Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant

Geldend van 20-12-2023 t/m heden

Intitulé

Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

Gezien het advies van de Adviescommissie Catalogus Groenblauwe Diensten;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten de landschappelijke kwaliteit van het Brabantse buitengebied willen behouden en versterken en het wenselijk achten hiertoe een subsidieregeling vast te stellen;

Overwegende dat Gedeputeerde Staten tevens tot doel hebben daarbij samen te werken met de gemeenten en waterschappen in de provincie Noord-Brabant en dat deze samenwerking bestaat uit de inzet van financiële middelen door zowel de provincie Noord-Brabant als de gemeenten en waterschappen;

Overwegende dat het beschikbaar te stellen budget en de thema’s waarvoor dit budget beschikbaar is, keuzes zijn die gemeenten en waterschappen op grond van hun autonomie maken;

Overwegende dat deze subsidieregeling is opgesteld binnen het kader van de Catalogus Groenblauwe Diensten en daarmee valt binnen de Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (PbEU 2014, C 204);

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

actieve landbouwer: landbouwer die bij de Kamer van Koophandel staat ingeschreven met zijn bedrijf waarvan landbouwactiviteit de hoofdactiviteit is;

beheertypenkaart: kaart als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016;

beleving: het verbeteren van de recreatieve ontsluiting van het buitengebied over agrarische gronden;

boerenlandvogels en bijen: het versterken van biodiversiteit ten behoeve van boerenlandvogels en insecten;

bouwland: perceel met een aanduiding, niet zijnde “blijvend grasland”, in de Basisregistratie Gewaspercelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;

Catalogus Groenblauwe Diensten: set van steunmaatregelen waaraan de Europese Commissie met het goedkeuringsbesluit SA.44848 goedkeuring heeft verleend;

cultuurhistorie: het in stand houden van groen erfgoed;

element: element zoals omschreven in bijlage 3 bij deze regeling;

EVZ: ecologische verbindingszone, zijnde een gebied waarbinnen natuur- en landschapselementen zijn of worden gerealiseerd, gericht op het verbinden van natuurgebieden, en dat is opgenomen en begrensd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant;

functiewijziging: het wijzigen van de functie van de grond van landbouwgrond naar natuur ten behoeve van een element;

grasland: perceel met de aanduiding “blijvend grasland” in de Basisregistratie Gewaspercelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;

grote onderneming: onderneming die niet aan de criteria, bedoeld in bijlage I bij de landbouwgroepsvrijstellingsverordening voldoet;

Kaderrichtlijn Water: Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU 2000, L 327);

klimaatadaptatie: het vasthouden en bergen van water;

landbouwgrond: grond waarop enige vorm van landbouw wordt of onmiddellijk kan worden uitgeoefend;

landbouwsteunkader: Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (PbEU 2014, C 204);

landschapsbeheer: het in stand houden en het goede beheer van bestaande elementen;

landschapsontwikkeling: het versterken van de landschappelijke kwaliteit en biodiversiteit in het agrarisch cultuurlandschap;

natuurbeheertype: soort natuur als beschreven in de Index Natuur en Landschap, te raadplegen via de website https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/;

Natuurnetwerk Brabant: samenhangend netwerk van natuurgebieden, dat van nationaal en internationaal belang is en het veiligstellen van ecosystemen als doel heeft, en is opgenomen en begrensd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant;

verordening 1305/2013: Verordening (EU) 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

verordening 1306/2013: Verordening (EU) 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

verordening 1307/2013: Verordening (EU) 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

waterkeringen: het ecologisch beheren van waterkeringen;

waterkwaliteit en ecologie: het verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater.

Artikel 2 Doelgroep

  • 1. Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door:

    • a.

      landbouwers;

    • b.

      particuliere grondbeheerders die actief zijn in de land- en bosbouwsector;

    • c.

      een samenwerkingsverband van partijen, genoemd onder a en b;

    • d.

      een samenwerkingsverband van een grondeigenaar en een of meerdere van de partijen, genoemd onder a tot en met c.

  • 2. Indien een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, onder c of d, geen rechtspersoonlijkheid bezit:

    • a.

      wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband, waarbij dit, indien aanwezig, een deelnemer met rechtspersoonlijkheid is; en

    • b.

      draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband, blijkend uit een samenwerkingsverklaring.

Artikel 3 Subsidievorm

Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 4 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:

  • a.

    functiewijziging, mits:

    • 1°.

      in combinatie met een of meer activiteiten, genoemd onder b, en c; en

    • 2°.

      niet gericht op het element wandelpad over boerenland binnen het Natuurnetwerk Brabant of op het element hoogstamboomgaard;

  • b.

    beleving;

  • c.

    landschapsontwikkeling;

  • d.

    landschapsbeheer;

  • e.

    cultuurhistorie;

  • f.

    klimaatadaptatie;

  • g.

    boerenlandvogels en bijen;

  • h.

    waterkwaliteit en ecologie;

  • i.

    waterkeringen;

  • j.

    functiewijziging, mits in combinatie met een of meer activiteiten, genoemd onder f en h.

Artikel 5 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd indien:

  • a.

    het project wordt uitgevoerd op grond gelegen binnen het Natuurnetwerk Brabant, met uitzondering van grond:

    • 1°.

      gelegen in EVZ’s; of

    • 2°.

      die op de beheertypenkaart is aangeduid met natuurbeheertype N00.01 en het project gericht is op de aanleg van wandelpad over boerenland;

  • b.

    op de grond waarop het project wordt uitgevoerd krachtens het geldende bestemmingsplan de bestemming bouwvlak of de bestemming wonen rust;

  • c.

    voor het project reeds subsidie is verstrekt op grond van deze of een andere subsidieregeling;

  • d.

    reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project;

  • e.

    op de grond waarop het project betrekking heeft verplichtingen rusten op grond van deze regeling of enige andere regeling op grond waarvan een subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer;

  • f.

    het project reeds uitgevoerd dient te worden op grond van verplichtingen op basis van wetgeving, regelgeving, een convenant of andere afspraken;

  • g.

    de subsidieaanvrager een grote onderneming is;

  • h.

    de subsidieaanvrager niet aan de relevante Unienormen of nationale wet- en regelgeving voldoet, zoals wet- en regelgeving met betrekking tot dieren, planten, volksgezondheid, sanitair, ethiek of milieu, en op basis daarvan de productie hoe dan ook moet stopzetten;

  • i.

    de subsidieaanvrager een onderneming in financiële moeilijkheden is als bedoeld in de Richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014, C 249);

  • j.

    ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard;

  • k.

    de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan:

    • 1°.

      € 4.000, voor de activiteit functiewijziging, bedoeld in artikel 4, onderdeel a en j;

    • 2°.

      € 3.000, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 4, onderdeel c, f of h;

    • 3°.

      € 7.000, voor een combinatie van de activiteiten, bedoeld onder 1º en 2º.

Artikel 6 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;

    • b.

      de in het project opgenomen elementen passen voor ten minste 50% binnen de daarvoor aangewezen landschapstypen als vermeld in de landschapstypenkaart, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;

    • c.

      de in het project opgenomen elementen passen binnen de daarvoor aangewezen gebieden, opgenomen op de themagebiedenkaart in bijlage 2 bij deze regeling;

    • d.

      de in het project opgenomen elementen voldoen aan de beschrijving en vereisten, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;

    • e.

      het project wordt uitgevoerd op grond met de bestemming:

      • 1°.

        agrarisch of agrarisch met waarden, niet zijnde agrarisch bedrijf;

      • 2°.

        groen;

      • 3°.

        natuur; of

      • 4°.

        verkeer of dijken, voor zover het project betrekking heeft op landbouwgrond binnen deze bestemming;

    • f.

      bij de aanvraag wordt gevoegd:

      • 1°.

        een omschrijving van de desbetreffende elementen;

      • 2°.

        een aanduiding van de omvang van de desbetreffende elementen uitgedrukt in stuks, strekkende meters of vierkante meters;

      • 3°.

        de locatieaanduiding van het project;

      • 4°.

        een foto van de actuele situatie, met daarop eventueel reeds aanwezige elementen;

    • g.

      de subsidieaanvrager heeft voor minimaal zes jaar, te rekenen vanaf de ingangsdatum van het beheer, het gebruiksrecht over de grond waarop het project betrekking heeft.

  • 2. Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de subsidieaanvrager beschikt over het volle eigendom van de grond waarop het project betrekking heeft;

    • b.

      de functie van de grond wordt gewijzigd van landbouwgrond naar natuur ten behoeve van de elementen;

    • c.

      eventuele betrokken productiecapaciteit wordt gesloopt of onherroepelijk gesloten;

    • d.

      de grond waarop het project betrekking heeft:

      • 1°.

        is ten minste 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik, blijkend uit de Basisregistratie Gewaspercelen;

      • 2°.

        is gelegen binnen een EVZ; of

      • 3°.

        wordt gebruikt voor de realisatie van een wandelpad over boerenland.

  • 3. Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op de aanleg en het beheer of het enkele beheer van het element wandelpad over boerenland.

  • 4. Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder c, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op de aanleg en het beheer van een van de volgende elementen:

    • a.

      hakhoutsingel;

    • b.

      elzensingel;

    • c.

      bossingel;

    • d.

      struweelhaag;

    • e.

      knip- of scheerheg;

    • f.

      bomenrij of solitaire boom;

    • g.

      knotboom;

    • h.

      hoogstamboomgaard;

    • i.

      struweelrand;

    • j.

      poel of klein historisch water;

    • k.

      natuurvriendelijke oever;

    • l.

      botanische hooilandrand in combinatie met het beheer van een element, genoemd onder a tot en met g;

    • m.

      wilde bijenrand op grasland in combinatie met het beheer van een element, genoemd onder a tot en met g.

  • 5. Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder d, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op het beheer van een van de volgende elementen:

    • a.

      hakhoutsingel;

    • b.

      elzensingel;

    • c.

      bossingel;

    • d.

      hakhoutbosje;

    • e.

      griendje;

    • f.

      struweelhaag;

    • g.

      knip- of scheerheg;

    • h.

      bomenrij of solitaire boom;

    • i.

      knotboom;

    • j.

      hoogstamboomgaard;

    • k.

      struweelrand;

    • l.

      poel of klein historisch water;

    • m.

      natuurvriendelijke oever;

    • n.

      botanische hooilandrand in combinatie met het beheer van een element, genoemd onder a tot en met i;

    • o.

      wilde bijenrand op grasland in combinatie met het beheer van een element, genoemd onder a tot en met i.

  • 6. Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder e, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op het beheer van een van de volgende elementen:

      • 1°.

        hakhoutsingel;

      • 2°.

        elzensingel;

      • 3°.

        bossingel;

      • 4°.

        hakhoutbosje;

      • 5°.

        griendje;

      • 6°.

        struweelhaag;

      • 7°.

        knip- of scheerheg;

      • 8°.

        bomenrij of solitaire boom;

      • 9°.

        knotboom;

      • 10°.

        hoogstamboomgaard;

      • 11°.

        poel of klein historisch water;

    • b.

      het element was reeds aanwezig voor 1950 en is tot op heden aanwezig geweest.

  • 7. Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder f, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op de aanleg en het beheer of het enkele beheer van een van de volgende elementen:

      • 1°.

        natuurvriendelijke oever;

      • 2°.

        infiltratiegreppel;

      • 3°.

        waterbergingsvoorziening;

    • b.

      het project is in overeenstemming met de Kaderrichtlijn Water, de maatregelenprogramma’s van de actuele stroomgebiedbeheerplannen, en de keur van het desbetreffende waterschap.

  • 8. Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder g, in aanmerking te komen, voldaan aan een van de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op de aanleg en het beheer van een van de volgende elementen:

      • 1°.

        botanische hooilandrand;

      • 2.

        wilde bijenrand op grasland; of

    • b.

      het project is gericht op het beheer van een van de volgende elementen:

      • 1°.

        botanische hooilandrand;

      • 2°.

        wilde bijenrand op grasland;

      • 3°.

        wintervoedselrand op bouwland;

      • 4°.

        wilde bijenrand op bouwland;

      • 5°.

        patrijzenrand op bouwland;

      • 6°.

        bloemblok voor akkervogels op bouwland.

  • 9. Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder h, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op de aanleg en het beheer van een van de volgende elementen:

      • 1°.

        natuurvriendelijke oever;

      • 2°.

        infiltratiegreppel;

      • 3°.

        poel en klein historisch water;

      • 4°.

        hakhoutsingel;

      • 5°.

        elzensingel;

      • 6°.

        knotboom;

      • 7°.

        bomenrij en solitaire boom;

      • 8°.

        botanische hooilandrand in combinatie met de aanleg van een element, genoemd onder 1° tot en met 7°;

      • 9°.

        wilde bijenrand op grasland in combinatie met de aanleg van een element, genoemd onder 1° tot en met 7°.

    • b.

      het project is in overeenstemming met de Kaderrichtlijn Water, de maatregelenprogramma’s van de actuele stroomgebiedbeheerplannen, en de keur van het desbetreffende waterschap.

  • 10. Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder i, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is gericht op het beheer van botanische hooilandrand of wilde bijenrand op grasland;

    • b.

      het project is in overeenstemming met de Kaderrichtlijn Water, de maatregelenprogramma’s van de actuele stroomgebiedbeheerplannen, en de keur van het desbetreffende waterschap.

