Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland houdende regels omtrent milieu (Beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving 2011

Geldend van 30-09-2019 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland houdende regels omtrent milieu (Beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving 2011

BELEIDSREGEL VERGUNNINGVERLENING MILIEUWETGEVING 2011

Gedeputeerde Staten van Flevoland,

Overwegende dat het wenselijk is duidelijkheid te geven over het provinciaal beleid met betrekking tot het verlenen van vergunningen en ontheffingen op het gebied van de milieuwetgeving,

Gelet op het bepaalde in artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Waterwet, de Wet bodembescherming en de Ontgrondingenwet,

BESLUITEN:

Vast te stellen de navolgende:

BELEIDSREGEL VERGUNNINGVERLENING MILIEUWETGEVING 2011

Inleiding

Deze beleidsregel geeft inzicht in het beleid van Gedeputeerde Staten met betrekking tot het verlenen van vergunningen en ontheffingen op het gebied van de milieuwetgeving. Deze beleidsregel vervangt de in januari 2008 vastgestelde Beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving 2008.

Deze beleidsregel beoogt een duidelijke weergave van het vergunningenbeleid te geven, zoals Gedeputeerde Staten dat op het gebied van de milieuregelgeving hanteren. Het gaat om het vergunningenbeleid op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet geluidhinder, de Waterwet, de Ontgrondingenwet, de Wet bodembescherming, en alle daarmee samenhangende algemene maatregelen van bestuur, ministeriële besluiten en provinciale verordeningen. De beleidsregel heeft betrekking op die bevoegdheden die Gedeputeerde Staten op grond van de milieuwetgeving kunnen uitoefenen.

Een ieder heeft door deze beleidsregel de mogelijkheid kennis te nemen van wat in bepaalde situaties van de provincie mag worden verwacht. Anderzijds geeft de beleidsregel de provincie zelf een referentiekader. De beleidsregel geeft een gedragslijn waarnaar in de besluitvorming verwezen kan worden. Gedeputeerde Staten handelen in beginsel overeenkomstig de in dit stuk neergelegde beleidsregel. Afwijking van een beleidsregel is alleen mogelijk als de beleidsregel voor een of meer belanghebbenden onevenredige gevolgen heeft in verhouding met de door de beleidsregel te dienen doelen. Vaststelling van deze beleidsregel draagt zo bij aan kwaliteitsverbetering van de vergunningverlening.

Wij wijzen erop dat voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo naast deze beleidsregel nog andere door ons vastgestelde beleidsregels relevant kunnen zijn, te weten de Beleidsregels voor de beoordeling van geurhinder 2008. Omdat deze beleidsregels ook zijn opgesteld ter invulling van de beleidsvrijheid op het gebied van de Wet op de ruimtelijke ordening, is ervoor gekozen deze beleidsregels niet te incorporeren in de onderhavige beleidsregel.

Verhouding tot het Omgevingsplan Flevoland 2006 In het Omgevingsplan Flevoland 2006 (hierna: Omgevingsplan) zijn het milieubeleidsplan, het waterhuishoudingsplan (het huidige regionale waterplan), het streekplan en het provinciaal verkeer- en vervoersplan geïntegreerd. Het onderdeel waterhuishouding van het plan is eind 2009 nader uitgewerkt in een partiële herziening. Ook bevat het Omgevingsplan het sociale en economische beleid van de provincie. Voor de onderhavige beleidsregel zijn vooral de milieu- en wateronderdelen van het Omgevingsplan relevant. In het Omgevingsplan zijn voor tal van (milieu)onderwerpen doelstellingen en uitgangspunten opgenomen, waar bij het verlenen van vergunningen, ontheffingen en verklaringen van geen bedenkingen rekening mee moet worden gehouden. Het Omgevingsplan is vrij globaal van karakter. Deze en andere genoemde beleidsregels vormen in vergelijking daarmee een meer op de praktijk toegesneden toetsingskader.

1. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

1.1 Uitgangspunten uitoefening bevoegdheden Wabo

Bij de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, gaan Gedeputeerde Staten uit van de meest recente landelijk geldende normen, richtlijnen, vereisten en inzichten (voor zover niet reeds genoemd in tabel 2 van Bijlage 1 van de Regeling omgevingsrecht) zoals de PGS/CPR-richtlijnen, de NEN/NeN-EN normen, de SIKB-protocollen en normen die daar indirect uit voortvloeien.

Als (een aanvraag om) een omgevingsvergunning waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegde gezag zijn, activiteiten omvat waarvoor vóór 1 oktober 2010 één van de gemeenten of het waterschap bevoegd gezag was, volgen Gedeputeerde Staten het beleid van de desbetreffende gemeente of waterschap ten aanzien van die activiteit.

1.2 Vergunning op maat: flexibiliteit in de omgevingsvergunning

Gedeputeerde Staten streven in de het kader van de omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, naar een vergunningverlening op maat. Het bedrijf krijgt waar mogelijk de ruimte om zelf de middelen te kiezen om de gestelde doelen te bereiken.

Voorwaarden voor het vaststellen van een flexibele omgevingsvergunning (vergunning op maat) zijn:

  • -

    Flexibele onderdelen van de vergunning moeten door de vergunninghouder aantoonbaar goed beheerd kunnen worden. Daarvoor is vereist dat:

    • o

      het bedrijf beschikt over transparante, toetsbare procedures voor de gewenste flexibele onderdelen van de vergunning. In de vergunning wordt vastgelegd dat deze procedures dienen te worden nageleefd;

    • o

      het bedrijf beschikt over een registratiesysteem waaruit op elk moment is af te leiden of en hoe aan de gestelde doelvoorschriften wordt voldaan.

  • -

    Van de vergunninghouder wordt een goede naleving van de vergunning verwacht. Deze verwachting kan stoelen op de resultaten van handhavingsonderzoeken in het verleden.

In een flexibele omgevingsvergunning (vergunning op maat) wordt vastgelegd dat het bedrijf periodiek verslag uitbrengt aan Gedeputeerde Staten.

1.3 Vergunning van inrichtingen en ecologische waarden

Bij de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, wordt beoordeeld wat de gevolgen kunnen zijn voor de wezenlijke kenmerken en waarden van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur, voor zover het niet de instandhoudingdoelstellingen van de beschermingszones Natura 2000 onder de Natuurbeschermingswet 1998 betreft. Tevens wordt een overzicht van ter plaatse voorkomende flora en fauna gevraagd op basis van een recente inventarisatie.

1.4 Geluid

.

1.4.1 Afwijking van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening

In het kader van de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, volgen Gedeputeerde Staten in hoofdlijnen de ministeriële “Handreiking industrielawaai en vergunningverlening” (ministerie van VROM; oktober 1998), maar wijken hiervan af als het gaat om:

  • -

    het formuleren van geluidsvoorschriften voor activiteiten waarbij geen gevoelige bestemmingen in de directe omgeving aanwezig zijn. In een dergelijke situatie worden op een vaste afstand geluidsnormen gesteld, waarvan de hoogte is gebaseerd op toepassing van het principe van best toepasbare technieken;

  • -

    het hanteren van grenswaarden voor het maximale geluidsniveau (Lmax) voorafgaande aan de totstandkoming van gemeentelijke geluidnota’s. In afwijking van de Handreiking wordt het maximale geluidsniveau (Lmax) niet gerelateerd aan het equivalente geluidsniveau (LAeq) maar gesteld op:

    • o

      70 dB(A) gedurende de dagperiode (07.00 uur – 19.00 uur);

    • o

      65 dB(A) gedurende de avondperiode (19.00 uur – 23.00 uur);

    • o

      60 dB(A) gedurende de nachtperiode (23.00 uur – 07.00 uur);

  • -

    het stellen van grenswaarden waarbij de beoordelingshoogte niet afhankelijk wordt gesteld van de periode van het etmaal. De hoogst gemeten of berekende waarde op de gevel geldt als de te beoordelen geluidsbelasting.

1.4.2 Toetsing aan zonebeheerplan op een gezoneerd industrieterrein

Bij de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, die plaatsvinden op een krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein, wordt het vigerende zonebeheerplan voor het betreffende industrieterrein als uitgangspunt genomen. De bij de omgevingsvergunning of verklaring van geen bedenking behorende voorschriften met betrekking tot geluid, zullen in beginsel worden gebaseerd op het zonebeheerplan en op het geluiduitgiftemodel dat onderdeel is van het zonebeheerplan.

1.4.3 Uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden op gezoneerde industrieterreinen

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • -

    gering lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden: incidentele bedrijfssituaties waarbij de in de omgevingsvergunning opgenomen geluidsgrenswaarden worden overschreden, maar waarbij de etmaalwaarde van de geluidsbelasting op de zonegrens niet meer bedraagt dan 50 dB(A), en de vastgestelde hogere geluidsgrenswaarde voor binnen de geluidszone liggende woningen niet wordt overschreden;

  • -

    lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden: incidentele bedrijfssituaties waarbij de etmaalwaarde van de geluidsbelasting op de zonegrens meer bedraagt dan 50 dB(A), dan wel de vastgestelde hogere geluidsgrenswaarde voor binnen de geluidszone liggende woningen wordt overschreden.

