Beleidsregels inzake de toepassing van wegingsfactoren kosten in de bestuurlijke voorprocedure 2010

Geldend van 14-10-2010 t/m 31-12-2015

Intitulé

Beleidsregels inzake de toepassing van wegingsfactoren kosten in de bestuurlijke voorprocedure 2010

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel;

gelet op artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 231, 242 en 244 van de Gemeentewet juncto artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

b e s l u i t:

vast te stellen de volgende:

beleidsregels inzake de toepassing van wegingsfactoren kosten in bestuurlijke voorprocedure.

Artikel 1 Definities

1. Belastingbedrag

In deze beleidsregels wordt verstaan onder belastingbedrag:

  • a.

    het bedrag van een belastingaanslag tezamen met de bij de belastingaanslag opgelegde bestuurlijke boete, of;

  • b.

    indien geen belastingaanslag is vastgesteld, maar wel een bestuurlijke boete is opgelegd: het bedrag van de boete, of;

  • c.

    het bedrag van de belasting die op aangifte is voldaan.

2. Belastingaanslag

Onder een belastingaanslag wordt mede verstaan een bedrag als bedoeld in artikel 233a, lid 2, aanhef en onderdeel a van de Gemeentewet.

3. In geschil zijnde belastingbedrag of WOZ-waarde

In deze beleidsregel wordt verstaan onder het in geschil zijnde belastingbedrag of WOZ-waarde zoals bedoeld in artikel 8 van deze beleidsregels:

  • a.

    het verschil tussen de door de heffingsambtenaar bij het oorspronkelijke bij beschikking vastgestelde belastingbedrag en het bij de uitspraak op bezwaar vastgestelde belastingbedrag;

  • b.

    het verschil tussen de door de heffingsambtenaar bij de oorspronkelijke waarde beschikking vastgestelde waarde van het onderhavige object en de bij uitspraak op bezwaar vastgestelde waarde.

Artikel 2 Voor bezwaar vatbare beschikkingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder voor bezwaar vatbare beschikkingen:

  • a.

    de WOZ-beschikkingen (de artikelen 22, 25, 26, 27 en 28 van de Wet waardering onroerende zaken);

  • b.

    de beslissing op een verzoek om ontheffing, vermindering of teruggaaf (artikel 242, derde lid van de Gemeentewet);

  • c.

    de beschikking invorderingsrente (artikel 30 van de Invorderingswet 1990);

  • d.

    het besluit geen aanslag op te leggen (artikel 12 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen);

  • e.

    de verrekening van voorlopige aanslagen (artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen).

Artikel 3 Toekenning van vergoeding van kosten

Het Besluit proceskosten bestuursrecht is van toepassing bij het toekennen van een vergoeding. Een vergoeding van kosten kan toegekend worden indien:

  • a.

    de beschikking herroepen wordt op grond van aan de heffingsambtenaar te wijten onrechtmatigheid, en;

  • b.

    het verzoek om vergoeding van kosten is ingediend voordat de heffingsambtenaar op het bezwaar heeft beslist. Een na de uitspraak ingediend verzoek is op grond artikel 7:15, lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht niet ontvankelijk;

  • c.

    de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar in redelijkheid zijn gemaakt en de belanghebbende op verzoek van de heffingsambtenaar de juiste gegevens tijdig en volledig heeft ingediend;

  • d.

    de onjuistheid van het besluit niet te wijten is aan de belanghebbende.

Artikel 4 Kosten die voor vergoeding in de bezwaarfase in aanmerking komen

  • a.

    Kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

  • b.

    Kosten van een getuige, deskundige of tolk die door de belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel een deskundige die aan de belanghebbende verslag heeft uitgebracht.

  • c.

    Reis- en verblijfkosten van de belanghebbende.

  • d.

    Verletkosten van de belanghebbende.

  • e.

    Kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken.

In alle gevallen dienen de geclaimde kosten redelijk en voldoende gespecificeerd te zijn.

Artikel 5 Geen vergoeding van kosten

Geen kostenvergoeding wordt verleend indien het bestreden besluit wordt bevestigd of het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Artikel 6 Verwijtbare onrechtmatigheid

De wet kosten bestuurlijke voorprocedures kent een vergoedingsplicht in de gevallen waarin het bestreden besluit wegens onrechtmatigheid wordt herroepen en deze onrechtmatigheid aan de heffingsambtenaar is te wijten. Herroeping vindt plaats wanneer het primaire besluit wordt gewijzigd omdat het oorspronkelijke besluit inhoudelijk onjuist is geweest.

