Regeling vervallen per 01-01-2011

Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007

Geldend van 10-01-2007 t/m 06-02-2007

Hoofdstuk 1. Algemeen

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

  • Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

  • a. de verordening: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005;

  • b. Awb: de Algemene wet bestuursrecht;

  • c. cofinanciering: ten minste één andere partij dan de aanvrager en de provincie draagt bij in de kosten van de gesubsidieerde activiteit;

  • d. prestatiesubsidie: de subsidie, waarbij de subsidieontvanger ten aanzien van de te subsidiëren activiteiten óf wordt gestuurd op prestaties, óf op een combinatie van prestaties, bedrijfsvoering of middelen en waartegenover geen rechtstreekse baat staat voor de provincie.

  • e. stimuleringssubsidie: de subsidie die aan het bestaan van een organisatie bijdraagt of bepaalde activiteiten aanmoedigt of ondersteunt;

  • f. subsidietijdvak: een aaneengesloten periode waarvoor een subsidieplafond of deelplafond is vastgesteld;

  • g. bovengemeentelijk: de activiteiten vinden plaats in ten minste twee gemeenten;

  • h. regionaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste drie gemeenten;

  • i. provinciaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste zestien gemeenten.

Artikel 1.2. Toepassingsbereik

1

Dit besluit is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van de subsidies voor de exploitatie van het openbaar vervoer en de Programma Beheer subsidies.

Artikel 1.3. Subsidievormen

  • 2

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als prestatiesubsidie of als stimuleringssubsidie.

  • 2. Tenzij anders bepaald verstrekken Gedeputeerde Staten subsidie als prestatiesubsidie.

Artikel 1.4. Subsidieplafond en wijze van behandelen van aanvragen

3

Indien Gedeputeerde Staten een subsidieplafond vaststellen, worden subsidieaanvragen behandeld in volgorde van ontvangst. Hierbij geldt dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

Artikel 1.5. Stapeling

  • 1. Indien voor een activiteit subsidie kan worden verstrekt op grond van twee of meer paragrafen van dit uitvoeringsbesluit, dan kunnen Gedeputeerde Staten besluiten tot stapeling van de deelbijdragen. 4

  • 2. Indien voor één van de deelbijdragen een maximum geldt omdat een bepaald aandeel in de financiering wordt verlangd van de aanvrager zelf of derden, dan kan de totale provinciale bijdrage niet hoger zijn dan dat maximum. 5

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing als de activiteit bijdraagt aan meerdere provinciale beleidsdoelstellingen. In dat geval is stapeling van de provinciale bijdrage boven een gesteld maximum mogelijk voorzover een extra prestatie wordt geleverd om ook aan andere beleidsdoelen bij te dragen. 6

  • 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing bij cofinanciering uit de Europese structuurfondsen. 7

  • 5. Voorzover de voorschriften die gelden ten aanzien van de deelbijdragen van elkaar verschillen bepalen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening welke voorschriften van toepassing zijn. 8

Artikel 1.6. Subsidiabele kosten

  • 1. Subsidiabele Kosten zijn de voor de activiteiten of het project noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de door de aanvrager te leveren prestatie. 9

  • 2. De kosten van activiteiten zijn niet subsidiabel voorzover deze door de aanvrager van een subsidie kunnen worden teruggevorderd op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds, de Wet op de omzetbelasting 1968, of op grond van enige andere voorziening. 10

Artikel 1.7. Subsidieverplichtingen

11

Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot de wijze waarop bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten bekend wordt gemaakt dat de provincie Overijssel daarvoor subsidie heeft verstrekt.

Paragraaf 2. Stimuleringssubsidie

12

Artikel 1.8. Hoogte stimuleringssubsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste € 30.000,--.

Artikel 1.9. Indieningstermijn aanvraag om stimuleringssubsidie

Een aanvraag om stimuleringssubsidie kan gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Artikel 1.10. Gegevens en bescheiden bij aanvraag stimuleringssubsidie

  • De aanvrager van een stimuleringssubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval:

  • a. de statuten in het geval de aanvrager een rechtspersoon is, voorzover deze niet al eerder zijn overgelegd;

  • b. een werkplan met of een verslag van de activiteiten die de aanvrager gebruikelijk uitvoert om haar doel te bereiken.

Artikel 1.11. Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie

Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidievaststelling binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

Paragraaf 3. Prestatiesubsidie

Artikel 1.12. Prestatiesubsidie

13

Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren.

Subparagraaf 3.1. Niet per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies

14

Artikel 1.13. Indieningstermijn aanvraag tot verlening prestatiesubsidie

Een aanvraag om prestatiesubsidie wordt ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 1.14. Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening prestatiesubsidie

  • 1. De aanvrager van een prestatiesubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval:15

    • a.

      de statuten voorzover deze niet al eerder zijn overgelegd, tenzij de aanvrager een krachtens publiekrecht ingestelde rechtspersoon is;

    • b.

      een plan van de te leveren (deel)prestaties waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee na te streven effecten die bijdragen aan het realiseren van de provinciale beleidsdoelstellingen, alsmede de hoogte van de gevraagde subsidie en de onderbouwing daarvan;

    • c.

      een begroting voorzover het bedrag van de subsidie afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd.

  • 2. De aanvrager maakt op verzoek bij de aanvraag melding van subsidies of andere vormen van staatssteun die de subsidieontvanger, alsmede het eventuele moederconcern en/of dochters van de onderneming of het eventuele moederconcern hebben ontvangen in de drie jaren voorafgaand aan de subsidieaanvraag. Tevens wordt melding gemaakt van eventuele andere aanvragen die in behandeling zijn op het moment van de aanvraag voor subsidie op grond van dit uitvoeringsbesluit.16

Artikel 1.15. Subsidieverplichtingen

17

Indien het bedrag van de subsidie niet afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, kunnen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger een eventueel positief exploitatieresultaat besteedt in het verlengde van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend.

Artikel 1.16. Beslistermijn verlening prestatiesubsidie

18

Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidieverlening binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag om prestatiesubsidie, tenzij een uiterste termijn voor de indiening van de aanvraag geldt. De termijn van dertien weken begint in dat geval op de dag, nadat die uiterste termijn is verstreken.

Artikel 1.17. Voorschotverlening

19

Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.

Artikel 1.18. Indieningstermijn aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie

De subsidieontvanger dient binnen vier maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in.

Artikel 1.19. Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie

  • 20

  • 1. De aanvrager van een prestatiesubsidie overlegt bij de aanvraag een verslag van de geleverde (deel)prestaties en op verzoek de kosten daarvan.

  • 2. Indien de werkelijke kosten van de activiteiten van belang zijn voor het bepalen van het subsidiebedrag overlegt de aanvrager tevens een financieel verslag of de jaarrekening als bedoeld in artikel 2:361 van het Burgerlijk Wetboek, mits daaruit de financiële status blijkt van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend.

Artikel 1.20. Accountantsverklaring

  • 1. Indien artikel 1.19, tweede lid, van toepassing is én de verleende subsidie € 25.000,-- of meer bedraagt overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een accountantsverklaring ten aanzien van het financiële verslag of de jaarrekening, 21

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op publiekrechtelijke rechtspersonen.

  • 3. De accountantsverklaring betreft een schriftelijke verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag c.q. de jaarrekening. 22

  • 4. Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten, overeenkomstig artikel 4:79 Awb, bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. 23

Artikel 1.21. Lagere vaststelling

24

Voorzover het exploitatieresultaat bepalend is voor het bedrag van de subsidie en de activiteiten meer opbrengsten genereren danwel de kosten daarvan lager zijn dan begroot, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld.

Artikel 1.22. Beslistermijn vaststelling prestatiesubsidie

Gedeputeerde Staten beslissen omtrent vaststelling van de prestatiesubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.

Subparagraaf 3.2. Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen

Artikel 1.23. Toepasselijkheid andere bepalingen

  • 1. Afdeling 4.2.8 Awb is van toepassing op door Gedeputeerde Staten per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen, waarbij in de wetstekst voor de begrippen activiteiten en activiteitenplan prestaties respectievelijk prestatieplan moet worden gelezen. 25

  • 2. De artikelen 1.16 en 1.22 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing. 26

Artikel 1.24. Egalisatiereserve

  • 27

  • 1. Tenzij Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening anders bepalen, vormt de subsidieontvanger een egalisatiereserve overeenkomstig artikel 4:72 Awb.

  • 2. Per 31 december van enig subsidietijdvak mag de stand van de egalisatiereserve niet meer bedragen dan tien procent van de in het betreffende tijdvak verleende subsidie en de daarmee samenhangende inkomsten.

  • 3. Het bedrag waarmee de egalisatiereserve wordt overschreden, wordt in mindering gebracht op de vast te stellen subsidie over het in het tweede lid bedoelde subsidietijdvak.

Artikel 1.25. Uitbreiding accountantscontrole

28

Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tot subsidievaststelling tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 4:79 Awb is van toepassing.

Artikel 1.26. Voorschotverlening

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 100% van het verleende subsidiebedrag.

  • 2. De voorschotten worden per midden van de maand beschikbaar gesteld.

Subparagraaf 3.3. Vergelijkingsprocedure

29

Artikel 1.27. Toepasselijkheid

Deze subparagraaf is van toepassing indien dat in dit uitvoeringsbesluit of bij besluit van Gedeputeerde Staten is bepaald.

Artikel 1.28. Uitvraag

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen ten behoeve van de vergelijkingsprocedure een uitvraag vast.

  • 2. Een uitvraag bestaat uit een programma van eisen en een beoordelingsprocedure.

Artikel 1.29. Kennisgeving

30

Gedeputeerde Staten geven op geschikte wijze kennis aan de uitvraag.

Artikel 1.30. Programma van eisen

  • Het programma van eisen bevat in elk geval:

  • a. een beschrijving van de provinciale doelstellingen;

  • b. een beschrijving van de te leveren prestaties;

  • c. de eisen waaraan de aanvrager moet voldoen; 31

  • d. de criteria waaraan de te leveren prestaties moeten voldoen;

  • e. de termijn voor het indienen van aanvragen, die in ieder geval zes weken bedraagt;

  • f. het subsidieplafond;

  • g. het aantal te subsidiëren partijen;

  • h. de looptijd van de prestatiesubsidie;

  • i. de wijze van subsidieverstrekking.

Artikel 1.31. Beoordelingsprocedure

  • 32

  • 1. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen op basis van de in het programma van eisen opgenomen eisen en criteria als bedoeld in artikel 1.30., onderdeel c en d, in een prioriteitsvolgorde.

  • 2. Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie in volgorde van de vastgestelde prioriteit aan het aantal partijen als bedoeld in artikel 1.30., onderdeel g.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten in de uitvraag bepalen dat de subsidie wordt verstrekt aan het aantal partijen als bedoeld in artikel 1.30., onderdeel g, die de gevraagde prestaties tegen de laagste prijs kunnen leveren.

Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen Bestuurlijke Aangelegenheden

Paragraaf 1. Integrale veiligheid

33

Artikel 2.1. Criterium

34

Een aanvraag voor veiligheidssubsidie moet voldoen aan het volgende criterium: het project of de activiteit moet concrete meetbare resultaten opleveren met betrekking tot de doelstelling van het provinciale veiligheidsbeleid.

Artikel 2.2. Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de project- of activiteitkosten met een minimum van € 10.000,-- en een maximum van € 40.000,-- per project of activiteit.

Artikel 2.3. Indieningstermijn aanvraag

35

In afwijking van artikel 1.13. wordt een subsidieaanvraag ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van het kalenderjaar.

Artikel 2.4. Wijze van behandeling van aanvragen

  • 1. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen, die voldoen aan het in artikel 2.1. genoemde criterium, in een prioriteitsvolgorde waarbij rekening wordt gehouden met de volgende aspecten:

    • a.

      deelname van meerdere partijen;

    • b.

      activiteiten die gericht zijn op een bredere toepassing en implementatie van vernieuwende en/of succesvolle aanpak van onveiligheid;

    • c.

      bij voorkeur dient het project binnen één jaar na subsidietoekenning gerealiseerd te zijn en

    • d.

      bij voorkeur dient het project bovengemeentelijk te worden uitgevoerd.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor het bepalen van de rangschikking op de prioriteitenlijst aanvullende criteria formuleren.

  • 3. Indien Gedeputeerde Staten van hun bevoegdheid in het vorige lid gebruikmaken, maken zij deze criteria bekend gelijktijdig met de bekendmaking van het subsidieplafond.

  • 4. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voorzover het beschikbare bedrag zulks toestaat.

Artikel 2.5. Verplichting subsidieontvanger

De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie.

Paragraaf 2. Jeugd en veiligheid

36

Artikel 2.6. Criterium

  • 37

  • Een subsidieaanvraag voor jeugd en veiligheid moet voldoen aan de volgende criteria:

  • a. het project draagt aantoonbaar bij aan de realisatie van het provinciale veiligheidsbeleid in het algemeen en aan het provinciale jeugd en veiligheidsbeleid in het bijzonder;

  • b. de aanvraag is afkomstig van een gemeente of privaatrechtelijke rechtspersoon in de provincie Overijssel, die vanuit een non-profittaak betrokken is bij de uitvoering van het jeugd en veiligheidsbeleid.

Artikel 2.7. Indieningstermijn aanvraag

38

In afwijking van artikel 1.13. kan de subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.

Artikel 2.8. Voorschotverlening

39

In afwijking van artikel 1.17. verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening een voorschot van 80% van de verleende subsidie.

Artikel 2.9. Verplichting subsidieontvanger

De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie.

Paragraaf 3. Samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland)

40

Artikel 2.10. Criterium

  • Een aanvraag voor een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) moet voldoen aan de volgende criteria:

  • a. de aanvrager dient voor te komen in het Werkplan samenwerking Overijssel-Kurzeme (Letland) 2006;

  • b. het project of de activiteit moet concreet bijdragen aan de uitwisseling van kennis en ervaring of onderdeel zijn van bredere activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening.

Artikel 2.11. Stimuleringssubsidie

In afwijking van artikel 1.3., tweede lid, verstrekken Gedeputeerde Staten een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) in de vorm van een stimuleringssubsidie.

Artikel 2.12. Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt maximaal € 400,-- per persoon die deelneemt aan een kennisuitwisselingsproject of op jaarbasis € 700,-- voor activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening.

Hoofdstuk 3. Bijzondere bepalingen Economie, Milieu en Toerisme

Paragraaf 1. Europees Programma Doelstelling 2 

41

Artikel 3.1. Criteria

Subsidie kan worden verleend aan projecten die voldoen aan de criteria uit het Enkelvoudig Programmeringsdocument voor Oost-Nederland 2000-2006 (Doelstelling 2) zoals vastgesteld door de Europese Commissie op 6 augustus 2001. Geen subsidie wordt verleend voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten minder bedragen dan € 50.000,--.

Artikel 3.2. Indieningtermijn aanvraag

  • 1. In afwijking van artikel 1.13 wordt de aanvraag vóór 1 november of 1 mei ingediend. Gedeputeerde Staten kunnen andere data vaststellen voor het indienen van een aanvraag.

  • 2. Een subsidieaanvraag kan worden ingediend voor activiteiten die reeds zijn gestart, voor zover deze activiteiten niet vóór het besluit tot subsidieverlening van Gedeputeerde Staten zijn afgerond.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen van het bepaalde in het tweede lid afwijken indien de activiteiten zijn afgerond na de datum waarop de programma’s Doelstelling 2  door de Europese Commissie zijn goedgekeurd.

Artikel 3.3. Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening

  • In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens:

  • a. documenten waaruit blijkt dat de bekostiging van de medefinanciers is verzekerd;

  • b. een financiële uitgavenplanning in perioden van vier maanden;

  • c. de benodigde vergunningen; het ontbreken van de vergunningen staat niet in de weg aan het afgeven van een advies door de plaatselijke groep/stuurgroep;

  • d. alle stukken zoals genoemd in het Aanvraagformulier Europese subsidies.

Artikel 3.4. Wijze van behandeling van de aanvragen

  • 1. In afwijking van artikel 1.4 wordt een aanvraag om subsidie overeenkomstig de Administratieve Organisatie van de in deze paragraaf genoemde Europese programma’s behandeld. Hierbij wordt bij de subsidieverlening voorrang gegeven aan activiteiten die:

    • a.

      de gelijkheid van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt bevorderen, of

    • b.

      de kwaliteit van het milieu bevorderen door:

    • • het ontwikkelen van milieutechnologie, of

    • • het verminderen van de negatieve gevolgen van economische investeringen voor het milieu, of

    • • het verbeteren of herbestemmen van de functie van gebieden, of

    • c.

      passen binnen een strategische (gebieds)visie, of worden gedragen door de relevante lokale of regionale autoriteiten, instanties of sociaaleconomische partners, of

    • d.

      kunnen leiden tot substantiële private investeringen.

  • 2. Bij de weging van aanvragen in het kader van het Doelstelling 2-programma spelen de volgende factoren een rol:

    • a.

      de financiële eisen; met name de financiële dekking in verhouding tot de Europese bijdrage;

    • b.

      de beleidsinhoudelijke eisen van organen van de Europese Unie;

    • c.

      de bijdrage aan de indicatoren.

Artikel 3.5. Beslistermijn

In afwijking van artikel 1.16 beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken na ontvangst van het advies van de desbetreffende stuurgroep of plaatselijk groepen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste dertien weken worden verdaagd.

Artikel 3.6. Verlening van voorschot

  • 1. In afwijking van artikel 1.17 wordt bij de beschikking tot subsidieverlening een initiële bijdrage van 5% van de subsidie overgemaakt. Voor projecten met een maximale subsidieverlening van € 100.000,-- wordt de initiële bijdrage verhoogd tot 20% van de subsidie.

  • 2. Nadien zal, op basis van de voortgangsrapportage, naar rato van de aangetoonde gemaakte en betaalde kosten tot maximaal 90% van het budgettotaal worden uitbetaald. In bijzondere gevallen zal, ter beoordeling van Gedeputeerde Staten, de maximale bevoorschotting kunnen worden verhoogd tot 100% van het budgettotaal.

Artikel 3.7. Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De activiteiten dienen binnen twee maanden na de subsidieverlening te zijn gestart, in die zin dat de subsidieontvanger daadwerkelijk uitgaven ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten verricht.

  • 2. De activiteiten dienen te zijn uitgevoerd uiterlijk binnen 24 maanden na de subsidieverlening.

  • 3. De activiteiten dienen overeenkomstig de aanvraag en de daarbij behorende financiële planning te worden uitgevoerd.

  • 4. De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren op grond waarvan adequate tussentijdse rapportages kunnen worden opgesteld en tevens controles kunnen worden uitgevoerd door personen die door Gedeputeerde Staten zijn aangewezen, danwel door controleurs die bij of krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap hiertoe bevoegd zijn.

  • 5. Indien een subsidieontvanger wenst over te gaan tot het verstrekken van een opdracht dient te worden gehandeld overeenkomstig het door de provincie Overijssel vastgestelde aanbestedingsbeleid (vastgesteld door Gedeputeerde Staten d.d. 10 december 2002, kenmerk BA/2002/3475); boven de daarvoor geldende drempelwaarden dient overeenkomstig het Europees aanbestedingsbeleid te worden gehandeld. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen van het provinciaal aanbestedingsbeleid gemotiveerd afwijken. Dit is slechts mogelijk indien partijen op basis van aan te tonen marktconforme prijzen de opdracht uitvoeren.

Artikel 3.8. Rapportage

  • 1. De subsidieontvanger rapporteert schriftelijk drie keer per jaar aan Gedeputeerde Staten over de inhoudelijke en financiële voortgang van de activiteiten. Deze rapportages worden overgelegd binnen twee weken na 1 januari, 1 mei en 1 september van het desbetreffende jaar en hebben betrekking op de aan die datum voorafgaande periode van vier maanden. Bij deze rapportages worden tevens overgelegd de boekingsbescheiden over die periode en een overzicht van de in die periode voldane facturen.

  • 2. De subsidieontvanger doet onverwijld mededeling aan Gedeputeerde Staten over alle feiten en omstandigheden, waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij invloed kunnen hebben op het voortbestaan van het recht op subsidie, alsmede van een verzoek aan de rechtbank tot verlening van surseance van betaling of tot faillietverklaring van de ontvanger.

Artikel 3.9. Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1.18 dient de subsidieontvanger binnen drie maanden na afloop van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in, tenzij Gedeputeerde Staten bij de subsidieverlening een andere termijn hebben aangegeven.

Artikel 3.10. Terugvordering

Indien de bijdrage(n) uit de Europese middelen of de bijdrage uit de provinciale of rijksmiddelen als gevolg van een beslissing van de Commissie moet(en) worden aangepast, kunnen Gedeputeerde Staten de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling ten nadele van de ontvanger wijzigen en het eventueel betaalde terugvorderen.

Artikel 3.11. Vervreemding

Indien de subsidieontvanger de met de subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na subsidievaststelling wenst te vervreemden of aan derden ter beschikking te stellen, dient hij hiertoe een verzoek bij Gedeputeerde Staten in.

Artikel 3.12. tot en met 3.15

[vervallen]

Paragraaf 2. Bedrijvigheid en werkgelegenheid

Subparagraaf 2.1. Bedrijfsverplaatsingen

Artikel 3.16. Criteria

  • 1. Een gemeentebestuur binnen de provincie Overijssel kan subsidie aanvragen uit het fonds bedrijfsverplaatsingen Overijssel voor het verplaatsen van een inrichting dat ter plaatse een extern veiligheidsrisico vormt voor de leefomgeving. 42

  • 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      de te verplaatsen inrichting veroorzaakt een extern veiligheidsrisico door bedrijfsprocessen of door transporten van of naar die inrichting;

    • b.

      reductie tot een verwaarloosbaar risiconiveau van de inrichting is niet door actualisering van de milieuvergunning te realiseren; 43

    • c.

      het verplaatsen van de inrichting komt niet in aanmerking voor schadevergoeding op grond van het Besluit Beleidsregels compensatie meldingplichtige vuurwerkbedrijven, de schadevergoedingsregeling van de Wet milieubeheer of de schadevergoedingsregeling voor LPG-tankstations bij een te verplaatsen deel van de inrichting; 44

    • d.

      de koopprijs van de saneringslocatie inclusief de zich daarop bevindende gebouwen wordt door middel van een onafhankelijk taxatierapport marktconform vastgesteld;

    • e.

      het gemeentebestuur draagt ten minste hetzelfde bedrag bij als de door de provincie Overijssel verleende subsidie. 45

Artikel 3.17. Grondslag voor de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van het nettotekort met een maximum van € 250.000,-- per te saneren inrichting.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen het percentage van de subsidie of het bedrag genoemd in het eerste lid hoger vaststellen, indien een sanering in bijzondere mate van belang is voor het reduceren van het extern veiligheidsrisico ter plaatse. 

  • 3. Subsidie wordt voorts uitsluitend verstrekt ter dekking van de kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan het tot stand brengen van de sanering.

  • 4. Niet subsidiabel zijn de kosten voor:

    • a.

      ureninzet van personen in dienst van bestuursorganen of bedrijven, die voor meer dan de helft door de overheid worden gefinancierd, ten behoeve van voorbereiding, administratie en begeleiding van de activiteiten;

    • b.

      verrekenbare omzetbelasting en andere verrekenbare heffingen, belastingen of lasten;

    • c.

      bodemsanering voor zover verhaal op de vervuiler en/of aanspraak op fondsen bedoeld voor bodemsaneringactiviteiten mogelijk is;

    • d.

      rente-, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten;

    • e.

      extern projectmanagement;

    • f.

      activiteiten die kunnen worden gedekt uit de inkomsten die met deze activiteiten verband houden;

    • g.

      activiteiten die worden verricht ter voldoening aan enige wettelijke verplichting.

Artikel 3.18. Aanvullende stukken bij de aanvraag

  • In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens:

  • a. een verklaring van de houder van de inrichtingsvergunning, waarin deze zich bereid verklaart om een verzoek tot intrekking van de milieuvergunning in te dienen, danwel mededeling te doen dat niet langer gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die de artikelen 8.40 en 8.41 van de Wet milieubeheer bieden voor het uitvoeren van bedrijfsactiviteiten op de sanerings-locatie;

  • b. een gespecificeerde raming van de verwervings- en/of verwijderingskosten van de sanering door verplaatsing, waaruit het nettotekort blijkt, onderbouwd door een onafhankelijk taxatie-rapport van de saneringslocatie en de zich daarop bevindende gebouwen;

  • c. de opbouw en samenstelling van de gemeentelijke bijdrage;

  • d. een gespecificeerde raming van vergoedingen, opbrengsten of andere inkomsten, die het gemeentebestuur of de houder van de inrichtingsvergunning verkrijgen voor de sanering door verplaatsing, medeblijkend uit de gemeentelijke grondexploitatie van de herontwikkeling;

  • e. een afschrift van het besluit dat het gemeentebestuur een bestemmingsplanherziening heeft gestart voor de saneringslocatie opdat niet opnieuw activiteiten kunnen plaatsvinden die een extern veiligheidsrisico veroorzaken.

Artikel 3.19. Voorschotverlening

In afwijking van artikel 1.17 verstrekken Gedeputeerde Staten een voorschot, zodra het gemeentebestuur schriftelijk heeft bericht dat de uitvoering van het project is gestart.

Artikel 3.20. Verplichting subsidieontvanger

  • 1. De sanering door verplaatsing wordt binnen één jaar na verlening van de subsidie in uitvoering genomen en voltooid binnen drie jaar na verlening van de subsidie.

  • 2. In bijzondere omstandigheden kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van het gemeentebestuur de genoemde termijnen verlengen.

Artikel 3.21. Intrekking

Deze subparagraaf vervalt per 1 januari 2008.

Subparagraaf 2.2. In actie voor werkgelegenheid, Algemeen

Artikel 3.22. Toepasselijkheid

Deze subparagraaf is van toepassing op de subparagrafen 2.3 tot en met 2.14.

Artikel 3.23. Subsidiabele activiteiten

46

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de thema’s van het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel ‘In actie voor werkgelegenheid’ en plaatsvinden in Overijssel.

Artikel 3.24.

Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie voor de in een uitvraag als bedoeld in paragraaf 1.3.3 genoemde prestaties aan in ieder geval die organisaties die integraal uitvoering geven aan het economische beleid van de provincie.

Subparagraaf 2.3. In actie voor werkgelegenheid, Ruimte voor bedrijvigheid

47

Artikel 3.25. Subsidiabele activiteiten

  • 1. Binnen het thema Ruimte voor bedrijvigheid ligt de prioriteit op het ondersteunen van activiteiten gericht op de ontwikkeling van bedrijventerreinen in een regionale samenhang en het voorkomen van herstructurering van bedrijventerreinen in de toekomst. In dat kader kan subsidie worden gevraagd voor:

    • a.

      strategische planvorming ten aanzien van bovenlokale en bovenregionale bedrijventerreinen;

    • b.

      activiteiten gericht op verduurzaming van bedrijventerreinen, zoals parkmanagement, zorgvuldig ruimtegebruik, veiligheid, energie, hergebruik afvalstoffen en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

  • 2. Verder kan subsidie worden gevraagd voor:

    • a.

      activiteiten gericht op het wegnemen van belemmeringen voor bedrijven om te ondernemen;

    • b.

      activiteiten die zijn gericht op het promoten en versterken van het Overijssels ondernemingsklimaat en het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid.

Artikel 3.26. Grondslag voor de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,--.

  • 2. De volgende kosten zijn niet subsidiabel:

    • a.

      interne kosten;

    • b.

      verrekenbare belastingen, heffingen of lasten;

    • c.

      rente, bank, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten;

    • d.

      afschrijvingskosten;

    • e.

      kosten van planschade;

    • f.

      kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering.

Subparagraaf 2.4. In actie voor werkgelegenheid, Herstructurering van bedrijventerreinen

Artikel 3.27. Subsidiabele activiteiten

  • Binnen het thema Herstructurering van bedrijventerreinen kan subsidie worden gevraagd voor:

  • a. het opstellen van masterplannen voor een duurzame herstructurering van bestaande bedrijventerreinen;

  • b. het oplossen van knelpunten bij de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen;

  • c. de uitvoering van herstructurering van bestaande bedrijventerreinen.

Artikel 3.28. Criteria

  • 1. Aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub b, moeten voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      het betreft een knelpunt op organisatorisch vlak, op het gebied van kennis of op juridisch gebied;

    • b.

      het ontstaan van het knelpunt is aantoonbaar onvoorzien;

    • c.

      het knelpunt belemmert de herstructurering, waardoor op korte termijn een oplossing is geboden.

  • 2. Aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub c, moeten voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag is afkomstig van een gemeente in de provincie Overijssel;

    • b.

      het betreft een bedrijventerrein ouder dan tien jaar, gemeten vanaf het moment van eerste bedrijfsvestiging op het betreffende bedrijventerrein;

    • c.

      de financiering van het herstructureringsproject is na de verlening van de subsidie sluitend;

    • d.

      er is draagvlak bij de betrokken partijen;

    • e.

      het door het herstructureringsproject bereikte kwaliteitsniveau van het bedrijventerrein blijft ook na afloop van de subsidieperiode in stand.

Artikel 3.29. Grondslagen voor de subsidie

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 3.27, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.000,--.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 3.27, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,--.

  • 3. De subsidie als bedoeld in artikel 3.27, onder c, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 500.000,--, met dien verstande dat:

    • a.

      marktconforme opbrengsten die gedurende de looptijd van het project worden gerealiseerd, worden van de kosten afgetrokken;

    • b.

      ingeval dat gebouwen of grond op het moment van subsidievaststelling nog niet zijn verkocht, verpacht of verhuurd, worden de verwachte opbrengsten uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het moment van indiening van de aanvraag om subsidievaststelling door een onafhankelijke taxateur vastgesteld.

  • 4. De volgende kosten zijn niet subsidiabel:

    • a.

      interne kosten;

    • b.

      verrekenbare belastingen, heffingen of lasten;

    • c.

      rente, bank, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten;

    • d.

      afschrijvingskosten;

    • e.

      kosten van planschade;

    • f.

      kosten van werkzaamheden die verband houden met bodemsanering.

Artikel 3.30. Vaststelling subsidie

In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub b, geen besluit tot subsidieverlening vooraf.

Artikel 3.31. Aanvullende stukken bij de aanvraag

  • 48

  • 1. In afwijking van artikel 1.19 overlegt de aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub b, bij de aanvraag tevens een offerte voor het oplossen van het ontstane knelpunt.

  • 2. In afwijking van artikel 1.19 overlegt de aanvrager van een subsidie als bedoeld in artikel 3.27, sub c, bij de aanvraag tevens:

    • a.

      een door het gemeentebestuur vastgesteld masterplan;

    • b.

      een draagvlakverklaring;

    • c.

      een plan van aanpak hoe na afloop van het herstructureringsproject het bereikte kwaliteitsniveau van het bedrijventerrein wordt gewaarborgd.

Subparagraaf 2.5. In actie voor werkgelegenheid, Innovatie is broodnodig

Artikel 3.32. Criteria

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen aan:

    • a.

      activiteiten in de Netwerkstad Zwolle Kampen, Salland, Noordwest-Overijssel, Noordoost-Overijssel en de Stedendriehoek die beogen het innovatievermogen van ondernemingen te vergroten en clusters en netwerken te professionaliseren;49

    • b.

      die organisaties die integraal uitvoering geven aan het innovatiebeleid van de provincie. 50

  • 2. Activiteiten als bedoeld in het eerste lid, sub a, komen alleen voor subsidie in aanmerking als sprake is van samenwerking door of voor minimaal vijf MKB-ondernemers. 51

  • 3. Activiteiten als bedoeld in het eerste lid, sub a, die zich afspelen in de netwerkstad Zwolle-Kampen en de Stedendriehoek moeten zijn afgestemd met respectievelijk de Stuurgroep Kennispoort Zwolle en de Stuurgroep Innovatie van de stedendriehoek. 52

Artikel 3.33. Grondslag subsidie

Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.32, eerste lid, sub a, bedraagt de subsidie maximaal 50% van de kosten met een maximum van € 30.000,--.

Subparagraaf 2.6. In actie voor werkgelegenheid, Innovatie in bedrijf

53

Artikel 3.34. Criteria

  • 54

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen voor activiteiten in het kader van Innovatie in bedrijf. Hieronder vallen:

    • a.

      een door een externe adviseur aan een MKB-ondernemer schriftelijk uitgebracht advies over de uitvoering van een project die het innovatievermogen van de onderneming vergroot (onderzoeksproject); 55

    • b.

      een project van een MKB-ondernemer die voor eigen rekening en risico een nieuw product, een technische nieuwe werkwijze, nieuwe systemen, danwel wezenlijke onderdelen daarvan gaat ontwikkelen waaraan voor de ondernemer risico’s verbonden zijn en die het innovatie-vermogen van de onderneming vergroot (ontwikkelproject). 56

  • 2. Voor subsidies als bedoeld in het eerste lid moet gebruik worden gemaakt van het door SenterNovem te Zwolle beschikbaar gestelde formulier (met toelichting) en de bijbehorende indieningswijze. 57

  • 3. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid, sub a, moet voldoen aan de volgende criteria: 58

    • a.

      de activiteiten hebben geen betrekking op werkzaamheden uitgevoerd binnen de sectoren dienstverlening of toerisme;

    • b.

      per kalenderjaar en per ondernemer worden maximaal twee aanvragen gehonoreerd;

    • c.

      de minimale kosten van een project bedragen € 2.500,--.

  • 4. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid, sub b, moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      de activiteit mag niet leiden tot een aanmerkelijke verhoging van de milieudruk of aanmerkelijke toename van energiegebruik;

    • b.

      de activiteiten hebben geen betrekking op werkzaamheden uitgevoerd binnen de sectoren dienstverlening of toerisme;

    • c.

      per kalenderjaar en per ondernemer wordt maximaal één aanvraag gehonoreerd;

    • d.

      de minimale kosten van een project bedragen € 20.000,--.

Artikel 3.35. Grondslag subsidie

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub a, bedraagt maximaal 40% van de projectkosten met een maximum van € 10.000,--.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub b, bedraagt maximaal 40% van de projectkosten met een maximum van € 30.000,--.

  • 3. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub a, worden als projectkosten uitsluitend de kosten in aanmerking genomen die de subsidieontvanger maakt na het indienen van de aanvraag met betrekking tot het uitgebrachte advies en welke de subsidieontvanger uiterlijk vier maanden na het uitbrengen van het advies aan de extern adviseur heeft betaald.