  • 11. Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder j, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de subsidieaanvrager beschikt over het volle eigendom van de grond waarop het project betrekking heeft;

    • b.

      de functie van de grond wordt gewijzigd van landbouwgrond naar natuur ten behoeve van de elementen;

    • c.

      het project is gericht op een of meer van de activiteiten, genoemd in artikel 4, onder f en h;

    • d.

      eventuele betrokken productiecapaciteit wordt gesloopt of onherroepelijk gesloten;

    • e.

      de grond waarop het project betrekking heeft:

      • 1°.

        is ten minste 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik, blijkend uit de Basisregistratie Gewaspercelen; of

      • 2°.

        is gelegen binnen een EVZ

  • 12. Onverminderd het eerste tot en met twaalfde lid wordt, indien het project betrekking heeft op de aanleg dan wel de aanleg en het beheer van een element, voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      het project is erop gericht dat de aanleg binnen een jaar na verlening van de subsidie kan worden afgerond;

    • b.

      de aanvraag bevat:

      • 1°.

        een beplantingslijst;

      • 2°.

        een inrichtingsplan; en

      • 3°.

        een sluitende en realistische begroting;

    • c.

      het inrichtingsplan, bedoeld in onderdeel b, onder 2°, bevat:

      • 1°.

        de locatieaanduiding van het project;

      • 2°.

        een schaalgrote van maximaal 1:2.000;

      • 3°.

        een legenda;

      • 4°.

        een topografische ondergrond;

      • 5°.

        een kadastrale aanduiding.

Artikel 7 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a en j, komt in aanmerking de waardevermindering van de grond, welke wordt vastgesteld op maximaal 85% van de regioprijs van de grond zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

  • 2. Voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b, c, en f tot en met h, komen in aanmerking de volgende kosten:

    • a.

      de normbedragen, genoemd in bijlage 5 en 6 bij deze regeling;

    • b.

      legeskosten tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele kosten;

    • c.

      bodemkundig of archeologisch onderzoek, voor zover wettelijk verplicht voor het project tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele kosten.

  • 3. Voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder d, e, en i, komen in aanmerking de normbedragen, genoemd in bijlage 5 en 6 bij deze regeling.

Artikel 8 Niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 7 komen kosten voor uitvoering van wettelijke taken, regelingen, convenanten of afspraken niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 9 Aanvraagtijdvak

Subsidieaanvragen worden ingediend van 11 juni 2020 tot en met 18 december 2025.

Artikel 10 Subsidieplafond

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, onder a tot en met e, en g, voor de periode, genoemd in artikel 9, vast op:

    • a.

      € 123.628, voor projecten in de gemeente Alphen en Chaam;

    • b.

      € 279.000, voor projecten in de gemeente Altena;

    • c.

      € 357.939, voor projecten in de gemeente Asten;

    • d.

      € 65.369, voor projecten in de gemeente Baarle-Nassau;

    • e.

      € 190.465, voor projecten in de gemeente Bergeijk;

    • f.

      € 360.000, voor projecten in de gemeente Bernheze;

    • g.

      € 45.000, voor projecten in de gemeente Best;

    • h.

      € 172.269, voor projecten in de gemeente Bladel;

    • i.

      € 67.043, voor projecten in de gemeente Boekel;

    • j.

      € 283.680, voor projecten in de gemeente Boxtel;

    • k.

      € 180.000, voor projecten in de gemeente Breda;

    • l.

      € 135.000, voor projecten in de gemeente Cranendonck;

    • m.

      € 54.000, voor projecten in de gemeente Den Bosch;

    • n.

      € 399.002, voor projecten in de gemeente Deurne;

    • o.

      € 93.667, voor projecten in de gemeente Dongen;

    • p.

      € 202.201, voor projecten in de gemeente Drimmelen;

    • q.

      € 224.302, voor projecten in de gemeente Eersel;

    • r.

      € 40.500, voor projecten in de gemeente Eindhoven;

    • s.

      € 144.000, voor projecten in de gemeente Etten-Leur;

    • t.

      € 70.603, voor projecten in de gemeente Geertruidenberg;

    • u.

      € 81.851, voor projecten in de gemeente Geldrop-Mierlo;

    • v.

      € 270.000, voor projecten in de gemeente Gemert-Bakel;

    • w.

      € 281.162, voor projecten in de gemeente Gilze en Rijen;

    • x.

      € 67.500, voor projecten in de gemeente Goirle;

    • y.

      € 216.527, voor projecten in de gemeente Halderberge;

    • z.

      € 77.400, voor projecten in de gemeente Heeze-Leende;

    • aa.

      € 194.400, voor projecten in de gemeente Helmond;

    • bb.

      € 202.500, voor projecten in de gemeente Heusden;

    • cc.

      € 198.000, voor projecten in de gemeente Hilvarenbeek;

    • dd.

      € 385.015, voor projecten in de gemeente Laarbeek;

    • ee.

      € 949.071, voor projecten in de gemeente Land van Cuijk,

    • ff.

      € 601.123, voor projecten in de gemeente Maashorst;

    • gg.

      € 338.431, voor projecten in de gemeente Meierijstad;

    • hh.

      € 76.983, voor projecten in de gemeente Moerdijk;

    • ii.

      € 144.000, voor projecten in de gemeente Nuenen c.a.;

    • jj.

      € 767.072, voor projecten in de gemeente Oirschot;

    • kk.

      € 72.000, voor projecten in de gemeente Oisterwijk;

    • ll.

      € €67.500, voor projecten in de gemeente Oosterhout;

    • mm.

      € 248.400, voor projecten in de gemeente Oss;

    • nn.

      € 194.760, voor projecten in de gemeente Reuzel de Mierden;

    • oo.

      € 181.895, voor projecten in de gemeente Roosendaal;

    • pp.

      € 286.177, voor projecten in de gemeente Rucphen;

    • qq.

      € 270.000, voor projecten in de gemeente Sint-Michelsgestel;

    • rr.

      € 329.717, voor projecten in de gemeente Someren;

    • ss.

      € 108.000, voor projecten in de gemeente Son en Breugel;

    • tt.

      € 156.780, voor projecten in de gemeente Steenbergen;

    • uu.

      € 212.002, voor projecten in de gemeente Tilburg;

    • vv.

      € 36.000, voor projecten in de gemeente Vught;

    • ww.

      € 36.000, voor projecten in de gemeente Waalre;

    • xx.

      € 63.000, voor projecten in de gemeente Waalwijk;

    • yy.

      €108.000, voor projecten in de gemeente Woensdrecht;

    • zz.

      € 144.000, voor projecten in de gemeente Zundert.

  • 2. Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, onder f, h, i en j, voor de periode, genoemd in artikel 9, vast op:

    • a.

      € 337.886, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap Aa en Maas;

    • b.

      € 360.000, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap Brabantse Delta;

    • c.

      € 198.000, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap De Dommel;

    • d.

      € 328.500, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap Rivierenland.

Artikel 11 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999.

  • 2. In het geval dat subsidie onder de Catalogus Groenblauwe Diensten met andere subsidie voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt gecumuleerd, worden de krachtens de onderhavige regeling toe te kennen bedragen zodanig beperkt dat het totale subsidiebedrag niet hoger is dan de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten, het maximale subsidiebedrag uit deze regeling, de maximale steunintensiteiten en het maximale steunbedrag op grond van de toepasselijke Europese voorschriften.

  • 3. De subsidie wordt niet verstrekt indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat de subsidie minder bedraagt dan:

    • a.

      € 4.000, voor de activiteit functiewijziging, bedoeld in artikel 4, onderdelen a en j;

    • b.

      € 3.000, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 4, onderdelen c, f of h;

    • c.

      € 7.000, voor een combinatie van de activiteiten, bedoeld onder a en b;

    • d.

      € 1.000, voor de activiteiten, bedoeld in artikel 4, onderdelen b, d, e, g of i.

Artikel 12 Verdelingswijzen

  • 1. Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.

  • 4. De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen van hoog naar laag worden gerangschikt in volgorde van trekking.

  • 5. Subsidie wordt verdeeld over opeenvolgende aanvragen in de rangschikking die volledig gehonoreerd kunnen worden.

Artikel 13 Subsidieverlening

  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a en j, wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat tussen de provincie Noord-Brabant en de subsidieontvanger binnen 24 maanden na de subsidieverlening een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek wordt gevestigd, waarin in ieder geval wordt opgenomen dat degene die het terrein toebehoort, beheert of degene die beschikt over het recht van erfpacht:

    • a.

      de desbetreffende grond na aanvang van de aanleg van de elementen niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond;

    • b.

      de met subsidie aangelegde elementen beheert overeenkomstig de voorschriften opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;

  • 2. Subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b tot en met i, wordt verleend voor een periode van zes aaneengesloten jaren.

Artikel 14 Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. De subsidieontvanger:

    • a.

      legt de elementen aan binnen een jaar na verlening van de subsidie;

    • b.

      verleent medewerking ten aanzien van de uitvoering van controles; en

    • c.

      voert het project uit conform de voorschriften, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;

  • 2. Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a en j, de volgende verplichtingen:

    • a.

      hij wijzigt de functie van de grond waarop het project betrekking heeft binnen vierentwintig maanden na verlening van de subsidie en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen; en

    • b.

      hij houdt de cultuurgrond in een goede landbouw- en milieuconditie overeenkomstig titel VI, hoofdstuk I, van Verordening 1306/2013 en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen tot het moment dat die in natuur wordt omgezet, waarbij in ieder geval:

      • 1°.

        elementen in stand worden gelaten, inclusief, in voorkomend geval, heggen, vijvers, greppels, bomenrijen, bomengroepen of geïsoleerde bomen, akkerranden en terrassen;

      • 2°.

        het snoeien van heggen en bomen verboden is in de vogelbroedperiode.

  • 3. Indien het project wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onder a, kan de subsidieontvanger uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging met maximaal tweemaal een periode van maximaal zes maanden.

  • 4. Voor zover het project betrekking heeft op de aanleg van een element, doet de subsidieontvanger binnen dertien weken na realisatie van de aanleg een gereedmelding en overlegt daarbij een overzicht van de gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder b en c.

  • 5. In afwijking van het vierde lid doet de subsidieontvanger geen gereedmelding indien het project bij een subsidie als bedoeld in artikel 4, onder c, sprake is van aanleg van een element als bedoeld in artikel 6, achtste lid, onder a.

Artikel 15 Actieve landbouwer

Voor de subsidieontvanger die een actieve landbouwer is gelden de volgende aanvullende bepalingen:

  • a.

    Indien de subsidie afhankelijk is van een aantal hectaren, dient de subsidieontvanger de volgende voorschriften, inzake areaal gerelateerde betalingen overeenkomstig artikel 47 van verordening 1305/2013 en in op grond van die bepaling aangenomen gedelegeerde handelingen, na te leven:

    • 1°.

      indien hetzij het onder een verbintenis vallende volledige areaal, of een deel ervan, hetzij het gehele bedrijf aan een andere persoon wordt overgedragen gedurende de looptijd van die verbintenis, kan de verbintenis of het deel ervan dat met de areaaloverdracht overeenstemt, voor de resterende looptijd door die andere persoon worden overgenomen of kan zij vervallen, en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen;

    • 2°.

      indien een begunstigde een aangegane verbintenis niet verder kan nakomen omdat zijn bedrijf of een deel daarvan wordt herverkaveld of binnen een ruilverkaveling van overheidswege of een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde ruilverkaveling valt, nemen Gedeputeerde Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verbintenis aan de nieuwe bedrijfssituatie worden aangepast.

    • 3°.

      Indien de aanpassing genoemd onder 1° en 2° onmogelijk is, eindigt de verbintenis en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen.

  • b.

    Enkel in gevallen van overmacht en de in artikel 2 van verordening 1306/2013 bedoelde uitzonderlijke omstandigheden stellen Gedeputeerde Staten, overeenkomstig artikel 4:46, tweede lid, van de Awb, de subsidie niet lager vast en hoeft de subsidieontvanger de ontvangen subsidie derhalve niet terug te betalen.

  • c.

    De uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld onder b zijn:

    • 1°.

      de begunstigde is overleden;

    • 2°.

      de begunstigde is langdurig arbeidsongeschikt geworden;

    • 3°.

      het bedrijf is zwaar getroffen door een ernstige natuurramp;

    • 4°.

      de veehouderijgebouwen op het bedrijf zijn door een ongeluk verloren gegaan;

    • 5°.

      al het vee of alle landbouwgewassen van de begunstigde of een gedeelte ervan zijn getroffen door respectievelijk een epizoötie of een plantenziekte;

    • 6°.

      het volledige bedrijf of een groot deel daarvan is onteigend, indien deze onteigening op de dag van indiening van de aanvraag niet was te voorzien.

  • d.

    Gedeputeerde Staten wijzigen de beschikking tot verlening van subsidie indien de volgende wet- en regelgeving wijzigt:

    • 1°.

      de krachtens titel VI, hoofdstuk I, van verordening 1306/2013 vastgestelde toepasselijke dwingende normen, uitgewerkt in bijlage 3 en 4 bij de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB;

    • 2°.

      de krachtens artikel 4, eerste lid, onderdeel c, onder ii en iii, van verordening 1307/2013 vastgestelde toepasselijke criteria en minimumactiviteiten; en

    • 3°.

      de toepasselijke minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere toepasselijke dwingende voorschriften, uitgewerkt in bijlage 3 bij de Beleidsregel verlagen subsidie POP.

