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning.

Artikel 2.1.2 Weigeren vergunning

Een vergunning moet worden geweigerd indien de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn en door het stellen van voorschriften geen voldoende brandveilig gebruik kan worden bereikt

Artikel 2.1.3 Intrekken vergunning

Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken indien:

  • a.

    blijkt, dat zij de vergunning tengevolge van onjuiste of onvol­ledige gegevens hebben verleend;

  • b.

    blijkt, dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een voorschrift van de vergunning;

  • c.

    van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning; dan wel de datum of periode waarop of waarin een activiteit is voorzien waarvoor de vergunning is verleend, is verstreken zonder dat bedoelde activiteit heeft plaatsgevonden;

  • d.

    van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen gebruik is gemaakt;

  • e.

    het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting, opgetreden na het verlenen van de vergunning en het niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorschriften dat belang voldoende te beschermen.

Artikel 2.1.4 Verplicht aanwezige bescheiden

In de inrichting waar de activiteiten plaatsvinden waarop de vergunning betrekking heeft moet de vergunning aanwezig zijn en moet op verzoek van degene die is belast met de zorg voor de naleving van deze verordening, ter inzage worden gegeven.

Paragraaf 2

Het voorkomen van brand en het beperken van brand en brandgevaar

Artikel 2.2.1 Gebruikseisen voor inrichtingen
  • 1.

    Het is verboden een inrichting te gebruiken indien de wijze van gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht kan worden een brandveilig gebruik te zijn.  

  • 2.

    Het is verboden een inrichting te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals die per onderwerp vermeld staan in de van overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 3 bij de Bouwverordening.  

  • 3.

    Onverminderd het gestelde in het tweede lid is het verboden een inrichting niet zijnde een woonschip, uitgezonderd een woonschip waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van bewoners in combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals per onderwerp vermeld in de van overeenkomstige toepassing zijnde bijlage 4 bij de Bouwverordening.  

  • 4.

    Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van artikel 3 van bijlage 3, buiten toepassing verklaren.

Artikel 2.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben
  • 1.

    Het is verboden stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr. 188) in, op of nabij een inrichting aanwezig te hebben. 

  • 2.

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:  

    • a.

      het voorhanden hebben voor huishoudelijke en al het andere niet-bedrijfsmatige gebruik van de in het eerste lid bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage 5 van de bouwverordening aangegeven maximum hoeveelheden niet overschrijdt;

    • b.

      het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde stoffen in een inrichting waarvoor een vergunning overeenkomstig artikel 2.1.1. is verleend;

    • c.

      de brandstof in een inrichting tot het bewaren, bezigen of afleveren van vloeibare brandstoffen, die voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens de Besluit opslag in ondergrondse tanks in het kader van de Wet milieubeheer;

    • d.

      de brandstof in het reservoir bij een verbrandingsmotor;

    • e.

      de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander warmte-ontwikkelend toestel.  

  • 3.

    Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede lid, onder a, worden de inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid volledig meege­rekend.

Artikel 2.2.3 Opslag en verwerking stoffen

Stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (stcrt. 1992, nr. 188) moeten worden opgeslagen volgens de in bijlage 6 van de Bouwverordening aangegeven wijze.

Paragraaf 3

Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij brand

Artikel 2.3.1 Gebruiksgereed houden bluswaterwinplaatsen

De rechthebbende op een inrichting, ten behoeve waarvan een bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan worden beschikt.

Artikel 2.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen

Het is verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of te hebben dat daardoor het onmiddellijke gebruik of de zichtbaarheid wordt belemmerd van:

  • a.

    middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding van brand;

  • b.

    middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en dieren bij brand.

Artikel 2.3.3 Verrichten van werkzaamheden

Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstellings-, ­wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (stcrt. 1992, nr. 188), of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het gebruik aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten voldoende maatregelen zijn getroffen tegen het ontstaan van brand.

Artikel 2.3.4 Verbod open vuur en roken
  • 1.

    Het is verboden te roken of vuur te hebben:

    • a.

      in een ruimte in gebruik als opslagplaats van één of meer van de stoffen genoemd in de Regeling bouwbesluit brandveiligheid (Stcrt. 1992, nr. 104), alsmede artikel II van de Regeling tot wijziging (Stcrt. 1992, nr, 188), onder a. tot en met hi

    • b.

      bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare vloeistoffen en (of) gassen kunnen veroorzaken;

    • c.

      bij het vullen van een brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar gas.