  • 4. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub b, worden in aanvulling op artikel 1.5, eerste lid, als subsidiabele projectkosten aangemerkt de voor het project noodzakelijke en daaraan rechtstreeks toe te rekenen kosten die door de subsidieontvanger worden gemaakt na het indienen van de aanvraag. 59

Artikel 3.36. Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1. Voor de activiteiten als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, mogen voorafgaand aan het indienen van de subsidieaanvraag geen verplichtingen zijn aangegaan.

  • 2. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub a, geldt dat het externe advies waarop de subsidieverlening betrekking heeft binnen zes maanden na subsidieverlening dient te zijn uitgebracht.

  • 3. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub a, geldt dat de subsidieontvanger de kosten uiterlijk vier maanden na het uitbrengen van het advies aan de extern adviseur dient te hebben betaald.

  • 4. Voor de subsidie als bedoeld in artikel 3.34, eerste lid, sub b, geldt dat het ontwikkelproject dient te worden uitgevoerd in de provincie Overijssel.

Artikel 3.37. Anticumulatiebepaling

Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt wordt slechts een zodanig be-drag aan subsidie verleend, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan 100% van de projectkosten.

Artikel 3.38. De minimisbepaling

Het bedrag van de maximale subsidie wordt verlaagd voor zover dit tezamen met in de drie voorgaande kalenderjaren door een bestuursorgaan verstrekte subsidies of andere niet marktconforme voordelen, waarvoor van de Europese Commissie geen goedkeuring is verkregen, meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 2 van de Verordening 69/2001 van de Europese Commissie.

Artikel 3.39. Voorschotverlening

In afwijking van artikel 1.17 worden er geen voorschotten verleend.

Subparagraaf 2.7. In actie voor werkgelegenheid, Kennispark Twente

60

Artikel 3.40. Criteria

Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen voor activiteiten die zijn omschreven in het Programmaplan Kennispark Twente.

Artikel 3.41. Grondslag subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 3.40 bedraagt minimaal € 10.000,-- en maximaal € 500.000,--.

Subparagraaf 2.8. In actie voor werkgelegenheid, Breedband

Artikel 3.42. Criteria

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen voor activiteiten die vallen binnen het kader van het Actieprogramma Breedband Overijssel 2005-2007.

  • 2. Voor deze activiteiten gelden de volgende aanvullende eisen:

    • a.

      er is sprake van scheiding van infrastructuur en diensten om een open glasvezelinfrastructuur te creëren;

    • b.

      er wordt zoveel mogelijk gebruikgemaakt van bestaande infrastructuur;

    • c.

      de breedbanddienst vergroot de toegang en het gebruik van het breedbandnetwerk;

    • d.

      de breedbanddienst heeft een demonstratie-effect naar andere instellingen en bedrijven;

    • e.

      de exploitatie van de breedbanddienst moet voor minimaal drie jaar zijn gewaarborgd en de dienst is toepasbaar voor meer partijen dan alleen de projectindieners;

    • f.

      de breedbanddienst draagt bij aan de doelstellingen die binnen diverse beleidsterreinen zijn verwoord in het provinciale Onderhandelingsakkoord ‘Ruimte voor actie’ 2003-2007;

    • g.

      bij de ontwikkeling en productie van de breedbanddienst is actieve participatie van het bedrijfsleven vereist.

Artikel 3.43. Grondslag subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 3.42 bedraagt maximaal 50% van de kosten.

Subparagraaf 2.9. In actie voor werkgelegenheid, Clustergerelateerde activiteiten

Artikel 3.44. Criteria

61

Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema ‘Innovatie is broodnodig’ clustergerelateerde subsidies verstrekken aan die organisaties die integraal uitvoering geven aan de innovatieroute in Twente.

Artikel 3.45. Grondslag subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 3.44 bedraagt maximaal 100% van de kosten.

Subparagraaf 2.10. In actie voor werkgelegenheid, Bedrijfsgerichte trajecten

Artikel 3.46. Criteria

  • 62

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen voor bedrijfsgerichte trajecten aan die organisaties die zich richten op het vergroten van het innovatievermogen en stimuleren van de kennisoverdracht aan individuele MKB-ondernemingen.

  • 2. Projecten zoals bedoeld het eerste lid komen alleen voor subsidie in aanmerking als het project op meer dan 15 MKB-bedrijven is gericht en bijdragen aan de integrale uitvoering van provinciaal innovatiebeleid.

Artikel 3.47. Grondslag subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 3.46 bedraagt maximaal 50% van de kosten.

Subparagraaf 2.11. In actie voor werkgelegenheid, Pieken in de Delta Oost-Nederland

Artikel 3.48. Criteria

63

Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema Innovatie is broodnodig subsidie verlenen aan activiteiten en projecten die bijdragen aan de actielijnen in het Uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta Oost-Nederland (PIDON), die een bijdrage leveren aan de uitvoering van projecten uit de Twentse Innovatieroute en de Innovatieagenda Oost-Nederland.

Artikel 3.49. Grondslag subsidie

De subsidie als bedoeld in artikel 3.48 bedraagt maximaal 50% van de kosten.

Artikel 3.50. Anticumulatiebepaling

Indien ter zake van de projectkosten of een deel daarvan reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt wordt slechts een zodanig be-drag aan subsidie verleend, dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan 100% van de projectkosten.

Artikel 3.51. De minimisbepaling

Het bedrag van de maximale subsidie wordt verlaagd voor zover dit tezamen met in de drie voor-gaande kalenderjaren door een bestuursorgaan verstrekte subsidies of andere niet marktconforme voordelen, waarvoor van de Europese Commissie geen goedkeuring is verkregen, meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 2 van de Verordening 69/2001 van de Europese Commissie.

Subparagraaf 2.12. In actie voor werkgelegenheid, Werkgelegenheidssubsidie Kennisintensieve Maakindustrie

Artikel 3.52. Criteria

64

Gedeputeerde Staten kunnen binnen het thema ‘Innovatie is broodnodig’ subsidie verlenen aan een onderneming die behoort tot de kennisintensieve maakindustrie voor het creëeren van ten minste vijf nieuwe arbeidsplaatsen in de provincie Overijssel (WKM-subsidie).

Artikel 3.53. Grondslag subsidie

  • a. De WKM-subsidie bedraagt maximaal € 4.000,-- per gerealiseerde arbeidsplaats. 65

  • b. Het maximale subsidiebedrag bedraagt € 80.000,-- per onderneming.

Artikel 3.54. Voorschotverlening

In afwijking van artikel 1.17 worden er geen voorschotten verleend.

Artikel 3.55. Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1.18 wordt een subsidieaanvraag tot vaststelling ingediend na de realisatie van de nieuwe arbeidsplaatsen, doch uiterlijk 12 maanden na de indiening van de aanvraag om subsidieverlening.

Artikel 3.56. Accountantsverklaring

In afwijking van artikel 1.20 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tot vaststelling van een WKM-subsidie een accountantsverklaring als bedoeld in artikel 1.20, derde en vierde lid.

Artikel 3.57. Lagere vaststelling

66

In aanvulling op artikel 1.21 wordt de subsidie als bedoeld in artikel 3.52 recht evenredig verlaagd, indien gedurende het tijdvak gelegen tussen één jaar voor de indiening van de aanvraag en de in-diening van de aanvraag, binnen de onderneming van de aanvrager of binnen de groep waartoe de onderneming behoort, arbeidsplaatsen zijn komen te vervallen.

Subparagraaf 2.13. In actie voor werkgelegenheid, Arbeidsmarkt en onderwijs

Artikel 3.58. Criteria

  • 1. Binnen het thema Arbeidsmarkt en onderwijs kan subsidie worden aangevraagd voor:

    • a.

      activiteiten die de samenwerking tussen arbeidsmarktpartijen bevorderen en transparantie van de arbeidsmarkt vergroten;

    • b.

      activiteiten die de aansluiting tussen arbeidsmarkt en onderwijs verbeteren.

  • 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      de activiteit wordt bij voorkeur in samenwerkingsprojecten gerealiseerd;

    • b.

      de activiteit is gericht op het bevorderen van een betere aansluiting tussen vraag en aanbod van arbeid;

    • c.

      de activiteit is gericht op het verhogen van de arbeidsparticipatie, met speciale aandacht voor kwetsbare groepen op de regionale arbeidsmarkt;

    • d.

      de activiteit is voorwaardenscheppend.

Artikel 3.59. Grondslag voor de subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.

Subparagraaf 2.14. In actie voor werkgelegenheid, Kwaliteitsimpuls recreatie en toerisme

Artikel 3.60. Criteria

  • 67

  • 1. Binnen het thema Kwaliteitsimpuls recreatie en toerisme kan subsidie worden aangevraagd voor:

    • a.

      activiteiten in het kader van de toeristische infrastructuur in Overijssel; te weten:

    • i

      activiteiten voor het beheer en onderhoud van openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur in Overijssel;

    • ii activiteiten die bijdragen aan de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen;

    • b.

      activiteiten in het kader van de bevordering van toerisme in Overijssel; te weten:

    • i

      activiteiten van die organisaties die uitvoering geven aan de bevordering en vermarkting van het toerisme in de provincie Overijssel met daarin provinciebrede aandacht voor regionale toeristische merken, regio-overschrijdende thema’s, ontwikkeling en innovatie van producten, onderzoek en kennisoverdracht;

    • ii activiteiten die de promotie en marketing van recreatief en toeristisch Overijssel stimuleren;

    • iii activiteiten die het innovatief vermogen van ondernemers stimuleren.

  • 2. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid, sub a, onderdeel ii, en sub b, moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd;

    • b.

      de activiteit is nieuw voor Overijssel;

    • c.

      de activiteit is bovengemeentelijk gericht.

  • 3. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid, sub a, onderdeel i, moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag wordt gedaan door een gemeentebestuur of een samenwerkingsverband van gemeenten in Overijssel;

    • b.

      de exploitatie moet voor minimaal drie jaar na de realisatie zijn gewaarborgd;

    • c.

      openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur moet vóór 1 januari 1998 tot stand gebracht zijn.

Artikel 3.61. Grondslag voor de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 35% van de subsidiabele kosten van een project.

  • 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidies voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen, alsmede voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur, ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.

  • 3. De subsidiabele kosten van een project bedragen ten minste € 25.000,--.

  • 4. De kosten van ‘Onvoorzien’ boven het maximum van 5% van de totale subsidiabel gestelde kosten worden als niet-subsidiabel aangemerkt. Hierbij is tevens een absoluut maximum van € 10.000,-- van toepassing. Deze aanvulling is niet van toepassing op het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur.

Artikel 3.62. Verbod vervreemding

  • 1. Gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de uit te voeren werken zijn opgeleverd, behoudt de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 3.60, lid 1, sub a, onderdeel ii, en sub b, de onroerende zaak waarop de werken worden uitgevoerd in eigendom of erfpacht, danwel het recht van opstal.

  • 2. Gedurende deze termijn van vijf jaar mag aan de onroerende zaken of werken geen andere bestemming worden gegeven dan die welke zij hadden ten tijde van de subsidieverlening. Door middel van een voorafgaande schriftelijke toestemming kunnen Gedeputeerde Staten hiervan afwijken.

Paragraaf 3. Duurzame ontwikkeling

Artikel 3.63. Stimuleren milieukwaliteit

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan organisaties die integraal uitvoering geven aan het stimuleren van de belangen voor de beleidsterreinen natuur, milieu en landschap met aandacht voor educatie en burgerparticipatie en die een samenwerkingsverband vormen van lokale en regionale vrijwilligersorganisaties op deze beleidsterreinen.

Subparagraaf 3.1. Leren voor duurzame ontwikkeling

68

Artikel 3.64. Criteria

  • 69

  • 1. Besturen van gemeenten, waterschappen of andere instellingen of organisaties met rechtspersoonlijkheid die zich (mede) ten doel stellen om in Overijssel activiteiten op het gebied van het Provinciaal AmbitieStatement Leren voor duurzame ontwikkeling (PAS) uit te voeren, kunnen subsidie aanvragen voor activiteiten die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van het PAS.

  • 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      de activiteiten behoren niet tot het werk van de aanvrager dat op andere wijze wordt gefinancierd;

    • b.

      de aanvrager heeft geen winstoogmerk met de activiteiten;

    • c.

      de aanvrager bestemt voor verbreiding van de leerervaringen, ten minste 5% van de totale lasten;

    • d.

      de aanvrager toont aan dat de financiële opzet sluitend is indien de gevraagde provinciale subsidie wordt toegekend.

Artikel 3.65. Grondslag voor de subsidie

  • 70

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van het exploitatietekort, dat wordt vastgesteld door de baten van de activiteiten op de kosten van de activiteiten in mindering te brengen.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen posten van de begroting voor de activiteiten buiten beschouwing laten indien zij van mening zijn dat deze niet noodzakelijk zijn voor het realiseren van de activiteiten.

Artikel 3.66. Indieningstermijn

In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag waarop in de eerste respectievelijk tweede helft van een kalenderjaar wordt beslist, ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van dat kalenderjaar.

Artikel 3.67. Stukken bij de aanvraag

  • 71

  • In het prestatieplan als bedoeld in artikel 1.14 zijn de volgende elementen opgenomen:

  • a. de doelgroep(en) waarop de activiteiten zijn gericht, rekening houdend met de prioritaire groepen zoals in het PAS aangegeven;

  • b. de beoogde resultaten en effecten in meetbare termen en hoe de indicatoren daarvan worden gemeten;

  • c. de leerprocessen die in de activiteit zijn opgenomen;

  • d. de dimensies van duurzaamheid die in de activiteit betrokken zijn; dit moeten er ten minste drie zijn;

  • e. de wijze waarop de activiteit in samenwerking met andere organisaties, instellingen en/of personen wordt uitgevoerd;

  • f. de aanvang en duur van de activiteiten, waarbij de afronding met inbegrip van de projectevaluatie vóór 31 december 2007 ligt;

  • g. de wijze waarop de aanpak en de resultaten van de activiteit voor derden beschikbaar gemaakt worden.

Artikel 3.68. Subsidieplafond

72

Gedeputeerde Staten kunnen na 1 oktober van enig jaar besluiten om voor de resterende periode van het jaar het subsidieplafond danwel deelplafonds bij deze paragraaf opnieuw vast te stellen, rekening houdend met het bedrag dat nog niet tot besteding is gekomen. Indien zij hiertoe overgaan, maken Gedeputeerde Staten dit vóór 15 oktober van het kalenderjaar bekend.

Artikel 3.69. Wijze van behandeling van de aanvragen

  • 73

  • 1. In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde.

  • 2. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag dit toestaat.

Subparagraaf 3.2. Vermindering afvalstoffen en Schoner Produceren

Artikel 3.70. Criteria

  • 1. Subsidie kan worden gevraagd voor:

    74

    • a.

      een activiteit met een experimenteel of innovatief karakter die tot doel heeft of ertoe kan leiden dat de hoeveelheid huishoudelijk afval vermindert of op een hoogwaardiger wijze wordt verwerkt, of

    • b.

      een activiteit die past binnen het beleidskader als vastgelegd in de beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.

  • 2. Een subsidieaanvraag heeft geen betrekking op individuele bedrijfssteun.

  • 3. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      er vindt nulmeting en eindmeting plaats naar de bereikte milieueffecten; hierover wordt gerapporteerd;

    • b.

      voor de voorgenomen activiteit is niet eerder een subsidie ontvangen op basis van deze paragraaf van het Uitvoeringsbesluit;

    • c.

      de activiteit wordt kosteneffectief uitgevoerd;

    • d.

      kennisoverdracht van relevante resultaten is mogelijk;

    • e.

      de activiteit voorziet in een behoefte van de doelgroep(en) van het project;

    • f.

      de activiteit is gericht op het bevorderen van een zo efficiënt mogelijk gebruik van afvalstoffen, water en energie bij het industriële MKB.

Artikel 3.71. Grondslag voor de subsidie

  • 75

  • 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.68, eerste lid, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 6.800,--. 76

  • 2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.68, eerste lid, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 18.000,--. Het in het tweede lid genoemde maximumbedrag per project geldt voor projecten die passen binnen de notitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.

  • 3. Niet subsidiabel zijn de kosten van:

    • a.

      vaste personeelslasten en omzetbelasting, voor zover deze laatste niet door de subsidieontvanger kan worden teruggevorderd;

    • b.

      voorbereiding en ontwikkeling, administratie en accountant;

    • c.

      dat deel van de activiteit dat voorafgaand aan de subsidieverlening door Gedeputeerde Staten is gestart.

Subparagraaf 3.3. Bio-energie

Artikel 3.72. Criteria

  • 77

  • 1. Subsidie kan worden gevraagd voor de externe kosten van het uitvoeren van haalbaarheidsstudies voor de realisatie van:

    • a.

      bio-energie-installaties;

    • b.

      inzamelingsstructuren voor regionale biomassa.

  • 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan het criterium dat de subsidieontvanger zelf voor minimaal 20% bijdraagt in de totale subsidiabele kosten.

Artikel 3.73. Grondslag voor de subsidie

  • 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder a, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 6.000,--.

  • 2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.72, eerste lid, onder b, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximumbedrag van € 10.000,--.

Subparagraaf 3.4. Roetfilter in voertuig

Artikel 3.74. Criteria

  • 1. Kentekenhouders van een personen- of bestelauto met een dieselmotor kunnen subsidie aan-vragen voor het inbouwen van een ongebruikte roetfilter in dat voertuig. 78

  • 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan artikel 2.1, eerste lid en artikel 2.2 van de Subsidiere-geling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen met een dieselmotor. 79

  • 3. Aanvullend daarop gelden de volgende criteria:

    • a.

      de kentekenhouder van het voertuig is een particulier;

    • b.

      de kentekenhouder van het voertuig is woonachtig in de provincie Overijssel;

    • c.

      de factuur voor de inbouw van het roetfilter mag niet aan een onderneming zijn gericht; 80

    • d.

      de inbouw van het roetfilter is door het inbouwende bedrijf gemeld aan de Dienst Wegver-keer door middel van een door die dienst daartoe geaccepteerd netwerk.

Artikel 3.75. Grondslag voor de subsidie

  • 81

  • 1. De subsidie bedraagt € 200,-- per ingebouwd roetfilter.

  • 2. Per personen- of bestelauto wordt slechts éénmaal subsidie verstrekt.

Artikel 3.76. Vaststelling subsidie

In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 3.74 niet een besluit tot subsidieverlening vooraf.

Artikel 3.77. Indieningstermijn aanvraag vaststelling subsidie

In afwijking van artikel 1.18 wordt een subsidieaanvraag ingediend bij SenterNovem in Zwolle van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 met gebruikmaking van een bij die organisatie verkrijgbaar formulier.

Subparagraaf 3.5. Investeren in duurzaam Overijssel

Artikel 3.78. Criteria

  • 82

  • 1. Subsidie kan worden verleend voor de volgende activiteiten die zijn benoemd in het Uitvoeringsplan Investeren in duurzaam Overijssel 2007:

    • a.

      het uitvoeren van een proefproject voor levering en distributie van alternatieve (niet-fossiele) brandstoffen in het verkeer;

    • b.

      het uitvoeren van een regionaal consulentschap voor het stimuleren en ondersteunen van opdrachtgevers en initiatiefnemers van duurzaam bouwen;

    • c.

      het uitvoeren van een voorbeeldproject in het kader van beheer en/of herstructurering van een bedrijventerrein dat bij uitstek een voorbeeldfunctie ter versterking van de duurzaamheid kan vervullen;

    • d.

      het uitvoeren van een project minimilieuzorg in het midden- en kleinbedrijf;

    • e.

      het ontwikkelen en uitvoeren van een themagericht voorlichtings- en educatieprogramma met gelijktijdige ontwikkeling van bij het thema passende activiteiten, indien dit in samenwerking op provinciale schaal wordt uitgevoerd door centra die als hoofddoelstelling hebben de Overijsselse bevolking te informeren over natuur, milieu en/of duurzaamheid.

  • 2. De activiteit vindt in het jaar 2007 plaats.

Artikel 3.79. Grondslag voor de subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 60% van het exploitatietekort van de activiteit. 83

  • 2. De subsidie kan op een hoger percentage worden vastgesteld indien de activiteit in buitengewone mate bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen van het Uitvoeringsplan. Het tweede lid biedt de mogelijkheid om in buitengewone gevallen activiteiten voor een hoger percentage te subsidiëren.

Artikel 3.80. Indieningstermijn

84

In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag worden ingediend tot en met 30 september 2007.

Artikel 3.81. Subsidieplafond

  • 85

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen per categorie van activiteiten zoals onderscheiden in artikel 3.78 een subsidieplafond vaststellen.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor elke categorie van activiteiten het subsidieplafond per 1 juli 2007 aanpassen, rekening houdend met de bedragen die nog niet tot besteding zijn gekomen en maken een dergelijke wijziging vóór 15 juli 2007 bekend.

Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen Landbouw, Natuur en Landschap

Paragraaf 1. Faunabeheereenheden

Artikel 4.1. Criteria

86

Een aanvraag voor subsidie ten behoeve van faunabeheereenheden, zoals vermeld in artikel 29 van de Flora- en Faunawet, is gericht op de uitvoering van een faunabeheerplan op basis van artikel 30 van die wet.

Artikel 4.2. Grondslag

De subsidie als bedoeld in 4.1., bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten.

Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen Ruimte, Wonen en Bereikbaarheid

Paragraaf 1. Effectuering ruimtelijk beleid

87

Artikel 5.1. Criteria

  • 1. Gedeputeerde staten kunnen subsidie verlenen in de externe kosten van onderzoek en planontwikkeling van ruimtelijke projecten. De projecten moeten bijdragen aan uitgangspunten/doelstellingen van het streekplan en aan de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel. 88

  • 2. Een aanvraag voor subsidie uit het budget voor effectuering ruimtelijk beleid:

    • a.

      is afkomstig van een gemeente of een rechtspersoon, die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel;

    • b.

      wordt beoordeeld naar de mate waarin het project bijdraagt aan de realisering van de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid.

  • 3. Een aanvraag wordt tevens beoordeeld naar de mate waarin voldaan wordt aan één of meer van de volgende criteria:

    • a.

      uitvoeringsgerichtheid; 89

    • b.

      bovengemeentelijke of regionale betekenis; 90

    • c.

      voorbeeldwerking; 91

    • d.

      katalysatorwerking; 92

    • e.

      integraliteit; 93

    • f.

      structureel effect. 94

Artikel 5.2. Grondslag subsidie

  • 95

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste de helft van de kosten van de ruimtelijke activiteiten van een project. De hoogte van de subsidie hangt af van het aantal financierende partners en van de mate waarin het beoogde resultaat voldoet aan de in artikel 5.1. genoemde criteria.

  • 2. Niet subsidiabele kosten zijn investeringskosten, bouw- en sloopkosten, exploitatielasten en overheadkosten van de aanvrager.

Artikel 5.3. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag voor effectuering ruimtelijk beleid gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 2. Stedelijke vernieuwing Overijssel

96

Artikel 5.4. Begripsbepalingen

  • a. Wsv: Wet stedelijke vernieuwing;

  • b. programmagemeente: gemeente als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder a, Wsv;

  • c. projectgemeente: gemeente als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, Wsv;

  • d. commissie: de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving;

  • e. ISV: ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’;

  • f. Beleidskader: Beleidskader ISV 2 Provincie Overijssel;

  • g. reserve ISV: de bestemmingsreserve ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’.

Artikel 5.5. Reserve ISV

  • 1. Gedeputeerde Staten zijn belast met het beheer van de reserve ISV.

  • 2. Aan de reserve ISV worden in ieder geval toegevoegd de bijdragen van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als bedoeld in artikel 5, derde lid, Wsv.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen overige voor stedelijke vernieuwing aangemerkte middelen aan de reserve ISV toevoegen.

  • 4. Niet bestede middelen blijven in de reserve ISV. Over de niet bestede middelen wordt jaarlijks per 31 december rente berekend en aan de reserve ISV toegevoegd.

Artikel 5.6. Grondslag subsidie en subsidieplafond

  • 1. De hoogte van de subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing bestaat uit:

    • a.

      een door Gedeputeerde Staten te bepalen deel van de in het vierde lid van artikel 5.5. bedoelde middelen en

    • b.

      voor programmagemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid, Wsv ontvangen middelen;

    • c.

      voor projectgemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid, Wsv ontvangen middelen.

  • 2. Het subsidieplafond voor programmagemeenten bestaat uit het bedrag dat op basis van artikel 5.11, eerste lid, sub a en b, voor deze gemeente beschikbaar is.

  • 3. Het jaarlijkse subsidieplafond voor projectgemeenten bestaat uit één vijfde deel van het in overeenstemming met het in het eerste lid, sub a en c, berekende beschikbare bedrag.

Paragraaf 3. Stimulering re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed

97

Artikel 5.7. Begripsbepaling

98

Industrieel erfgoed: fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn;

Agrarisch erfgoed:  boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn;

Transformatieplan:  verkenning  en beschrijving van mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen industrieel of agrarisch erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 5.8. Criteria

  • Een aanvraag voor subsidie in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) een transformatieplan in het kader van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’ moet voldoen aan de volgende criteria:

  • a. de activiteit draagt bij aan één of meer doelstellingen van het provinciale stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel 2004-2007’; 99

  • b. de activiteit heeft betrekking op in cultuurhistorisch opzicht waardevol industriecomplex, fabriek of boerderij en bijbehorend erf;

  • c. de activiteit vindt niet plaats in de landbouwontwikkelingsgebieden van het reconstructieplan Salland-Twente; 100

  • d. bij agrarisch erfgoed gaat het om vrijgekomen of vrijkomende agrarische bebouwing, dat wil zeggen gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een agrarische bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn (geweest);

  • e. ontwerpende partijen dienen te beschikken over gedegen ontwerpkwaliteit. 101

Artikel 5.9. Grondslag subsidie

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten van een transformatieplan met betrekking tot industrieel erfgoed, met een maximum van € 25.000,--.

  • 2. De subsidie voor een transformatieplan met betrekking tot agrarisch erfgoed bedraagt eveneens ten hoogste 50% van de kosten met een maximum van € 10.000,--.

Artikel 5.10. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13. kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend

Artikel 5.11. Aanvullende stukken

  • De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14. bij de aanvraag tevens:

  • a. kaarten en fotomateriaal van het betreffende erfgoed en het gebied waarin het is gelegen;

  • b. een beknopte toelichting over de cultuurhistorische waarden;

  • c. documenten waaruit blijkt dat de desbetreffende gemeente instemt met het opstellen van het transformatieplan;

  • d. informatie over opleiding en ervaring van de deskundige(n) die het transformatieplan zal (zullen) opstellen.

Artikel 5.12. Adviescommissie

  • 102

  • 1. Een subsidieaanvraag wordt om advies voorgelegd aan het programmateam, dat binnen acht weken advies uitbrengt aan Gedeputeerde Staten

  • 2. Het programmateam is samengesteld uit één of enkele deskundigen op het gebied van cultuurhistorie, architectuur en landschap, de programmaleider en een beleidsmedewerker.

Artikel 5.13. Verplichtingen subsidieontvanger

  • 103

  • 1. De subsidieontvanger dient binnen drie maanden na subsidieverlening te zijn gestart met het opstellen van het transformatieplan.

  • 2. De subsidieontvanger stemt in met mogelijke publicatie van de projectresultaten door Gedeputeerde Staten.

Paragraaf 4. Realisatie van verkeers- en vervoersprojecten

104

Artikel 5.14. Criteria

  • 105

  • 1. Gemeenten, waterschappen en samenwerkingsverbanden van gemeenten in West-Overijssel kunnen subsidie aanvragen voor het realiseren van verkeers- en vervoersprojecten. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      het project past in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan Overijssel;

    • b.

      het project past in het bestedingsplan als bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer;

    • c.

      het project is uitvoeringsgereed.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid geldt ten aanzien van een subsidieaanvraag voor de realisatie van infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat de subsidiabele kosten van het project ten minste € 25.000,-- moeten bedragen.

  • 3. In aanvulling op het eerste lid geldt dat een subsidieaanvraag voor de realisatie van niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten dat het project moet passen in een vastgesteld gemeentelijk verkeersveiligheidsplan.

Artikel 5.15. Grondslag subsidie

  • 106

  • 1. De subsidie voor infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt:

    • a.

      ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten voor openbaar vervoersprojecten en verkeersongevallenconcentratiepunten;

    • b.

      ten hoogste 50% voor de overige infrastructuurprojecten.

  • 2. De subsidie voor niet-infrastructurele verkeers- en vervoersprojecten bedraagt ten hoogste 75% van de projectkosten.

  • 3. Subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid zijn:

    • a.

      verwerving (voorzover direct voor het project nodig);

    • b.

      50% van het verleggen van kabels/leidingen/riolering;

    • c.

      werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting;

    • d.

      bijkomende voorzieningen om de betrokken infrastructuur zijn functie te kunnen laten vervullen.

  • 4. Ten aanzien van het eerste lid worden als niet-subsidiabele kosten aangemerkt:

    • a.

      kosten die gemaakt zijn voordat de subsidieaanvraag wordt ingediend;

    • b.

      voorbereiding en administratie;

    • c.

      vervanging van kabels/leidingen/riolering;

    • d.

      directievoering en toezicht;

    • e.

      kosten voor eigen dienst of voor algemene bestuurslasten;

    • f.

      vervanging en beheer en onderhoud.

Artikel 5.16. Indieningstermijn aanvraag

  • 107

  • 1. In afwijking van artikel 1.13. wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van verkeers- en vervoersprojecten ingediend voor 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt een subsidieaanvraag voor de realisatie van verkeers- en vervoersprojecten, welke betrekking hebben op het kalenderjaar 2007, ingediend voor 15 november 2006.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen voor specifieke projecten afwijken van de in het eerste en tweede lid genoemde indieningstermijnen en daarbij aangeven of voor die projecten een aanvraag moet worden ingediend en op welke wijze.

Artikel 5.17. Wijze van behandeling van de aanvragen

108

In afwijking van artikel 1.4. plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 5.15. genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde.

Artikel 5.18. Beslistermijn

In afwijking van artikel 1.16. beslissen Gedeputeerde Staten binnen dertien weken nadat het advies van het bestuurlijk vervoerberaad West-Overijssel is ontvangen. Gedeputeerde Staten beslissen in ieder geval uiterlijk binnen zesentwintig weken nadat de indieningstermijn als bedoeld in artikel 5.16., eerst lid, is verstreken.

Artikel 5.19. Accountantsverklaring

  • 109

  • 1. Artikel 1.20. is van overeenkomstige toepassing op de aanvrager die een publiekrechtelijk rechtspersoon is.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.20., vierde lid, betreft de accountantsverklaring eveneens de rechtmatige besteding van het beschikbaar gestelde subsidiebedrag.

Paragraaf 5. Bouwimpuls Overijssel

110

Artikel 5.20. Criteria

  • 1. Gemeenten kunnen subsidie aanvragen voor een bouwproject dat voor een substantieel deel bestaat uit woningbouw.

  • 2. Gemeenten, woningbouwcorporaties, projectontwikkelaars en privaatrechterlijke rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor het doen van onderzoek of het ontwikkelen van plannen ter voorbereiding van woningbouwprojecten.

  • 3. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      het moet gaan om een bouwproject dat voor een substantieel deel bestaat uit woningbouw;

    • b.

      het project moet aansluiten bij het provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk en woonbeleid;

    • c.

      het project moet aansluiten bij een of meer speerpunten van het provinciaal woonbeleid zoals omschreven in het Onderhandelingsakkoord provincie Overijssel 2003-2007 ‘Ruimte voor actie’.

Artikel 5.21. Grondslag subsidie

  • 111

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 5.20., eerste lid, bedraagt ten hoogste 50% van het subsidiabele exploitatietekort met een maximum van € 500.000,-- per project.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 5.20., tweede lid, bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,-- per project.

Artikel 5.22. Indieningstermijn aanvraag

  • 1. In afwijking van artikel 1.13. wordt een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.25., eerste lid, ingediend voor 1 maart en 1 augustus van het jaar voorafgaand aan de uitvoering van het project.

  • 2. In afwijking van artikel 1.13. kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 5.25., tweede lid, gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Artikel 5.23. Aanvullende stukken bij aanvraag

  • De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14. bij de aanvraag tevens:

  • a. het projectplan met daarin een beschrijving van de eigendomssituatie;

  • b. exploitatierekening, inclusief een dekkingsplan.

Artikel 5.24. Wijze van behandeling van de aanvragen

  • 1. In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 5.20., eerste lid, die voldoen aan de daar genoemde criteria in een prioriteitsvolgorde op basis van een afweging op de volgende aspecten:

    • a.

      voorkeur voor bouwprojecten op de provinciale Aanjaaglijst Stimulering Woningbouwproductie;

    • b.

      voorkeur voor inbreidingsprojecten boven uitbreidingsprojecten;

    • c.

      voorkeur voor bouwprojecten met een groter aantal woningen;

    • d.

      voorkeur voor bouwprojecten met (innovatieve) toepassingen van duurzaam bouwen (inclusief duurzaam energiegebruik).

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor het bepalen van de rangschikking op de prioriteitenlijst aanvullende criteria formuleren.

  • 3. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voorzover het beschikbare bedrag zulks toestaat.

Artikel 5.25. Verplichting subsidieontvanger

  • 1. De uitvoering van een bouwproject als bedoeld in artikel 5.20., eerste lid, start uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsidie.

  • 2. Uiterlijk binnen één jaar na verlening van de subsidie als bedoeld in artikel 5.20., tweede lid, is het onderzoek afgerond of het plan ontwikkeld.

Paragraaf 6. Locatiegebonden subsidies, Stedelijke regio Zwolle-Kampen

112

Artikel 5.26. Begripsbepaling

  • In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. BLS: Besluit locatiegebonden subsidies;

  • b. Convenant: Convenant woningbouwafspraken 2005 tot 2010 provincie Overijssel (provincie Overijssel, Stedelijke regio Zwolle-Kampen);

  • c. Contractperiode: 2005 t/m 2009;

  • d. Primos-prognose 2003: Prognose-, informatie- en monitoringssysteem 2003, ABF research, Delft, november 2003.

