Besluit van provinciale staten van Zuid-Holland van 15 december 2021, kenmerk 7398, tot vaststelling van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (Zuid-Hollandse Omgevingsverordening)

Geldend van 15-06-2024 t/m heden

Intitulé

Besluit van provinciale staten van Zuid-Holland van 15 december 2021, kenmerk 7398, tot vaststelling van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (Zuid-Hollandse Omgevingsverordening)

[Een deel van de tekst van de ZHOV is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt via TAM-IMRO en hier beschikbaar:

De geo-informatieobjecten zijn raadpleegbaar op Externe link:https://ruimtelijkeplannen.zuid-holland.nl/ZHOV-besluiten.]

Provinciale Staten van Zuid-Holland,

Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 5 juli 2021, met het besluitnummer PZH-2020-758606415;

Gelet op de Omgevingswet (artikelen 2.6, 2.12, eerste lid, 2.13, 2.13a, eerste lid, 2.18, tweede lid, 2.22, 2.39, vierde lid, 2.41, eerste lid, 2.42, tweede lid, 2.44, vierde lid, 4.1, eerste lid, 4.2, tweede Lid, 4.6, 5.19, eerste lid, 5.34, derde lid, aanhef, onder c, 5.40, eerste en tweede lid, 8.1, derde Lid, 8.2, vijfde lid, 16.15, tweede lid, 16.55, derde lid, 18.20, tweede lid, 18.23, eerste lid, aanhef, onder b, 20.1, eerste lid, 20.6, eerste lid) de Provinciewet, de Scheepvaartverkeerswet, de Wegenwet, de Wegenverkeerswet, de Wet luchtvaart en de Wet milieubeheer;

Overwegende dat het noodzakelijk en wenselijk is om op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet met het oog op duurzame ontwikkeling samenhangende en doelmatige regels te stellen over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving;

Besluiten:

  • 1.

    Vast te stellen de Verordening houdende regels over de fysieke leefomgeving (Zuid-Hollandse Omgevingsverordening) in bijlage I

  • 2.

    Vast te stellen de Toelichting bij de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in bijlage II

  • 3.

    Vast te stellen de Nota van Beantwoording in bijlage III

  • 4.

    Te bepalen dat:

    • a.

      gedeputeerde staten, indien dit noodzakelijk is voor de bekendmaking op grond van artikel 3:40 Awb in samenhang met artikel 16.32 van de Omgevingswet en de beschikbaarstelling op grond van artikel 14.5 van het Omgevingsbesluit voor ontsluiting in de landelijke voorziening als omgevingsdocument als bedoeld in artikel 20.26, tweede lid, van de Omgevingswet door de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, na vaststelling door provinciale staten, deze wijzigen door ondergeschikte technische correcties aan te brengen, zonder de aard, bedoeling of werking van de regels te veranderen.

    • b.

      indien toepassing wordt gegeven aan onderdeel a, brengen gedeputeerde staten samenhangende besluiten, waaronder voorbereidingsbesluiten, en het delegatiebesluit Zuid-Hollandse Omgevingsverordening met de technische correcties in overeenstemming.

Den Haag, 15 december 2021

griffier

B.S.M. Sepers

voorzitter

drs. J. Smit

Bijlage I Zuid-Hollandse Omgevingsverordening

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Afdeling 1.1 Algemeen

Artikel 1.1 (begripsbepalingen)

  • 1. Bijlage I bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.

  • 2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in een algemene maatregel van bestuur op grond van de Omgevingswet zijn ook van toepassing op deze verordening, tenzij in de begripsbepalingen in bijlage I anders is bepaald.

Artikel 1.2 (grondslag)

  • 1. Dit besluit berust op artikelen 2.6, 2.12, eerste lid, 2.13, 2.13a, eerste lid, 2.18, tweede lid, 2.22, 2.39, vierde lid, 2.41, eerste lid, 2.42, tweede lid, 2.44, vierde lid, 4.1, eerste lid, 5.19, eerste lid, 5.34, derde lid, aanhef, onder c, 5.40, eerste en tweede lid, 8.1, derde lid, 8.2, vijfde lid, 16.15, tweede lid, 16.55, derde lid, 18.20, tweede lid, 18.23, eerste lid, aanhef, onder b, 20.1, eerste lid, 20.6, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2. Dit besluit berust ook op:

    • a.

      artikel 145 van de Provinciewet;

    • b.

      artikel 2 van de Scheepvaartverkeerswet;

    • c.

      artikel 57 van de Wegenwet; en

    • d.

      artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994.

Afdeling 1.2 Toepassingsgebied en doelen

Artikel 1.3 (fysieke leefomgeving)

Deze verordening gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, bedoeld in artikel 1.2 van de Omgevingswet.

Artikel 1.4 (maatschappelijke doelen van de verordening)

Deze verordening is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 genoemd in de Omgevingswet gericht op:

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid,

  • b.

    het beschermen van de gezondheid,

  • c.

    het beschermen van het milieu,

  • d.

    het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening,

  • e.

    het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden,

  • f.

    het behoud van cultureel erfgoed,

  • g.

    het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed,

  • h.

    de natuurbescherming,

  • i.

    het tegengaan van klimaatverandering,

  • j.

    een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,

  • k.

    het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten,

  • l.

    het beheer van infrastructuur,

  • m.

    het beheer van watersystemen,

  • n.

    het beheer van natuurlijke hulpbronnen,

  • o.

    het beheer van natuurgebieden.

Artikel 1.5 (toepassing in Zuid-Holland)

Deze verordening is van toepassing in Zuid-Holland, waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II, voor zover er geen andere locatie is aangewezen of geometrische begrensd.

HOOFDSTUK 2 AANWIJZING EN GEOMETRISCHE BEGRENZING VAN LOCATIES VOOR PROVINCIALE TAKEN

Afdeling 2.1 Stiltegebieden

Artikel 2.1 (aanwijzing en geometrische begrenzing van stiltegebieden)

Stiltegebieden zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Afdeling 2.2 Grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 2.2 (aanwijzing en geometrische begrenzing van grondwaterbeschermingsgebieden)

  • 1. Grondwaterbeschermingsgebieden zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. De grondwaterbeschermingsgebieden, bedoeld in het eerste lid, zijn onderverdeeld in:

    • a.

      waterwingebieden;

    • b.

      grondwaterbeschermingszones;

    • c.

      boringsvrije zones; en

    • d.

      gebieden voor aanvullende strategische voorraden,

      waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II .

Afdeling 2.3 Gesloten stortplaatsen

Artikel 2.3 (aanwijzing en geometrische begrenzing van beperkingengebieden gesloten stortplaatsen)

  • 1. Gesloten stortplaatsen zijn de locaties, bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer.

  • 2. Het beperkingengebied met betrekking tot een gesloten stortplaats is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Afdeling 2.4 Provinciale en regionale vaarwegen

Artikel 2.4 (aanwijzing en geometrische begrenzing provinciale vaarwegen)

  • 1. Provinciale vaarwegen zijn de vaarwegen en bijbehorende werken, bedoeld in bijlage VII, onder A1.

  • 2. De geometrische begrenzing van provinciale vaarwegen, bedoeld in het eerste lid, is vastgelegd in bijlage II.

  • 3. Provinciale vaarwegen, bedoeld in het eerste lid, zijn onderverdeeld in zones die de functie hebben van:

    • a.

      vaarstrook;

    • b.

      veiligheidsstrook;

    • c.

      overige delen van de vaarweg; of

    • d.

      veiligheidszone,

    waarvan de locaties geometrisch zijn begrensd in bijlage II.

Artikel 2.5 (aanwijzing en geometrische begrenzing regionale vaarwegen, niet in beheer bij de provincie)

  • 1. Regionale vaarwegen zijn de vaarwegen en bijbehorende werken, waaronder sluizen en bruggen, in beheer bij waterschappen of gemeenten als bedoeld in bijlage VII, onder A2.

  • 2. De geometrische begrenzing van regionale vaarwegen, bedoeld in het eerste lid, is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 2.6 (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebied provinciale vaarweg)

Het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale vaarweg is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 2.7 (aanwijzing en geometrische begrenzing vrijwaringszone provinciale vaarweg)

Een vrijwaringszone langs een provinciale vaarweg is de locatie waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II.

Afdeling 2.5 Provinciale wegen

Artikel 2.8 (geometrische begrenzing provinciale wegen)

  • 1. De indicatieve geometrische begrenzing van de provinciale wegen is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Voor zover de geometrische begrenzing van provinciale wegen afwijkt van de aanwijzing van een weg op een wegenlegger als bedoeld in de Wegenwet, gaat de wegenlegger voor.

Artikel 2.9 (aanwijzing en geometrische begrenzing beperkingengebied provinciale weg)

  • 1. Het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg is de locatie waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Voor zover het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg niet geometrisch is begrensd in bijlage II, bestaat het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg uit de provinciale weg en hetgeen daar naar zijn aard toe behoort.

Artikel 2.10 (aanwijzing provinciale wegen voor beheersing van geluid)

De wegen in beheer bij de provincie waarvoor provinciale staten als omgevingswaarden geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.13a, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, vaststellen, zijn de wegen, bedoeld in artikel 2.8 met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal gemiddeld over een kalenderjaar.

Afdeling 2.6 Natuurnetwerk Nederland

Artikel 2.11 (aanwijzing en geometrische begrenzing natuurnetwerk Nederland)

  • 1. Gebieden die het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de Omgevingswet, vormen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Het natuurnetwerk Nederland is onderverdeeld in:

    • a.

      bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied, blijvend agrarisch gebied binnen Natura 2000-gebied, ecologische verbinding en zoekgebied natuur waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II;

    • b.

      prioritaire nieuwe natuur, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; en

    • c.

      Buijtenland van Rhoon, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 3. Bestaande bebouwing, erven, tuinen en wegen met een gesloten verharding, inclusief bermen, behoren niet tot het natuurnetwerk Nederland.

Afdeling 2.7 Regionale wateren

Artikel 2.12 (geometrische begrenzing regionale wateren)

  • 1. De indicatieve geometrische begrenzing van regionale wateren, die voor het beheer zijn toegedeeld aan waterschappen en aangewezen in provinciale verordeningen op grond van artikel 2 van de Waterschapswet, is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Regionale wateren zijn onderverdeeld in, op grond van artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet, bij provinciale verordening bepaalde gebieden van het:

    • a.

      Hoogheemraadschap van Delfland, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II;

    • b.

      Hoogheemraadschap van Rijnland, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II;

    • c.

      Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II;

    • d.

      Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II;

    • e.

      Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II;

    • f.

      Waterschap Hollandse Delta, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; en

    • g.

      Waterschap Rivierenland, waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Afdeling 2.8 Regionale waterkeringen

Artikel 2.13 (aanwijzing en geometrische begrenzing regionale waterkeringen)

Regionale waterkeringen zijn de locaties waarvan de geometrisch begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II. De geometrische begrenzingen zijn nader bepaald in de legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet.

HOOFDSTUK 3 ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

Afdeling 3.1 Algemene bepalingen over activiteiten

§ 3.1.1 Aanvraag om een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift

Artikel 3.1 (algemene gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)

In aanvulling op paragraaf 7.2.1 van de Omgevingsregeling worden de in bijlage IV, onder A, aanvullende algemene gegevens en bescheiden verstrekt.

Artikel 3.2 (algemene gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift)

In aanvulling op artikel 7.217 van de Omgevingsregeling worden de in bijlage IV, onder A, aanvullende algemene gegevens en bescheiden verstrekt.

§ 3.1.2 Meldingen en het verstrekken van gegevens en bescheiden

Artikel 3.3 (algemene gegevens bij een melding)

Een melding als bedoeld in dit hoofdstuk wordt ondertekend en bevat tenminste de meldingsgegevens in bijlage IV, onder C.

Artikel 3.4 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden)

Als gegevens en bescheiden bedoeld in dit hoofdstuk worden verstrekt aan gedeputeerde staten, worden die ondertekend en voorzien van de gegevens in bijlage IV, onder C.

Artikel 3.5 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat)

  • 1. Als de gegevens, bedoeld in de artikel 3.3 en 3.4, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit bedoeld in dit hoofdstuk door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan gedeputeerde staten.

Artikel 3.6 (termijn en geldigheid melding en gegevens en bescheiden)

  • 1. Voor zover het in dit hoofdstuk is verboden zonder melding een activiteit te verrichten, is het verboden deze activiteit uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden, tenzij anders bepaald bij het verbod in een afdeling in dit hoofdstuk.

  • 2. Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig de meldingsgegevens of gegevens en bescheiden, wordt een melding gedaan.

Artikel 3.7 (gegevens en bescheiden op verzoek van gedeputeerde staten)

  • 1. Op verzoek van gedeputeerde staten worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels en de maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van de fysieke leefomgeving en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

  • 2. Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

§ 3.1.3 Maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften

Artikel 3.8 (maatwerkvoorschriften of vergunningsvoorschriften)

  • 1. Over afdeling 3.3, afdeling 3.4, afdeling 3.6, afdeling 3.7, afdeling 3.8, afdeling 3.9 en paragraaf 3.10.1.2, kunnen door gedeputeerde staten een maatwerkvoorschrift worden gesteld of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet kan aan een omgevingsvergunning worden verbonden, met uitzondering van bepalingen:

    • a.

      over specifieke zorgplichten;

    • b.

      waarin activiteiten worden aangewezen; en

    • c.

      over meldingen.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van bij afdeling 3.3, afdeling 3.4, afdeling 3.6, afdeling 3.7, afdeling 3.8 afdeling 3.9 en paragraaf 3.10.1.2 gestelde regels, tenzij dat bij die regels anders is bepaald.

  • 3. Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.

  • 4. De beoordelingsregels en bepalingen over vergunningvoorschriften in afdeling 7.5 zijn van overeenkomstige toepassing op het stellen van een maatwerkvoorschrift.

§ 3.1.4 Gelijkwaardigheid

Artikel 3.9 (aanvraag gelijkwaardige maatregel)

  • 1. Het treffen van een gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7, eerste lid, van de Omgevingswet is uitgesloten voor voorgeschreven maatregelen in dit hoofdstuk.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op maatregelen in afdeling 3.7 en afdeling 3.8.

  • 3. In aanvulling op artikel 7.218 van de Omgevingsregeling worden, bij een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen, de in bijlage IV, onder A, aanvullende algemene gegevens en bescheiden verstrekt.

Artikel 3.10 (gelijkwaardige maatregel via een melding)

Voor zover in dit hoofdstuk het treffen van een gelijkwaardige maatregel is toegestaan zonder voorafgaande toestemming, maar wel gekoppeld aan een verbod om de maatregel te treffen zonder voorafgaande melding wordt deze melding ondertekend en bevat tenminste de meldingsgegevens in bijlage IV, onder F.

Afdeling 3.2 Activiteiten in stiltegebieden

§ 3.2.1 Algemeen

Artikel 3.11 (activiteiten)

Deze afdeling gaat over activiteiten in stiltegebieden.

Artikel 3.12 (oogmerken)

De regels in deze afdeling over stiltegebiedactiviteiten zijn gesteld met het oog op het voorkomen en beperken van geluidbelasting in de stiltegebieden.

Artikel 3.13 (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 3.14 (specifieke zorgplicht)

Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een stiltegebied de stilte op significante wijze kan worden verstoord, moet:

  • a.

    dergelijk handelen achterwege te laten, tenzij dat handelen op grond van deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan; of

  • b.

    als dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die verstoring te voorkomen of te beperken.

Artikel 3.15 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)

In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B1 te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen.

§ 3.2.2 Inhoudelijke regels

Artikel 3.16 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een stiltegebiedactiviteit als bedoeld in artikel 3.11, te verrichten, voor zover het gaat om:

    • a.

      het gebruiken van een toestel waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord;

    • b.

      het rijden met een motorrijtuig buiten de weg met uitzondering van een weg die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaat voor voetgangers of fietsers, of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen;

    • c.

      het houden van een toertocht voor motorrijtuigen;

    • d.

      het deelnemen aan een toertocht voor motorrijtuigen;

    • e.

      het varen met een watervoertuig, zoals motorboot of waterscooter, sneller dan 9 km/u.

    • f.

      [vervallen]

  • 2. Tot een toestel als bedoeld in het eerste lid, onder a, behoren in ieder geval:

    • a.

      een airgun en andere knalapparatuur;

    • b.

      een toestel om geluid elektrisch versterkt voort te brengen, waaronder een muziekinstrumenten een omroepinstallatie;

    • c.

      een modelvliegtuig, modelboot en een modelauto, als deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; en

    • d.

      een schietwapen.

Artikel 3.17 (aanwijzing vergunningvrije gevallen)

  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, onder a, geldt niet voor:

    • a.

      het gebruik van een toestel in een woning, de tuin daarvan of een ander bij die woning behorend gebouw, onder de voorwaarde dat het toestel niet hoorbaar is op een afstand van 50 m van dat toestel;

    • b.

      het gebruik van een schietwapen als dat wordt gebruikt:

      • 1°.

        als het een noodseinmiddel betreft: ingeval van nood;

      • 2°.

        met inachtneming van de regels voor de jacht in overeenstemming met de Omgevingswet;

  • 2. Het verbod, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, onder a of b, geldt niet voor:

    • a.

      de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij;

    • b.

      de openbare drinkwatervoorziening, bedoeld in artikel 1, onder d, van de Drinkwaterwet- of de openbare energievoorziening;

    • c.

      de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken of werken van telecommunicatie;

    • d.

      het bouwen of het onderhoud van gebouwen;

    • e.

      de bescherming, het onderhoud of het beheer van een gebied.

  • 3. Het verbod, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, onder a, b, e en f, geldt niet voor zover:

    • a.

      het gebruik rechtstreeks verband houdt met de openbare veiligheid of de afwending van dreigen gevaar;

    • b.

      het gebruik wordt verricht door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van de bedoelde functie.

  • 4. Het verbod, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, onder b, geldt niet voor het rijden in een gehandicaptenvoertuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, dat wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte.

  • 5. Het verbod, bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, onder b tot en met f, geldt niet voor motorrijtuigen, waterscooters of snelle motorboten die elektrisch worden aangedreven.

Afdeling 3.3 Activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden

§ 3.3.1 Algemeen

Artikel 3.18 (activiteiten)

  • 1. Deze afdeling gaat over milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in paragrafen 3.3.2 tot en met 3.3.26.

  • 2. Deze afdeling gaat niet over de uitvoering van taken door drinkwaterbedrijven als bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet.

Artikel 3.19 (oogmerken)

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water; en

  • b.

    het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, voor zover het gaat om het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water.

Artikel 3.20 (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 3.21 (specifieke zorgplicht)

  • 1. Degene die in een grondwaterbeschermingsgebied een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.19, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2. Voor milieubelastende activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd binnen acht weken na beëindiging van een activiteit.

Artikel 3.22 (aanwijzing schadelijke stoffen)

Schadelijk voor de kwaliteit van het grondwater zijn de stoffen, mengsels, materialen en producten die zijn opgenomen in bijlage III, onder A1.

Artikel 3.23 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)

In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B2 en onder B3 te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen.

Artikel 3.24 (specifieke gegevens bij een melding)

In aanvulling op artikel 3.3 bevat een melding specifieke gegevens en bescheiden als bedoeld in bijlage IV, onder D1.

Artikel 3.25 (informeren over een ongewoon voorval)

Gedeputeerde staten en het drinkwaterbedrijf worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 3.26 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten en het drinkwaterbedrijf.

§ 3.3.2 Aantasten slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen

Artikel 3.27 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 in een grondwaterbeschermingsgebied wordt aangewezen:

    • a.

      graven of ontgronden;

    • b.

      de aanleg, verandering of verwijdering van een ondergronds bouwwerk, zoals funderingen, een kelder, of een ondergrondse installatie of constructie, zoals een damwand of heipaal;

    • c.

      het verrichten van een gestuurde boring;

    • d.

      het maken van een boorgat;

    • e.

      de uitvoering van een sondering;

    • f.

      werkzaamheden voor bodemstabilisering, met inbegrip van verticale of horizontale drainage;

    • g.

      het gebruik van stoffen die de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen kunnen aantasten; en

    • h.

      het verrichten van andere activiteiten die de slecht doorlatende eigenschappen van een bodemlaag aantasten of kunnen aantasten.

  • 2. Onder de aanwijzing valt niet:

    • a.

      het in een waterwingebied graven ten behoeve van het openbaar vuilwaterriool, voor zover dat tot een diepte van 2,5 meter onder het maaiveld gelegen is en geen sprake is van drukrioleringen en persleidingen;

    • b.

      het in een grondwaterbeschermingszone, boringsvrije zone of gebied voor aanvullende strategische voorraden graven ten behoeve van het openbaar vuilwaterriool, voor zover dat tot een diepte van 4 meter onder het maaiveld gelegen is en geen sprake is van drukrioleringen en persleidingen;

    • c.

      het aanleggen of verwijderen van kabels of leidingen, voor zover die tot een diepte van 2,5 meter onder het maaiveld gelegen zijn;

    • d.

      het aanleggen van een gladde heipaal zonder een verbreding of verbrede voet, anders dan ten behoeve van een palenmatras bij de aanleg van een weg, een spoorweg, of een parkeerterrein; en

    • e.

      het plaatsen van een aardpen.

Artikel 3.28 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.27 te verrichten.

  • 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover het gaat over een geval dat is aangewezen als meldingsplichtig in artikel 3.29.

Artikel 3.29 (melding)

Het is verboden om zonder melding een activiteit als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a, d en e, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone, een boringsvrije zone of een gebied voor aanvullende strategische voorraden, voor zover het gaat over:

  • a.

    het graven tot een diepte van 4 meter onder het maaiveld, anders dan voor het aanleggen van een bouwwerk;

  • b.

    het plaatsen van peilbuizen en sonderingen ten behoeve van bodemonderzoek tot aan het zoet-brakgrensvlak;

  • c.

    het verrichten van werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 4 meter beneden het maaiveld, ten behoeve van waterstaatswerken en dijkverbetering;

Artikel 3.30 (algemene regels)

  • 1. Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden, bedoeld in de artikelen 3.110 tot en met 3.113.

  • 2. Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder a en onder b, wordt voldaan aan de regels over graven, bedoeld in artikel 3.108.

  • 3. Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.27, eerste lid, onder d en onder e, wordt voldaan aan de regels over bodemonderzoek, bedoeld in artikel 3.109.

§ 3.3.3 Saneren van de bodem

Artikel 3.31 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 in een grondwaterbeschermingsgebied wordt aangewezen het saneren van de bodem als er sprake is van een mobiele verontreinigende stof in de vaste bodem die zich ook in het grondwater bevindt in concentraties hoger dan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage III, onder Aa.1.1.

Artikel 3.32 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.31 te verrichten.

Artikel 3.33 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.31 wordt voldaan aan de regels over:

  • a.

    werkzaamheden als bedoeld in de artikelen 3.110 tot en met 3.113; en

  • b.

    saneren als bedoeld in de artikelen 3.114 tot en met 3.117.

§ 3.3.4 Mijnbouwwerken, bodemenergiesystemen

Artikel 3.34 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een grondwaterbeschermingsgebied:

  • a.

    aanleggen van een mijnbouwwerk;

  • b.

    aanleggen en het gebruiken van een bodemenergiesysteem.

Artikel 3.35 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.34 te verrichten.

Artikel 3.36 (overgangsrecht: bodemenergiesystemen)

  • 1. Een bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.34, aanhef en onder b, dat vóór 1 mei 2013 geïnstalleerd is of wordt geïnstalleerd in overeenstemming met de daarvoor destijds geldende regels zoals gesteld in de provinciale milieuverordening, mag gebruikt worden tot 1 januari 2034.

  • 2. Een bodemenergiesysteem als bedoeld in het eerste lid mag niet vervangen worden.

  • 3. Een gesloten bodemenergiesysteem, voldoet aan de regels over bestaande gesloten bodemenergiesystemen bedoeld in artikel 3.107.

§ 3.3.5 Vaste en vloeibare schadelijke stoffen

Artikel 3.37 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het:

    • a.

      in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone opslaan, overslaan, vervoeren of op of in de bodem brengen van vaste en vloeibare schadelijke stoffen;

    • b.

      in een boringsvrije zone of gebied voor aanvullende strategische voorraden tijdelijk opslaan, overslaan, vervoeren of op of in de bodem brengen van vaste en vloeibare schadelijke stoffen tijdens milieubelastende activiteiten als bedoeld in artikel 3.27.

  • 2. Onder het vervoeren als bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan het vervoeren door een buisleiding.

  • 3. Onder de aanwijzing valt niet:

    • a.

      geringe hoeveelheden schadelijke stoffen ten behoeve van normaal, bovengronds, gebruik in en bij woningen en andere gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;

    • b.

      schadelijke stoffen in een vervoermiddel of een verplaatsbaar werktuig of apparaat ten behoeve van het doen functioneren van zo’n vervoermiddel, werktuig of apparaat, mits deugdelijk geladen en verpakt, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;

    • c.

      handelingen met gevaarlijke stoffen overeenkomstig de bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gestelde voorschriften; en

    • d.

      het verspreiden van wegenzout ter bestrijding van gladheid van wegen.

    • e.

      het openbaar vuilwaterriool in waterwingebieden, voor zover dat tot een diepte van 2,5 meter beneden het maaiveld is gelegen en geen sprake is van drukrioleringen en persleidingen.

    • f.

      het openbaar vuilwaterriool in grondwaterbeschermingszones, voor zover dat tot een diepte van 4 meter beneden het maaiveld is gelegen en geen sprake is van drukrioleringen en persleidingen.

Artikel 3.38 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, onder a te verrichten.

Artikel 3.39 (melding)

Het is verboden om zonder melding een activiteit als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, onder b, in een boringsvrije zone of een gebied voor aanvullende strategische voorraden te verrichten.

Artikel 3.40 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.37 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.6 Grond en baggerspecie

Artikel 3.41 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een grondwaterbeschermingsgebied:

    • a.

      toepassen van grond of baggerspecie;

    • b.

      opslaan bij een grondbank of grondreinigingsbedrijf van meer dan één partij ingezamelde of afgegeven grond of baggerspecie en het bewerken van grond of baggerspecie.

  • 2. Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, valt niet:

    • a.

      grond of baggerspecie dat ten minste voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen; of

    • b.

      grond of baggerspecie dat voldoet aan de achtergrondwaarden als het wordt toegepast in het duingebied.

Artikel 3.42 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.41 te verrichten.