  • e.

    Indien de subsidiebeschikking de programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling 2014-2020 overschrijdt, wijzigen Gedeputeerde Staten de beschikking overeenkomstig het voor de volgende programmeringsperiode geldende rechtskader.

  • f.

    Gedeputeerde Staten trekken de beschikking ambtshalve in zodra de subsidieontvanger de in de voorgaande leden bedoelde aanpassingen niet aanvaardt. De subsidie wordt ambtshalve verlaagd tot het bedrag dat overeenstemt met de periode tot het einde van de looptijd van de beschikking.

Artikel 16 Prestatieverantwoording

[vervallen]

Artikel 17 Bevoorschotting en betaling

  • 1. Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100%.

  • 2. Het voorschot met betrekking tot subsidie voor aanleg wordt in een keer betaald.

  • 3. Het voorschot met betrekking tot subsidie voor beheer wordt in zes gedeelten betaald gedurende de looptijd van het project.

  • 4. In afwijking van het derde lid wordt het voorschot met betrekking tot subsidie voor cyclisch beheer betaald in het jaar waarin het beheer wordt uitgevoerd.

  • 5. Het voorschot met betrekking tot de subsidie voor functiewijziging wordt in een keer betaald nadat de subsidieaanvrager een notariële akte heeft overlegd, waaruit blijkt dat de kwalitatieve verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, is gevestigd.

Artikel 18 Vaststelling

Gedeputeerde Staten stellen de subsidie, overeenkomstig artikel 20, eerste lid, onder b, van de Asv, ambtshalve vast op basis van prestaties en normbedragen per eenheid of daadwekelijk gemaakte kosten.

Artikel 19 Transparantie

[vervallen]

Artikel 20 Intrekking

De Subsidieregeling Groen Blauw Stimuleringskader Noord-Brabant wordt ingetrokken.

Artikel 21 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 22 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant.

Ondertekening

’s-Hertogenbosch, 2 juni 2020

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk

de secretaris

drs. M.J.A. van Bijnen MBA

1 Bijlage , als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, van de Subsidieregeling stimuleringskader landschap Noord-Brabant

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 2, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, van de Subsidieregeling stimuleringskader landschap Noord-Brabant

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 3 behorende bij artikel 6, eerste lid, onder d, artikel 13, eerste lid, onder b, en artikel 14, eerste lid, onder c, van de Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant

Definities

Vrij liggend: als 75% of meer van de randlengte van het element grenst aan bouw- of grasland of er een afstand tussen elementen is van tenminste 5 meter.

Cyclisch beheer: Beheer dat volgens een bepaalde regelmaat uitgevoerd moet worden om de verschijningsvorm van het landschapselement in stand te houden. Tot cyclisch beheer behoren onder meer: het knotten van knotbomen, het afzetten van een hout-/elzensingel, het opschonen van een poel.

Diameter: de doorsnee van een boom of struik gemeten door de omtrek van de boom op een meter boven het maaiveld te meten en te delen door π (3,14)

Maaiveld: is bovenkant van niet afgegraven bodem

Natte oppervlakte: oppervlakte van zichtbaar water

Grasland: Perceel met de aanduiding ‘blijvend grasland’ in de Basisregistratie Gewaspercelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Bouwland: Perceel met een aanduiding, niet zijnde ‘blijvend grasland’, in de Basisregistratie Gewaspercelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

Indicatorsoorten: botanische soorten zoals opgenomen onder de kop ‘Indicator soorten’

Kleigrond: gronden in de landschapstypen; Zeekleigebied, Komgebied, Oeverwal en Uiterwaarden, Dijken en Open beemdengebied.

Zandgrond: gronden in de landschapstypen Oude zandontginning, Jonge zand- en/of veenontginning en Langstraatontginning.

Landbouwkundig gebruik: grond welke ten minste 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik is blijkend uit de Basisregistratie Gewaspercelen.

L1: Hakhoutsingel

Afbakening

  • Een houtwal of houtsingel is een vrij liggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, al dan niet groeiend op een aarden wal, met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en/of struiken.

  • Een houtwal of houtsingel is minimaal 2,5 meter en maximaal 20 meter breed en minimaal 25 meter lang.

  • Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en natuurlijke waarde door het element als hakhout te beheren en het periodiek afzetten van het element (cyclisch beheer). De cyclus varieert tussen de 10 en 25 jaar.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

  • Elzensingels bestaande uit een enkele rij horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype Elzensingel.

  • Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Dijken

  • Oeverwal

  • Langstraatontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Op locatie van aanplant is de afgelopen 5 jaar geen bos of struweel aanwezig geweest.

  • Aanplant met 2- en/of 3-jarig inheems bosplantsoen.

  • Aanplant in de periode oktober tot april.

  • Plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt.

Beheervoorschriften

  • Ten minste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).

  • Er mag maximaal één overstaander per 100m2 worden behouden.

  • Snoeiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de periode tussen 1 november en 14 maart;

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

Beperkingen

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden. Als er geen vee in het aangrenzende perceel loopt, is een raster niet nodig

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • L1a: Takken en bramen die over aangrenzende percelen hangen mogen worden teruggesnoeid.

  • L1b: Elementen langer dan 100 m worden bij voorkeur in minimaal twee fasen afgezet. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar afgezet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet.

  • L1b: Het element dient gedurende de contractperiode te worden afgezet.

Aan te vragen pakketten

  • L1a: Jaarlijks beheer

  • L1b: Cyclisch beheer; element afzetten in contractperiode

L2: Elzensingel

Afbakening

  • Een elzensingel is een vrij liggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement, bestaande uit één rechte dan wel zigzaggende rij, dat grotendeels bestaat uit zwarte els.

  • Een elzensingel is minimaal 25 meter lang en maximaal 3 meter breed.

  • Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en natuurlijke waarde. Dit wordt bereikt door het element als hakhout te beheren en het periodiek af te zetten (cyclisch beheer). De cyclus varieert tussen de 6 en 21 jaar.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

  • Losse bomenrijen horen niet tot dit beheertype, maar tot het beheertype bomenrij/solitaire boom.

  • Windsingels om boomgaarden en kwekerijen die geschoren worden, horen niet tot dit beheertype.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Op locatie van aanplant is de afgelopen 5 jaar geen bos of struweel aanwezig geweest.

  • Aanplant met 2- en/of 3-jarig inheems bosplantsoen.

  • Aanplant in de winterperiode: oktober tot april.

  • Minimaal 100 stuks planten per 100 meter elzensingel aanplanten.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de rij indien perceel beweid wordt.

Beheervoorschriften

  • Tenminste 75% van de lengte van het element wordt als hakhout beheerd. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).

  • Snoeiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de periode tussen 1 november en 15 maart; takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

Beperkingen

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden. Als er geen vee in het aangrenzende perceel loopt, is een raster niet nodig

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • L2a: Takken en bramen die over aangrenzende percelen hangen mogen worden teruggesnoeid

  • L2b: Elzensingels langer dan 100 meter worden bij voorkeur in minimaal twee fasen afgezet. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar afgezet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet.

  • L2b: Elzensingel dient gedurende de contractperiode te worden afgezet.

Aan te vragen pakketten

  • L2a: Jaarlijks beheer

  • L2b: Cyclisch beheer bij > 75% bedekking; element afzetten in contractperiode

L3: Bossingel

Afbakening

  • Een bossingel is een vrij liggend lijnvormig en aaneengesloten landschapselement met een opgaande begroeiing van inheemse bomen en struiken.

  • Het doel van het beheer van het element is het behoud van natuurlijke waarde en boskwaliteit.

  • Dit kan worden bereikt door de buitenrand (pleksgewijs) periodiek af te zetten en te snoeien.

  • Doel van het onderhoud is het behoud van het ecosysteem en indien nodig herstel hiervan.

  • Een bossingel is minimaal 25 meter lang en heeft een breedte van maximaal 20 meter.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Langstraatontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

Inrichtingseisen bij aanleg bossingel

  • Op locatie van aanplant is de afgelopen 5 jaar geen bos of struweel aanwezig geweest.

  • Aanplant met 2- en/of 3-jarig inheems bosplantsoen.

  • Aanplant in de winterperiode: oktober tot april.

  • Plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt.

Beheervoorschriften

  • Overhangende takken kunnen gedurende het gehele jaar worden teruggesnoeid.

  • Het element wordt voor maximaal 80% beheerd als bos met opgaande bomen.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

Beperkingen

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden. Als er geen vee in het aangrenzende perceel loopt, is een raster niet nodig

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • L3a:Takken en bramen die over aangrenzende percelen hangen mogen worden teruggesnoeid

  • L3b : Beheereenheid wordt gedurende de contractperiode gedeeltelijk afgezet, 20% van de oppervlakte

Aan te vragen pakketten

  • L3a: Jaarlijks beheer

  • L3b: Cyclisch beheer, 20% van oppervlakte afzetten en snoeien overhangende takken

L4: Hakhoutbosje

Afbakening

  • Een hakhoutbos(je) is een vrij liggend vlakvormig landschapselement met inheemse bomen en/of struiken dat als hakhout wordt beheerd door periodiek afzetten van het element (cyclisch beheer).

  • Een hakhoutbosje is minimaal 100 m2 en maximaal 5.000 m2 groot.

  • Doel van het beheer van het element is het behoud van de traditionele hakhoutcultuur en ecologische waarde. Bij een hakhoutbosje met overwegend langzaam groeiende soorten wordt dit gedaan door om de 15 tot 25 jaar het element af te zetten (cyclisch beheer). Bij een hakhoutbosje met overwegend snelgroeiende soorten wordt dit gedaan door om de 10 tot 20 jaar het element af te zetten (cyclisch beheer).

  • Met langzaam groeiende soorten wordt bedoeld dat de zomereik dominant is.

  • Met snelgroeiende soorten wordt bedoeld dat zwarte els en/of gewone es dominant zijn.

  • Kleine vrij liggende bosjes zonder hakhoutbeheer of met een zeer beperkte vorm van hakhoutbeheer behoren tot het beheertype Bossingel en bosje.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Langstraatontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Oeverwal

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Op locatie van aanplant is de afgelopen 5 jaar geen bos of struweel aanwezig geweest.

  • Aanplant met 2- en/of 3-jarig inheems bosplantsoen.

  • Aanplant in de winterperiode: oktober tot april.

  • Plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x

  • 2,00 meter.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt.

Beheervoorschriften

  • Minimaal 80% van het bosje wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet in de periode tussen 1 november en 15 maart.

  • De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te

  • worden).

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, Japanse duizendknoop, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

Beperkingen

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden. Als er geen vee in het aangrenzende perceel loopt, is een raster niet nodig

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • L4a: Takken en bramen die over aangrenzende percelen hangen mogen worden teruggesnoeid

  • L4b: De beheereenheid wordt gedurende de contractperiode afgezet

  • L4c: De beheereenheid wordt gedurende de contractperiode afgezet

Aan te vragen pakketten

  • L4a: Jaarlijks beheer

  • L4b: Cyclisch beheer langzaam groeiende soorten; element afzetten in contractperiode

  • L4c: Cyclisch beheer snelgroeiende soorten; element afzetten in contractperiode

L5: Griendje

Afbakening

  • Een griendje is een vrij liggend vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten.

  • Het doel van het beheer van het element is het behoud en de instandhouding van de karakteristieke uitstraling en de ecologische waarde. Dit wordt bereikt door het element periodiek af te zetten. De cyclus varieert tussen de 3 en 5 jaar.

  • Het griendje is minimaal 100 m2 en maximaal 5.000 m2 groot. Grienden die machinaal gemaaid worden behoren niet tot dit beheertype.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Beekdal en broekontginning

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

  • Zeekleigebied

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Op locatie van aanplant is de afgelopen 5 jaar geen bos of struweel aanwezig geweest.

  • Aanplant met 2-3 jarige onbewortelde wilgenstek.

  • Aanplant in de winterperiode: oktober tot april.

  • Plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter of 1,50 m x 1,00 en maximaal 2,00 m x 2,00 meter.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt.

Beheervoorschriften

  • Het element bestaat uit inheemse wilgensoorten en wordt geheel als hakhout beheerd en afgezet in een cyclus van tenminste éénmaal per 5 jaar en maximaal éénmaal per 3 jaar.

  • Snoeiwerkzaamheden worden uitgevoerd in de periode tussen 1 november en 14maart; takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

Beperkingen

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden. Als er geen vee in het aangrenzende perceel loopt, is een raster niet nodig

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • L5a:Takken en bramen die over aangrenzende percelen hangen mogen worden teruggesnoeid

  • L5b : De beheereenheid wordt gedurende de contractperiode afgezet

Aan te vragen pakketten

  • L5a: Jaarlijks beheer

  • L5b: Cyclisch beheer; element afzetten in contractperiode

L6: Struweelhaag

Afbakening

  • Een struweelhaag is een vrij liggend lijnvormig landschapselement van ca. 3 meter breed met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken.