Artikel 5.27. Criterium

Voorwaarde voor subsidie is dat gedurende de contractperiode de toevoegingen aan de woningvoorraad en de eigenbouw is gerealiseerd conform het BLS en het Convenant.

Artikel 5.28. Grondslag subsidie

  • 1. Gedeputeerde Staten verdelen de van het Rijk ontvangen subsidiebedragen ten behoeve van toevoegingen aan de woningvoorraad over de Stedelijke regio Zwolle-Kampen op basis van de Primos-prognose 2003:

    • a.

      de gemeente Zwolle: 76,7%;

    • b.

      de gemeente Kampen: 23,3%.

  • 2. Indien door de toevoeging aan de woningvoorraad door eigenbouw hoger is dan het drempelaantal als genoemd in het Convenant ontvangt de provincie middelen van het Rijk. Deze middelen zullen worden verdeeld naar rato van het aandeel van Zwolle en Kampen van de realisatie van de in eigenbouw gerealiseerde woningen in overeenstemming met de eisen genoemd in artikel 6 van het BLS.

Artikel 5.29. Subsidieverlening en voorschotverlening

  • 1. Gedeputeerde Staten verlenen de bijdragen aan de gemeenten, met inachtneming van de betalingsregeling van het Rijk.

  • 2. Voorschotverlening door Gedeputeerde Staten vindt in afwijking van artikel 1.17. jaarlijks plaats na voorschotverlening van het Rijk conform de tot dan toe gebouwde woningen in overeenstemming met de eisen als genoemd in hoofdstuk 5 van het BLS. 113

Artikel 5.30. Vaststelling subsidie

  • 114

  • 1. Uiterlijk voor 15 maart 2010 dient een eindrapport te worden ingediend over de in het tijdvak gerealiseerde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad en gerealiseerde eigenbouw. 115

  • 2. Uiterlijk 15 maart 2011 dient een aanvullend eindrapport te worden ingediend over de toevoegingen aan de woningvoorraad in 2010, als bedoeld in artikel 14 BLS, en het realiseren van eigenbouw, als bedoeld in artikel 15 BLS. 116

  • 3. Het eindrapport en het aanvullende eindrapport gaan vergezeld van een accountantsverklaring conform de eisen als genoemd in artikel 1.19. van dit besluit en artikel 16, lid 3 BLS.

  • 4. In afwijking van artikel 1.18. en 1.22. stellen Gedeputeerde Staten na afloop van de convenantperiode de subsidie vast met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 7 en 13 BLS en het Convenant. 117

  • 5. Indien de subsidie van een van de gemeenten lager wordt vastgesteld en over het grondgebied wordt voldaan aan de prestaties als genoemd in het BLS en het Convenant, dan worden de overgebleven middelen herverdeeld over de gemeenten Zwolle en Kampen naar rato van het aandeel van de gerealiseerde woningen.  

Hoofdstuk 6. Bijzondere bepalingen Water en Bodem

Paragraaf 1. Stimulering bodemonderzoek

118

Artikel 6.1. Criteria

  • 1. Een aanvraag voor subsidie stimulering bodemonderzoek moet voldoen aan de volgende criterium: het betreft een bodemonderzoek op een locatie waar de provincie Overijssel bevoegd gezag is op grond van de Wet bodembescherming en waar de bodemverontreiniging de door het provinciaal bestuur gewenste ontwikkelingen belet of belemmert.

  • 2. Onder bodemonderzoek wordt verstaan: oriënterend bodemonderzoek, nader bodemonderzoek, saneringsonderzoek of het opstellen van een saneringsplan.

Artikel 6.2. Grondslag subsidie

  • 119

  • 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% en maximaal € 50.000,-- van de werkelijk gemaakte projectkosten, zulks met een maximum van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bedrag.

  • 2. Als werkelijk gemaakte projectkosten worden aangemerkt de na verlening van de subsidie door een subsidieontvanger gemaakte en betaalde externe kosten, voor zover deze rechtstreeks aan het project zijn toe te rekenen.

Artikel 6.3. Indieningstermijn aanvraag

120

In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag jaarlijks worden ingediend in de perioden 1 januari tot en met 30 april, 1 mei tot en met 31 augustus alsmede in de periode 1 september tot en met 31 december.

Artikel 6.4. Aanvullende stukken bij aanvraag

  • 121

  • 1. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag tevens alle door Gedeputeerde Staten verlangde onderzoeksgegevens, het belang van het bodemonderzoek in maatschappelijke zin en een planning van het bodemonderzoek.

  • 2. In afwijking van artikel 1.14 hoeft de aanvrager bij de aanvraag geen statuten te overleggen.

Artikel 6.5. Subsidieplafond

  • 122

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.

  • 2. Het als subsidieplafond vastgestelde budget wordt gelijkelijk verdeeld over de drie in artikel 6.3 bedoelde perioden.

  • 3. Ingeval het beschikbare budget voor enige periode niet wordt uitgeput, wordt het resterende deel overgeheveld naar een volgende periode, ook als deze valt in een ander kalenderjaar.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen per periode zoals bedoeld in artikel 6.3 projecttypen vaststellen. Projecten die overeenstemmen met de vastgestelde projecttypen, komen bij de verdeling van de voor die periode beschikbare middelen met voorrang in de bepaalde prioriteitsvolgorde voor subsidie in aanmerking.

  • 5. Gedeputeerde Staten kunnen per periode een thema vaststellen. Bij de verdeling van de voor die periode beschikbare middelen komen uitsluitend projecten voor subsidie in aanmerking die passen binnen het vastgestelde thema.

  • 6. Gedeputeerde Staten maken het voor een periode geldend thema of de prioriteitsvolgorde voor projecttypen drie maanden voor de aanvang van de betreffende periode bekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:42 Awb.

Artikel 6.6. Wijze van behandeling van de aanvragen

  • In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten volledige subsidieaanvragen, die voldoen aan het in artikel 6.1 genoemde criterium, in een prioriteitsvolgorde. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende aspecten:

  • a. het milieuhygiënische voordeel dat met het project kan worden behaald; 123

  • b. de mate waarin het project een bijdrage levert aan de maatschappelijke ontwikkelingen die het provinciaal bestuur, onder meer blijkens provinciale beleidsplannen, wenst te stimuleren; 124

  • c. de hoogte van de eigen bijdrage (percentueel) van de deelnemer(s) aan het project; 125

  • d. de kwaliteit van (de onderbouwing van) het projectvoorstel; 126

  • e. de financiële onderbouwing van het projectvoorstel; 127

  • f. de mate waarin de verontreiniging is veroorzaakt voor 1987.

Artikel 6.7. Verplichtingen subsidieontvanger

  • 128

  • 1. De subsidieontvanger dient binnen een jaar na verlening van de subsidie de werkzaamheden te hebben afgerond.

  • 2. Binnen een jaar na verlening van de subsidie kan deze termijn op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger met een jaar worden verlengd. Dit verzoek dient de redenen aan te geven waarom de gestelde afrondingstermijn van het project niet wordt gehaald.

Artikel 6.8. Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling

129

De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tevens alle gespecificeerde rekeningen die betrekking hebben op het bodemonderzoek.

Paragraaf 2. Water

130

Artikel 6.9. Criteria

  • 131

  • Subsidie kan worden aangevraagd voor prestaties die betrekking hebben op projecten of program-ma’s. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:

  • a. de prestaties passen binnen het provinciaal zoals omschreven in het provinciaal Waterhuishoudingsplan en de nadere uitwerking daarvan.

  • b. met de in het uitvoeringsplan opgenomen prestatie wordt uiterlijk een jaar na subsidieverlening gestart;

  • c. voor de volgende prestaties kan subsidie verkregen worden:

    • • realisatie waterberging;

    • • realisatie waternood;

    • • afkoppelen verhard oppervlak;

    • • saneren overstorten;

    • • rendementsverbetering effluent RWZI;

    • • realisisatie helofytenfilter;

    • • beek- en rivierherstel;

    • • aankoppelen van meanders van de Overijsselsche Vecht;

  • d. de prestaties passen binnen de beleidsdoelen en bijbehorend subsidieplafond, zoals genoemd in de provinciale programmabegroting onder het product oppervlaktewaterbeheer. 

Artikel 6.10. POP-subsidie

  • 132

  • 1. In aanvulling op artikel 8.3 kunnen Gedeputeerde Staten ter uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma subsidie verstrekken voor activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 8.

  • 2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt uitsluitend verstrekt onder de ter uitvoering van bijlage II, punt 5 van de uitvoeringsverordening opgenomen voorwaarden in het plattelandsontwikkelingsprogramma. De verplichtingen zijn van toepassing op de totale subsidie voor die activiteit.

Artikel 6.11. Grondslag subsidie

  • 133

  • 1. De provinciale subsidie wordt gebaseerd op een door de aanvrager te overleggen plan met een onderbouwde integrale kostprijsberekening voor de te leveren prestatie(s), met de volgende subsidiepercentages:

    Tabel subsidiepercentages

     prestatie

     indicator

    subsidiepercentage 

     realisatie waterberging

     m3

     40%

     realisatie waternood

     ha

     40%

     afkoppelen verhard oppervlak

     ha

     25%

     saneren overstorten

     aantal

     25%

     rendementsverbetering effluent RWZI 

     stuks

     50%

     realisatie helofytenfilter

     ha

     50%

     beek- en rivierherstel

     km

     50%

     aankoppelen van meanders van de Overijsselsche Vecht

     aantal

     50%

     vispassages

     aantal

     50%

  • 2. Geen subsidie wordt verleend voor kosten die naar het oordeel van Gedeputeerde Staten zijn aan te merken als reguliere activiteiten van de subsidieaanvrager.

Artikel 6.12. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag ingediend vóór 1 april danwel 15 september.

Artikel 6.13. Wijze van behandeling van de aanvragen

  • 1. In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen, die voldoen aan criteria genoemd in artikel 6.9 in een prioriteitsvolgorde, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin de activiteiten:

    • a.

      uitvoeringsgereed zijn;

    • b.

      aantoonbaar (kosten)effectief zijn;

    • c.

      bijdragen aan meerdere doelen van het provinciaal beleid.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor het bepalen van de rangschikking op de prioriteitenlijst aanvullende criteria formuleren.

  • 3. Indien Gedeputeerde Staten van hun bevoegdheid in het vorige lid gebruikmaken, maken zij deze criteria bekend gelijktijdig met de bekendmaking van het subsidieplafond.

  • 4. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag zulks toestaat.

Artikel 6.14. Weigeringsgronden

  • 134

  • De subsidie wordt in ieder geval geweigerd indien:

  • a. het uitvoeringsplan betrekking heeft op activiteiten waartoe de aanvrager van de subsidie gehouden is bij of krachtens de wet;

  • b. de door Gedeputeerde Staten noodzakelijk geachte kosten van het uitvoeringsplan minder bedragen dan € 10.000,--.

Paragraaf 3. Besteding grondwaterheffing

Artikel 6.15. Begripsbepalingen

  • In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. antiverdrogingsproject: een geheel van waterhuishoudkundige maatregelen, gericht op het voorkomen of tegengaan van verdroging in de landbouw- en natuurgebieden zoals aangegeven op plankaart 2 behorende bij het Waterhoudingsplan, met het oog op het voorkomen en tegengaan van de nadelige gevolgen van onttrekkingen en infiltraties als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, Grondwaterwet;

  • b. waterbesparingsproject: een geheel van waterhuishoudkundige maatregelen, gericht op het verminderen van het gebruik van grondwater met het oog op het voorkomen en tegengaan van de nadelige gevolgen van onttrekkingen en infiltraties als bedoeld in artikel 48, eerste lid, onderdeel a, Grondwaterwet.

Artikel 6.16. Criteria

  • 135

  • 1. Waterschappen in de zin van artikel 1 Waterschapswet en vergunninghouders in de zin van artikel 14 Grondwaterwet kunnen subsidie aanvragen voor antiverdrogingsprojecten.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid kunnen vergunninghouders in de zin van artikel 14 Grondwaterwet eveneens subsidie aanvragen voor waterbesparingsprojecten. 136

  • 3. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      voor zover het een waterbesparingsproject betreft: de genomen maatregelen leiden tot een vermindering, anders dan de normale zorgplicht, van het gebruik van grondwater van ten minste 20% ten opzichte van de bestaande situatie;

    • b.

      voor zover het een antiverdrogingsproject betreft: geen subsidie kan worden verstrekt voor projecten die bijdragen aan de bestrijding van de verdroging in de door Gedeputeerde Staten vast te stellen TOP-lijst met gebieden waar de verdrogingsbestrijding prioriteit heeft;

    • c.

      de maatregel is niet verplicht op grond van voorschriften verbonden aan een vergunning op grond van artikel 14 Grondwaterwet;

    • d.

      het project is in overeenstemming met het vigerende provinciale Waterhuishoudingsplan;

    • e.

      het project is ten tijde van het moment van subsidieverlening niet uitgevoerd of niet in uitvoering genomen;

    • f.

      de aanvrager financiert minimaal 37,5% van de projectkosten uit eigen middelen.

Artikel 6.17. Grondslag subsidie

  • 137

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, bedraagt 40% van de projectkosten, tot een maximum van € 500.000,--.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 6.15, tweede lid, bedraagt voor een waterbesparingsproject waarbij ten opzichte van de bestaande situatie:

    • a.

      het gebruik van grondwater met 20% tot 30% wordt verminderd; 30% van de projectkosten, tot een maximum van € 30.000,--;

    • b.

      het gebruik van grondwater met 30% of meer wordt verminderd: 40% van de projectkosten, tot een maximum van € 40.000,--.

  • 3. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de volgende rechtstreeks aan het project toe te rekenen kosten:

    • a.

      kosten van uitvoering van het project in eigen beheer door de aanvrager, waarbij voor de loonkosten van het betrokken personeel wordt uitgegaan van een vast bedrag van € 50,-- per uur;

    • b.

      kosten van uitvoering van het project indien de uitvoering is uitbesteed;

    • c.

      kosten van de evaluatie van het project;

    • d.

      kosten van onderzoek ter voorbereiding van het project voorzover deze kosten zijn gemaakt door een derde en bij de aanvrager in rekening zijn gebracht;

    • e.

      grondverwervingskosten.

  • 4. Projectkosten als bedoeld in het derde lid, onder a tot en met c, worden in aanmerking genomen indien deze zijn gemaakt en betaald na verlening van de subsidie. De kosten bedoeld in het derde lid, onder d en e, zijn subsidiabel voor zover deze kosten zijn gemaakt maximaal vijf jaar voor indiening van de subsidieaanvraag.

  • 5. Tot projectkosten worden niet gerekend:

    • a.

      voorbereidingskosten anders dan genoemd in het voorgaande lid;

    • b.

      beheers- en onderhoudskosten;

    • c.

      de schadevergoeding die vergunninghouder op grond van artikel 35 Grondwaterwet verschuldigd is;

    • d.

      door de aanvrager verrekenbare BTW.

Artikel 6.18. Indieningstermijn aanvraag

138

In afwijking van artikel 1.13 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend

Hoofdstuk 7. Bijzondere bepalingen Zorg en Cultuur

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 7.1. Subsidiabele activiteiten

139

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van activiteiten die passen binnen de beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 en de begroting 2007.

Artikel 7.2. Niet-subsidiabele kosten

140

In aanvulling op artikel 1.5 Zijn de kosten van dat deel van de activiteit dat al heeft plaatsgevonden op het moment van de subsidieaanvraag niet subsidiabel.

Artikel 7.3. Indieningstermijn

  • 141

  • a. In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om prestatiesubsidie worden ingediend vanaf 1 oktober 2006 en vervolgens gedurende het hele kalenderjaar 2007, tenzij elders anders is bepaald.

  • b. In afwijking van artikel 1.13 wordt de aanvraag om prestatiesubsidie voor de start van het project ingediend, tenzij elders anders is bepaald.

Artikel 7.4. Beslistermijn verlening prestatiesubsidies

In afwijking van artikel 1.16 beslissen Gedeputeerde Staten in het geval dat advies moet worden gevraagd op een aanvraag binnen dertien weken nadat het advies is ontvangen.

Artikel 7.5. Verplichting subsidieontvanger

142

Activiteiten moeten starten binnen zes maanden nadat de subsidie is verleend, tenzij elders anders is bepaald.

Artikel 7.6. Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies

  • 143

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen een organisatie voor het boekjaar 2007 een prestatiesubsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het behalen van de in Sociale Actie en in de begroting geformuleerde provinciale doelen.

  • 2. In afwijking van artikel 4:60 Awb kunnen subsidieaanvragen voor het boekjaar 2007 uiterlijk 1 oktober 2006 worden ingediend.

Artikel 7.7. Indieningstermijn per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies

In afwijking van artikel 4:60 Awb kunnen subsidieaanvragen voor het boekjaar 2007 uiterlijk 1 oktober 2006 worden ingediend.

Paragraaf 2. Culturele ontwikkeling

Artikel 7.8. Begripsbepaling

Jonge makers: dit zijn kunstenaars die niet langer dan 5 jaar geleden zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten. Degenen die niet zijn afgestudeerd aan een hogeschool voor de kunsten hebben een aantoonbaar vergelijkbare kwaliteit en zijn niet ouder dan 35 jaar.

Amateurkunstenaars: kunstenaars die hun kunst beoefenen zonder daarmee primair in hun levensonderhoud te willen voorzien.

Artistieke kwaliteit: de artistiek-inhoudelijke waarde van een culturele activiteit gevormd door vakmanschap, authenticiteit, zeggingskracht, verbeelding, ideeënrijkom, overtuigingskracht, professionaliteit en ethetiek.

Ruimtelijke ontwikkelingsplannen: nieuwe of andere invulling van ruimte binnen een gemeente (voorbeelden: nieuwe woonwijk, winkelcentrum, bedrijventerrein, park).

Artikel 7.9. Doelstelling van de subsidie

  • Het project of de activiteiten dienen bij te dragen aan de volgende doelstelling(en):

  • 1. Versterken van de beoefening van de amateurkunsten door:

    • • kwaliteitsverbetering danwel professionalisering binnen de amateurkunsten (artikel 7.10, eerste lid, sub a);

    • • vergroten publieksbereik van de amateurkunsten (artikel 7.10, eerste lid, sub b);

    • • verhoging van de samenhang en de spreiding van de amateurkunst en semiprofessionele kunst in alle cultuursectoren buiten de grote steden in Overijssel (artikel 7.10, eerste lid, sub b).

  • 2. Vernieuwing in de cultuur in Overijssel stimuleren (artikel 7.10, eerste lid, sub c).

  • 3. Bevorderen van de integratie van beeldende kunst in de ruimtelijke ontwikkelingsplannen van gemeenten (niet zijnde de 5 grote steden) in Overijssel (artikel 7.11, eerste lid, sub d).

Artikel 7.10. Criteria

  • 144

  • 1. Subsidieaanvragen voor culturele ontwikkeling moeten in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      amateurkunst: samenwerking met professionele instellingen:

    • • er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;

    • • er is sprake van samenwerking tussen amateurkunstinstelling(en) en professionele instelling(en);

    • • er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;

    • • de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon.

    • b.

      amateurkunst: vitaal platteland:

    • • er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;

    • • in het project of de activiteit werken verschillende disciplines samen;

    • • het project of de activiteit wordt op minimaal twee locaties voor publiek uitgevoerd en/of gedurende meerdere dagen;

    • • er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;

    • • de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon;

    • c.

      jonge makers:

    • • er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit;

    • • er is sprake van samenwerking met afnemers en/of met een bestaande culturele instelling (voor productie en afzet);

    • • de aanvrager is een jonge maker;

    • • de provinciale bijdrage is ten hoogste 50% van de begrote kosten met een maximum van € 15.000,--;

    • d.

      beeldende kunst:

    • • de aanvraag komt van een Overijsselse gemeente, met uitzondering van de 5 grote Overijsselse gemeenten (Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo, Zwolle);

    • • de aanvraag richt zich op het van de start af aan integreren van beeldende kunst in een gemeentelijk ruimtelijke ontwikkelingsplan;

    • • de gemeente maakt hierbij gebruik van de deskundigheid die aanwezig is bij steuninstellingen in de provincie;

    • • er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering en/of een eigen bijdrage;

    • • de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid moet de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaatsvinden in de provincie Overijssel.

Artikel 7.11. Subsidiabele kosten

145

Alleen kosten die betrekking hebben op daadwerkelijk verrichte uitgaven (betalingen) zijn subsidiabel.

Artikel 7.12. Adviescommissie

  • 146

  • 1. Over de artistiek-kwalitatieve aspecten van subsidieaanvragen culturele ontwikkeling kunnen Gedeputeerde Staten het advies inwinnen van een commissie van deskundigen.

  • 2. De leden van de in het vorige lid genoemde commissie worden benoemd door Gedeputeerde Staten.

  • 3. Deze commissie van deskundigen brengt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek advies uit.

  • 4. De vergaderingen van deze commissie van deskundigen zijn niet openbaar.

  • 5. In afwijking van het eerste lid wordt geen advies ingewonnen bij de commissie van deskundigen:

    • a.

      voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, sub d;

    • b.

      voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.10, waarbij de gevraagde subsidie minder dan € 10.000,-- bedraagt.

Paragraaf 3. Cultuurbereik

Artikel 7.13. Doelstelling van de subsidie

  • 147

  • Het project of de activiteiten moet bijdragen aan één van de volgende doelstelling(en):

  • 1. meer Overijsselaars nemen kennis van cultuur van goede kwaliteit en hebben de intentie om meer aan kunst en cultuur deel te nemen;

  • 2. culturele instellingen werken doelgroepgericht;

  • 3. de culturele projecten die worden gesubsidieerd vanuit cultuurbereik worden verankerd in het beleid van de instelling;

  • 4. culturele instellingen professionaliseren en de projecten worden sterker;

  • 5. onderwijsinstellingen hebben nagedacht over hoe ze hun leerlingen kennis willen laten maken met kunst en cultuur van goede kwaliteit en dit in hun leerplan verwoord;

  • 6. leerlingen komen tijdens hun gehele schoolloopbaan meer in contact met kunst en cultuur van goede kwaliteit;

  • 7. gemeenten zijn meer verantwoordelijk voor het cultuurbereik en cultuurbeleid binnen hun grenzen.

Artikel 7.14. Criteria

  • 148

  • 1. Rechtspersonen kunnen een subsidie Cultuurbereik aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin

    voldaan wordt aan de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van een bijzonder manier waarop een breed of nieuw publiek wordt bereikt;

    • b.

      de methode van publieksbereik wordt beschreven;

    • c.

      er is sprake van voldoende artistiek-inhoudelijke kwaliteit.

  • 2. Een subsidieaanvraag voor de steden Enschede, Hengelo en Zwolle moet in aanvulling op het eerste lid tevens voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering door de betrokken gemeente;

    • b.

      de provinciale subsidie is nooit hoger dan de bijdrage van de gemeente;

    • c.

      De opzet/methodiek van de projecten is overdraagbaar naar accommodaties/initiatieven buiten de drie steden. De overdracht moet al in de projectaanvraag worden gegarandeerd óf de projecten vinden ook buiten de betreffende stad plaats.

  • 3. Bij meerjarige subsidies voor bewezen projecten toetsen Gedeputeerde Staten de betreffende subsidieaanvraag, naast de in het eerste en tweede lid genoemde criteria, ook aan de mate waarin het project gedurende de looptijd geïntegreerd wordt in de werkwijze van de instelling.

  • 4. In aanvulling op het bepaalde in het eerste tot en met derde lid moet de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd plaatsvinden in de provincie Overijssel.

  • 5. De gevraagde subsidie bedraagt minimaal € 10.000,--.

Artikel 7.15. Adviescommissie

  • 149

  • 1. Over de artistiek-kwalitatieve en publieksbereikaspecten van subsidieaanvragen Cultuurbereik kunnen Gedeputeerde Staten het advies inwinnen van een commissie van deskundigen.

  • 2. De leden van de in het vorige lid genoemde commissie worden benoemd door Gedeputeerde Staten.

  • 3. Deze commissie van deskundigen brengt binnen zes weken na ontvangst van het verzoek advies uit.

  • 4. De vergaderingen van deze commissie van deskundigen zijn niet openbaar.

  • 5. In afwijking van het eerste lid wordt geen advies ingewonnen bij de commissie van deskundigen voor subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 7.14, derde lid.

Paragraaf 4. Kunst- en erfgoededucatie

Artikel 7.16. Begripsbepaling

  • a. Onder kunst- en erfgoededucatie wordt verstaan:

    • • het aanleren van vaardigheden om kennis te kunnen nemen van en waardering te ontwikkelen voor kunst en erfgoed;

    • • het actief deelnemen aan cultuur;

    • • het ontwikkelen van talent.

  • b. Kunsteducatie: alle vormen van educatie waarbij kunst als doel of als middel worden gebruikt.

  • c. Erfgoededucatie: onderwijs dat erfgoed in de directe omgeving als onderwerp heeft.

Artikel 7.17. Doelstelling van de subsidie

150

Het project of de activiteiten moet bijdragen aan een ruimer en meer evenwichtig aanbod in kunst- en erfgoededucatie, voor de leerlingen van het primaire en voortgezette onderwijs in de provincie.

Artikel 7.18. Criteria

  • 1. Rechtspersonen kunnen een subsidie kunsteducatie aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag is gedaan door een culturele instelling en een school;

    • b.

      er is sprake van voldoende inhoudelijke en artistieke kwaliteit; 

    • c.

      na afloop van de subsidieperiode dient het project opgenomen te zijn in het reguliere programma van de school en/of culturele instelling;

    • d.

      de resultaten zijn aantoonbaar overdraagbaar.

  • 2. Rechtspersonen kunnen een subsidie kunsterfgoededucatie aanvragen. Een subsidieaanvraag wordt in aanvulling op artikel 7.1 beoordeeld op basis van de mate waarin voldaan wordt aan de volgende criteria:

    • a.

      de aanvraag is gedaan door een erfgoedinstelling en een school;

    • b.

      het project maakt gebruik van het erfgoed in de eigen omgeving;

    • c.

      er is in het format sprake van voldoende inhoudelijke en didactische kwaliteit;

    • d.

      na afloop van de subsidieperiode dient het project opgenomen te zijn in het reguliere programma van de school en/of culturele instelling;

    • e.

      het format is aantoonbaar overdraagbaar.

Artikel 7.19. Grondslag subsidie.

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 7.18, eerste lid, bedraagt maximaal 75% bij aanvragen met een totaalbegroting die kleiner of gelijk is dan € 10.000,--.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 7.18, tweede lid, bedraagt maximaal 50% bij aanvragen met een totaalbegroting die groter is dan € 10.000,--.

Paragraaf 5. Monumentenzorg

Artikel 7.20. Begripsbepalingen

  • a. Herstelwerkzaamheden van gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen aan historische gebouwen en erven van bijvoorbeeld onderhoud aan (rieten) daken, herstel voegwerk (knipvoeg, snijvoeg, platvol), inboetwerk (vervangend metselwerk invoegen in bestaand), herstel gepleitserde plint, herstel kozijnankers, herstel/vervanging luiken/kozijnen/ deuren, herstel oorspronkelijke kozijnindeling, herstel/vervanging houten gevelbeschieting, herstel/vervanging dakkapel, herstel/vervanging goot/gootomtimmering/windveren, herstel cultuurhistorische elementen op een erf, zoals stookhok/bakhuis/hooiberg.

  • b. Integraal project: in het project dienen niet alleen de bebouwde elementen maar ook de landschappelijke elementen te worden meegenomen meegenomen (bijvoorbeeld erfinrichting);

  • c. Vooronderzoek: bureauonderzoek, het maken van proefsleuven en het doen van grondboringen.

Artikel 7.21. Criteria

  • 151

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van herstel van gevels, (rieten) daken en cultuurhistorische elementen aan historische gebouwen:

    • a.

      de subsidie wordt beschikbaar gesteld voor de bebouwde elementen die deel uitmaken van het integrale project;

    • b.

      de subsidie dient aangevraagd te worden door de trekker van het integrale project;

    • c.

      de werkzaamheden zijn noodzakelijk voor het behoud van objecten;

    • d.

      de objecten zijn meer dan 50 jaar oud en moeten bijdragen aan de karakteristieke identiteit van het gebied. E.e.a. ter beoordeling van een deskundig adviseur;

    • e.

      er is in voldoende mate sprake van advisering door een deskundige organisatie;

    • f.

      de subsidie wordt alleen verstrekt wanneer het onderdeel bebouwde elementen uit het integrale project minimaal 20% betreft van de totaal aanwezige bebouwde elementen in het betreffende gebied.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor voorbereidende werkzaamheden ten behoeve van uit te voeren werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. De voorbereidende werkzaamheden dienen door professionals met relevante expertise op gebied van monumentenzorg, landschaphistorie en cultuurhistorie uitgevoerd te worden.

  • 4. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen als bijdrage in de kosten voor archeologisch vooronderzoek op locatie, indien dit wordt uitgevoerd door een erkende instantie.

Artikel 7.22. Grondslag subsidie.

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, eerste lid bedraagt ten hoogste 20% van de totale kosten ten behoeve van de bebouwde elementen die deel uitmaken van het integrale project met een maximum van € 45.000,--. 152

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, tweede lid bedraagt ten hoogste maximaal 10% van de verleende subsidie.

  • 3. De subsidie als bedoeld in artikel 7.21, derde lid, bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,-- per projectplan.

Artikel 7.23. Adviescommissie

Een subsidieaanvraag wordt, indien nodig, voor advies voorgelegd aan de Monumentencommissie Het Oversticht, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt.

Paragraaf 6. Molens

Artikel 7.24. Criterium

153

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van onderhoudswerkzaamheden in het jaar 2006 aan molens die uit cultuurhistorisch oogpunt van belang zijn.

Artikel 7.25. Grondslag subsidie

De subsidie bedraagt ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 100,-- en een maximum van € 1.000,-- per aanvraag.

Artikel 7.26. Vaststelling subsidie

154

In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 7.24 niet een besluit tot subsidieverlening vooraf.

Artikel 7.27. Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1.18 wordt een subsidieaanvraag ingediend bij Het Oversticht, nadat de onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd, maar uiterlijk voor 1 april 2007.

Paragraaf 7. Zorg

Artikel 7.28. Begripsbepalingen

  • a. Informele zorg: zorg die onbetaald en niet beroepshalve wordt verricht: te onderscheiden in gebruikelijke zorg, mantelzorg, zelfhulp en vrijwillige zorg.

  • b. Mantelzorg: zorg, die mensen vrijwillig en onbetaald verlenen aan mensen met fysieke, verstandelijke of psychische beperkingen in hun familie, huishouden of sociale netwerk; het gaat om zorg die meer is dan in een persoonlijke relatie gebruikelijk is.

  • c. Maatschappelijke opvang: opvang die gericht is op het bieden van tijdelijke huisvesting, zorgverlening, hulpverlening en begeleiding aan dak- en thuislozen. Centrumgemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het organiseren van deze opvang.

  • d. Centrumgemeente: één van de volgende Overijsselse gemeenten Almelo, Deventer, Enschede, en Zwolle. (Dit zijn de gemeenten die op grond van artikel 10a van de Welzijnswet van het Rijk een specifieke opdracht ontvangen ten behoeve van activiteiten op het terrein van maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid).

  • e. ICT-voorzieningen: elektronische voorzieningen die informatie en communicatie bevorderen (bijvoorbeeld kringsysteem).

  • f. Zorgpost-plus: een of meer Overijsselse huisartsenpraktijken, gekoppeld aan een andere zorgvoorziening (tandarts, apotheek, verloskundige, thuiszorg, fysiotherapie, polikliniek, zorgloket, enz.) of aan een andere welzijnsvoorziening (zoals bijvoorbeeld een ontmoetingsruimte, peuteropvang, enz.).

  • g. Woonzorgzone: een woonzorgzone is een (deel van een) wijk of dorp waarin optimale condities zijn geschapen voor wonen met zorg en welzijn, tot en met niet-planbare 24-uurs zorg.

  • h. Zorgwoning: een woning in de sociale huursector die specifiek bedoeld is voor en individueel geïndiceerd/toegewezen wordt aan personen uit de volgende doelgroepen: ouderen (55+) met een zorgbehoefte, personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, personen met geestelijke gezondheidsproblematiek. Een zorgwoning is minimaal rolstoeltoegankelijk.

  • i. Domotica: de integratie van ICT-technologie en diensten binnen de woning, met het doel betere kwaliteit van wonen van de bewoner te bevorderen door middel van meer en betere veiligheid, alarmering, comfort, en dergelijke waardoor wordt bevorderd dat mensen langer zelfstandig thuis kunnen wonen.

  • j. Woonzorgcomplex: een woonzorgcomplex is een complex zelfstandige woningen met een bouwwijze die gericht is op beschut wonen, met een complexgewijs overeengekomen zorg- en servicearrangement. De woningen voldoen aan eisen van Woonkeur.

Artikel 7.29. Subsidiabele activiteiten

  • 155

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van activiteiten die bijdragen aan één van de volgende doelen:

    • a.

      verbetering van de sociale infrastructuur;

    • b.

      goede WMO-voorzieningen in de gemeenten in Overijssel;

    • c.

      langer zelfstandig wonen voor ouderen, mensen met een handicap en GGZ-cliënten;

    • d.

      goede participatie en zelfredzaamheid van kwetsbare groepen;

    • e.

      goede ketenvorming care en cure.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de kosten van planontwikkeling, procesbegeleiden en het realiseren van ruimtelijke voorzieningen of ICT-voorzieningen ten behoeve van de multidisciplinaire samenwerking (de Zorgpost-plus).

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor de bekostiging van activiteiten die zich richten op:

    • a.

      de belangenbehartiging van mantelzorgers;

    • b.

      de realisatie van aanbod voor (jonge) mantelzorgers;

    • c.

      de vernieuwing van het aanbod van de informele zorg gelet op de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning.

  • 4. Gedeputeerde staten kunnen subsidie verlenen aan gemeenten voor de bekostiging van activiteiten die zich richten op:

    • a.

      de totstandkoming van woonzorgzones met aandacht voor de onderdelen wonen, zorg en welzijn;

    • b.

      de totstandkoming, inrichting of verbreding van WMO-loketten.

  • 5. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan gemeenten, woningbouwcorporaties, zorgaanbieders, organisaties (met rechtspersoonlijkheid) van zorgvragers of hun belangenbehartigers (bijvoorbeeld ouders) voor de bekostiging van uitsluitend domotica-aanpassingen in zorgwoningen in woonzorgcomplexen of woonzorgzones die een bijdrage leveren aan het vergroten van de zelfredzaamheid waardoor mensen met een zorgbehoefte zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen.