Artikel 7 Geen verwijtbare onrechtmatigheid

Van een verwijtbare onrechtmatigheid is geen sprake indien de beschikking herroepen wordt:

  • 1.

    wegens een fout in de tenaamstelling, mits:

    • a.

      de heffingsambtenaar zich gehouden heeft aan de meest recent gemuteerde brongegevens (onder anderen het Kadaster, gemeentelijke bevolkingsadministratie(s), register van de Kamer van Koophandel, Rijksdienst voor het wegverkeer);

    • b.

      de heffingsambtenaar zich, in afwijking van de meest recent gemuteerde brongegevens, gehouden heeft aan de opgave van informatie en gegevens van belanghebbende(n) zelve;

  • 2.

    wegens een fout aan de beschikking ten grondslag liggende feiten, mits:

    • a.

      de heffingsambtenaar zich gehouden heeft aan de meest recent gemuteerde brongegevens (onder anderen het Kadaster, gemeentelijke bevolkingsadministratie(s), register van de Kamer van Koophandel, Rijksdienst voor het wegverkeer);

    • b.

      de heffingsambtenaar ten gevolge van een rekenfout of intoetsfout of een andere administratieve vergissing een inhoudelijk onjuist besluit heeft genomen.

Louter vormfouten, formele fouten, motiveringsgebreken of indien er sprake is van een ook voor belanghebbende duidelijke herkenbare fout (verschrijving of rekenfout) komen niet voor vergoeding in aanmerking. Fouten van de rechtshulpverlener worden in beginsel aan de belanghebbende toegerekend.

Artikel 8 Wegingsfactoren voor de berekening van de vergoeding voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand

Het bedrag van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand moet worden vastgesteld aan de hand van het in de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen forfaitaire tarief. De kosten voor het inroepen van rechtsbijstand moeten steeds in overeenstemming zijn met de gecompliceerdheid en bewerkelijkheid van de zaak en de daarmee verbandhoudende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.

De kosten voor het inroepen van rechtsbijstand moeten redelijk zijn. Het inroepen van rechtsbijstand wordt in ieder geval niet als redelijk beschouwd indien er sprake is van een verschrijving in het primaire besluit die bijvoorbeeld met een enkel telefoontje opgelost had kunnen worden.

De behandeling van een zaak in de bezwaarfase behoort in beginsel tot de categorie gemiddeld. Van wegingsfactor 1 wordt afgeweken, indien een zaak niet dient te worden aangemerkt als zijnde gemiddeld, maar als:

a. zeer licht (wegingsfactor 0,25).

Dit betreft onder andere kennelijk gegronde bezwaren waarvan onmiddellijk vaststaat dat er sprake is van strijd met de wet. Hieronder kunnen ook vallen, bezwaren waaraan in een ambtshalve genomen herzieningsbesluit tegemoetgekomen wordt. Ook bezwaarschriften gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit (ex artikel 6:2 Algemene wet bestuursrecht) worden aangemerkt als zijnde zeer licht. De verwachting is dat de werkbelasting van de rechtsbijstandverlener in dergelijke zaken niet hoog is. Ook de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van dergelijke zaken zal niet groot zijn;

b. licht (wegingsfactor 0,50).

Dit betreft zaken waarbij weinig tot geen beleidsvrijheid voor de heffingsambtenaar bestaat, zoals bij gebonden beschikkingen. Hierbij wordt opgemerkt dat niet alleen de wet de beoordelingsvrijheid van de heffingsambtenaar kan beperken, ook geldende verordeningen, dan wel beleidsregels kunnen de beoordelingsvrijheid van de heffingsambtenaar beperken. In dergelijke gevallen is het voor de rechtsbijstandverlener duidelijk aan welke voorwaarden de heffingsambtenaar dient te toetsen alvorens tot een besluit te komen. In verband hiermee wordt vermoed dat de werkbelasting van de rechtsbijstandverlener niet dermate hoog zal zijn. Ook de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van dergelijke zaken zal niet al te groot zijn;

c. zwaar (wegingsfactor 1,5).

Dit betreft zaken die inhoudelijk of juridisch als ingewikkeld dan wel complex of omvangrijk worden aangemerkt. Hierbij valt onder andere te denken aan bezwaren tegen besluiten die betrekking hebben op onduidelijke nieuwe wetgeving of besluiten waarin meerdere rechtsgebieden/regelgevingen een relevante rol spelen. Hierdoor zal de werkbelasting van de rechtsbijstandverlener naar verwachting hoger liggen dan bij gemiddelde zaken;

d. zeer zwaar (wegingsfactor 2).