  • Een struweelhaag is minimaal 25 meter lang.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

  • Hagen die minimaal eenmaal per 3 jaar worden gesnoeid horen tot het beheertype Knip- of scheerheg.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Oude zandontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Oeverwal

  • Langstraatontginning

  • Uiterwaarden

  • Jonge zand- en/of veenontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Aanplant met 2- en/of 3 jarig bosplantsoen, waarvan 50% bestaat uit doorndragende struiken, uitgezonderd meidoorn in bufferzones bacterievuur.

  • Aanplant in de winterperiode: oktober tot april.

  • Het betreft een één- of tweerijig element.

  • Plantafstand in de rij bij 1 rij minimaal 0,25 meter en maximaal 0,40 meter en bij twee rijen

  • plantafstand in de rij minimaal 0,50 m en maximaal 1,00 meter en afstand tussen rijen minimaal 0,50 m en maximaal 1,00 meter.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt.

  • In het gebied van de ‘Maasheggen’ dient minimaal 70% te bestaan uit meidoorn (één- en tweestijlige) eventueel aangevuld met andere gebiedseigen soorten.

Beheervoorschriften

  • Snoeiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 oktober en 14 maart.

  • Na het snoeien heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,8 meter;

  • Na het vlechten heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,5 meter

  • Het gebruik van een klepelmaaier is niet toegestaan, uitgezonderd voor het snoeiwerk van zijkanten.

  • Het snoeien kan gecombineerd worden met het vlechten van de haag.

  • Het snoeihout moet afgevoerd worden. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden

Beperkingen

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden. Als er geen vee in het aangrenzende perceel loopt, is een raster niet nodig

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • L6a: Takken en bramen die over aangrenzende percelen hangen mogen worden teruggesnoeid. Overhangende takken aan de zijkanten mogen maximaal 1 maal per 3 jaar worden teruggesnoeid.

  • L6b: Beheereenheid wordt eens in de 5-7 jaar afgezet.

  • L6c: Beheereenheid wordt eens in de >12 jaar afgezet

  • L6b, L6c: Haag wordt ten minste een keer teruggezet gedurende de contractperiode.

Aan te vragen pakketten

  • L6a: Jaarlijks beheer

  • L6b: Cyclisch beheer; snoeien in contractperiode (cyclus 5-7 jaar)

  • L6c: Cyclisch beheer; snoeien in contractperiode (cyclus > 12 jaar)

L7: Knip- of scheerheg

Afbakening

  • Een knip- of scheerheg is een vrij liggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen en/of struiken, dat wordt geknipt of geschoren.

  • Een knip- of scheerheg is minimaal 25 meter lang, 0,8 meter breed en maximaal 3 meter hoog.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

  • Windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Aanplant 2- en/of 3 jarig inheems bosplantsoen.

  • Aanplant in de winterperiode: oktober tot april.

  • Het betreft een éénrijig of tweerijig element.

  • Plantafstand: 4 stuks per meter

  • In jonge zand- en/of veenontginning en Beekdal en broekontginning in nabijheid (max. 100 meter) van bebouwing aanplanten (niet op erf)

Beheervoorschriften

  • Knip- en/of scheerwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 15 juli en 15 maart.

Beperkingen

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • De stammen van het element mogen niet worden beschadigd door vee.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Specifieke beheervoorschriften

  • L7a: De beheereenheid wordt jaarlijks geknipt/geschoren. Na het knippen of scheren heeft de heg een minimale hoogte van 0,8 meter

  • L7b: De beheereenheid wordt minimaal eenmaal per 3 jaar geknipt/geschoren.

Aan te vragen pakketten

  • L7a: Jaarlijks scheren

  • L7b: Tweemaal scheren in contractperiode

L8: Bomenrij en solitaire boom

Afbakening

  • Een bomenrij/solitaire boom is een vrij liggend landschapselement van inheemse loofbomen dat niet kan worden gerangschikt onder andere beheertypes van deze subsidieregeling.

  • Bedoeld worden solitaire bomen of bomen in een groep of rij staande op of langs landbouwgrond. Lanen behoren ook tot dit beheertype.

  • Bomen die een onderdeel vormen van een ander beheertype van deze subsidieregeling of deel uitmaken van een bomenrij als bedoeld in dit beheertype kunnen niet als solitaire boom of verzameling van solitaire bomen aangevraagd worden.

  • De bomenrij is minimaal 50 meter lang en bestaat uit minimaal 8 en maximaal 20 bomen per 100 meter die voor subsidie in aanmerking komen.

  • Vlakvormige boomweides, knotbomen en windsingels om boomgaarden en kwekerijen horen niet tot dit beheertype.

  • Een solitaire boom bestaat uit een cluster van minimaal één en maximaal 10 bomen, welke vrijstaan in het landschap.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Dijken

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Aanplant van inheemse laanbomen, minimaal maat 10-12.

  • Aanplant in de winterperiode: oktober tot april.

  • Plantafstand in de rij minimaal 8 meter en maximaal 12,5 meter.

  • Plantafstand in de rij minimaal 8 meter en bij dubbele rijen minimaal 6 meter tussen de rijen.

Beheervoorschriften

  • Gedurende de contractperiode worden de bomen minimaal éénmaal gesnoeid. Na het snoeien beslaat de kroon minimaal 50% van de lengte van de boom.

Beperkingen

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het element bevestigd worden. Als er geen vee in het aangrenzende perceel loopt, is een raster niet nodig.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Aan te vragen pakketten

  • L8a: Cyclisch beheer diameter bomen < 20 cm; snoeien in contractperiode

  • L8b: Cyclisch beheer diameter bomen 20-60 cm; snoeien in contractperiode

  • L8c: Cyclisch beheer diameter bomen > 60 cm; snoeien in contractperiode

L9: Knotboom

Afbakening

  • Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,5 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot).

  • Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke eigenschap van het element. Ten behoeve daarvan worden de knotboom cyclisch geknot.

  • De knotcyclus varieert tussen de 3 en 5 jaar voor wilg en populier en 7-15 jaar voor eik, es, els, haagbeuk, veldesdoorn en berk.

  • Knotbomen worden aangetroffen als solitaire boom, in rijen of in kleine groepen. Een kleine groep bestaat uit maximaal 20 bomen.

  • Vlakvormige elementen met knotbomen, behoudens kleine groepen, horen niet tot dit beheertype maar kunnen mogelijk gerangschikt worden onder het beheertype Hakhoutbosje of Griendje mits voldaan wordt aan de eisen van deze beheertypen.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Dijken

  • Zeekleigebied

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraat ontginning

  • Open beemdengebied

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Aanplant inheemse soorten die als knotboom beheerd kunnen worden (schietwilg, gewone es, zwarte els, populier, haagbeuk, veldesdoorn, inlandse eik en berk).

  • Aanplant in de winterperiode: oktober tot april.

  • Plantafstand in de rij minimaal 5 en maximaal 12,5 meter.

  • Voor wilg kan een 3-jarige onbewortelde stek met een lengte van ca. 2,5 meter gebruikt worden.

  • Andere soorten worden geplant als laanbomen met maat 10-12 of dikker.

Beheervoorschriften

  • Knotwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 november en 14 maart; veldesdoorn en berk alleen tussen 1 november en 1 december.

  • De stam van een knotboom wordt minimaal op een hoogte van 1,5 meter boven maaiveld afgezet (geknot).

  • Gedurende de contractperiode wordt de knotboom minimaal éénmaal geknot.

Beperkingen

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee.

  • Geadviseerd wordt om knotbomenrijen van meer dan 30 stuks worden in minimaal twee fasen geknot. Ca. de helft van de knotbomenrij wordt het ene jaar geknot en de andere helft wordt minimaal 2 jaar later geknot.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Aan te vragen pakketten

  • L9a: Cyclisch beheer diameter boom < 20 cm; knotten in contractperiode

  • L9b: Cyclisch beheer diameter boom 20-60 cm; knotten in contractperiode

  • L9c: Cyclisch beheer diameter boom > 60 cm; knotten in contractperiode

L10: Hoogstamboomgaard

Afbakening

  • Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,5 meter hoog, waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een grazige vegetatie (geen gazon).

  • Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 8 fruitbomen met een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 150 bomen per hectare.

  • De hoogstamboomgaard heeft een oppervlakte van maximaal 0,25 hectare.

  • Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Oeverwal

  • Jonge zand- en/of veenontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Aanplant inheemse fruitbomen met stam van minimale 8-10 cm omtrek

  • Aanplant in de winterperiode: oktober tot april.

  • Plantafstand minimaal 10 x 10 meter en maximaal 15 x 15 meter.

  • Rond jonge bomen boomkorf aanbrengen indien perceel wordt beweid.

  • Minimale afstand tussen boomgaarden van aanvrager bedraagt 100 meter.

  • In jonge zand- en/of veenontginning en Beekdal en broekontginning in nabijheid (max. 100 meter) van bebouwing aanplanten (niet op erf)

Beheervoorschriften

  • Indien het appel of peer betreft wordt de boom tenminste eenmaal in de contractperiode gesnoeid in de periode 1 juli tot 15 maart. Voor andere soorten is enkel vorm- of onderhoudsnoei nodig.

  • De onderbegroeiing wordt jaarlijks beweid, of de boomgaard wordt jaarlijks gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgevoerd.

  • Bemesting met ruige mest van rundvee en bekalking is toegestaan.

  • Bij bemesten van de boomgaard, grondbewerking en maaiwerkzaamheden worden de fruitbomen en wortels niet beschadigd

Beperkingen

  • De stam van de hoogstamfruitboom mag niet beschadigd worden door vee. Het raster mag niet aan de boom bevestigd worden.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Niet branden in of in de directe omgeving van het element.

Aan te vragen pakketten

  • L10a: Cyclisch beheer diameter bomen > 10 cm: snoeien in contractperiode

L11: Struweelrand

Afbakening

  • Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen.

  • Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en ecologische waarde. Dit wordt bereikt door onderhoud te plegen zoals het maaien, snoeien, uitdunnen en kappen van bomen.

  • Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door inheemse bomen en/of struiken.

  • De struweelrand kan langs een bosrand of een landschapselement liggen, maar ook vrij in het veld, bijvoorbeeld langs een perceelrand.

  • De rand is minimaal 25 meter lang en maximaal 12 meter breed.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Dijken

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Struweelrand kan zich spontaan ontwikkelen als landbouwgrond uit productie wordt genomen. Rand kan ingezaaid worden met kruidenmengsel en 20% van de oppervlakte kan beplant worden met inheemse struiken.

Beheervoorschriften

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de ondergroei en/of de stoven niet schaadt en als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Maaiwerkzaamheden worden uitgevoerd tussen 15 juli en 14 maart en het afzetten van struweel wordt alleen verricht in de periode tussen 1 november en 14 maart.

Beperkingen

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het element bevestigd worden. Als er geen vee in het aangrenzende perceel loopt, is een raster niet nodig

Specifieke beheervoorschriften

  • L11a: Maaien ongewenste kruiden (akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • L11b: De rand bestaande uit een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden mag periodiek gemaaid worden met een cyclus van maximaal éénmaal per 5 jaar. Het maaisel wordt afgevoerd.

Aan te vragen pakketten

  • L11a: Jaarlijks beheer

  • L11b: Cyclisch beheer; maaien en afzetten struweel

L12: Poel en klein historisch water

Afbakening

  • Zowel een poel als een klein historisch water is doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door grond- en/of regenwater.

  • Alleen een poel groter dan 200 m2 mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert en ‘geen afwatering’ een risico voor omgeving kan veroorzaken. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied.

  • Het element heeft een oppervlakte van minimaal 100 en maximaal 5000 m2.

  • Vijvers die een onderdeel zijn van een park- of tuinaanleg en sloten vallen niet onder dit beheertype.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veen ontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

  • Zeekleigebied

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Oppervlakte van een nieuwe poel gemeten vanaf insteek talud met maaiveld is maximaal 500 m2. Oppervlakte inclusief landbiotoop is maximaal 700 m2. Diepte poel maximaal 1,70 meter.

  • Taluds minimaal 1:3.

  • De laagste grondwaterstand van de locatie waar de poel wordt aangelegd is niet dieper dan 1,30 m onder het maaiveld.

  • Landbiotoop rond poel en droog gedeelte van de oevers mag ingezaaid worden met mengsel met inheemse kruiden of voorzien van kruidenrijk hooi/maaisel.

  • Voor poelen (‘basisbiotoop’) die aangelegd worden t.b.v. de boomkikker geldt maximaal 2000 m², een diepte van maximaal 1,5 meter en taludverhoudingen van 1:8 tot 1: 10.

Beheervoorschriften

  • Minimaal de helft van het natte oppervlakte van de poel bestaat in de periode 15 maart tot 15 juni uit open water. De waterdiepte van de diepste delen van de poel is minimaal 0,5 m in de periode tussen 1 oktober en 1 april.

  • Een incidentele droogval is toegestaan in de periode 15 juni tot 15 november.

  • Maximaal 20% van de oeverlengte bestaat uit opslag van bomen of struiken. Het teveel aan

  • opslag wordt verwijderd.

  • Vertrapping van de oevers bij het gebruik van het element als veedrinkpoel wordt voorkomen. Bij het gebruik als veedrinkpoel is minimaal de helft van de oeverlengte uitgerasterd. Bij schapenbeweiding is het (gedeetelijk) uitrasteren van een poel niet nodig.