  • 6. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen aan rechtspersonen voor het organiseren van symposia, (werk)conferenties, voorlichtingsbijeenkomsten, enz. zonder winstoogmerk gericht op activiteiten zoals benoemd in dit artikel.

Artikel 7.30. Criteria

  • 156

  • 1. Een subsidieaanvraag als bedoeld in artikel 7.29, eerste tot en met vijfde lid, moeten in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      er wordt een aantoonbare bijdrage geleverd aan het opheffen van knelpunten in de zorgsector in Overijssel;

    • b.

      er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering;

    • c.

      het project heeft een regionaal karakter, tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten.

  • 2. In aanvulling op de criteria genoemd in het eerste lid moeten aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 7.29, eerste tot en met vierde lid, tevens voldoen aan minimaal drie van de hieronder genoemde vijf criteria:

    • a.

      er wordt een bijdrage geleverd aan de vergroting van de vraaggerichtheid van het zorgaanbod in Overijssel;

    • b.

      de resultaten zijn overdraagbaar;

    • c.

      het initiatief is aantoonbaar positief beoordeeld door de betrokken Overijsselse (centrum)gemeente;

    • d.

      er zijn ten minste twee partijen uit de betreffende sector betrokken;

    • e.

      vernieuwende vormen van zorg.

  • 3. Voor een aanvraag zoals bedoeld in artikel 7.29, vijfde lid, is het bepaalde in het eerste lid, sub c, niet van toepassing.

Artikel 7.31. Grondslag subsidie

  • 1. De in artikel 7.29, tweede lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 25.000,-- per project.

  • 2. De in artikel 7.29, vierde lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 50.000,-- per gemeente.

  • 3. De in artikel 7.29, vijfde lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal 50% van de totale kosten met een maximum van € 50.000,-- per domoticaproject.

  • 4. De in artikel 7.29, zesde lid, bedoelde subsidie bedraagt maximaal € 1.000,-- per activiteit.

  • 5. Gedeputeerde Staten verlenen geen subsidie voor activiteiten:

    • a.

      die behoren tot het reguliere zorgaanbod of takenpakket van premiegefinancierde instellingen en organisaties;

    • b.

      die behoren tot het reguliere zorgaanbod of takenpakket van door het Rijk, de provincie of de gemeente gesubsidieerde instellingen en organisaties.

Paragraaf 8. Maatschappelijke ontwikkeling

157

Artikel 7.32. Begripsbepalingen

  • a. Leefbaarheid: de mate waarin de samenleving qua voorzieningen aansluit op de behoeften van de mensen die er in leven.

  • b. Vrijwillige inzet: vrijwilligerswerk is werk dat in enig georganiseerd verband, onverplicht en onbetaald wordt verricht ten behoeve van anderen of de samenleving.

Artikel 7.33. Criteria

  • 1. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor het bekostigen van activiteiten op het gebied van:

    • a.

      activiteiten die bijdragen aan het versterken van leefbaarheid in wijk en dorp, door: 158

    • • initiatieven die zich, anders dan door bouwactiviteiten, richten op het behoud van voorzieningen en diensten;

    • • initiatieven die bijdragen aan meer ontmoeting van jong en/of oud;

    • • initiatieven gericht op participatie en sociale cohesie binnen wijken, kernen en buurten;

    • • initiatieven gericht op het bevorderen van de eigen verantwoordelijkheid van inwoners bij het verbeteren van het woon- en leefklimaat in eigen kern of buurt;

    • b.

      activiteiten die bijdragen aan het versterken en vernieuwen van de inzet door vrijwilligers in diverse sectoren: 159

    • • jeugdzorg, mantelzorg, respijtzorg, kunst en cultuur, sport, multifunctionele accommodaties, integratie.

  • 2. Een subsidieaanvraag moet in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria: 160

    • a.

      de activiteit vervult een voorbeeldfunctie op regionaal niveau;

    • b.

      de resultaten van de activiteit zijn aantoonbaar overdraagbaar;

    • c.

      er is sprake van cofinanciering;

    • d.

      er zijn ten minste twee relevante partijen betrokken;

    • e.

      de doelgroepen participeren in de activiteit;

    • f.

      project heeft een bovengemeentelijke uitstraling.

Artikel 7.34. Indieningstermijn

In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag zoals genoemd onder artikel 7.31, eerste lid, sub a, ingediend voor 1 januari 2007 en subsidieaanvraag zoals genoemd onder artikel 7.32, eerste lid, sub b, voor 1 juni 2007.

Artikel 7.35. Grondslag subsidie

  • 161

  • 1. De subsidie bedraagt maximaal € 75.000,--.

  • 2. Aanvragen voor subsidies beneden de € 10.000,-- worden niet in behandeling genomen.

Paragraaf 9. Vitaliteit kleine kernen en Kulturhusen

Artikel 7.36. Begripsbepalingen

  • 162

  • a. Kulturhus: een project gericht op het investeren in een voorziening die direct verbonden is met de leefbaarheid en de sociale cohesie van een kern, dorp of stadswijk. Een kulturhus is een combinatie van non-profit en zakelijke dienstverlening op het terrein van cultuur, zorg, maatschappelijke ontwikkeling en educatie vanuit één gebouw en aangestuurd door een gezamenlijk beheersmanagement. Minimaal drie van de vier genoemde terreinen, gezamenlijke programmering en gemeenschappelijk beheersmanagement zijn in het project opgenomen.

  • b. Vitaliteit kleine kernen: projecten gericht op het handhaven en verbeteren van de leefbaarheid in kleine kernen, in de vorm van basisvoorzieningen, evenals van organisatorische capaciteit die direct gerelateerd is aan de basisvoorzieningen voor kleine kernen.

  • c. Basisvoorziening (als bedoeld in het voorgaande lid): een voorziening op het gebied van de economische, de fysieke en sociale infrastructuur die de multifunctionaliteit van het voorzieningenniveau versterkt en/of meerdere doelgroepen bedient en die openbaar toegankelijk is.

  • d. Inwoneraantal: aantal inwoners in kernen en steden (peildatum 01-01-2006).

Artikel 7.37. Criteria

  • 163

  • 1. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor projecten in kernen met minder dan 4.000 inwoners gericht op het handhaven en verbeteren van de vitaliteit en leefbaarheid van kernen en dorpen door middel van een financiële impuls aan basisvoorzieningen, dat wil zeggen voor de zogenaamde ‘stenen’/harde infrastructuur, en voor organisatorische capaciteit die direct gerelateerd is aan deze basisvoorzieningen (Vitaliteit kleine kernen) (bijvoorbeeld deskundigheidsbevordering, public relations en programmering).

  • 2. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor projecten in kernen, dorpen en/of steden gericht op het stimuleren tot bouw of verbouw van een kulturhus in het belang van de vitaliteit en leefbaarheid van die kernen, dorpen of steden (kulturhusen) en voor organisatorische capaciteit die direct gerelateerd is aan het kulturhus (bijvoorbeeld deskundigheidsbevordering, public relations en programmering).

  • 3. Aanvragen om subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid moeten voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering, in ieder geval door de betrokken gemeente;

    • b.

      indien de aanvraag betrekking heeft op de organisatorische capaciteit, die direct gerelateerd is aan de basisvoorzieningen/kulturhus, dient de gemeente minimaal 50% van de kosten bij te dragen.

  • 4. Aanvragen om subsidie als bedoeld in het tweede lid moeten tevens voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      uit de aanvraag blijkt dat bij het initiatief tot oprichting/vestiging en functioneren van het kulturhus ten minste drie van de terreinen van cultuur, zorg, maatschappelijke ontwikkeling en educatie betrokken zullen zijn en een aantoonbare plek krijgen in het op te richten kulturhus;

    • b.

      er moet sprake zijn van gezamenlijke programmering tussen de betrokken instellingen die gesitueerd worden in het op te richten kulturhus. De organisatorische en inhoudelijke kwaliteit van de gemeenschappelijke programmering wordt verwoord in de aanvraag;

    • c.

      er moet sprake zijn van een gezamenlijk beheersmanagement, dat in ieder geval verantwoordelijk is voor het beheer van de accommodatie. Uit de aanvraag blijkt dat er sprake is van een gezamenlijk beheersmanagement door de betrokken instellingen die gesitueerd worden in het op te richten kulturhus;

  • 5. er is aantoonbaar voorzien in cofinanciering, in ieder geval door de betrokken gemeente;

  • 6. indien de aanvraag betrekking heeft op de organisatorische capaciteit, die direct gerelateerd is aan de basisvoorzieningen, dient de gemeente minimaal 50% van de kosten bij te dragen.

Artikel 7.38. Grondslag subsidie

  • 1. De subsidie Vitaliteit kleine kernen bedraagt per project maximaal 50% voor investeringskosten in bouw, verbouw en samenhangende herinrichtingskosten van de

    basisvoorziening.

  • 2. De subsidie Kulturhusen bedraagt per project maximaal 50% voor investeringskosten in bouw, verbouw en samenhangende herinrichtingskosten.

  • 3. De aanvraag heeft geen betrekking op reguliere activiteiten en/of exploitatiekosten van de aanvragende instelling.

  • 4. De aanvraag heeft betrekking op planvorming/haalbaarheidsstudies.

Paragraaf 10. Vrijwilligersorganisaties

Artikel 7.39. Begripsbepalingen

  • 164

  • Vrijwilligersorganisatie: een instelling voor vrijwilligerswerk, niet zijnde een landelijke organisatie, die:

  • a. op basis van de statuten een zetel heeft in Overijssel en

  • b. op 31 december 2005: over ten hoogste een halve betaalde formatieplaats (20 werkuren per week) beschikt en

  • c. die hoofdzakelijk in Overijssel op regionaal niveau werkzaam is.

Artikel 7.40 Subsidievorm

In afwijking van artikel 1.3, tweede lid, verstrekken Gedeputeerde Staten deze subsidie in de vorm van een stimuleringssubsidie.

Artikel 7.41. Criteria

  • 165

  • Een aanvraag om stimuleringssubsidie van een vrijwilligersorganisatie moet in aanvulling op artikel 7.1 voldoen aan de volgende criteria:

  • a. de organisatie ontvangt van de provincie Overijssel geen per boekjaar verstrekte prestatiesubsidie;

  • b. de organisatie is naar het oordeel van Gedeputeerde Staten niet in staat de bestuurskosten en de kosten van activiteiten en kadertraining uit eigen middelen te betalen.

Artikel 7.42. Grondslag subsidie

166

Gedeputeerde Staten kunnen een vrijwilligersorganisatie voor het jaar 2007 een stimuleringssubsidie verstrekken van € 2.100,-- voor de financiering van de bestuurskosten en de kosten van activiteiten en kadertraining.

Artikel 7.43. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.8 wordt een subsidieaanvraag voor het jaar 2007 uiterlijk op 1 november 2006 ingediend.

Artikel 7.44. Aanvullende stukken bij de aanvraag

167

In aanvulling op artikel 1.9 dient de aanvraag van vaststelling van de subsidie vergezeld te gaan van de vastgestelde jaarrekening over het jaar 2005 en van een accountantsverklaring of een door de kascommissie ondertekend verslag.

Artikel 7.45. Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie

In afwijking van artikel 1.11 beslissen Gedeputeerde Staten omtrent subsidievaststelling binnen acht weken nadat de uiterste termijn voor het indienen van een aanvraag is verstreken.

Paragraaf 11. Integratie

Artikel 7.46. Begripsbepaling

Zelforganisatie: elke bovenlokale organisatie van minderheden in Overijssel waarvan de doelstelling is bij te dragen aan integratie en participatie van hun achterban in de samenleving.

Artikel 7.47. Doelstelling van de subsidie

  • Het project of de activiteiten moet een bijdrage leveren aan één van de volgende resultaten:

  • a. professionaliseren van allochtone zelforganisaties;

  • b. integratie van etnische doelgroepen in de samenleving;

  • c. meer wederzijdse acceptatie, betrokkenheid en verbondenheid;

  • d. positieverbetering van allochtone vrouwen;

  • e. verbetering van de kennis in de samenleving over ontwikkelingen in het integratiebeleid en het integratieproces;

  • f. het bestrijden van racisme en discriminatie;

  • g. een betere toerusting en grotere toestroom van allochtone jongeren op de arbeidsmarkt;

  • h. mentoring van risicoleerlingen;

  • i. verbeteren van de toegang voor allochtone jongeren tot activiteiten van jeugdbeleid en lichte vormen van jeugdzorg.

Artikel 7.48. Criteria voor subsidiëring

  • 168

  • 1. Rechtspersonen kunnen subsidie aanvragen voor integratie. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van samenwerking tussen meerdere partijen;

    • b.

      bij het project is sprake van cofinanciering;

    • c.

      het project heeft een regionaal karakter, tenzij naar het oordeel van Gedeputeerde Staten voldoende aannemelijk is gemaakt dat de subsidieaanvraag een overdraagbaar project betreft met een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten.

  • 2. Indien de subsidieaanvraag is ingediend door een zelforganisatie is het bepaalde in het eerste lid, sub b, niet van toepassing.

Artikel 7.49. Grondslag subsidie

  • 1. Aanvragen van subsidie van organisaties, niet zijnde een zelforganisatie waarvan de opgenomen subsidiabele kosten in de begroting kleiner zijn dan € 10.000,--, worden niet in behandeling genomen.

  • 2. De subsidie bedraagt per project maximaal 75% van de totale kosten.

  • 3. In aanvulling op artikel 7.2 worden de volgende kosten als niet subsidiabel aangemerkt:

    • a.

      kosten met betrekking tot catering;

    • b.

      post onvoorziene kosten;

    • c.

      vervoerskosten.

Paragraaf 12. Jeugdzorg

169

Artikel 7.50. Begripsbepalingen

  • 170

  • a. WJZ: de Wet op de Jeugdzorg.

  • b. Uitvoeringsprogramma: het Uitvoeringsprogramma jeugdzorg, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WJZ.

  • c. Tarief: het door Gedeputeerde Staten vastgestelde bedrag, bedoeld voor de subsidiëring van een zorgeenheid.

  • d. Zorgeenheid: een eenheid van jeugdzorg waarop op grond van de WJZ aanspraak bestaat en die door Gedeputeerde Staten als eenheid voor bekostiging van jeugdzorgaanbod zijn aangewezen.

Artikel 7.51. Beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 niet van toepassing

Artikel 7.1 is niet van toepassing op subsidies op grond van de WJZ en deze paragraaf.

Artikel 7.52. Criteria

171

Gedeputeerde Staten beoordelen bij het verlenen van een prestatiesubsidie voor experimenten of en in welke mate het experiment past in en bijdraagt aan de uitvoering van het door Gedeputeerde Staten gevoerde beleid op het terrein van de jeugdzorg als omschreven in het vigerende uitvoeringsprogramma.

Artikel 7.53. Grondslag subsidie

172

De stichting

  • 1. Het bedrag van de aan de stichting per boekjaar te verlenen prestatiesubsidie wordt bepaald op basis van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde tarieven.

  • 2. Gedeputeerde Staten stellen deze tarieven vast op basis van de door de minister vastgestelde normbedragen, met een afwijking tot ten hoogste drie procent.

  • 3. De subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt alleen verleend wanneer de taken en/of de functies waarop de subsidie betrekking heeft, worden uitgevoerd voor cliënten die bij aanvang van de bemoeienis van de stichting duurzaam verblijven in Overijssel. Wanneer Gedeputeerde Staten dit noodzakelijk achten kan zij hiervan afwijken.

Zorgaanbieder

  • 4. Het bedrag van de aan de zorgaanbieder per boekjaar te verlenen prestatiesubsidie voor het uitvoeren van zorgeenheden wordt bepaald op basis van het door

    Gedeputeerde Staten vastgesteld tarief per zorgeenheid, dat per zorgaanbieder verschillend kan zijn.

  • 5. De subsidie als bedoeld in het vierde lid wordt alleen verleend wanneer Bureau Jeugdzorg Overijssel voor het uitvoeren van de zorgeenheid een indicatiebesluit heeft vastgesteld.

  • 6. De op basis van een indicatiebesluit uit te voeren jeugdzorg komt alleen voor subsidie in aanmerking indien er een subsidierelatie bestaat tussen de zorgaanbieder en de provincie waarin de cliënt duurzaam verblijft. Wanneer Gedeputeerde Staten dit noodzakelijk achten kan zij hiervan afwijken.

Algemeen

  • 7. De subsidie als bedoeld in het eerste en vierde lid bedraagt ten hoogste het bedrag dat Gedeputeerde Staten hiervoor hebben opgenomen in het Uitvoeringsprogramma van het jaar waarop de subsidieverlening betrekking heeft. Dit bedrag kan worden aangepast op basis van de voor het jaar door de minister vastgestelde indexering.

Artikel 7.54. Indieningstermijn aanvraag

173

In afwijking van artikel 1.13 kan een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 7.52 gedurende het hele jaar, maar uiterlijk drie maanden voor aanvang van het experiment, bij Gedeputeerde Staten worden ingediend.

Artikel 7.55. Aanvullende stukken bij de aanvraag

  • 174

  • 1. De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de subsidieaanvraag tevens het vigerende meerjarenbeleidsplan voor de periode waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

  • 2. In aanvullend op het eerste lid overlegt de stichting bij de subsidieaanvraag in ieder geval:

    • a.

      het bedrag van de aangevraagde subsidie en de opbouw daarvan op basis van de tarieven in overeenstemming met artikel 7.53, tweede lid, voorzien van een gedetailleerde toelichting en de onderbouwing daarvan;

    • b.

      de wettelijke taken en/of functies die de stichting zal uitvoeren;

    • c.

      de geraamde aantallen cliënten voor het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft per taak en/of functie als bedoeld in de artikelen 5 en 10, eerste lid van de WJZ;

    • d.

      het aantal cliënten per taak en/of functie waarvoor de betreffende taak en/of functie is uitgevoerd in het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • e.

      de activiteiten die zullen worden uitgevoerd voor de taken als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ;

    • f.

      de adressen van de locaties waar de taken en/of functies worden uitgeoefend.

  • 3. In aanvullend op het eerste lid overlegt de zorgaanbieder bij de subsidieaanvraag in ieder geval:

    • a.

      de verschillende zorgeenheden waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      het bedrag waarvoor de zorgaanbieder de verschillende zorgeenheden wil uitvoeren;

    • c.

      de verschillende aantallen zorgeenheden waarvoor de zorgaanbieder subsidie aanvraagt;

    • d.

      de adressen van de locaties waar de zorgeenheden worden uitgevoerd.

Artikel 7.56. Verzekeringen en administratie

  • 175

  • 1. De stichting/zorgaanbieder aan wie een subsidie is verleend, zorgt voor een voldoende verzekering tegen de gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid, brand, diefstal en andere vergelijkbare risico’s.

  • 2. De administratie wordt op zodanig overzichtelijke en doelmatige wijze gevoerd dat op ieder moment een actueel en betrouwbaar beeld bestaat over het functioneren op de volgende punten:

    • a.

      gegevens over de cliënten;

    • b.

      financiële gegevens;

    • c.

      aanvullend hierop:

    • • voor de stichting gegevens over de omvang en individuele duur van de uitgeoefende taken en/of functies;

    • • voor de zorgaanbieder per cliënt gegevens over aard en omvang van de verleende zorg, waarbij een relatie wordt gelegd met de zorg waarop een cliënt aanspraak heeft.

Artikel 7.57 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling

In afwijking van het bepaalde in artikel 1.23 wordt een aanvraag om vaststelling van een per boekjaar verstrekte prestatiesubsidie ingediend uiterlijk op 1 april van het jaar, volgend op het jaar waarvoor subsidie is verleend.

Artikel 7.58. Verslag van de prestaties

  • 176

  • 1. In afwijking van artikel 1.19, eerste lid, bevat het prestatieverslag van:

    • a.

      de stichting ten minste gegevens over de realisatie van het bij de subsidieaanvraag ingediende uitvoeringsplan en over de uitvoering van de overige activiteiten als bedoeld in artikel 10, derde lid van de WJZ;

    • b.

      de zorgaanbieder ten minste gegevens over de realisatie van het bij de subsidieaanvraag ingediende uitvoeringsplan.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen voor de inhoudelijke verantwoording de stichting, in aanvulling op de gegevens die zijn opgenomen in het Besluit beleidsinformatie jeugdzorg, nadere gegevens vragen over de taken en/of functies, als bedoeld in de artikelen 5 en 10 van de WJZ.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen voor de inhoudelijke verantwoording van de zorgaanbieder nadere gegevens vragen.

Artikel 7.59. Verslag van de kosten

  • 177

  • 1. In aanvulling op artikel 1.19, tweede lid, overlegt de aanvrager de jaarrekening, waarin zijn opgenomen:

    • a.

      het financiële verslag van het bestuur van de stichting/zorgaanbieder;

    • b.

      de balans met toelichting;

    • c.

      de resultatenrekening met toelichting, waarin substantiële afwijkingen ten opzichte van de begroting worden verklaard;

    • d.

      voor de stichting het totale aantal jeugdigen dat zich in het begrotingsjaar bij de stichting heeft gemeld en het aantal jeugdigen waarvoor de verschillende taken en/of functies als bedoeld in de artikelen 5 en 10, eerste lid van de WJZ zijn uitgevoerd;

    • e.

      voor de stichting het totale aantal van de verschillende zorgeenheden waarvoor door haar in het subsidiejaar een indicatiebesluit is afgegeven;

    • f.

      voor de stichting het aantal van de onderscheiden zorgeenheden waarvoor door haar een indicatiebesluit is vastgesteld, voor zover deze in het desbetreffende jaar zijn uitgevoerd door een zorgaanbieder die daarvoor niet door Gedeputeerde Staten zijn gesubsidieerd en het totale aantal cliënten waarop dit betrekking heeft;

    • g.

      voor de zorgaanbieder het totale aantal zorgeenheden dat op basis van een indicatiebesluit door de zorgaanbieder is uitgevoerd, gespecificeerd per zorgeenheid waarop de subsidie betrekking heeft;

    • h.

      voor de zorgaanbieder het aantal van de onder lid g bedoelde zorgeenheden dat door de zorgaanbieder is uitgevoerd ten behoeve van cliënten die voorafgaand aan het bieden van zorg niet duurzaam verbleven in de provincie Overijssel en het totale aantal cliënten waarop deze zorgeenheden betrekking hebben;

    • i.

      voor de zorgaanbieder de in het desbetreffende jaar feitelijk gerealiseerde kostprijs voor de verschillende zorgeenheden;

    • j.

      voor de zorgaanbieder het totale aantal cliënten voor wie de onder lid g bedoelde zorgeenheden zijn uitgevoerd, gespecificeerd naar de verschillende zorgeenheden;

    • k.

      een accountantsverklaring, die is opgesteld overeenkomstig het model als opgenomen in de bijlage bij de landelijke Regeling Bekostiging Jeugdzorg en vergezeld gaat van een rapportage omtrent de naleving van de wettelijke voorschriften.

  • 2. De stichting en de zorgaanbieder laten de accountantscontrole uitvoeren met inachtneming van tenminste het protocol als opgenomen in de bijlage bij de landelijke Regeling Bekostiging Jeugdzorg.

  • 3. De stichting en de zorgaanbieder zorgen ervoor dat hun accountant meewerkt aan door of namens Gedeputeerde Staten in te stellen onderzoeken naar de door hun accountant verrichte controlewerkzaamheden.

  • 4. Gedeputeerde Staten kunnen over de verantwoording nadere informatie vragen.

Artikel 7.60. Reserveringen en vermogensvorming

  • 178

  • 1. Reserveringen kunnen onderdeel zijn van de bedrijfsvoering en kunnen plaatsvinden conform goed gebruik in het economische verkeer. Het in een jaar gerealiseerde exploitatietekort, dat resteert na verrekening van de provinciale subsidie, wordt gedekt uit de egalisatiereserve. Indien deze reserve niet toereikend is dan dient het resterende tekort in een termijn van maximaal 5 jaren ten laste van de exploitatierekening te worden afgeschreven, deze afschrijvingen leiden niet tot extra subsidiëring.

  • 2. Reserves die met provinciale subsidie zijn opgebouwd mogen alleen worden besteed aan kosten die direct verband houden met het uitvoeren van de taken/functies/zorgeenheden van de stichting/zorgaanbieder, voor zover deze niet bestreden kunnen worden uit de voor dat jaar verleende subsidie. Wanneer de gesubsidieerde activiteiten worden beëindigd is de stichting/zorgaanbieder verplicht het met provinciale subsidie opgebouwde vermogen op eerste verzoek aan Gedeputeerde Staten te betalen.

Artikel 7.61. Lagere vaststelling 

  • 179

  • 1. In aanvulling op artikel 1.21 stellen Gedeputeerde Staten de subsidie lager vast dan het aan de stichting verleende bedrag indien de maximaal verleende subsidie voor het uitoefenen van de taken en/of functies meer dan 1,5% hoger is dan het bedrag dat resulteert door de som van het verschillende aantal jeugdigen per taak, als bedoeld in de artikelen 5 en 10, eerste en derde lid van de WJZ, vermenigvuldigd met het voor die taak vastgestelde tarief.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.21 stellen Gedeputeerde Staten de subsidie lager vast dan het aan de zorgaanbieder verleende bedrag indien de maximaal verleende subsidie voor de uitvoering van zorgeenheden meer dan 1,5% hoger is dan het bedrag dat resulteert door vermenigvuldiging van het totaal van de verschillende aantallen uitgevoerde subsidiabele zorgeenheden met de daarvoor vastgestelde tarieven.

  • 3. In aanvulling op artikel 1.18 kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie naar rato lager vaststellen wanneer de werkelijke gemiddelde behandelduur per zorgeenheid de vooraf afgesproken normen overschrijdt.

Artikel 7.62. Overgangsregeling

  • 180

  • 1. In afwijking van artikel 7.53, tweede lid, stellen Gedeputeerde Staten voor de periode dat de minister de normbedragen nog niet heeft vastgesteld, de taken als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b van het Tijdelijk Besluit Uitkeringen jeugdzorg en de daarbij te hanteren tarieven vast, aansluitend op de taken en tarieven door haar gehanteerd voor de grondslag van de subsidie in het jaar voorafgaand aan inwerkingtreding van de WJZ.

  • 2. Indien in het eerste jaar van vaststelling door de minister van de normbedragen, de op basis van het eerste lid verleende maximale subsidie substantieel hoger is dan de maximale subsidie op basis van toepassing van artikel 7.53, eerste lid, dan kunnen Gedeputeerde Staten voor dat jaar een aanvullende prestatiesubsidie verlenen, om de stichting in staat te stellen haar bedrijfsvoering in overeenstemming te brengen met het subsidieniveau op basis van de tarieven.

  • 3. In aanvulling op artikel 7.53, vierde lid, wordt tot 1 januari 2008 het subsidiebedrag ook bepaald door het door Gedeputeerde Staten goedgekeurde bedrag van de vaste accommodatiekosten van de zorgaanbieder. De hierin begrepen afschrijvingslasten worden berekend op basis van goed gebruik in het economische verkeer. 181

  • 4. In afwijking van artikel 7.53, zesde lid, komt tot 1 januari 2008 de door de zorgaanbieders uitgevoerde jeugdzorg tevens voor subsidie in aanmerking, indien de cliënt voorafgaand aan de aanvang van de jeugdzorg niet duurzaam verbleef in Overijssel, in geval:

    • a.

      een hiertoe strekkend indicatiebesluit is vastgesteld door Bureau Jeugdzorg van de provincie, waarin de jeugdige voorafgaand aan de jeugdzorg duurzaam verbleef;

    • b.

      het onder a bedoelde Bureau Jeugdzorg heeft vastgesteld dat jeugdzorg waarop aanspraak bestaat, alsmede een vervangend aanbod als bedoeld in artikel 5 van het Besluit indicatie Bureau Jeugdzorg, niet binnen dertien weken na vaststelling van het indicatiebesluit, gerealiseerd kan worden door een zorgaanbieder die daarvoor wordt gesubsidieerd door de provincie waarin de jeugdige duurzaam verbleef;

    • c.

      de zorgaanbieder op grond van artikel 7.54, vierde lid, een subsidie van Gedeputeerde Staten ontvangt voor het bieden van de zorgeenheid waarop de aanspraak betrekking heeft;

    • d.

      hiermee niet een maximum van tien procent wordt overschreden van de totale subsidie die op grond van deze regeling is verleend voor het uitvoeren van zorgeenheden.

Hoofdstuk 8. Bijzondere bepalingen Landelijk Gebied

182

Paragraaf 8.1. Algemene bepalingen

Artikel 8.1. Definities

  • In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a. de minimissteun: een steunmaatregel die voldoet aan een door de Europese Commissie vastgestelde verordening op basis van artikel 2 van verordening (EG) 994/98 Pb L142 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen;

  • b. gebied: landelijke gebieden die in de systematiek van gebied gerichtwerken zijn aangewezen, te weten Noordoost-Twente, Zuidwest-Twente, Noordoost-Overijssel, Noordwest-Overijssel, Salland en Zwolle-Kampen;

  • c. gebiedsprogramma: jaarlijks voortschrijdend meerjarenprogramma voor de periode 2007 tot en met 2013 tot uitvoering van het pMJP in een gebied. Het programma wordt vastgesteld door Gedeputeerde Staten in overleg met gemeenten en waterschappen in een gebied;

  • d. plattelandsontwikkelingsprogramma: programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling voor Nederland met betrekking tot de programmeringsperiode 2007-2013, zoals goedgekeurd door de Commissie krachtens artikel 18 van verordening (EG) nr. 1698/2005 of herzien krachtens artikel 19 van die verordening;

  • e. pMJP: het provinciale meerjarenprogramma voor het landelijk gebied zoals bedoeld in artikel 4 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied;

  • f. POP-verordening: Verordening (EG) 1698/2005 Pb L277 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO);

  • h. steunmaatregel: een steunmaatregel als bedoeld in artikel 87, eerste lid, van het EG-verdrag;

  • g. uitvoeringsverordening POP: de door de Europese Commissie vast te stellen verordening tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling;

  • h. vrijstellingsverordening: een door de Europese Commissie vastgestelde verordeningen op basis van artikel 1, lid 1 van Verordening (EG) 994/98 Pb L142 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen;

  • i. vrijstellingsverordening Landbouw: Verordening (EG) 1857/2006 Pb L 358/3 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten;

  • j. vrijstellingsverordening MKB: Verordening (EG) nr. 70/2001 Pb L 10/33 van de commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen.

Artikel 8.2. Criteria

183

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten die bijdragen aan de uitvoering van het pMJP en die passen in een gebiedsprogramma.

Artikel 8.3. POP-subsidie

  • 184

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen ter uitvoering van het plattelandsontwikkelingsprogramma subsidie verstrekken voor in dit hoofdstuk nader aan te duiden activiteiten.

  • 2. POP-subsidie kan bovendien worden verleend voor de LEADER-aanpak zoals bedoeld in afdeling 4 van de POP-verordening en uitgewerkt in het plattelandsontwikkelingsprogramma.

  • 3. De subsidie, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt uitsluitend verstrekt onder de ter uitvoering van bijlage II, punt 5 van de Uitvoeringsverordening POP opgenomen voorwaarden in het plattelandsontwikkelingsprogramma. De voorwaarden zijn van toepassing op de totale subsidie voor de activiteit.

  • 4. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.13 alsmede in de volgende paragrafen van dit hoofdstuk dient de aanvraag voor POP-subsidie uiterlijk 1 mei respectievelijk 1 november te worden ingediend. Deze indieningstermijn is van toepassing op de totale subsidie voor de activiteit.

  • 5. Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Subsidie wordt verleend in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag zulks toestaat. Een aanvraag krijgt een hogere prioriteit naarmate de activiteiten:

    • a.

      bijdragen aan het realiseren van het pMJP en de gebiedsprogramma’s;

    • b.

      draagvlak hebben, bijvoorbeeld door het volgen van de LEADER-aanpak;

    • c.

      kosteneffectief zijn;

    • d.

      de mate waarin het project, dan wel de effecten van het project na afloop van de subsidieverlening zullen worden voortgezet, dan wel voortduren.

Artikel 8.4. Staatssteun

  • 185

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 8.2 wordt een aanvraag voor subsidie op grond van dit hoofdstuk geweigerd indien sprake is van een steunmaatregel en verlening van de subsidie niet in overeenstemming is met een vrijstellingsverordening of de vereisten voor de minimissteun.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing als voor de betreffende activiteit een POP-subsidie wordt verleend als bedoeld in artikel 8.3.

  • 3. Het eerste lid is bovendien niet van toepassing als de omvang van de subsidie en de voorschriften waaronder de subsidie wordt verstrekt passen binnen een op grond van artikel 87, derde lid van het EG-Verdrag door de Commissie goedgekeurde regeling. 186

  • 4. Indien de aanvrager niet tevens eindbegunstigde is, wordt bij de beoordeling van de aanvraag op grond van dit artikel uitgegaan van de positie van de eindbegunstigde.

Artikel 8.5. Bijzondere bepalinq over aanvraqen van qemeenten en waterschappen

187

Indien het gebiedprogramma is bekrachtigd in een convenant geldt de ondertekening van het convenant door de gemeente en waterschap als aanvraag voor een subsidie.

Artikel 8.6. Bijzondere bepaling over de aanvraag tot vaststelling

  • 1. In aanvulling op de artikelen 1.19 en 1.20 van dit uitvoeringsbesluit, respectievelijk artikel 4:75 van de Algemene wet bestuursrecht is bij de aanvraag tot vaststelling een accountantsverklaring vereist, tenzij Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening anders bepalen.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen bovendien nadere voorschriften stellen in verband met de eisen die voorvloeien uit de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 12 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied.

Paragraaf 8.2. Verplaatsing van intensieve veehouderijen (pMJP 1.1.1)

188

Artikel 8.7. Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor het te verplaatsen van bedrijven (of delen daarvan) waarvoor een voorlopige koopovereenkomst met de provincie Overijssel is gesloten, als bedoeld in de Beleidsregel Verplaatsing Intensieve Veehouderijen Overijssel 2005.

Artikel 8.8. Criteria

De subsidie moet voldoen aan het bepaalde in artikel 6 van de Vrijstellingsverordening Landbouw.