Artikel 3.43 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.41 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.7 Meststoffen

Artikel 3.44 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone:

    • a.

      aanleggen van een installatie voor het behandelen van dierlijke meststoffen of het opslaan en overslaan van meststoffen op een andere locatie dan de locatie van productie.

    • b.

      het op of in de bodem brengen van meststoffen.

  • 2. Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, valt niet:

    • a.

      de verspreiding van meststoffen ten behoeve van beweiding, tenzij dit plaatsvindt in een waterwingebied gelegen in het duingebied;

    • b.

      het normaal landbouwkundig gebruik van anorganische meststoffen.

    • c.

      het gebruik van dierlijke meststoffen anders dan drijfmest in grondwaterbeschermingszones, voor zover dat plaatsvindt overeenkomstig paragraaf 3.2.20 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.45 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.44 te verrichten in waterwingebieden voor zover het gaat over dierlijke meststoffen.

Artikel 3.46 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.44 te verrichten, voor zover het gaat om plantaardige meststoffen.

Artikel 3.47 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.44 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.8 Vuurwerk en explosieven

Artikel 3.48 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone:

    • a.

      opslaan, overslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik;

    • b.

      opslaan of toepassen van ontplofbare stoffen van ADR-klasse 1 voor civiel gebruik;

    • c.

      opslaan, bewerken of gebruiken van ontplofbare stoffen op een terrein als bedoeld in artikel 5.150, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 2. Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder a, valt niet de opslag, overslag, herverpakking of bewerking van vuurwerk van categorie F1 in een hoeveelheid van minder dan 200 kg, categorie F2 en F3 in een hoeveelheid van minder dan 25 kg.

  • 3. Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder b, valt niet de opslag op een vuurwerkverkooplocatie tot een hoeveelheid van 10.000 kg of het normaal, particulier afsteken van vuurwerk.

Artikel 3.49 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.48 te verrichten.

§ 3.3.9 Afvalstoffen

Artikel 3.50 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone opslaan of overslaan, inzamelen, verwerken, mengen of het in de bodem brengen van afvalstoffen, het verbranden van afvalstoffen of het voorbereiden of voorbehandelen van afvalstoffen voor hergebruik of recycling, met inbegrip van het inzamelen of demonteren van autowrakken of wrakken van tweewielige motorvoertuigen.

  • 2. Onder de aanwijzing valt niet:

    • a.

      de opslag van huishoudelijke afvalstoffen op een door de gemeente beschikbaar gestelde locatie in de openbare ruimte en opslag bij woningen in daarvoor bestemde vuilcontainers; en

    • b.

      tijdelijke opslag van bedrijfsafval op de locatie van productie in daarvoor bestemde vuilcontainers, voorafgaand aan inzameling.

Artikel 3.51 (aanwijzing verboden gevallen)

  • 1. Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.50 te verrichten.

  • 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover het gaat over een activiteit die is aangewezen in artikel 3.52.

Artikel 3.52 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.50 te verrichten, voor zover het gaat om de nuttige toepassing van afvalstoffen, anders dan gevaarlijke afvalstoffen, in het kader van grond-, weg- of waterbouw.

Artikel 3.53 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.50 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.10 Zuiveringstechnische werken

Artikel 3.54 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen of het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk.

  • 2. Onder de aanwijzing valt niet een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven afvalwater voor het uitoefenen van de taken, bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder 1°, 2° en 3° van de Omgevingswet.

Artikel 3.55 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.54 te verrichten.

§ 3.3.11 Lozingen in of op de bodem

Artikel 3.56 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone verrichten van een lozing in of op de bodem.

  • 2. Onder de aanwijzing vallen niet lozingen:

    • a.

      waarbij ter plaatse opgepompt grondwater in een dezelfde bodemlaag wordt gebracht dan waar het uit afkomstig is, en waaraan geen schadelijke stoffen zijn toegevoegd, door een bewerking de concentratie aan schadelijke stoffen is toegenomen of waaraan warmte is toegevoegd;

    • b.

      ten behoeve van het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebracht materiaal;

    • c.

      ten behoeve van het reinigen van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf tenzij dat landbouwvoertuig of die machine is gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden;

    • d.

      op of in een vloeiveld, bezinkveld of een veld met gewassen;

    • e.

      in verband met het opspuiten van terreinen met het oog op het bouwrijp maken onder de voorwaarde dat een deklaag met slecht-doorlatende eigenschappen ter plaatse aanwezig is.

Artikel 3.57 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om in een waterwingebied een activiteit als bedoeld in artikel 3.56 te verrichten.

Artikel 3.58 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een grondwaterbeschermingszone een activiteit als bedoeld in artikel 3.56 te verrichten.

Artikel 3.59 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.56 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.12 Infrastructuur

Artikel 3.60 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of een grondwaterbeschermingszone aanleggen, in gebruik nemen of gebruiken van infrastructuur, voor zover het gaat over:

    • a.

      een weg of terrein dat open staat voor gemotoriseerd verkeer, met inbegrip van terreinen voor het sporten of recreëren met gemotoriseerde voertuigen,

    • b.

      een spoorweg of een spoorwegemplacement, of

    • c.

      een luchthaven.

  • 2. Onder de aanwijzing valt niet:

    • a.

      het in een grondwaterbeschermingszone aanleggen, in gebruik nemen of gebruiken van wegen met een verkeersintensiteit van minder dan 2.500 motorvoertuigen per etmaal, of

    • b.

      infrastructuur als bedoeld in het eerste lid, onder a en b, in een grondwaterbeschermingszone die op 1 januari 1989 bestond of in aanleg was, in de tot die datum verkerende toestand.

Artikel 3.61 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.60, eerste lid, onder c, te verrichten.

Artikel 3.62 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.60, eerste lid, onder a en b, te verrichten.

Artikel 3.63 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.60 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.13 Campings, recreatieterreinen, openbare zwembaden

Artikel 3.64 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen, in gebruik nemen of gebruiken van:

  • a.

    een camping;

  • b.

    een ander recreatieterrein dan een camping; of

  • c.

    een openbaar zwembad.

Artikel 3.65 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.64, aanhef en onder a en c te verrichten.

Artikel 3.66 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.64, onderdeel b te verrichten.

Artikel 3.67 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.64 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.14 Begraafplaatsen

Artikel 3.68 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen, in gebruik nemen of gebruiken van een begraafplaats of een terrein voor de uitstrooiing van as zoals bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats.

  • 2. Onder de aanwijzing valt niet een begraafplaats of een terrein voor de uitstrooiing van as in een grondwaterbeschermingszone die op 1 januari 1989 bestond of in aanleg was, in de tot die datum verkerende toestand.

Artikel 3.69 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.68 te verrichten.

§ 3.3.15 Scheepswerven

Artikel 3.70 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen of het in gebruik nemen van scheepswerven.

Artikel 3.71 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.70 te verrichten.

§ 3.3.16 Schietbanen

Artikel 3.72 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen of het in gebruik nemen van een schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten.

Artikel 3.73 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.72 te verrichten.

§ 3.3.17 Bouwwerken

Artikel 3.74 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone bouwen van een bovengronds bouwwerk.

  • 2. Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, valt niet het gewone onderhoud aan bouwwerken.

Artikel 3.75 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.74 te verrichten.

  • 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover het gaat over een geval dat is aangewezen als meldingsplichtig in artikel 3.76.

Artikel 3.76 (melding)

Het is verboden om zonder een daaraan voorafgaande melding een activiteit als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid in een grondwaterbeschermingszone te verrichten, voor zover het gaat over het bouwen, in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarbij geen slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen worden aangetast.

Artikel 3.77 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.74 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.18 Opslagtank, tankinstallatie, stookinstallatie, koelinstallatie, oplosmiddeleninstallatie

Artikel 3.78 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone:

    • a.

      aanleggen en gebruiken van een opslagtank voor de opslag van schadelijke stoffen;

    • b.

      aanleggen en gebruiken van tankinstallaties voor het aftanken van gemotoriseerde voertuigen, vaartuigen, spoorvoertuigen, vliegtuigen of werktuigen;

    • c.

      het aanleggen en gebruiken van een stookinstallatie;

    • d.

      het aanleggen en gebruiken van een koelinstallatie met meer dan 10 kg kooldioxide, 5 kg koolwaterstoffen of 10 kg ammoniak;

    • e.

      het maken van materialen, eindproducten of halffabricaten met behulp van:

      • 1°.

        een stookinstallatie met een nominaal vermogen van meer dan 400 kW;

      • 2°.

        een koelinstallatie met meer dan 300 kg koudemiddel; of

      • 3°.

        een oplosmiddeleninstallatie.

  • 2. Onder de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, valt niet het aanleggen en het gebruiken van stookinstallaties bij huishoudens.

Artikel 3.79 (aanwijzing verboden gevallen)

  • 1. Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onderdeel a, te verrichten, voor zover het gaat om:

    • a.

      de opslag in opslagtanks voor handelsdoeleinden;

    • b.

      het voorafgaand aan vervoer opslaan van chemicaliën of brandstoffen in opslagtanks; of

    • c.

      de opslag in ondergrondse opslagtanks.

  • 2. Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onderdeel b, te verrichten.

  • 3. Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder c, d en e, te verrichten in een waterwingebied.

  • 4. Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder e te verrichten in een grondwaterbeschermingszone, voor zover het gaat om de productie van organisch-chemische producten, anorganisch-chemische producten, fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, producten voor gewasbescherming of biociden, farmaceutische producten en explosieven.

Artikel 3.80 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder a, te verrichten, voor zover het gaat over andere dan de in artikel 3.79, eerste lid, bedoelde gevallen.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder c en d te verrichten in een grondwaterbeschermingszone.

  • 3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.78, eerste lid, onder e, te verrichten in een grondwaterbeschermingszone, voor zover het gaat over andere dan de in artikel 3.79, vierde lid, bedoelde gevallen.

Artikel 3.81 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.78 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.19 Ippc-installaties en Seveso-inrichting

Artikel 3.82 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone aanleggen of gebruiken van een ippc-installatie of het exploiteren van een Seveso-inrichting.

Artikel 3.83 (aanwijzing verboden gevallen)

  • 1. Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.82 te verrichten in waterwingebieden.

  • 2. Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.82 in grondwaterbeschermingszones te verrichten, voor zover het gaat over:

    • a.

      het behandelen van afvalwater, bedoeld in categorie 6.11 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies;

    • b.

      het behandelen van het oppervlak van stoffen, voorwerpen of producten met organische oplosmiddelen, bedoeld in categorie 6.7 van bijlage I van de richtlijn industriële emissies.

    • c.

      het raffineren van aardolie en gas, het vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen en het maken van cokes;

    • d.

      het roosten of sinteren van ertsen, het maken van ijzer of staal, het verwerken van ferrometalen door warmwalsen, het smeden met hamers of het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal, het smelten of gieten van ferrometalen, of het winnen van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen, het smelten, met inbegrip van het legeren, en het gieten van non-ferrometalen;

    • e.

      het maken van cement, cementklinkers, ongebluste kalk en magnesiumoxide, asbest en asbestproducten, glas, glasvezels, mineraalvezels, glazuren of emailles en koolstof of elektrografiet door verbranding of grafitisering;

    • f.

      het smelten van minerale stoffen, en het maken van mineraalvezels, glazuren of emailles;

    • g.

      het maken van organisch-chemische producten, anorganisch-chemische producten, fosfaathoudende, stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen, producten voor gewasbescherming of biociden, farmaceutische producten en explosieven;

    • h.

      het maken van papierpulp, papier, karton- of oriented strand board, spaanplaat of vezelplaat van hout;

    • i.

      het verwijderen en het nuttig toepassen van gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen, de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, met inbegrip van het ondergronds opslaan, het storten van afvalstoffen en het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen en de destructie van kadavers of dierlijk afval;

    • j.

      het behandelen van het oppervlak van metalen of kunststoffen door een elektrolytisch of chemisch procedé, bedoeld in bijlage I van de richtlijn industriële emissies, als het oppervlak van metalen wordt behandeld;

    • k.

      het maken van keramische producten door verhitting; of

    • l.

      het conserveren van hout en houtproducten met chemische stoffen.

Artikel 3.84 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.82 in een grondwaterbeschermingszone te verrichten, voor zover het gaat over:

  • a.

    een andere installatie dan genoemd in artikel 3.83, tweede lid;

  • b.

    een Seveso-inrichting.

Artikel 3.85 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.82 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.20 Productie van chemische producten

Artikel 3.86 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone maken van elastomeren, verf, lak, drukinkt, lijm, waspoeder of enzymen, vloeibare biobrandstof, vloeibare gassen uit de buitenlucht, schoonmaakmiddelen of cosmetica en het vullen van spuitbussen met drijfgassen.

  • 2. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht:

    • a.

      bij een huishouden;

    • b.

      het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • c.

      voor educatieve doeleinden; of

    • d.

      bij een laboratorium.

Artikel 3.87 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.86 te verrichten.

§ 3.3.21 Papierindustrie, houtindustrie

Artikel 3.88 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone maken van papierpulp, papier of karton en het conserveren van hout of houtproducten met chemische stoffen.

  • 2. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht:

    • a.

      bij een huishouden;

    • b.

      het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • c.

      voor educatieve doeleinden; of

    • d.

      als dit onderdeel uitmaakt van bosbouw of natuurbeheer.

Artikel 3.89 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.88 te verrichten.

§ 3.3.22 Metaalproductenindustrie

Artikel 3.90 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone:

    • a.

      verwerken van metalen door smelten, legeren, gieten, walsen, trekken, klinken of smeden met hamers;

    • b.

      op metaal aanbrengen van anorganische deklagen, conversielagen of deklagen van gesmolten metaal;

    • c.

      behandelen van het oppervlak van metalen door een elektrolytisch of chemisch procedé;

    • d.

      harden of gloeien van metalen en het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak; en

    • e.

      maken van producten van metaal.

  • 2. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht:

    • a.

      het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • b.

      voor educatieve doeleinden.

Artikel 3.91 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.90 te verrichten.

§ 3.3.23 Mineralen

Artikel 3.92 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone:

    • a.

      maken van producten van glas;

    • b.

      maken van keramische producten door verhitting;

    • c.

      maken van asfalt of asfaltproducten;

    • d.

      winnen van steen, mergel, zand, grind of kalk;

    • e.

      breken, malen, zeven en drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan;

    • f.

      het maken van kalkzandsteen of cellenbeton; en

    • g.

      het maken van betonmortel of producten van betonmortel.

  • 2. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze worden verricht:

    • a.

      tijdens het verrichten van een bouwactiviteit of sloopactiviteit, het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een weg of het aanleggen, wijzigen of verwijderen van kabels en leidingen;

    • b.

      tijdens ontgrondingen, waarbij de winning van grondstoffen niet het primaire doel is;

    • c.

      bij een huishouden of bij het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis;

    • d.

      voor educatieve doeleinden.

Artikel 3.93 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.92, eerste lid, onder a tot en met d te verrichten.

Artikel 3.94 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.92, eerste lid, onder e tot en met g, te verrichten.

Artikel 3.95 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.92 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.24 Drukkerijen

Artikel 3.96 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone bedrukken van materialen met zeefdruk of illustratiediepdruk.

  • 2. Onder de aanwijzing vallen niet de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, als deze alleen worden verricht:

    • a.

      bij een huishouden;

    • b.

      het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;

    • c.

      voor educatieve doeleinden.

Artikel 3.97 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.96 te verrichten.

§ 3.3.25 Reinigingsactiviteiten

Artikel 3.98 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1. Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen het in een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone:

    • a.

      chemisch reinigen van textiel;

    • b.

      inwendig reinigen van opslagtanks of verpakkingen waarin schadelijke stoffen zijn opgeslagen op een andere locatie dan de locatie waarop de opslagtanks stonden of de verpakkingen zijn gebruikt en het inwendig reinigen van voertuigen, opleggers, aanhangers, tankcontainers of bulkcontainers waarin schadelijke stoffen zijn vervoerd; of

    • c.

      het onderhouden, repareren en schoonmaken van gemotoriseerde voertuigen of werktuigen, autobussen, spoorvoertuigen en vliegtuigen en het reviseren van verbrandingsmotoren en gasturbines.

  • 2. Onder de aanwijzing valt niet:

    • a.

      het onderhouden en repareren van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf; en

    • b.

      het schoonmaken van een landbouwvoertuig of machine op een landbouwbedrijf tenzij dat landbouwvoertuig of die machine is gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen of biociden.

Artikel 3.99 (aanwijzing verboden gevallen)

  • 1. Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.98 in waterwingebieden te verrichten.

  • 2. Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.98, eerste lid, aanhef en onder b en c in grondwaterbeschermingszones te verrichten.

Artikel 3.100 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.98, eerste lid, onder a, in een grondwaterbeschermingszone te verrichten.

Artikel 3.101 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.92 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.26 Overige milieubelastende activiteiten

Artikel 3.102 (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.18 wordt aangewezen:

  • a.

    het in een waterwingebied verrichten van een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet eerder genoemd in paragraaf 3.3.2 tot en met 3.3.25;

  • b.

    het in een grondwaterbeschermingsgebied veranderen of uitbreiden van een milieubelastende activiteit genoemd in paragraaf 3.3.2 tot en met 3.3.26.

Artikel 3.103 (aanwijzing verboden gevallen)

Het is verboden om een activiteit als bedoeld in artikel 3.102, aanhef en onder a, te verrichten.

Artikel 3.104 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

  • 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 3.102, aanhef en onder b, te verrichten.

  • 2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor zover het gaat over een geval dat is aangewezen als meldingsplichtig in artikel 3.29, 3.39 of 3.76.

Artikel 3.105 (algemene regels)

Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.102 wordt voldaan aan de regels over werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.110 tot en met 3.113.

§ 3.3.27 Inhoudelijke regels

Artikel 3.106 (toepassingsbereik)

De regels van deze paragraaf zijn van toepassing voor zover dat in artikel 3.30, 3.33, 3.36, 3.40, 3.43, 3.47, 3.53, 3.59, 3.63, 3.67, 3.77, 3.81, 3.85, 3.95, 3.101 of 3.105 is bepaald.

Artikel 3.107 (overgangsrecht: bestaande gesloten bodemenergiesystemen)

  • 1. Een gesloten bodemenergiesysteem als bedoeld in 3.36, derde lid, voldoet aan het tweede tot en met het vijfde lid.

  • 2. In het ondergrondse deel van het gesloten bodemenergiesysteem wordt alleen leidingwater, monopropyleen glycol of een stof met een aantoonbaar vergelijkbare of betere biologische afbreekbaarheid en aantoonbaar vergelijkbare of lagere toxiciteit als medium toegepast.

  • 3. Het gesloten bodemenergiesysteem is voorzien van een lekdetectiesysteem met automatisch alarm.

  • 4. Gedeputeerde staten wordt onverwijld geïnformeerd over een lekkage of andere bodembedreigende situatie.

  • 5. In geval van lekkage of andere bodembedreigende situaties worden alle maatregelen genomen die redelijkerwijs kunnen worden gevergd om aantasting van de kwaliteit van het grondwater te voorkomen; als die aantasting niet kan worden voorkomen, wordt deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt.

Artikel 3.108 (graven)

  • 1. De mate van doorlaatbaarheid van de weerstandbiedende laag is na de ingreep niet groter dan daarvoor.

  • 2. Na afronding van de werkzaamheden worden de slecht doorlatende bodemlagen zoveel als mogelijk in de oorspronkelijk staat hersteld met een hiervoor geschikt kleiproduct, zoals bentoniet.

Artikel 3.109 (bodemonderzoek)

Na beëindiging van een boring of een sondering in het kader van bodemonderzoek wordt het boorgat meteen volledig afsluitend opgevuld met een hiervoor geschikt kleiproduct, zoals bentoniet.

Artikel 3.110 (werkzaamheden: algemeen)

  • 1. Degene die is belast met de werkzaamheden, wordt voorafgaand daaraan, door degene die voor die werkzaamheden opdracht heeft gegeven op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van het grondwaterbeschermingsgebied en van de toepasselijkheid van de voor dat gebied ten aanzien van die werkzaamheden geldende regels.

  • 2. Het tijdens de werkzaamheden toe te passen water is van drinkwaterkwaliteit. Onder deze werkzaamheden wordt ook verstaan het aanvullen van boorspoeling.

  • 3. Voorzieningen worden getroffen dat tijdens het gebruik of het aanleggen van een boorgat geen bodembedreigende stoffen via dit boorgat in de bodem terecht kunnen komen.

  • 4. Voor het maken van boorspoeling mag alleen klei worden toegepast. Het toepassen van andersoortige organische of anorganische hulpstoffen is niet toegestaan, uitgezonderd natriumhydroxide voor het reguleren van de zuurgraad.

  • 5. Voorzieningen worden getroffen dat gedurende de werkzaamheden geen bodembedreigende stoffen in de bodem terecht kunnen komen.

Artikel 3.111 (werkzaamheden: materialen en grond)

  • 1. Bij ingrepen toe te passen opvulmaterialen zoals bentoniet zijn voorzien van een erkende kwaliteitsverklaring, deze verklaring is op het werk aanwezig.

  • 2. De plaats van opslag van bouwmateriaal en -materieel is afgedekt met folie.

  • 3. In een bouwput mogen geen schadelijke stoffen worden opgeslagen.

  • 4. De staat, uitrusting en het gebruik van bouwmaterieel is zodanig, dat de kans op olieverontreiniging of andere vormen van verontreiniging van de bodem verwaarloosbaar is.

  • 5. Grond die bij de werkzaamheden vrijkomt wordt verzameld en afgevoerd naar een erkend verwerker.

Artikel 3.112 (werkzaamheden: spoelwater, lekkage en morsen)

  • 1. Het tijdens en na de werkzaamheden gebruikte spoelwater wordt opgevangen in een daarvoor geschikte vloeistofdichte opvangvoorziening en afgevoerd naar een erkende verwerker.

  • 2. Gemorste of anders vrijgekomen schadelijke stoffen worden onmiddellijk verzameld in een vloeistofdichte verpakking en op een zodanige wijze verwerkt of verwijderd dat verontreiniging van de bodem is uitgesloten.

  • 3. Voor zover als gevolg van lekkage, morsen of op een andere manier grond en grondwater wordt verontreinigd of gevaar voor verontreiniging dreigt, stelt de ter plaatse verantwoordelijke persoon onmiddellijk gedeputeerde staten en de directeur van het drinkwaterbedrijf hiervan in kennis.

Artikel 3.113 (werkzaamheden: bouwkeet)

Voor zover tijdens de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een bouwkeet, gelden de volgende voorschriften:

  • a.

    de afvoer van huishoudelijk afvalwater van een bouwkeet geschiedt via een vloeistofdicht stelsel van leidingen naar het openbaar vuilwaterriool.

  • b.

    als aan de eis onder a om technische of operationele redenen niet kan worden voldaan, geschiedt de afvoer van toiletafvalwater via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen aangesloten op een opvangtank die of een mobiel toilet dat steeds bijtijds geleegd wordt;

  • c.

    keukenafvalwater wordt afgevoerd via een stelsel van vloeistofdichte en goed onderhouden leidingen aangesloten op een bezinkput die steeds bijtijds geleegd wordt;

  • d.

    toiletafvalwater, keukenafvalwater en ander afvalwater worden te allen tijde gescheiden gehouden en afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie of geloosd op het openbaar vuilwaterriool;

  • e.

    een bouwkeet wordt niet op aardolie verwarmd.

Artikel 3.114 (saneren: saneringsdoelstelling)

Verontreiniging van de bodem wordt beperkt of ongedaan gemaakt waarbij zo veel als redelijkerwijs mogelijk de inbreng van verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater wordt voorkomen of beperkt.

Artikel 3.115 (saneren: saneringsaanpak)

  • 1. Saneren van de bodem wordt uitgevoerd overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2. De saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is niet toegestaan bij het saneren van de bodem, bedoeld in het artikel 3.31, tenzij:

    • a.

      de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

  • 3. Met een maatwerkvoorschrift kan, in afwijking van artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een andere saneringsaanpak worden toegestaan als die andere saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 3.116 (saneren: veranderingen in bodemgesteldheid)

Bij een sanering van de bodem als bedoeld in artikel 3.34, wordt rekening gehouden met mogelijke veranderingen in de bodemgesteldheid die een nadelige invloed kunnen hebben op een grondwaterbeschermingsgebied.

Artikel 3.117 (saneren: afvoeren verontreinigde grond, niet herschikken)

Grond die vrijkomt bij een sanering dient te worden afgevoerd naar een erkende verwerker.

Afdeling 3.4 Activiteiten in verband met verontreiniging van het grondwater

§ 3.4.1 Algemeen

Artikel 3.118 (toepassingsbereik)

Deze afdeling gaat over:

  • a.

    de module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit;

  • b.

    de activiteit grondwatersanering;

  • c.

    een activiteit op een locatie waar na het verrichten van een grondwatersanering een verontreiniging van het grondwater aanwezig is gebleven;

  • d.

    een toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater.

Artikel 3.119 (oogmerken)

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het voorkomen en waar nodig beperken van de verspreiding van verontreinigd grondwater;

  • b.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

  • c.

    het vervullen van de maatschappelijke functies die op grond van de Omgevingswet aan watersystemen zijn toegekend.

Artikel 3.120 (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 3.121 (specifieke zorgplicht)

  • 1. Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.118 verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.119, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2. Voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.118 houdt deze plicht in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat: herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

Artikel 3.122 (informeren over een ongewoon voorval)

Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 3.123 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten.

§ 3.4.2 Module risicobeoordeling grondwaterkwaliteit

Artikel 3.124 (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van het omgevingsplan of deze omgevingsverordening is bepaald dat een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is vereist.

Artikel 3.125 (aanwijzing andere modules: voorafgaand bodemonderzoek)

Bij het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.126 (risicobeoordeling grondwaterkwaliteit – methoden)

  • 1. Een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit wordt verricht om een verontreiniging van grondwater en de mogelijke risico’s daarvan voor het gebruik dat afhangt van het grondwater te beoordelen.

  • 2. Bij de beoordeling van een verontreiniging van grondwater en de mogelijke risico’s daarvan voor het grondwater en het gebruik dat afhangt van het grondwater worden één of meerdere van de volgende methoden toegepast:

    • a.

      de methode algemene grondwaterkwaliteit, bedoeld in bijlage III, onder Aa2.1;

    • b.

      de methode krw-oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in bijlage III, onder Aa2.2;

    • c.

      de methode water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in bijlage III, onder Aa2.3; of

    • d.

      de methode grondwaterafhankelijke natuur, bedoeld in bijlage III, onder Aa2.4.