Bij de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, die plaatsvinden op een krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein wordt voor de vergunbaarheid van uitzonderlijke bedrijfssituaties, waarbij sprake is van een overschrijding van de in de vergunning op te nemen geluidsgrenswaarde, een onderscheid gemaakt tussen gering lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden en lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden.

Voor gering lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden geldt het uitgangspunt dat deze per inrichting tot maximaal 12 keer per jaar kunnen worden vergund.

Voor lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden gelden de volgende uitgangspunten:

  • -

    Per gezoneerd bedrijventerrein zijn in totaal 12 lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden per jaar toegestaan;

  • -

    De lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden moeten plaatsvinden gedurende de dagperiode. Lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden die volgens de vergunningaanvraag in de avondperiode zullen plaatsvinden, worden alleen vergund indien daartoe gewichtige redenen bestaan. Lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden die volgens de vergunningaanvraag in de nachtperiode zullen plaatsvinden, worden niet vergund.

  • -

    In de omgevingsvergunning waarin lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden zijn toegestaan, wordt als voorschrift opgenomen dat de vergunninghouder voorafgaand aan het optreden van een dergelijke bedrijfsomstandigheid, Gedeputeerde Staten, de zonebeheerder en omwonenden schriftelijk op de hoogte stelt.

1.5 Lozen van brijn in de bodem binnen inrichtingen

In het Lozingenbesluit bodembescherming is het verbod op het lozen in de bodem van overige vloeistoffen, waaronder brijn vastgelegd. Van dit verbod kunnen Gedeputeerde Staten in het kader van de omgevingsvergunning onder bepaalde omstandigheden tijdelijk afwijken en bepalen dat een lozing van brijn in de bodem is toegestaan (artikel 25a van het Lozingenbesluit bodembescherming). Hierbij worden de uitgangspunten in acht genomen, zoals deze zijn opgenomen in hoofdstuk 4.1 van deze beleidsregel.

1.6 Ontheffing stortverbod afvalstoffen

Elke ontheffing van het stortverbod afvalstoffen als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, wordt verleend onder de voorwaarde dat van de ontheffing geen gebruik mag worden gemaakt wanneer er alsnog andere verwijderingmogelijkheden beschikbaar zijn.

2. Waterwet

2.1 Uitgangspunten beoordeling watervergunning

Bij het beoordelen van een aanvraag voor een vergunning op grond van de Waterwet gaan Gedeputeerde Staten uit van de volgende uitgangspunten:

  • -

    Gedeputeerde Staten verlenen geen vergunning voor het onttrekken van het voor de openbare drinkwatervoorziening exclusief gereserveerde diepe zoete grondwater in Zuidelijk Flevoland, als bedoeld op Figuur 24 van het Omgevingsplan, ten behoeve van andere doeleinden dan de openbare drinkwatervoorziening.

  • -

    Het grondwater wordt zo efficiënt mogelijk gebruikt zodat de benodigde hoeveelheid grondwater wordt geminimaliseerd. Daartoe wordt bij een aanvraag van een vergunning concreet inzicht gevraagd in de toepassing van het water.

  • -

    Voor het bepalen van de te onttrekken hoeveelheid grondwater wordt daar waar mogelijk uitgegaan van het hergebruik van het onttrokken water en het terugbrengen van het onttrokken grondwater in de bodem. In het laatste geval worden indien nodig voor de bescherming van de grondwatervoorraad eisen gesteld aan de waterkwaliteit.

  • -

    Het grondwater wordt voor een zo hoogwaardig mogelijk doel ingezet. Indien oppervlaktewater een geschikt alternatief is voor grondwater dan heeft het gebruik hiervan de voorkeur. Voor doeleinden waarvoor de oppervlaktewaterkwaliteit onvoldoende is kan ook drinkwater een alternatief zijn. De inzet van grondwater vindt plaats in de volgende prioriteitsvolgorde:

    • 1.

      openbare drinkwatervoorziening;

    • 2.

      water voor de levensmiddelenindustrie die op grond van de Warenwet water van drinkwaterkwaliteit moet gebruiken;

    • 3.

      agrarische doeleinden die eisen stellen in het kader van de diergezondheid;

    • 4.

      energieopslag in de bodem, waarbij de netto onttrekking nihil is;

    • 5.

      overige doeleinden waarvoor geen geschikt oppervlaktewater aanwezig is.

  • -

    Grondwateronttrekkingen worden niet toegestaan als ze schade veroorzaken aan natuurfuncties of archeologische waarden die niet kan worden voorkomen door technische ingrepen of andere maatregelen. Bij natuurfuncties geldt dat, indien door een grondwateronttrekking de grondwaterstand en/of de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket in een gebied met natuurfuncties meer dan 3 cm daalt, schade aan natuurfuncties wordt vermoed. Bij de bepaling of schade zal ontstaan wordt rekening gehouden met de duur van de onttrekking en het seizoen waarin de onttrekking plaatsvindt. In afwijking van de eerste volzin kan een vergunning worden verleend indien naar mening van Gedeputeerde Staten met de onttrekking een groot maatschappelijk belang is gediend en redelijkerwijs alle maatregelen zijn genomen om schade aan natuurfuncties en archeologische waarden zoveel mogelijk te beperken.

2.2 Uitgangspunten onttrekkingen voor bodemenergie

2.2.1 Algemeen

Voor de toetsing van een vergunningaanvraag en het opstellen van een vergunning op grond van de Waterwet voor een open bodemenergiesysteem hanteren Gedeputeerde Staten, naast de bovengenoemde uitgangspunten, de actuele versie van de ‘Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1)’.

Voorkomen moet worden dat zoet met zout en brak grondwater mengt waardoor kostbare zoetwaterreserves in Flevoland verzilten. Gedeputeerde Staten hanteren daarom bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een open bodemenergiesysteem de aangegeven grensvlakken tussen zoet-brak en zout water als bedoeld in Bijlage I van de “Zoet-zout studie van Provincie Flevoland” [Deltares-rapport, d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A].

2.2.2 Interferentiegebied(en)

2.2.2.1 Bedrijventerrein Zwolsehoek gemeente Urk

Gedeputeerde Staten hanteren bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een open bodemenergiesysteem op het bedrijventerrein Zwolsehoek – als bedoeld in de Verordening interferentiegebied(en) bodemenergiesystemen Gemeente Urk 2019 - het Bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk 68122/SV20190226, versie 3.0].

Voor open bodemenergiesystemen op het bedrijventerrein Zwolsehoek gelden de volgende specifieke gebruiksregels:

  • 1.

    Een open bodemenergiesysteem moet uitgevoerd worden als een doubletsysteem in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket tussen 60 en 225 meter minus maaiveld. Wanneer wordt afgeweken van een doubletsysteem (bijvoorbeeld met een monobron) moet aangetoond worden dat deze past binnen het bodemenergieplan. Open bodemenergiesystemen uitgevoerd als recirculatiesystemen zijn niet toegestaan.

  • 2.

    De warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem moeten worden gepositioneerd binnen de daarvoor bestemde zones, op de kaart van het bodemenergieplan aangegeven als rode en blauwe zoekgebieden.

  • 3.

    Binnen een zoekgebied kunnen open bodemenergiesystemen met een totale capaciteit van 500 m³/uur en 750.000 m³/seizoen gerealiseerd worden.

  • 4.

    De minimale filterlengte van een open bodemenergiesysteem bedraagt 40 meter.

3. Ontgrondingenwet

3.1 Voorziening oppervlaktedelfstoffen

In de vergunning voor een secundaire ontgronding worden voorschriften opgenomen waarmee wordt bereikt dat de bij de ontgronding vrijkomende grondstoffen zo hoogwaardig mogelijk worden afgezet.

3.2 Waterhuishoudkundige aspecten

Voor de beoordeling van ontgrondingen worden als randvoorwaarden gehanteerd:

  • -

    Ontgrondingen worden niet toegestaan als ze door effecten op de waterhuishouding schade veroorzaken aan natuurfuncties, die niet kan worden voorkomen door technische ingrepen of andere maatregelen. Indien door een ontgronding de grondwaterstand en/of de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket in een gebied met natuurfuncties meer dan 3 cm daalt of stijgt wordt schade aan natuurfuncties vermoed. In afwijking van de eerste volzin kan een vergunning worden verleend indien naar de mening van Gedeputeerde Staten met de ontgronding een groot maatschappelijk belang is gediend en redelijkerwijs alle maatregelen zijn genomen om de schade aan natuurfuncties zoveel mogelijk te beperken.

  • -

    Ontgrondingen worden niet toegestaan indien hierdoor de in het kader van de Kaderrichtlijn Water vastgestelde doelstellingen voor een waterlichaam niet worden bereikt.

  • -

    Bij ontgrondingen dient aantasting van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater te worden voorkomen of tot een minimum te worden beperkt.