Artikel 8.9. Grondslag

  • 189

  • De subsidie bedraagt:

  • a. een vergoeding voor de sloopkosten van bedrijfsgebouwen van de intensieve veehouderij op de te verlaten locatie van € 25,-- per m² daadwerkelijk aanwezige oppervlakte aan bedrijfsgebouwen;

  • b. een vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte verplaatsingskosten van maximaal € 500,-- per NGE aanwezige productiecapaciteit op het moment van aanvraag, tot een maximum van € 100.000,--. Als verplaatsingskosten worden aangemerkt de kosten van advies, ontwerp en onderzoek ten behoeve van de hervestiging, met uitzondering van leges, en de kosten van het verhuizen van bedrijfsmiddelen en dieren naar de hervestigingslocatie;

  • c. indien de hervestiginglocatie een bestaande agrarische bedrijfslocatie is én er geen sprake is van samenvoeging: een vergoeding voor de sloopkosten van € 25,-- per m² voor de sloop van op de hervestiginglocatie niet bruikbare bedrijfsgebouwen.

Artikel 8.10. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 8.3. Omvorming van intensieve veehouderijbedrijven (pMJP 1.1.2)

190

Artikel 8.11. Subsidiabele activiteiten

  • Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken gericht op de omvorming van intensieve veehouderijbedrijven voor:

  • a. het inschakelen van adviesdiensten;

  • b. investeringen (inclusief planvorming) die bijdragen aan de versterking en verbetering van de grondgebonden tak van het agrarische bedrijf;

  • c. investeringen (inclusief planvorming) gericht op diversificatie naar niet agrarische activiteiten;

  • d. investeringen (inclusief planvorming) voor verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van agrarische bebouwing, erfinrichting en/of directe omgeving.

Artikel 8.12. criteria

  • 191

  • 1. Aanvragen kunnen worden ingediend door landbouwbedrijven in extensiveringsgebieden met een minimale bedrijfsgrootte van 40 NGE en een minimale omvang van de intensieve veehouderij tak van 10 NGE.

  • 2. De intensieve veehouderij dient planologisch als gebruiksmogelijkheid onmogelijk te worden gemaakt.

  • 3. Niet meer gebruikte vrijkomende agrarische gebouwen van de intensieve veehouderijtak moeten worden gesloopt.

  • 4. Geen subsidie wordt verstrekt voor prestaties, waarbij gebruik is gemaakt van de faciliteiten van het provinciale Beleidskader Rood voor rood.

  • 5. De subsidie voor investeringen als bedoeld in artikel 8.12, sub a, b en d, moet voldoen aan het bepaalde in artikel 4 en artikel 15 van de Vrijstellingsverordening Landbouw.

  • 6. Op subsidie voor diversificatie als bedoeld in artikel 8.12, sub c, is artikel 8.3 van toepassing. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als bedoeld in maatregel 311.

Artikel 8.13. Grondslag

  • 1. De subsidie voor adviesdiensten als bedoeld in artikel 8.11, onder a, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 5.000,-- per onderneming per jaar.

  • 2. De subsidie voor investeringen als bedoeld in artikel 8.11, onder b en c, bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,-- per investering.

  • 3. De subsidie voor het opstellen van een plan en het uitvoeren van bijbehorende investeringen als bedoeld in artikel 8.11, onder d, bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 10.000,-- per onderneming.

Artikel 8.14. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend

Paragraaf 8.4. Stimulering duurzame ontwikkeling landbouwontwikkelingsgebieden (LOG’s – pMJP 1.1.3)

192

Artikel 8.15. Subsidiabele activiteiten

  • 193

  • Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor het opstellen en uitvoeren van ontwikkelingsplannen voor landbouwontwikkelingsgebieden. Subsidie voor de uitvoering van het ontwikkelingsplan kan betrekking hebben op onder meer de volgende activiteiten:

  • a. het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;

  • b. infrastructurele aanpassingen die noodzakelijk zijn om perspectiefvol agrarisch te kunnen ondernemen;

  • c. sloop van gebouwen ten behoeve van ten behoeve van de economische ontwikkeling van omliggende (gebundelde) agrarische bedrijvigheid;

  • d. modernisering van landbouwbedrijven door investeringen in gemeenschappelijke voorzieningen (bijvoorbeeld mestverwerking, biogas, enz.).

Artikel 8.16. Nadere criteria

  • 194

  • 1. De aanvraag is afkomstig van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon.

  • 2. De aanvraag heeft betrekking op een LOG binnen het reconstructiegebied.

  • 3. Het ontwikkelingsplan moet voldoen aan de volgende vereisten:

    • a.

      het plan leidt tot de optimale benutting van het LOG voor de intensieve veehouderij (‘efficiënt ruimtegebruik’);

    • b.

      het plan bevat een globale indicatie en onderbouwing van het aantal mogelijk nieuwvestigingslocaties in het LOG;

    • c.

      het plan leidt tot een goede beeldkwaliteit van het LOG;

    • d.

      het plan voldoet aan het relevante milieu- en waterbeleid;

    • e.

      het plan bevat een uitvoeringsparagraaf.

  • 4. Een aanvraag van een gemeente voor uitvoeringsprojecten in een LOG kan alleen worden ingediend:

    • a.

      nadat Gedeputeerde Staten hebben ingestemd met het ontwikkelingsplan van het betreffende LOG;

    • b.

      indien het project betrekking heeft op de concrete inplaatsing van intensieve veehouderijen die in het kader van de uitvoering van de reconstructie verplaatsen uit een extensiveringszone of verwevingsgebied.

  • 5. De subsidie als bedoeld in artikel 8.16 moet voldoen aan het bepaalde in artikel 4 van de Vrijstellingsverordening Landbouw.

Artikel 8.17. Grondslag

  • 1. Subsidie voor het opstellen van ontwikkelingsplannen bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten.

  • 2. Subsidie voor uitvoering van het ontwikkelingsplan bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten voor overheden, respectievelijk maximaal 40% van de subsidiabele kosten voor landbouwondernemingen.

Paragraaf 8.5. Verbetering ruimtelijke structuur grondgebonden landbouw en aanvullende opgave reconstructiegebied (pMJP 1.1.5 en 1.1.6)

195

Artikel 8.18. Subsidiabele activiteiten

  • Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor:

  • a. de opstelling en de uitvoering van projectplannen voor wettelijke herverkaveling;

  • b. de opstelling en de uitvoering van projectplannen voor planmatige vrijwillige kavelruil;

  • c. vrijwillige kavelruil zonder planmatig karakter, die zal leiden tot een betere verkaveling in het belang van landbouw, natuur of landschap.

Artikel 8.19. Criteria

  • 1. De aanvraag voor activiteiten genoemd in artikel 8.18, sub a en b, is afkomstig van een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon.

  • 2. Bij de aanvraag voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 8.18, sub a en b, overlegt de aanvrager een projectplan dat aan de volgende eisen:

    • a.

      de omvang van het projectgebied is minimaal 300 hectare;

    • b.

      de gemiddelde kavelgrootte in het projectgebied moet met minimaal 10% verbeteren;

    • c.

      het beoogde ruilpercentage in het gebied is minimaal 10% van de oppervlakte landbouwgrond;

    • d.

      het plan bevat de volgende elementen: een beschrijving van de aanpak en activiteiten, planning, organisatie, begroting en financieringsvoorstel.

  • 3. Op subsidies die worden verstrekt op grond van artikel 8.18, sub a en b, is artikel 8.3 van toepassing. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als bedoeld in maatregel 125.

  • 4. De subsidie als bedoeld in artikel 8.19, sub c, moet voldoen aan het bepaalde in artikel 13 van de Vrijstellingsverordening Landbouw.

Artikel 8.20. Grondslag

  • 1. De subsidie voor wettelijke herverkaveling als bedoeld in artikel 8.18, sub a, bedraagt maximaal 90% van de subsidiabele kosten. Voor de onderstaande kosten bedraagt  de subsidie maximaal 65%:

    • a.

      kavelaanvaardingswerken;

    • b.

      ontsluiting wegen van landbouwkundig belang;

    • c.

      inpassingsmaatregelen.

  • 2. De subsidie voor vrijwillige kavelruil als bedoeld in artikel 8.18, sub b, bedraagt maximaal 90% van de subsidiabele kosten. De bijdrage van de ondernemers bedraagt minimaal € 200,-- per geruilde hectare.

  • 3. De subsidie voor vrijwillige kavelruil als bedoeld in artikel 8.18, sub c, bedraagt 100% van de notariële kosten die ten behoeve van de kavelruil worden gemaakt.

Artikel 8.21. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend (koppelen aan openstelling POP).

Paragraaf 8.6. Stimulering verplaatsing voor realisatie provinciale doelen natuur, recreatie of landschap en en de verbetering van de ruimtelijke structuur van de landbouw (pMJP 1.1.5, 2.1.1 en 2.1.5)

196

Artikel 8.22. Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de hervestiging van een landbouwbedrijf ter bevordering van de grondverwerving ten behoeve de realisering van de provinciale doelen natuur, recreatie of landschap en de verbetering van de ruimtelijke structuur van de landbouw.

Artikel 8.23. Nadere criteria

  • 1. De aanvraag is afkomstig van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die beschikt over de eigendom of over het gebruiksrecht van de bij dit bedrijf behorende grond.

  • 2. De aanvraag kan betrekking hebben op gronden gelegen in Overijssel, met uitzondering van de Nadere Uitwerking Rivierengebied.

  • 3

    • a.

      De bij het te verplaatsen bedrijf behorende grond dient in eigendom, vrij van enig gebruiksrecht, aan BBL te worden overgedragen op grond van een koopovereenkomst tussen BBL en de aanvrager, of inbreng van de bij het bedrijf behorende grond in een overeenkomst tussen de aanvrager en Gedeputeerde Staten inzake inbreng en toedeling van gronden vooruitlopend op het plan van toedeling als bedoeld in artikel 51 van de Wet Inrichting Landelijk Gebied, artikel 62 van de Reconstructiewet concentratiegebieden of inbreng van de bij het bedrijf behorende grond in een overeenkomst tussen de aanvrager en de Landinrichtingscommissie inzake inbreng en toedeling van gronden vooruitlopend op het plan van toedeling als bedoeld in artikel 196 van de Landinrichtingswet, of

    • b.

      de eigenaar van het te verplaatsen bedrijf verklaart bij de aanvraag, dat de bijbehorende grond of een overeenkomstige oppervlakte (als onderdeel van een inrichtingsplan) zodanig wordt ingericht, dat de provinciale doelen worden gerealiseerd;

    • c.

      in bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de in de onderdelen a en b omschreven verplichting dat alle bij het bedrijf van aanvrager behorende grond of een overeenkomstige oppervlakte, aan BBL dient te worden overgedragen, dan wel ingericht (als onderdeel van een inrichtingsplan) ten behoeve provinciale doelen.

  • 4. De hervestiging van een volwaardig bedrijf op een andere plaats dient door de aanvrager binnen vierentwintig maanden na het sluiten van de in het derde lid bedoelde overeenkomsten daadwerkelijk plaats te vinden.

  • 5. Voor zover de bedrijfsgebouwen gelegen zijn binnen een landinrichtingsproject, een wettelijk herverkavelingsproject of een overeenkomstige oppervlakte grond (als onderdeel van een inrichtingsplan) zodanig wordt ingericht, dat het provinciale doel wordt gerealiseerd, dient een clausule te worden opgenomen in de in het derde lid, bedoelde overeenkomsten c.q. verklaringen dat de bedrijfsgebouwen aan het gebruik voor de landbouw worden onttrokken. In bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde Staten van deze verplichting afwijken.

  • 6. De hervestiging van een landbouwbedrijf vindt plaats op een lokatie, die als duurzaam aangemerkt kan worden.

  • 7. Geen subsidie wordt verleend:

    • a.

      indien de aanvrager voor dezelfde bedrijfsgebouwen gebruik heeft gemaakt van de faciliteiten van het provinciale Beleidskader Rood voor rood of de Beleidsregel Verplaatsing Intensieve Veehouderijen 2005;

    • b.

      indien aan de aanvrager voor de betreffende bedrijfsgebouwen en gronden een volledige schadeloosstelling is betaald op grond van de hoofdstukken I, IV of VI van de Onteigeningswet;

    • c.

      indien aan de aanvrager voor de betreffende bedrijfsgebouwen en gronden een volledige schadeloosstelling op vrijwillige basis is betaald.

  • 8. De subsidie moet voldoen aan het bepaalde in artikel 6 van de Vrijstellingsverordening Landbouw.

Artikel 8.24. Grondslag

  • 1. De subsidie voor hervestiging van een bedrijf bedraagt de som van:

    • a.

      € 2.700,-- per hectare voor de over te dragen grond of de aan landbouw onttrokken grond ten behoeve van inrichting van het beoogde provinciale doel;

    • b.

      maximaal 6% van de grondprijs van de aan BBL over te dragen grond of ingeval artikel 8.23, derde lid, sub b, van toepassing is, 6% van de grondprijs van het te verplaatsen bedrijf, voor zover de aanvrager daarvoor in verband met bedrijfshervestiging overdrachtsbelasting is verschuldigd, en

    • c.

      een bijdrage van 10% van de agrarische waarde van erf, bedrijfsgebouwen en woning tot een maximum van € 45.000,--.

  • 2. De subsidie en het aankoopbedrag van het te verplaatsen bedrijf gezamenlijk bedraagt niet meer dan de hoogte van een volledige schadeloosstelling.

Artikel 8.25. Indieningstermijn aanvraag.

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Artikel 8.26. Aanvullende stukken bij aanvraag

  • De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag om subsidie tevens de volgende informatie:

  • a. een omschrijving van de voorgenomen activiteit;

  • b. een topografische kaart met een schaal van 1:10.000 waarop de ligging en oppervlakte van het bedrijf en de bijbehorende de gronden waar de subsidie betrekking op heeft, alsmede de plaats van hervestiging, zijn aangegeven;

  • c. voor zover aan de orde, een verklaring van de eigenaar dat deze de grond in eigendom, vrij van enig gebruiksrecht, over zal dragen aan BBL, in geval de aanvrager geen eigenaar is;

  • d. voor zover aan de orde, een verklaring van de eigenaar dat deze de grond inricht overeenkomstig het provinciale doel;

  • e. een document waarmee wordt aangetoond dat hervestiging overeenkomstig artikel 8.23, zesde lid, zal plaatsvinden;

  • f. voor zover aan de orde, de in artikel 8.23, derde lid, onderdeel a, bedoelde overeenkomst tussen de aanvrager en de landinrichtingscommissie inzake de inbreng en de toedeling van gronden.

Paragraaf 8.7. Opstellen en uitvoeren meerjarig stimuleringsprogramma innovatie in agroclusters (pMJP 1.2.1) en Bevorderen duurzaam ondernemen door middel van toepassen agrobiodiversiteit (pMJP 1.3.1)

197

Artikel 8.27. Subsidiabele activiteiten

  • Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor:

  • a. activiteiten gericht op het versterken van het innovatieve vermogen van de agrarische bedrijven en samenwerkingsverbanden van agrarische bedrijven en andere bedrijven;

  • b. samenwerkingsprojecten voor de ontwikkeling van nieuwe producten, productiewijzen en/of technologieën.

Artikel 8.28. Criteria

  • 1. De aanvraag voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 8.27, sub a, kan betrekking hebben op:

    • a.

      ondersteuning van de vorming en professionalisering van clusters, ketens en netwerken van bedrijven gericht op innovatie, kennisontwikkeling en kennisspreiding in het agrocluster;

    • b.

      gebruik van adviesdiensten en/of kennisinstellingen door (een) landbouwondernemer(s) voor een innovatief  project.

  • 2. Een aanvraag voor uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 8.27, sub a, is afkomstig van een landbouwbedrijf of een samenwerkingsverband van landbouwbedrijven en/of andere organisaties, waarbij voor activiteiten als bedoeld in het eerste lid, sub a van dit artikel minimaal 10 ondernemers deelnemen in het project.

  • 3. De aanvraag voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 8.27, sub b, heeft betrekking op een samenwerkingsproject van landbouwondernemers of van (een) landbouwondernemers (s) met andere partners (keten- en/of gebiedspartijen) en/of kennisinstellingen, gericht op product-, proces- en systeeminnovaties in de landbouw- en voedselsector.

  • 4. Subsidieverlening aan een landbouwbedrijf moet voldoen aan artikel 4 dan wel artikel 15 van de Vrijstellingsverordening Landbouw. Subsidie aan andere ondernemingen moet voldoen aan artikel 15 van de Vrijstellingsverordening Landbouw dan wel aan de vereisten voor de minimissteun.

Artikel 8.29. Grondslag

  • 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 8.28, eerste lid, sub a, voor samenwerkingsprojecten bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 100.000,-- per driejarige periode per eindbegunstigde.

  • 2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 8.28, eerste lid, sub b, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 30.000,-- per aanvrager.

  • 3. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 8.27, sub b, bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten per project met een maximum van € 100.000,-- en voor samenwerkingsverbanden € 250.000,--.

Artikel 8.30. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 wordt de aanvraag waarop in de eerste respectievelijk tweede helft van het kalenderjaar wordt beslist, ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van dat kalenderjaar.

Artikel 8.31. Wijze van behandeling van de aanvragen

In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag dit toestaat.

Paragraaf 8.8. Stimuleren toekomstgericht ondernemerschap (pMJP 1.2.2.) en beperken van emissie van ammoniak, stank en stof vanuit de landbouw (pMJP 1.3.2)

198

Artikel 8.32. Subsidiabele activiteiten

  • Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor:

  • 1. kennisontwikkeling en –spreiding door:

    • a.

      kennisvergaring door landbouwers: het opdoen van kennis d.m.v. scholing, training, advisering, voorlichting en gebruik adviesdiensten;

    • b.

      kennisverspreiding door middel van demonstratieprojecten en praktijknetwerken;

    • c.

      activiteiten gericht op de professionalisering van ondernemers en samenwerkingsverbanden van ondernemers.

  • 2. Modernisering van landbouwbedrijven; investeringen zijn gericht op:

    • a.

      het beschermen en het verbeteren van het milieu die verder gaan dan wat wettelijk vereist is;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van het dierenwelzijn;

    • c.

      de verhoging van de toegevoegde waarde van de agrarische productie.

  • 3. Diversificatie naar niet-agrarische activiteiten: investeringen voor het starten, alsmede het verder ontwikkelen van verbreding activiteiten op een landbouwbedrijf.

Artikel 8.33. Criteria

  • 1. Aanvragen kunnen alleen worden ingediend door landbouwondernemers met een minimale bedrijfsgrootte 40 NGE.

  • 2. Aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 8.32, eerste lid, onderdelen b en c, kunnen ook worden aangevraagd door organisaties die dergelijke activiteiten organiseren.

  • 3. Subsidie voor kennisontwikkeling en -spreiding als bedoeld in artikel 8.32, eerste lid, kan niet worden verleend voor cursussen of stages die deel uitmaken van normale programma’s of leergangen van het middelbaar of hoger landbouw onderwijs.

  • 4. Indien investeringen in landbouwbedrijven gericht op milieu en dierenwelzijn als bedoeld in artikel 8.32, tweede lid, sub a en b, betrekking hebben op voldoening aan communautaire normen, wordt alleen subsidie verleend om te voldoen aan een pas ingevoerde norm (maximaal 36 maanden te rekenen vanaf de datum waarop de norm voor de onderneming dwingend wordt).

  • 5. Subsidie als bedoeld in artikel 8.32, eerste lid, aan een landbouwbedrijf moet voldoen aan artikel 15 van de Vrijstellingsverordening Landbouw. Subsidie aan andere ondernemingen moet voldoen aan artikel 15 van de Vrijstellingsverordening Landbouw danwel aan de vereisten voor de minimissteun.

  • 6. Subsidie als bedoeld in artikel 8.32, tweede lid, moet voldoen aan artikel 4 van de Vrijstellingsverordening Landbouw.

  • 7. Op subsidie voor diversificatie als bedoeld in artikel 8.32, derde lid, is artikel 8.3 van toepassing. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als bedoeld in maatregel 311.

Artikel 8.34. Grondslag

  • 1. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 8.32, eerste lid, bedraagt voor samenwerkingsprojecten maximaal 70% van de subsidiabele kosten. Voor individuele ondernemers bedraagt de subsidie maximaal 70% met een maximum van € 5.000,-- per ondernemer per jaar.

  • 2. De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 8.32, tweede en derde lid, bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 100.000,-- per investering.

Artikel 8.35. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 8.9. Stimuleren biologische landbouw door verbeteren afzet (pMJP 1.3.3) 199

200

Artikel 8.36. Subsidiabele activiteiten

  • Subsidie kan worden verleend voor activiteiten voor de bevordering van de afzet van biologische producten. Het gaat hierbij met name om:

  • 1. samenwerkingsprojecten gericht op de verbetering van de afzet bijvoorbeeld door het ontwikkelen van samenwerking in de keten en het optimaliseren van bestaande ketens;

  • 2. algemene promotie van biologische producten (informatie voor consumenten).

Artikel 8.37. Criteria

Subsidie voor het bevorderen van de afzet van biologische producten  moet voldoen aan artikel 15 van de Vrijstellingsverordening Landbouw danwel aan de vereisten voor de minimissteun.

Artikel 8.38. Grondslag

De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 100.000,-- per driejarige periode per eindbegunstigde.

Artikel 8.39. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend

Paragraaf 8.10. Verwerven areaal nieuwe natuur voor EHS en RVZ (pMJP 2.1.1 en 2.1.5)

201

Artikel 8.40. Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verleend voor de verwerving van gronden voor de realisatie van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en/of Robuuste verbindingszones.

Artikel 8.41. Criteria

  • 1. Een aanvraag is afkomstig van Stichting Landschap Overijssel, Vereniging natuurmonumenten of Staatsbosbeheer.

  • 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      de te verwerven grond ligt in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur;

    • b.

      de te verwerven grond ligt niet in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en de aanvrager kan aantonen dat de aankoop van de betreffende grond rechtstreeks bijdraagt aan de realisatie van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur;

    • c.

      de te verwerven grond is begrensd als nieuwe natuur als bedoeld in het Natuurgebiedsplan of volgens een besluit van Gedeputeerde Staten zal worden begrensd als nieuwe natuur;

    • d.

      de subsidieaanvrager komt, gelet op de door Gedeputeerde Staten vast te stellen eerstgegadigdenkaart, als eerste in aanmerking voor aankoop van de betreffende grond. In bijzondere gavallen kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de toedeling, zoals in de Eerstgegadigdenkaart is geregeld.

  • 3. In bijzondere gevallen kan een subsidieaanvraag betrekking hebben op de verwerving van gronden die als bestaande natuur zijn begrensd in het natuurgebiedsplan indien deze gronden:

    • a.

      een onlosmakelijk onderdeel is van de begrensde nieuwe natuur of;

    • b.

      voor het beheer een essentieel onderdeel vormt voor het realiseren van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur of;

    • c.

      in redelijkheid niet als een zelfstandig te beheren object kan worden aangemerkt.

  • 4. In bijzondere gevallen kunnen de subsidies als bedoeld in het tweede en derde lid tevens kosten van achterstallig onderhoud behelzen.

Artikel 8.42. Grondslag

  • 1. De subsidie bedraagt 50% van de verwervingskosten, waaronder wordt verstaan:

    • a.

      de kosten van de aan te kopen grond, gebaseerd op de marktwaarde van vergelijkbare gronden in de omgeving. Deze marktwaarde wordt bepaald op basis van een door of namens de Dienst Landelijk Gebied door een voor het landelijk gebied gecertificeerde taxateur uitgebrachte taxatie;

    • b.

      de kosten van opstallen, die een onlosmakelijke eenheid met de aan te kopen grond vormen of waarbij de opstallen een duidelijke functie vervullen in het beheer van de grond;

    • c.

      de taxatiekosten;

    • d.

      de overdrachtskosten;

    • e.

      het afkoopbedrag van de landinrichtingsrente voor zover die rust op het te verwerven terrein;

    • f.

      de afkoopkosten van eventueel lopende verplichtingen, die rechtstreeks gekoppeld zijn aan de instandhouding van de onroerende zaak.

  • 2. Niet subsidiabel zijn de aankoopkosten van productiequota.

  • 3. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie aan Staatsbosbeheer 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 8.43. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Artikel 8.44. Aanvullende stukken bij aanvraag

  • De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.14 bij de aanvraag om subsidie tevens de volgende informatie:

  • a. een duidelijke topografische situatietekening, waarop de aan te kopen grond is aangegeven (schaal 1:25.000);

  • b. de kadastrale gegevens van de aan te kopen grond;

  • c. de naam van de verkoper(s);

  • d. zakelijke rechten en kwalitatieve verplichtingen, die eventueel op de aan te kopen grond zijn gevestigd;

  • e. een verklaring van de verkoper, waarin is aangegeven dat hij voor de betreffende grond niet geïnteresseerd is in de in het natuurgebiedsplan beoogde doelen van particulier natuurbeheer;

  • f. streekplan- en bestemmingsplansituatie van de aan te kopen grond;

  • g. een kostenoverzicht, gespecificeerd naar de in artikel 8.42, eerste lid, onderscheiden verwervingskosten;

  • h. een door of namens de Dienst landelijk Gebied, door een voor het landelijk gebied gecertificeerde taxateur, opgesteld taxatierapport van de aan te kopen grond;

  • i. omschrijving van het beoogde natuurdoel, met daarbij de verwachte resultaten overeenkomstig het betreffende natuurgebiedsplan.

Paragraaf 8.11. Inrichten areaal EHS en RVZ conform natuurdoelen (pMJP 2.1.4 en 2.1.7)

202

Artikel 8.45. Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor het inrichten van natuurgebieden binnen de EHS, die door de provincies in het kader van de Subsidieregeling Natuurbeheer Overijssel zijn aangewezen.

Artikel 8.46. Criteria

  • 1. De grond waarop het inrichtingsproject wordt uitgevoerd dient uit de primaire agrarische productie te worden genomen.

  • 2. Inrichting dient plaats te vinden conform het natuurdoeltype zoals opgenomen in het betreffende natuurgebiedsplan.

Artikel 8.47. Grondslag

  • 1. De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2. Subsidiabele kosten zijn de kosten voor:

    • a.

      planvorming;

    • b.

      aanleg van beplantingen;

    • c.

      grondverzet;

    • d.

      aanpassingen waterbeheersing;

    • e.

      afgravingen bovenlaag, waaronder de afvoerkosten;

    • f.

      sanering van wegen;

    • g.

      drainage;

    • h.

      bebording;

    • i.

      afrastering;

    • j.

      overige maatregelen voor zover noodzakelijk in verband met de desbetreffende inrichting.

Artikel 8.48. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend

Paragraaf 8.12. Uitvoeringsmaatregelen soortenbeschermingsplannen (pMJP 2.2.1)

203

Artikel 8.49. Subsidiabele activiteiten

  • Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor:

  • a. activiteiten die staan opgenomen in het Meerjarenprogramma Uitvoering Soortenbescherming en provinciale aandachtsoorten;

  • b. activiteiten met een eenmalig karakter gericht op bescherming van in het wild voor komende plant- en diersoorten in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur.

Artikel 8.50. Criteria

  • 1. De subsidieaanvraag bedraagt minimaal € 500,--.

  • 2. De subsidie moet voldoen aan de vereisten van de minimissteun.

Artikel 8.51. Grondslag

  • 1. De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2. Als niet-subsidiabele kosten worden aangemerkt:

    • a.

      kosten die verband houden met de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen behoudens kosten voor specifieke soortgerichte maatregelen;

    • b.

      kosten van controles door de ondernemer zelf.

Artikel 8.52. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 worden subsidieaanvragen voor 1 april van het betreffende kalanderjaar ingediend.

Artikel 8.53. Wijze van behandeling van de aanvragen

In afwijking van artikel 1.4 plaatsen Gedeputeerde Staten de subsidieaanvragen in een prioriteitsvolgorde. Gedeputeerde Staten verlenen subsidie in de volgorde van de vastgestelde prioriteit, voor zover het beschikbare bedrag dit toestaat.

Paragraaf 8.13. Beschermen weidevogels (pMJP 2.2.2)

204

Artikel 8.54. Subsidiabele activiteiten

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor extra maatregelen ter verbetering van biotoop, broedsucces en kuikenoverleving van weidevogels (experiment koplopers weidevogelboeren) in de vorm van:

    • a.

      vluchtstrokenbeheer: stroken met veel legsels en/of kuikens van minimaal 10 meter breed en 50 meter lang en met een totale oppervlakte van maximaal 1 hectare die minimaal 2 weken later worden gemaaid dan de rest van het perceel en niet eerder dan 22 mei;

    • b.

      voorbeweiding: in een periode tot uiterlijk 1 mei, met aansluitend een rustperiode tot 15 juni ofwel in een periode tot uiterlijk 24 april, met aansluitend een rustperiode tot 1 juni, waarbij in de betreffende rustperiode wordt afgezien van bemesten, rollen, slepen en maaien van het perceel. Ingeval deze activiteit wordt uitgevoerd met schapen, geldt een periode tot uiterlijk 15 april respectievelijk 8 april;

    • c.

      uitstel van maaien: op percelen met veel kuikens, ten minste 4 paar met kuikens van grutto, wulp en/of tureluur met minimaal 2 weken en niet eerder dan 1 juni of met minimaal 3 weken en niet eerder dan 8 juni;

    • d.

      nestbescherming waarbij:

    • • weidevogelnesten worden gemarkeerd en beschermd;

    • • op in te maaien percelen met kuikens, 1 tot 2 dagen voor het maaien stokken met plastic zakken worden geplaatst;

    • • in te beweiden percelen nestbeschermers over de legsels worden geplaatst;

    • • in de periode 15 april tot 15 juni niet ’s nachts wordt gemaaid.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor een succesvol uitgekomen nest van één of meerdere van de soorten: grutto, tureluur, wulp, slobeend, zomertaling, watersnip en kemphaan (Natuurproductiebetaling weidevogels).

Artikel 8.55. Criteria

  • 1. De aanvraag als bedoeld in artikel 8.54, eerste lid, is afkomstig van een landbouwonderneming of een andere onderneming, danwel een samenwerkingsverband daarvan.

  • 2. De aanvraag als bedoeld in artikel 8.54, tweede lid, is afkomstig van een grondgebruiker.

  • 3. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 8.54, eerste lid, moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      er is sprake van onderling samenhangend gebied van minimaal 100 hectare, waar minimaal de soorten grutto, tureluur en/of wulp voorkomen, met een minimale dichtheid van 15 broedparen per 100 hectare ofwel de aanvraag is afkomstig van een landbouwbedrijf, een onderneming of een samenwerkingsverband daarvan, die in één van de voorgaande 3 jaren minimaal 10 nesten gehonoreerd hebben gekregen in het kader van het project Natuurproductiebetaling;

    • b.

      zij minimaal betrekking heeft op 1 hectare van de maatregelen genoemd in artikel 8.54 van dit besluit;

    • c.

      op de betreffende gronden rust geen beheersovereenkomst op grond van de Subsidieregeling Natuurbeheer of Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer, noch is er een contract Particulier Natuurbeheer afgesloten;

    • d.

      de betreffende gronden zijn niet in beheer bij of eigendom van een particuliere natuurbeschermingsorganisatie.

  • 4. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 8.54, tweede lid, moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      op de gronden rust geen beheersovereenkomst op grond van het Programma Beheer dan wel de Subsidieregeling Natuurbeheer of Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer en ook geen contract Particulier Natuurbeheer;

    • b.

      de gronden moeten liggen binnen beheersgebieden nieuwe natuur of gebieden met een weidevogeldoelstelling;

    • c.

      het nest is gemarkeerd.

Artikel 8.56. Grondslag

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 8.54, eerste lid, bedraagt: 205

    • a.

      voor vluchtstrokenbeheer € 442,-- per hectare; 206

    • b.

      voor voorbeweiding: 207

    • • € 273,-- per hectare voor de periode tot uiterlijk 1 mei of ingeval voorbeweiding wordt uitgevoerd met schapen tot uiterlijk 15 april, met een rustperiode tot 15 juni;

    • • € 200,-- per hectare voor de periode tot uiterlijk 24 april of ingeval voorbeweiding wordt uitgevoerd met schapen tot uiterlijk 8 april, met een rustperiode tot 1 juni;

    • c.

      voor nestbescherming: € 150,-- per aanvrager, vermeerderd met € 4,-- per hectare gebied waarbij dit bedrag per hectare is gekoppeld aan de oppervlakte waarmee het landbouwbedrijf of de onderneming deelneemt in de activiteiten waarvoor subsidie wordt aange vraagd. 208

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 8.54, tweede lid, bedraagt € 68,-- per succesvol uitgekomen nest. 209

  • 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de subsidie € 100,-- per succesvol uitgekomen nest indien op de aangrenzende gronden een beheersovereenkomst van toepassing is op grond van de Subsidieregeling Natuurbeheer (Overijssel) of Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (Overijssel), danwel indien een contract Particulier Natuurbeheer is afgesloten.

Artikel 8.57. Indieningstermijn aanvraag

  • 210

  • In afwijking van artikel 1.13 wordt een subsidieaanvraag:

  • a. voor subsidie als bedoeld in artikel 8.54, eerste lid, ingediend voor 1 april van het betreffende kalenderjaar;

  • b. voor subsidie als bedoeld in artikel 8.54, tweede lid, ingediend binnen 6 dagen na het uitkomen van het legsel.

Artikel 8.58. Voorschotverlening

211

In afwijking van artikel 1.17 verlenen Gedeputeerde Staten geen voorschot op een subsidie als bedoeld in artikel 8.54, tweede lid.

Artikel 8.59. Subsidievaststelling

  • 1. In afwijking van artikel 1.18 wordt voor subsidies als bedoeld in artikel 8.54, eerste lid, een aanvraag voor vaststelling ingediend uiterlijk 15 juli van het kalenderjaar ingediend.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1, paragraaf 3, gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 8.54, tweede lid, niet een besluit tot subsidieverlening vooraf.

Artikel 8.60. Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling

212

De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.19 bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 8.54, eerste lid, tevens een afschrift van de bedrijfskaart.

Artikel 8.61. Beslistermijn subsidievaststelling

In afwijking van artikel 1.22 beslissen Gedeputeerde Staten binnen 4 weken op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 8.54, eerste lid.