Artikel 3.127 (methode: algemene grondwaterkwaliteit)

De methode algemene grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, onder a, wordt toegepast als de verontreinigingscontour van één of meerdere verontreinigende stoffen in minimaal 100 m³ poriën verzadigd bodemvolume de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage III, onder Aa1, overschrijdt.

Artikel 3.128 (methode: krw-oppervlaktewaterlichaam)

  • 1. De methode krw-oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, onder b, wordt toegepast als een verontreiniging van grondwater:

    • a.

      voor één of meerdere verontreinigende stoffen in minimaal 100 m³ poriën verzadigd bodemvolume de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage III, onder Aa1, overschrijdt; en

    • b.

      de verontreiniging in staat is een in het regionaal waterprogramma of nationaal waterprogramma aangewezen krw-oppervlaktewaterlichaam te beïnvloeden.

  • 2. Een verontreiniging van grondwater wordt geacht een krw-oppervlaktewaterlichaam te beïnvloeden als de verontreiniging zich bevindt:

    • a.

      in of binnen 100 meter van het krw-oppervlaktewaterlichaam;

    • b.

      in een watervoerend pakket van waaruit het krw-oppervlaktewaterlichaam kan worden beïnvloed; en

    • c.

      in de stroombaan richting het krw-oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.129 (methode: water bestemd voor menselijke consumptie)

  • 1. De methode water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, onder c, wordt toegepast als een verontreiniging van grondwater:

    • a.

      voor één of meerdere verontreinigende stoffen in minimaal 100 m³ poriën verzadigd bodemvolume de voorkeurswaarde, bedoeld in bijlage III, onder Aa1, overschrijdt; en

    • b.

      in staat is een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 te beïnvloeden.

  • 2. Een verontreiniging van grondwater wordt geacht een grondwaterbeschermingsgebied te beïnvloeden als de verontreiniging zich bevindt:

    • a.

      in of binnen 100 meter van het grondwaterbeschermingsgebied;

    • b.

      in een watervoerend pakket van waaruit het grondwaterbeschermingsgebied kan worden beïnvloed; of

    • c.

      in de stroombaan richting het grondwaterbeschermingsgebied.

Artikel 3.130 (methode: grondwaterafhankelijke natuur)

  • 1. De methode grondwaterafhankelijke natuur, bedoeld in artikel 3.126, tweede lid, onder d, wordt toegepast als een verontreiniging van grondwater:

    • a.

      voor één of meerdere verontreinigende stoffen in minimaal 100 m³ poriën verzadigd bodemvolume de voorkeurswaarde, bedoeld in bijlage III, onder Aa1, overschrijdt; en

    • b.

      in staat is het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, te beïnvloeden.

  • 2. Een verontreiniging van grondwater wordt geacht een natuurnetwerk Nederland te beïnvloeden als de verontreiniging zich bevindt:

    • a.

      in of binnen 100 meter van het natuurnetwerk Nederland;

    • b.

      in een watervoerend pakket van waaruit het natuurnetwerk Nederland kan worden beïnvloed; en

    • c.

      in de stroombaan richting het natuurnetwerk Nederland.

Artikel 3.131 (risicobeoordeling grondwaterkwaliteit: uitkomsten)

Uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt of een verontreiniging een risico vormt voor het grondwater en het gebruik dat afhangt van het grondwater en leidt tot één van de volgende uitkomsten:

  • a.

    niet-significante grondwaterverontreiniging;

  • b.

    significante grondwaterverontreiniging met bronaanpak op een natuurlijk moment; of

  • c.

    significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft.

Artikel 3.132 (gegevens en bescheiden: na uitvoeren risicobeoordeling grondwaterkwaliteit)

Ten hoogste vier weken na het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit worden de gegevens en bescheiden in bijlage IV, onder D2, verstrekt aan gedeputeerde staten.

§ 3.4.3 Grondwatersanering

Artikel 3.133 (toepassingsbereik)

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op een grondwatersanering als het oogmerk het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater is.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op een grondwatersanering in het gebied waarvan het grondwaterkwaliteitsbeheer in relatie tot historische verontreinigingen van grondwater aan het gemeentebestuur van de gemeente Rotterdam is toegedeeld, bedoeld in artikel 6.2.

Artikel 3.134 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een grondwatersanering te verrichten, als:

  • a.

    de grondwatersanering betrekking heeft op een verontreiniging van grondwater waarvan op basis van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit is vastgesteld dat het een significante grondwaterverontreiniging betreft die direct aandacht behoeft, bedoeld in artikel 3.131, onder c; of

  • b.

    de grondwatersanering wordt uitgevoerd in een grondwaterbeschermingsgebied, bedoeld in artikel 2.2.

Artikel 3.135 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)

In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B4, te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen.

Artikel 3.136 (melding)

  • 1. Het is verboden om zonder melding een grondwatersanering te verrichten.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.134.

Artikel 3.137 (specifieke gegevens en bescheiden bij een melding)

In aanvulling op artikel 3.3 bevat een melding specifieke gegevens en bescheiden als bedoeld in bijlage IV, onder D2a.

Artikel 3.138 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)

Ten minste vier weken voor het begin van een grondwatersanering worden aan gedeputeerde staten de gegevens en bescheiden in bijlage IV, onder D3, verstrekt.

Artikel 3.139 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit)

Ten minste een week voor het begin van een grondwatersanering worden aan gedeputeerde staten de gegevens en bescheiden in bijlage IV, onder D4, verstrekt.

Artikel 3.140 (aanwijzing modules: voorafgaand bodemonderzoek)

Bij het verrichten van een grondwatersanering wordt voldaan aan het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.141 (grondwater: saneringsaanpakken)

Met het oog op het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, wordt een grondwatersanering verricht volgens één van de volgende aanpakken of een combinatie daarvan:

  • a.

    het onttrekken van verontreinigd grondwater;

  • b.

    het inzetten van gangbare en bewezen technieken die biologische afbraak of omzetting, of chemische omzetting van een verontreiniging tot niet schadelijke eindproducten tot gevolg hebben; of

  • c.

    een andere saneringsaanpak als daarmee het saneringsresultaat, bedoeld in artikel 3.141a, bereikt wordt.

Artikel 3.141a (resultaat saneringsaanpak)

  • 1. De saneringsaanpak, bedoeld in artikel 3.141, leidt ertoe dat de verontreinigende stof in het grondwater niet langer voorkomt in concentraties waarbij sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131.

  • 2. Als een maatwerkvoorschrift is gesteld of een voorschrift aan een omgevingsvergunning is verbonden waarin een ander saneringsresultaat is toegestaan, leidt de grondwatersanering er ten minste toe dat niet langer sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c.

Artikel 3.141b (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift)

Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift over deze paragraaf kan alleen een ander saneringsresultaat toestaan als de grondwatersanering er ten minste toe leidt dat niet langer sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c.

Artikel 3.141c (kwaliteitsborging grondwatersanering)

Een grondwatersanering wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 3.141d (milieukundige begeleiding grondwatersanering)

De begeleiding van een grondwatersanering wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 6000.

Artikel 3.141e (beëindiging activiteit: gegevens en bescheiden)

  • 1. Ten hoogste vier weken na het beëindigen van een grondwatersanering worden aan gedeputeerde staten gegevens en bescheiden verstrekt in de vorm van een evaluatieverslag volgens BRL SIKB 6000.

  • 2. Indien na het verrichten van een grondwatersanering verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven worden ook gegevens en bescheiden bij het evaluatieverslag verstrekt over:

    • a.

      de gebruiksbeperkingen die wenselijk zijn ter bescherming van de chemische en ecologische kwaliteit van het grondwaterlichaam en voor de aan het grondwaterlichaam toegekende maatschappelijke functies;

    • b.

      een voorstel van de nazorgmaatregelen.

Artikel 3.141f (uitvoering nazorgmaatregelen)

Degene die een grondwatersanering uitvoert is ook belast met de uitvoering van de nazorgmaatregelen, bedoeld in artikel 3.141d, tweede lid, onder b, tenzij in het evaluatieverslag een ander daarvoor is aangewezen.

§ 3.4.4 Activiteiten op een locatie waar na het verrichten van een grondwatersanering een verontreiniging in het grondwater aanwezig is gebleven.

Artikel 3.141g (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waar na het uitvoeren van een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 uit het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 3.141e, eerste lid, blijkt dat verontreiniging van het grondwater aanwezig is gebleven.

Artikel 3.141h (maatregelen: gebruiksbeperkingen saneren van het grondwater)

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 3.141g verricht neemt in het belang van het beschermen van de chemische en ecologische kwaliteit van het watersysteem en vanwege het vervullen van de aan het watersysteem toegekende maatschappelijke functie de gebruiksbeperkingen, bedoeld in artikel 3.141e, tweede lid, onder a, in acht.

§ 3.4.5 Toevalsvondst verontreiniging van het grondwater

Artikel 3.141i (aantreffen verontreiniging van het grondwater)

  • 1. Het aantreffen van een verontreiniging van het grondwater is een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet.

  • 2. Gedeputeerde staten kunnen voor een activiteit waarbij een verontreiniging van het grondwater wordt aangetroffen bij besluit als bedoeld in artikel 19.0 van de Omgevingswet en afdeling 12a.1 bepalen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet.

  • 3. Het besluit kan in ieder geval inhouden dat activiteiten als bedoeld in het tweede lid worden beperkt of worden stopgezet.

Afdeling 3.5 Ontgassen van binnenschepen

§ 3.5.1 Algemeen

Artikel 3.142 (activiteiten)

Deze afdeling gaat over de milieubelastende activiteit het ontgassen tijdens de vaart op een vaarweg vanaf een binnenschip.

Artikel 3.143 (oogmerken)

De regels in deze afdeling over de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.142 zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; en

  • b.

    het beschermen van het milieu, voor zover het betreft:

    • 1°.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 2°.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en

    • 3°.

      het voorkomen van geurhinder.

Artikel 3.144 (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door de vervoerder en de schipper. Deze dragen zorg voor de naleving van de regels over de milieubelastende activiteit.

Artikel 3.145 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)

In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B5 te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen.

§ 3.5.2 Inhoudelijke regels

Artikel 3.146 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.142 te verrichten, voor zover het gaat om het ontgassen tijdens de vaart op een vaarweg vanaf een binnenschip van een ladingtank met restdampen van:

  • a.

    benzeen (UN-nummer 1114);

  • b.

    ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1267);

  • c.

    aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268);

  • d.

    brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863);

  • e.

    brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993);

  • f.

    koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295), of

  • g.

    stoffen zoals aangegeven in bijlage III, onder B.

Artikel 3.147 (aanwijzing vergunningvrije gevallen)

  • 1. Het verbod, bedoeld in artikel 3.146 is niet van toepassing als kan worden aangetoond dat:

    • a.

      de concentratie van de restladingdamp in de ladingtank niet meer bedraagt dan 10% van de onderste explosiegrens;

    • b.

      de drie voorafgaande ladingen in de ladingtank niet bestonden uit stoffen als bedoeld in artikel 3.146;

    • c.

      de ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan die bedoeld in artikel 3.146;

    • d.

      het ontgassen noodzakelijk is om redenen van drukverevening die om veiligheidsredenen moet plaatsvinden.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid, is het verbod, bedoeld in artikel 3.146, niet van toepassing tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, als het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is.

Afdeling 3.6 Activiteiten op of rond gesloten stortplaatsen

§ 3.6.1 Algemeen

Artikel 3.148 (activiteiten)

Deze afdeling gaat over activiteiten in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd in beperkingengebieden met betrekking tot gesloten stortplaatsen.

Artikel 3.149 (oogmerken)

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    de bescherming van het milieu tegen nadelige gevolgen veroorzaakt door gesloten stortplaatsen; en

  • b.

    de goede uitvoering van de zorg voor gesloten stortplaatsen, waaronder:

    • de bereikbaarheid van de voorzieningen ter bescherming van de bodem te garanderen;

    • te voorkomen dat de werking van de voorzieningen nadelig wordt beïnvloed; en

    • te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg op een andere manier wordt belemmerd.

Artikel 3.150 (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 3.151 (specifieke zorgplicht)

  • 1. Degene die een activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.149, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het veilig en doelmatig beheer van afvalstoffen in de gesloten stortplaats wordt verzekerd; en

    • b.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1 van de Omgevingswet.

Artikel 3.152 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)

In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B6 te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen.

Artikel 3.153 (informeren over een ongewoon voorval)

Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval in, op, boven, onder of bij een gesloten stortplaats.

Artikel 3.154 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten.

§ 3.6.2 Inhoudelijke regels

Artikel 3.155 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten in, op, onder, over of bij een gesloten stortplaats te verrichten:

    • a.

      werken te maken of te behouden;

    • b.

      stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen;

    • c.

      andere dan de onder a of b bedoelde activiteiten te verrichten als die activiteiten de uitvoering van de maatregelen, bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer, kunnen belemmeren of de nazorgvoorzieningen kunnen beschadigen.

  • 2. Onder activiteiten bedoeld onder het eerste lid, onder a, worden in ieder geval begrepen:

    • a.

      bouwactiviteiten voor werken en kunstwerken;

    • b.

      civieltechnische werken, waaronder grondverzet, boringen, en aanbrengen van grondkerende constructies.

  • 3. Onder activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden in ieder geval begrepen:

    • a.

      het plaatsen van een container;

    • b.

      het deponeren of toepassen van grond, baggerspecie of bouwstoffen.

  • 4. Onder activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder c, worden in ieder geval begrepen:

    • a.

      de wijziging van het gebruik of de inrichting van het terrein;

    • b.

      grondbewerkingen dieper dan 30 centimeter;

    • c.

      onttrekken of inbrengen van grondwater of het op een andere manier wijzigen van de grondwaterstand.

  • 5. Het verbod geldt niet voor het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer in opdracht van gedeputeerde staten.

Artikel 3.156 (melding)

  • 1. Het is verboden zonder melding activiteiten in, op, onder, over of bij een gesloten stortplaats te verrichten zonder dit te melden.

  • 2. Dit artikel is niet van toepassing:

    • a.

      als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.155.

    • b.

      op het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer in opdracht van gedeputeerde staten.

Afdeling 3.7 Activiteiten rond provinciale vaarwegen

§ 3.7.1 Algemeen

Artikel 3.157 (activiteiten)

Deze afdeling gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot provinciale vaarwegen.

Artikel 3.158 (oogmerken)

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale vaarweg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die provinciale vaarweg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die vaarweg en het belang van onderhoud aan die vaarweg behoort.

Artikel 3.159 (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 3.160 (specifieke zorgplicht)

  • 1. Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot de provinciale vaarweg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de provinciale vaarweg verontreinigt, verandert of beschadigt, of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.158, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale vaarweg wordt verzekerd;

    • b.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; en

    • c.

      houtgewas, bomen of takken van bomen zodanig worden geplaatst of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken.

Artikel 3.161 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)

In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B7 te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen.

Artikel 3.162 (informeren over een ongewoon voorval)

Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 3.163 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten.

Artikel 3.164 (verhalen van schepen)

  • 1. Een stilliggend schip, het samenstel van schepen of drijvende voorwerpen worden op aanwijzing van gedeputeerde staten over korte afstand langs een oever of kade naar een andere ligplaats verplaatst, als naar hun oordeel het onderhoud van een provinciale vaarweg aldaar werkzaamheden nodig maakt.

  • 2. Spoedeisende gevallen uitgezonderd, stelt gedeputeerde staten de rechthebbenden of gebruikers van het schip, het samenstel van schepen of de drijvende voorwerpen tijdig van tevoren in kennis van de voorgenomen werkzaamheden.

§ 3.7.2 Inhoudelijke regels

Artikel 3.165 (toepassingsbereik)

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een provinciale vaarweg:

    • a.

      het veranderen van de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de provinciale vaarweg;

    • b.

      het maken, behouden, veranderen of verwijderen van werken op de provinciale vaarweg;

    • c.

      het storten, plaatsen, neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste stoffen of voorwerpen op, in, over of onder de provinciale vaarweg;

    • d.

      het beplanten, behouden of vellen van houtgewas

    • e.

      het geheel of gedeeltelijk stremmen of belemmeren van het verkeer op de provinciale vaarweg;

    • f.

      het innemen van een ligplaats en het meren of ankeren met een schip of een drijvend bouwsel in de provinciale vaarweg.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van gedeputeerde staten.

Artikel 3.166 (aanwijzing vergunningplichtig geval: veranderen van het werk of werken maken of behouden)

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale vaarweg te verrichten, door:

    • a.

      de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de provinciale vaarweg te veranderen, of

    • b.

      werken te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen.

  • 2. Voor het leggen, verwijderen, behouden van kabels en leidingen is op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 3.167 (aanwijzing vergunningplichtig geval: vaste stoffen of voorwerpen plaatsen en houtgewas)

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale vaarweg te verrichten door op, in, over of onder de provinciale vaarweg, vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning over provinciale vaarwegen houtgewas te beplanten, te behouden of te vellen.

Artikel 3.168 (aanwijzing vergunningplichtig geval: stremmen of belemmeren van de scheepvaart)

Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verkeer op een provinciale vaarweg geheel of gedeeltelijk te stremmen of te belemmeren.

Artikel 3.169 (aanwijzing vergunningplichtig geval: ligplaats innemen)

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning met een schip of een drijvend bouwsel, ligplaats in te nemen, te meren of te ankeren in een provinciale vaarweg, tenzij de locatie is toegestaan krachtens een verkeersbesluit.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op kort verblijf aan een particuliere oever in een vaarstrook of een veiligheidsstrook.

Afdeling 3.8 Activiteiten rond provinciale wegen

§ 3.8.1 Algemeen

Artikel 3.170 (activiteiten)

Deze afdeling gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot provinciale wegen.

Artikel 3.171 (oogmerken)

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het behoeden van de staat en een doelmatige en veilige werking van een provinciale weg voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die provinciale weg, waartoe ook het belang van verruiming of wijziging van die weg en het belang van onderhoud aan die weg behoort en op het voorkomen en beperken van schade aan planten in wegbermen.

Artikel 3.172 (normadressaat)

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 3.173 (specifieke zorgplicht)

  • 1. Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale weg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de provinciale weg verontreinigt, verandert of beschadigt, of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.171, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale weg wordt verzekerd;

    • b.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet; en

    • c.

      houtgewas, bomen of takken van bomen worden zodanig geplaatst of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken.

Artikel 3.174 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning)

In aanvulling op artikel 3.1 zijn in bijlage IV, onder B8 te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen.

Artikel 3.175 (informeren over een ongewoon voorval)

Gedeputeerde staten worden onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

Artikel 3.176 (gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval)

Zodra de gegevens en bescheiden, bedoeld in bijlage IV, onder E, bekend zijn, worden ze verstrekt aan gedeputeerde staten.

§ 3.8.2 Inhoudelijke regels

Artikel 3.177 (toepassingsbereik)

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op de volgende beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een provinciale weg:

    • a.

      het veranderen van de vorm, loop, constructie of het profiel van de provinciale weg;

    • b.

      het maken, behouden, veranderen of verwijderen van werken;

    • c.

      het storten, plaatsen, neerleggen, laten staan of laten liggen van vaste stoffen of voorwerpen;

    • d.

      het beplanten, behouden of vellen van houtgewas; en

    • e.

      het ten behoeve van handel of bedrijf met daarvoor bestemde middelen innemen van een standplaats.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten door of in opdracht van gedeputeerde staten.

Artikel 3.178 (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit te verrichten als bedoeld in artikel 3.177.

  • 2. Het verbod geldt niet voor werkzaamheden die op basis van artikel 3.179 zijn verboden zonder dit te melden.

  • 3. Voor het leggen, verwijderen en behouden van kabels en leidingen is op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, afdeling 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 3.179 (melding)

  • 1. Het is verboden zonder melding een beperkingengebiedactiviteit als bedoeld in artikel 3.177 te verrichten op locaties waar ten minste 200 meter vrij zicht is op de weg en waar geen aanleg, wijziging of herinrichting van de weg in voorbereiding of uitvoering is, voor zover het gaat over:

    • a.

      het leggen, verwijderen of behouden van een huisaansluiting, bouwaansluiting of kastaansluiting tot een lengte van maximaal 20 meter;

    • b.

      het aanbrengen, wijzigen, gebruiken of verwijderen van een kathodische beschermpaal;

    • c.

      het inblazen van glasvezel in een bestaande buis;

    • d.

      het uitvoeren van werkzaamheden bij een lasgat, afsluiter of verbindingsmof;

    • e.

      het uitvoeren van een sondering, proefsleuf, grondboring of asfaltboring; of

    • f.

      het uitvoeren van herstelwerkzaamheden aan een tracé of onderdeel daarvan.

  • 2. Het verbod geldt niet voor:

    • a.

      het openbreken van gesloten verharding;

    • b.

      het aanbrengen van een kabel op minder dan 0,6 meter onder het maaiveld of het aanbrengen van een leiding op minder dan 0,8 meter onder het maaiveld; of

    • c.

      het op minder dan 1 meter buiten de wegverharding parallel aan de verharding aanbrengen van een werk.

Artikel 3.180 (informatieplicht)

  • 1. Ten minste 15 werkdagen voor het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.177 wordt aan gedeputeerde staten een verkeersmaatregelenplan verstrekt voor zover deze activiteiten binnen een afstand van 4,5 meter tot de rijbaan worden verricht.

  • 2. Een verkeersmaatregelenplan:

    • a.

      bevat een beschrijving van de te treffen tijdelijke verkeersmaatregelen die met het oog op een veilig en doelmatig gebruik van de weg noodzakelijk zijn bij het verrichten van de activiteit; en

    • b.

      maakt inzichtelijk op welke wijze de te treffen tijdelijke verkeersmaatregelen in overeenstemming zijn met de toepasselijke richtlijnen voor tijdelijke verkeersmaatregelen van de Provincie Zuid-Holland en van de Stichting CROW, kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte.

  • 3. In afwijking het eerste lid wordt het verkeersmaatregelenplan onverwijld verstrekt, voor zover het gaat over een herstelwerkzaamheid als bedoeld in artikel 3.179, eerste lid, onder f, of een andere niet-planbare werkzaamheid.

Artikel 3.180a (voorbereiding)

  • 1. Een activiteit als bedoeld in artikel 3.177 wordt niet verricht zonder het treffen van tijdelijke verkeersmaatregelen die in overeenstemming zijn met het verkeersmaatregelenplan, bedoeld in artikel 3.180, tweede lid.

  • 2. Een verkeersmaatregel wordt uitgevoerd door een BRL9101-gecertificeerd bedrijf.

Artikel 3.180b (uitvoering)

  • 1. Een gat of sleuf in een provinciale weg wordt mechanisch verdicht in lagen, die ieder na verdichting niet dikker zijn dan 30 cm.

  • 2. Ieder gat en iedere sleuf in een provinciale weg wordt binnen een dag volledig tot aan het maaiveld of tot aan het profiel van de weg verdicht in overeenstemming met het eerste lid.

  • 3. Door het uitvoeren van de werkzaamheden wordt geen beplanting beschadigd, wat in ieder geval inhoudt dat aanwezige beplanting die wordt verwijderd tijdelijk wordt ingekuild en na afronding van de werkzaamheden wordt teruggeplaatst.

  • 4. Bij de werkzaamheden vrijkomend puin wordt afgevoerd.

  • 5. De werkzaamheden worden niet uitgevoerd als door atmosferische omstandigheden het zicht op de weg minder dan 200 meter bedraagt op de locatie waar de werkzaamheden worden uitgevoerd.

Artikel 3.180c (oplevering en nazorg)

  • 1. Werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.179 worden binnen een aaneengesloten periode van een week uitgevoerd, gerekend vanaf de dag waarop een begin wordt gemaakt met de werkzaamheden.

  • 2. Gedurende de eerste zes maanden na afronding van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.177, wordt iedere verzakking in een onverharde berm of talud hersteld.

  • 3. Gedurende de eerste twaalf maanden na afronding van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.177, wordt:

    • a.

      iedere verzakking in bestrating hersteld; en

    • b.

      alle teruggeplaatste beplanting in goede staat gehouden.

Afdeling 3.9 Activiteiten die de natuur betreffen

§ 3.9.1 Activiteiten met betrekking tot dieren in het wild

§ 3.9.1.1 Algemeen

Artikel 3.181 (activiteiten)

  • 1. Paragraaf 3.9.1 gaat over:

    • a.

      flora- en fauna-activiteiten;

    • b.

      het handelen volgens een faunabeheerplan;

    • c.

      activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden, met uitzondering van de jacht; en

    • d.

      het gebruik en het onder zich hebben van middelen of installaties en het toepassen van methodes om dieren te vangen of te doden.

  • 2. Paragraaf 3.9.1 bevat aanvullingen en afwijkingen ten opzichte van paragraaf 11.2.2, paragraaf 11.2.4, paragraaf 11.2.6 en paragraaf 11.2.8, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.182 (oogmerken)

  • 1. De regels in de paragraaf 3.9.1.2 en paragraaf 3.9.1.4 over flora- en fauna-activiteiten zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      de natuurbescherming;

    • b.

      goed jachthouderschap;

    • c.

      het voorkomen en bestrijden van schade door in het wild levende dieren;

    • d.

      het waarborgen van de volksgezondheid; en

    • e.

      het waarborgen van de veiligheid.

  • 2. De regels in paragraaf 3.9.1.3 over flora- en fauna-activiteiten zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      de natuurbescherming;

    • b.

      de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; en

    • c.

      bestendig beheer of onderhoud.

§ 3.9.1.2 Flora- en fauna-activiteiten: vergunningvrije gevallen soorten vogelrichtlijn

Artikel 3.183 (aanwijzing vergunningvrije gevallen vernielen of beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren van de brandgans, de grauwe gans en de kolgans)

Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten geldt niet voor de brandgans, de grauwe gans, en de kolgans en kruisingen daarvan in de periode van 1 februari tot en met 30 juni, voor zover de handelingen door of namens de grondgebruiker plaatsvinden in het belang van:

  • a.

    de volksgezondheid en openbare veiligheid;

  • b.

    de veiligheid van het luchtverkeer;

  • c.

    de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

Artikel 3.184 (aanwijzing vergunningvrije gevallen vernielen of beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren van de knobbelzwaan)

Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten geldt niet voor de knobbelzwaan in de periode van 1 maart tot en met 30 april, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van:

  • a.

    de volksgezondheid en openbare veiligheid;

  • b.

    de veiligheid van het luchtverkeer;

  • c.

    de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

Artikel 3.185 (aanwijzing vergunningvrije gevallen vernielen of beschadigen nesten, rustplaatsen en eieren van de kleine mantelmeeuw en de zilvermeeuw)

Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten geldt niet voor de kleine mantelmeeuw en de zilvermeeuw in de periode van 1 april tot en met 31 juli, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van:

  • a.

    de volksgezondheid en openbare veiligheid;

  • b.

    de veiligheid van het luchtverkeer.