Beperkingen

  • Er mogen geen gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen in het element gebruikt worden.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan

  • Er mogen geen vissen worden uitgezet of gekweekt.

  • Er mogen geen gedomesticeerde watervogels in de poel worden gehouden.

  • Er mogen geen uitheemse waterplanten in de poel worden aangeplant.

  • De poel wordt niet gebruikt voor hemelwateropvang van daken en erven.

  • Maaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.

  • Er vindt geen wateronttrekking plaats, behalve ten behoeve van het drenken van vee op aangrenzende percelen.

Specifieke beheervoorschriften

  • L12a en L12c: Oevers worden jaarlijks gemaaid of tijdelijk (max.2 weken in de periode november t/m februari) beweid door schapen om opslag van bomen te voorkomen.

  • L12b en L12d: De poel wordt opgeschoond/gebaggerd. Bij L12b gemiddeld om de 5 jaar baggeren en bij L12d gemiddeld om de 10 jaar baggeren.

Aan te vragen pakketten

  • L12a: Jaarlijks beheer poel < 175 m2; jaarlijks oever maaien

  • L12b: Cyclisch beheer poel< 175 m2; opschonen /baggeren in contractperiode

  • L12c: Jaarlijks beheer poel > 175 m2; jaarlijks oever maaien

  • L12d: Cyclisch beheer poel > 175 m2; opschonen/baggeren in contractperiode

L13: Natuurvriendelijke oever

Afbakening

  • Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande watervoerende waterloop, in de vorm van een drasberm, plasberm of flauw talud (minimaal 1:3), met een begroeiing van inheemse kruidachtige planten. De oeverbegroeiing kan overwegend uit riet bestaan (rietoever) of uit diverse grassen en kruiden (graskruidenoever).

  • De oever heeft een minimale lengte van 25 meter en een breedte van tenminste 3 meter en maximaal 10 meter.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

  • De natuurvriendelijk oever kan worden voorzien van een schouw-/onderhoudsrand met kruidenrijk gras.

Element past binnen landschapstype(n):

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

  • Zeekleigebied

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Oude zandontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Een natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in de vorm van een drasberm, plasberm of een flauw talud

  • Bij peilgestuurde gebieden wordt de plasberm ontgraven tot 50 cm onder en tot 10 cm boven het zomerpeil en een drasberm wordt ontgraven tot 10 cm onder tot 10 cm boven het zomerpeil. Bij afwezigheid van een plas-dras oever is een flauw talud minimaal 1:3 of flauwer. Het talud wordt ontgraven vanaf de slootbodem tot het maaiveld

  • Bij vrij afwaterende gebieden: ligt de bodem van de oever boven de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterpeil).

  • Een schouw- /onderhoud rand langs een natuuroever is maximaal 4 meter breed en beslaat niet meer dan 20% van het oppervlak.

Beheervoorschriften

  • Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 oktober en 1 maart en worden gefaseerd uitgevoerd.

  • Maximaal 20% van de oppervlakte van het element bestaat uit struweel. Teveel aan struweel wordt verwijderd.

Beperkingen

  • De beheereenheid wordt niet beweid. (max.2 weken in de periode november t/m februari)

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan.

  • Er mogen geen wijzigingen aangebracht worden in het profiel van de natuurvriendelijke oever

Specifieke beheervoorschriften

  • L13a De beheereenheid wordt in een cyclus van minimaal éénmaal per jaar gemaaid.

  • L13b De beheereenheid wordt in een cyclus van minimaal éénmaal per 2 jaar gemaaid.

Aan te vragen pakketten

  • L13a: Graskruidenoever; jaarlijks maaien

  • L13b: Rietoever; eenmaal per 2 jaar maaien

L14: Infiltratiegreppel

Afbakening

  • Een infiltratiegreppel is een greppel die niet in directe verbinding staat met het oppervlaktewatersysteem.

  • De greppel ligt evenwijdig aan een A-waterloop en begint op minimaal 2 en maximaal 10 meter afstand vanaf de insteek van de waterloop.

  • De greppel heeft een bovenbreedte van minimaal één meter en lengte van minimaal 25 meter.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

  • De greppel kan niet liggen in een zone/strook die gereserveerd is voor onderhoud van de A-waterloop.

  • De greppel mag niet worden aangelegd in beschermde grondwaterwingebieden.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Beekdal en broekontginning

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Infiltratiegreppel/-zone wordt aangelegd in de vorm van (brede) sloot met een bovenbreedte van minimaal één meter en een gemiddelde diepte van 0,40-0,50 meter.

Beheervoorschriften

  • De infiltratiegreppel wordt minimaal eenmaal per 2 jaar uitgemaaid zodat de greppel een bovenbreedte van minimaal 1,30 meter en een diepte van 50 cm behoud.

Beperkingen

  • Het maaisel mag niet verwerkt worden in het element.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het element bevestigd worden.

  • Er mogen geen wijzigingen aangebracht worden in het profiel van de greppel.

Aan te vragen pakketten

  • L14a: Jaarlijks beheer

L15: Waterbergingsvoorziening

Afbakening

  • Een waterbergingsvoorziening is een laagte met een kruidachtige begroeiing of broekbos of een ondiepe plas die ten tijde van hoge waterstanden extra water kan bergen.

  • De waterbergingsvoorziening kan worden voorzien van een schouw-/onderhoud rand met kruidenrijk gras

  • Een waterbergingsvoorziening heeft een oppervlakte van maximaal 5000 m2.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Zeekleigebied

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Open beemdengebied

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Een waterbergingsvoorziening wordt aangelegd in de vorm van een natte laagte die na enige tijd droogvalt of een ondiepe plas met permanent water.

  • Eisen voor peilgestuurde gebieden: Bij een natte laagte of broekbos ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening van 10 cm onder tot 10 cm boven het zomerpeil. Bij een ondiepe plas ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening tot 100 cm onder het zomerpeil.

  • Eisen voor vrij afwaterende gebieden: Bij een natte laagte of broekbos in vrij afwaterende gebieden ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening op minimaal 50 cm onder maaiveldhoogte en niet onder de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterpeil).

  • Om waterbergingsmogelijkheden te maximaliseren kunnen kunstwerken (stuw, knijpduiker) toegepast worden. Een kunstwerk is noodzakelijk als afwatering plaatsvindt naar een sloot of waterloop.

  • Broekbos niet aanplanten maar laten ontstaan door natuurlijke opslag van inheemse bomen en struiken.

  • Een schouw-/ onderhoud rand langs een waterbergingsvoorziening is maximaal 4 meter breed en beslaat niet meer dan 20% van het oppervlak.

Beperkingen

  • De beheereenheid wordt niet beweid.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan.

  • Lozen van “niet organische stoffen” en ander ‘afval’ is ook niet toegestaan.

  • Toepassen van meststoffen is niet toegestaan.

  • Infiltratie van water via pijpleiding(en) naar grondwater is niet toegestaan.

  • De beheereenheid wordt niet beschadigd door werkzaamheden op aangrenzende gronden.

  • Zwerfvuil wordt ten minste één keer per jaar verwijdert.

Specifieke beheervoorschriften

  • L15a: De beheereenheid wordt éénmaal per jaar gemaaid. Maaiwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 oktober en 1 maart. Het maaisel wordt afgevoerd. Schapenbegrazing (max.2 weken in de periode november t/m februari)

  • L15b: Minimaal de helft van het natte oppervlakte van de plas bestaat in de periode 15 maart tot 15 juni uit open water. Een incidentele droogval is toegestaan in de periode 15 juni tot 15 november. Maximaal 20% van de oppervlakte van de oevers bestaat uit opslag van bomen of struiken. Oevers worden jaarlijks gemaaid.

  • L15c: Minimaal 80% van het broekbos/wilgenstruweel wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet in de periode tussen 1 november en 15 maart. Aanplant bosplantsoen (1.25 x 1.25 m) tot max. 80% van oppervlak. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden). Snoeihout moet afgevoerd worden uit de beheereenheid. Element wordt in contractperiode afgezet.

Aan te vragen pakketten

  • L15a: Waterbergingsvoorziening- Natte laagte

  • L15b: Waterbergingsvoorziening- Ondiepe plas

  • L15c: Waterbergingsvoorziening- Broekbos/Wilgenstruweel; element afzetten in contractperiode

G1: Botanische weiderand

Afbakening

  • De rand ligt op blijvend grasland langs een landschapselement (L-type) of langs een waterloop met een KRW-doelstelling.

  • Een botanische weiderand is een rand op grasland die beweid wordt en niet wordt bemest (behoudens mest van het weidende vee) en waar minimaal 4 indicatorsoorten in voorkomen in het groeiseizoen.

  • Een botanische weiderand heeft een minimale lengte van 25 meter en een breedte van maximaal 6 meter en gemiddelde tussen de 3 en 6 meter

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, bij voorkeur tussen augustus t/m oktober.

  • Indien in de rand 4 indicatorsoorten aanwezig zijn kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden.

  • Indien er geen 4 indicatorsoorten in de rand voorkomen wordt de rand eenmalig ingezaaid met een hieronder omschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De afstand tussen de beheereenheden is minimaal 50 meter. Uitzondering hierop is indien de beheereenheid onderdeel uitmaakt van een EVZ, dan mogen G-elementen direct aan elkaar grenzen.

Beperkingen

  • De rand wordt niet bemest (behoudens mest van weidend vee).

  • De rand mag niet worden gescheurd of gefreesd. Doorzaaien en herinzaaien op eigen initiatief is, na overleg en advies van de veldcoördinator, toegestaan om de kruidenrijkdom te vergroten. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

Aan te vragen pakketten

  • G1a: Jaarlijks beheer

G2: Botanische hooilandrand

Afbakening

  • Een botanische hooilandrand is een rand op blijvend grasland die gehooid wordt, niet wordt bemest en waar minimaal 8 indicatorsoorten in voorkomen in het groeiseizoen.

  • Een botanische hooilandrand heeft een minimale lengte van 25 meter en een breedte van maximaal 6 meter en gemiddelde tussen de 3 en 6 meter m.u.v. randen op dijken en in natuurelementen langs ecologische verbindingszones. Deze randen mogen een breedte hebben tot maximaal 25 meter.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

  • Zeekleigebied

  • Dijken

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Komgebied

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, bij voorkeur tussen augustus t/m oktober.

  • Indien in de rand 8 indicatorsoorten aanwezig zijn kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden.

  • Indien er geen 8 indicatorsoorten in de rand voorkomen wordt de rand eenmalig ingezaaid met een hieronder voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • In geval van een bijdrage voor grondwaardedaling kan de rand worden geplagd. Na plaggen kan kruidenrijk maaisel worden opgebracht of worden ingezaaid met een zaadmengsel.

  • De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De afstand tussen de beheereenheden is minimaal 50 meter, m.u.v. Langstraatontginning en Dijken in Zeekleigebied. Uitzondering hierop is indien de beheereenheid onderdeel uitmaakt van een EVZ, dan mogen G-elementen direct aan elkaar grenzen.

Beheervoorschriften

  • De rand wordt gemaaid na 1 juli en het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.

Beperkingen

  • De rand wordt niet beweid.

  • De rand wordt niet bemest.

  • De rand mag niet worden gescheurd of gefreesd. Doorzaaien en herinzaaien op eigen initiatief is, na overleg en advies van de veldcoördinator, toegestaan om de kruidenrijkdom te vergroten. Hierbij dienen afspraken te worden gemaakt over de periode en uitvoering.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid. Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

Specifieke beheervoorschriften

  • G2a: is uitsluitend aan te vragen voor beheereenheden die gelegen zijn op grond met Landbouwkundiggebruik , op grond waarop geen verplichting rust tot instandhouding (KV) en niet gelegen zijn op verplichte bufferstroken in het kader van GLMC 4 van het nieuwe GLB.

  • G2a: het pakket kan niet wordt aangevraagd in combinatie met een aanvraag voor functiewijziging van de betreffende grond.

Aan te vragen pakketten

  • G2a: Jaarlijks beheer op grond met landbouwkundig gebruik

  • G2b: Jaarlijks beheer op overige grond

G3: Wilde bijenrand op grasland

Afbakening

  • Een wilde bijenrand is een rand op blijvend grasland die niet beweid en bemest wordt, gefaseerd wordt beheerd en waar minimaal 8 indicatorsoorten in voorkomen.

  • Een wilde bijenrand heeft een minimale lengte van 25 meter en een breedte van maximaal 12 meter en een gemiddelde breedte tussen de 3 en 12 meter m.u.v. randen op dijken en in natuurelementen langs ecologische verbindingszones. Deze randen mogen een breedte hebben tot maximaal 25 meter.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

  • Zeekleigebied

  • Dijken

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, bij voorkeur tussen augustus t/m oktober.

  • Indien in de rand al 8 indicatorsoorten aanwezig zijn kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden.

  • Indien er geen 8 indicatorsoorten in de rand voorkomen wordt de rand eenmalig ingezaaid met een hieronder voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • In geval van een bijdrage voor grondwaardedaling kan de rand worden geplagd. Na plaggen kan kruidenrijk maaisel worden opgebracht of worden ingezaaid met een zaadmengsel.

  • De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De afstand tussen de beheereenheden is minimaal 50 meter, m.u.v. Langstraatontginning. Uitzondering hierop is indien de beheereenheid onderdeel uitmaakt van een EVZ, dan mogen G-elementen direct aan elkaar grenzen.