Paragraaf 8.14. Versterking van de twee Nationale Parken De Weerribben en Sallandse Heuvelrug door uitvoering van de beheers- en inrichtingsplannen (pMJP 2.2.3)

213

Artikel 8.62. Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor activiteiten die gericht zijn op beheer, inrichting, voorlichting en onderzoek van nationale parken de Sallandse Heuvelrug of De Weerribben.

Artikel 8.63. Criteria

  • 1. De activiteit is opgenomen in het bestedingsplan van het desbetreffende Nationale Park.

  • 2. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun.

Artikel 8.64. Grondslag

De subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 8.65. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 8.15. Vergroten kwaliteit groenstructuur rondom steden (pMJP 2.3.1 en 2.3.2)

214

Artikel 8.66. Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verleend voor de aanleg van natuur- en landschapselementen in de randen van stedelijke centra in het reconstructiegebied van Overijssel.

Artikel 8.67. Criteria

  • 1. De aanvraag is afkomstig van een gemeente of waterschap.

  • 2. De aanvraag heeft betrekking op gronden, die zijn gelegen in het reconstructiegebied.

  • 3. De aanvraag heeft betrekking op gronden, die gelegen zijn binnen een straal van 10 km rond de bebouwde kom van een stedelijk centrum met minimaal 10.000 inwoners.

  • 4. De aanleg van elementen moet gebaseerd zijn op een landschapsontwikkelingsplan of een daarmee vergelijkbare planvorm.

  • 5. De aanvraag kan betrekking hebben op eigen gronden van de aanvrager als op gronden van particulieren.

  • 6. Het beheer van de aan te leggen elementen moet duurzaam geregeld zijn.

  • 7. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun.

Artikel 8.68. Grondslag

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele inrichtingskosten.

Artikel 8.69. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 8.16. Uitvoeren van uitvoeringsprogramma's Nationale Landschappen (pMJP 2.3.3)

Artikel 8.70. Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de uitvoering van projecten die passen in het ontwikkelingsprogramma van een Nationaal Landschap.

Artikel 8.71. Criteria

  • 1. Het project of de activiteit draagt aantoonbaar bij aan het realiseren van het uitvoeringsprogramma’s.

  • 2. Aanvragen waarin de gevraagde subsidie lager is dan € 2.500,-- worden niet in behandeling genomen.

  • 3. Een aanvraag die betrekking heeft op activiteiten waarvoor in het uitvoeringsprogramma de uitvoerder is aangewezen kan alleen worden ingediend door of namens de betreffende uitvoerder.

  • 4. Op subsidie op grond van deze paragraaf kan artikel 8.3 van toepassing zijn. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als bedoeld in de maatregelen 125, 313, 322, 323 of 324.

  • 5. Als geen POP-subsidie wordt verleend en de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun.

Artikel 8.72. Grondslag

  • 1. De hoogte van het subsidiebedrag is afhankelijk van het belang en de financieringsmogelijkheden van de aanvrager en bedraagt maximaal 75% van de totale projectkosten, tenzij door de toepassing van artikel 8.62.b een ander maximum geldt.

  • 2. In uitzonderingsgevallen kunnen Gedeputeerde Staten besluiten in afwijking van artikel 1.3, tweede lid, een subsidie te verstrekken in de vorm van een stimuleringssubsidie. De hoogte van de stimuleringssubsidie is afhankelijk van het belang en de financieringsmogelijkheden van de aanvrager en bedraagt maximaal € 5.000,-- per activiteit en of project.

Artikel 8.73. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 8.17. Vergroten landschappelijke kwaliteit cultuurlandschap (pMJP 2.3.3)

215

Artikel 8.74. Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor projecten die zijn gericht op bewustwording, vormgeving en herstel/realisering van landschappelijke kwaliteit van het cultuurlandschap.

Artikel 8.75. Criteria

  • 1. (Semi)overheden en particulieren kunnen subsidie aanvragen voor:

    • a.

      planvorming ten behoeve van een concreet inrichtings- of ontwikkelingsvraagstuk, waarbij doorvertaling naar de uitvoering/realisering plaatsvindt;

    • b.

      projecten gericht op behoud en ontwikkeling van landschappelijk en cultureel erfgoed;

    • c.

      projecten gericht op de ontwikkeling van pilots op het snijvlak van rode en groene functies.

  • 2. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      projecten moeten gelegen zijn in het reconstructiegebied;

    • b.

      projecten moeten passen binnen gemeentelijke landschapsontwikkelingsplannen of daarmee vergelijkbare planvormen;

    • c.

      initiatieven die passen binnen de subsidie als bedoeld in paragraaf 8.15 (Groenstructuur rondom steden) of paragraaf 8.18 (Uitvoering Groene en Blauwe Diensten) komen niet voor deze subsidie in aanmerking.

  • 3. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun.

Artikel 8.76. Grondslag van de subsidie

  • 1. De subsidie als bedoeld in artikel 8.75, eerste lid, sub a, bedraagt maximaal 75% van de projectkosten met een minimum van € 10.000,-- en een maximum van € 50.000,-- per project.

  • 2. De subsidie als bedoeld in artikel 8.75, eerste lid, sub b en c, bedraagt maximaal 50% van de projectkosten met een minimum van € 10.000,-- en een maximum van € 100.000,-- per project.

Artikel 8.77. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 8.18. Uitvoering Groene en Blauwe diensten (pMJP 2.4.1 - 2.4.3)

216

Artikel 8.78. Subsidiabele activiteiten

217

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de vergoeding van maatregelen en activiteiten op het gebied van landschap, natuur, water, cultuurhistorie en recreatie die de kwaliteit van het landelijk en stedelijk gebied verhogen.

Artikel 8.79. Criteria

  • 218

  • 1. Een aanvraag past binnen het Beleidskader Groene en Blauwe diensten 2006.

  • 2. Een aanvraag is afkomstig van een rechtspersoon die ten behoeve van de uitvoering van de activiteiten zoals bedoeld in het eerste lid over een rekening-courant beschikt bij het Nationaal Groenfonds.

  • 3. Geen subsidie wordt verleend:

    • a.

      indien er voor de activiteiten een subsidiemogelijkheid bestaat op grond van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer Overijssel, de Subsidieregeling Natuur Overijssel of subparagraaf 8.13 (Beschermen weidevogels) van dit besluit;

    • b.

      indien er op grond van enig wettelijk voorschrift de plicht bestaat tot het verrichten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • c.

      aan waterschappen en aan Staatsbosbeheer, de Stichting Landschap Overijssel of de Vereniging Natuurmonumenten voor beheer.

  • 4. Op subsidies die worden verstrekt op grond van deze paragraaf voor aanleg en herstel is artikel 8.3 van toepassing. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als bedoeld in maatregel 323.

  • 5. Als geen POP-subsidie wordt verleend en de subsidie is een steunmaatregel, dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun dan wel aan de vrijstellingsverordening MKB.

Artikel 8.80. Grondslag

  • 219

  • 1. De subsidie voor aanleg, beheer en herstel bedraagt:

    • a.

      maximaal 50% van de totale kosten van activiteiten op gronden gelegen in de in het Beleidskader Groene en Blauwe diensten 2006 aangegeven prioritaire gebieden;

    • b.

      maximaal 25% van de totale kosten van activiteiten op gronden gelegen in overige gebieden; waarbij de kosten voor aanleg maximaal 10% van de totale kosten mogen uitmaken.

  • 2. In afwijking van het eerste lid betreft de subsidie voor het randenbeheer, onderdeel natte randen, maximaal 25% in de hiertoe in het Beleidskader Groene en Blauwe diensten 2006 aangegeven gebieden met grote bestaande ecologische waarden.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid bedraagt de subsidie voor aanleg en herstel maximaal 75%, indien uitvoering wordt gegeven aan het in artikel 8.3 bedoelde plattelandsontwikkelingsprogramma.

  • 4. In afwijking van het eerste lid kan tot en met 31 december 2007 een subsidie worden verleend zonder dat de financiering van het beheer in het projectvoorstel bedoeld in artikel 8.82, eerste lid, is geregeld, indien bij de aanvraag ten genoegen van Gedeputeerde Staten voldoende garanties worden geboden dat de financiering van het beheer voor de totale periode van het projectvoorstel wordt gerealiseerd.

Artikel 8.81. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Artikel 8.82. Aanvullende stukken bij aanvraag

  • 220

  • 1. In afwijking van artikel 1.14, eerste lid, onder b en c, overlegt de aanvrager een projectvoorstel dat voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      een begrenzing van het gebied waarop het voorstel betrekking heeft;

    • b.

      een beschrijving en analyse van het landschap van het gebied waaronder opbouw en identiteit van het landschap, het in het gebied voorkomende watersysteem, de betekenis van en voor gebruiksfuncties, de cultuurhistorische, aardkundige, ecologische waarden, de belevingswaarden waaronder openheid, beslotenheid, zichtlijnen, opgaande begroeiing, recreatieve ontsluiting en de waardering van het landschap;

    • c.

      een visie op behoud en ontwikkeling van het landschap van het gebied;

    • d.

      een overzicht van meetbare doelstellingen met betrekking tot de inzet van Groene en Blauwe diensten in het gebied alsmede de wijze van monitoring en evaluatie hiervan;

    • e.

      een beschrijving van de wijze van uitvoering van Groene en Blauwe diensten in het gebied, waaronder een nauwkeurige omschrijving van te treffen maatregelen onderscheiden naar aanleg, beheer en herstel;

    • f.

      een beschrijving van de wijze van financiering en een begroting van de benodigde financiële middelen;

    • g.

      een beschrijving van de wijze van organisatie;

    • h.

      een beschrijving van de manier waarop de communicatie zal plaatsvinden;

    • i.

      de waarborgen voor een duurzaam behoud van het resultaat van de uitgevoerde Groene en Blauwe diensten in het gebied.

  • 2. In aanvulling op artikel 1.14, eerste lid, onder a, overlegt de aanvrager tevens een afschrift van een overeenkomst met het Nationaal Groenfonds, strekkende tot de openstelling van een rekening-courant.

Artikel 8.83. Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 221

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht de gesubsidieerde activiteiten te laten uitvoeren door één of meerdere particuliere beheerders. Onder particuliere beheerders wordt hierbij verstaan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die krachtens zakelijk of duurzaam persoonlijk recht beschikt over het recht tot gebruik en beheer van gronden gelegen binnen het betreffende projectvoorstel.

  • 2. De subsidieontvanger sluit met de beheerders bedoeld in het eerste lid schriftelijke overeenkomsten waarbij de beheerder zich bij voorbaat verbindt tot nakoming van de verplichtingen waartoe de subsidieontvanger uit hoofde van deze subparagraaf met betrekking tot de gronden binnen het betreffende projectvoorstel gehouden is, zolang de beheerder beschikt over het recht tot gebruik en beheer van die gronden. Tevens verbindt de beheerder zich, bij overdracht van het desbetreffende gebruiksrecht van de verkrijger daarvan te bedingen dat deze vanaf het moment van verkrijging de in deze volzin bedoelde verplichtingen zal nakomen en zulks ook van zijn rechtsopvolger zal bedingen.

Artikel 8.84. Voorschot

In afwijking van artikel 1.17 verlenen Gedeputeerde Staten op schriftelijk verzoek van de aanvrager een voorschot tot maximaal 100% van de verleende subsidie, indien de aanvrager aantoont dat de werkelijke uitgaven en verplichtingen in relatie tot de totale begrote uitgaven hiertoe noodzaken.

Paragraaf 8.19. Projectvoorstel Groene en Blauwe diensten (pMJP 2.4.1 - 2.4.3)

Artikel 8.85. Subsidiabele activiteiten

222

Subsidie kan worden verleend voor het opstellen van een projectvoorstel zoals bedoeld in artikel 8.82, eerste lid.

Artikel 8.86. Criteria

Een aanvraag is afkomstig van een rechtspersoon.

Artikel 8.87. Grondslag

  • 1. De subsidie bedraagt maximaal 50% van de totale kosten.

  • 2. Het maximale subsidiepercentage wordt naar rato verminderd voor zover het totaal van die subsidie vermeerderd met die krachtens enig ander wettelijk voorschrift verstrekte subsidie meer dan 100% van de bedoelde kosten bedraagt.

Artikel 8.88. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend

Paragraaf 8.20. Organisatie van uitvoering Groen-Blauwe diensten (pMJP 2.4.1 - 2.4.3)

Artikel 8.89. Subsidiabele activiteiten

223

Gedeputeerde Staten kunnen een subsidie per boekjaar verstrekken voor kosten van organisatie en personeel van een rechtspersoon die uitvoering geeft of gaat geven aan één of meerdere projectvoorstellen.

Artikel 8.90. Criteria

  • 224

  • 1. De aanvraag is afkomstig van een privaatrechtelijke rechtspersoon.

  • 2. De kosten als bedoeld in artikel 8.89 zijn niet meer dan 15% van de totale met de uitvoering van het plan gemoeide kosten.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten de Stichting Landschap Overijssel een subsidie verlenen als bedoeld in deze paragraaf voor een periode die eindigt uiterlijk 31 december 2008.

Artikel 8.91. Grondslag

225

De subsidie bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

Artikel 8.92. Voorschotverlening

226

In afwijking van artikel 1.26, tweede lid, wordt het voorschot in het begin van de maanden juni en december van het betrokken boekjaar beschikbaar gesteld.

Paragraaf 8.21. Bevorderen hergebruik vrijkomende agrarische bebouwing (VAB - pMJP 3.1.1)

227

Artikel 8.93. Subsidiabele activiteiten

  • Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a. het geschikt maken van de VAB voor andere economische functies dan landbouw;

  • b. het vergroten van landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de VAB waarin een nieuwe economische functie komt en/of het erf waarop dit plaatsvindt, mits dit gebaseerd is op een transformatieplan dat voldoet aan het bepaalde in hoofdstuk 5, paragraaf 3.

Artikel 8.94. Criteria

  • 1. De locatie waar de aanvraag betrekking op heeft, ligt in het reconstructiegebied.

  • 2. De nieuwe functie past binnen het gemeentelijk VAB-beleid.

  • 3. Het moet gaan om een renderende investering die een substantieel (extra) inkomen oplevert.

  • 4. Geen subsidie wordt verstrekt voor prestaties, waarbij gebruik is gemaakt van de faciliteiten van het provinciale Beleidskader Rood voor rood.

  • 5. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun, danwel aan de Vrijstellingverordening MKB.

Artikel 8.95. Grondslag

  • 1. De subsidie voor het geschikt maken van een VAB als bedoeld in artikel 8.93, sub a, bedraagt maximaal 40% van de werkelijke kosten met een maximum van € 100.000,--.

  • 2. Subsidie voor het geschikt maken van een VAB als bedoeld in artikel 8.93, sub a, in combinatie met subsidie voor het vergroten van landschappelijke en cultuurhistorische waarden als bedoeld in artikel 8.93, sub b, bedraagt maximaal 40% van de werkelijke kosten met een maximum van € 150.000,--.

Artikel 8.96. Indieningstermijn aanvraag

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Artikel 8.97. Aanvullende stukken bij de aanvraag

In aanvulling op artikel 1.14 overlegt de aanvrager bij de aanvraag tevens een investeringsplan.

Paragraaf 8.22. Kwantitatieve uitbreiding routenetwerken (pMJP 3.2.1 en 3.2.2)

228

Artikel 8.98. Subsidiabele activiteiten

  • Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a. het ontwikkelen en onderhouden van landelijke routenetwerken voor wandelen, fietsen en varen;

  • b. promotie en marketing van deze netwerken;

  • c. het oplossen van knelpunten in deze landelijke routenetwerken;

  • d. uitbreiding en innovatie van routes voor wandelen, fietsen en paardrijden;

  • e. realisatie van wandelpaden/-routes over boerenland.

Artikel 8.99. Criteria

  • 1. Aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 8.98, sub a en b, kunnen uitsluitend worden ingediend door de Stichtingen Landelijk Fietsplatform, Wandelplatform LAW en Recreatietoervaart Nederland (SRN).

  • 2. Aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 8.98, sub c, kunnen uitsluitend worden ingediend door overheden.

  • 3. Aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 8.98, sub d, kunnen uitsluitend worden ingediend door instanties en overheden.

  • 4. Aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 8.98, sub d en e, dienen aan te sluiten bij en een bijdrage te leveren aan een samenhangend geheel van routes.

  • 5. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun danwel aan de Vrijstellingverordening MKB.

Artikel 8.100. Grondslag

De subsidie als bedoeld in artikel 8.98 bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten. Bij onderdeel e zijn de zijn de subsidiabele kosten € 0,45 per meter per jaar.

Artikel 8.101. Indieningstermijn

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 8.23. Bedrijfsnatuurplannen recreatieondernemers (pMJP 3.2.5)

229

Artikel 8.102. Subsidiabele activiteiten

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het opstellen en uitvoeren van bedrijfsnatuurplannen op verblijfsrecreatieve bedrijven.

Artikel 8.103. Criteria

  • 1. Een subsidieaanvraag dient gericht te zijn op:

    • a.

      een betere inpassing van een bestaand recreatiebedrijf in het landschap;

    • b.

      een verbetering van de natuurwaarden op en rond het recreatiebedrijf en

    • c.

      de verbetering van de beleving van het landschap (beeldkwaliteit).

  • 2. Een subsidieaanvraag wordt tevens beoordeeld naar de mate waarin wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      beschrijving van de omgeving van het recreatieterrein (landschapskenmerken en natuurdoelen);

    • b.

      beschrijving van de planologische kenmerken;

    • c.

      beschrijving van het recreatieterrein, waarbij in ieder geval aan de orde komen om welk soort recreatieterrein het gaat, aantal en soort gebouwen, grootte, ‘permanente’ bewoning met of zonder privé-eigendommen, aanwezigheid water, enz.;

    • d.

      beschrijving van de aanwezige vegetatie/beplanting;

    • e.

      confrontatie met de landschapskenmerken en de natuurdoelen;

    • f.

      voorstellen tot verbetering/aanpassing;

    • g.

      inhoud van het beheer en onderhoudsplan;

    • h.

      eventuele samenwerking met andere (aangrenzende) terreinen;

    • i.

      beschrijving van de begroting en een kostenraming in een financiele paragraaf;

    • j.

      beschrijving wie het plan gaat uitvoeren;

    • k.

      beschrijving van de toekomstplannen van de eigenaar van het recreatiebedrijf;

    • l.

      beschrijving van de kwaliteitswinst;

    • m.

      beschrijving van de monitoring door de eigenaar van het bedrijf zelf;

    • n.

      beschrijving volgens het format van het bedrijfsnatuurplan waarin per onderdeel wordt aangegeven:

    • • wie het initiatief neemt;

    • • wie het plan uitvoert;

    • • wat de planning is.

  • 3. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun danwel aan de Vrijstellingverordening MKB.

Artikel 8.104. Grondslag

De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten, indien het verblijfsrecreatieve bedrijven is gelegen in reconstructiegebied. Buiten reconstructiegebied bedraagt de subsidie maximaal 50% van de subsidiabele kosten.

Artikel 8.105. Indieningstermijn

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 8.24. Ontwikkeling plattelandstoerisme (pMJP 3.2.3)

230

Artikel 8.106. Subsidiabele activiteiten

  • Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor:

  • a. het ontwikkelen en promoten van toeristische producten;

  • b. het opzetten van samenwerkingsverbanden en –arrangementen;

  • c. het verbeteren van ondernemersschap en ketenvorming.

Artikel 8.107. Criteria

  • 1. Aanvragen dienen gericht te zijn op samenwerking tussen meerdere instanties of personen.

  • 2. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun danwel aan de Vrijstellingverordening MKB.

Artikel 8.108. Grondslag

De subsidie bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten.

Artikel 8.109. Indieningstermijn

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 8.25. Behouden, bundelen en ontwikkelen van voorzieningen en diensten (pMJP 4.1.1)

Artikel 8.110. Verwijzing

  • 231

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor behouden, bundelen en ontwikkelen van (multifunctionele) voorzieningen en (gebundelde) diensten in het landelijk gebied. Paragraaf 7.9 van dit uitvoeringsbesluit is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun danwel aan de Vrijstellingverordening MKB.

Paragraaf 8.26. Ontwikkelen van woonzorgzones met dienstenstructuur wonen-zorg-welzijn (pMJP 4.1.2)

Artikel 8.111. Subsidiabele activiteiten

232

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het ontwikkelen en realiseren van een woonzorgzone.

Artikel 8.112. Criteria

  • 233

  • 1. De aanvraag is afkomstig van een gemeente.

  • 2. Er is sprake van cofinanciering gemeenten en/of participanten.

  • 3. De ontwikkeling van woonzorgzones dient aan te sluiten en nader te worden uitgevoerd in het kader van het gemeentelijk woon-/welzijnbeleid.

  • 4. Op subsidie op grond van deze pararaaf is artikel 8.3 van toepassing. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als bedoeld in maatregel 321.

Artikel 8.113. Grondslag

De subsidie per woonzorgzone bedraagt maximaal € 42.667,--.

Artikel 8.114. Indieningstermijn

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 8.27. Vergroten van betrokkenheid van bewoners en burgerparticipatie (pMJP 4.2.1)

Artikel 8.115. Subsidiabele activiteiten

234

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor het gebruikmaken van de DOP+-regeling waarbij een integraal dorpsplan wordt gemaakt, waarin samenhangende knelpunten en/of kansen binnen een dorpskern worden aangepakt.

Artikel 8.116. Criteria

  • 1. De aanvraag is afkomstig van een gemeente of een rechtspersoon die aan de gemeente is gelieerd. 235

  • 2. Het dorpsplan heeft betrekking op een kern tussen de 500 en 4.000 inwoners. 236

  • 3. Met behulp van de hiertoe ontwikkelde Toolkit wordt de bevolking uitgedaagd en gestimuleerd een bijdrage te leveren aan het dorpsplan en de uitvoering. 237

  • 4. Het resultaat van de DOP+ is een korte ontwikkelingsvisie met een uitvoeringsprogramma (UP). 238

  • 5. Het betreft een integrale aanpak, waarbij ten minste drie beleidsvelden betrokken zijn. 239

  • 6. De provincie stelt middelen beschikbaar om de benodigde expertise in te huren. 240

Artikel 8.117. Grondslag

De subsidie bedraagt maximaal 67% van de totale kosten tot een maximum van € 35.000,-- per integraal dorpsplan.

Artikel 8.118. Indieningstermijn

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 8.28. Behouden en verbeteren sociale verbanden en organisatie van voorzieningen en diensten (pMJP 4.2.2)

Artikel 8.119. Subsidiabele activiteiten

241

Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor aanstelling van een leefbaarheidsmakelaar die activiteiten verricht die bijdragen aan de betrokkenheid, het verbeteren van sociale verbanden en de organisatie van voorzieningen en diensten. Een leefbaarheidsmakelaar jaagt sociaal-maatschappelijke projecten in het landelijk gebied aan, bij voorkeur op basis van vastgestelde dorpsplannen.

Artikel 8.120. Criteria

  • 1. De leefbaarheidsmakelaar dient te voldoen aan de volgende criteria:

    • a.

      hij dient expertise op en ervaring met plattelandsontwikkeling, projectmatig werken en procesbegeleiding te hebben;

    • b.

      hij dient te beschikken over kennis en netwerk van het betreffende gebied;

    • c.

      Hij dient ervaring te hebben met het werken met vrijwilligers.

  • 2. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun danwel aan de Vrijstellingverordening MKB.

Artikel 8.121. Grondslag

De subsidie bedraagt maximaal 67% van de totale kosten tot een maximum van € 11.467,-- per jaar per leefbaarheidsmakelaar.

Artikel 8.122. Indieningstermijn

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Paragraaf 8.29. Behoud en bescherming cultureel erfgoed (pMJP 4.3.2)

Artikel 8.123. Begripsbepaling

Cultureel erfgoed: objecten die vanuit het verleden zijn overgebleven en die het waard zijn om behouden te blijven. De objecten zijn meer dan 50 jaar oud en moeten bijdragen aan de karakteristieke identiteit van het gebied. E.e.a. ter beoordeling van de adviescommissie.

Artikel 8.124. Subsidiabele activiteiten

  • 242

  • Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor de volgende activiteiten:

  • a. planontwikkeling in de vorm van transformatie- en haalbaarheidsstudies op het gebied van behoud herstel, en duurzame (her)bestemming van cultureel erfgoed uitgezonderd agrarisch en industrieel erfgoed zoals genoemd in paragraaf 5.3;

  • b. de uitvoering van herstel-  en restauratiewerkzaamheden aan cultureel erfgoed, zoals genoemd in artikel 7.20, lid a;

  • c. de uitvoering van projecten gericht op het realiseren van een duurzame herbestemming van cultureel erfgoed, gebaseerd op een plan als bedoeld onder lid a of paragraaf 5.3;

  • d. de uitvoering van projecten op het gebied van educatie en toerisme in relatie tot cultureel erfgoed;

  • e. subsidiabele activiteiten zoals genoemd in paragraaf 7.5.

Artikel 8.125. Criteria

  • 1. De werkzaamheden dienen door professionals met relevante expertise uitgevoerd te worden.

  • 2. Het bepaalde in paragraaf 7.5 is overeenkomstig van toepassing op artikel 8.124, sub e.

  • 3. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun danwel aan de Vrijstellingverordening MKB.

Artikel 8.126. Grondslag

  • 1. De subsidie voor planontwikkeling als bedoeld in artikel 8.124, sub a, bedraagt 50% van de totale kosten tot een maximum van € 15.000,--.

  • 2. De subsidie voor uitvoering als bedoeld in artikel 8.124, sub b, bedraagt 15% van de totale kosten tot een maximum van € 100.000,--.

  • 3. De subsidie voor uitvoering als bedoeld in artikel 8.124, sub c en d, bedraagt 20% van de totale kosten tot een maximum van € 100.000,--.

  • 4. Het bepaalde in artikel 7.22 is van overeenkomstige toepassing op artikel 8.124, sub e.

Artikel 8.127. Indieningstermijn

In afwijking van artikel 1.13 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.

Artikel 8.128. Adviescommissie

Een subsidieaanvraag wordt, indien nodig, voor advies voorgelegd aan de Monumentencommissie Het Oversticht, die binnen zes weken een advies aan Gedeputeerde Staten uitbrengt.

Paragraaf 8.30. Kwantitatief en kwalitatief waterbeheer (pMJP 5.1.1 - 5.2.9)

Artikel 8.129. Verwijzing

  • 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor waterbeheer in het landelijk gebied. Paragraaf 6.2 van dit uitvoeringsbesluit is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Op subsidie als bedoeld in het eerste lid kan artikel 8.3 van toepassing zijn. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als bedoeld in de maatregelen 212, 214, 216 en 221.

  • 3. Als de subsidie een steunmaatregel is dan moet de subsidie voldoen aan de vereisten voor de minimissteun danwel aan de Vrijstellingverordening MKB.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 9.1. Onvoorziene omstandigheden

Gedeputeerde Staten treffen de nodige voorzieningen of nemen de nodige besluiten in de gevallen waarin de verordening of dit besluit niet voorziet.

Artikel 9.2. Overgangsrecht

  • 243

  • 1. Aanvragen die voor de inwerkingtreding van dit besluit worden ontvangen en betrekking hebben op het jaar 2007 worden geacht te zijn ingediend op grond van dit besluit. 244

  • 2. Subsidies die zijn verleend onder de werking van het Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2005 worden vastgesteld op basis van dat ingetrokken besluit. 245

  • 3. Paragraaf 3.3.4 ‘roetfilter in voertuig’ van dit besluit werkt terug tot 1 juli 2006. 246

Artikel 9.3. Citeertitel

Dit besluit kan worden aangehaald als ‘Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2007’.


Noot
1

[Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 2 van de verordening.

De bijdragen die OV-ondernemingen ontvangen voor het verrichten van personenvervoer zijn in de wet personenvervoer 2000 aangewezen als subsidie. Het is echter niet wenselijk dat daarop de regels uit dit uitvoeringsbesluit van toepassing zijn. De relatie tussen de provincie en de vervoersbedrijven is ‘tailor made’ en wordt beheerst door het bestek waarop door de concessiehouder en diens concurrenten is ingeschreven in een openbare aanbestedingsprocedure. Daarin liggen ook de regels vast voor de hoogte van de subsidie, bevoorschotting, de vaststelling etcetera.In het kader van het Investeringsbudget landelijk gebied (ILG) zijn de rijkssubsidieregelingen uit Programma Beheer, de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer en de Subsidieregeling Natuurbeheer, per 1 januari 2007 overgeheveld naar de provincie. De provincie heeft met het Rijk afspraken gemaakt over deze overdracht. Vanwege de aard en de complexiteit (o.a. op gebied van staatssteun, systematiek en uitvoeringsorganisatie) van deze subsidieregelingen heeft de provincie deze regelingen voor de komende twee jaar beleidsneutraal overgenomen. Dit betekent dat Provinciale Staten deze rijksregelingen, in afwijking van de systematiek van de verordening en dit uitvoeringsbesluit, zullen vaststellen in bijzondere subsidieverordeningen. Na deze twee (overgangs-)jaren zal worden bezien op welke wijze deze subsidieverordeningen kunnen worden ingepast in de provinciale subsidiestructuur. Tot dat moment zijn de regels uit dit uitvoeringsbesluit niet van toepassing op de subsidies voor (agrarisch) natuurbeheer.]

Noot
2

[Toelichting: In het project Stroomlijning en sturing subsidierelaties is gedachtegoed ontwikkeld over de wijze waarop de provincie om wil gaan met organisaties waaraan zij subsidie verstrekt. Dit heeft geresulteerd in verschillende sturingsmodellen; te weten het stimuleringsmodel aan de ene kant en het (vergelijkend) prestatiemodel en het directief model aan de andere kant. Het directief model is een opschaling van het prestatiemodel. Dit betekent dat bij dat sturingsmodel niet alleen gestuurd wordt op prestaties maar ook op bedrijfsvoering en/of middelen.]

Noot
3

[Toelichting: Artikel 5 van de verordening bepaalt dat Gedeputeerde Staten een subsidieplafond kunnen vaststellen en dat dit kan worden onderverdeeld in deelplafonds per subsidietijdvak of per onderdeel van provinciaal beleid. Genoemd artikel is de wettelijke grondslag als bedoeld in artikel 4:25 Awb. In de meeste gevallen zullen Gedeputeerde Staten voor de in dit uitvoeringsbesluit geregelde subsidies een subsidieplafond vaststellen dat een heel kalenderjaar geldt. Aanvragen kunnen dan ook, in afwijking van artikel 1.13., gedurende dat kalenderjaar worden ingediend. Dat is in de diverse paragrafen expliciet geregeld. Omdat de artikelen over het subsidieplafond, de indieningstermijn en de wijze van behandelen van aanvragen een drie-eenheid moeten vormen, vloeit uit deze keuze automatisch voort dat (volledige) aanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst.]

Noot
4

[Toelichting: Niet zelden worden provinciale bijdragen aan activiteiten van aanvragers ‘gestapeld’ met subsidies van andere overheden. Stapeling kan ook bínnen de provincie, bijvoorbeeld omdat er overlap zit tussen onderdelen van provinciaal beleid. Kulturhusen zijn daarvan een goed voorbeeld. Op grond van het beleid voor ‘vitaliteit kleine kernen’ kan daarvoor subsidie worden verleend. Leefbaarheid van het platteland is echter ook één van de doelstellingen in het reconstructiebeleid en ook in dat kader kan subsidie worden verleend voor de bouw van een kulturhus.

Daarnaast kan stapeling zich voordoen als een activiteit bijdraagt aan meerdere provinciale beleidsdoelstellingen bijvoorbeeld als een waterschap een werk uitvoert dat bijdraagt aan de capaciteit voor waterberging en tegelijk ‘natte natuur’ realiseert.]

Noot
5

[Toelichting: Dit lid heeft betrekking op stapeling uit regelingen waar dezelfde beleidsdoelstelling onder ligt of waarvan de doelstellingen min of meer in elkaars verlengde liggen. In de toelichting op het eerste lid worden kulturhusen genoemd als voorbeeld.

Artikel 7.37. bepaalt de maximale bijdrage voor kulturhusen op 50%. De reden daarvoor is dat we het belangrijk vinden dat ook de gemeente en andere derden bijdragen. Als de gestapelde bijdrage groter zou zijn dan 50% wordt dit beleidsuitgangspunt doorkruist. Daarnaast geldt een maximale bijdrage van € 100.000,--. Dat maximum heeft te maken met het beschikbare budget voor kulturhusen vanuit het programma Cultuur en maatschappelijke ontwikkeling. Dat bedraagt in 2006 circa € 500.000,--. Als er een aanvraag komt van een gemeente waarin de bouw meer dan € 1.000.000,-- één miljoen euro kost zou je het hele budget in één keer kwijt kunnen zijn. Om ervoor te zorgen dat er uit dat budget meerdere kulturhusen kunnen worden ondersteund, is er een absoluut maximum opgenomen. Dit maximum laat echter onverlet dat uit andere budgetten wordt gestapeld boven het genoemde bedrag van € 100.000,--. Stapeling is dus mogelijk. Kortom, er kan een totale provinciale bijdrage worden verleend die hoger is dan € 100.000,-- zolang die niet groter is dan 50%. Eén van de budgetten waaruit kan worden gestapeld is het reconstructiebudget (mits het kulturhus past in het Uitvoeringsprogramma reconstructie). In de betreffende paragraaf is bepaald dat het maximum uit die regeling eveneens € 100.000,-- is. Daarmee komt de totale gestapelde bijdrage op maximaal 50% tot maximaal € 200.000,--.]

Noot
6

[Toelichting: Waar het tweede lid betrekking heeft op stapeling uit regelingen waar dezelfde beleidsdoelstelling onder ligt, gaat het derde lid over stapeling uit regelingen met onderscheiden beleidsdoelstellingen.

Stel dat een waterschap een werk wil uitvoeren dat bijdraagt aan de capaciteit voor waterberging (40% subsidiabel op grond van artikel 6.10) en tegelijk ‘natte natuur’ realiseert (50% subsidiabel op grond van artikel 4.8., mits het past in de gebiedsuitwerking van het reconstructieplan).

Om te bepalen of stapeling in dit geval mogelijk is en tot welk percentage zullen Gedeputeerde Staten bij de beoordeling van de aanvraag kijken naar de extra inspanning die moet worden geleverd gelet op de aanvullende doelstelling. Stel dat het project van het waterschap is begroot op € 1.000.000,--. Zou het waterschap zich alleen richten op waterberging dan zou het project kunnen worden uitgevoerd voor € 800.000,--. Dan kan 40% van € 800.000,-- uit de waterparagraaf worden gesubsidieerd. Stapeling uit het natuurbudget is mogelijk maar niet meer dan 50% van € 200.000,--. De totale bijdrage is derhalve € 420.000,--.