Artikel 3.186 (aanwijzing vergunningvrije gevallen directe schadebestrijding brandgans, grauwe gans, kolgans en Canadese gans)

  • 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de brandgans, de grauwe gans, en de kolgans en kruisingen daarvan buiten de winterperiode, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van:

    • a.

      de volksgezondheid en openbare veiligheid;

    • b.

      de veiligheid van het luchtverkeer;

    • c.

      de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen;

    • d.

      de bescherming van flora of fauna.

  • 2. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de grauwe gans en de kolgans en kruisingen daarvan binnen de winterperiode, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht op de door hem gebruikte gronden met een kwetsbaar gewas in het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen.

  • 3. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de Canadese gans in de perioden van een half uur voor zonsopgang tot zonsopgang en van zonsondergang tot een half uur na zonsondergang, voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in het belang van:

    • a.

      de volksgezondheid en openbare veiligheid;

    • b.

      de veiligheid van het luchtverkeer;

    • c.

      de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen;

    • d.

      de bescherming van flora of fauna.

  • 4. De winterperiode, bedoeld in het eerste en tweede lid, betreft de volgende periode:

    • a.

      in de regio Noordelijke Delta van 1 november tot en met 14 februari;

    • b.

      in de regio's Delfland en Schieland, Veenweiden en Zuid Holland-Noord: van 1 november tot en met 29 februari.

  • 5. De grens tussen de regio Noordelijke Delta en de overige regio’s wordt gevormd door de Nieuwe Waterweg, de Nieuwe Maas, de Noord en de Beneden-Merwede (van west naar oost).

Artikel 3.187 (aanwijzing vergunningvrij geval directe schadebestrijding knobbelzwaan)

  • 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de knobbelzwaan voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in de periode 1 oktober tot en met 31 mei tussen zonsopgang en zonsondergang op de door hem gebruikte gronden met ingezaaid gras, graszoden, graszaad en koolzaad in het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen.

  • 2. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de knobbelzwaan voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in de periode 15 november tot en met 31 mei tussen zonsopgang en zonsondergang op de door hem gebruikte gronden met gras en granen in het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen.

  • 3. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor het opzettelijk doden van de knobbelzwaan voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht op de door hem gebruikte gronden in het belang van de openbare veiligheid als de politie of de burgemeester daarvoor opdracht geeft.

  • 4. Afschot van knobbelzwanen als bedoeld in het eerste en tweede lid, is alleen toegestaan, als de ter plaatse aanwezige groep knobbelzwanen uit ten minste vijftien exemplaren bestaat. Als een groep bestaat uit meer dan vijftig knobbelzwanen geldt een maximum van 10% dat mag worden gedood.

  • 5. Paartjes broedende knobbelzwanen en de erbij lopende (niet vliegende) jongen mogen niet worden gedood, tenzij de knobbelzwanen zich in de onmiddellijke nabijheid van wegen of fietspaden bevinden en er sprake is van een risico voor de openbare veiligheid, naar het oordeel van de politie of de burgemeester.

Artikel 3.188 (aanwijzing vergunningvrij geval directe schadebestrijding smient)

  • 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.37, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor de smient voor zover de activiteit door of namens de grondgebruiker wordt verricht in de periode 1 oktober tot en met 31 mei op de door hem gebruikte gronden met ingezaaid gras, graszoden, graszaad, overige akkerbouwgewassen en vollegrondsgroente in het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de handelingen plaatsvinden in de volgende Natura 2000-gebieden:

    • a.

      Biesbosch;

    • b.

      Boezems Kinderdijk;

    • c.

      Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein;

    • d.

      Donkse Laagten;

    • e.

      Grevelingen;

    • f.

      Haringvliet;

    • g.

      Hollands Diep;

    • h.

      Duinen Goeree & Kwade Hoek;

    • i.

      Nieuwkoopse Plassen & De Haeck;

    • j.

      Oudeland van Strijen;

    • k.

      Krammer-Volkerak;

    • l.

      De Wilck.

§ 3.9.1.3 Flora- en fauna-activiteiten: vergunningvrije gevallen andere soorten

Artikel 3.189 (aanwijzing vergunningvrije gevallen andere soorten inrichting, ontwikkeling, beheer en onderhoud)

  • 1. Het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving te verrichten, geldt niet voor de aangewezen andere soorten opgenomen in bijlage III, onder C1, voor zover de activiteit wordt verricht in het kader van:

    • a.

      de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

    • b.

      bestendig beheer of onderhoud in de land- of bosbouw;

    • c.

      bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of

    • d.

      bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.

  • 2. Het eerste lid is ook van toepassing als geen andere bevredigende oplossing dan het verrichten van de activiteit bestaat als bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

§ 3.9.1.4 Inhoudelijke regels

Artikel 3.190 (middelen bij schadebestrijding)

  • 1. Bij het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 3.186, 3.187 en 3.188 kan alleen gebruik worden gemaakt van:

    • a.

      geweren;

    • b.

      honden, maar geen lange honden;

    • c.

      aantoonbaar gefokte haviken (Accipiter gentilis) of slechtvalken (Falco peregrinus);

    • d.

      woestijnbuizerds; en

    • e.

      slag-, snij- of steekwapens;

    • f.

      lokvogels;

    • g.

      middelen waarmee lokgeluiden kunnen worden gemaakt.

  • 2. Slag-, snij- of steekwapens mogen alleen gebruikt worden voor het doden van gewonde dieren.

Artikel 3.191 (overige regels schadebestrijding)

  • 1. Bij activiteiten als bedoeld in artikel 3.186, 3.187 en 3.188, waarbij een geweer mag worden gebruikt, kan het geweer worden gebruikt gedurende de periode vanaf een halfuur voor zonsopgang tot een halfuur na zonsondergang.

  • 2. De grondgebruiker of degene die de activiteit, bedoeld in artikel 3.186, 3.187 en 3.188, verricht, informeert over en rapporteert over deze activiteit op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze.

§ 3.9.2 Activiteiten die houtopstanden betreffen

§ 3.9.2.1 Algemeen

Artikel 3.192 (activiteiten)

  • 1. Paragraaf 3.9.2 gaat over het vellen van houtopstanden en het herbeplanten van grond na het vellen van houtopstanden of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan, bedoeld in artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2. Paragraaf 3.9.2 bevat aanvullingen en afwijkingen ten opzichte van paragraaf 11.3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.193 (oogmerken)

De regels in paragraaf 3.9.2.2 zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    de natuurbescherming;

  • b.

    de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden; en

  • c.

    bestendig beheer of onderhoud.

Artikel 3.194 (specifieke gegevens en bescheiden bij een aanvraag om maatwerkvoorschrift)

In aanvulling op artikel 3.2 zijn in bijlage IV, onder B9, te verstrekken specifieke gegevens en bescheiden opgenomen.

§ 3.9.2.2 Inhoudelijke regels

Artikel 3.194a (maatwerkregel: meldplicht vellen houtopstanden)

In afwijking van artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijke te vellen zonder dit ten minste vier weken maar niet eerder dan 14 maanden voor het begin daarvan te melden.

Artikel 3.195 (maatwerkregel: uitzondering op meldplicht vellen houtopstanden)

De meldplicht, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is niet van toepassing op:

  • a.

    het kappen van verjongingsgaten, als:

    • deze per verjongingsgat niet groter zijn dan drie maal de boomhoogte met een maximum van 0,25 ha;

    • deze nieuwe verjongingsgaten gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel;

    • dit maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt; en

    • in de oude verjongingsgaten is voldaan aan de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • b.

    het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurmaatregelen, als de te verwijderen houtopstand ontstaan is als gevolg van achterstallig onderhoud.

Artikel 3.196 (maatwerkregel: specifieke gegevens en bescheiden vellen houtopstanden)

Als gedeputeerde staten het bevoegd gezag is waaraan een melding voor het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt gedaan, worden uiterlijk gelijktijdig met de melding de specifieke gegevens en bescheiden verstrekt in bijlage IV, onder D5.

Artikel 3.196a (maatwerkregel: gegevens en bescheiden: start vellen houtopstanden)

Ten minste een dag voor het begin van het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand, bedoeld in artikel 11.126, van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden gedeputeerde staten, als zij het bevoegd gezag zijn, daarover geïnformeerd.

Artikel 3.197 (maatwerkregel: plicht tot herbeplanting)

  • 1. In aanvulling op artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt voor de plicht tot herbeplanting dat:

    • a.

      de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte;

    • b.

      de herbeplanting kwalitatief en kwantitatief minimaal in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of op een andere manier tenietgegane houtopstand;

    • c.

      de te herbeplanten houtopstand, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand met minimaal een vergelijkbare bosstructuur als de gevelde opstand.

  • 2. Aan de plicht tot herbeplanting kan ook worden voldaan door spontane natuurlijke verjonging als daarmee aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden wordt voldaan en de bodemopbouw zoveel mogelijk intact wordt gelaten.

Artikel 3.198 (maatwerkregel: uitzondering op plicht tot herbeplanting)

Artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving is niet van toepassing op:

  • a.

    het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurmaatregelen als de houtopstanden ontstaan zijn als gevolg van achterstallig onderhoud en niet zijn ontwikkeld in het kader van een plicht tot herbeplanting;

  • b.

    het op natuurlijke wijze tenietgaan van houtopstanden als dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen.

Artikel 3.199 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: herbeplanting)

  • 1. Het met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving door gedeputeerde staten toestaan van herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan als:

    • a.

      deze grond onbeplant is;

    • b.

      op deze grond geen herplanting dient plaats te vinden ter uitvoering van een plicht tot herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      op deze grond geen uitvoering dient plaats te vinden van (natuur)compensatieverplichtingen;

    • d.

      geen wettelijk voorschrift of provinciale doelstelling aan herbeplanting in de weg staat; en

    • e.

      deze grond buiten de bebouwingscontour houtkap is gelegen.

  • 2. Met een maatwerkvoorschrift wordt geen herbeplanting op andere grond binnen het natuurnetwerk Nederland toegestaan als de tenietgegane houtopstand buiten het natuurnetwerk Nederland is gelegen.

  • 3. Als de tenietgegane houtopstand is gelegen buiten recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, wordt met een maatwerkvoorschrift alleen herbeplanting op andere grond toegestaan binnen recreatiegebied, als de oppervlakte van de herbeplanting ten minste twee keer zo groot is als de tenietgegane houtopstand.

  • 4. Met een maatwerkvoorschrift wordt geen herbeplanting op andere grond toegestaan als de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, bosreservaat of groen erfgoed, bestaande uit landschappen met oude boskernen, houtwallen en heggen, cultuurhistorische bosjes of kleine landschapselementen, eendenkooien en kansrijke gebieden groen erfgoed, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, tenzij is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      er zijn geen alternatieve oplossingen; en

    • b.

      de velling is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.

  • 5. Aan een maatwerkvoorschrift waarbij herbeplanting op andere grond wordt toegestaan en de te vellen houtopstand onderdeel uitmaakt van een A-locatie bos, bosreservaat of groen erfgoed, bestaande uit landschappen met oude boskernen, houtwallen en heggen, cultuurhistorische bosjes of kleine landschapselementen, eendenkooien en kansrijke gebieden groen erfgoed, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, verbinden gedeputeerde staten voorschriften die het vellen van de houtopstand verbieden tot het moment waarop het besluit voor de ontwikkeling ter plaatse van de te vellen houtopstand onherroepelijk is geworden.

Artikel 3.200 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift: provinciale maatwerkregels)

Met een maatwerkvoorschrift kan van paragraaf 3.9.2.2 worden afgeweken als dit in overeenstemming is met het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, en naar het oordeel van gedeputeerde staten niet tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden.

Afdeling 3.10 Gelegenheid bieden tot zwemmen en baden

§ 3.10.1 Zwemlocaties in oppervlaktewateren

§ 3.10.1.1 Algemeen

Artikel 3.201 (activiteiten)

Paragraaf 3.10.1 gaat over het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden op daarvoor door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocaties als bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.202 (oogmerken)

De regels in paragraaf 3.10.1 zijn gesteld met het oog op de veiligheid en gezondheid van gebruikers van zwemlocaties als bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, meer specifiek op:

  • a.

    het behoud en verbetering van de zwemwaterkwaliteit op een zwemlocatie;

  • b.

    het behoud en verbetering van de veiligheid en hygiëne op een zwemlocatie; en

  • c.

    het voorkomen van verdrinking en letsel van gebruikers op en in de directe nabijheid van een zwemlocatie.

Artikel 3.203 (normadressaat)

Aan paragraaf 3.10.1 wordt voldaan door de houder van een zwemlocatie. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden op een door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocatie.

Artikel 3.204 (specifieke zorgplicht)

  • 1. De houder van een zwemlocatie die gedurende het badseizoen gelegenheid biedt tot zwemmen of baden op een daarvoor door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocatie als bedoeld in artikel 3.201, die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in artikel 3.202, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van de houder van de zwemlocatie kan worden gevraagd.

  • 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      de veiligheid en de hygiëne van gebruikers van de zwemlocatie wordt gewaarborgd;

    • b.

      alle adequate maatregelen worden genomen om verdrinking en verwonding van of letsel bij gebruikers van de zwemlocatie te voorkomen; en

    • c.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van:

      • 1°.

        in zijn algemeenheid verslechtering of achteruitgang van de zwemwaterkwaliteit; en

      • 2°.

        ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

§ 3.10.1.2 Inhoudelijke regels

Artikel 3.205 (beheer en onderhoud zwemlocatie)

De houder van een zwemlocatie draagt zorg voor adequaat beheer en onderhoud van de zwemlocatie gericht op de veiligheid en hygiëne van gebruikers.

Artikel 3.206 (toezicht op veiligheid gebruikers van een zwemlocatie)

De houder van een zwemlocatie waarvan de toegang afgesloten kan worden voor gebruikers en die entree heft aan de gebruikers van de zwemlocatie, houdt voldoende toezicht op de veiligheid van de gebruikers gedurende de uren dat de zwemlocatie is opengesteld voor het publiek.

Artikel 3.207 (onderzoek naar omstandigheden met negatieve effecten)

De houder van een zwemlocatie voert dagelijks, of zo frequent als mogelijk, onderzoek uit naar de omstandigheden in en om de zwemlocatie die een negatief effect kunnen hebben op de veiligheid en hygiëne van bezoekers.

Artikel 3.208 (informeren: onverwachte situaties)

Gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam worden onverwijld geïnformeerd door de houder van een zwemlocatie over onverwachte situaties met negatieve gevolgen voor de kwaliteit van het zwemwater of de gezondheid en veiligheid van gebruikers van de zwemlocatie.

Artikel 3.209 (redelijke maatregelen ten behoeve van de zwemwaterkwaliteit)

  • 1. De houder van een zwemlocatie treft op basis van het zwemwaterprofiel de maatregelen ter verbetering en behoud van de zwemwaterkwaliteit die redelijkerwijs tot zijn verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend.

  • 2. De houder van een zwemlocatie neemt maatregelen om de zwemwaterkwaliteitsklasse van de zwemlocatie op ten minste “aanvaardbaar” te houden, als bedoeld in artikel 2.19 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.210 (zwemwaterbeheersmaatregelen bij zwemwaterverontreinigingen)

  • 1. De houder van een zwemlocatie treft passende zwemwaterbeheersmaatregelen als:

    • a.

      uit het jaarlijkse onderzoek naar de veiligheid, bedoeld in artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, blijkt dat de veiligheid en hygiëne niet voldoen aan de eisen; of

    • b.

      door monitoring van de beheerder van het oppervlaktewater of door inspectie van de omgevingsdienst wordt vastgesteld dat op de zwemlocatie sprake is van zwemwaterverontreinigingen door teerachtige residuen, glas, plastic, rubber of ander afval.

  • 2. Het eerste lid is van toepassing vanaf het moment dat de houder van een zwemlocatie door gedeputeerde staten in kennis is gesteld over de resultaten van de monitoring of de inspectie.

Artikel 3.211 (nadere aanduiding en afbakening zwemzone)

  • 1. De houder van een zwemlocatie informeert gebruikers van de zwemlocatie:

    • a.

      waar de grens ligt tussen het zwemwater dat geschikt is voor zwemmen en baden, en het overige water; en

    • b.

      waar zich mogelijk gevaren voordoen voor zwemmers en baders binnen het deel van het zwemwater dat geschikt is voor zwemmen en baden.

  • 2. De houder van een zwemlocatie draagt zorg voor een afbakening van de zwemzone zodat bezoekers in deze zone niet in aanraking komen met andere vormen van waterrecreatie die de veiligheid van de bezoekers in gevaar kunnen brengen.

Artikel 3.212 (inrichting zwemwater)

  • 1. De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat de stranden langs het zwemwater schoon en egaal zijn.

  • 2. De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat het talud van het zwemwater, bedoeld in artikel 3.211, eerste lid, onder a, een helling heeft van maximaal 20% tot het punt waar het zwemwater een diepte heeft van 1,50 meter.

Artikel 3.213 (springvoorzieningen)

  • 1. De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat er alleen springvoorzieningen zijn waar het zwemwater dieper is dan 1,40 meter.

  • 2. Een springvoorziening bestaat alleen uit startblokken als het zwemwater, bedoeld in artikel 3.211, eerste lid, onder a, een diepte heeft tussen 1,40 en 2,00 meter.

  • 3. Een springvoorziening is aan de zijkanten van leuningen voorzien als het loopvlak zich op een hoogte van meer dan 1 meter boven het waterspiegel of het perron bevindt. De leuningen lopen door tot ten minste 0,50 meter voorbij het punt dat zich loodrecht boven de rand van het bassin bevindt.

Artikel 3.214 (maatregelen voorkomen letsel en verwonding)

De houder van een zwemlocatie treft adequate maatregelen ter voorkoming van risico’s voor de veiligheid en gezondheid van gebruikers als gevolg van het gebruik van voorzieningen of vanwege obstakels op de zwemlocatie.

Artikel 3.215 (sanitaire voorzieningen)

  • 1. De houder van een zwemlocatie maakt toiletbezoek van gebruikers van de zwemlocatie mogelijk, als er regelmatig meer dan 25 gebruikers zijn. In dat geval zorgt de houder van de zwemlocatie ervoor dat er minimaal één toilet per 150 gebruikers aanwezig is.

  • 2. De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat een op een zwemlocatie aanwezige sanitaire voorziening schoon, werkend en goed onderhouden is.

  • 3. De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat gebruikers:

    • a.

      zich niet kunnen bezeren aan scherpe randen en uitsteeksels van de aanwezige sanitaire voorzieningen; en

    • b.

      niet in of op de aanwezige sanitaire voorzieningen kunnen uitglijden.

§ 3.10.2 Badwaterbassins

§ 3.10.2.1 Algemeen

Artikel 3.216 (activiteiten)

Paragraaf 3.10.2.2 bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 15.6, vierde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en gaat over het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin en de activiteiten in afdeling 15.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

§ 3.10.2.2 Inhoudelijke regels

Artikel 3.217 (afwijkende termijn melding artikel 15.13 Bal - badwaterbassins waarin het water wordt gedesinfecteerd)

In afwijking van het bepaalde in artikel 15.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit ‘het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin waarin het water wordt gedesinfecteerd’, bedoeld in artikel 15.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste drie maanden voor het begin ervan aan gedeputeerde staten te melden.

Artikel 3.218 (afwijkende termijn melding artikel 15.31 Bal - zwemvijvers)

In afwijking van het bepaalde in artikel 15.31 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit ‘het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een zwemvijver’, bedoeld in artikel 15.30 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste drie maanden voor het begin ervan aan gedeputeerde staten te melden.

Artikel 3.219 (afwijkende termijn melding artikel 15.47 Bal - badwaterbassins voor eenmalig gebruik)

In afwijking van het bepaalde in artikel 15.47 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit ‘het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een badwaterbassin voor eenmalig gebruik’, bedoeld in artikel 15.46 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste drie maanden voor het begin ervan aan gedeputeerde staten te melden.

Artikel 3.220 (afwijkende termijn melding artikel 15.50 Bal - overige badwaterbassins)

In afwijking van het bepaalde in artikel 15.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving, is het verboden de activiteit ‘het gelegenheid bieden tot zwemmen of baden in een overig badwaterbassin’, bedoeld in artikel 15.49 van het Besluit activiteiten leefomgeving, te verrichten zonder dit ten minste drie maanden voor het begin ervan aan gedeputeerde staten te melden.

Artikel 3.221 (logboek registratie sluiting en heropening badwaterbassin)

  • 1. Dit artikel is van toepassing op de sluiting en heropening van een badwaterbassin als bedoeld in artikel 15.26, artikel 15.42 en artikel 15.59 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2. De sluiting en de heropening van een badwaterbassin als bedoeld in het vorige lid worden geregistreerd in een logboek.

  • 3. Het logboek bevat in ieder geval een registratie van:

    • a.

      de aanleiding;

    • b.

      de resultaten van de meting die tot sluiting van het badwaterbassin heeft geleid;

    • c.

      de geconstateerde risico’s voor de veiligheid van de gebruikers en de kwaliteit van het water;

    • d.

      de resultaten van de meting die tot heropening van het badwaterbassin heeft geleid;

    • e.

      de beoogde maatregelen ter voorkoming van herhaling.

  • 4. Degene die de activiteit verricht is verantwoordelijk voor het bijhouden van het logboek.

Afdeling 3.11 Ontgrondingen op land en in regionale wateren

§ 3.11.1 Algemeen

Artikel 3.222 (activiteiten)

Deze afdeling gaat over ontgrondingsactiviteiten op land, in regionale wateren en in een winterbed van een rivier in beheer bij het Rijk, bedoeld in hoofdstuk 16 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

§ 3.11.2 Inhoudelijke regels

Artikel 3.223 (aanwijzing vergunningvrij geval Maasvlakte)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in artikel 16.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het ontgronden voor het aanleggen, onderhouden, verruimen en verdiepen van havens en daarin gelegen kunstwerken binnen de locatie maasvlakte waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Afdeling 3.12 Ruimtelijk voorbeschermingsregels (met het oog op het in de toekomst voldoen aan instructieregels)

§ 3.12.1 Algemeen

Artikel 3.224 (activiteiten)

Deze afdeling gaat over activiteiten waarvoor regels als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Omgevingswet noodzakelijk zijn aanvullend op bepalingen in afdeling 7.3.

Artikel 3.225 (oogmerken)

Deze afdeling is gericht op het voorkomen dat locaties minder geschikt worden voor een krachtens de bepalingen in afdeling 7.3 te verwezenlijken doel, zolang geen omgevingsplan in werking is getreden overeenkomstig die bepalingen.

§ 3.12.2 Inhoudelijke regels geitenhouderij

Artikel 3.226 (verbod geitenhouderij)

  • 1. Het is verboden om:

    • a.

      een geitenhouderij te vestigen als hoofdtak of als neventak; en

    • b.

      nieuwe bebouwing op te richten of bestaande bebouwing in gebruik te nemen ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt.

  • 2. Het verbod geldt voor een locatie totdat voor die locatie een onherroepelijk omgevingsplan is of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit onherroepelijk is geworden in overeenstemming is met artikel 7.59 eerste lid, onder k.

HOOFDSTUK 4 ONDERHOUDSPLICHTEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

Afdeling 4.1 Provinciale vaarwegen

Artikel 4.1 (onderhoudsplicht werken en voorwerpen provinciale vaarwegen)

Degene die een werk of een vaste stof of voorwerp brengt op of aan de provinciale vaarweg, overeenkomstig afdeling 3.7, is gehouden dat werk, die vaste stof of dat voorwerp te onderhouden, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

Artikel 4.2 (onderhoudsplicht oevers)

  • 1. De onderhoudsplichtige van de oever langs een provinciale vaarweg moet, onverminderd het bepaalde in de onderhoudslegger van het bevoegde waterschap, deze stevig en passend in de omgeving houden, zodat deze in goede staat is.

  • 2. Over de omvang en inhoud van de onderhoudsplicht en over de inspectie van de oever zijn de regels in bijlage V van toepassing.

Afdeling 4.2 Provinciale wegen

Artikel 4.3 (onderhoudsplicht werken en voorwerpen provinciale wegen)

Degene die een werk of een vaste stof of voorwerp brengt op of aan de provinciale weg, overeenkomstig afdeling 3.8, is gehouden dat werk, die vaste stof of dat voorwerp te onderhouden, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

HOOFDSTUK 5 OMGEVINGSWAARDEN

Afdeling 5.1 Veiligheid regionale waterkeringen

Artikel 5.1 (omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen)

Voor de veiligheid van regionale waterkeringen gelden de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.3.

Artikel 5.2 (toepassingsbereik veiligheid per regionale waterkering)

De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen gelden voor de locaties, bedoeld in artikel 2.13 van deze verordening.

Artikel 5.3 (omgevingswaarden veiligheid per regionale waterkering)

Voor de in artikel 2.13 aangewezen locaties, geldt de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de maatgevende hoogwaterstand waarop de regionale waterkering, of een deel daarvan, moet zijn berekend, bedoeld in bijlage II (norm opgenomen bij het geo-informatieobject).

Artikel 5.4 (termijn en aard omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen)

  • 1. Aan de omgevingswaarden voor veiligheid van regionale waterkeringen wordt bij de verbetering van een regionale waterkering uiterlijk voldaan met ingang van het tijdstip zoals aangegeven in bijlage VI, onder A.

  • 2. De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen zijn bij de aanleg en verbetering van regionale waterkeringen resultaatsverplichtingen.

  • 3. De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen zijn bij het uitvoeren van beheer en onderhoud aan regionale waterkeringen inspanningsverplichtingen.

Artikel 5.5 (verzoek tot aanpassing termijn)

  • 1. Het waterschapsbestuur kan gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken tot aanpassing van het tijdstip, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid.