  • -

    Ontgrondingen moeten zodanig worden uitgevoerd dat zij niet leiden tot een aantasting van waterhuishoudkundige functies, zoals neergelegd in het Omgevingsplan of het waterbeheerplan van de waterbeheerder.

3.3 Ecologie

Voor iedere ontgronding wordt beoordeeld wat de gevolgen kunnen zijn voor de wezenlijke kenmerken en waarden van de provinciale Ecologische Hoofdstructuur, voor zover het niet de instandhoudingdoelstellingen van de beschermingszones Natura 2000 onder de Natuurbeschermingswet 1998 betreft. Tevens wordt een overzicht van ter plaatse voorkomende flora en fauna gevraagd op basis van een recente inventarisatie.

De ligging van een ontgronding ten opzichte van de (provinciale) Ecologische Hoofdstructuur wordt bij de afweging betrokken. Barrièrevorming door de ontgronding binnen een ecologische verbindingszone wordt niet toelaatbaar geacht. Door middel van voorschriften wordt aandacht besteed aan natuurvriendelijke uitvoering en afwerking van de ontgronding.

3.4 Archeologische waarden

Onder het rapport, dat voor ontgrondingen in de gebieden die op de kaarten 10.1 en 10.2 behorende bij de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland zijn aangegeven, door de aanvrager moet worden overgelegd op grond van artikel 10.5 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland, wordt verstaan: een rapport dat conform de vigerende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie is opgesteld. Afhankelijk van dit archeologisch vooronderzoek kan nader onderzoek worden vereist. Dit onderzoek dient eveneens plaats te vinden conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Indien de locatie voor de ontgronding is gelegen in een archeologisch aandachtsgebied, zoals aangegeven in Figuur 20 van het Omgevingsplan, wordt bij de belangenafweging speciale aandacht aan de archeologie gegeven.

Voor beoogde ontgrondingen binnen een op grond van de Monumentenwet aangewezen gebied dient een Monumentenwetvergunning te worden overgelegd.

3.5 Aardkundige waarden

Aantasting van aardkundige waarden moet worden voorkomen. In het vooroverleg – en zonodig met behulp van voorschriften – wordt gestimuleerd de ontgronding zodanig uit te voeren dat de aanwezige aardkundige waarden worden versterkt, geaccentueerd of beleefbaar worden gemaakt. Hieraan wordt in het bijzonder aandacht besteed bij ontgrondingen binnen de aardkundig waardevolle gebieden, zoals aangegeven in Figuur 21 van het Omgevingsplan.

3.6 Grondwaterbescherming

In milieubeschermingsgebieden voor grondwater worden ontgrondingen niet toegestaan indien hierdoor direct of indirect de bescherming van het voor de openbare drinkwatervoorziening bestemde grondwater afneemt.

3.7 Effecten voor omwonenden

Bij de toetsing van de effecten die de beoogde ontgronding zal hebben op de omwonenden worden de overlast en tijdsduur van de ontgronding betrokken en de productie van stof en lawaai, voor zover hierop niet door een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, wordt toegezien. Ook de transportbewegingen en –routes zullen bij deze afweging worden betrokken, evenals de afwerking van de ontgronding.

4 Wet bodembescherming

4.1 Lozen van brijn in de bodem buiten inrichtingen

In het Lozingenbesluit bodembescherming is het verbod op het lozen in de bodem van overige vloeistoffen, waaronder brijn vastgelegd. Van dit verbod kan onder omstandigheden op aanvraag tijdelijk ontheffing worden verleend (artikel 25 van het Lozingenbesluit bodembescherming). Bij het beoordelen van een aanvraag voor een ontheffing op grond van dit artikel gaan Gedeputeerde Staten uit van de volgende uitgangspunten:

  • 1.

    Gedeputeerde Staten verlenen geen ontheffing voor het lozen van brijn in het voor de openbare drinkwatervoorziening exclusief gereserveerde diepe zoete grondwater in Zuidelijk Flevoland als bedoeld op Figuur 24 van het Omgevingsplan;

  • 2.

    Het te lozen brijn ontstaat bij de ontzouting van ter plaatse onttrokken grondwater;

  • 3.

    De in het Handboek Water genoemde Circulaire agrarische afvalwaterlozingen wordt als achtergronddocument gebruikt;

  • 4.

    De lozing dient plaats te vinden op een diepte waarop de concentraties aan aanwezige stoffen, waaronder chloride, groter of gelijk zijn aan de concentraties van deze stoffen in het te lozen brijn.

5 Overige bepalingen

5.1 Afhandeling verzoeken om schadevergoeding

Schadevergoedingsverzoeken als bedoeld in paragraaf 4.2 van de Wabo en titel 15.4 van de Wet milieubeheer zullen worden beoordeeld met toepassing van de Circulaire schadevergoedingen van de Minister van VROM. Schadevergoedingsverzoeken die samenhangen met besluiten tot wijziging of intrekking van een vergunning krachtens de Waterwet of de Ontgrondingenwet, zullen eveneens worden beoordeeld met toepassing van genoemde circulaire.

6. Slotbepalingen

6.1 Intrekking

De Beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving 2008, door Gedeputeerde Staten vastgesteld op 28 januari 2008 en gepubliceerd in het Provinciaal Blad 2008, nr. 7, wordt ingetrokken.

6.2 Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking op 10 februari 2011.

6.3 Citeertitel

Deze beleidsregel kan worden aangehaald als: Beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving 2011.

Ondertekening

Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Flevoland van 1 februari 2011.
Gedeputeerde Staten van Flevoland, de secretaris, de voorzitter,
 

TOELICHTING OP DE BELEIDSREGEL VERGUNNINGVERLENING MILIEUWETGEVING 2011

De onderhavige beleidsregel dient ter vervanging van de bij besluit 28 januari 2008 vastgestelde Beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving 2008. De beleidsregel is geactualiseerd naar aanleiding van nieuwe wet- en regelgeving, zoals de Waterwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ook is de beleidsregel op enkele onderdelen aangevuld.

1. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

1.1 Uitgangspunten uitoefening bevoegdheden Wabo Bij de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, gaan Gedeputeerde Staten uit van de meest recente, algemeen geaccepteerde, inzichten. Ingevolge de Wabo zijn Gedeputeerde Staten reeds verplicht om op grond van deze wet rekening te houden met de bij ministeriële regeling aangewezen documenten waarin richtlijnen zijn opgenomen die als best beschikbare techniek worden aangemerkt. Dit is vastgelegd in de Regeling omgevingsrecht, een ministeriële regeling die is gebaseerd op de Wabo en het Besluit omgevingsrecht. Het bevoegd gezag dient in het kader van de Wabo rekening te houden met de in tabel 2 van de bijlage bij die regeling vermelde documenten, voor zover deze documenten betrekking hebben op onderdelen van of activiteiten binnen de inrichting. In voornoemde tabel 2 staan documenten genoemd als bijvoorbeeld de Leidraad afval- en emissiepreventie, de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR), de Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB) en een aantal PGS-richtlijnen. Los van deze verplichting willen Gedeputeerde Staten in deze beleidsregel als algemeen uitgangspunt vastleggen dat zij bij de uitoefening van zijn bevoegdheden inzake de Wabo zullen uitgaan van de landelijk geldende normen, richtlijnen, vereisten en inzichten.

Op 30 juni 2010 hebben de provincie, de Flevolandse gemeenten en het Waterschap Zuiderzeeland een bestuursovereenkomst getekend met als doel de samenwerking bij de uitvoering van de Wabo te bevorderen. Deze samenwerking betreft ook de vergunningverlening. De samenwerking is aanvullend op de wettelijke advisering bij vergunningverlening zoals weergegeven in de artikelen 2.26 en 3.19 van de Wabo en de verklaring van geen bedenkingen zoals opgenomen in artikel 2.27 van de Wabo. Uitgangspunt is dat partijen werken op basis van hun eigen beleid, prioritering en toetsingskaders.

1.2 Vergunning op maat: flexibIliteit in de vergunning In augustus 1999 heeft het ministerie van VROM de ‘Wegwijzer vergunning op hoofdzaken, vergunningverlening op maat’ uitgebracht. Daarin is het begrip vergunningverlening op maat geïntroduceerd. In het kader van de onderhavige beleidsregel wordt met vergunningverlening op maat gedoeld op een vergunning waarin voor verschillende milieu-aspecten flexibiliteit wordt geboden in de bedrijfsvoering.