Bij een theatervoorstelling waarin diverse minderheden meedoen en die (dus) zou kunnen worden gesubsidieerd vanuit cultuur en/of vanuit minderheden betekent de betrokkenheid van allochtonen in de meeste gevallen geen extra inspanning of kosten. In dat geval moet worden gekozen voor één van de regelingen en is stapeling geen optie.]

Noot
7

[Toelichting: Voor bijdragen uit de Europese structuurfondsen is een voorwaarde dat er cofinanciering komt uit de lidstaat. Het is niet gewenst dat de normale regels daarop van toepassing zijn. Met de Europese bijdrage komt het totaal dikwijls boven het maximum in een provinciale regeling uit. In sommige gevallen is in dit uitvoeringsbesluit overigens een bijzondere regeling opgenomen voor stapeling met Europees geld. Voor kulturhusen geldt bijvoorbeeld in de regel dat de provincie maximaal 50% bijdraagt maar inclusief Europese middelen bedraagt de subsidie maximaal 75%.]

Noot
8

[Toelichting: De voorschriften met betrekking tot bevoorschotting, verantwoording, enz. zijn niet bij alle subsidies hetzelfde. Om te voorkomen dat een aanvrager met verschillende regimes wordt geconfronteerd – hetgeen tot extra inspanningen en kosten zou leiden – dienen Gedeputeerde Staten in de beschikking tot subsidieverlening te vermelden welke voorschriften van toepassing zijn. Daarbij kan derhalve worden afgeweken van de regels die normaal gelden voor de verschillende deelbijdragen. Overigens speelt naast het belang van de aanvrager ook het gelijkheidsbeginsel een rol bij de toepassing van dit artikel. Als een aanvrager aanzienlijke voordelen geniet in vergelijking met een aanvrager die geen gestapelde bijdrage ontvangt, dan zal terughoudend worden omgegaan met het afwijken van de normale voorschriften.”]

Noot
9

[Toelichting: Dit artikellid is de logische kapstok om in de subsidiegrondslag alleen redelijke kosten mee te nemen. Uiteraard gaat het ons er in eerste instantie om dat de afgesproken prestatie wordt geleverd door de subsidieontvanger, maar gemeenschapsgeld is niet bedoeld om standaard organisatiekosten mee te betalen. Voorbeelden van kosten die over het algemeen niet rechtstreeks zijn toe te rekenen aan een prestatie zijn:

a. interne kosten;

b. personele kosten;

c. verrekenbare heffingen, belastingen of lasten;

d. rente-, bank-, financierings- en gerechtskosten, geldboetes en sanctiekosten;

e. afschrijvingskosten;

f. dat deel van de kosten dat niet noodzakelijk is voor de realisatie van de activiteit.]

Noot
10

[Toelichting: De Wet op het BTW-compensatiefonds stelt overheden in staat om in rekening gebrachte BTW voor een groot deel te compenseren. In relatie daarmee is op de algemene uitkeringen gekort. De bedoeling is dat deze korting door de ontvangsten uit het BTW-compensatiefonds gecompenseerd worden. De vraag of overheden taken in eigen beheer uitvoeren of uitbesteden wordt dan niet meer beïnvloed door de kosten van BTW. Ook gemeenten die van de provincie subsidie ontvangen kunnen een beroep doen op het BTW-compensatiefonds, maar ook andere organisaties, indien zij op gelijke voet als de overheid opereren. Het is uiteraard niet de bedoeling dat terugvorderbare bedragen ook nog eens gesubsidieerd worden. Om dat duidelijk te markeren is deze bepaling opgenomen, waarin dat gedeelte niet-subsidiabel verklaard wordt. De bepaling is algemeen geredigeerd, zodat alle potentiële terugvorderbare BTW eronder valt. Met de bepaling wordt de verantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk terugvorderen bij de subsidieontvanger gelegd. Er is geen sprake van een (verkapte) vermindering van subsidies. Ook onder werking van de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was verrekenbare BTW niet subsidiabel.]

Noot
11

[Toelichting: In afdeling 4.2.4 Awb staan bepalingen over verplichtingen van de subsidieontvanger. De categorieën van verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval verbinden aan de subsidieverlening. Deze standaardverplichtingen behoeven in verband met het voorkomen van herhaalde normstelling geen herhaling in dit uitvoeringsbesluit. Daarnaast kunnen ook andere verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd. Het betreft andere doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en oneigenlijke verplichtingen (artikel 4:39 Awb). Voor beide geldt dat als de subsidie berust op een wettelijke grondslag die verplichtingen ook op een wettelijke grondslag moeten berusten. De in artikel 1.6 opgenomen verplichting is aan te merken als een oneigenlijke verplichting. Vanuit Europese regelgeving geldt voor subsidieontvangers eveneens de soortgelijke verplichting om bij projecten die met subsidie vanuit Europa mogelijk worden gemaakt hiervan ter plaatse van het project melding te maken.]

Noot
12

[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt.

De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb.

Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.7..

Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb). ]

Noot
13

[Toelichting: Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren, waarbij een boekjaar gelijk staat aan een kalenderjaar. Deze bepaling is een uitwerking van de artikelen 4:32 en 4:67 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat meerjarige subsidies kunnen worden verstrekt.

Wordt een meerjarige subsidie verstrekt dan moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:34 Awb biedt om bij de subsidieverlening een begrotingsvoorbehoud te maken. Dit is de oplossing voor het probleem dat het bij meerjarige subsidies onvermijdelijk is om subsidies te verlenen ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde begroting. Door een begrotingsvoorbehoud te maken, kunnen Gedeputeerde Staten op de subsidieverlening terugkomen. Een begrotingsvoorbehoud is een aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden opschortende of ontbindende voorwaarde. De keuze voor de soort voorwaarde is afhankelijk van de vraag of al voor de vaststelling of goedkeuring van de begroting voorschotten moeten worden uitbetaald. Is dat het geval dan moet gekozen worden voor de vorm van de ontbindende voorwaarde.

Willen Gedeputeerde Staten het begrotingsvoorbehoud inroepen en daadwerkelijk terugkomen op de subsidieverlening dan moet dat binnen de in de Awb genoemde termijn expliciet gebeuren. De leden 4 en 5 van artikel 4:34 Awb geven aan op welke wijze dat moet gebeuren.

Als een subsidie wordt verstrekt voor een periode van drie jaar of langer voor steeds min of meer dezelfde activiteiten is het van belang te weten dat de subsidie dan niet zonder meer kan worden beëindigd (artikel 4:51 Awb).]

Noot
14

[Toelichting: Met het verstrekken van subsidie via het prestatiemodel wordt de gedachtegang uit het Onderhandelingsakkoord en de statenmotie van juni 2004 (ingediend bij de Perspectievennota 2005) tot uitdrukking gebracht. “Met maatschappelijke organisaties en instellingen willen wij outputgerichte prestatieafspraken maken, die volstrekt recht doen aan ieders verantwoordelijkheid en het maatschappelijke resultaat dat wij willen bereiken.” Subsidieverstrekking wordt gestuurd op rendement. Daarbij hoort per definitie verantwoording achteraf. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoording zich richt op de geleverde prestaties en activiteiten en de manier waarop die aansluiten bij het provinciaal beleid. Dat kan ook, omdat vooraf (bij subsidieverlening) afspraken tussen subsidieontvanger en provincie zijn gemaakt over wat en waaraan de subsidieontvanger bij gaat dragen en wat zij daarvoor gaat doen. Daarbij wordt tevens bepaald waarover en hoe en wat de mate van verantwoording nadien moet zijn. De uitwerking van het prestatiemodel biedt ruimte om flexibel en naar instelling gedifferentieerd om te kunnen gaan met het concretiseren van prestaties en daarmee met de verantwoording achteraf.]

Noot
15

[Toelichting: In dit artikellid wordt de aanzet gegeven voor het opschalen van prestatiesubsidie naar een prestatiesubsidie met directieve elementen, waarbij in grotere mate wordt gestuurd op bedrijfsvoering en/of middelen. Vaak zijn de statuten en het prestatieplan voldoende om een aanvraag te kunnen beoordelen. Het kan echter ook voorkomen dat voor bepaalde subsidies ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag aanvullende documenten worden gevraagd. In de hoofdstukken 2 t/m 7 van dit uitvoeringsbesluit zal dan ten aanzien van diverse subsidies verdergaande opschaling plaatsvinden. Vanuit het gedachtegoed van het project Stroomlijning en sturing subsidierelaties zijn overwegingen om hiertoe over te gaan het financiële en juridische risico voor de provincie, de kenmerken en eigenschappen van de subsidieontvanger, contextvariabelen waaronder de maatschappelijke aandacht en het op doelgerichte en doelmatige wijze inzetten van de middelen door de provincie.]

Noot
16

[Toelichting: Indien de vrijstelling voor ‘de minimis’-steun (steun aan een onderneming die een waarde van € 100.000,-- in drie jaar niet overstijgt hoeft niet te worden gemeld bij de commissie) niet van toepassing is, zal het concrete subsidiebesluit aan de Europese Commissie moeten worden voorgelegd. In artikel 5, tweede lid van de verordening is geregeld dat onze provinciale regels wijken voor de kaderregelingen of richtsnoeren van de commissie, zodat wordt voorkomen dat een situatie ontstaat waarin de samenloop van EG-regels en provinciale regels ertoe leidt dat helemaal geen subsidie kan worden verleend. Aangezien het ‘de minimis’-bedrag per onderneming geldt, kan zonder medewerking van de aanvrager niet worden vastgesteld of sprake is van ‘de minimis’-steun. In het tweede lid is daarom bepaald dat op de aanvrager de verplichting rust melding te maken van eerdere subsidies of andere steunmaatregelen. Gedeputeerde Staten zullen de aanvragers hierbij hulp bieden in de vorm van een modelverklaring bij het aanvraagformulier. Met deze verklaring wordt ook zeker gesteld dat de subsidie achteraf kan worden gewijzigd, indien na de subsidieverlening blijkt dat de vrijstelling voor ‘de minimis’-steun (toch) niet van toepassing was. Zie de artikelen 4:48, eerste lid, onder c en 4:49, eerste lid, onder b Awb.]

Noot
17

[Toelichting: De situatie kan zich voordoen dat wij subsidie willen verlenen, waarbij wij alleen op prestaties willen sturen en de subsidieontvanger die prestaties naar genoegen realiseert. In dit artikel wordt geregeld dat wij de subsidieontvanger kunnen verplichten een positief exploitatieresultaat uit te geven binnen dezelfde doelstelling als waarvoor subsidie wordt verstrekt.]

Noot
18

[Toelichting: In dit artikel staat het uitgangspunt vermeld dat de beslistermijn van dertien weken begint op het moment van ontvangst van een aanvraag. Voor een niet-volledige aanvraag geldt artikel 4:5 Awb. Op grond van dat artikel kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager een termijn geven waarbinnen hij zijn aanvraag alsnog kan aanvullen. Doet hij dat niet, dan kan de aanvraag na die termijn buiten behandeling worden gelaten. Worden de ontbrekende gegevens wel tijdig ingezonden, dan volgt behandeling van de aanvraag volgens de normale procedure. Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb).

In dit algemene deel van het uitvoeringsbesluit zijn geen weigeringsgronden opgenomen. Artikel 4:35 Awb bevat een aantal niet-limitatieve algemeen geldende gronden om subsidieverlening te weigeren. Deze kunnen in de hoofdstukken 2 t/m 7 worden aangevuld met specifieke op de betreffende subsidie betrekking hebbende weigeringsgronden.

Artikel 4:36 Awb maakt het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst (eerste lid) of afdwingovereenkomst (tweede lid) mogelijk. De afdwingovereenkomst verschaft Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om in rechte nakoming te vorderen van het verrichten van de gesubsidieerde activiteit c.q. prestatie. Het geeft zekerheid over het daadwerkelijk verrichten van de activiteit/prestatie door de subsidieontvanger. Op grond van artikel 4:33, aanhef en onder a Awb, mag in de beschikking tot subsidieverlening als voorwaarde worden opgenomen dat de subsidieontvanger verplicht is mee te werken aan het sluiten van een uitvoerings- of afdwingovereenkomst.]

Noot
19

[Toelichting: De betaling van het subsidiebedrag en de verleende voorschotten en de terugvordering daarvan zijn geregeld in afdeling 4.2.7 Awb. De bevoegdheid tot voorschotverlening, waarmee vooruit wordt gelopen op de betaling van het subsidiebedrag zelf, moet een wettelijke grondslag hebben. Hiertoe strekt artikel 1.17.. Het maximale percentage van 90% dat tot nu toe werd gehanteerd, is verlaagd naar 80% om subsidieontvangers meer te prikkelen tijdig een aanvraag om subsidievaststelling in te dienen.]

Noot
20

[Toelichting: De in dit artikel genoemde documenten zijn de verantwoordingsvarianten van de documenten genoemd in artikel 1.13., eerste lid. Als onderbouwing van het financiële verslag kunnen deugdelijke kopieën van facturen, bankafschriften, kwitanties en overige betalingsbewijzen gelden.]

Noot
21

[Toelichting: Dit artikel verplicht de subsidieontvanger in bepaalde gevallen tot het laten verrichten van een accountantscontrole. Voor publiekrechtelijke rechtspersonen wordt een uitzondering gemaakt voor het overleggen van een accountantsverklaring in verband met het verplichte accountantsonderzoek op basis van de Provincie- of Gemeentewet en het Besluit accountantscontrole provincies en gemeenten.]

Noot
22

[Toelichting: De verklaring omtrent de getrouwheid van het financiële verslag c.q. de jaarrekening behelst de uitslag van het onderzoek of het financiële verslag c.q. de jaarrekening voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde verplichtingen en of het prestatieverslag, voorzover hij dat kan beoordelen, daarmee verenigbaar is.]

Noot
23

[Toelichting: Dit lid maakt het mogelijk om bij subsidieverlening aan de accountant van de subsidieontvanger tevens de taak te geven controle uit te oefenen op de naleving van de subsidieverplichtingen. Wordt dit toegepast dan zal daarbij een aanwijzing moeten worden gegeven over de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole. Omdat accountants werken conform de richtlijnen voor de accountantscontrole sluiten wij voor het voorschrijven van het soort onderzoek daarbij aan. De richtlijnen onderscheiden de beoordelingsopdracht (over de betrouwbaarheid van stukken) en de controleopdracht (over de getrouwheid van stukken).]

Noot
24

[Toelichting: In een situatie dat binnen een prestatiesubsidie de kosten een rol spelen bij de hoogte van de subsidie, is het niet gewenst dat de subsidieontvanger ‘winst’ maakt op een activiteit. Artikel 4:46 Awb bepaalt daarom onder meer dat subsidie lager kan worden vastgesteld als de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden.

In aanvulling daarop bepaalt artikel 1.21. dat subsidie ten opzichte van de subsidieverlening lager vastgesteld wordt als de gesubsidieerde activiteiten meer opbrengen of minder kosten dan van te voren begroot. De subsidieontvanger zou anders immers gemeenschapsgeld overhouden (‘ongerechtvaardigde verrijking’). Aan de andere kant is het niet zo dat wij het subsidiebedrag verhogen als de gesubsidieerde activiteiten minder opbrengen of meer kosten dan van te voren begroot. Dit risico is voor rekening van de subsidieontvanger.

Als de werkelijke kosten van activiteiten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, dan worden op grond van artikel 4:46, derde lid Awb, overigens ook kosten die redelijkerwijze als niet noodzakelijk kunnen worden beschouwd, niet in aanmerking genomen. Dat betekent dat ook bij verlening de aanvraag moet worden ‘gecorrigeerd’ voor kosten die bij vaststelling als redelijkerwijs niet noodzakelijk zullen worden beschouwd.

De oude subsidieregelingen kenden een aantal bepalingen waarin situaties werden geschetst waarin sprake is van redelijkerwijs niet noodzakelijke kosten (artikelen 18 en 19 van de Algemene subsidieverordening 1997). Die situaties zullen wij in ieder geval blijven hanteren bij het beoordelen van de aanvraag tot vaststelling. Het gaat dan om:

• lasten die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht waarvoor op de begroting van de subsidieontvanger voor dat jaar geen post is opgenomen, of

• lasten zonder noodzaak tot een onevenredig hoog bedrag die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht, of

• lasten die in de exploitatierekening zijn opgenomen met het kennelijke doel van kapitaal- of reservevorming.]

Noot
25

[Toelichting: Dit artikel regelt dat de artikelen 4:60 t/m 4:80 Awb van toepassing zijn op per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen. Deze artikelen zijn een uitwerking van en een aanvulling op de andere bepalingen van de subsidietitel. Steeds zijn naast afdeling 4.2.8 Awb ook die andere bepalingen van toepassing.

Het gros van de bepalingen van afdeling 4.2.8 Awb geeft Gedeputeerde Staten rechtstreeks bepaalde bevoegdheden en legt subsidieontvangers rechtstreeks bepaalde verplichtingen op. Enkele bepalingen gelden echter pas als dat uitdrukkelijk in een wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Het betreft de artikelen:

• 4:64, derde lid (vrijstelling/ontheffing accountantsverklaring bij aanvraag);

• 4:68 (definitie boekjaar);

• 4:71 (rechtshandelingen waarvoor voorafgaande toestemming van Gedeputeerde Staten

• 4:72 (egalisatiereserve);

• 4:77 (inhoud financieel verslag als subsidieontvanger in overwegende mate zijn inkomsten ontleent aan de subsidie);

• 4:78, vijfde lid (vrijstelling/ontheffing accountantscontrole);

• 4:79, eerste en tweede lid (uitbreiding accountantscontrole tot naleving subsidieverplichtingen) Awb.

In de volgende twee artikelen worden de artikelen 4:72 en 4:79, eerste en tweede lid Awb, uitgewerkt. De overige onderwerpen kunnen indien gewenst in de hoofdstukken 2 t/m 7 of in een beschikking tot subsidieverlening worden uitgewerkt.]

Noot
26

[Toelichting: Omdat in afdeling 4.2.8 Awb niets wordt geregeld ten aanzien van de beslistermijnen op aanvragen om subsidieverlening en -vaststelling, wordt aangesloten bij de bepalingen in dit besluit voor ‘niet per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies’.]

Noot
27

[Toelichting: Een egalisatiereserve werkt als buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar, zodat een doelmatige besteding en beheer van subsidiegelden kan worden bereikt.

Gelet op artikel 4:72, tweede lid van de wet, komt het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve. Tot de werkelijke kosten worden niet gerekend niet-toegestane reserveringen en dotaties aan voorzieningen.

Bij de vaststelling van de egalisatiereserve worden, naast de subsidie-inkomsten, ook alle inkomsten betrokken die mede ten doel hebben bij te dragen aan het realiseren van de prestatieafspraken met Gedeputeerde Staten. Te denken valt onder meer aan eigen bijdragen van afnemers van producten, incidentele en structurele subsidies van derden en sponsorbijdragen. Inkomsten van derden ten behoeve van niet-gesubsidieerde activiteiten worden buiten beschouwing gelaten.

In de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was gelet op artikel 4:71, eerste lid, onder g Awb, opgenomen dat de subsidieontvanger toestemming nodig heeft van Gedeputeerde Staten voor het vormen van andere reserves en voorzieningen dan een egalisatiereserve. In de subsidiepraktijk werd zo’n verzoek om toestemming echter vrijwel nooit gedaan, terwijl er wel reserves en voorzieningen werden aangelegd. Omdat het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving regels geven voor het hanteren van reserves en voorzieningen, waaraan subsidieontvangers toch al moeten voldoen, is de toestemmingsverplichting niet in dit uitvoeringsbesluit opgenomen.]

Noot
28

[Toelichting: Zie toelichting op artikel 1.20., vierde lid.]

Noot
29

[Toelichting: De vergelijkingspocedure is van toepassing op het op basis van vergelijking verstrekken van subsidie aan één of meer subsidieontvanger voor het gedurende een subsidietijdvak uitvoeren van dezelfde of in hoofdzaak dezelfde prestaties die bijdragen aan één of meer doelen van provinciaal beleid. Een transparant en vergelijkingsgerichte subsidieprocedure strekt ertoe dat een breder scala van potentiële subsidieaanvragers wordt aangetrokken en dat economisch-voordelige prestaties aan provinciale doelen bijdragen. Gedeputeerde Staten staan hiermee een zo efficiënt mogelijk gebruik van provinciale gelden voor.

Deze procedure beoogt een vereenvoudigde evenknie te zijn van de welbekende (europese) aanbestedingsprocedure. Het voordeel van deze analogie is dat er bij het volgen van de vergelijkingsprocedure sprake zal zijn van marktconformiteit, waardoor staatssteun niet aan de orde zal zijn. Bij het plaatsen van uitvragen zullen Gedeputeerde Staten de door het Europese Hof van Justitie ontwikkelde basisnormen voor het plaatsen van overheidsopdrachten analoog toepassen. Dit betekent dat Gedeputeerde Staten zich verplichten tot transparantie, non-discriminatie en gelijke behandeling en evenredigheid.]

Noot
30

[Toelichting: De transparantieverplichting houdt in dat een passende mate van openbaarheid wordt gegarandeerd aan elke potentiële aanvrager om subsidie.  Potentiële subsidieaanvragers moeten toegang kunnen hebben tot alle relevante informatie over een uitvraag om desgewenst belangstelling te kunnen tonen.  Daarom zal voor iedere uitvraag onderzocht moeten worden welk medium het meest geschikt is voor de bekendmaking van die betreffende uitvraag. Hierbij zullen gedeputeerde Staten zich laten leiden door de omvang van het belang van de uitvraag voor de samenleving. Hoe groter dat belang, hoe meer ruchtbaarheid aan de uitvraag gegeven zal worden. Passende en algemeen gebruikte media zijn bijvoorbeeld internet, het Provinciaal Blad en regionale kranten.

De inhoud van de kennisgeving moet voldoende transparant zijn en mag dus beperkt blijven tot een korte beschrijving van de essentiële gegevens van de uitvraag en de beoordelingsprocedure. Dit kan zo nodig worden aangevuld met informatie die beschikbaar is via internet en/of opvraagbaar is bij de provincie. Van belang is dat de kennisgeving en eventuele aanvullende documentatie die informatie zullen bevatten die organisaties en instellingen redelijkerwijs nodig hebben om te beslissen of zij een subsidieaanvraag zullen indienen.]

Noot
31

[Toelichting: Met het opnemen van selectiecriteria kan op voorhand het aantal instellingen en organisaties worden beperkt, die mogelijk zullen reageren op de uitvraag. Gedacht kan worden aan objectieve criteria als bijvoorbeeld ervaring in de desbetreffende sector, omvang en infrastructuur van de organsisatie, technische en professionele vaardigheden. Een andere mogelijkheid is het opstellen van een lijst van gekwalificeerde organisaties en instellingen voor bijvoorbeeld een specifiek onderdeel van provinciaal beleid. Gedeputeerde Staten kunnen vervolgens uit deze lijst specifieke organisaties en instellingen selecteren en uitnodigen te reageren op een bepaalde uitvraag.]

Noot
32

[Toelichting: Het is van belang dat het uiteindelijke besluit over het vertrekken van subsidie in overeenstemming is met de vooraf vastgestelde procedurevoorschriften en dat volledig de hand wordt gehouden aan de beginselen van non-discriminatie en gelijke behandeling. Dit betekent dat alle subsidieaanvragers voor een bepaalde uitvraag altijd toegang hebben tot dezelfde hoeveelheid informatie en geen van die subsidieaanvragers op ongerechtvaardigde  wijze wordt bevoordeeld.]

Noot
33

[Toelichting: Bij de veiligheidsbeleving in het algemeen gaat het om het (on)veiligheidsgevoel van onze burgers. Als onderdeel van het verbeteren van de sociale kwaliteit in onze provincie willen wij bijdragen aan een vermindering van deze onveiligheidsgevoelens en een vergroting van veiligheidsbeleving.

Wij willen dit onder meer doen door:

- het ondersteunen van projecten die mede gericht zijn op het terugdringen van onveiligheidsgevoelens, bijvoorbeeld projecten gericht op het versterken van burgerschap, waarden en normen;

- burgers te stimuleren tot het nemen van eigen verantwoordelijkheid, initiatieven en te participeren in lokale en bovenlokale activiteiten. ]

Noot
34

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen binnen de grenzen van het veiligheidsbeleid van de provincie Overijssel nader bepalen welke activiteiten wel en welke niet voor subsidie in aanmerking komen, alsmede de criteria voor subsidiëring. Hiermee maken Provinciale Staten gebruik van artikel 152 van de Provinciewet, dat het mogelijk maakt bevoegdheden te delegeren aan Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten zijn verantwoording schuldig aan Provinciale Staten over de wijze waarop het college omgaat met de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels. Hierdoor (samen met artikel 2.4.) is een sterke scheiding mogelijk tussen kaderstelling, uitvoering en controle, die gewenst is uit oogpunt van dualisering.]

Noot
35

[Toelichting: Een aanvraag om subsidie die voor 1 april dan wel 1 oktober van het kalender is binnengekomen wordt binnen 13 weken afgehandeld.]

Noot
36

[Toelichting: Het specifieke veiligheidsaspect ligt in het voorkomen en bestrijden van jeugdcriminaliteit. Omdat de provincie hierin geen wettelijke taak heeft, moet zij in samenspraak met politie, justitie, openbaar ministerie en gemeenten op zoek naar haar bijdrage aan dit thema. De provincie Overijssel ziet dit als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de drie overheden om zorg te dragen voor een adequate samenhangende sociale infrastructuur, waarbinnen de doelstellingen, geformuleerd in het Uitvoeringsprogramma Jeugd en Veiligheid, gerealiseerd kunnen worden.]

Noot
37

[Toelichting: Gedeputeerde Staten kunnen binnen de grenzen van veiligheidsbeleid en in het bijzonder van het Uitvoeringsprogramma Jeugd en Veiligheid 2004 – 2007 van de provincie Overijssel nader bepalen welke activiteiten wel en welke niet voor subsidie in aanmerking komen, alsmede de criteria voor subsidiëring.

Concreet betekent dit dat projecten worden gevonden op het snijvlak van het preventief jeugdbeleid (gemeente) met de jeugdzorg (provincie) en het strafrecht (politie /justitie). Hierbij streven wij naar een verdeling van de middelen tussen projecten die zich richten op:

1. het voorkomen van jeugdcriminaliteit en

2. projecten die zich richten op de aanpak van jeugdcriminaliteit]

Noot
38

[Toelichting: Een aanvraag om subsidie is niet afhankelijk van een indieningstermijn.]

Noot
39

[Toelichting: Het te verlenen voorschot bedraagt 80% van het verleende subsidiebedrag.]

Noot
40

[Toelichting: De provincie stimuleert samenwerkingsverbanden tussen partners in Overijssel en in Kurzeme (Letland). Voor dat doel is een stimuleringssubsidie in het leven geroepen, die betrekking heeft op twee vormen van samenwerking.

Partners die uitsluitend of met name gericht zijn op het bieden van humanitaire hulpverlening kunnen op jaarbasis een stimuleringssubsidie van € 700 tegemoet zien. Dit bedrag moet worden gezien als een tegemoetkoming in reis-, verblijf- en transportkosten die met de activiteiten zijn gemoeid. Partners die zich uitsluitend of met name richten op het uitwisselen van kennis of ervaring kunnen voor een project een stimuleringssubsidie van maximaal € 400 per persoon aanvragen. ]

Noot
41

[Toelichting: In het Bestuursakkoord 1999-2003 hebben Gedeputeerde Staten de ambitie uitgesproken om de tegenstelling tussen milieu en economie om te bouwen naar synergie. In het Milieubeleidsplan Overijssel 2000+ wordt dit nader uitgewerkt. De daarin opgenomen uitgangspunten over ontwikkeling van duurzame bedrijvigheid, ontwikkeling duurzame energie en energiebesparing en beheersing van de afvalproblematiek zijn de ankerpunten voor het beleid gericht op het verbeteren van de milieuprestaties van het Overijssels Midden- en Kleinbedrijf. De beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB werkt dit beleid verder uit.

In dit hoofdstuk geven wij in de volgende paragrafen subsidiëringsmogelijkheden aan:

• in paragraaf 1 subsidies voor Europese programma's;

• in paragraaf 2 subsidies voor bedrijvigheid en werkgelegenheid;

• in paragraaf 3 subsidies voor het programma Leren voor duurzame ontwikkeling, vermindering van afvalstoffen en schoner produceren.

Europese programma's

Doelstelling 2 en LEADER+

De subparagraaf Doelstelling 2 en LEADER+ betreft subsidiebepalingen voor de besteding van de Europese, rijks- en provinciale cofinancieringsmiddelen bij de Europese programma’s Doelstelling 2 en LEADER+.

Doelstelling 2 is een programma, dat op grond van artikel 4 van Verordening (EG) 1260/1999 en Verordening (EG) 1783/1999 door de Europese Commissie voor Oost-Nederland is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006. Het provinciebestuur van Overijssel onderscheidt hierin drie deelprogramma’s:

a. Doelstelling 2-programma Plattelandsontwikkeling voor de regio’s Salland, Twente, Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek;

b. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 2 voor de regio Twente;

c. Uitfaseringsprogramma Doelstelling 5B Noordwest-Overijssel en de Vechtstreek.

LEADER+ is een programma voor Oost-Nederland dat op basis van artikel 20 van Verordening (EG) 1260/1999 en Mededeling van de Europese Commissie 2000/C 139 door de Europese Commissie is goedgekeurd voor de periode 1 januari 2000 tot en met 31 december 2006.

Gedeputeerde Staten hebben gekozen voor één regeling die de wettelijke basis biedt voor de subsidiëring van activiteiten die bijdragen ontvangen uit één van de Europese Structuurfondsen en uit provinciale of rijksmiddelen. Hiermee wordt bereikt dat de subsidieontvanger voor het hele subsidiebedrag aan dezelfde voorwaarden en verplichtingen moet voldoen, ongeacht de herkomst van (een deel van) de subsidie. Uiteraard geldt hierbij dat zowel aan communautaire als aan nationale en provinciale regelgeving moet worden voldaan.

De bedoelde Europese en rijkscofinancieringsmiddelen worden aan Overijssel verstrekt voor de uitvoering van die Europese programma’s, waarvoor de provincie Overijssel door het Rijk in de periode 2000-2006 als betalingsautoriteit is aangewezen.

Het Doelstelling 2-programma is opgenomen in het Enkelvoudig Programmeringsdocument voor Oost-Nederland (EPD Oost).Na consultatie van diverse betrokken partijen biedt het programma een vertaling van en nadere invulling aan de regels van de Europese Unie voor de besteding van middelen. De beleidsprioriteiten van de Europese Unie houden onder meer in, dat subsidiëring alleen mogelijk is binnen vooraf geselecteerde en op kaart vastgelegde regio’s. Deze regio’s kampen in vergelijking met andere regio’s in de Europese Unie met vormen van (sociaal-economische) achterstand en/of probleemsituaties.

Het LEADER+-programma is eveneens na consultatie van diverse lokale betrokken partijen totstandgekomen. Het programma is een uitwerking van Richtlijnen van de Europese Unie en de Mededeling betreffende LEADER+ van de Europese Commissie. In tegenstelling tot het Doelstelling 2-programma zijn de betrokken plattelandsgebieden geselecteerd door een selectiecommissie, op kaart vastgelegd en daarna door Gedeputeerde Staten vastgesteld.

De Doelstelling 2- en LEADER+-programma’s bestrijken ook delen van de provincies Gelderland en Utrecht. Beide programma’s zijn in nauw overleg met het provinciaal bestuur van Gelderland en Utrecht totstandgekomen.

Regelgeving van de Europese Unie

De criteria op grond waarvan een gebied voor Europese subsidie in aanmerking kan komen, de te financieren prioriteiten, de hoogte van de subsidie en andere uitvoeringsbepalingen zijn neergelegd in Europese regelgeving.

Hieronder vallen o.a.:

• het Europees Verdrag;

• meerdere Europese verordeningen;

• de programmadocumenten en -complementen van Doelstelling 2 en LEADERr+;

• De ontwikkelingsplannen van de plaatselijke groepen.|

Met name de volgende Europese verordeningen zijn van belang in de relatie tussen de provincie Overijssel en de subsidieontvanger:

Verordening (EG) nrs:

• 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen (Pb L 161);

• 1783/1999 van de Raad van 12 juli 1999 met betrekking tot het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (Pb L 213);

• 1159/2000 van de Commissie van 30 mei 2000 inzake door de lidstaten uit te voeren voorlichtings- en publiciteitsacties met betrekking tot de bijstandsverlening uit de structuurfondsen

(Pb L 130);

• 448/2004 van de Commissie van 10 maart 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van uitgaven voor door de structuurfondsen mede gefinancierde verrichtingen (Pb L 193);

• 438/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor uit de structuurfondsen toegekende bijstand (Pb L 63);

• 448/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de procedure inzake financiële correcties betreffende uit de structuurfondsen toegekende bijstand (Pb L 64);

Daarnaast is van belang de mededeling van de Commissie aan de Lidstaten van 14 april 2000 tot vaststelling van de richtsnoeren voor het communautaire initiatief voor plattelandsontwikkeling (LEADER+) (Pb 2000/C139).

Staatssteun

Op grond van het Europese recht mag er geen sprake zijn van verboden staatssteun. Deze bepaling is vastgelegd in artikel 87 van het Europees verdrag. Samengevat komt het erop neer dat steun aan bepaalde ondernemingen de mededinging niet mag verstoren, voorzover de steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Als een onderneming wordt beschouwd: “Iedere eenheid die economische activiteiten ontplooit, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.” (Höfner-arrest).

Op het verbod van staatssteun zijn enkele uitzonderingen van toepassing. Artikel 87, tweede en derde lid van het Europees Verdrag geven de belangrijkste uitzonderingen. Daarnaast heeft de Europese Commissie enkele vrijstellingsverordeningen vastgesteld en in enkele beschikkingen aangegeven dat in sommige gevallen staatssteun onder bepaalde voorwaarden is toegestaan.