  • 2.

    Van het verbod gesteld in het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen.

Artikel 2.3.5 Verboden handelingen met stoffen
  • 1.

    Het is verboden een brandbaar gas of gasmengsels uit een vat te doen overstromen in een ander vat dat niet bestemd of ingericht is om dat gas of gasmengsel te bevatten.

  • 2.

    Het is verboden gassen of gasmengsels in drukvaten of in leidingen te verwarmen.

  • 3.

    Het is verboden een brandbaar gas te bezigen voor het vullen van speelgoed, hobby- en sportartikelen, anders dan luchtvaartuigen bedoeld in de Regeling inzake het met bepaalde luchtvaartuigen opstijgen van en landen op alsmede het inrichten van niet als luchtvaartterreinen aangewezen terreinen (stcrt. 1988, 511).

  • 4.

    Het is verboden een brandbare vloeistof, een brandbaar gas of gasmengsel of een brandbare damp te laten wegstromen op zodanige wijze dat daardoor brand kan ontstaan.

  • 5.

    Het is verboden gloeiende vaste stoffen op te slaan, te vervoeren of weg te gooien op zodanige wijze dat daardoor brand kan ontstaan.

Artikel 2.3.6 Melden van brand en broei

Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit onmiddellijk aan de brandweer te melden.

Artikel 2.3.7 Bossen, heidevelden, venen
  • 1.

    De eigenaar van een naaldhoutbos, een heideveld, een veen of een ander terrein, dat met brandbare gewassen is begroeid, is verplicht -na een van burgemeester en wethouders ontvangen aangetekende brief -de voorschriften op te volgen, die burgemeester en wet­houders in die brief geven tot het voorkomen van brand en het beperken' van de gevolgen van brand.

  • 2.

    Onder een in het eerste lid genoemd naaldhoutbos wordt verstaan elke aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand, die voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout.

Hoofdstuk III STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 3.1 Toezicht op de naleving

Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.

Artikel 3.2 Strafbepaling

Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

Artikel 3.3 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
  • 1.

    Een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 3 van de Brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit dd. 6 december 1973, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een beslis­sing omtrent een dergelijke aanvraag, wordt afgedaan op grond van genoemde Brandbeveiligingsverordening en alle daarin aangebrachte wijzigingen.

  • 2.

    Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 3 van de Brand­beveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit dd. 6 december 1973, geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 2.1.1, voor zover deze niet krachtens overgangsrecht van de Bouwverordening geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 van de Bouwverordening.

Artikel 3.4 Slotbepaling
  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is afgekondigd.

  • 2.

    Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervalt de Brand­beveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit dd. 6 december 1973 en alle daarin aangebracht wijzigingen, voor die delen die door de inwerkingtreding van de Bouwverordening, vast­gesteld bij raadsbesluit dd. 4 maart 1993, niet zijn vervallen.

  • 3.

    Deze verordening kan worden aangehaald als: Brandbeveiligingsverordening.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 2 december 1993.
Alblasserdam, 2 december 1993
De raad voornoemd,
de secretaris,                                    de voorzitter,

Nota-toelichting

TOELICHTING

Algemeen

De Brandbeveiligingsverordening regelt het brandveilig gebruik van inrichtingen. Volgens de Brandweerwet 1985, artikel 12, is de Brand­beveiligingsverordening van toepassing voor zover in hetgeen zij regelt niet is voorzien bij of krachtens de Woningwet of enige andere wet. Ook andere wettelijke regelingen, die geheel of gedeeltelijk voorzien in de brandveiligheid, gaan voor de Brandbeveiligingsverordening. Concreet betekent dit dat regelingen als Bouwbesluit, Bouwverordening, maar ook Algemene Plaatselijke Verordening Alblasserdam 1988 (APV), een hogere status hebben dan de Brandbeveiligingsverordening. Wat betreft de APV is dit met name van belang bij het verbranden in de open lucht. Op grond van argumenten ter bescherming van de woon- en leefomgeving, ter bescherming van de flora en fauna, ter voorkoming van mogelijke hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door rook, roet, stof, walm of stank, verbiedt de APV het om in de open lucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

De verordening bevat geen voorschriften over het aanvragen, het voorbe­reiden en het beslissen op een verzoek om een vergunning. Deze onder­werpen zijn geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht (Stb. 1992, 315).