Beheervoorschriften

  • Het gewas wordt jaarlijks 1 keer gemaaid en het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd. De eerste maaibeurt is tussen 1 juli en 1 augustus en bij deze maaibeurt wordt 50% van de beheereenheid niet gemaaid en blijft overstaan.

  • De tweede maaibeurt is tussen 15 september en 15 november en dan wordt het deel dat nog niet gemaaid is gemaaid. Het overige deel blijft staan.

Beperkingen

  • De rand mag niet worden gescheurd of gefreesd. Doorzaaien en herinzaaien op eigen initiatief is, na overleg en advies van de veldcoördinator, toegestaan om de kruidenrijkdom te vergroten. De rand wordt niet bemest.

  • De rand wordt niet beweid.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

Specifieke beheervoorschriften

  • G3a: het pakket kan niet wordt aangevraagd in combinatie met en aanvraag voor functiewijziging voor betreffende grond.

  • G3a: is uitsluitend aan te vragen voor beheereenheden die gelegen zijn op grond met landbouwkundig gebruik, op grond waarop geen verplichting rust tot instandhouding (KV) en niet gelegen zijn op verplichte bufferstroken in het kader van GLMC 4 van het nieuwe GLB.

Aan te vragen pakketten

  • G3a: Jaarlijks beheer op grond met landbouwkundig gebruik

  • G3b: Jaarlijks beheer op overige grond

B1: Wintervoedselrand op bouwland

Afbakening

  • Een wintervoedselrand ligt langs bouwland en wordt jaarlijks ingezaaid met zaadmengsel dat voor 90% uit granen bestaat.

  • De rand blijft in de winter overstaan.

  • De rand heeft een minimale lengte van 25 meter en een gemiddelde breedte van maximaal 12 meter met een gemiddelde breedte tussen de 6 en 12 meter.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Zeekleigebied

  • Komgebied

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • De rand wordt jaarlijks ingezaaid met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De afstand tussen de beheereenheden is minimaal 50 meter, m.u.v. Langstraatontginning.

Beheervoorschriften

  • De rand wordt jaarlijks tussen 16 maart en 30 april ingezaaid met een hieronder voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid. Er wordt ingezaaid met niet ontsmet zaaizaad.

  • Er wordt een rustperiode in acht genomen van 15 mei tot 1 maart van het daaropvolgende jaar. In de rustperiode vinden in de beheereenheid geen bewerkingen plaats.

  • Indien er massaal ongewenste woekerende soorten in de rand opkomen, kan na overleg en advies van de veldcoördinator, specifiek beheer worden uitgevoerd om kruidenrijkdom te vergroten.

Beperkingen

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Er wordt geen bagger of slootmaaisel op de beheereenheid opgebracht.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad.

  • De beheereenheid mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest.

Specifieke voorwaarde

  • B1a: betreft rand op kleigrond met landbouwkundig gebruik waarop geen bufferstrook in het kader van GLMC 4 van het nieuwe GLB verplicht is en die niet ingezet wordt voor GLMC 8 (niet-productieve grond)

  • B1b: betreft rand op zandgrond met landbouwkundig gebruik waarop geen bufferstrook in het kader van GLMC 4 van het nieuwe GLB verplicht is en die niet ingezet wordt voor GLMC 8 (niet-productieve grond)

  • B1c: betreft rand die niet ingezet wordt voor GLMC 8 (niet-productieve grond)

Aan te vragen pakketten

  • B1a: Jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik

  • B1b: Jaarlijks beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik

  • B1c: Jaarlijks beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik

B2: Wilde bijenrand op bouwland

Afbakening

  • Een wilde bijenrand ligt op bouwland en bestaat voor 100% uit een meerjarig kruidenmengsel.

  • De rand wordt gefaseerd beheerd.

  • De rand heeft een minimale lengte van 25 meter en een gemiddelde breedte van maximaal 12 meter met een gemiddelde breedte tussen de 6 en 12 meter.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Zeekleigebied

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • De rand wordt eenmalig ingezaaid met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De afstand tussen de beheereenheden is minimaal 50 meter, m.u.v. Langstraatontginning.

Beheervoorschriften

  • De rand wordt eenmalig ingezaaid met onderstaand voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • Het gewas wordt jaarlijks 1 keer gemaaid en het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.

  • De eerste maaibeurt is tussen 1 juli en 1 augustus en bij deze maaibeurt wordt 50% van de beheereenheid niet gemaaid en blijft overstaan.

  • De tweede maaibeurt is tussen 15 september en 15 november en dan wordt het deel dat nog niet gemaaid is gemaaid. Het overige deel blijft staan.

  • Indien er massaal ongewenste woekerende soorten in de rand opkomen, kan na overleg en advies van de veldcoördinator, specifiek beheer worden uitgevoerd om kruidenrijkdom te vergroten.

Beperkingen

  • De rand wordt niet bemest.

  • De rand wordt niet beweid.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

  • Er wordt geen bagger of slootmaaisel op de beheereenheid opgebracht.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

Specifieke voorwaarde

  • B2a: betreft rand op kleigrond met landbouwkundig gebruik waarop geen bufferstrook in het kader van GLMC 4 van het nieuwe GLB verplicht is en die niet ingezet wordt voor GLMC 8 (niet-productieve grond)

  • B2b: betreft rand op zandgrond met landbouwkundig gebruik waarop geen bufferstrook in het kader van GLMC 4 van het nieuwe GLB verplicht is en die niet ingezet wordt voor GLMC 8 (niet productieve grond)

  • B2c: betreft rand die niet ingezet wordt voor GLMC 8 (niet-productieve grond)

Aan te vragen pakketten

  • B2a: Jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik

  • B2b: Jaarlijks beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik

  • B2c: Jaarlijks beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik

B3: Patrijzenrand op bouwland

Afbakening

  • Een patrijzenrand ligt op bouwland en bestaat voor 50% uit een meerjarig laagblijvend graskruidenmengsel en 50% van de rand wordt jaarlijks ingezaaid met een wintervoedselmengsel.

  • De rand heeft een minimale lengte van 25 meter en een gemiddelde breedte van minimaal 6 en maximaal 12 meter.

  • Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter kunnen de beheereenheden als één beheereenheid worden aangevraagd.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Zeekleigebied

  • Komgebied

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Graskruidenstrook eenmalig inzaaien met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • Wintervoedselstrook jaarlijks inzaaien met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De afstand tussen de beheereenheden is minimaal 50 meter, m.u.v. Langstraatontginning.

Beheervoorschriften

  • De rand wordt niet beweid.

  • Er wordt geen bagger of slootmaaisel op de beheereenheid opgebracht.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Indien er massaal ongewenste woekerende soorten in de rand opkomen, kan na overleg en advies van de veldcoördinator, specifiek beheer worden uitgevoerd om kruidenrijkdom te vergroten.

  • De rand bestaat uit twee even grote, evenwijdig lopende stroken te weten de:

    Graskruidenstrook:

    • Deze strook wordt jaarlijks minimaal 1 en maximaal 2 keer gemaaid en het maaisel wordt binnen 14 dagen na het maaien afgevoerd. De eerste maaibeurt is na 1 juli.

    • Het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.

    • Deze strook wordt niet bemest.

    • Deze strook wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

  • Wintervoedselstrook

    • De strook wintervoedsel wordt jaarlijks ingezaaid en niet geoogst.

    • Er wordt een rustperiode in acht genomen van 15 mei tot 1 maart van het daaropvolgende jaar. In de rustperiode vinden in de beheereenheid geen bewerkingen plaats.

    • Deze strook wordt niet gebruikt als pad.

    • Deze strook mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest.

Specifieke voorwaarde

  • B3a: betreft rand op kleigrond met landbouwkundig gebruik waarop geen bufferstrook in het kader van GLMC 4 van het nieuwe GLB verplicht is en die niet ingezet wordt voor GLMC 8 (niet-productieve grond).

  • B3b: betreft rand op zandgrond met landbouwkundig gebruik waarop geen bufferstrook in het kader van GLMC 4 van het nieuwe GLB verplicht is en die niet ingezet wordt voor GLMC 8 (niet productieve grond).

  • B3c: betreft rand die niet ingezet wordt voor GLMC 8 (niet-productieve grond).

Aan te vragen pakketten

  • B2a: Jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik.

  • B2b: Jaarlijks beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik.

  • B2c: Jaarlijks beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik.

B4: Bloemenblok voor akkervogels op bouwland

Afbakening

  • Een bloemenblok ligt op bouwland en wordt periodiek opnieuw ingezaaid.

  • Een bloemenblok heeft een minimale lengte van 25 meter en is maximaal 0,5 hectare groot en minimaal 18 meter breed.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Zeekleigebied

  • Komgebied

  • Oeverwal

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • De rand wordt ingezaaid met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De afstand tussen de beheereenheden is minimaal 50 meter.

Beheervoorschriften

  • In april van het eerste jaar wordt de beheereenheid ingezaaid met het in bijlage 1 omschreven

  • zaadmengsel en zaaidichtheid.

  • In april van het derde groeiseizoen wordt de helft van de beheereenheid ondergewerkt en opnieuw ingezaaid. In het vierde groeiseizoen volgt de andere helft.

Beperkingen

  • De beheereenheid wordt niet gemaaid of beweid.

  • De beheereenheid mag niet worden bemest.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

Specifieke voorwaarde

  • B4a: betreft beheereenheid op kleigrond met landbouwkundig gebruik waarop geen bufferstrook in het kader van GLMC 4 van het nieuwe GLB verplicht is en die niet ingezet wordt voor GLMC 8 (niet-productieve grond).

  • B4b: betreft beheereenheid op zandgrond met landbouwkundig gebruik waarop geen bufferstrook in het kader van GLMC 4 van het nieuwe GLB verplicht is en die niet ingezet wordt voor GLMC 8 (niet productieve grond)

  • B4c: betreft beheereenheid die niet ingezet wordt voor GLMC 8 (niet-productieve grond)

Aan te vragen pakketten

  • B4a: Jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik.

  • B4b: Jaarlijks beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik.

  • B4c: Jaarlijks beheer op gronden zonder landbouwkundig gebruik.

W1: Wandelpad over boerenland

Afbakening

  • Een wandelpad over boerenland is een toegankelijk pad voor wandelaars dat over landbouwgrond loopt.

  • Het wandelpad heeft een breedte van minimaal 1 en maximaal 3 meter.

  • Het wandelpad vormt een onderdeel van een doorgaande wandelstructuur.

Element past binnen landschapstype(n)

  • Oude zandontginning

  • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Beekdal en broekontginning

  • Open beemdengebied

  • Zeekleigebied

  • Dijken

  • Oeverwal

  • Komgebied

  • Uiterwaarden

  • Langstraatontginning

Inrichtingseisen bij aanleg nieuw element

  • Het wandelpad sluit aan op bestaande routestructuren.

  • Het wandelpad wordt aangeduid met bewegwijzering.

  • Het wandelpad wordt ingezaaid met een laagblijvend grasmengsel als het pad wordt aangelegd op bouwland.

Beheervoorschriften

  • Het wandelpad moet 364 dagen per jaar opengesteld zijn van zonsopgang tot zonsondergang.

  • Het wandelpad bestaat uit gras en wordt zodanig beheerd dat een goede begaanbaarheid gewaarborgd is.

  • De begroeiing is maximaal 20 cm hoog.