Flexibiliteit in de omgevingsvergunning (vergunning op maat) voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, biedt een bedrijf binnen de bestaande wettelijke kaders zo veel mogelijk flexibiliteit in haar bedrijfsvoering. Flexibiliteit kan betrekking hebben op de mate van vrijheid in de keuze van de middelen waarmee de milieunadelige gevolgen kunnen worden voorkomen (doelvoorschriften waar mogelijk, zo weinig mogelijk middelvoorschriften). Flexibiliteit kan ook betrekking hebben op de mogelijkheid van het doorvoeren van veranderingen in de inrichting zonder dat hiervoor veel of uitgebreide procedures moeten worden gevoerd. Het bedrijf heeft voordeel van flexibiliteit. Het bedrijf kan sneller op marktontwikkelingen of verandering in de bedrijfsvoering inspringen. De provincie stimuleert het ontwikkelen van innovatieve technieken. Gelijktijdig worden belangen die de omgeving kan hebben niet uit het oog verloren. Het is noodzakelijk dat het bedrijf goede interne protocollen en instructies heeft over het te beheersen onderwerp. Als dat niet het geval is, wordt de last van flexibiliteit van vergunningverlening doorgeschoven naar handhaving. De bedrijfvoering dient transparant te zijn. Het bedrijf dient aan te tonen dat het beschikt over vaste procedures. Deze procedures moeten bewerkstelligen dat de doelvoorschriften worden gehaald. In de vergunning zal worden vastgelegd dat dient te worden gehandeld overeenkomstig de overgelegde, door Gedeputeerde Staten goedgekeurde procedures. Het aanvragen van flexibele onderdelen moet goed gemotiveerd worden. Het bevoegde gezag moet namelijk overtuigd zijn dat een bedrijf gemaakte afspraken nakomt en de zorg voor het milieu serieus neemt. Deze overtuiging wordt door een goed nalevinggedrag bevestigd. De voorgaande voorwaarden betekenen over het algemeen dat het bedrijf een goede en open relatie met het bevoegde gezag heeft. Het spreekt voor zich dat flexibiliteit alleen te rechtvaardigen valt als uit een goed naleefgedrag blijkt dat het bedrijf de eigen verantwoordelijkheid aankan. Omdat zowel in de aanvraag als in de omgevingsvergunning op grond van de Wabo wordt uitgegaan van flexibiliteit, moet voorkomen worden dat zich relevante informatie aan het zicht van derden (belanghebbenden) onttrekt. Dat kan geregeld worden door aangaande de flexibele onderdelen een verplichting tot het periodiek uitbrengen van een verslag aan de vergunning te verbinden. Het uitgebrachte verslag is openbaar.

1.3 Vergunning van inrichtingen en ecologische waarden De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) bestaat deels uit beschermingszones onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (Natura 2000 gebieden), aanvullende kerngebieden en verbindingszones. De gevolgen voor de instandhoudingdoelstellingen van Natura 2000 beschermingszones dienen te worden beoordeeld onder de Natuurbeschermingswet 1998. De wezenlijk kenmerken en waarden van een Natura 2000 als EHS gebied kunnen echter meer omvatten. Bovendien is de ecologische hoofdstructuur uitgebreider dan dit stelsel van Natura 2000 gebieden en behoud van die waarden is niet geborgd door toetsing onder de Natuurbeschermingswet 1998. Negatieve gevolgen voor beschermde dieren en planten onder de Flora- en faunawet kunnen worden toegestaan per algemene vrijstelling of een specifieke ontheffing van het Ministerie van LNV. Voor strikt beschermde soorten geldt een streng nee-tenzij en afgifte van een omgevingsvergunning of verklaring van geen bedenkingen op grond van de Wabo is dan weinig zinvol, omdat benutting van die vergunning of verklaring van geen bedenkingen in de regel onmogelijk geacht dient te worden. Immers, slechts bij dwingende redenen van groot openbaar belang en ontstentenis van alternatieven kan de Flora- en faunawet ontheffing worden afgegeven. Om die reden vereist de provincie de inventarisatie.

1.4 Geluid

1.4.1 Afwijking van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening Bij de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo hanteren Gedeputeerde Staten ter aanvulling op de Wet geluidhinder, de ministeriële Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Deze handreiking is in oktober 1998 uitgebracht door het ministerie van VROM. De toepassing van de handreiking gebeurt niet integraal. Gedeputeerde Staten wijken van de handreiking af op de in de beleidsregel genoemde aandachtspunten.

Stellen van grenswaarden voor behoud van milieuruimte voor nieuwe ontwikkelingen Aan een omgevingsvergunning moeten voorschriften worden verbonden die nodig zijn voor de bescherming van het milieu. Bij geluid wordt voor milieu in de regel de dichtst bijgelegen woning beschouwd. Bij de situering van bedrijfslocaties in Flevoland is vaak voldoende afstand gehouden tot geluidgevoelige bestemmingen, maar fysiek bestaat er regelmatig nog wel ruimte voor nieuwe ontwikkelingen. Voorkomen moet worden dat normen voor de bescherming van woningen ongecontroleerd worden opgevuld. Door het stellen van grenswaarden op relatief korte afstand van bedrijven wordt ruimte gelaten voor verdere ontwikkelingen en ook krijgen geluidreducerende maatregelen een reële kans bij de belangen afweging.

Standaard norm voor maximale geluidsniveaus (Lmax) De Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gaat in beginsel uit van een grenswaarde voor incidentele verhoging van het geluid tot 10 dB boven de norm die geldt voor het langduurgemiddelde geluidniveau voor de betreffende beoordelingsperiode. De praktijk leert dat bedrijven dikwijls niet aan een dergelijke norm kunnen voldoen. Vandaar dat er voor gekozen wordt een reële norm op te nemen die aansluit bij de landelijk geaccepteerde grenswaarden voor maximale geluidsniveaus. Gedeputeerde Staten wijzen er nog wel op dat, conform de handreiking, de mogelijkheid bestaat om van deze grenswaarden ontheffing te verlenen voor de dag- en voor de nachtperiode op grond van één of meer van de in paragraaf 3.2 van de Handreiking genoemde gronden.

Beoordelingshoogte geluidsbelasting Het Bouwbesluit kent het begrip vrije indeelbaarheid van een woning, de woonkamer behoeft hierdoor niet altijd op de begane grond te zijn gelegen. De Handreiking industrielawaai en vergunningverlening lijkt wel uit te gaan van een vaste woningindeling: de handreiking gaat er in beginsel van uit dat gedurende de dagperiode alleen de geluidsbelasting van de begane grond hoeft te worden beoordeeld. Bij een dergelijke beperkte bescherming van woningen, zou een afschermende voorziening voor de dagperiode alleen effect hebben voor de geluidsbelasting van de begane grond. Dit achten Gedeputeerde Staten niet acceptabel. Daarom maken Gedeputeerde Staten bij het stellen van grenswaarden de beoordelingshoogte niet afhankelijk van de periode van het etmaal. De hoogst gemeten of berekende waarde geldt als de te beoordelen geluidsbelasting op de gevel.

1.4.2 Toetsing aan zonebeheerplan op een gezoneerd industrieterrein Om geluidsoverlast ten gevolge van zogenaamde ‘grote lawaaimakers’ te voorkomen of te bestrijden kent hoofdstuk V van de Wet geluidhinder een systeem van zonering voor industrieterreinen. Bij zonering van industrieterreinen wordt rond het industrieterrein een zone vastgesteld waarbij de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op de zonegrens gelijk of lager is dan 50 dB(A). Een geluidszone van een industrieterrein wordt bij nieuwe situaties vastgelegd in een bestemmingsplan. De gezamenlijke geluidsbelasting van de bedrijven die zijn gevestigd op een industrieterrein mag dus op de zonegrens niet meer zijn dan 50 dB(A).

In de praktijk heeft elk bedrijventerrein een zonebeheerder. Dit is in de regel de gemeente. Deze zonebeheerder heeft vaak een zonebeheerplan vastgelegd.

Deze praktijk is verankerd in de wet van 5 juli 2006, houdende wijzing Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase), Stb. 2006, 350. Deze wet is, met uitzondering van artikel V van deze wet, in werking getreden op 1 januari 2007. In artikel 163 van de Wet geluidhinder is vastgelegd dat Burgemeester en Wethouders (in het geval van industrieterreinen van regionaal belang die bij provinciale milieuverordening zijn aangewezen: Gedeputeerde Staten) ervoor zorg dragen dat er voldoende informatie beschikbaar is over de geluidruimte binnen de zone van een gezoneerd industrieterrein. In artikel 164 van de Wet geluidhinder is vastgelegd dat ter vervulling van de in artikel 163 van de Wet geluidhinder bedoelde taak een zonebeheerplan kan worden opgesteld. Artikel 165 van de Wet geluidhinder regelt dat het bevoegd gezag (Burgemeester en Wethouders, ingeval van industrieterreinen van regionaal belang die zijn aangewezen bij provinciale milieuverordening: Gedeputeerde Staten) gegevens betreffende de geluiduitstraling kunnen verlangen van de beheerders van inrichtingen, welke binnen de geluidszone werkzaam zijn. De gegevens kunnen onder meer worden geëist ten behoeve van de bepaling van binnen die geluidszones te nemen maatregelen ter beperking van de geluidhinder aldaar.

In de beleidsregel is vastgelegd dat Gedeputeerde Staten bij het opstellen van geluidvoorschriften voor bedrijven die zijn gelegen op een krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein het vigerende zonebeheerplan als uitgangspunt nemen.