 

Artikelgewijze toelichting

Artikel 1

Het hier gehanteerde begrip voor inrichting is een ruime omschrijving. Met nadruk moet echter worden gesteld dat bouwwerken die onder de werking van het Bouwbesluit en de Bouwverordening vallen niet onder de werking van deze verordening vallen. Onder de werking van de verordening vallen onder meer wel bouwwerken die op het water drijven en los met de wal verbonden zijn, zoals hotelboten, opslagschepen en drijvende restaurants. Ook allerlei terreinen vallen onder het begrip inrichting, evenals (feest}tenten.

Artikel 2.1.1 Vergunning gebruik inrichting

Burgemeester en wethouders kunnen aan de vergunning voorschriften verbinden, zoals voorschriften met betrekking tot:

  • -

    stoffering en versiering;

  • -

    uitgangen en vluchtwegen;

  • -

    installaties;

  • -

    standbouw, podia, kramen e.d.;

  • -

    verbrandingsmotoren;

  • -

    verbod voor open vuur en vuurwerk

  • -

    bewaking en controle

  • -

    ventilatie en werkzaamheden

  • -

    brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen;

  • -

    opstellingsplannen;

  • -

    afval;

  • -

    doorlopend toezicht;

  • -

    brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande interne organisatie;

  • -

    het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een inrichting of in een inrichting met het oog op de brandveiligheid.

 

Ook zijn voorschriften van bouwkundige aard denkbaar, aangezien de hier bedoelde bouwsels niet onder de werking van de Woningwet vallen.

Artikel 2.1.2 Weigeren vergunning

Weigeringsgronden zijn in artikel 2.1.2 niet expliciet genoemd.

Toetsingsgronden voor een vergunning kunnen zijn:

  • a.

    voor de constructies – het Bouwbesluit en de bouwverordening;

  • b.

    voor het gebruik – de bijlagen van Bouwverordening en van de toelichting op de (model-) Bouwverordening 1992.

 

De situaties a en b betreffen uiteraard uitsluitend de brandveiligheid.

Een nadere omschrijving van de toetsingscriteria is gezien de diversiteit van de inrichtingen (tenten, hotelboten, kampeerterreinen e.d.) niet mogelijk.

 

Artikel 2.2.1 Gebruikseisen inrichtingen

 

Alleen de in artikel 2.1.1 genoemde inrichtingen zijn vergunning­plichtig. In artikel 2.2.1 wordt ook de brandveiligheid van niet­ vergunningplichtige inrichtingen geregeld.

 

Artikel 3.1 Toezicht op de naleving

Burgemeester en wethouders wijzen, in verband met de bij de Gemeente­lijke organisatieverordening (ex artikel 1 van de Brandweerwet 1985) opgedragen taken, in ieder geval de brandweer aan als de gemeentelijke dienst belast met het toezicht op de naleving van de Brandbeveiligingsverordening. De brandweer is de deskundige dienst om te adviseren over brandpreventie-voorschriften. Tevens kunnen ook andere personen met de naleving van de verordening worden belast, zoals bijvoorbeeld de afdeling Bouwzaken. Het verdient in elk geval aanbeveling bij de uitvoering van deze verordening en van andere verordeningen een coördinatie tot stand te brengen. Voor de opsporing van (onder meer) de in de Brandbeveiligingsverordening aangegeven strafbare feiten zijn door de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken uitsluitend aangewezen de commandanten en het personeel van gemeentelijke brandweren in de rang van adjunct-hoofdbrandmeester of hoger. Beschikkingen van de staatssecretaris van 24 maart 1986, nr. EB 85/V4828 (Stb. 1986, 84) en van 5 december 1986, nr. EB 86/V2859 (Stb. 1986, 247).

 

Artikel 3.2 Strafbepaling

 

Op grond van het facultatieve karakter van de in artikel 23 van de Brandweerwet 1985 genoemde strafbepaling is het ook mogelijk dat op overtreding van de regels van de Brandbeveiligingsverordening een lagere hechtenis of geldboete van de eerste of tweede categorie in de verordening gesteld worden.