  • 2. Het eerste lid kan voor gevallen waarin:

    • a.

      het voldoen aan de omgevingswaarde onevenredig kostbaar is;

    • b.

      door omstandigheden buiten de invloedssfeer van het waterschapsbestuur de resultaten van de beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkering zo wijzigen dat niet wordt of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde; of

    • c.

      ondanks de verrichte handelingen daarvoor niet binnen een passende termijn is of kan worden voldaan aan de omgevingswaarde door de doorlooptijd van het treffen van maatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde.

Afdeling 5.2 Kans op overstroming regionale wateren

Artikel 5.6 (omgevingswaarden gemiddelde kans op overstroming)

  • 1. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, gelden de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.8 en 5.9.

  • 2. Voor zover van toepassing, gelden voor de toepassing van het eerste lid de regels zoals opgenomen in bijlage VI, onder B1.

Artikel 5.7 (toepassingsbereik gemiddelde kans op overstroming per gebied)

  • 1. De omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.6, gelden voor de gebieden die zijn aangewezen in artikel 5.8 en 5.9.

  • 2. De omgevingswaarden gelden op het niveau van een peilgebied.

Artikel 5.8 (omgevingswaarden kans op overstroming binnen de bebouwde kom)

Binnen de bebouwde kom, geldt voor locaties waaraan in het omgevingsplan de hierna genoemde functies zijn toegedeeld, een gemiddelde kans op overstroming van:

  • a.

    1/100 per jaar voor locaties met de functie hoofdinfrastructuur, spoorwegen of bebouwing, met uitzondering van glastuinbouw;

  • b.

    1/50 per jaar voor locaties met de functie glastuinbouw;

  • c.

    1/10 per jaar voor locaties met overige functies.

Artikel 5.9 (omgevingswaarden kans op overstroming buiten de bebouwde kom)

  • 1. Buiten de bebouwde kom, geldt voor locaties waaraan in het omgevingsplan de hierna genoemde functies zijn toegedeeld, een gemiddelde kans op overstroming van:

    • a.

      1/100 per jaar voor locaties met de functie hoofdinfrastructuur of spoorwegen;

    • b.

      1/50 per jaar voor locaties met de functie glastuinbouw of hoogwaardige land- en tuinbouw;

    • c.

      1/25 per jaar voor locaties met de functie akkerbouw;

    • d.

      1/10 per jaar voor locaties met de functie grasland, gedurende de periode van 1 maart tot 1 oktober.

  • 2. Voor bebouwing buiten de bebouwde kom geldt de omgevingswaarde van het omringend landgebruik, genoemd in het eerste lid, aanhef, onder b, c of d.

  • 3. Binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, geldt voor bebouwing buiten de bebouwde kom de omgevingswaarde van het omringend landgebruik, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a.

  • 4. Voor de toepassing van het eerste lid, is wat betreft het landgebruik de functie van de locatie zoals vastgelegd in het omgevingsplan bepalend. Als een omgevingsplan onvoldoende duidelijkheid verschaft, dan kan het landgebruik ook worden bepaald met behulp van het Landelijk Grondgebruikersbestand Nederland van Wageningen University & Research.

Artikel 5.10 (termijn en aard omgevingswaarde kans op overstroming regionale wateren)

  • 1. Aan de omgevingswaarden wordt voldaan met ingang van 1 januari 2028.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt voor het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht, het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en het Waterschap Rivierenland de termijn waarop moet worden voldaan aan de omgevingswaarden, opgenomen in bijlage VI, onder B2.

  • 3. De omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.8 en 5.9, zijn inspanningsverplichtingen.

Artikel 5.11 (uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden kans op overstroming regionale wateren)

  • 1. Voor zover het waterschapsbestuur voor een gebied binnen een peilgebied op aanvraag een peil toestaat dat afwijkt van het peil vastgesteld in een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41 van de Omgevingswet, geldt een omgevingswaarde als bedoeld in artikel 5.8 of 5.9 niet voor het gebied met het afwijkende peil.

  • 2. In overige gevallen, waarin het niet doelmatig is om aan de omgevingswaarden te voldoen, kan het waterschapsbestuur gedeputeerde staten gemotiveerd verzoeken te bepalen dat wordt afgeweken van de in de artikelen 5.8 en 5.9 opgenomen omgevingswaarde.

HOOFDSTUK 6 TOEDELING VAN SPECIFIEKE TAKEN

Afdeling 6.1 Beheer van watersystemen

Artikel 6.1 (regionale wateren in beheer)

In deze verordening is met het beheer van regionale wateren bedoeld: het beheer van watersystemen dat op grond van artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet bij provinciale verordening is opgedragen aan waterschappen.

Artikel 6.2 (beheer grondwaterkwaliteit Rotterdams havengebied)

  • 1. In afwijking van artikel 6.1 berust het beheer van watersystemen met betrekking tot het grondwaterlichaam gelegen in of onder het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam voor zover dat betrekking heeft op de grondwaterkwaliteit in relatie tot het beheer van historische verontreinigingen in het grondwater, bij het gemeentebestuur van de gemeente Rotterdam.

  • 2. De geometrische begrenzing van het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam is vastgelegd in bijlage II.

Afdeling 6.2 Beheer van vaarwegen

Artikel 6.3 (vaarwegbeheer provinciale vaarwegen)

Het beheer van provinciale vaarwegen, bedoeld in bijlage VII, onder A1, berust bij gedeputeerde staten.

Artikel 6.4 (toedeling vaarwegbeheer aan anderen)

Het beheer van regionale vaarwegen en bruggen en sluizen bedoeld in bijlage VII, onder A2, berust bij het waterschap of een gemeente bedoeld in bijlage VII, onder A2.

HOOFDSTUK 7 INSTRUCTIEREGELS

Afdeling 7.1 Uitoefening van een specifieke taak of bevoegdheid

§ 7.1.1 Bebording stiltegebieden

Artikel 7.1 (bebording stiltegebieden)

  • 1. Gedeputeerde staten dragen zorg voor een goed zichtbare aanduiding van de begrenzing van stiltegebieden door het plaatsen van borden.

  • 2. De borden, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die tot stiltegebieden toegang geven of daaraan grenzen, op of nabij de grens van het stiltegebied.

  • 3. Het model van het bord, bedoeld in het eerste lid, is vastgelegd in bijlage VIII, onder A1.

  • 4. De aanduiding van een stiltegebied als bedoeld in het eerste lid, kan in aanvulling op de bebording, bedoeld in het derde lid, ook plaatsvinden op een andere wijze die in bijlage VIII, onder A2 is aangegeven.

§ 7.1.2 Bebording grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 7.2 (bebording grondwaterbeschermingsgebieden)

  • 1. Het drinkwaterbedrijf draagt zorg voor een goed zichtbare aanduiding van de begrenzing van in ieder geval waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones door het plaatsten borden.

  • 2. Het drinkwaterbedrijf kan ook zorg dragen voor een goed zichtbare aanduiding van de begrenzing van boringsvrije zones en gebieden voor aanvullende strategische voorraden.

  • 3. De borden, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen die tot waterwingebieden of grondwaterbeschermingszones toegang geven of daaraan grenzen, op of nabij de grens van die gebieden.

  • 4. Het model van het bord, bedoeld in het eerste lid, is vastgelegd in bijlage VIII, onder B1.

  • 5. In afwijking van het tweede lid, vindt voor gevallen aangegeven in bijlage VIII, onder B2 de aanduiding van boringsvrije zones en gebieden voor aanvullende strategische voorraden plaats op de daarbij aangegeven wijze van aanduiding.

§ 7.1.3 Beheer van watersystemen

Artikel 7.3 (maatregelen bij (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarde veiligheid regionale waterkeringen)

  • 1. Als het waterschapsbestuur naar aanleiding van de monitoring van de omgevingswaarde veiligheid van de regionale waterkeringen, bedoeld in paragraaf 13.1, vaststelt dat het aannemelijk is dat voor een regionale waterkering niet wordt voldaan of niet zal worden voldaan aan de omgevingswaarde neemt het waterschapsbestuur de nodige maatregelen, al dan niet als onderdeel van een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Omgevingswet, ter verbetering van de regionale waterkering.

  • 2. Bij het verbeteren van een regionale waterkering strekt de methode bedoeld artikel 13.1, eerste lid, onder a, tot aanbeveling van het waterschap.

  • 3. Onverminderd artikel 5.5 zijn de verbetermaatregelen, bedoeld in het eerste lid, er op gericht te bevorderen dat de regionale waterkering binnen een zo kort mogelijke periode aan de daarvoor geldende omgevingswaarde voldoet.

  • 4. Zonodig treft het waterschapsbestuur de nodige voorzorgs- of andere beschermende maatregelen, anders dan als onderdeel van een programma als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Omgevingswet, om de risico’s die verband houden met de (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarde voor die regionale waterkering te beheersen gericht op het voldoen aan de omgevingswaarde.

Artikel 7.4 (legger)

  • 1. De legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, bevat, in aanvulling op het eerste en derde lid van dat artikel, in ieder geval:

    • a.

      het lengteprofiel en de dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen;

    • b.

      de gemiddelde dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden onder beheer bij het waterschap;

    • c.

      een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkering in beheer bij het waterschap;

    • d.

      een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken en de bijzondere constructies die deel uitmaken van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden die in beheer zijn bij het waterschap.

  • 2. Aan het eerste lid, onder d, is voldaan met ingang van het tijdstip opgenomen in bijlage VIII, onder C1.

  • 3. Op bergingsgebieden in beheer bij het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, het Waterschap Rivierenland of het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is niet van toepassing:

    • a.

      het bepaalde in artikel 2.39, eerste lid, van de Omgevingswet, voor zover het de vorm en constructie betreft; en

    • b.

      het bepaalde in het eerste lid, aanhef, onder b en d.

  • 4. Op secundaire wateren in beheer bij het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht is het eerste lid, aanhef en onder b, niet van toepassing.

Artikel 7.5 (aanwijzing regionale wateren peilbesluit)

  • 1. Het waterschapsbestuur stelt één of meer peilbesluiten als bedoeld in artikel 2.41, eerste lid, van de Omgevingswet vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de peilbesluitgebieden waarvan de indicatieve geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Peilbesluiten moeten actueel zijn.

Artikel 7.6 (rangorde van waterschaarste regionale wateren)

  • 1. Dit artikel geldt alleen voor Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

  • 2. In geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek, bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen voor wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder letter c, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      het verwerken van industrieel proceswater;

    • b.

      de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.

  • 3. In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek, bij het beheer van de regionale wateren voor wat betreft de in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder letter d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      de waterkwaliteit in stedelijk gebied;

    • b.

      beroepsvaart;

    • c.

      akkerbouw;

    • d.

      beregening sportvelden;

    • e.

      grasland;

    • f.

      recreatievaart;

    • g.

      natuur, voor zover het niet gaat om het voorkomen van onomkeerbare schade.

  • 4. In geval van waterbehoeften van buiten het gebied van het waterschap, zijn het tweede en derde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.7 (regionaal waterprogramma)

Het gemeentebestuur van de gemeente Rotterdam neemt bij de uitoefening van het beheer van de grondwaterkwaliteit in het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam, bedoeld in artikel 6.2, het regionaal waterprogramma en het waterbeheerprogramma in acht voor zover dat uitvoering geeft aan de Kaderrichtlijn water en de Grondwaterrichtlijn.

§ 7.1.4 Vaarwegbeheer

Artikel 7.8 (vaarwegprofielen)

Voor het deel van de provinciale vaarwegen, bedoeld in artikel 2.4, en regionale vaarwegen als bedoeld in artikel 2.5, dat vrij beschikbaar is voor de afwikkeling van scheepvaartverkeer draagt de beheerder van de vaarweg zorg voor de gewenste noodzakelijke minimale breedte, diepte en vrije doorvaarthoogte van de dwarsdoorsnede, bedoeld in bijlage VIII, onder D1.

§ 7.1.5 Wegbeheer door gemeente of waterschap

Artikel 7.9 (samenwerking met andere wegbeheerders)

  • 1. De aansluiting van een openbare weg in beheer bij een gemeente of een waterschap op een provinciale weg, vereist de voorafgaande toestemming van gedeputeerde staten.

  • 2. De toestemming kan worden onthouden wegens strijd met de in artikel 1.4 bedoelde belangen.

  • 3. De toestemming kan afhankelijk worden gesteld van medewerking aan de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wegenwet.

  • 4. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op het niet tijdig beslissen op de aanvraag om het geven van toestemming als bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 7.2 Programma's

§ 7.2.1 Waterbeheerprogramma

Artikel 7.10 (inhoud waterbeheerprogramma)

  • 1. Het waterbeheerprogramma, bedoeld in artikel 3.7 van de Omgevingswet, bevat in aanvulling op artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenminste:

    • a.

      een beschrijving van de bestaande toestand van het watersysteem waarover het beheer zich uitstrekt;

    • b.

      een beschrijving van het beheer van het watersysteem gericht op de daaraan toegekende functies en doelstellingen;

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, die nodig zijn om de gestelde doelen te realiseren of de geconstateerde knelpunten op te lossen;

    • d.

      een raming van de kosten van de gedurende de programmaperiode te nemen maatregelen, inzicht in de dekking van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de programmaperiode.

  • 2. Bij de vaststelling van het waterbeheerprogramma betrekt de waterbeheerder in ieder geval:

    • a.

      de aan het programma ten grondslag liggende afwegingen en de uitkomsten van eventueel uitgevoerde onderzoeken;

    • b.

      een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterprogramma, die worden gerealiseerd door het uitvoeren van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onder c;

    • c.

      een beschrijving van de wijze waarop het watersysteem is getoetst aan de omgevingswaarde gemiddelde kans op overstroming als bedoeld in artikel 5.6 van deze verordening.

Artikel 7.10a (gevaarlijke stoffen)

Bij het vaststellen van maatregelen ter uitvoering van artikel 6, eerste lid, van de grondwaterrichtlijn in een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 4.3, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden de verontreinigende stoffen genoemd in Bijlage III, onder Aa, als gevaarlijk beschouwd als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de grondwaterrichtlijn.

Artikel 7.11 (omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen)

Met de uitvoering van een waterbeheerprogramma wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.3.

Artikel 7.12 (omgevingswaarden gemiddelde kans op overstroming)

Met de uitvoering van een waterbeheerprogramma wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 5.8 en 5.9.

Afdeling 7.3 Omgevingsplannen

§ 7.3.1 Algemeen

Artikel 7.13 (toepassingsbereik)

Deze afdeling is van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet.

Artikel 7.14 (aanpassingstermijn omgevingsplan)

  • 1. Op het moment dat een omgevingsplan of een onderdeel wordt vastgesteld en uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van een bepaling in afdeling 7.3 voldoet een omgevingsplan of onderdeel aan die bepaling.

  • 2. De termijn van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing, voor zover bij een bepaling in afdeling 7.3 een andere termijn is genoemd, waarop het omgevingsplan aan die bepaling moet voldoen.

  • 3. De termijn van drie jaar, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op artikel 7.43 en artikel 7.3.7.1.

Artikel 7.15 (eerbiedigende werking)

  • 1. Bij de vaststelling van een onderdeel van een omgevingsplan kan een bepaling in afdeling 7.3, buiten toepassing blijven voor zover deze betrekking heeft op een locatie waar:

    • a.

      een activiteit die in strijd is met die bepaling, is toegelaten in het omgevingsplan en rechtmatig wordt verricht;

    • b.

      een activiteit die in strijd is met die bepaling, is toegestaan op grond van een onherroepelijk verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • c.

      een activiteit die in strijd is met die bepaling en is toegelaten in het omgevingsplan, niet wordt verricht en waarvoor geldt dat onverkorte toepassing van die bepaling onevenredig zou zijn met het oog op zwaarwegende belangen van toelaten van de activiteit.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op artikel 7.62.

§ 7.3.2 Externe veiligheid (omgevingsveiligheid)

§ 7.3.2.1 Risicogebieden externe veiligheid

Artikel 7.16 (opname risicogebieden externe veiligheid)

De locaties risicogebied externe veiligheid Botlek-Vondelingenplaat, risicogebied externe veiligheid Europoort en Landtong, risicogebied externe veiligheid Maasvlakte 1 en Maasvlakte 2, risicogebied externe veiligheid Zeehavens Dordrecht, risicogebied externe veiligheid Eemhaven en Distripark Albrandswaard en risicogebied externe veiligheid Waalhaven, waarvan de geometrische begrenzing in bijlage II is vastgelegd, worden als risicogebieden externe veiligheid opgenomen in het omgevingsplan.

Artikel 7.17 (waarborgen ruimte risicogebieden externe veiligheid)

Bij het al dan niet toewijzen van een reservering van ruimte voor een aandachtsgebied in het omgevingsplan rond de risicogebieden externe veiligheid, genoemd in artikel 7.16, wordt de ruimte van activiteiten waarvoor het risicogebied externe veiligheid is gereserveerd in acht genomen.

§ 7.3.2.2 Groepsrisicobenadering

Artikel 7.18 (groepsrisicobenadering aandachtsgebieden met verhoogd groepsrisico)

  • 1. In aanvulling op artikel 5.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, worden voor een aandachtsgebied met verhoogd groepsrisico de volgende overwegingen betrokken in het omgevingsplan:

    • a.

      mogelijkheden om de ruimtelijke ontwikkeling plaats te laten vinden buiten het aandachtsgebied;

    • b.

      alternatieven met een lager groepsrisico;

    • c.

      waardering van al bestaande bescherming, waaronder:

      • 1°.

        in de wet- en regelgeving voorgeschreven basisvoorzieningen;

      • 2°.

        andere in het verleden getroffen maatregelen die gedeeltelijk of geheel bescherming bieden;

    • d.

      mogelijkheden tot aanvullende bescherming, waaronder:

      • 1°.

        binnen het aandachtsgebied afstand houden tot de risicobron;

      • 2°.

        aanvullende risicocommunicatie;

      • 3°.

        beperking van personendichtheden in de omgeving van de risicobron;

      • 4°.

        vlucht- en schuilmogelijkheden binnen het aandachtsgebied;

      • 5°.

        treffen van omgevingsmaatregelen tussen de risicobron en bebouwde omgeving;

      • 6°.

        aanvullende bouwmaatregelen;

    • e.

      mogelijkheden om aan de risicobron maatregelen te treffen;

    • f.

      door de veiligheidsregio geadviseerde maatregelen op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid;

    • g.

      de aanwijzing van een brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied als brandvoorschriftengebied respectievelijk explosievoorschriftengebied als bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 2. Bij het opstellen of wijzigen van het omgevingsplan wordt gemotiveerd op welke wijze de onderdelen, bedoeld in het eerste lid, zijn betrokken.

§ 7.3.2.3 Veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas

Artikel 7.19 (aanwijzing en geometrische begrenzing veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas)

De veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas zijn de locaties binnen 25 meter van de rijksvaarwegen Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.20 (waarborgen veiligheid oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas)

  • 1. Een omgevingsplan voor locaties binnen veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas laat nieuwe bebouwing of nieuwe activiteiten alleen toe als voor de effecten van een plasbrand vergelijkbare veiligheid wordt gegarandeerd als buiten de veiligheidszone en hierover advies is gevraagd van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      havengebonden nieuwe bebouwing of nieuwe activiteiten binnen de uitzondering veiligheidszone Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas risicogebieden externe veiligheid, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II;

    • b.

      voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van de vaarweg en de haven;

    • c.

      incidentele kleinschalige voorzieningen voor dagrecreatie.

§ 7.3.2.4 Niet-Basisnet transportroutes

Artikel 7.21 (aanwijzing en geometrische begrenzing niet-Basisnet transportroutes)

De niet-Basisnet transportroutes zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.22 (aandachtsgebieden langs niet-Basisnet transportroutes in verband met groepsrisico)

  • 1. Langs de niet-Basisnet transportroutes, bedoeld in artikel 7.21, strekt het effectgebied voor incidenten met brand bij het vervoer van gevaarlijke stoffen zich uit tot een afstand van 30 meter, gemeten vanaf de kant van de weg en strekt het effectgebied voor incidenten met explosies zich uit tot een afstand van 200 meter gemeten vanaf de kant van de weg.

  • 2. In een omgevingsplan wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de effectgebieden, bedoeld in het eerste lid, rekening gehouden met de effecten van mogelijke incidenten met het vervoer van gevaarlijk stoffen.

  • 3. Aan het tweede lid wordt in ieder geval voldaan als een omgevingsplan, in aanvulling op § 7.3.2.2:

    • a.

      binnen een effectgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toelaat;

    • b.

      de locaties waar beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties worden toegelaten, in ieder geval waarborgt:

      • 1°.

        dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties tegen de effecten van een ongewoon voorval met gevaarlijke stoffen op de transportroute; of

      • 2°.

        dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.

    • c.

      dat de onderbouwing van het groepsrisico in het effectgebied berust op een advies van de veiligheidsregio met betrekking tot maatregelen op het gebied van hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid om de veiligheid van bestaande en te ontwikkelen kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties te optimaliseren.

§ 7.3.3a Buitendijks bouwen

[vervallen]

Artikel 7.23 (aanwijzing en geometrische begrenzing buitendijks gebied)

[vervallen]

Artikel 7.24 (bouwen binnen het buitendijks gebied)

[vervallen]

§ 7.3.4 Waterkeringen

Artikel 7.25 (geen belemmeringen voor regionale waterkeringen)

  • 1. In het omgevingsplan worden aan de regionale waterkeringen, bedoeld in artikel 2.13, de functie “regionale waterkering” toebedeeld.

  • 2. In het omgevingsplan worden aan locaties van beperkingengebieden ter bescherming van regionale waterkeringen in beheer bij het waterschap, de functie “beperkingengebied met betrekking tot een waterkering” toebedeeld.

  • 3. Bij de toepassing van het eerste en het tweede lid wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger, bedoeld in artikel 2.39 van de Omgevingswet, en de bij waterschapsverordening aangewezen en geometrisch begrensde beperkingengebieden.

  • 4. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een regionale waterkering of een beperkingengebied met betrekking tot een regionale waterkering als bedoeld in het eerste en het tweede lid wordt bij het toelaten van activiteiten of ruimtelijke ontwikkelingen in het omgevingsplan gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor de instandhouding, het onderhoud of versterking van de regionale waterkering.

  • 5. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering.

Artikel 7.26 (profiel van vrije ruimte)

Het omgevingsplan neemt een in een waterschapsverordening vastgesteld profiel van vrije ruimte ten behoeve van een toekomstige versterking of uitbreiding van een waterkering in beheer bij het waterschap, in acht.

§ 7.3.5 Grondwaterkwaliteit

§ 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie

Artikel 7.27 (toepassingsbereik)

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op een grondwatergevoelig gebouw, zijnde:

    • a.

      een bodemgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of

    • b.

      elk ander gebouw of gedeelte van een gebouw dat geheel of gedeeltelijk de bodem raakt, voor zover de oppervlakte van het gedeelte van het gebouw dat de bodem raakt ten minste 50 m2 bedraagt.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op een grondwatergevoelig gebouw op een locatie in het gebied met grondwaterbeheer Rotterdam, bedoeld in artikel 6.2, tweede lid.

Artikel 7.28 (definitie grondwatergevoelige locatie)

Als grondwatergevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd:

  • a.

    een bodemgevoelige locatie als bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • b.

    de locatie waarop een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, aanhef en onder b, is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

  • c.

    een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld in artikel 7.27, onder b, grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein, voor zover de tuin of het terrein daarmee samenhang heeft.

Artikel 7.29 (voorafgaand onderzoek)

  • 1. Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 redelijkerwijs is uit te sluiten.

  • 2. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit:

    • a.

      het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 7.30 (verontreiniging van grondwater)

Onder verontreiniging van grondwater wordt verstaan een overschrijding van:

  • a.

    de voorkeurswaarde in bijlage III, onder Aa1, voor zover de verontreiniging in staat is een grondwaterafhankelijk natuurgebied als bedoeld in artikel 2.13 of een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2 te beïnvloeden; of

  • b.

    de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering in bijlage III, onder Aa1 voor overige gebieden of locaties.

Artikel 7.31 (risicobeoordeling grondwaterkwaliteit)

  • 1. Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie bij een verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 alleen is toegelaten als een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in paragraaf 3.4.2 is verricht.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing als de bron van verontreiniging van het grondwater:

    • a.

      zich niet (langer) bevindt in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie, tenzij uit het vooronderzoek bodem, bedoeld in artikel 5.7a van het Besluit activiteiten leefomgeving, of een beschikking als bedoeld in artikel 7.29, tweede lid, onder b, blijkt dat er sprake is van een zak- of drijflaag; of

    • b.

      zich in de vaste bodem van de grondwatergevoelige locatie bevindt en diffuus van aard is.

  • 3. Het eerste lid is ook niet van toepassing als de verontreiniging van grondwater:

    • a.

      het gevolg is van een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie;

    • b.

      een restverontreiniging na het uitvoeren van een grondwatersanering betreft en als zodanig is opgenomen in een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 3.141d of een beschikt evaluatieverslag als bedoeld in artikel 39c van de Wet bodembescherming, zoals dat artikel luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 7.32 (sanerende maatregelen bij significante grondwaterverontreiniging)

  • 1. Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als de volgende sanerende maatregelen worden getroffen:

    • a.

      een bronaanpak overeenkomstig de regels voor het saneren van de bodem in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als uit de aan gedeputeerde staten op grond van artikel 3.132 verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c.

    • b.

      een grondwatersanering overeenkomstig de regels in paragraaf 3.4.3 als uit de aan gedeputeerde staten op grond van artikel 3.1134 verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c.

  • 2. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing indien er sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.

Artikel 7.33 (omgevingsvergunning bouwen op een grondwatergevoelige locatie)

  • 1. Als in een omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, worden in het omgevingsplan regels gesteld die er toe strekken dat de omgevingsvergunning voor een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie waarbij sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 7.32, worden getroffen.

  • 2. Een omgevingsplan bepaalt dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, de volgende gegevens en bescheiden worden verstrekt:

    • a.

      het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 7.29 tweede lid;

    • b.

      als er sprake is van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30: een afschrift van de gegevens en bescheiden na het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten zijn verstrekt;

    • c.

      als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, onder a wordt verricht;

    • d.

      als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 wordt verricht.