Een zonebeheerplan kan een geluiduitgiftemodel bevatten waarin per kavel de in beginsel beschikbaar geachte geluidruimte wordt vastgelegd. Doel hiervan is te voorkomen dat een of enkele bedrijven op een gezoneerd bedrijventerrein zoveel ruimte claimen dat andere bedrijven zich niet meer op dit bedrijventerrein kunnen vestigen (en er daarom nog beschikbare kavels op het bedrijventerrein niet kunnen worden uitgegeven) of andere reeds op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven nooit meer kunnen uitbreiden en dus ‘op slot’ zitten.

Met deze beleidsregel willen Gedeputeerde Staten zich aansluiten bij de uitgangspunten van de zonering, zoals die zijn vastgelegd in de vorm van principe geluidsvoorschriften per kavel in het geluiduitgiftemodel van de zonebeheerder.

1.4.3 Uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden op gezoneerde industrieterreinen Bedrijven kunnen incidenteel behoefte hebben aan extra geluidsruimte voor uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden. Voor bedrijven die zijn gevestigd op een industrieterrein dat krachtens de Wet geluidhinder is gezoneerd, wordt in deze beleidsregel aangegeven hoe deze behoefte in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo wordt beoordeeld. Als uitgangspunt per gezoneerd industrieterrein wordt vastgelegd dat overschrijding van de zonegrens (er wordt meer dan 50 dB(A) geluid op de zonegrens geproduceerd) door het zich voordoen van uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden, maximaal 12 maal per jaar mag voorkomen.

Hierna wordt ter informatie eerst kort ingegaan op de systematiek van de Wet geluidhinder en op de uitleg daarvan in de jurisprudentie. Daarna wordt ingegaan op de invulling van de beleidsvrijheid die het bevoegde gezag heeft bij het vastleggen van uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden in de omgevingsvergunning op grond van de Wabo. Tot slot wordt kort ingegaan op de afstemming tussen Burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten als bevoegd gezag. In dit kader is ook de registratie van lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden van belang.

Uitgangspunten van de Wet geluidhinder Op grond van de Wet geluidhinder geldt er een zoneringsregime voor bedrijventerreinen waarop zich zogenaamde grote lawaaimakers kunnen vestigen. Er dient rond een dergelijk bedrijventerrein een zone in het bestemmingsplan te zijn vastgelegd. Buiten deze zone mag de gezamenlijke geluidbelasting van alle bedrijven op het bedrijventerrein niet meer bedragen dan 50 dB(A). De uitwerking hiervan is uiteengezet in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Toetsing aan deze grenswaarde van 50 dB(A) geschiedt op basis van de zogenaamde representatieve bedrijfssituatie. Uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden (ook wel incidentele bedrijfssituaties genoemd) behoeven blijkens de jurisprudentie niet aan deze grenswaarde te worden getoetst. Het bevoegd gezag kan in de omgevingsvergunning op grond van de Wabo toestaan dat maximaal 12 maal per jaar activiteiten worden uitgevoerd die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Het moet dan wel gaan om bijzondere activiteiten (incidentele bedrijfssituaties) welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie. In de jurisprudentie met betrekking tot bedrijven die niet zijn gevestigd op een gezoneerd industrieterrein wordt wel als uitgangspunt genomen dat rekening moet worden gehouden met een mogelijke cumulatie van uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden bij verschillende, in elkaars nabijheid gelegen bedrijven. Voorkomen moet worden dat door het vergunnen van uitzonderlijke bedrijfssituaties de omgeving met veel meer overlast wordt geconfronteerd dan op grond van de vastgelegde representatieve bedrijfssituaties van de verschillende bedrijven mag worden verwacht. Zo is het niet toegestaan om aan 4 in elkaars directe nabijheid gelegen horecabedrijven elk 12 uitzonderlijke bedrijfssituaties voor het weekend te vergunnen: de omgeving zou dan vrijwel ieder weekend (4x12) kunnen worden geconfronteerd met meer geluid dan op grond van de representatieve bedrijfssituaties is vastgelegd.

De beoordeling van de geluidemissie van een bedrijf in de verschillende bedrijfssituaties Bij de beoordeling van de verscheidene situaties die zich bij een bedrijf voor wat betreft geluidemissie voordoen kan onderscheid worden gemaakt tussen: - de representatieve bedrijfssituatie (RBS); - de incidentele bedrijfssituatie, ook wel niet-representatieve bedrijfssituatie genaamd ofwel uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden (UBO’s); - calamiteiten.

De representatieve bedrijfssituatie (RBS) Voor de representatie bedrijfssituatie wordt in zijn algemeenheid beschouwd de op twaalf na luidruchtigste dag (de zogenaamde 13de dag). Uit de jurisprudentie blijkt dat aan deze interpretatie overigens geen rechten kunnen worden ontleend. Wel is in de Wet geluidhinder vastgelegd dat de geluidbelasting behorende bij de RBS van alle bedrijven gezamenlijk moet worden getoetst aan de grenswaarde van 50 dB(A) op de zonegrens. De beoordeling van welke bedrijfssituatie als representatief moet worden beschouwd, blijkt bij bedrijven met een dynamische bedrijfsvoering genuanceerd te liggen. Indien deze bedrijven ook nog met meerdere bedrijven gezamenlijk op een bedrijventerrein zijn gevestigd, mag het 13de dag principe op deze bedrijven niet zonder meer worden toegepast.

De incidentele, niet-representatieve, bedrijfssituatie ofwel uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden (UBO’S) Belangrijk voor de vergunningverlening is dat voorziene en te verwachten uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden in de vergunningaanvraag door het bedrijf worden benoemd. Het gaat hierbij om uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden waarvan het bedrijf in zijn bedrijfsvoering afhankelijk is. Een personeelsfeestje, een presentatie van een nieuw product of een opening cq te water lating behoort hier niet toe, maar een Formule 1 race op circuitpark Zandvoort wel. Overeenkomstig het gestelde in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening behoeft de uitzonderlijke bedrijfsomstandigheid niet te worden toegerekend aan de bijdrage van het individuele bedrijf op de geluidbelasting van het gehele industrieterrein. Deze beleidskeuze van het rijk geeft beleidsruimte voor het bevoegd gezag om eigen maatstaven te stellen voor het wel of niet verlenen van medewerking aan uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden. In het onderhavige beleid wordt onderscheid gemaakt tussen situaties waarbij de geluidbelasting van het individuele bedrijf ten tijde van de uitzonderlijke activiteit meer of minder dan 50 dB(A) bedraagt op de zonegrens. Indien de geluidsbelasting bij een individuele uitzonderlijke bedrijfsactiviteit op de zonegrens meer bedraagt als 50 dB(A), dan wordt deze activiteit een “lawaaiige UBO” genoemd. Is de geluidsbelasting lager, dan wordt deze activiteit een “gering lawaaiige UBO” genoemd.

Calamiteiten Er kunnen zich altijd calamiteiten voordoen waarop het bedrijf geen vat heeft. Dergelijke calamiteiten staan normaliter niet in de vergunningaanvraag en worden daarom ook niet getoetst aan de grenswaarde van 50 dB(A) op de zonegrens.

Invulling van de beleidsvrijheid: onderscheid tussen gering lawaaiige en lawaaiige UBO’s Onderscheid tussen gering lawaaiige en lawaaiige UBO’s Voor de beoordeling of de omgeving door een uitzonderlijke bedrijfsomstandigheid extra wordt belast, wordt in het beleid onderscheid gemaakt tussen lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden en gering lawaaiige uitzonderlijke bedrijfsomstandigheden. Er is sprake van een lawaaiige UBO wanneer de geluidbelasting vanwege alleen deze activiteit op de zonegrens meer bedraagt dan 50 dB(A) en/of ter plaatse van woningen in de zone meer bedraagt dan de geldende hogere grenswaarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op die woningen. Is hiervan geen sprake, dan is sprake van een gering lawaaiige UBO.

Gering lawaaiige UBO’s Bij de meeste bedrijven bedraagt de solitaire geluidbelasting bij een uitzonderlijke bedrijfsomstandigheid op de zonegrens (veel) minder dan 50 dB(A) en worden ook niet de vastgestelde hogere grenswaarden bij woningen in de zone overschreden. Voor deze gering lawaaiige UBO’s bij bedrijven op een gezoneerd industrieterrein geldt in beginsel dat per bedrijf 12 UBO’s per jaar aanvaardbaar zijn. Bij bedrijven die vallen onder een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 8.40 van de Wet milieubeheer kan de mogelijkheid van maximaal 12 UBO’s per jaar reeds onderdeel uitmaken van de wettelijke regels zoals die in de betreffende amvb zijn vastgelegd.

Er wordt geen maximum gesteld aan het aantal gering lawaaiige UBO’s per bedrijventerrein vanwege de geringe geluidbelasting van deze categorie UBO’s. Indien zich bij twee of meer bedrijven gelijktijdig een gering lawaaiige UBO voordoet, is de kans dat hierbij ten gevolge van cumulatie de grenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden, zeer gering. De oorzaak hiervan is dat de betreffende bedrijven geografisch verdeeld liggen over het industrieterrein en de gevolgen van de UBO’s lokaal zijn en er hierdoor op de zonegrens weinig cumulatie optreedt.