Dit betreft zaken die inhoudelijk of juridisch als zeer ingewikkeld dan wel complex of zeer omvangrijk moeten worden aangemerkt. Hierbij kan gedacht worden aan (Europeesrechtelijke) zaken, waarbij zowel de wetsuitleg als de jurisprudentie geen uitkomst bieden. Daarnaast kan gedacht worden aan zaken met zeer complexe schade aspecten. In dergelijke gevallen zal de werkbelasting van de rechtsbijstandverlener zeer hoog liggen. Immers, de informatie is voor de rechtsbijstandverlener niet of nauwelijks voor handen.

Per individuele zaak zal beoordeeld moeten worden, welke wegingsfactor van toepassing is.

Artikel 9 Wegingsfactoren

Voor de toepassing van de wegingsfactoren, die zijn genoemd in onderdeel Cl van de bijlage bij het besluit proceskosten bestuursrecht, wordt een zaak aangemerkt als:

  • 1.

    zeer licht indien in geschil is:

    • a.

      een belastingbedrag van minder dan € 500,-- of;

    • b.

      een WOZ-waarde van minder dan € 50.000,-- of;

    • c.

      een belang, niet zijnde een belastingbedrag of een WOZ-waarde, dat in zwaarte vergelijkbaar is met een belastingbedrag minder dan € 500,-- dan wel een WOZ-waarde van minder dan

€ 50.000,--;

  • 2.

    licht indien in geschil is:

    • a.

      een belastingbedrag van € 500,- of meer, maar minder dan € 1.000,-- of;

    • b.

      een WOZ-waarde van € 50.000,- of meer, maar minder dan € 100.000,- of;

    • c.

      een belang, niet zijnde een belastingbedrag of een waarde, dat in zwaarte vergelijkbaar is met een belastingbedrag van € 500,- of meer, maar minder dan € 1.000,- dan wel met een WOZ-waarde van € 50.000,- of meer, maar minder dan € 100.000,-;

  • 3.

    gemiddeld indien in geschil is:

    • a.

      een belastingbedrag van € 1.000,- of meer, maar minder dan € 7.000,-, of;

    • b.

      een WOZ-waarde van € 100.000,- of meer, maar minder dan € 700.000,-, of;

    • c.

      een belang, niet zijnde een belastingbedrag of een WOZ-waarde, dat in zwaarte vergelijkbaar is met een belastingbedrag van € 1.000,- of meer, maar minder dan € 7.000,-, dan wel met een waarde van € 100.000,- of meer, maar minder dan € 700.000,-;

  • 4.

    zwaar indien in geschil is:

    • a.

      een belastingbedrag van € 7.000,- of meer, maar minder dan € 23.000,-, of;

    • b.

      een waarde van € 700.000,- of meer, maar minder dan € 2.300.000,-, of;

    • c.

      een belang, niet zijnde een belastingbedrag of een waarde, dat in zwaarte vergelijkbaar is met een belastingbedrag van € 7.000,- of meer, maar minder dan € 23.000,- dan wel met een waarde van € 700.000,- of meer, maar minder dan € 2.300.000,-;

  • 5.

    zeer zwaar indien in geschil is:

    • a.

      een belastingbedrag van € 23.000,- of meer, of;

    • b.

      een waarde van € 2.300.000,- of meer, of;

    • c.

      een belang, niet zijnde een belastingbedrag of een waarde, dat in zwaarte vergelijkbaar is met een belastingbedrag van € 23.000,- of meer, dan wel met een waarde van € 2.300.000,- of meer.

  • 6.

    Indien het geschil van een zaak zich richt tegen zowel de hoogte van de aanslag gemeentebelastingen als tegen de WOZ-waarde van een object, wordt voor de toepassing van de wegingsfactoren aangesloten bij lid 3 van dit artikel.

Artikel 10 Samenhangende zaken

  • 1. Hangt de zaak samen met andere zaken, dan worden de samenhangende zaken wat betreft de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als één zaak beschouwd.

  • 2. Samenhangende zaken zijn gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door één of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden gemaakte bezwaren waarin rechtsbijstand is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van het zelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn, artikel 3, lid 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

  • 3. De uitkomst van de berekening van de kosten wordt met een wegingsfactor van 1 vermenigvuldigd wanneer het gaat om twee of drie samenhangende zaken. Bij vier of meer samenhangende zaken wordt minimaal wegingsfactor 1,5 toegepast.

Artikel 11 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels toepassing van wegingsfactoren kosten in bestuurlijke voorprocedure 2010.

Artikel 12 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de dag volgende op die van de bekendmaking, doch niet eerder dan 1 oktober 2010.

Capelle aan den IJssel, 5 oktober 2010,

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris, de burgemeester,

G.Kruijt. J.F. Koen