Artikel 7.34 (melding bouwactiviteit)

  • 1. Een omgevingsplan bepaalt dat het verboden is een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie te bouwen zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2. Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a.

      de naam en het adres van degene die de bouwactiviteit verricht;

    • b.

      het adres waar de bouwactiviteit wordt verricht;

    • c.

      de dagtekening; en

    • d.

      het voorafgaand onderzoek, bedoeld in artikel 7.29, tweede lid;

    • e.

      als er sprake is van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30: een afschrift van de gegevens en bescheiden na verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit, bedoeld in artikel 3.132, waarbij ten minste vier weken verstreken zijn nadat de gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten zijn verstrekt;

    • f.

      als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c: een afschrift van de melding, bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving die aannemelijk maakt dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, onder a, wordt verricht;

    • g.

      als uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit volgt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft als bedoeld in artikel 3.131, onder c: een afschrift van de aanvraag om een omgevingsvergunning die aannemelijk maakt dat een grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 wordt verricht.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing als voor de bouwactiviteit op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning is vereist.

Artikel 7.35 (ingebruikname na maatregelen bij een significante grondwaterverontreiniging)

Een omgevingsplan bepaalt dat bij aanwezigheid van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in artikel 3.131, onder b of c, een grondwatergevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in artikel 7.32, zijn getroffen of, als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.

§ 7.3.5.2 Saneren van de bodem ter uitvoering van een bronaanpak

Artikel 7.36 (toepassingsbereik)

  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, ter uitvoering van een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het saneren van de bodem in een grondwaterbeschermingsgebied als bedoeld in artikel 2.2.

Artikel 7.37 (saneringsaanpak: niet afdekken tenzij)

  • 1. Een omgevingsplan bepaalt dat het saneren van de bodem in verband met een bronaanpak als bedoeld in artikel 7.32, eerste lid, onder a, niet wordt uitgevoerd met de saneringsaanpak afdekken, bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2. Een omgevingsplan kan, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat de saneringsaanpak afdekken is toegestaan als:

    • a.

      de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in artikel 4.1241, derde lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 7.38 (afbakening mogelijkheid maatwerkvoorschrift andere saneringsaanpak: vermindering of voorkomen van inbreng)

Het omgevingsplan bepaalt dat een maatwerkvoorschrift waarin een andere saneringsaanpak dan bedoeld in artikel 4.1240 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt toegestaan, alleen kan worden gesteld als die andere saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater.

Artikel 7.39 (gegevens en bescheiden: voor het begin van de bronaanpak)

Het omgevingsplan bepaalt dat bij het saneren van de bodem, bedoeld in artikel 7.36, onverwijld een afschrift van de voor het begin van de activiteit verstrekte gegevens en bescheiden aan gedeputeerde staten worden verstrekt.

Artikel 7.39a (gegevens en bescheiden: bij beëindiging van de bronaanpak)

Het omgevingsplan bepaalt dat na het saneren van de bodem, bedoeld in artikel 7.36, onverwijld een afschrift van het evaluatieverslag, bedoeld in artikel 4.1246 van het Besluit activiteiten leefomgeving, aan gedeputeerde staten wordt verstrekt.

§ 7.3.5.3 Lozen op of in de bodem

Artikel 7.39b (verbod op rechtstreeks lozen in het grondwater)

  • 1. Een omgevingsplan bepaalt dat het lozen op of in de bodem verboden is als daarbij verontreinigende stoffen zonder doorsijpeling door bodem of ondergrond in het grondwater geraken.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening of waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist is of op grond van de waterschapsverordening regels zijn gesteld.

Artikel 7.39c (afbakening mogelijkheid maatwerk)

Het omgevingsplan bepaalt dat met een maatwerkvoorschrift van het verbod, bedoeld in artikel 7.39b, eerste lid, alleen kan worden afgeweken als de lozing voldoet aan de vereisten van artikel 11, derde lid, onder j, van de kaderrichtlijn water, op voorwaarde dat de lozing niet verhindert dat de voor dat grondwaterlichaam vastgestelde milieudoelstellingen worden bereikt.

Artikel 7.39d (lozen van grondwater op of in de bodem)

  • 1. Dit artikel is van toepassing op het op of in de bodem lozen van grondwater afkomstig van een:

    • a.

      een bodemsanering of grondwatersanering;

    • b.

      een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en

    • c.

      het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 3.48f van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2. Een omgevingsplan bepaalt dat ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, dan wel ten minste vier weken voor dat de activiteit wijzigt, gegevens en bescheiden worden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, bepaalt het omgevingsplan dat voor het lozen van grondwater op of in de bodem afkomstig van het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4. Een omgevingsplan bepaalt dat voor het lozen van grondwater op of in de bodem, bedoeld in het eerste lid, de emissiegrenswaarden zijn:

    • a.

      de waarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster; of

    • b.

      de concentraties waaronder gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van grondwater is uit te sluiten als het gaat om de verontreinigende stoffen, bedoeld in bijlage XIX, onder B, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die niet in bijlage XIX, onder A, van dat besluit zijn aangegeven.

§ 7.3.5.4 Activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico

Artikel 7.39e (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of een nader bodemonderzoek dat voldoet aan NTA 5755 is verricht, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 7.39f (grondwater: mitigerende maatregelen)

Een omgevingsplan bepaalt dat degene die een activiteit als bedoeld in artikel 7.39e verricht, in het belang van het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen, maatregelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect vanuit de vaste bodem, te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

§ 7.3.5.5 Milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen

Artikel 7.39g (beoordelingsregels milieubelastende activiteit gevolgen voor watersystemen)

  • 1. Een omgevingsplan bepaalt dat een omgevingsvergunning, voor zover die betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die gevolgen kan hebben voor watersystemen, alleen wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

    • c.

      het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.

  • 2. Het omgevingsplan bepaalt dat bij de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, rekening wordt gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.

    § 7.3.5.2 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie

    [gereserveerd]

    § 7.3.6 LiB-5 contour Schiphol

Artikel 7.40 (aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden binnen LiB-5 contour Schiphol)

  • 1. Het gebied binnen de LiB-5 contour Schiphol is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Het gebied binnen de bebouwingscontour van de streekplannen uit 2003 binnen LiB-5 contour Schiphol, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.41 (LiB-5 contour Schiphol)

  • 1. Een omgevingsplan voor het gebied binnen de LiB-5 contour Schiphol laat nieuwe woningen alleen toe binnen het bestaand stads- en dorpsgebied.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan in onderstaande gevallen voorzien in nieuwe woningen buiten bestaand stads- en dorpsgebied als het betreft:

    • a.

      woningbouw binnen het gebied binnen bebouwingscontour van de streekplannen uit 2003 binnen de LiB-5 contour Schiphol;

    • b.

      de toevoeging van ten hoogste enkele woningen in aanwezige lintbebouwing;

    • c.

      de toevoeging van greenportwoningen en compensatiewoningen;

    • d.

      de toevoeging van ten hoogste enkele woningen volgens het principe ruimte voor ruimte, waarbij de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd door de sloop van overtollige bebouwing en kassen;

    • e.

      het omzetten van bedrijfswoningen naar burgerwoningen; of

    • f.

      bedrijfswoningen, voor zover noodzakelijk voor de bedrijfsvoering.

  • 3. Voor zover een omgevingsplan nieuwe woningen toelaat in het gebied binnen de LiB-5 contour Schiphol, wordt in de motivering rekenschap gegeven van het feit dat op deze locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en worden de redenen vermeld die er toe hebben geleid om op de deze locatie nieuwe woningen toe te laten.

§ 7.3.6a Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen

Artikel 7.41a (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op nieuwe ruimtelijk ontwikkelingen.

Artikel 7.41aa (toekomstbestendig bouwen van woningen)

  • 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen.

  • 2. De volgende aspecten van toekomstbestendig bouwen worden in onderlinge samenhang betrokken:

    • a.

      de risico’s van klimaatverandering;

    • b.

      de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie;

    • c.

      de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten;

    • d.

      de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase;

    • e.

      het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen;

    • f.

      het versterken van de biodiversiteit; en

    • g.

      het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving.

Artikel 7.41b (risico’s van klimaatverandering)

  • 1. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met de risico’s van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:

    • a.

      wateroverlast door overvloedige neerslag;

    • b.

      overstroming;

    • c.

      hitte;

    • d.

      droogte;

    alsmede de effecten van de gevolgen op het risico van bodemdaling.

  • 2. Voor zover risico’s aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.

§ 7.3.7 Ruimtelijke kwaliteit

Artikel 7.42 (aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden met beschermingscategorieën)

  • 1. Gebieden met beschermingscategorie 1 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Gebieden met beschermingscategorie 2 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 3. Gebieden met beschermingscategorie 3 zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 4. Het gebied met beschermingscategorie 1, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de gebiedstypen natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, en kroonjuweel cultureel erfgoed en beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 5. Het gebied met beschermingscategorie 2, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit de gebiedstypen belangrijk weidevogelgebied, groene buffer en recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 6. Het gebied met beschermingscategorie 3, bedoeld in het derde lid, bestaat uit het gebiedstype buitengebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling)

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied;

  • b.

    aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau;

  • c.

    transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.

Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit)

  • 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

  • 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met:

    • a.

      de beschermingscategorie en het gebiedstype;

    • b.

      het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren;

    • c.

      de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A.

  • 3. Voor de gebiedstypen, bedoeld in artikel 7.42, vierde en vijfde lid zijn de artikelen 7.43h, 7.43i, 7.43j, 7.43k, 7.43l, 7.43m en 7.43n van toepassing tenzij een zwaarwegend openbaar belang aan de toepassing van die artikelen, uitgezonderd artikel 7.43l, in de weg staat.

Artikel 7.43b (aanvaardbaarheid soort ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie)

  • 1. Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h.

  • 2. Een omgevingsplanplan voor een locatie met beschermingscategorie 2 als bedoeld in artikel 7.42, tweede lid, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43i, 7.43j of 7.43k.

  • 3. Een omgevingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 als bedoeld in artikel 7.42, eerste lid, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de soort inpassen en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43l, 7.43m of 7.43n.

Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling)

  • 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.

  • 2. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

  • 3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 7.43d (motivering locatiekeuze bij aanpassen en transformeren)

  • 1. Voor zover een omgevingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat deze een zorgvuldige afweging over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van de locatie en de effecten van de ontwikkeling daarop.

  • 2. Het eerste lid is alleen van toepassing als:

    • a.

      er sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen of transformeren; of

    • b.

      één of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit als bedoeld in bijlage IX, onder A, in het geding zijn.

Artikel 7.43e (randvoorwaarden bij aanpassen en transformeren)

Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij een ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van):

  • a.

    duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt;

  • b.

    wegnemen van verharding;

  • c.

    toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen;

  • d.

    andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij:

    • 1°.

      aanvullende maatregelen worden getroffen binnen de locatie van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten de locatie worden betrokken in de motivering;

    • 2°.

      als aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast.

Artikel 7.43f (uitzonderingen transformaties)

Transformatie is mogelijk in beschermingscategorieën 1 en 2, als bedoeld in artikel 7.42, eerste en tweede lid, voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur- en recreatiegebieden of van grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46. De voorwaarden, bedoeld in 7.43c, derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.43g (compensatie weidevogelgebieden of karakteristieke landschapselementen)

Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 7.43a, een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten over de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie.

Artikel 7.43h (gebiedstype: beschermingscategorie 3 buitengebied)

  • 1. Een omgevingsplan voor een locatie in het Buitengebied als bedoeld in artikel 7.42, zesde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals blijkt uit een afdoende motivering die ook ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied.

  • 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:

    • a.

      de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin;

    • b.

      de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;

    • c.

      het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap;

    • d.

      de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de ontwikkeling van natuur- en groengebied en grote buitenstedelijke bouwlocaties als bedoeld in artikel 7.46.

Artikel 7.43i (gebiedstype: beschermingscategorie 2 recreatiegebied)

Een omgevingsplan voor een recreatiegebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij zo nodig aanvullende maatregelen worden getroffen als bedoeld in artikel 7.43e, voor zover:

  • a.

    de ontwikkeling geen beperking oplevert voor de openbare toegankelijkheid van het gebied, rekening houdend met het huidige gebruik van het gebied;

  • b.

    de ontwikkeling gericht is op de vergroting van de diversiteit en de kwaliteit van het recreatiegebied en ook de recreatieve waarde van het gebied zal versterken;

  • c.

    de ontwikkeling past bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied;

  • d.

    de ontwikkeling bijdraagt aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke groen- en waterstructuren;

  • e.

    de ontwikkeling zo mogelijk gekoppeld wordt aan recreatie knooppunten en cultuurhistorisch erfgoed.

Artikel 7.43j (gebiedstype: beschermingscategorie 2 belangrijk weidevogelgebied)

  • 1. Een omgevingsplan voor een belangrijk weidevogelgebied als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan slechts voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ontwikkeling en de zo nodig daarmee in samenhang te nemen maatregelen, bedoeld artikel 7.43e, geen significante beperking inhoudt van de kenmerken van het gebied en evenmin leidt tot een significante vermindering van het oppervlak, de kwaliteit of de samenhang daarvan.

  • 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:

    • a.

      de hoge weidevogeldichtheden of de potentie daarvoor;

    • b.

      de factoren die de hoge weidevogeldichtheden mogelijk maken zoals het graslandgebruik, de waterhuishouding met relatief hoge grondwaterstanden, de landschapsstructuur en de rust van het gebied.

Artikel 7.43k (gebiedstype: beschermingscategorie 2 groene buffers)

  • 1. Een omgevingsplan voor locaties binnen Groene Buffers als bedoeld in artikel 7.42, vijfde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.

  • 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:

    • a.

      de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek;

    • b.

      de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving;

    • c.

      de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling;

    • d.

      de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.

Artikel 7.43l (gebiedstype: beschermingscategorie 1 natuurnetwerk Nederland)

Een omgevingsplan voor een locatie binnen natuurnetwerk Nederland als bedoeld in artikel 7.42, vierde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits die ontwikkeling niet in strijd is met de regels in paragraaf 7.3.16.

Artikel 7.43m (gebiedstype: beschermingscategorie 1 graslanden bollenstreek)

  • 1. Een omgevingsplan voor locaties binnen beschermde graslanden in de Bollenstreek als bedoeld in artikel 7.42, vierde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits die ontwikkeling een aantoonbare meerwaarde heeft voor de ruimtelijke kwaliteit van de graslanden.

  • 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:

    • a.

      het open en structurerende karakter van de graslanden;

    • b.

      het ecologische belang en de kwetsbaarheid van de graslanden;

    • c.

      het belang van de graslanden voor weidevogels;

    • d.

      de historische context van de graslanden als strandvlakten.

Artikel 7.43n (gebiedstype: beschermingscategorie 1 kroonjuwelen cultureel erfgoed)

  • 1. Een omgevingsplan voor locaties binnen kroonjuwelen cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 7.42, vierde lid, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft en de ontwikkeling het behoud en de versterking van het betreffende cultureel erfgoed ondersteunt en overwegend meerwaarde heeft voor kwaliteiten en de gebruikswaarde ervan.

  • 2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:

    • a.

      de herkenbaarheid van het kroonjuweel cultureel erfgoed;

    • b.

      de historische context van het kroonjuweel cultureel erfgoed;

    • c.

      de uniciteit van het kroonjuweel cultureel erfgoed;

    • d.

      de kwetsbaarheid van het kroonjuweel cultureel erfgoed;

    • e.

      de gaafheid van het kroonjuweel cultureel erfgoed;

    • f.

      de samenhang van de kwaliteiten van het cultureel erfgoed;

    • g.

      de richtpunten die zijn opgesteld voor het specifieke kroonjuweel, als bedoeld in bijlage IX, onder A.

§ 7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen

Artikel 7.44 (afgestemde regionale behoefte)

Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt, houdt rekening met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit een geheel of gedeeltelijke instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document.

Artikel 7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking)

  • 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 2. Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.

Artikel 7.45a (voldoende sociale huurwoningen)

[vervallen]

Artikel 7.45b (dichtheid en verscheidenheid woningbouw)

  • 1. Een omgevingsplan voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving.

  • 2. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerst lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw.

Artikel 7.45c (bereikbaarheid)

Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid.

Artikel 7.45ca (kansen voor biodiversiteit) 

Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit. 

Artikel 7.45d (aanwijzing en geometrische begrenzing stationsomgevingen)

Stationsomgevingen zijn locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.45e (parkeernorm stationsomgevingen)

  • 1. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe woningen in een stationsomgeving als bedoeld in artikel 7.45d, hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld.

Artikel 7.45f (parkeernorm sociale huur)

  • 1. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als er op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren zijn vastgesteld.

Artikel 7.45g (permanente bewoning recreatiewoningen)

Een omgevingsplan voor een verblijfsrecreatiepark met een omvang van 12 of meer recreatiewoningen, sluit permanente bewoning of functiewijziging naar wonen uit, met uitzondering van de verblijfsrecreatieparken die zijn opgenomen in bijlage IX, onder Aa.

Artikel 7.45h (functiemenging en meervoudig ruimtegebruik)

Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de functies wonen of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkheden voor functiemenging en meervoudig ruimtegebruik.

Artikel 7.45i (huisvesting arbeidsmigranten)

  • 1. Een omgevingsplan dat voorziet in de tijdelijke of permanente huisvesting van arbeidsmigranten houdt rekening met ten minste de normenset voor huisvesting van arbeidsmigranten van het register van de Stichting Normering Flexwonen of een eventuele opvolger daarvan.

  • 2. Een omgevingsplan dat voorziet in tijdelijke of permanente huisvesting van arbeidsmigranten betrekt bij het toelaten daarvan de Wet goed verhuurderschap met het oogmerk om misstanden en uitbuiting ten aanzien van de woonsituatie van arbeidsmigranten te voorkomen.

  • 3. Een omgevingsplan dat nieuwe bedrijfsmatige activiteiten toelaat die naar verwachting zullen leiden tot een aanzienlijke toename van de werkgelegenheid, brengt de extra huisvestingsbehoefte van werknemers in beeld en op welke wijze hierin zal worden voorzien.

Artikel 7.46 (aanwijzing en geometrische begrenzing grote buitenstedelijke bouwlocaties)

Grote buitenstedelijke bouwlocaties zijn de locaties benoemd in bijlage IX, onder B, en waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.47 (grote buitenstedelijke bouwlocaties)

Een omgevingsplan voorziet alleen in een nieuwe stedelijke ontwikkeling groter dan 3 hectare die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien op een grote buitenstedelijke bouwlocatie.

§ 7.3.8a Wonen

Artikel 7.47a (voldoende sociale huurwoningen)

  • 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangsprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, die minimaal 25 jaar in stand worden gehouden en via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 30% sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44.

  • 2. Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid gaat in de motivering in op:

    • a.

      welke wijze de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende sociale huurwoningen en hoe die stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan het streven naar minimaal 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente;

    • b.

      het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad van de gemeente en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel; en

    • c.

      het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad in bezit bij corporaties en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel.

  • 3. Als over het aandeel sociale huurwoningen in een nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de motivering, bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.

Artikel 7.47b (voldoende betaalbare woningbouw)

  • 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 2/3 betaalbare woningbouw of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44.

  • 2. Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid gaat in de motivering in op welke wijze de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende betaalbare woningbouw en hoe die stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan 2/3 betaalbare woningbouw.

  • 3. Als over het aandeel betaalbare woningbouw regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de motivering bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.

Artikel 7.47c (overgangsrecht)

Paragraaf 7.3.8a is niet van toepassing als:

  • a.

    een omgevingsplan in ontwerp is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van deze paragraaf; of

  • b.

    ten behoeve van de nieuwe stedelijke ontwikkeling een overeenkomst als bedoeld in artikel 13.13 van de Omgevingswet is aangegaan vóór 14 maart 2023.

§ 7.3.9 Detailhandel

Artikel 7.48 (detailhandel)

  • 1. Een omgevingsplan voorziet alleen in detailhandel in gebieden:

    • a.

      binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken;

    • b.

      binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk;

    • c.

      binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie.

  • 2. De detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen:

    • a.

      de ontwikkeling is in overeenstemming met het in bijlage IX, onder C, beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te consolideren centra, te herpositioneren centra, te optimaliseren centra en de overige centra;

    • b.

      aangetoond is dat als gevolg van de ontwikkeling het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat;

    • c.

      voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 4.000 m2 bruto-vloeroppervlakte in de binnensteden van Rotterdam en Den Haag of 2.000 m2 bruto-vloeroppervlakte in de andere centra, is ook met het oog op de eisen onder a en b, advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland.

Artikel 7.49 (uitzonderingen detailhandel)

  • 1. In afwijking van artikel 7.48 kan een omgevingsplan voorzien in de volgende detailhandel:

    • a.

      detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet goed inpasbaar is in de centra:

      • detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen;

      • detailhandel in volumineuze goederen;

      • meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, evenals detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV) waarvan de locatie geometrisch is begrensd in bijlage II;

      • tuincentra;

      • bouwmarkten;

    • b.

      kleinschalige detailhandel:

      • in de vorm van een gemakswinkel;

      • bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, evenals andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties;

    • c.

      ondergeschikte detailhandel:

      • in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf;

      • bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, met een assortiment dat aansluit bij de hoofdactiviteit;

      • bij een agrarisch bedrijf met een assortiment van producten uit eigen teelt;

    • d.

      afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen op goed bereikbare locaties;

    • e.

      kringloopwinkels;

    • f.

      supermarkten net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen, als is aangetoond dat hiervoor onvoldoende ruimte is in een bestaande winkelconcentratie.

  • 2. Het omgevingsplan kan toevoeging of uitbreiding van detailhandel, bedoeld in het eerste lid, onder a en f, alleen mogelijk maken als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Ook met het oog hierop is advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland, voor zover het gaat om de detailhandel, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdelen 3, 4 of 5, of bedoeld in het eerste lid, onder f, en voor zover die nieuwe detailhandel een omvang heeft van meer dan 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte.

  • 3. Een omgevingsplan dat voorziet in detailhandel als bedoeld in het eerste lid, onder a stelt de volgende voorwaarden aan de nevenassortimenten:

    • a.

      ten hoogste 20% van het netto-verkoopvloeroppervlakte met een maximum van 500 m2 wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt; en

    • b.

      het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment.

§ 7.3.10 Kantoren

Artikel 7.50 (aanwijzing en geometrische begrenzing kantorengebieden)

  • 1. Kantorengebieden categorie 1 zijn de grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Kantorengebieden categorie 2 zijn de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 3. Kantorengebieden categorie 3 zijn de bijzondere locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.51 (kantoren)

  • 1. Een omgevingsplan kan voorzien in kantoren op een locatie:

    • a.

      binnen de kantorengebieden categorie 1;

    • b.

      binnen de kantorengebieden categorie 2, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op die locatie;

    • c.

      binnen de kantorengebieden categorie 3, mits passend in het profiel van deze locaties.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      kantoren die in overeenstemming zijn met de regionale behoefte aan kantoren waarover bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten heeft ingestemd;

    • b.

      kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto-vloeroppervlakte van 1.000 m² per vestiging, voor zover geen cluster van meer dan vijf kantoren ontstaat;

    • c.

      gemeentehuizen en -kantoren;

    • d.

      bedrijfsgebonden kantoren met een bruto-vloeroppervlakte dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto-vloeroppervlakte van het bedrijf; en

    • e.

      functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling.

§ 7.3.11 Bedrijven

Artikel 7.51a (begripsbepalingen)

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

bedrijventerrein: locaties in een omgevingsplan waaraan de functie bedrijf of bedrijventerrein is toegedeeld en activiteiten kunnen worden verricht als: handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening of industrie, met uitzondering van locaties waaraan exclusief functies zijn toegedeeld voor: kantoren, detailhandel, maatschappelijke doeleinden of jachthavens, horeca, logies en overige leisure, met een bruto omvang van meer dan 1 hectare, uitgezonderd solitaire bedrijven, niet zijnde een betoncentrale, asfaltcentrale of puinbreker, buiten bestaand stads- en dorpsgebied;

watergebonden bedrijventerrein: bedrijventerrein of deel daarvan dat aan vaarwater ligt met een vaarklasse van II of hoger met een: haven, kade, drijvende laad- en losinstallatie of scheepshelling of -dok, beperkt tot de aan de laad- en losvoorziening liggende kavel;

compensatie van feitelijk gebruik bedrijventerrein: compensatie van de manier waarop het kavel op dat moment wordt gebruikt, waarbij met name wordt gekeken naar een in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid of geur, of milieucategorie, watergebondenheid en vierkante meter bruto vloeroppervlak, hetgeen kan afwijken van de toegedeelde functie in het omgevingsplan;

compensatie van toegedeelde functies bedrijventerrein: compensatie van dat wat mogelijk is in het een omgevingsplan, waarbij het gaat om de oppervlakte in hectares en de in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid of geur of milieucategorie.

Artikel 7.51b (aanwijzing en geometrische begrenzing (watergebonden) bedrijventerreinen en grote ruimtevragers)

  • 1. Bedrijventerreinen zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Watergebonden bedrijventerreinen zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 3. Clusters voor grote ruimtevragers zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 4. Bedrijventerreinen, niet te transformeren, zijn de locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.51c (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op een locatie van een bedrijventerrein of een watergebonden bedrijventerrein voor zover is voldaan aan de begripsbepaling voor bedrijventerrein of watergebonden bedrijventerrein.

Artikel 7.52 (bedrijven)

  • 1. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein als bedoeld in artikel 7.51c laat bedrijven toe met de grootst mogelijke gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf, vastgelegd in een hoogst mogelijke geluidruimte zone en geurruimte zone of vergelijkbare milieuzonering, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk omgevingsplan of ontwikkelingen als bedoeld in artikel 7.47.

  • 2. Voor zover het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op een nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein waar ruimte kan worden geboden aan bedrijven die passen binnen geluidruimte zone 2 of geurruimte zone 2 of milieucategorie 3, wordt het toelaten van bedrijven uitgesloten die passen in geluidruimte zone 1 en geurruimte zone 1 of milieucategorie 1 en 2.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kunnen bedrijven die passen in geluidruimtezone 1 en geurruimte zone 1 of milieucategorie 1 en 2, worden toegelaten als dat nodig is voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

  • 4. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein als bedoeld in artikel 7.51c laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe.

  • 5. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid.

  • 6. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bestaand bedrijventerrein als bedoeld in het eerste lid of het vierde lid en dat gehele of gedeeltelijke wijziging naar andere activiteiten dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de motivering op welke wijze binnen de regio compensatie van de toegedeelde functies van bedrijventerrein zal plaatsvinden of al heeft plaatsgevonden.