Lawaaiige UBO’s Het maximale aantal lawaaiige UBO’s en aanvullende beperkingen In deze beleidsregel wordt vastgelegd dat Gedeputeerde Staten per gezoneerd industrieterrein in totaal maximaal 12 lawaaiige UBO’s per jaar aanvaardbaar achten.

In het algemeen wordt een incidenteel hogere geluidbelasting, blijkens de jurisprudentie, tot 12 keer per jaar aanvaarbaar geacht. Twaalf keer is echter geen harde grens. Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid door de omwonenden van lawaaiige UBO’s kan een gezoneerd bedrijventerrein in beginsel worden vergeleken met een inrichting. In samenhang daarmee is ervoor gekozen voor het totale bedrijventerrein, net als voor een individuele inrichting buiten een gezoneerd bedrijventerrein, maximaal 12 lawaaiige UBO’s mogelijk te maken.

Lawaaiige UBO’s in de dagperiode De aanvaardbaarheid van de mogelijk 12 lawaaiige uitzonderlijke bedrijfssituaties is er mede op gebaseerd dat de activiteiten plaatsvinden gedurende de dagperiode (van 7.00 tot 19.00 uur). Gedeputeerde Staten zullen terughoudend zijn met het verlenen van medewerking aan lawaaiige UBO’s in de avondperiode. Er dienen dan gewichtige redenen te bestaan waarom de activiteit moet plaatsvinden in de avondperiode. Er wordt geen medewerking verleend aan lawaaiige UBO’s die worden aangevraagd voor de nachtperiode.

Registratie en melding van lawaaiige UBO’s Lawaaiige UBO’s zijn slechts toegestaan indien expliciet opgenomen in de omgevingsvergunning op grond van de Wabo voor de betreffende inrichting. Gedeputeerde Staten zullen in die gevallen dat lawaaiige UBO’s zijn toegestaan in de voorschriften bij de vergunning een meldingsplicht opnemen: de vergunninghouder wordt verplicht om voorafgaand aan het zich voordoen van een in de omgevingsvergunning omschreven lawaaiige UBO, Gedeputeerde Staten, de zonebeheerder en de omwonenden (woonachtig in de zone of net op de grens van de zone) te informeren over de lawaaiige UBO. In het geval de lawaaiige UBO niet vooraf in te plannen is, bijvoorbeeld omdat de UBO afhankelijk is van het zich voordoen van bepaalde meteorologische omstandigheden, zal in de voorschriften worden opgenomen dat de melding ook achteraf kan geschieden. Met de zonebeheerders is afgestemd dat deze een register bijhouden van alle toegestane lawaaiige UBO’s en van de meldingen van lawaaiige UBO’s.

Veelal vallen niet alle op een gezoneerd bedrijventerrein gevestigde bedrijven onder hetzelfde bevoegd gezag. Voor sommige inrichtingen zullen Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag vormen, voor andere inrichtingen zullen Burgemeester en Wethouders het bevoegd gezag vormen in het kader van de Wabo. Naar de aard van de zaak bindt de onderhavige beleidsregel slechts Gedeputeerde Staten en niet ook Burgemeester en Wethouders van de gemeenten.

In het kader van de onderlinge advisering over omgevingsvergunningen zal de toepassing van deze beleidsregel specifiek de aandacht krijgen.

Met gemeenten als zonebeheerders wordt waar relevant afgestemd dat deze een registratie bijhouden van de vergunde en gemelde lawaaiige UBO’s. Hiermee wordt gewaarborgd dat de verschillende bevoegde gezagen in het kader van de vergunningverlening een goed overzicht hebben van de geluidsruimte die nog aanwezig is op een gezoneerd industrieterrein (voor de representatieve bedrijfssituatie, zie in dit verband subparagraaf 1.4.2). Tot op heden is dat alleen relevant gebleken voor de lawaaisporten in de gemeente Lelystad.

1.5 Lozen van brijn in de bodem binnen inrichtingen Voor een toelichting wordt verwezen naar hoofdstuk 4.1 van deze toelichting.

1.6 Ontheffing stortverbod afvalstoffen Hiermee wordt gedoeld op de instemming van het bevoegd gezag als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. Ingevolge artikel 10.4 van de Wet milieubeheer dient het storten van afvalstoffen zoveel mogelijk te worden beperkt. Op grond van artikel 1 van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, geldt een stortverbod voor specifiek genoemde afvalstoffen. Op grond van artikel 4, eerste lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen kan het bevoegd gezag bij het verlenen of wijzigen van een omgevingsvergunning ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo, in de daaraan te verbinden voorschriften bepalen dat het in artikel 1 van dit besluit geformuleerde stortverbod voor afvalstoffen niet geldt. Dit kan alleen indien naar oordeel van Gedeputeerde Staten sprake is van de in artikel 4, eerste lid, van het besluit aangegeven gevallen. Er mag pas daadwerkelijk gebruik worden gemaakt van dit voorschrift op het moment dat het bevoegd gezag daadwerkelijk instemt met een concreet verzoek om een hoeveelheid afvalstoffen te storten. Op grond van artikel 4, derde lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen stemt het bevoegd gezag pas in voor zover de Minister van VROM verklaart dat geen andere wijze van afvalbeheer mogelijk is. Deze instemming wordt in de praktijk wel aangeduid met het begrip “ontheffing stortverbod afvalstoffen”. Onder punt 1.6 van de beleidsregel is vastgelegd dat Gedeputeerde Staten de instemming als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (ontheffing van het stortverbod afvalstoffen) slechts verlenen onder de voorwaarde dat van de ontheffing geen gebruik mag worden gemaakt wanneer er, alsnog, andere verwijderingmogelijkheden beschikbaar zijn. Daarmee wordt gewaarborgd dat op het moment dat voor de aangevraagde te storten afvalstoffen alsnog een andere verwijderingmogelijkheid beschikbaar is, daarvan gebruik moet worden gemaakt. Hierdoor wordt bewerkstelligd dat er zo min mogelijk afvalstoffen worden gestort.

2. Waterwet

Het Omgevingsplan Flevoland 2006 omvat vier wettelijke plannen met een strategisch karakter, waaronder het regionale waterplan (voorheen het waterhuishoudingsplan) en het Milieubeleidsplan. In het Omgevingsplan zijn in de subparagrafen 5.6.7. Drinkwatervoorziening en 5.6.8. Grondwaterbeheer de algemene uitgangspunten voor de uitvoering van het grondwaterbeheer vastgelegd. In deze beleidsregel worden de algemene uitgangspunten waar nodig verder uitgewerkt. Dit betekent dat voor de beoordeling van een vergunningaanvraag zowel rekening gehouden moet worden met het omgevingsplan als met deze beleidsregel. In die gevallen waarin in het Omgevingsplan verwezen wordt naar de beleidsregel Grondwater wordt dit hoofdstuk bedoeld.

2.1 Uitgangspunten beoordeling Waterwetvergunning In het Omgevingsplan wordt het diepe zoete grondwater –ook aangeduid als het derde watervoerend pakket- in Zuidelijk Flevoland exclusief gereserveerd voor de openbare drinkwatervoorziening. Dit betekent dat er geen vergunningen voor het onttrekken van dit zoete grondwater voor andere doeleinden worden verleend. Op kaart 24 van het Omgevingsplan is de horizontale begrenzing van het exclusief voor de openbare drinkwatervoorziening gereserveerde grondwater weergegeven. Deze horizontale begrenzing komt overeen met de begrenzing van de boringsvrije zone die op kaart 4.1 van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland is aangegeven. Een vergunning voor het onttrekken van grondwater dieper dan de op kaart 4.1 tot en met 4.5 aangegeven diepte voor andere doeleinden dan de openbare drinkwatervoorziening wordt op grond van het Omgevingsplan niet verleend.

In het Omgevingsplan is in verschillende passages aangegeven dat verspilling van het grondwater moet worden voorkomen. In de beleidsregel is daarom opgenomen dat bij onttrekkingen bij de vergunningverlening inzicht wordt gevraagd in de concrete toepassing van het grondwater om te kunnen beoordelen of de aangevraagde hoeveelheid grondwater in het concrete geval daadwerkelijk nodig is. Bij deze beoordeling zal worden uitgegaan van de best beschikbare technieken voor een bepaalde toepassing.

In algemene zin geldt dat het netto gebruik van het grondwater zoveel mogelijk beperkt moet worden door bijvoorbeeld hergebruik en het terugbrengen van grondwater in de bodem. In het laatste geval kunnen ook eisen gesteld worden aan kwaliteit van het water dat wordt teruggebracht in de bodem.

Voor het geval dat onttrekkingen met verschillende gebruiksdoelen gebruik willen maken van hetzelfde grondwater is een prioriteitsvolgorde vastgesteld. Het gebruik van oppervlaktewater in plaats van grondwater heeft de voorkeur. Indien oppervlaktewater vanuit kwalitatief oogpunt geen geschikt alternatief is, kan ook drinkwater (leidingwater) een alternatief zijn. Het gebruik van grondwater vanwege fytosanitaire eisen valt onder de categorie “overige doeleinden waarvoor geen geschikt oppervlaktewater aanwezig is”.