De meest bekende vrijstellingsverordening is de zogenaamde ‘De minimis’-regeling. (Vo (EG)

nr. 69/2001). Deze regel houdt in dat individuele bedrijfssteun is vrijgesteld van aanmelding bij de Europese Commissie indien wordt voldaan aan de voorwaarde, dat de steun over drie aaneengesloten jaren in totaal maximaal € 100.000,-- mag bedragen. Iedere subsidieaanvrager moet in het aanvraagformulier opgeven hoeveel steun hij/zij in de afgelopen drie jaren heeft ontvangen.

Op 23 december 2003 heeft de Europese Commissie de Landbouwverordening vastgesteld (Vo (EG) nr. 1/2004). Deze vrijstellingsverordening is specifiek van toepassing op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten. Alle steun aan landbouwbedrijven moeten aan deze regeling worden getoetst.

Iedere subsidieaanvraag wordt door de provincie getoetst op verboden staatssteun. Indien blijkt dat er sprake is van verboden staatssteun, waarvoor de uitzonderingen niet van toepassing zijn, is subsidieverlening niet toegestaan. De aanvraag kan echter ter beoordeling aan de Europese Commissie worden voorgelegd.

Aanvraagformulier

Voor de indiening van een verzoek om Europese subsidies wordt gebruik gemaakt van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier. Het formulier is enerzijds het document waarin de aanvragers hun gegevens moeten invullen, anderzijds geeft het aan hoe Gedeputeerde Staten met verschillende aspecten van de subsidieverstrekking omgaan. De Toelichting per kostencategorie van de projectbegroting wordt hierin uitgebreid belicht.

Plattelandsontwikkeling

U dient de bepalingen in deze subparagraaf te lezen in samenhang met de Regeling subsidie plattelandsontwikkelingsprogramma provincies van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij d.d. 14 mei 2002 (Staatscourant nr. 91 d.d. 16 mei 2002).

Aanvragen om subsidie worden ingediend bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten brengen over de aanvragen een positief of negatief advies uit aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Tevens zijn Gedeputeerde Staten bevoegd een provinciale cofinancieringsbijdrage ter beschikking te stellen.

Vervolgens neemt de minister het besluit tot subsidieverlening. De beschikking tot subsidieverlening door de minister heeft betrekking op de Europese, rijks- en provinciale bijdrage.

De controle op de uitvoering van projecten en eventuele juridische procedures tegen beschikkingen worden door de minister uitgevoerd.]

Noot
42

[Toelichting: Met het verplaatsen van een inrichting die een extern veiligheidsrisico vormt, wordt beoogd dat de kans zo klein mogelijk wordt gehouden dat mensen in de omgeving van een inrichting overlijden tengevolge van een ongeval in die inrichting. De sanering door verplaatsing houdt dan in: beëindiging van de activiteiten van de inrichting op de saneringslocatie gevolgd door hervatting daarvan elders binnen Overijssel, teneinde het externe veiligheidsrisico op de saneringslocatie tot een verwaarloosbaar niveau terug te brengen.

De vermenigvuldiging van de-kans-op maal het effect (overlijden) wordt aangeduid met het begrip risico. Het plaatsgebonden risico is een maat voor het overlijdensrisico op een bepaalde plaats, namelijk de kans per jaar dat iemand die onafgebroken en onbeschermd daar zou verblijven, overlijdt. Hierbij is niet van belang of op die plaats werkelijk iemand aanwezig is. Anders gezegd, het plaatsgebonden risico is een rekenkundig begrip. Een plaatsgebonden risico van 10-6 betekent dat een omwonende van bijvoorbeeld een chloorfabriek een kans van één op een miljoen heeft om als gevolg van een ramp te overlijden. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour) rond een bedrijf of – zoals in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer genoemd – de inrichting.

Dit ‘risico’ is één van de mogelijke maten voor de zgn. ‘externe veiligheid’ van een bedrijf, de mate waarin processen en vooral calamiteiten binnen een bedrijf naar buiten toe risico’s vormen. Het begrip dat hierbij ook wordt gebruikt, is de ‘letaliteitsafstand’.

Het provinciebestuur zal een aanvraag in behandeling nemen, als verplaatsing wordt beoogd voor een inrichting die een extern veiligheidsrisico vormt. Het externe veiligheidsrisico wordt dan berekend als plaatsgebonden risico buiten de grens van de inrichting, dat tussen de 10-5 per jaar contour en 10-8 per jaar contour ligt en/of binnen de maximale 1% letaliteitsafstand.

De maximale 1% letaliteitafstand is de afstand vanaf de grens van een inrichting, een transportroute of een buisleiding, waarbinnen als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding, de kans op overlijden van aanwezige personen als gevolg van een explosie, brand of het vrijkomen en blootgesteld worden aan toxische stoffen, hitte of drukbelasting, bij atmosfeerstabiliteitsklasse F 1,5 volgens Pasquill, 1% of hoger is.

Binnen de definitie van 1% letaliteitsafstand vallen toxiciteit, hittebelasting en drukbelasting. Indien een letaal (of dodelijk) effect kan optreden door een stof die directe vergiftiging veroorzaakt is sprake van toxiciteit. Treedt schade op bij korte blootstelling aan de stralingeffecten bij een brand dan is er sprake van hittebelasting. Een explosie heeft (piek)overdruk tot gevolg. Door de drukbelasting kan fragmentatie ontstaan van de omhulling, glasbreuk of schade door brokstukken. Daardoor kunnen dodelijke slachtoffers vallen.

De letaliteitsafstand wordt berekend volgens de rekenmethode van de Commissie Preventie van Rampen (CPR-richtlijn) of op basis van het (nog in werking te treden) Registratiebesluit risico-situaties gevaarlijke stoffen.]

Noot
43

[Toelichting: Een verwaarloosbaar niveau van een risico is het niveau van een plaatsgebonden risico buiten de grens van de inrichting, dat lager is dan 10-8. ]

Noot
44

[Toelichting: Voor de sanering van LPG-tankstations geldt een schadevergoeding die is gebaseerd op artikel 15.20 van de Wet milieubeheer. De criteria voor schadevergoedingen staan in de circulaire die de minister van VROM op 22 mei 2003 aan gemeenten en provincies heeft gestuurd met de spelregels voor de toekenning van een schadevergoeding aan LPG-tankstations die moeten worden gesaneerd. Het betreft de circulaire Toepassing van de circulaire schadevergoeding Wet milieubeheer in verband met sanering LPG-tankstations' (brief VROM d.d. 22 mei 2003, kenmerk EV/2003.036534).

Het Besluit Beleidsregels compensatie meldingsplichtige vuurwerkbedrijven is op 24 april 2002 gepubliceerd in de Staatscourant (nr. 79).

Met de schadevergoedingsregeling van de Wet milieubeheer wordt artikel 15.20 tot en met artikel 15.23 van de Wet milieubeheer bedoeld.]

Noot
45

[Toelichting: Onder ‘voltooid wordt’ verstaan dat conform het activiteitenplan het extern veiligheidsrisico op de saneringslocatie tot een verwaarloosbaar niveau is teruggebracht.]

Noot
46

[Toelichting: Dit artikel is bedoeld als vangnet voor de beleidslijnen binnen het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief. Wanneer Gedeputeerde Staten van oordeel zijn, dat de te subsidiëren activiteit niet wordt beoogd onder de hierna volgende subparagrafen 2.4 tot en met 2.7, maar wel past binnen het MEUP, dan kunnen Gedeputeerde Staten een aanvraag honoreren.

Overigens beoogt het provinciebestuur met het Meerjarig Economisch Uitvoeringsperspectief provincie Overijssel (MEUP) uitdrukkelijk een verbinding te leggen met andere beleidsvelden die kunnen bijdragen aan het thema. Bijvoorbeeld met cultuur, zorg, wonen, platteland. Deze integraliteit willen wij bij de uitvoering vasthouden.]

Noot
47

[Toelichting: Een korte toelichting op de in deze subparagrafen gebruikte begrippen:

Parkmanagement is het in een publiek-private samenwerking sturen van vorm, voorzieningen en beheer van een bedrijventerrein, met als doel het structureel op peil houden van het gewenste kwaliteitsniveau van de bedrijfsomgeving. Parkmanagement geeft sturing aan de inrichting en het beheer van het (bebouwde) terrein, de initiatie en de exploitatie van zowel collectieve als individuele voorzieningen en diensten. Daarnaast analyseert en organiseert parkmanagement samenwerkings-mogelijkheden, met als doel het verkrijgen en behouden van een hoog kwaliteitsniveau van zowel de openbare als de private ruimte.

Belemmeringen zijn bijvoorbeeld administratieve lasten voor ondernemers.

Een bedrijventerrein is een terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door één of meer bedrijven uit de sectoren industrie, nijverheid en/of commerciële en niet-commerciële dienstverlening, daaronder niet begrepen een terrein dat in overwegende mate bestemd is voor kantoren, detailhandel of horeca.

Een masterplan is een plan waarin op basis van kansen- en knelpuntenanalyse is vastgelegd (a) hoe kansrijk de herstructurering voor het betrokken bedrijventerrein is, (b) hoe betrokken ondernemers en overheden gezamenlijk de aanpak van de herstructurering vorm willen geven, (c) hoe daarvoor de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden worden verdeeld en (d) op basis waarvan besluiten daartoe kunnen worden genomen.

Een herstructureringsproject is een samenhangend geheel van activiteiten, zijnde alle eenmalige ingrepen in het bedrijventerrein die niet onder regulier onderhoud vallen, die tot doel hebben de veroudering van het terrein als geheel te bestrijden. Herstructurering is een koepelbegrip voor vier typen van maatregelen die genomen kunnen worden om de veroudering van bedrijventerreinen tegen te gaan:

• groot onderhoud/facelift: grote opknapbeurt bij fysieke veroudering;

• revitalisering: forse integrale verbetering van het terrein waarbij de huidige economische functies;

• behouden blijven;

• herprofilering: herstructurering waarbij de economische functie van het terrein een andere wordt;

• transformatie: herstructurering waarbij de economische functie verdwijnt en hier bijvoorbeeld woningbouw voor in de plaats komt. In dit geval wordt het terrein onttrokken aan de voorraad bedrijventerreinen.

Als opbrengst wordt in aanmerking genomen de opbrengst uit uitgifte, verhuur en verpachting van grond en de opbrengst uit verhuur en verkoop van gebouwen.

Met een draagvlakverklaring wordt een document bedoeld waaruit blijkt dat alle betrokken partijen de noodzaak van uitvoering van de subsidiabele activiteit onderschrijven.

Bij zorgvuldig ruimtegebruik wordt de grond en opstallen zodanig benut, dat het grondbeslag per eenheid economische activiteit of werknemer wordt beperkt en de bedrijfseconomische positie en de kwaliteit van het bedrijventerrein gelijk blijft of verbetert. Zorgvuldig ruimtegebruik kan plaatsvinden in vier dimensies:

a. intensivering van ruimtegebruik/verdichten;

b. functiemenging;

c. verticaal bouwen, de hoogte of de diepte in;

d. tijd.

Zorgvuldig ruimtegebruik is eng verweven met onderwerpen als herstructurering, duurzaamheid, parkmanagement, criminaliteitsbestrijding en architectuur.]

Noot
48

[Toelichting: Met een draagvlakverklaring wordt een document bedoeld waaruit blijkt dat alle betrokken partijen de noodzaak van uitvoering van de subsidiabele activiteit onderschrijven.]

Noot
49

[Toelichting: Netwerkstad Zwolle-Kampen bestaat uit de gemeenten Zwolle en Kampen. Noordwest-Overijssel bestaat uit de gemeenten Steenwijkerland en Zwartewaterland. Noordoost-Overijssel bestaat uit de gemeenten Dalfsen, Hardenberg, Ommen en Staphorst. Salland bestaat uit de gemeenten Raalte en Olst-Wijhe. Voor de Stedendriehoek zijn alleen de activiteiten die in de gemeente Deventer plaatsvinden subsidiabel.]

Noot
50

[Toelichting: Het gaat hier om organisaties die door middel van diverse activiteiten en projecten de economie van Oost-Nederland versterken en daarmee de werkgelegenheid bevorderen. De integrale uitvoering van het provinciale innovatiebeleid moet in ieder geval betrekking hebben op de Innovatieroute Twente. De innovatieroute is verkrijgbaar bij het Innovatieplatform Twente (http://www.twentse-innovatieroute.nl/).]

Noot
51

[Toelichting: Ondernemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een MKB-onderneming in stand houdt in de provincie Overijssel.

Onder MKB-onderneming wordt begrepen een onderneming als bedoeld in Verordening (EG) nr. 364/2004 van de Europese Commissie van 25 februari 2004 (PbEG L 63) tot wijziging van Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen.]

Noot
52

[Toelichting: Voor afstemming met de Stuurgroep Innovatie van de Stedendriehoek en de Stuurgroep Kennispoort Zwolle kunt u contact opnemen met mevr. A. Esselink van de provincie Overijssel.]

Noot
53

[Toelichting: Gedeputeerde Staten willen het innovatieve klimaat in Overijssel stimuleren. Een breed opgezette regeling vervangt de oude stimuleringsregeling. Ondernemers met goede plannen moeten zoveel mogelijk gestimuleerd kunnen worden. Het karakter van de nieuwe regeling is daarom zoveel mogelijk vraaggestuurd. In artikel 3.34 is de kern van de regeling neergelegd. De doelgroep is het MKB en aanvragen kunnen door ondernemers uit de hele provincie worden ingediend bij SenterNovem in Zwolle. Een onderscheid is aangebracht in onderzoeksprojecten aan het begin van de innovatieketen en de ontwikkelprojecten die daarna opgezet worden. Voor de jaren 2006 en 2007 is jaarlijks rond de 2,8 miljoen euro beschikbaar voor het stimuleren van innovaties.]

Noot
54

[Toelichting: Onder MKB-ondernemer wordt in deze paragraaf verstaan de natuurlijke persoon of rechtspersoon, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, die een MKB-onderneming in stand houdt in de provincie Overijssel.

Onder MKB-onderneming wordt begrepen een onderneming als bedoeld in Verordening (EG) nr. 364/2004 van de Europese Commissie van 25 februari 2004 (PbEG L 63) tot wijziging van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Europese Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen.]

Noot
55

[Toelichting: Onderzoeksprojecten

Onder adviseur wordt in de regeling verstaan een onafhankelijke deskundige, d.w.z. een adviseur die als externe professional de subsidieontvanger van advies dient over de uitvoering van een ontwikkelproject. ‘Onafhankelijk’ wil zeggen dat de adviseur in ieder geval geen belang mag hebben in de onderneming van meer dan 25% (direct of indirect). Hetzelfde geldt voor de subsidieontvanger in zijn relatie tot de adviseur. Er mag evenmin sprake zijn van een dienstbetrekking tussen de adviseur en de onderneming danwel de groep waarvan de onderneming deel uitmaakt. Indien er sprake is van een aandelenverhouding van minder dan 5% tussen de adviseur en de aanvrager wordt er geacht geen afhankelijke relatie te zijn. Indien de aandelenverhouding ligt in de range van 5 tot 25% worden de volgende aspecten getoetst:

a. is de aandeelhouder tevens bestuurder;

b. over hoeveel personen is het aandelenbezit verdeeld.

Het onderzoeksproject kan gericht zijn op:

• een marktonderzoek;

• een octrooionderzoek;

• een (technisch) haalbaarheidsonderzoek;

• het oplossen van technologische vraagstukken.]

Noot
56

[Toelichting: Ontwikkelprojecten

Onder een ontwikkelproject wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijzigingen van bestaande producten, productielijnen of fabricageprocessen en andere reguliere werkzaamheden, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen zijn. Het project moet in technisch opzicht aantoonbare, meer dan marginale, vernieuwende elementen bezitten.

Projecten waaraan geen technische risico’s zijn verbonden, maar waarbij enkel een financieringsbehoefte bestaat, komen niet in aanmerking voor subsidie. Anderzijds mogen de technische en economische risico’s ook niet zó groot zijn, dat getwijfeld moet worden aan de slaagkans van het project.]

Noot
57

[Toelichting: Met de bijbehorende indieningswijze wordt bedoeld:

• aanvragen moeten worden ingediend bij SenterNovem, Postbus 10073, 8000 GB te Zwolle;

• aanvragen kunnen niet per e-mail of telefax worden ingediend;

• aanvragen kunnen worden ingediend vanaf 4 april 2006.

Op het aanvraagformulier vindt u aanwijzingen met betrekking tot het indienen van de aanvraag.]

Noot
58

[Toelichting: Toeristische ondernemingen betreffen ondernemingen met de volgende BIK-codes:

551 (hotels, pensions en conferentieoorden);

552 (kampeerterreinen en overige voorzieningen voor recreatief verblijf);

61204 (passagiersvaart en veerdiensten);

71402 (verhuur van sport- en recreatieartikelen);

92332 (recreatiecentra);

92531 (dieren- en plantentuinen, kinderboerderijen);

92643 (zeil- en surfscholen);

92644 (jachthavens).]

Noot
59

[Toelichting: Onder projectkosten worden begrepen:

a. loonkosten.

Loonkosten doen zich voor wanneer subsidieontvangers voor een bepaald project ten behoeve van het projectmanagement en de projectuitvoering zelf kosten maken en aan het project toerekenen. Wanneer de subsidieontvanger optreedt als uitvoerder, dan moeten de uit te voeren activiteiten duidelijk additioneel zijn ten opzichte van zijn reguliere activiteiten. De subsidieontvanger dient dit aan te tonen.

Loonkosten komen voor subsidie in aanmerking, voor zover:

• het personeel betreft dat direct bij de uitvoering is betrokken;

• terzake een separate urenregistratie wordt bijgehouden die toegankelijk en controleerbaar is; de registratie moet inzicht geven in alle werkzaamheden die de persoon in kwestie verricht;

• wordt uitgegaan van een uurloon, berekend op basis van het jaarloon bij een volledige dienstbetrekking volgens de kolom ‘loon voor de loonbelasting’ van de loonstaat van het betrokken directe personeel, verhoogd met de wettelijke danwel de op grond van een individuele of collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, en van 1750 productieve uren per jaar.

Indien geen loonkosten als hierboven omschreven worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het ontwikkelproject wordt verricht, zoals in het geval van een zelfstandige ondernemer, wordt voor de berekening van de projectkosten uitgegaan van een tarief van € 35,-- per uur;

b. verbruikte materialen en hulpmiddelen.

Dit betreft verbruikte materialen en hulpmiddelen die gedurende het project geheel worden afgeschreven. Kosten voor productiemiddelen en voor het project aangeschafte apparatuur komen niet voor subsidie in aanmerking;

c. aan derden verschuldigde kosten.

Dit betreft kosten die door derden in het kader van het ontwikkelproject worden gemaakt.]

Noot
60

[Toelichting: Of een activiteit subsidiabel is of niet hangt ervan af of de activiteit past binnen het kader van het Programmaplan Kennispark Twente. Dit plan is opvraagbaar bij het Europaloket van de provincie Overijssel.

In actie voor werkgelegenheid, Breedband

Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel willen het gebruik van breedband voor ondernemers, instellingen en burgers bevorderen. Het actieprogramma is samen met de vijf grote gemeenten en de Stichting Breedband Twente vormgegeven.

Breedband is de infrastructuur die geschikt is voor:

• beeld- en geluidstoepassingen van een goede kwaliteit;

• het uitwisselen van omvangrijke gegevensbestanden;

• waarvan de verbinding continu beschikbaar is;

• ten minste een capaciteit van 10 Mbps ondersteunt en

• toekomstvast is in die zin dat hogere capaciteiten later tegen relatief geringe kosten realiseerbaar zijn.

Breedbanddiensten betreffen de toepassingen die de afnemer innovatieve elektronische (communicatie)diensten bieden en die gebruikmaken van breedbandinfrastructuur.

Met het Actieprogramma Breedband wil het provinciebestuur uiterlijk in 2007 de volgende ambities bereiken:

1. de stedelijke netwerken Netwerkstad Twente, Stedendriehoek en Zwolle Kampen zijn onderling door middel van een open glasvezelinfrastructuur ontsloten. Daarmee is een open ‘backbone’ glasvezelring in Overijssel gerealiseerd. Hierop worden Triple diensten (telefonie, RTV, Internet) aangeboden. Er is sprake van kostenreductie. Op die interstedelijke glasvezelring zijn minimaal vijf plattelandskernen aangesloten; de provincie maakt zich sterk voor de interstedelijke verbindingen, de grote steden voor de glasvezelinfrastructuur in de stad;

2. alle uitvoerende instellingen met een provinciale meerjarige prestatiesubsidie, de vijf steden en de provincie hebben op basis van een visie op hun dienstverlening en bedrijfsvoering/exploitatie een besluit genomen over gebruik van en dienstenontwikkeling over breedbandinternet;

3. binnen twee jaar na 2004 vinden diverse experimenten met breedbanddienstenontwikkeling in de zorgsector, de cultuur-/bibliotheeksector, de overheidsdienstverlening en het onderwijs plaats. Deze experimenten zijn na afronding zelfstandig exploitabel. Provincie en gemeenten maken zich sterk voor actieve participatie en investeringen van het bedrijfsleven

Binnen het actieprogramma Breedband passen drie soorten van acties:

A. Vraagbundeling

De realisatie van een open glasvezelring tussen de vijf grote steden in Overijssel in 2007 bereiken we allereerst door vraagbundeling in de grote steden. De vraagbundeling vindt plaats op lokaal niveau. Op deze schaal is er inzicht in de vraag van instellingen en bedrijven naar breedband vereisende toepassingen. Vanuit de bundeling van de vraag ontstaan businesscases die voor partijen in de markt economisch exploitabel zijn. Door van één, open netwerk gebruik te maken kan bespaard worden op telefonie en datacommunicatie en wordt een interessante markt voor nieuwe dienstenaanbieders ontwikkeld. De realisatie van de glasvezelring tussen de steden draagt ook bij aan de ontsluiting van het platteland.

B. Elektronische dienstverlening

De vijf grote gemeenten en de provincie investeren in publieke elektronische dienstverlening via internet op basis van een individueel door de Colleges van Burgemeester en Wethouders en Gedeputeerde Staten bepaald ambitieniveau gebaseerd op het programma ‘De andere overheid’.

Accenten in de samenwerking worden gelegd bij:

• het raadplegen van tot dusver minimaal ontsloten publieke informatie bijvoorbeeld beeldarchieven;

• het bevorderen van één-loketinitiatieven zodat dienstverlening naar burgers en bedrijven voor het grootste gedeelte elektronisch wordt;

• het gebruikmaken van internet als het gaat om burgerraadplegingen, interactieve beleidsvorming en politieke communicatie met burgers en organisaties.

C. Stimuleren breedbanddiensten

Het gebruik van breedbandinternet willen wij stimuleren door ontwikkeling en toepassing van breedbanddiensten.

In de periode 2005-2007 stimuleren we de ontwikkeling van breedbanddiensten door goede voorbeeldprojecten te ondersteunen. Deze projecten moeten in ieder geval voldoen aan de volgende voorwaarden:

• de dienst vergroot de toegang en het gebruik van het breedbandnetwerk;

• de dienst heeft een demonstratie-effect naar andere instellingen en bedrijven;

• de dienst wordt na opstartfase zelfstandig geëxploiteerd en is dan toepasbaar voor meer partijen dan alleen de projectindieners;

• de dienst draagt bij aan de doelstellingen die binnen diverse beleidsterreinen zijn verwoord in het provinciaal Onderhandelingsakkoord ‘Ruimte voor actie’ 2003-2007;

• bij de ontwikkeling en productie van de dienst is actieve participatie van het bedrijfsleven vereist.]

Noot
61

[Toelichting: De innovatieroute is verkrijgbaar bij het Innovatieplatform Twente (http://www.twentse-innovatieroute.nl/).]

Noot
62

[Toelichting: De bedrijfsgerichte trajecten moeten een aantoonbare relatie hebben met de Twentse Innovatieroute of Kennispoort Zwolle.]

Noot
63

[Toelichting: Het uitvoeringsprogramma Pieken in de Delta Oost-Nederland is verkrijgbaar bij:

Ministerie van Economische Zaken, Regiokantoor Oost

Postbus 324

6800 AH Arnhem

Telefoon 026 352 58 88.]

Noot
64

[Toelichting: Arbeidsplaats: Onder het begrip arbeidsplaats verstaan wij een permanent bezette en tot volledige dagtaak omgerekende formatieve eenheid op jaarbasis (1 fte), gebaseerd op een arbeidsovereenkomst voor een aaneengesloten periode van minimaal 12 maanden. Deze periode van minimaal 12 maanden moet zijn opgenomen in een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Bij de omrekening tot volledige dagtaak wordt rekening gehouden met de in de CAO vermelde werkweek. Niet in aanmerking komen arbeidsplaatsen die worden vervuld door middel van uitzendkrachten of zgn. nul-urencontracten. Arbeidsplaatsen waarbij sprake is van detachering worden eveneens niet in aanmerking genomen. Bij min-max-contracten wordt uitgegaan van het minimaal aantal uren vermeld in de arbeidsovereenkomst.

Als nieuwe arbeidsplaats komen die arbeidsplaatsen in aanmerking die na de inwerkingtreding van deze regeling worden gecreëerd.

Onderneming: elke eenheid die een economische activiteit uitoefent ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Belangrijk daarbij is dat een winstoogmerk niet vereist is. Het begrip economisch activiteit wordt uitgelegd als “het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt.”

Maakindustrie: Een onderneming behoort tot de maakindustrie indien zij iets vervaardigt en tevens een van de volgende SBI ’93 codes heeft: 15 t/m 36.

Indien een onderneming behoort tot een door de Europese Commissie uitgesloten sector voor ‘de minimis’-steun zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 69/2001, kan zij geen aanspraak maken op WKM-subsidie.

Kennisintensief: een continu proces van het verkrijgen van nieuwe kennis die veelal gericht is op technologische vernieuwing (innovatie).

Bedrijven die voldoen aan beide bovenstaande definities behoren tot de kennisintensieve maakindustrie.]

Noot
65

[Toelichting: De wijze waarop de subsidiegrondslag wordt berekend geschiedt als volgt: het aantal nieuw gecreëerde arbeidsplaatsen wordt bepaald op het moment van indienen van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie. Alle arbeidsplaatsen die op dat moment voldoen aan het criterium, worden in aanmerking genomen.]

Noot
66

[Toelichting: Deze bepaling heeft betrekking op situaties waarin (nagenoeg) gelijktijdig met de uitvoering van het project het aantal arbeidsplaatsen wordt verminderd, bijvoorbeeld door het opheffen van bestaande arbeidsplaatsen bij realisering van nieuwe gesubsidieerde arbeidsplaatsen. Het positieve effect van de subsidie op de lokale en/of regionale economie wordt als gevolg van het opheffen van die arbeidsplaatsen per saldo minder. De subsidiegrondslag wordt dan ook zodanig verminderd dat het subsidiebedrag meer in overeenstemming is met het netto effect van de investering. Daarbij wordt gekeken naar het opheffen van arbeidsplaatsen binnen de onderneming of binnen de groep waartoe de onderneming behoort, in de rest van Overijssel. Detachering van personeel bij andere bedrijven en het op non-actief stellen van personeel vallen eveneens onder het opheffen van arbeidsplaatsen.

Groep: een economische eenheid waarin organisatorisch zijn verbonden een natuurlijk persoon of privaatrechtelijk rechtspersoon die direct of indirect:

• de helft of meer van het geplaatste kapitaal verschaft aan;

• volledig aansprakelijk vennoot is van, of

• overwegende zeggenschap heeft over één of meer rechtspersonen of vennootschappen.]

Noot
67

[Toelichting: Onder openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur wordt verstaan de gerealiseerde recreatieve fietspaden op het provinciale Raamplan fietspaden. Verder de gerealiseerde subsidiabele recreatieve voorzieningen en infrastructuur in het werkgebied van de Regio IJssel-Vecht, de Regio Twente, de Recreatiegemeenschap Salland en het Waterschap Reest en Wieden. Dit is inclusief de onderhoudskosten van de LAW’s, LF’s en het provinciale fietsroute-, paardrijroute- en kanoroutenetwerk en de gerealiseerde dagrecreatieparken het Hulsbeek, het Rutbeek, het Arboretum Poort-Bulten, het Lageveld, de Wythmenerplas en de passantenhaven Wijhe.

Onder recreatieve routestructuren wordt verstaan de routestructuren voor fietsen, wandelen, paardrijden en varen. Recreatieve fietspaden zijn die fietspaden die als zodanig zijn opgenomen op het provinciale Raamplan fietspaden. Tevens worden inbegrepen de ondersteunende voorzieningen zoals picknicktafels, bankjes, informatieborden en voorzieningen (ook digitaal), toeristische parkeerfaciliteiten e.d. Voor de realisering en de reconstructie van recreatieve fietspaden, recreatieve routestructuren en recreatieve voorzieningen geldt dat de subsidie is gebaseerd op het principe van ten hoogste 50% provinciale bijdrage in het niet door derden gedekte deel van de subsidiabele kosten. Van de subsidieaanvrager wordt verlangd dat een maximale inspanning wordt verricht om subsidie van derden (bijvoorbeeld Rijk of EU) te verkrijgen.

Bij subsidies voor het beheer en het onderhoud van de openbare toeristisch-recreatieve infrastructuur geldt het principe van gedeelde verantwoordelijkheid. Een en ander op basis van de in het verleden gemaakte afspraken tussen de provincie en projectpartners.]

Noot
68

[Toelichting: Rijk en decentrale overheden zijn in het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling overeengekomen, dat zij gezamenlijk uitvoering aan dit programma zullen gaan geven. De provincie Overijssel heeft het beleid vastgelegd in het Provinciaal Ambitiestatement Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007 (PAS). In dit kader kunnen Gedeputeerde Staten subsidie verlenen voor activiteiten die bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen. Het provinciebestuur is voor het ontvangen van de rijksbijdrage gebonden aan de voorwaarden van het landelijke uitvoeringskader.]

Noot
69

[Toelichting: Het PAS geeft dwingend richting aan de besteding van de subsidie. De provincie Overijssel geeft daarmee uitvoering aan het landelijke programma Leren voor Duurzame Ontwikkeling 2004-2007, zoals dat is overeengekomen tussen de Ministeries van LNV, VROM, BuZa/OS, OCW, het IPO en de UvW.

In het eerste lid van artikel 3.64 geven wij aan, wie een aanvraag kan indienen. Gemeente- of waterschapsbesturen – meestal het College van Burgemeester en Wethouders of het dagelijks bestuur van het waterschap – of van een organisatie of instelling met rechtspersoonlijkheid (vereniging of stichting) die activiteiten uitvoert in Overijssel. Dit betekent dat ook rechtspersonen van buiten de provincie een ontvankelijke aanvraag kunnen indienen.

Soms zal met de provincies Drenthe en Gelderland afstemming nodig zijn voor aanvragen van de waterschapsbesturen. Afhankelijk van de beoogde doelgroep en het betrokken deel van het waterschapsgebied zullen aanvragen bij beide betrokken provincies en in goede afstemming tussen de betrokken colleges van Gedeputeerde Staten worden behandeld.

In het tweede lid van artikel 3.64 is de eis opgenomen van ‘additionaliteit’. Dat wil zeggen dat wij de verwachting hebben dat men ten behoeve van Leren voor duurzame ontwikkeling een extra inspanning levert.]

Noot
70

[Toelichting: De aanvrager dient te zorgen voor een sluitende begroting waarbij men zelf een belangrijk deel van de kosten draagt. Deze eigen bijdrage kan ook uit sponsoring of andere wervingsacties worden verkregen. In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten het provinciale subsidiepercentage verhogen. Dit geldt voor projecten die van bijzonder belang zijn voor het realiseren van het PAS en die zonder een hogere bijdrage niet zouden kunnen worden uitgevoerd.]

Noot
71

[Toelichting: In artikel 3.67 staan de eisen vermeld waaraan een aanvraag moet voldoen.

Wij verwachten dat een projectaanvraag ‘SMART’ is geformuleerd: met specifieke doelen (beoogde resultaten), die meetbaar zijn gemaakt, op een acceptabele en geloofwaardige manier te bereiken, relevant voor de doelstellingen uit het PAS en tijdgebonden.

De projectaanvrager moet in beginsel met andere partijen samenwerken. De voorkeur wordt gegeven aan projecten waarbij een consortium van ten minste drie partijen is gevormd, waarbij een van de partijen als formele aanvrager (penvoerder) optreedt.

De overdraagbaarheid van het project (aanpak en resultaten) vraagt bewust de aandacht van de uitvoerders; zij moeten daarvoor middelen in de projectbegroting opnemen.]

Noot
72

[Toelichting: Het artikel voorziet erin dat eventueel nog niet tot besteding gekomen middelen uit het eerste deel van het jaar, wellicht aangevuld met middelen die vrijkomen als een subsidievaststelling lager uitvalt dan het toegezegde maximale subsidiebedrag, kunnen worden verwerkt in een gewijzigd vastgesteld en bekendgemaakt subsidieplafond.

Daarmee kan optimaal uitvoeringsgericht gewerkt worden.]

Noot
73

[Toelichting: Per jaar worden twee tranches van subsidieverlening voorzien. De provincie verwacht dat per tranche een beperkt aantal aanvragen kunnen worden gehonoreerd. De Uitvoeringsregeling stelt geen minimum- of maximumbedrag per project.

Na het verstrijken van de indieningdatum worden de ingediende aanvragen gelegd naast de geformuleerde criteria, en bepalen gedeputeerde staten een ordening naar de mate waarin projecten aan het realiseren van de ambities van het PAS bijdragen.]

Noot
74

[Toelichting: Bij te subsidiëren activiteiten onder sub a gaat het om projecten gericht op de uitvoering van het huishoudelijk afvalstoffenbeleid. Vooral activiteiten die gericht zijn op het bereiken van een hogere trede op de zogenaamde Ladder van Lansink komen voor subsidiëring in aanmerking. Het hoogst op de ladder van Lansink staat preventie (voorkomen) van afvalstoffen. Daarna komt hergebruik, verbranden en als laatste storten van afval.

Bij activiteiten onder sub b gaat het om projecten ter stimulering van preventie van bedrijfsafvalstoffen. Het gaat hierbij om het ondersteunen van projecten die passen binnen de notitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.]

Noot
75

[Toelichting: Hierna volgt een samenvatting van de beleidsnotitie Schoner Produceren; op weg naar verbetering van milieuprestaties van het Overijsselse MKB.

‘Voorkomen is verdienen’ was de afgelopen jaren het credo voor het beleid gericht op het verminderen van gebruik van grondstoffen, water en energie en het voorkomen