  • 7. Compensatie van bedrijventerreinen als bedoeld in het zesde lid is nodig bij:

    • a.

      een bedrijventerrein met een in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid en geur van een geluidruimtezone 2 en een geurruimte zone 2, of milieucategorie 3, en een oppervlakte van meer dan 1 hectare;

    • b.

      een bedrijventerrein met de hoogst mogelijke in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid en geur, of milieucategorie 4 of hoger;

    • c.

      een geluidgezoneerd bedrijventerrein; en

    • d.

      een watergebonden bedrijventerrein.

  • 8. Het zesde en zevende lid is van overeenkomstige toepassing bij verlaging van de in een milieuzonering vastgelegde gebruiksruimte voor geluid en geur, of de verlaging van de milieucategorie.

  • 9. Compensatie als bedoeld in het zesde en zevende lid, kan achterwege blijven, als is aangetoond dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven. Hierbij wordt rekening gehouden met zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte.

  • 10. Compensatie van het feitelijke gebruik en vierkante meters voor vierkante meters is mogelijk, mits het gaat om locaties die zijn opgenomen in een regionale bedrijventerreinenvisie die de instemming heeft van gedeputeerde staten en wordt voldaan aan de in die visie vastgelegde evenwichtige balans in vraag en aanbod.

  • 11. In afwijking van het zesde tot en met tiende lid zijn nieuwe woningen of transformatie naar woningbouw uitgesloten op bedrijventerreinen die zijn aangewezen als ‘bedrijventerrein, niet te transformeren’.

Artikel 7.52a (grote ruimtevragers)

  • 1. Een omgevingsplan laat grote ruimtevragers alleen toe op clusters voor grote ruimtevragers als bedoeld in artikel 7.51a, derde lid.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een grote ruimtevrager toelaten op een locatie buiten een cluster voor grote ruimtevragers, als die locatie met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geschikter is. Bij de locatiekeuze wordt in ieder geval rekening gehouden met ruimtelijke kwaliteit en efficiënt gebruik van de bestaande infrastructuur, energie, water en ruimte.

  • 3. Een omgevingsplan dat grote ruimtevragers toelaat houdt rekening met ruimtelijke kwaliteit, bereikbaarheidseffecten, duurzaamheid en de economische en maatschappelijke toegevoegde waarde van de ontwikkeling.

§ 7.3.12 Glastuinbouwgebied

Artikel 7.53 (aanwijzing en geometrische begrenzing glastuinbouwgebied)

  • 1. Het glastuinbouwgebied is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Het glastuinbouwgebied Westland-Oostland is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 3. Het glastuinbouwgebied Glasparel en Knibbelweg Oost is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 4. Het glastuinbouwgebied Tinte is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 5. Het maatwerkgebied glastuinbouw is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.54 (glastuinbouwgebied)

  • 1. Een omgevingsplan voor het glastuinbouwgebied als bedoeld in artikel 7.53, eerste tot en met vijfde lid, laat alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toe, evenals de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen voor energieopwekking.

  • 2. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is.

  • 3. In het omgevingsplan kan de begrenzing van de locaties, bedoeld in artikel 7.53, eerste tot en met vijfde lid, in beperkte mate worden aangepast aansluitend aan de randen van het glastuinbouwgebied, alsmede langs de linten waar reeds afwijkende functies aanwezig zijn, rekening houdend met de lokale omstandigheden en bestaande bedrijven en functies, anders dan glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang van de locaties en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied.

  • 4. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten toelaten voor een periode van maximaal 15 jaar na ingebruikname van de huisvestingslocatie als:

    • a.

      er geen herstructureringsplannen aanwezig zijn; en

    • b.

      de glastuinbouwfunctie wordt hersteld, als binnen 15 jaar blijkens een herstructureringsplan voor de locatie het teeltareaal weer in gebruik zal worden genomen.

  • 5. In aanvulling op het derde en vierde lid, houdt het omgevingsplan voor de huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten rekening met de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is sprake van een goed woon- en leefklimaat;

    • b.

      de huisvesting is zo mogelijk zichtbaar vanaf de openbare weg;

    • c.

      de locatie is goed ontsloten vanaf de openbare weg; en

    • d.

      de locatie ligt op een redelijke afstand van voorzieningen binnen de kernen.

  • 6. In afwijking van het eerste lid, kan een omgevingsplan voor het glastuinbouwgebied Westland-Oostland, bij uitzondering een bedrijf toelaten dat behoort tot de keten glastuinbouw en dat een bijdrage levert aan de ontwikkeling van het glastuinbouwgebied als internationaal centrum voor teelt, kennis en handel van glastuinbouwproducten, voor zover aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied.

  • 7. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan voor het glastuinbouwgebied Glasparel en Knibbelweg Oost, ruimtelijke ontwikkelingen toelaten die niet behoren tot de keten glastuinbouw voor zover de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt met toepassing van efficiënt en meervoudig grondgebruik door een combinatie met glastuinbouw.

  • 8. In afwijking van het eerste lid, kan een omgevingsplan voor het glastuinbouwgebied Tinte, voortzetting van het huidige gemengde agrarische grondgebruik mogelijk maken in een deel van het gebied.

  • 9. In afwijking van het eerste lid, kan een omgevingsplan voor het maatwerkgebied glastuinbouw, transformatie naar andere functies mogelijk maken.

  • 10. Een omgevingsplan dat voorziet in het toevoegen of uitbreiden van glastuinbouw met een oppervlakte van ten minste vijf hectare aan aaneengesloten percelen, bevat in de motivering een verantwoording waarin de behoefte aan het gebruik van nieuwe locaties voor glastuinbouw als gevolg van de vervangings- en uitbreidingsvraag wordt onderbouwd. Ook wordt onderbouwd waarom in deze behoefte niet kan worden voorzien door herstructurering of intensivering van elders in de betrokken regio gelegen bestaande glastuinbouwgebieden.

  • 11. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan als de behoefte aan het gebruik van nieuwe locaties voor glastuinbouw nog niet is aangetoond, zoals bedoeld in het achtste lid, voortzetting van het huidige grondgebruik mogelijk maken totdat er alsnog behoefte ontstaat aan ontwikkeling voor glastuinbouw. De mogelijkheden voor ontwikkeling voor glastuinbouw mogen daarbij niet significant worden beperkt, tenzij het een ontwikkeling betreft die past binnen het huidige agrarische grondgebruik.

§ 7.3.13 Boom- en sierteeltgebied

Artikel 7.55 (aanwijzing en geometrische begrenzing boomsierteeltgebied)

  • 1. Het boom- en sierteeltgebied is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Het boom- en sierteeltgebied PCT-terrein is de locatie voor boom- en sierteelt pot- en containerteelt, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 3. Het boom- en sierteeltgebied - maatwerk is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.56 (boom- en sierteeltgebied)

  • 1. Een omgevingsplan voor het boom- en sierteeltgebied en boom- en sierteeltgebied PCT-terrein, bedoeld in artikel 7.55, eerste en tweede lid, laat alleen bedrijven toe die zich bezighouden met boom- en sierteelt en de daarbij behorende voorzieningen.

  • 2. Een omgevingsplan voor het boom- en sierteeltgebied, bedoeld in artikel 7.55, eerste lid, kan voorzien in kassen bij volwaardige boom- en sierteeltbedrijven tot 70 procent van de beteelbare oppervlakte per bedrijf.

  • 3. Een omgevingsplan voor het boom- en sierteeltgebied PCT-terrein kan voorzien in kassen bij volwaardige boom- en sierteeltbedrijven, tot de helft van de beteelbare oppervlakte per bedrijf.

  • 4. Een omgevingsplan voor het boom- en sierteeltgebied PCT-terrein kan naast de vestiging van boom- en sierteeltbedrijven in beperkte mate voorzien in de vestiging van bedrijven en andere functies die een directe binding hebben met de boom- en sierteelt en noodzakelijk zijn voor het functioneren van de boom- en sierteelt.

  • 5. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is.

  • 6. In afwijking van het eerste lid, kan het omgevingsplan beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing of functies of wijziging daarvan naar een andere functie toelaten, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het boom- en sierteeltgebied.

  • 7. In het omgevingsplan kan de begrenzing van het boom- en sierteeltgebied, bedoeld in het eerste lid, in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het boom- en sierteeltgebied.

  • 8. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten toelaten voor een periode van maximaal 15 jaar na ingebruikname van de huisvestingslocatie als:

    • a.

      er geen herstructureringsplannen aanwezig zijn; en

    • b.

      de boom- en sierteeltfunctie daarna wordt hersteld.

  • 9. In aanvulling op het zevende en achtste, houdt het omgevingsplan voor de huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten rekening met de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is sprake van een goed woon- en leefklimaat;

    • b.

      de huisvesting is zo mogelijk zichtbaar vanaf de openbare weg;

    • c.

      de locatie is goed ontsloten vanaf de openbare weg; en

    • d.

      de locatie ligt op een redelijke afstand van voorzieningen binnen de kernen.

  • 10. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaten die niet behoren tot de boom- en sierteelt voor zover het een locatie betreft met boom- en sierteeltgebied - maatwerk, bedoeld in artikel 7.55, derde lid.

§ 7.3.14 Bollenteeltgebied

Artikel 7.57 (aanwijzing en geometrische begrenzing bollenteeltgebied)

  • 1. Het bollenteeltgebied is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Het compensatiegebied bollenteelt is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.58 (bollenteeltgebied)

  • 1. Een omgevingsplan voor het bollenteeltgebied, laat primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toe, evenals de daarbij behorende voorzieningen.

  • 2. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan voorzien in kassen:

    • a.

      bij een volwaardig bollenteeltbedrijf tot ten hoogste 3.000 m2 per bedrijf;

    • b.

      bij een bestaand volwaardig gemengd bollenteelt- en glastuinbouwbedrijf tot ten hoogste 6.000 m2 per bedrijf;

    • c.

      bij een bestaand volwaardig stekbedrijf tot ten hoogste 6.000 m2 per bedrijf.

  • 3. In afwijking van het tweede lid, onder a, kan het omgevingsplan voorzien in kassen tot meer dan 3.000 m2 bij een volwaardig bollenteeltbedrijf, mits:

    • a.

      tegenover de uitbreiding van de bestaande kassen in gelijke mate de duurzame sanering staat van kassen elders binnen het bollenteeltgebied;

    • b.

      de ruimtelijke kwaliteit binnen het bollenteeltgebied per saldo wordt verbeterd; en

    • c.

      de te saneren kassen zijn opgericht voor 1 januari 2014.

  • 4. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in greenportwoningen en compensatiewoningen.

  • 5. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in uitbreiding van bestaande handels- en exportbedrijven op locaties binnen het bollenteeltgebied, mits:

    • a.

      dit noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering;

    • b.

      verplaatsing naar een bedrijventerrein geen reële mogelijkheid is; en

    • c.

      de ruimtelijke kwaliteit niet significant wordt aangetast.

  • 6. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is.

  • 7. In afwijking van het eerste lid, kan het omgevingsplan beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing of functies of wijziging daarvan naar een andere functie toelaten, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied.

  • 8. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten toelaten voor een periode van maximaal 15 jaar na ingebruikname van de huisvestingslocatie als:

    • a.

      er geen herstructureringsplannen aanwezig zijn; en

    • b.

      de bollenteeltfunctie daarna wordt hersteld.

  • 9. In aanvulling op het zevende en achtste lid, houdt het omgevingsplan voor de huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten rekening met de volgende voorwaarden:

    • a.

      er is sprake van een goed woon- en leefklimaat;

    • b.

      de huisvesting is zo mogelijk zichtbaar vanaf de openbare weg;

    • c.

      de locatie is goed ontsloten vanaf de openbare weg; en

    • d.

      de locatie ligt op een redelijke afstand van voorzieningen binnen de kernen.

  • 10. Een omgevingsplan voor het bollenteeltgebied, bedoeld in het eerste lid, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling anders dan bollenteelt toestaat in een gebied dat in het voorgaande omgevingsplan is aangewezen voor bollenteelt, voorziet in compensatie van bollenteeltgebied door een overeenkomst hierover met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek.

  • 11. Voor zover ten behoeve van de compensatie van bollenteeltgebied, bedoeld in het vorige lid graslanden worden gebruikt, dan wordt daarvoor het compensatiegebied bollenteelt gebruikt.

§ 7.3.15 Agrarische bedrijven

Artikel 7.59 (agrarische bedrijven)

  • 1. Een omgevingsplan voor agrarisch gebied neemt de volgende voorwaarden in acht:

    • a.

      agrarische bebouwing, uitgezonderd kassen en schuilgelegenheden voor vee, wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel van maximaal 2 hectare;

    • b.

      in afwijking van onderdeel a, kan bij samenvoeging van twee akkerbouwbedrijven de omvang van het agrarisch bouwperceel worden vergroot tot de op het moment van samenvoeging bestaande maximaal mogelijke planologische omvang van beide bouwpercelen gezamenlijk, mits het achter te laten bouwperceel wordt gesaneerd;

    • c.

      het toevoegen of uitbreiden van agrarische bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven;

    • d.

      bij een volwaardig agrarisch bedrijf wordt ten hoogste één agrarische bedrijfswoning toegelaten;

    • e.

      kassen, anders dan bedoeld in de artikelen 7.54, 7.56 en 7.58, worden alleen toegelaten bij bestaande volwaardige glastuinbouwbedrijven tot een oppervlakte van 2 hectare per bedrijf en bij bestaande volwaardige boom- en sierteeltbedrijven tot een oppervlakte van 300 m2 per bedrijf;

    • f.

      toevoegen of uitbreiden van boom- en sierteelt, anders dan bedoeld in artikel 7.56, wordt uitgesloten;

    • g.

      het vestigen of uitbreiden van intensieve veehouderij als hoofdtak of als neventak wordt uitgesloten;

    • h.

      verplaatsing van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande intensieve veehouderij, kan worden toegelaten;

    • i.

      uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande hoofdtak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare;

    • j.

      uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande neventak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare, voor zover de neventak meer dan 20% bedraagt van de economische bedrijfsomvang;

    • k.

      het vestigen of uitbreiden van geitenhouderij wordt uitgesloten als hoofdtak en als neventak, evenals uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onder e, kan een omgevingsplan voorzien in een oppervlakte van meer dan 2 hectare kassen bij een bestaand volwaardig glastuinbouwbedrijf en meer dan 300 m2 kassen bij een volwaardig boom- en sierteeltbedrijf, mits:

    • a.

      tegenover de uitbreiding van de bestaande oppervlakte van de kassen staat:

      • in gelijke mate duurzame sanering van bestaande kassen elders buiten het glastuinbouwgebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; of

      • een combinatie van ten minste 50% duurzame sanering van bestaande kassen en ruimtelijke maatregelen als bedoeld in artikel 6.9, derde lid;

    • b.

      de ruimtelijke kwaliteit in beide gebieden per saldo wordt verbeterd;

    • c.

      de uitbreidingslocatie niet is gelegen binnen een gebied met beschermingscategorie 1 of 2, als bedoeld in artikel 7.42;

    • d.

      de kassen op de saneringslocatie zijn opgericht voor 1 januari 2014;

    • e.

      gebleken is dat verplaatsing van het uit te breiden bedrijf naar een glastuinbouwgebied als bedoeld in artikel 7.53, eerste tot en met vijfde lid, geen reële mogelijkheid is; en

    • f.

      de belangen van andere functies in de omgeving van de uitbreidingslocatie niet in onevenredige mate worden geschaad.

  • 3. Een omgevingsplan voor agrarisch gebied kan onder de volgende voorwaarden voorzien in verbredingsactiviteiten bij agrarische bedrijven, waaronder zorg, recreatie, energieopwekking en de verkoop van producten uit eigen teelt:

    • a.

      het oprichten van bebouwing of het aanbrengen van verharding voor de verbredingsactiviteit is in beperkte mate mogelijk binnen het agrarisch bouwperceel, dat hiervoor in afwijking van het eerste lid, onder a en b, zo nodig vergroot kan worden met ten hoogste 0,5 hectare;

    • b.

      de agrarische functie blijft de hoofdfunctie van het bedrijf; en

    • c.

      de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven wordt niet belemmerd.

§ 7.3.16 Natuurnetwerk Nederland

Artikel 7.60 (wezenlijke kenmerken en waarden)

  • 1. De wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden aangewezen als natuurnetwerk Nederland zijn de wezenlijke kenmerken en waarden in bijlage IX, onder D en voor Natura 2000-gebieden de kenmerken en waarden die voor deze gebieden zijn omschreven in een beheerplan als bedoeld in artikel 3.8, derde lid en artikel 3.9, derde lid, van de Omgevingswet.

  • 2. Voor een Natura 2000-gebied behoren in ieder geval tot de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied, de in het aanwijzingsbesluit beschreven kenmerken en waarden.

Artikel 7.61 (activiteiten met mogelijk (significante) nadelige gevolgen)

Een omgevingsplan voor het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, laat daarbinnen geen activiteiten toe die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden significant beperken, of die leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.

Artikel 7.62 (ontwikkelen prioritaire nieuwe natuur)

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op prioritaire nieuwe natuur, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onder b, bevat het omgevingsplan alleen functies die de natuurfunctie rechtstreeks mogelijk maken.

Artikel 7.63 (ontwikkelen Buijtenland van Rhoon)

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op Buijtenland van Rhoon, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onder c, bevat het omgevingsplan regels die hoogwaardige akkernatuur en (openlucht)recreatie mogelijk maken met ruimte voor extensieve agrarische bedrijvigheid, voor zover deze bijdraagt aan hoogwaardige akkernatuur en (openlucht)recreatie en met behoud van landschappelijke elementen en cultureel erfgoed, en ook leidingen voor telecommunicatie of het transport van gassen, vloeistoffen of elektriciteit.

§ 7.3.17 Werelderfgoed

Artikel 7.64 (aanwijzing en geometrische begrenzing van werelderfgoed)

  • 1. Werelderfgoed Hollandse Waterlinies is de locatie bekend als de vroegere verdedigingslinies van Holland en bestaat onder andere uit de Nieuwe Hollandse Waterlinie, die van Muiden naar Woudrichem loopt en eindigt bij Werkendam en die is gelegen op het grondgebied van de provincies Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland en Noord-Brabant, bedoeld in artikel 7.3, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en waarvan de geometrische begrenzing van het Zuid-Hollandse deel is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes, onderverdeeld in Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes Kernzone 1, Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes Kernzone 2 en Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes Bufferzone, is de locatie bekend als een serie van archeologische monumenten van de vroegere Romeinse rijksgrens, die van Katwijk aan Zee tot in Remagen over de grens met Duitsland loopt over het grondgebied van de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland en de deelstaten Noordrijn-Westfalen en Rijnland-Palts als bedoeld in artikel 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en waarvan de geometrische begrenzing van het Zuid-Hollandse deel is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.65 (kernkwaliteiten werelderfgoed)

In aanvulling op artikel 7.4, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn kernkwaliteiten van de werelderfgoederen Nieuwe Hollandse Waterlinie en Neder-Germaanse Limes de in het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed in bijlage IX, onder E, beschreven essentiële kenmerken van het aanwezige landschap en cultureel erfgoed.

Artikel 7.66 (geen aantasting kernkwaliteiten werelderfgoederen)

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op de werelderfgoederen Hollandse Waterlinies of Neder-Germaanse Limes, laat het omgevingsplan geen activiteiten toe die de kernkwaliteiten, bedoeld in artikel 7.65, aantasten.

Artikel 7.67 (aanwijzing en geometrische begrenzing van gebieden binnen de Neder-Germaanse Limes)

  • 1. Het gebied Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 1, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Het gebied Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 2, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 3. Het gebied Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bufferzone, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 4. Het gebied Neder-Germaanse Limes verwachtingszone, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.67a (motivering behoud en versterking kernkwaliteiten)

Een motivering van een omgevingsplan voor een locatie binnen Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 1, Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 2, Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bufferzone en Werelderfgoed Hollandse waterlinies bevat:

  • a.

    een beschrijving van de wijze waarop de kernkwaliteiten van het werelderfgoed worden behouden of versterkt; en

  • b.

    een beschrijving van de wijze waarop de cultuurhistorische waarde wordt behouden of versterkt.

Artikel 7.68 (bescherming archeologische waarden binnen de Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 2)

  • 1. Een omgevingsplan voor Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 2 bevat regels die de bekende archeologische waarden beschermen.

  • 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in een verbod op activiteiten waarbij de grond dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij:

    • a.

      door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast;

    • b.

      het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten, of

    • c.

      de grond al eerder is geroerd.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan het omgevingsplan het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ toelaten, als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen volgens het bevoegd gezag prevaleren.

Artikel 7.68a (bescherming archeologische waarden binnen de Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bufferzone)

  • 1. Een omgevingsplan voor Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bufferzone bevat regels die de verwachte archeologische waarden beschermen.

  • 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in een verbod op activiteiten waarbij de grond voor een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij:

    • a.

      door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast;

    • b.

      het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten, of

    • c.

      de grond al eerder is geroerd.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan het omgevingsplan het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ toelaten, als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen volgens het bevoegd gezag prevaleren.

Artikel 7.68b bescherming archeologische waarden binnen de Neder-Germaanse Limes verwachtingszone)

  • 1. Een omgevingsplan voor Neder-Germaanse Limes verwachtingszone bevat regels die de verwachte archeologische waarden beschermen.

  • 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in de voorwaarde van archeologisch onderzoek bij activiteiten waarbij de grond voor een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, en de voorwaarde dat gehandeld wordt in overeenstemming met de uitkomsten van dat onderzoek, tenzij:

    • a.

      het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten, of

    • b.

      de grond al eerder is geroerd.

    § 7.3.18 Archeologie

Artikel 7.69 (aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden met bekende archeologische waarden)

Gebieden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.70 (bescherming bekende archeologische waarden)

  • 1. Een omgevingsplan voor een gebied met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde bevat regels die de bekende archeologische waarden beschermen.

  • 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in een verbod op activiteiten waarbij de grond voor een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij:

    • a.

      door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast;

    • b.

      het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten, of

    • c.

      de grond al eerder is geroerd.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan het omgevingsplan het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’, toelaten als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen volgens het bevoegd gezag prevaleren.

§ 7.3.19 Traditionele windmolens

Artikel 7.71 (aanwijzing en geometrische begrenzing molenbiotopen)

  • 1. Molenbiotopen zijn de locaties rondom traditionele windmolens, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Bijzondere molenbiotopen zijn de locaties binnen de molenbiotopen van incomplete, heropgebouwde of verplaatste traditionele windmolens, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.72 (bescherming molenbiotoop)

  • 1. Een omgevingsplan voor een molenbiotoop als bedoeld artikel 7.71, eerste en tweede lid, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en neemt de volgende waarden in acht:

    • a.

      binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen bebouwing of beplanting toegelaten, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wieken;

    • b.

      binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting:

      • voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wieken;

      • voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wieken.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, is bebouwing mogelijk ten behoeve van:

    • a.

      een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of

    • b.

      een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop als bedoeld in artikel 7.71, tweede lid, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast.

§ 7.3.20 Landgoederen en kastelen

Artikel 7.73 (aanwijzing en geometrische begrenzing landgoed- en kasteelbiotopen)

  • 1. Landgoedbiotopen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Kasteelbiotopen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.74 (bescherming landgoed- en kasteelbiotoop)

  • 1. Een omgevingsplan voor een landgoedbiotoop of kasteelbiotoop kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover:

    • a.

      geen aantasting plaatsvindt van de waarden van de landgoedbiotoop of kasteelbiotoop, of

    • b.

      de ontwikkeling is gericht op verbetering en versterking van de waarden van de landgoedbiotoop of kasteelbiotoop.

  • 2. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de landgoedbiotoop of kasteelbiotoop wordt beschreven. Naast de analyse van de cultuurhistorische kwaliteiten en waarden van het landgoed of het kasteel gaat deze paragraaf in op de wijze waarop de kenmerken en waarden van de landgoedbiotoop of kasteelbiotoop beschermd of versterkt worden. Het gaat in ieder geval om de volgende kenmerken en waarden:

    • a.

      de buitenplaats, bestaande uit het hoofdhuis met bijgebouwen en het bijbehorende park of tuin, of het kasteel of kasteelterrein in de vorm van ruïne, muurrestanten, één of meer bijgebouwen, omgracht terrein, de functionele en visuele relaties tussen de verschillende onderdelen;

    • b.

      de basisstructuur waaraan het landgoed of de kasteellocatie bewust direct is gekoppeld: een weg, een waterloop, of beide of in geval van een buitenplaats ook indirect door zichtlijnen;

    • c.

      het blikveld: de vrije ruimte die nodig is om de historische buitenplaats of het kasteel in het landschap te herkennen.

    Naast deze kenmerken en waarden kunnen er voor zowel de landgoedbiotoop als de kasteelbiotoop afzonderlijke kenmerken en waarden aan de orde zijn.

  • 3. Afwijking van het eerste lid is alleen mogelijk als sprake is van het noodzakelijk continueren van bouw- en gebruiksrechten uit het voorgaande omgevingsplan of als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is. De motivering van het omgevingsplan bevat hierover een verantwoording.

§ 7.3.21 Energie

Artikel 7.75 (aanwijzing en geometrische begrenzing locaties windenergie)

Locaties voor windenergie zijn de locaties waarvan de geometrisch begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.76 (windenergie)

  • 1. Een omgevingsplan laat windturbines alleen toe binnen de locaties voor windenergie.

  • 2. In het omgevingsplan kan de begrenzing van de in het eerste lid bedoelde locaties worden aangepast, waarbij rekening wordt gehouden met de lokale omstandigheden, ten behoeve van de ruimtelijke inpassing van de locatie in de omgeving, of ten behoeve van de uitbreiding van deze locatie mits de locatie een samenhangende eenheid vormt in het landschap. Daarbij geldt dat de locatie voor windenergie kan worden uitgebreid met een capaciteit van:

    • a.

      maximaal 5 MW; of

    • b.

      meer dan 5 MW in het geval gedeputeerde staten op grond van artikel 9c, derde lid, van de Elektriciteitswet 1998 van oordeel zijn dat het project met toepassing van artikel 5.55 van de Omgevingswet kan worden uitgevoerd door het bevoegde bestuursorgaan van de gemeente, en dat bevoegde bestuursorgaan daarmee heeft ingestemd.

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan voor een gebied buiten het bestaand stads-en dorpsgebied kleine windturbines met een ashoogte tot 15 m toelaten en kan een omgevingsplan voor een gebied binnen het bestaand stads- en dorpsgebied of voor locatie binnen het glastuinbouwgebied, bedoeld in artikel 7.53, eerste lid, kleine en middelgrote windturbines met een ashoogte tot 45 m toelaten, voor zover dat passend is bij de lokale situatie.