Grondwateronttrekkingen worden niet toegestaan als ze schade veroorzaken aan natuurfuncties (waaronder in ieder geval kan worden verstaan functies die als zodanig zijn aangegeven in een bestemmingsplan of in het omgevingsplan) of aan archeologische waarden. Deze schade moet zoveel mogelijk worden voorkomen door te nemen technische ingrepen of andere maatregelen. Indien de grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket in een gebied met natuurfuncties met meer dan 3 cm daalt wordt schade vermoed. Dit betekent dat de initiatiefnemer, bijvoorbeeld op basis van onderzoek of een verklaring van de natuurbeheerder, aannemelijk dient te maken dat er geen schade zal ontstaan. Een uitzondering wordt gemaakt voor onttrekkingen waarmee een groot maatschappelijk belang wordt gediend. Hierbij wordt vooral gedacht aan onttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening. Het belang van een kwalitatief goede, betrouwbare drinkwaterbron tegen lage kosten kan zwaarder wegen dan andere belangen waaronder natuur of archeologie. Voor dergelijke grote maatschappelijke belangen is in de beleidsregel een uitzondering gemaakt onder voorwaarde dat redelijkerwijs, dit ter beoordeling van Gedeputeerde Staten, alle maatregelen zijn genomen om schade tegen te gaan.

2.2 Aanvullende uitgangspunten onttrekkingen voor energiedoeleinden In de beleidsregel is een maximale temperatuur voor het te retourneren water van 25 oC opgenomen. Het grondwater heeft in Nederland op een diepte van 10 tot 100 meter beneden maaiveld een temperatuur van tussen de 10 en 15 oC. Het inbrengen van warm water op grotere diepten heeft onder andere gevolgen voor de groei en activiteit van micro-organismen, verschuiving van chemische evenwichten, stoftransport en grondwaterstroming. Uit landelijk onderzoek en ervaring bij bestaande systemen blijkt dat de effecten van het terugbrengen van warm water tot een temperatuur van 25 oC toelaatbaar worden geacht. Daarnaast worden bij de vergunning voorschriften opgenomen ter bescherming van het grondwater. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan (kwaliteits)eisen met betrekking tot de warmtewisselaars en andere onderdelen van de installatie. Ook geldt als uitgangspunt dat door energiesystemen beperkingen voor het gebruik van de ondergrond van nabij gelegen percelen moet worden voorkomen en als het redelijkerwijs niet anders kan moeten worden beperkt. Vooral in stedelijk gebied of bijvoorbeeld een kassengebied is dit van belang. Een enkel bodemenergiesysteem kan het grondwater van naburige percelen beïnvloeden, waardoor omliggende bedrijven geen gebruik meer kunnen maken van het grondwater. Beïnvloeding vindt onder meer plaats wanneer de grondwatertemperatuur 0,5 oC of meer verandert ten opzichte van de natuurlijke grondwatertemperatuur. Kleinere veranderingen worden verwaarloosbaar geacht. In de beleidsregel wordt getracht beïnvloeding zoveel mogelijk tegen te gaan, waardoor optimaler gebruik gemaakt kan worden van het grondwater in een gebied. Tevens is in de beleidsregel opgenomen dat een netto opwarming of afkoeling van de bodem door het energiesysteem gerekend over een termijn van 2 jaar wordt voorkomen. In de praktijk blijkt dat een jaarlijks sluitende energiebalans moeilijk is te realiseren. Dit wordt mede veroorzaakt door variatie in de weersomstandigheden, bijvoorbeeld door een ongewoon warme of koude periode in het jaar. Een gesloten energiebalans dient echter het uitgangspunt van een energiesysteem zijn. Door een termijn van 2 jaar kan een warm of koud jaar een jaar later worden gecompenseerd. Ten slotte is in de beleidsregel opgenomen dat aan de vergunning voorschriften worden verbonden voor de ontmanteling van de ondergrondse delen van een systeem. Het doel van deze "opruimplicht" is om aantasting van de grondwaterkwaliteit op langere termijn tegen te gaan.

Uitgangspunten nieuwe monitoringsvoorschriften Voor het duurzaam functioneren van een systeem is een goed ontwerp belangrijk evenals een zorgvuldige realisatie van het systeem. Aan deze basisvoorwaarden moet worden voldaan. Vooral van belang is een goede effectenstudie welke wordt gevolgd door controle op een zorgvuldige realisatie. Deze referentiemetingen zijn noodzakelijk en dienen samen met de effectenstudie als toetsingskader bij de beoordeling of de eventueel optredende effecten in de bodem acceptabel geacht worden. De vergunning wordt verleend op basis van de voorspellingen van de modellen en aannames uit de effectenstudie.

De monitoring is gericht op de volgende 5 risico’s; - zoutintrusie - verspreiding of inbrengen van grontwaterverontreiniging - thermische verontreiniging - kwantitatieve effecten (interferentie en zetting) - ongewenste bacteriegroei In de praktijk betekent dit dat de hydrologische, thermische en hydrologische effecten en micobiologische risico’s gemeten moeten worden.

In de beginfase na ingebruikname van het energiesysteem is er nog relatief veel monitoring op gebied van registratie (debiet, energiebalans, temperatuur), bodemtemperatuurprofielen, chemisch evenwicht, herhalingsmonitoring grondverontreiniging, verzilting en stijghoogte. Wanneer de meetwaarden overeenkomen met de verwachtingen, of er is een nieuw evenwicht bereikt, dan kunnen veel van deze monitoringeisen beëindigd worden. Na verloop van tijd rest alleen nog de registratie (debieten, temperatuur), energiebalans en verziltingsmonitoring ter controle van onder andere de invloed van de energieopslag en van verzilting. Deze monitoringsinspanning is relatief gering. Alleen wanneer uit metingen onverwachte uitkomsten volgen of het beheer onregelmatigheden vertoont worden er specifieke aanvullende monitoringseisen gesteld. Over ongewenste bacteriegroei is op dit moment beperkte kennis, hierdoor is het (voorlopig) in de praktijk te kostbaar en complex om dit in de monitoringsvoorschriften op te nemen. Het stellen van een maximale injectietemperatuur van 25Cº is feitelijk de enige voorwaarde waarmee dit risico wordt beperkt.

Door niet alleen de metingen verplicht te stellen, maar ook analyses als basis voor de beoordeling neemt het belang en het nut van de monitoring toe. De gegevens dienen overzichtelijk gerapporteerd te worden waarbij verwezen wordt naar vorige metingen, de referentiemetingen en de voorspellingen van de modellen en aannames uit de effectenstudie.

3. Ontgrondingenwet

3.1 Voorziening oppervlaktedelfstoffen De provincie bevordert het werk met werk maken, waarbij klei en zand dat bij een secundaire ontgronding vrij komt zonder tussenopslag direct wordt ingezet als bouwstof in andere werken. Hoogwaardige grondstoffen dienen alleen voor hoogwaardige doeleinden te worden toegepast. Het (her)gebruik van de grondstoffen wordt getoetst.

3.2 Waterhuishoudkundige aspecten Ontgrondingen worden niet toegestaan als ze schade veroorzaken aan natuurfuncties (waaronder in ieder geval kan worden verstaan functies die als zodanig zijn aangegeven in een bestemmingsplan of in het omgevingsplan) of archeologische waarden. Deze schade moet zoveel mogelijk worden voorkomen door te nemen technische ingrepen of andere maatregelen. Indien de grondwaterstand of de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket in een gebied met natuurfuncties met meer dan 3 cm daalt wordt schade vermoed. Dit betekent dat de initiatiefnemer, bijvoorbeeld op basis van onderzoek of een verklaring van de natuurbeheerder, aannemelijk dient te maken dat er geen schade zal ontstaan. Een uitzondering wordt gemaakt voor ontgrondingen waarmee een groot maatschappelijk belang wordt gediend. Het belang hiervan kan zwaarder wegen dan andere belangen waaronder natuur of archeologie. Voor dergelijke grote maatschappelijke belangen is in de beleidsregel een uitzondering gemaakt onder voorwaarde dat redelijkerwijs, dit ter beoordeling van Gedeputeerde Staten, alle maatregelen zijn genomen om schade tegen te gaan. Bij de beoordeling van de effecten van de ontgronding op vernatting en verdroging zal het Gewenst Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR) na vaststelling hiervan bij de beoordeling worden betrokken. Onder waterhuishoudkundige functies wordt verstaan: de waterhuishoudkundige functies zoals gedefinieerd in het Omgevingsplan en het Waterbeheerplan van het Waterschap Zuiderzeeland.