Beperkingen

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

Aan te vragen pakketten

  • W1a: Wandelpad over boerenland - jaarlijks beheer zonder inkomstenderving

  • W1b; Wandelpad over boerenland - jaarlijks beheer met inkomstenderving

Omschrijving rasters en recreatieve voorzieningen

X1: Veeraster (rundvee of paard)

Afbakening

  • Afstand tussen palen maximaal 4 meter

  • Palen zijn onbehandeld met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia1, tamme kastanje, inlandse eik)

  • Diameter kop palen 10-12 cm, lengte palen minimaal 160 cm

  • Op de palen worden minimaal 2 draden bevestigd; 2 draden of 1 draad i.c.m. 1 gladde draad (stroom boven)

X2: Elektrisch veeraster (rundvee)

Afbakening

  • Afstand tussen palen maximaal 10 meter

  • Palen zijn onbehandeld met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • Diameter kop palen 10-12 cm, lengte palen minimaal 160 cm

  • Op de palen worden isolatoren met minimaal 1 gladde draad bevestigd

  • Op draden wordt stroom gezet

X3: Schapenraster

Afbakening

  • Afstand tussen palen maximaal 3 meter

  • Palen zijn onbehandeld met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • Diameter kop palen 10-12 cm, lengte paal minimaal 160 cm

  • Op de palen wordt minimaal middelzwaar verzinkt schapengaas van 100 cm hoogte en een maaswijdte van maximaal 15 cm x 15 cm bevestigd

X4: Boomkorf; type schaap

Afbakening

  • De boomkorf heeft een degelijke uitvoering zodat schapen/geiten de stam van de boom niet kunnen aanvreten

  • De basisuitvoering bestaat minimaal 2 onbehandelde palen met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • Diameter kop palen 10-12 cm, lengte paal minimaal 180 cm

  • Palen worden zo geplaatst dat de boom niet kan worden beschadigd door palen

  • Rond de palen wordt minimaal middelzwaar verzinkt gaas van 150 cm hoogte en met een maaswijdte van maximaal 10 cm x 10 cm bevestigd

X5: Boomkorf; type rund

Afbakening

  • De boomkorf heeft een degelijke uitvoering zodat runderen en paarden de stam en kroon van de boom niet kunnen aanvreten

  • De basisuitvoering bestaat minimaal uit 3 onbehandelde palen met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die in een driehoek rond de boom worden geplaatst

  • Rond de palen worden draden of verzinkt gaas met een maaswijdte van maximaal 10 cm x 10 cm bevestigd of rondom de stam wordt een directe bescherming gemaakt d.m.v. frame of gaas

  • Diameter kop palen 10-12 cm, lengte paal minimaal 250 cm

  • Palen worden zo geplaatst dat deze de boom niet beschadigen

R1: Klaphekje

Afbakening

  • Het klaphekje is minimaal 90 cm breed en minimaal 80 cm hoog en is gemaakt van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • Klaphekje bestaat uit 2 palen van minimaal 15 cm x 15 cm waarop een poort met scharnieren is bevestigd

  • De palen worden zodanig geplaatst of voorzien van een spie waardoor de poort automatisch dicht gaat na opening

  • De planken van de poort hebben een dikte van minimaal 2 cm

R2: Tourniquet

Afbakening

  • Tourniquet voor wandelaars bestaande uit een ijzeren paal (verticale as) met daarop een ijzeren en draaiende constructie die zorgt dat wandelaars het perceel kunnen betreden, maar het vee het perceel niet kan verlaten

  • De tourniquet wordt tussen 2 palen geplaatst en verankerd in de grond d.m.v. een verharding rondom de as

R3: Overstapje

Afbakening

  • Een overstapje wordt geplaatst op een locatie waar wandelaars een raster over moeten Een overstapje bestaat uit 2 palen waar een overstapplank op is bevestigd en voorzien is van 1 steunpaal (waar voetgangers zich bij oversteken raster aan vast kunnen houden)

  • De overstap wordt gemaakt van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • De overstapplank is minimaal 80 cm lang, 20 cm breed en 3 cm dik

  • De steunpaal heeft een lengte van minimaal 200 cm en een diameter van minimaal 10 cm of minimaal 10 cm x 10 cm

R4: Markeringspaal route

Afbakening

  • Paal van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) met een diameter van minimaal 10 cm of afmeting van 10 cmx10 cm

  • De paal heeft een lengte van minimaal 160 cm

  • Op de paal is een kleur of bordje aangebracht voor markering van een route

R5: Openstellingsbord/klein informatiepaneel

Afbakening

  • Openstellingsbord/informatiepaneel is gemaakt van weerbestendig materiaal en in minimaal twee kleuren vormgegeven.

  • Het bord wordt bevestigd op paal van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • Op het openstellingsbord zijn de regels voor openstelling opgenomen en op een informatiepaneel info over het project (inclusief logo’s van financierende partners)

R6: Informatiepaneel groot

Afbakening

  • Informatiepaneel is minimaal 0,25 m2 groot (oppervlakte A2 formaat), gemaakt van weerbestendig materiaal en full-colour vormgegeven

  • Het informatiepaneel is opgesloten tussen twee onbehandelde palen met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) met diameter van minimaal 10 cm of afmeting van minimaal 10 cm x10 cm

  • Op het paneel is aangegeven dat het project gefinancierd wordt vanuit de Stimuleringsregeling Landschap

R7: Boomstambrug 3 meter

Afbakening

  • Een boomstambrug bestaat uit 2 halfronde liggers, met een minimale dikte van 15 cm, gezaagd

  • uit een boomstam van een soort met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • De breedte van de brug is minimaal 80 cm en de brug is aan een zijde voorzien van een leuning

  • De liggers hebben een lengte van 3 meter

R8: Boomstambrug 5 meter

Afbakening

  • Een boomstambrug bestaat uit 2 halfronde liggers, met een minimale dikte van 15cm, gezaagd uit een boomstam van een soort met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • De breedte van de brug is minimaal 80 cm en de brug is aan een zijde voorzien van een

  • leuning.

  • De liggers hebben een lengte van 5 meter

R9: Boomstambrug 7,5 meter

Afbakening

  • Een boomstambrug bestaat uit 2 halfronde liggers, met een minimale dikte van 15cm, gezaagd uit een boomstam van een soort met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • De breedte van de brug is minimaal 80 cm en de brug is aan een zijde voorzien van een leuning

  • De liggers hebben een lengte van 7,5 meter

R10: Boomstambrug 10 meter

Afbakening

  • Een boomstambrug bestaat uit 2 halfronde liggers, met een minimale dikte van 20 cm, gezaagd uit een boomstam van een soort met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • De breedte van de brug is minimaal 80 cm. De boomstambrug is aan een zijde voorzien van een leuning.

  • De liggers hebben een lengte van 10 meter

R11: Zitbank met rugleuning

Afbakening

  • Lengte bank minimaal 180 cm

  • De zitting en de leuning zijn gemaakt van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • Bank bestaat uit 2 palen van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 2-3, staal of beton die voorzien zijn van zitting en rugleuning met breedte van minimaal 30 cm

  • De bank is middels palen in de grond verankerd

R12: Plankenbrug 3 meter

Afbakening

  • Brug bestaande uit 2 liggers van minimaal 15 cm x 8 cm van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • Liggers zijn voorzien van planken van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die dwars op de liggers zijn aangebracht en een minimale lengte hebben van 80 cm en minimale dikte van 3 cm

  • De liggers hebben een lengte van 3 meter

R13: Plankenbrug 5 meter

Afbakening

  • Brug bestaande uit 2 liggers van minimaal 20 cm x 10cm van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • Liggers zijn voorzien van planken van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die dwars op de liggers zijn aangebracht en een minimale lengte hebben van 80 cm en minimale dikte van 3 cm

  • De liggers hebben een lengte van 5 meter

R14: Plankenbrug 7,5 meter

Afbakening

  • Brug bestaande uit 2 liggers van minimaal 20 cm x 10cm van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • Liggers zijn voorzien van planken van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die dwars op de liggers zijn aangebracht en een minimale lengte hebben van 80 cm en minimale dikte van 3 cm

  • De liggers hebben een lengte van 7,5 meter

R15: Plankenbrug 10 meter

Afbakening

  • Brug bestaande uit 2 liggers van minimaal 15 cm x 25 cm van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik)

  • Liggers zijn voorzien van planken van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die dwars op de liggers zijn aangebracht en een minimale lengte hebben van 80 cm en minimale dikte van 3 cm

  • De liggers hebben een lengte van 10 meter

R16: Duiker tbv overgang over sloot t.b.v. wandelpad over boerenland

Afbakening

  • Lengte duiker min. 2m

  • Diameter duiker min. 30 cm

  • Duiker bestaat uit duurzaam materiaal o.a. kunststof of beton

Lijst inheemse soorten

Bosplantsoen bomen en struiken:

Een van de volgende soorten: Wilde appel(Malus sylvestris); Ruwe berk (Betula pendula); Zachte berk (Betula pubescens); Aalbes (Ribes rubrum); Zwarte bes (Ribes nigrum); Beuk (Fagus Sylvatica); Bosroos (Rosa arvensis); Eglantier(Rosa rubiginosa); Zomereik (Quercus robur); Wintereik (Quercus petrea); Zwarte els (Alnus glutinosa); Gagel (Miryca gale); Gelderse roos (Viburnum opulus); Haagbeuk (Carpinus betulus); Hazelaar (Corylus avellana); Heggeroos (Rosa corymbifera); Hondsroos (Rosa canina); Hulst (Ilex aquifolium); Steel iep (Ulmus laevis); Kardinaalsmuts (Euonymus europaeus); Tamme kastanje (Castanea sativa); Zoete kers (Prunus avium); Rode kornoelje (Cornus sanguinea); Gele kornoelje (Cornus mas); Kraagroos (Rosa agrestis); Krenteboompje (Amelanchier lamarckii);Wilde liguster (Ligustrum vulgare); Kleinbladige linde (Tilia cordata); Hollandse Linde (Tilia vulgaris);Lijsterbes (Sorbus aucuparia); Eenstijlige Meidoorn (Crataegus monogyna);Tweestijlige Meidoorn (Crataegus laevigata);Mispel (Mespilus germanica);Wilde Peer (Pyrus pyraster);Sleedoorn (Prunus spinosa);Veldesdoorn (Acer campestre);Gewone Vlier (Sambucus nigra);Bergvlier (Sambucus racemosa);Inheemse Vogelkers (Prunus padus);Vuilboom (Rhamnus frangula);Wegedoorn (Rhamnus catharticus); Amandel Wilg (Salix triandra);Bittere wilg (Salix purpurea);Boswilg (Salix caprea); Grauwe wilg (Salix cinerea);Katwilg (Salix viminalis); Geoorde wilg (Salix aurita);Kraakwilg (Salix fragilis); Kruipwilg (Salix repens); Laurierwilg (Salix pentandra); Schietwilg (Salix alba)

Laanbomen:

Een van de volgende bomen: Zomereik (Quercus robur); Wintereik (Quercus petrea); Grauwe abeel (Populus canescens*); Ruwe berk (Betula pendula); Beuk (Fagus sylvatica); Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus*); Haagbeuk (Carpinus betulus); Iep, diverse klonen (Ulmus*); Tamme Kastanje (Castanea sativa); Zoete Kers (Prunus avium); Kleinbladige Linde (Tilia cordata*); Grootbladige Linde (Tilia platyphyllos); Hollandse Linde (Tilia vulgaris); Noot (Juglans regia); Zwarte Populier (Populus nigra*); Populier‘Canadapopulier’ (Populus x canadensis*); Schietwilg (Salix alba); Inheemse Hoogstamfruitbomen

*Bij deze soorten worden de volgende cultivars als inheems aangemerkt: Populus canescens ‘De Moffart en Witte van Haamstede’; Acer pseudeplatanus ‘ Negenia en Rotterdam’Ulmus ‘Dodoens Clusius en Lobel’; Tilia cordata ‘ Erecta en Roelvo’; Tilia vulgaris ‘Pallida’; Populus x canadensis ‘div. cultivars’; Populus nigra ‘div. cultivars m.u.v. Italica’; Salix alba ‘ Liempde, Belders’.

Hoogstamfruitbomen:

Diverse soorten appels, peren, pruimen en kersen

Indicatorsoorten

Indicatorsoorten voor de beheerpakketten botanische weiderand, botanische hooilandrand en wilde bijenrand op grasland

Duizendblad; Madeliefje; Pinksterbloem; Knoopkruid; Hoornbloemsoorten (o.a. gewone hoornbloem); Cichorei; Kale jonker; Streepzaadsoorten; Wilde peen; Walstrosoorten; Ooievaarsbeksoorten; Hertshooisoorten; Gewoon biggenkruid; Leeuwentandsoorten (o.a. herfstleeuwetand); Gewone margriet; Rolklaversoorten (o.a. gewone rolklaver en moerasrolklaver); Echte koekoeksbloem; Wederiksoorten; Smalle weegbree; Potentilla soorten; Brunel; Boterbloemsoorten (m.u.v. blaartrekkende boterbloem); Zuringsoorten (m.u.v. Ridderzuring); Grasmuur; Boerenwormkruid; Paardenbloem; Klaversoorten (o.a. witte en rode klaver); Ereprijssoorten; Wikkesoorten (m.u.v voederwikke)

Zaadmengsels

Botanische weiderand

Roodzwenk gras en/of veldbeemdgras( Festuca rubra rubra) 45,0%, Witte klaver (Trifolium repens) 20%, Gewone rolklaver (Lotus corniculatus) 30%, Duizendblad (Achillea millefolium) 5% met een zaaidichtheid van 12 kg/ha

Botanische hooilandrand:

Eenjarige kruiden: Boekweit (Fagopyrum esculentum) 7,5%, Bernagie (Borago officinalis) 7,5%, Korenbloem (Centaurea cyanus) 2,5%, Gele ganzenbloem (Chrysanthemum segetum) 2,5%,

Meerjarige kruiden: Gewone margriet (Leucanthemum vulgare) 10%, Gewone rolklaver (Lotus corniculatus) 20%, Wilde peen (Daucus carota) 10%, Duizendblad (Achillea millefolium) 7%, Witte klaver (Trifolium repens) 10%, Rode klaver (Trifolium pratense) 10%, Groot streepzaad (Crepis biennies) 5%, Knoopkruid (Centaurea jacea) 3%, Cichorei (Cichorium intybus) 5,0%

met een zaaidichtheid van 15kg/ ha

Wintervoedselrand op bouwland:

Zomertarwe (korte soort) (Triticum aestivum) 20%, Zomerhaver (Avena sativa) 10%, Zomergerst (korte soort) (Hordeum distochon) 20%, Zomer Triticale (Triticale x triticale) 20%, Boekweit (Fagopyrum esculentum) 10%, Zonnebloem (Helianthus annuus) 12%, Vlas (Linum usitatissimum) 5%, Phacelia (Phacelia tanacetifolia) 1%, Gele ganzenbloem (Chrysantemum segetum) 1%, Incarnaatklaver (Trifolium incarnatum) 1%

Met een zaaidichtheid van 125 kg/ha

Patrijzenrand op bouwland:

Bloemen: Roodzwenk gras en/of veldbeemdgras (Festuca rubra rubra) 45%,

Witte klaver (Trifolium repens) 20%, Gewone rolklaver (Lotus corniculatus) 30%,

Duizendblad (Achillea millefolium) 5% met een zaaidichtheid van 15 kg/ha.