  • 4. Een omgevingsplan dat een bouwactiviteit toelaat voor een windturbine en andere bouwwerken gericht op de opwekking van energie uit wind verzekert de sloop van de bouwwerken na het beëindigen van die opwekking.

Artikel 7.76a (zonnevelden)

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een nieuw zonneveld met een oppervlakte van meer dan 500 m2 buiten bestaand stads- en dorpsgebied.

  • 2. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op een nieuw zonneveld, laat het omgevingsplan dit alleen toe op de volgende locaties:

    • a.

      agrarische bouwpercelen;

    • b.

      locaties met een functie verkeersinfrastructuur of een locatie ten dienste daarvan;

    • c.

      slibdepots, waterbassins, spaarbekkens, bergingsgebieden en voormalige stortplaatsen; d. glastuinbouwgebied mits er sprake is van meervoudig ruimtegebruik en aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied;

    • d.

      een locatie waar een stedelijke functie is toegedeeld, maar waar die functie nog niet is gerealiseerd;

    • e.

      een windpark.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan een omgevingsplan in zoekgebieden voor zon uit Regionale Energie Strategieën die door Provinciale Staten zijn vastgesteld zonnevelden toelaten mits het zoekgebied verder is uitgewerkt en regionaal is afgestemd.

  • 4. Het omgevingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld, als bedoeld in het tweede en derde lid, bevat, in aanvulling op paragraaf 7.3.7, een motivering over:

    • a.

      de bijdrage die wordt geleverd aan het behouden en versterken van de biodiversiteit en een zorgvuldige landschappelijke inpassing;

    • b.

      het combineren met andere relevante opgaven.

  • 5. Een omgevingsplan dat voorziet in het toelaten van een nieuw zonneveld, als bedoeld in het tweede en derde lid, verzekert:

    • a.

      de realisatie en de instandhouding van inrichtingsmaatregelen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke inpassing en het behouden en versterken van de biodiversiteit;

    • b.

      dat het zonneveld en de bijbehorende andere bouwwerken na afloop van de opwekking van energie worden gesloopt.

§ 7.3.22 Provinciale vaarwegen

Artikel 7.77 (vrijwaringszone provinciale vaarwegen)

  • 1. Een omgevingsplan voor een gebied binnen de vrijwaringszone provinciale vaarwegen als bedoeld in artikel 2.7 houdt rekening met het voorkomen van belemmeringen voor:

    • a.

      de vlotte en veilige doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte;

    • b.

      de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart;

    • c.

      het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten;

    • d.

      de toegankelijkheid van de provinciale vaarweg voor hulpdiensten; en

    • e.

      het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de provinciale vaarweg.

  • 2. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het eerste lid wordt advies gevraagd aan de vaarwegbeheerder.

  • 3. De breedte van de vrijwaringszone provinciale vaarweg, bedoeld in het eerste lid, gemeten vanuit de oever, bedraagt:

    • a.

      10 meter aan weerszijden van een recht vaarwegvak;

    • b.

      15 meter in een buitenbocht;

    • c.

      25 meter in een binnenbocht.

§ 7.3.23 Recreatietoervaartnet

Artikel 7.78 (aanwijzing en geometrische begrenzing recreatietoervaartnet)

Het recreatietoervaartnet is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.79 (bescherming recreatietoervaartnet)

Een omgevingsplan voor het recreatietoervaartnet houdt rekening met het voorkomen van belemmeringen van de recreatieve bevaarbaarheid van de vaarweg en is zo mogelijk gericht op verbetering en versterking van de bevaarbaarheid of de recreatieve waarden van de vaarweg.

§7.3.23a Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden

Artikel 7.79a (aanwijzing en geometrische begrenzing hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden)

  • 1. Het hoofdfietsnetwerk is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

  • 2. Lange afstands wandelpaden zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.79b (behoud en verbetering hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden)

Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met het belang van de instandhouding en zo mogelijk de verbetering van het hoofdfietsnetwerk en de lange afstands wandelpaden.

§ 7.3.24 Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur)

Artikel 7.80 (aanwijzing vitale infrastructuur openbare drinkwatervoorziening)

De vitale infrastructuur openbare drinkwatervoorziening zijn locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 7.81 (beschermingszone drinkwatervoorziening)

  • 1. Een omgevingsplan waarin een leiding, behorend tot de vitale infrastructuur openbare drinkwatervoorziening, bedoeld in artikel 7.80, aanwezig is, wijst een zone van minimaal vijf meter aan weerszijden van de leiding aan als beschermingszone drinkwatervoorziening.

  • 2. Het omgevingsplan laat nieuwe ontwikkelingen binnen de beschermingszone drinkwatervoorziening slechts toe voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het functioneren, het onderhoud en de veiligheid van de drinkwatervoorziening.

  • 3. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het tweede lid, wordt tijdig advies gevraagd aan het drinkwaterbedrijf dat beheerder is van de leiding.

    § 7.3.25 Ontheffing en afwijken

Artikel 7.82 (ontheffingsbevoegdheid gedeputeerde staten)

Gedeputeerde staten kunnen op verzoek ontheffing verlenen van de regels in afdeling 7.3.

Artikel 7.83 (indieningsvereisten ontheffing)

Een verzoek om een ontheffing, wordt ingediend met gebruikmaking van het daarvoor door gedeputeerde staten vastgestelde e-formulier en gaat vergezeld van de daarin aangegeven bescheiden en bevat, als het verzoek is gedaan door het college van burgemeester en wethouders, een motivering dat het verzoek is gedaan in overeenstemming met de gemeenteraad.

Artikel 7.84 (motivering omgevingsplan)

De motivering van een omgevingsplan dat ook wordt gebaseerd op een verleende ontheffing, bevat een afschrift van de beschikking van die ontheffing en de in artikel 7.83 bedoelde bescheiden.

Artikel 7.85 (intrekking ontheffing)

Gedeputeerde staten kunnen een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken als binnen twee jaar na verlening van de ontheffing, geen omgevingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van die ontheffing.

Artikel 7.86 (afwijkingsmogelijkheid - balansregeling)

Een omgevingsplan kan voorzien in activiteiten waarbij in relatief beperkte mate wordt afgeweken van de bepalingen in afdeling 7.3 van deze verordening, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelen van deze bepalingen.

Afdeling 7.4 Waterschapsverordening

§ 7.4.1 Waterkeringen

Artikel 7.87 (profiel van vrije ruimte)

In een waterschapsverordening wordt het profiel van vrije ruimte voor een toekomstige versterking of uitbreiding van een waterkering, die in beheer is bij het waterschap, aangewezen en geometrisch begrensd.

§ 7.4.2 Grondwaterkwaliteit

Artikel 7.88 (beoordelingsregels activiteit met gevolgen voor een waterlichaam)

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een waterschapsverordening die bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam.

  • 2. Een waterschapsverordening bepaalt dat het verlenen van de omgevingsvergunning er in ieder geval niet toe mag leiden dat:

    • a.

      de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends als bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en

    • b.

      de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang en het streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

Artikel 7.89 (voorschriften omgevingsvergunning activiteit met gevolgen voor een waterlichaam)

Een waterschapsverordening bepaalt dat aan de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit, bedoeld in artikel 7.88, eerste lid, voorschriften worden verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.

Artikel 7.90 (beoordelingsregels omgevingsvergunning wateronttrekkingsactiviteit)

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een waterschapsverordening die bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning de volgende wateronttrekkingsactiviteiten te verrichten:

    • a.

      het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening;

    • b.

      het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening.

  • 2. Een waterschapsverordening bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in het eerste lid alleen wordt verleend als de activiteit verenigbaar is met de dragende functie van het watersysteem.

  • 3. Een waterschapsverordening bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in het eerste lid, onder b, alleen wordt verleend als, in het in de bodem te brengen water, stoffen voorkomen:

    • a.

      in lagere concentraties dan in bijlage XIX, onder A, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor die stoffen is aangegeven; of

    • b.

      als bedoeld in bijlage XIX, onder B, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als die stoffen niet zijn aangegeven in bijlage XIX, onder A, van dat besluit, en die stoffen in zulke geringe hoeveelheden en concentraties aanwezig zijn dat gevaar voor verslechtering van de kwaliteit van het grondwater is uitgesloten.

  • 4. Een waterschapsverordening kan, in afwijking van het derde lid, bepalen dat de omgevingsvergunning kan worden verleend en kan voor één of meer stoffen een hogere concentratie als bedoeld in dat onderdeel toestaan voor een in de omgevingsvergunning aan te geven periode, als:

    • a.

      de bodemgesteldheid of de bodemsoort zodanig is dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van het grondwater, als water in de bodem wordt gebracht waarin die stoffen voorkomen in hogere concentraties; of

    • b.

      aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die het gevaar voor verontreiniging van het grondwater, dat ontstaat door het in de bodem brengen van water waarin die stoffen voorkomen in die hogere concentraties, opheffen.

    § 7.4.3 Wateronttrekkingsactiviteit

Artikel 7.92 (activiteiten waardoor een verontreiniging wordt verminderd of verplaatst)

[vervallen]

Artikel 7.93 (wateronttrekkingsactiviteit in grondwaterbeschermingsgebied)

De waterschapsverordening bepaalt dat het in grondwaterbeschermingsgebieden, bedoeld in artikel 2.2 verboden is om zonder omgevingsvergunning een permanente wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, te verrichten voor zover het gaat om andere dan de in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen gevallen.

Artikel 7.94 (vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteit)

  • 1. Dit artikel is van toepassing op een waterschapsverordening die bepaalt dat voor een wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, geen omgevingsvergunning is vereist.

  • 2. De waterschapsverordening bevat voor wateronttrekkingsactiviteiten, bedoeld in het eerste lid, met een omvang van meer dan 12.000 m³ per jaar en tijdelijke wateronttrekkingsactiviteiten met een omvang van in totaal meer dan 12.000 m³ regels inhoudende:

    • a.

      een verplichting tot het verstrekken van gegevens en bescheiden voor aanvang van de wateronttrekkingsactiviteit bij het waterschapsbestuur;

    • b.

      een meetverplichting van de onttrokken hoeveelheid grondwater en geïnfiltreerde water;

    • c.

      een meetverplichting van de kwaliteit van het geïnfiltreerde water;

    • d.

      een opgaveplicht van de in een kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater, geïnfiltreerde water en de kwaliteit van het geïnfiltreerde water;

    • e.

      voorschriften over de gegevens en bescheiden die voor het bepaalde onder letter a tot en met d van dit lid verstrekt moeten worden.

  • 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een permanente wateronttrekkingsactiviteit met een omvang van minder dan 12.000 m³ per jaar die voor andere doeleinden dan genoemd in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verricht in een grondwaterbeschermingsgebied.

Afdeling 7.5 Omgevingsvergunningen

§ 7.5.1 Algemeen

Artikel 7.95 (oogmerk beoordeling aanvraag omgevingsvergunning)

  • 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een vergunningplichtige activiteit die is aangewezen in een afdeling van hoofdstuk 3, wordt die omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de in die afdeling van hoofdstuk 3 genoemde oogmerken.

  • 2. Een omgevingsvergunning wordt niet geweigerd als door het stellen van voorschriften het te beschermen belang gelijkwaardig kan worden gediend.

Artikel 7.96 (bevoegdheid tot wijziging voorschriften en intrekking omgevingsvergunning)

  • 1. Gedeputeerde staten kunnen de voorschriften van een omgevingsvergunning wijzigen of een omgevingsvergunning intrekken op de in deze afdeling aangegeven gronden waarop die omgevingsvergunning had kunnen worden geweigerd.

  • 2. Gedeputeerde staten geven alleen toepassing aan de intrekkingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, als niet kan worden volstaan met wijziging van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.

§ 7.5.2 Omgevingsvergunning stiltegebiedactiviteit

Artikel 7.97 (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op een vergunningplichtige stiltegebiedactiviteit die is aangewezen in artikel 3.16.

Artikel 7.98 (beoordelingsregels stiltegebiedactiviteit)

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een stiltegebiedactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend:

  • a.

    in een individueel geval, en

  • b.

    als het belang van het voorkomen en beperken van geluidbelasting niet onevenredig wordt geschaad.

§ 7.5.3 Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit in grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 7.99 (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op een vergunningplichtige milieubelastende activiteit in grondwaterbeschermingsgebieden die is aangewezen in afdeling 3.3.

Artikel 7.100 (beoordelingsregels milieubelastende activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden)

  • 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit, bedoeld in afdeling 3.3, zijn op de beoordeling van de aanvraag de artikelen 8.9, 8.10 en artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in afdeling 3.3, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      er vindt geen achteruitgang van de kwaliteit van de bodem en het zich daarin bevindende grondwater plaats;

    • b.

      er is rekening gehouden met de kwetsbaarheid van dit gebied en er is zekerheid verkregen dat het verlenen, ook gelet op daarbij te stellen voorschriften, niet strijdig is met de belangen, bedoeld in artikel 3.19.

    • c.

      het nut en de noodzaak van de milieubelastende activiteit zijn voldoende aangetoond en er zijn geen redelijke alternatieven voorhanden.

§ 7.5.4 Omgevingsvergunning activiteit met betrekking tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreinigd grondwater

Artikel 7.101 (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op een vergunningplichtige grondwatersanering die is aangewezen in artikel 3.134.

Artikel 7.102 (beoordelingsregels grondwatersanering met gevolgen voor waterlichaam)

  • 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een grondwatersanering die gevolgen kan hebben voor een krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:

    • a.

      het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

    • b.

      het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

    • c.

      het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen.

  • 2. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, de regionale waterprogramma’s, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.

  • 3. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat:

    • a.

      niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing:

    • a.

      voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of

    • b.

      als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:

      • 1°.

        nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam of wijzigingen in de stand van een grondwaterlichaam; en

      • 2°.

        toepassing is gegeven aan artikel 2.17, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 5. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval ook niet toe leiden dat de doelstelling van:

    • a.

      het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt;

    • b.

      het ombuigen van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet wordt bereikt; en

    • c.

      het voorkomen van achteruitgang en streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt

  • 6. In afwijking van het vijfde lid wordt een omgevingsvergunning verleend als:

    • a.

      de aanvraag betrekking heeft op de gevallen waarin het niet voorkomen van die achteruitgang het gevolg is van:

      • 1°.

        nieuwe veranderingen van de fysische kenmerken van een krw-oppervlaktewaterlichaam;

      • 2°.

        wijzigingen in de stand van grondwaterlichamen; of

      • 3°.

        het niet voorkomen van achteruitgang van een zeer goede toestand van een krw-oppervlaktewaterlichaam naar een goede toestand het gevolg is van nieuwe duurzame activiteiten;

    • b.

      aan de voorwaarden van artikel 4, zevende, achtste en negende lid, van de kaderrichtlijn water is voldaan; en

    • c.

      de motivering voor het waterlichaam wordt opgenomen in het nationale waterprogramma, als het gaat om rijkswateren, of in het regionale waterprogramma, als het gaat om regionale wateren.

Artikel 7.102a (voorschriften activiteit met gevolgen voor waterlichaam)

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.102, worden voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.

§ 7.5.5 Omgevingsvergunning ontgassen van binnenschepen

Artikel 7.103 (toepassingsbereik)

Deze paragraaf is van toepassing op een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.146.

Artikel 7.104 (beoordelingsregels milieubelastende activiteit ontgassen van binnenschepen)

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een milieubelastende activiteit, als bedoeld in artikel 3.142 wordt de omgevingsvergunning niet verleend tenzij:

  • a.

    er sprake is van een bijzondere omstandigheid voor een eenmalig geval;

  • b.

    het belang van bescherming van het milieu en gezondheid niet onevenredig wordt geschaad.

§ 7.5.6 Omgevingsvergunning activiteit op of rond gesloten stortplaatsen

Artikel 7.105 (toepassingsbereik en oogmerk)

Deze paragraaf is van toepassing op een vergunningplichtige activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, die is aangewezen in artikel 3.155.

Artikel 7.106 (beoordelingsregels over de activiteit in, op, onder, boven of bij een gesloten stortplaats)

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de in artikel 3.149 genoemde belangen.

Artikel 7.107 (voorschriften over de activiteit in, op, onder, boven of bij een gesloten stortplaats)

Aan een omgevingsvergunning voor een activiteit in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd kunnen voorschriften worden verbonden over:

  • a.

    de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen;

  • b.

    het voorkomen dat de werking van de nazorgvoorzieningen nadelig wordt beïnvloed;

  • c.

    het voorkomen dat de uitvoering van de nazorg op een andere manier wordt belemmerd.

Afdeling 7.6 Projectbesluiten

Artikel 7.108 (instructieregels projectbesluit)

  • 1. Afdeling 7.3 is van overeenkomstige toepassing op een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, vierde lid, van de Omgevingswet dat wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van een waterschap.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is paragraaf 7.3.4 niet van toepassing op een projectbesluit dat wordt vastgesteld voor de aanleg, verlegging of versterking van een regionale waterkering.

Artikel 7.109 (instructieregels voor natuurnetwerk Nederland)

Er wordt geen projectbesluit door gedeputeerde staten vastgesteld voor het uitvoeren van een project binnen het natuurnetwerk Nederland dat nadelige gevolgen kan hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk, bedoeld in artikel 7.60, tenzij verzekerd is dat deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.

Artikel 7.110 (instructieregels voor werelderfgoed en erfgoed op de Voorlopige Lijst werelderfgoed)

Er wordt geen projectbesluit door gedeputeerde staten vastgesteld voor het uitvoeren van een project dat de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst werelderfgoed, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 7.65, aantast.

Artikel 7.111 (ontheffing instructieregels projectbesluit door waterschappen)

Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van het dagelijks bestuur van een waterschap ontheffing verlenen van de regels in afdeling 7.3 voor het vaststellen van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44, vierde lid, van de Omgevingswet.

HOOFDSTUK 8 FAUNABEHEEREENHEID EN -PLANNEN

Afdeling 8.1 Faunabeheereenheid

Artikel 8.1 (Faunabeheereenheid Zuid-Holland)

  • 1. Er is één faunabeheereenheid, genaamd: Faunabeheereenheid Zuid-Holland.

  • 2. Het werkgebied van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland omvat de gehele provincie Zuid-Holland.

  • 3. De Faunabeheereenheid Zuid-Holland bevordert de uitvoering van passende en doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van het Omgevingsbesluit.

  • 4. De Faunabeheereenheid Zuid-Holland is verantwoordelijk voor de coördinatie van de uitvoering van de door haar vastgestelde faunabeheerplannen.

  • 5. De Faunabeheereenheid Zuid-Holland bevordert het naar behoren uitoefenen van de aan haar toegestane handelingen in het kader van populatiebeheer of in het kader van de bestrijding van schadeveroorzakende soorten.

  • 6. De faunabeheereenheid legt de door haar uit te voeren werkzaamheden vast in een werkplan voor minimaal drie en maximaal 6 jaren.

Artikel 8.2 (bestuurssamenstelling Faunabeheereenheid Zuid-Holland)

  • 1. In het bestuur van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland zit ten minste een vertegenwoordiger van hierna genoemde entiteiten, zijnde jachthouders of jachtaktehouders, werkzaam binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid:

    • a.

      agrariërs;

    • b.

      particuliere grondeigenaren;

    • c.

      terreinbeherende organisaties;

    • d.

      vereniging van jachtaktehouders.

  • 2. Naast de vertegenwoordigers, bedoeld in het eerste lid, zit in het bestuur van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland een vertegenwoordiger van een of meer maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in Zuid-Holland, waarbij deze vertegenwoordiger spreekt namens een gezamenlijke achterban van ten minste 2.500 leden of donateurs woonachtig in de provincie Zuid-Holland.

  • 3. De voorzitter van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland is niet als bestuurslid of werknemer verbonden aan de in het eerste of tweede lid genoemde organisaties.

  • 4. De voorzitter van de faunabeheereenheid wordt benoemd door het bestuur van de faunabeheereenheid, op voordracht van gedeputeerde staten.

Artikel 8.3 (informatie en verantwoording)

  • 1. De Faunabeheereenheid Zuid-Holland informeert de achterban van alle in artikel 8.2, eerste en tweede lid genoemde organisaties over de uitvoering van haar werkzaamheden.

  • 2. Het jaarlijks verslag van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland, bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van het Omgevingsbesluit, bevat in ieder geval de volgende gegevens:

    • a.

      cijfermatige rapportages over de uitvoering van populatiebeheer, schadebestrijding en jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode dieren, onderverdeeld naar diersoort, wildbeheereenheid en, voor zover van toepassing, Natura 2000-gebied;

    • b.

      kwantitatieve gegevens voor de populatie van iedere in het faunabeheerplan beschreven diersoort, waarbij wordt aangegeven op welke wijze deze gegevens zijn verzameld;

    • c.

      beschrijving van populatieontwikkelingen die een risico vormen voor de belangen, bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onder b en artikel 8.74k, eerste lid, onder b en artikel 8.74l, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, die ten grondslag kunnen worden gelegd aan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit.

Artikel 8.4 (registratie gebruikers omgevingsvergunning)

De Faunabeheereenheid Zuid-Holland houdt een registratie bij van alle gebruikers van de aan de Faunabeheereenheid Zuid-Holland verleende omgevingsvergunningen. Deze registratie is altijd ten behoeve van toezicht of handhaving op verzoek inzichtelijk voor gedeputeerde staten.

Afdeling 8.2 Faunabeheerplan

Artikel 8.5 (toepassingsbereik)

Deze afdeling gaat over de faunabeheerplannen van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland.

Artikel 8.6 (algemene eisen aan faunabeheerplannen)

  • 1. Een faunabeheerplan bevat een kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is aangegeven.

  • 2. Een faunabeheerplan beschrijft aan welke voorwaarden moet worden voldaan voordat de handelingen ter voorkoming of bestrijding van schade kunnen worden uitgevoerd die in artikel 3.186, 3.187 en 3.188 als vergunningvrij zijn aangewezen.

  • 3. Een faunabeheerplan geeft inzicht in het verband tussen de jacht, het beheer van populaties en het bestrijden van schadeveroorzakende soorten.

  • 4. Een faunabeheerplan beschrijft op welke wijze rekening wordt gehouden met de Natura 2000-gebieden en de door gedeputeerde staten aan te wijzen rustgebieden voor de trekganzen.

  • 5. Bij het opstellen van een faunabeheerplan wordt een vertegenwoordiger vanuit de wetenschap betrokken.

  • 6. Een faunabeheerplan bevat op basis van gevalideerde gegevens en de daaruit voortvloeiende inzichten, een onderbouwing waaruit blijkt dat de staat van instandhouding niet significant negatief wordt beïnvloed door de uitvoering van het faunabeheerplan.

  • 7. Een faunabeheerplan beschrijft op welke wijze invulling is gegeven aan de escalatieladder: als eerste moeten diervriendelijke methodes worden toegepast om schade of risico’s te voorkomen, pas als dat onvoldoende effect heeft wordt afschot toegestaan.

Artikel 8.7 (faunabeheerplan duurzaam beheer van populaties)

In aanvulling op artikel 8.6 bevat een faunabeheerplan over duurzaam beheerde populaties in ieder geval per diersoort:

  • a.

    een beschrijving van het planmatige, gecoördineerde en duurzame beheer dat zal worden uitgevoerd;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de aanwezigheid van de populatie in het betrokken gebied gedurende het jaar;

  • c.

    een onderbouwing van de noodzaak van een duurzaam beheer, waaronder een onderbouwing van de schade aan de belangen, bedoeld in artikel 8.74h, tweede lid, artikel 8.74i, tweede lid en artikel 8.74j, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in de periode voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan;

  • d.

    de gewenste stand, inclusief de onderbouwing daarvan;

  • e.

    per gebied een beschrijving van de handelingen die in de periode voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn verricht om schade aan de onder c bedoelde belangen te voorkomen, en voor zover die kwantitatieve gegevens redelijkerwijs kunnen worden verkregen, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

  • f.

    een beschrijving van de locatie, periode, aard, omvang en noodzaak van de activiteiten die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld onder d, te bereiken; en

  • g.

    voor damherten of reeën: een beschrijving van het natuurlijke voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie, en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen.

Artikel 8.8 (faunabeheerplan schadebestrijding)

In aanvulling op artikel 8.6 bevat het faunabeheerplan over bestrijding van schadeveroorzakende dieren in ieder geval per diersoort:

  • a.

    een beschrijving van de wijze van planmatige en gecoördineerde bestrijding, inclusief een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van deze bestrijding, voor zover daarover gegevens beschikbaar zijn;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de aanwezigheid van de populatie binnen de provincie Zuid-Holland gedurende het jaar;

  • c.

    een beschrijving van de door deze diersoort veroorzaakte schade of risico’s, in de periode voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan;

  • d.

    per gebied een beschrijving van de handelingen die in de periode voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan, zijn verricht om schade als bedoeld onder c te voorkomen, en voor zover die kwantitatieve gegevens redelijkerwijs kunnen worden verkregen, een beschrijving van de effectiviteit van die handelingen;

  • e.

    een beschrijving van de locatie, periode, aard, omvang en noodzaak van de bestrijding van schadeveroorzakende dieren;

  • f.

    een omschrijving van passende en doeltreffende preventieve maatregelen en de mate waarin deze maatregelen moeten worden ingezet voordat mag worden overgegaan tot schadebestrijding; en

  • g.

    voor zover daarover gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de bestrijding, bedoeld onder a.

Artikel 8.9 (faunabeheerplan uitoefening jacht)

In aanvulling op artikel 8.6 bevat het faunabeheerplan over de uitoefening van de jacht:

  • a.

    een beschrijving van de vormen van jacht die in Zuid-Holland worden beoefend;

  • b.

    kwantitatieve gegevens over de populatie van de diersoorten waarop wordt gejaagd, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden;

  • c.

    een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan, onderverdeeld per werkgebied van de onderscheiden wildbeheereenheden; en

  • d.

    een overzicht van de gerealiseerde schade per diersoort in de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan, onderverdeel per werkgebied van de te onderscheiden wildbeheereenheden.

Artikel 8.10 (geldigheidsduur faunabeheerplan) 

Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste zes jaren.

Artikel 8.11 (afwijkingsbevoegdheid)

Gedeputeerde staten kunnen de bepalingen van afdeling 8.2 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, naar hun o