3.3 Ecologie De toetsing op effecten van de ontgronding op natuurwaarden is een belangrijk onderdeel van de afweging bij de vergunningverlening. Anderzijds kunnen in bepaalde gevallen de natuurbelangen juist door de ontgronding worden gediend, bijvoorbeeld bij aanleg van natuurvriendelijke oevers of multifunctionele ontgrondingen die naast bijvoorbeeld een recreatief doel ook de natuurwaarden beogen te versterken.

De ecologische hoofdstructuur bestaat deels uit beschermingszones onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (Natura 2000 gebieden), aanvullende kerngebieden en verbindingszones. De gevolgen voor de instandhoudingdoelstellingen van Natura 2000 beschermingszones dienen te worden beoordeeld onder de Natuurbeschermingswet 1998. De wezenlijk kenmerken en waarden van de Natura 2000 als EHS gebied kunnen echter meer omvatten. Bovendien is de ecologische hoofdstructuur uitgebreider dan dit stelsel van Natura 2000 gebieden en behoud van die waarden is niet geborgd door toetsing onder de Natuurbeschermingswet. Voor ontgrondingen in de nabijheid van gebieden die zijn aangewezen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 zal moeten worden aangetoond dat de beoogde ontgronding geen significante effecten heeft op dit gebied (externe werking). Negatieve gevolgen voor beschermde dieren en planten onder de Flora- en faunawet kunnen worden toegestaan per algemene vrijstelling of een specifieke ontheffing van het Ministerie van LNV. Voor strikt beschermde soorten geldt een streng nee-tenzij en afgifte van een vergunning uit hoofde van de Wet Milieubeheer is dan weinig zinvol, omdat benutting van die vergunning in de regel onmogelijk geacht dient te worden. Immers, slechts bij dwingende redenen van groot openbaar belang en ontstentenis van alternatieven kan de Flora- en faunawet ontheffing worden afgegeven. Om die reden vereist de provincie de inventarisatie. 3.4 Archeologische waarden Conform het Verdrag van Malta moet verstoring van archeologische waarden worden voorkomen. Archeologische waarden worden beschermd door: - in de archeologisch meest waardevolle gebieden in ruimtelijke plannen met deze waarden rekening te houden en ze zonodig van een goede bescherming door middel van een aanlegvergunningenstelsel te voorzien; hiertoe is een specifieke beleidsregel archeologie in de ruimtelijke ordening opgesteld. - de bepaling in de Verordening voor de Fysieke Leefomgeving Flevoland (artikel 10.2, derde lid) dat in de archeologische waardevolle gebieden ook voor kleinere en ondiepe ontgrondingen – die in andere gebieden zijn vrijgesteld - een ontgrondingvergunning is vereist. - de bepaling in de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland (artikel 10.5 derde lid) die voor de archeologisch meest waardevolle gebieden conform artikel 5, tweede lid, van de Ontgrondingenwet van de aanvrager een archeologisch rapport vereist. In de beleidsregel wordt aangegeven waaraan dat rapport dient te voldoen. Hoewel deze bescherming niet geldt voor een ontgronding, die is gelegen in een archeologisch aandachtsgebied, zoals aangegeven in het Omgevingsplan, wordt bij de beoordeling van vergunningaanvragen met betrekking tot die gebieden wel speciale aandacht aan de archeologie besteed. Voor alle ontgrondingen in Flevoland geldt dat op grond van artikel 3, derde lid, van de Ontgrondingenwet voorschriften aan de vergunning kunnen worden verbonden in het kader van de archeologische monumentenzorg.

3.5 Aardkundige waarden De aardkundige waarden van Flevoland zijn geïnventariseerd. De aardkundig waardevolle gebieden zijn aangegeven in het Omgevingsplan. Binnen de PARK’en liggen waardevolle aardkundige waarden aan of nabij het maaiveld. In deze gebieden is op grond van de Verordening op de Fysieke Leefomgeving een ontgrondingvergunning noodzakelijk wanneer dieper wordt gegraven dan 0,3 m beneden maaiveld. Maar ook buiten de PARK’en wordt aan de aardkundige waarden aandacht besteed, speciaal in de andere aardkundig waardevolle gebieden.

3.6 Grondwaterbescherming Met betrekking tot milieubeschermingsgebieden voor grondwater bepaalt de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland dat geen ontheffing op grond van dat onderdeel van die verordening is vereist wanneer een ontgrondingvergunning is verleend. Hiermee wordt bereikt dat de aanvrager slechts één vergunningprocedure behoeft te doorlopen. Om deze reden dienen in dit geval te ontheffingscriteria in de ontgrondingvergunning te worden afgewogen en zal de ontgrondingvergunning worden geweigerd wanneer de bescherming van het voor de openbare drinkwatervoorziening bestemde grondwater afneemt. Afgewogen zal worden of door het verbinden van voorschriften aan een ontgrondingvergunning het huidige beschermingsniveau voor het grondwater kan worden gehandhaafd.

3.7 Effecten voor omwonenden Omdat bij de beslissing omtrent een ontgrondingvergunning alle belangen moeten worden afgewogen spreekt het vanzelf dat alle aspecten van de ontgronding die hinder voor de omwonenden kunnen veroorzaken bij de afweging worden betrokken. In die gevallen waarin voor de activiteit een vergunning op grond van de Wet milieubeheer wordt vereist, vindt de afweging in dat kader plaats.

4. Wet bodembescherming

4.1 Lozen van brijn in de bodem buiten inrichtingen Van het lozingsverbod kan op grond van het Lozingenbesluit bodembescherming afgeweken worden in de situatie waarbij de lozing plaatsvindt op een diepte waarop de concentraties aan andere stoffen, waaronder chloride, hoger zijn dan de concentraties in het te lozen brijn, er géén risico bestaat voor andere gebruiksdoelen van het grondwater, en er géén risico bestaat op een ontoelaatbare achteruitgang van de kwaliteit van de bodem en/of het grondwater. Kansrijk hierbij zijn lozingen die plaatsvinden in zeer diepe door kleilagen afgesloten watervoerende pakketten. Bij de beoordeling van een verzoek af te wijken van het lozingsverbod wordt de in het Handboek Water genoemde Circulaire argrarische afvalwaterlozingen als achtergronddocument gebruikt. Vooralsnog wordt slechts afgeweken van het lozingenverbod in het kader van pilots met intensieve monitoring en evaluatie.

De bij punt 4 genoemde diepte betreft niet alleen de filterstelling van de bronnen waarmee het brijn in de bodem wordt gebracht, maar ook de invloedsfeer van de infiltratiebel. Deze infiltratiebel reikt namelijk tot boven en beneden de filterstelling. De bronfilters dienen zodanig geplaatst te worden dat de concentraties aan stoffen van het geïnjecteerde brijn aan de rand van de infiltratiebel lager is dan de natuurlijke concentraties op deze rand.

5. Overige bepalingen

5.1 Afhandeling verzoeken om schadevergoeding Afhankelijk van de aard van een besluit kan een besluit in het kader van vergunningverlening schade veroorzaken voor degene aan wie het besluit is gericht. Het bekendste voorbeeld is de ambtshalve verandering van de vergunning, waarmee een vergunninghouder onverwacht met strengere voorschriften wordt geconfronteerd. Onder bepaalde omstandigheden kan de vergunninghouder het bevoegd gezag aansprakelijk stellen voor de schade die met de aanscherping samenhangt. Een belangrijke wettelijke grondslag voor de toekenning van een dergelijke schadevergoeding wordt geboden in paragraaf 4.2 van de Wabo en titel 15.4 van de Wet milieubeheer. De schadevergoedingsartikelen van de Wabo en de Wet milieubeheer beperken zich overigens wel tot beschikkingen, ministeriële regelingen of verordeningen krachtens de Wabo, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieugevaarlijke stoffen en de Wet bodembescherming.

De Minister van VROM heeft in de Circulaire schadevergoedingen (Staatscourant 1997, nr. 246 / pag. 32) aangegeven in welke gevallen deze minister zal instemmen met een toekenning van de kosten van schadevergoeding als bedoeld in paragraaf 4.2 van de Wabo en titel 15.4 van de Wet milieubeheer. In deze beleidsregel wordt de in deze circulaire uiteengezette afweging overgenomen voor het toekennen van schadevergoeding op grond van paragraaf 4.2 van de Wabo en titel 15.4 van de Wet milieubeheer, in die gevallen dat de kosten ten laste van de provincie komen.

Zoals hiervoor is aangegeven beperkt de circulaire zich tot de schadevergoeding vanwege beschikkingen, ministeriële regelingen of verordeningen krachtens de Wabo, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet inzake de luchtverontreiniging, de Wet milieugevaarlijke stoffen en de Wet bodembescherming. Het materiële toetsingskader dat de Circulaire schadevergoedingen biedt voor de beoordeling van schades is echter zodanig algemeen geformuleerd en ook aanvaard, dat de circulaire ook toepasbaar is voor besluiten ingevolge de Waterwet en de Ontgrondingenwet. De provincie Flevoland zal daarom deze circulaire ook hanteren als toetsingskader voor de beoordeling van schades die samenhangen met besluiten tot wijziging of intrekking van vergunningen krachtens de Waterwet of de Ontgrondingenwet.