Wintervoedselstrook: Zomertarwe (korte soort)(Triticum aestivum) 20%, Zomerhaver (Avena sativa) 10%, Zomergerst (korte soort) (Hordeum distochon) 20%, Zomer Triticale (Triticale x triticale) 20%, Boekweit (Fagopyrum esculentum) 10%, Zonnebloem (Helianthus annuus) 12%, Vlas (Linum usitatissimum) 5%, Phacelia (Phacelia tanacetifolia) 1%, Gele ganzenbloem ( Chrysantemum segetum) 1%, Incarnaatklaver (Trifolium incarnatum) 1%

Met en zaaidichtheid van 125 kg/ha.

Bijenrand

Eenjarige kruiden: Boekweit (Fagopyrum esculentum) 7,5%, Bernagie (Borago officinalis) 7,5%, Korenbloem (Centaurea cyanus) 2,5%, Gele ganzenbloem (Chrysanthemum segetum) 2,5%,

Meerjarige kruiden: Gewone margriet (Leucanthemum vulgare) 10%, Gewone rolklaver (Lotus corniculatus) 15%, Wilde peen (Daucus carota) 10%, Duizendblad (Achillea millefolium) 7%, Gewone pastinaak (Pastinaca sativa) 5%, Witte klaver (Trifolium repens) 5%, Rode klaver (Trifolium pratense) 5%, Venkel (Foeniculum vulgare) 5%, Groot streepzaad (Crepis biennies) 5%, Knoopkruid (Centaurea jacea) 3%, Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) 2,5%, Muskuskaasjeskruid (Malva moschata) 3%, Gewone berenklauw (Heracleum sphondylium) 2,5%, Cichorei (Cichorium intybus) 2,0%

met een zaaidichtheid van 12 kg/ ha

Bloemenblok

Triticale (Triticale x triticale)20%, Oude rogge (Secale multicaule) 20%, Haver (Avena sativa)20%, Quinoa / gierstmelde (Chenopodium quinoa) 10%, Mergstamkool (Brassica oleracea) 4%, Voederwikke (Vicia sativa) 3%, Venkel (Foeniculum vulgare) 3%, Luzerne (Medicago sativa) 2%, Bladrammenas (Raphanus sativus) 2%, Gele mosterd (Sinapis alba) 2%, Esparcette (Onobrychis viciifolia) 2%, Cichorei (Cichorium intybus) 2%, Groot streepzaad (Crepis biennis) 1%, Wilde peen (wild)(Daucus carota) 1%, Groot kaasjeskruid (Malva sylvestris) 1%, Knoopkruid (Centaurea thuillieri) 1%, Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) 1%, Grote kaardebol (Dipsacus fullonum) 1%, Incarnaatklaver (Trifolium incarnatum) 2%, Margriet (wild)(Leucanthemum vulgare) 1%, Gewone rolklaver (Lotus corniculatus) 1%

met en zaaidichtheid van 10 kg/ha. Op zandgronden en 7 kg/ha. op kleigronden.

Bijlage 4 behorende bij artikel 7, eerste lid, van de Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant

Regioprijs

afbeelding binnen de regeling

De regioprijs is gebaseerd op door het Kadaster berekende kengetallen betreffende de agrarische grondmarkt in Noord-Brabant

De methode om te komen tot de zogenaamde regioprijs bestaat uit drie stappen, te weten:

  • 1.

    De provincie Noord-Brabant wordt ingedeeld volgens de 10 CBS66 landbouwgebieden Noord-Brabant. Deze geografische indeling van het Centraal Bureau Statistieken is algemeen erkend in Nederland en wordt door het Kadaster gebruikt.

  • 2.

    Per landbouwgebied zijn door het Kadaster de bruikbare agrarische transacties uit de 2 voorafgaande gehele kalenderjaren gegroepeerd De berekende kengetallen beslaan de periode 01-01-2019 t/m 31-12-2020. Verder is door het Kadaster per landbouwgebied voor deze agrarische transacties een statistische spreiding uitgevoerd voor de grondprijs op basis van het totaal verhandelde oppervlak.

  • 3.

    Op basis van de gegevens van het Kadaster wordt geadviseerd om de waarde aan te houden welke gelijk staat aan 75% grens van deze statistische spreiding per landbouwgebied.

Voor de berekening van de grondprijscijfers worden de volgende selecties uitgevoerd:

  • koper exploiteert een landbouwbedrijf;

  • grasland (inclusief snijmais), bouwland;

  • zakelijk recht is volle eigendom;

  • geen opstallen;

  • geen reguliere pachtovereenkomst of erfpacht;

  • geen familierelatie;

  • oppervlak perceel groter dan 0,25 ha;

  • de koopsom is groter dan 1 euro.

Na toepassing van deze selecties, worden de verhandelde percelen met extreem hoge en lage prijzen volgens een statistische methodiek uitgesloten.

Bijlage 5 behorende bij artikel 7, tweede lid, onder a, en derde lid van de Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant

 

bedrag per eenheid exclusief BTW

bedrag per eenheid inclusief BTW

Eenheid

Aanleg beplantingen

 
 
 

Laanboom en hoogstamfruitboom maat 10-12

€ 78,47

€ 90,22

stuks

Eenjarige bewortelde stek en 3 jarige wilgenpoten

€ 12,49

€ 14,70

stuks

Bosplantsoen; conventioneel geteeld en autochtone-herkomst (excl. (dijk)taluds)

€ 2,00

€ 2,30

stuks

Bosplantsoen; conventioneel geteeld en autochtone-herkomst op (dijk)taluds

€ 2,58

€ 3,00

stuks

Populier en wilg maat 10-12 en veren langzaamgroeiende soorten lengte 200-250 cm

€ 22,50

€ 25,73

stuks

 
 
 

Aanbrengen rasters ter bescherming van beplanting

 
 
 

Plaatsen veeraster; palen op 4 meter afstand en 2 puntdraden

€ 4,95

€ 5,98

meter

Plaatsen elektrisch veeraster; palen op 10 meter afstand en 2 draden

€ 3,46

€ 4,19

meter

Plaatsen schapenraster; palen op 3 meter en zwaar gelijkmatig ursusgaas van 100 cm hoogte

€ 12,50

€ 15,13

meter

Plaatsen boomkorf; type schaap

€ 21,67

€ 26,23

stuks

Plaatsen boomkorf; type rund

€ 58,51

€ 70,80

stuks

 
 
 

Aanbrengen recreatieve voorzieningen

 
 
 

Klaphekje van inlands eiken of tamme kastanje

€ 522,52

€ 632,25

stuks

Toruniquette

€ 369,39

€ 446,96

stuks

Overstapje dubbel

€ 233,82

€ 282,93

stuks

markeringspaal

€ 32,57

€ 39,40

stuks

Openstellingsbord/klein informatiepaneel

€ 188,13

€ 227,64

stuks

Groot informatiepaneel

€ 737,22

€ 892,03

stuks

Boomstambrug 3meter

€ 1.957,56

€ 2.368,65

stuks

Boomstambrug 5 meter

€ 3.435,12

€ 4.156,50

stuks

boomstambrug 7,5 meter

€ 4.635,12

€ 5.608,50

stuks

boomstambrug 10 meter

€ 5.835,12

€ 7.060,50

stuks

Plankenbrug 3 meter

€ 909,85

€ 1.100,92

stuks

Plankenbrug 5 meter

€ 1.429,11

€ 1.729,22

stuks

Plankenbrug 7,5 meter

€ 2.929,22

€ 3.544,36

stuks

Plankenbrug 10 meter

€ 3.757,31

€ 4.546,34

stuks

zitbank 2 meter breed

€ 391,26

€ 473,42

stuks

duiker (diameter 50 cm)

€ 132,05

€ 159,78

meter

 
 
 

Grondverzet

 
 
 

ontgraven en verwerken grond tbv aanleg poel en infiltratiegreppel

€ 8,70

€ 10,53

m3

ontgraven en verwerken grond tbv aanleg natuurvriendelijke oever en waterbergingsvoorziening

€ 5,50

€ 6,66

m3

ontgraven en verwerken grond voor t.b.v. ontwikkeling schraalland

€ 4,55

€ 5,51

m3

 
 
 

Inzaaien botanische hooilandrand en wilde bijenrand op grasland

 
 
 

aanschaf en inzaaien graskruidenmengsel (G1, G2, G3, B3 en B4)

€ 1.267,00

€ 1.533,07

ha

6 Bijlage behorende bij artikel 7, tweede lid, onder a, en derde lid van de Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant

 

Beheerpakket

vergoeding

Eenheid

periodiek

L1a

Hakhoutsingel - jaarlijks beheer

€ 638,03

ha.

p/jr

L1b

Hakhoutsingel - cyclisch beheer

€ 31.012,42

ha.

per keer

L2a

Elzensingel - jaarlijks beheer

€ 0,72

meter

p/jr

L2b

Elzensingel - cyclisch beheer > 75% bedekking: element afzetten in contractperiode

€ 14,92

meter

per keer

L3a

Bossingel - jaarlijks beheer

€ 2.331,20

ha.

p/jr

L3b

Bossingel - cyclisch beheer

€ 18.451,45

ha.

per keer

L4a

Hakhoutbosje - jaarlijks beheer

€ 268,30

ha.

p/jr

L4b

Hakhoutbosje- cyclisch beheer langzaamgroeiende soorten

€ 27.699,73

ha.

per keer

L4c

Hakhoutbosje - cyclisch beheer snelgroeiende soorten

€ 20.620,56

ha.

per keer

L5a

Griendje - jaarlijks beheer

€ 345,01

ha.

p/jr

L5b

Griendje - cyclisch beheer

€ 20.954,42

ha.

per keer

L6a

Struweelhaag - jaarlijks beheer

€ 1,22

meter

p/jr

L6b

Struweelhaag - cyclisch beheer (cyclus 5-7 jaar)

€ 7,87

meter

per keer

L6c

Struweelhaag - cyclisch beheer (cyclus > 12 jaar)

€ 26,67

meter

per keer

L7a

Knip- of scheerheg - jaarlijks scheren/knippen

€ 4,39

meter

p/jr

L7b

Knip- of scheerheg - Tweemaal scheren

€ 6,91

meter

p/jr

L8a

Bomenrij en solitaire boom - cyclisch beheer diameter < 20 cm

€ 31,86

stuks

per keer

L8b

Bomenrij en solitaire boom - cyclisch beheer diameter 20-60 cm

€ 37,05

stuks

per keer

L8c

Bomenrij en solitaire boom - cyclisch beheer diameter > 60 cm

€ 84,63

stuks

per keer

L9a

Knotboom - cyclisch beheer diameter < 20 cm

€ 30,03

stuks

per keer

L9b

Knotboom - cyclisch beheer diameter 20-60 cm

€ 87,75

stuks

per keer

L9c

Knotboom - cyclisch beheer diameter > 60 cm

€ 116,79

stuks

per keer

L10a

Hoogstamboomgaard - cyclisch beheer

€ 67,31

stuks

per keer

L11a

Struweelrand - jaarlijks beheer

€ 20,86

ha.

p/jr

L11b

Struweelrand - cyclisch beheer

€ 12.976,03

ha.

per keer

L12a

Poel en klein historisch water - jaarlijks beheer < 175 m2

€ 70,54

stuks

p/jr

L12b

Poel en klein historisch water - cyclisch beheer < 175 m2

€ 731,63

stuks

per keer

L12c

Poel en klein historisch water - jaarlijks beheer > 175 m2

€ 38,04

stuks

p/jr

L12d

Poel en klein historisch water - cyclisch beheer > 175 m2

€ 1.903,34

stuks

per keer

L13a

Natuurvriendelijkeoever - Graskruidenoever

€ 1,42

meter

p/jr

L13b

Natuurvriendelijkeoever - Rietoever

€ 1,08

meter

p/jr

L14a

Infiltratiegreppel - jaarlijks beheer

€ 1,08

meter

p/jr

L15a

Waterbergingsvoorziening- natte laagte

€ 1.586,15

ha.

p/jr

L15b

Waterbergingsvoorziening- Ondiepe plas

€ 1.155,63

ha.

p/jr

L15c

Waterbergingsvoorziening- Broekbos

€ 20.456,01

ha.

per keer

W1a

Wandelpad over boerenland - jaarlijks beheer zonder inkomstenderving

€ 1,12

meter

p/jr

W1b

Wandelpad over boerenland - jaarlijks beheer met inkomstenderving

€ 2,60

meter

p/jr

G1a

Botanische weiderand - jaarlijks beheer

€ 1.318,86

ha.

p/jr

G2a

Botanische hooilandrand - agrarisch beheer

€ 1.837,56

ha.

p/jr

G2b

Botanische hooilandrand - natuurbeheer

€ 642,90

ha.

p/jr

G3a

Wilde bijenrand op grasland - agrarisch beheer

€ 1.837,56

ha.

p/jr

G3b

Wilde bijenrand op grasland - natuurbeheer (excl vergoeding gederfde inkomsten)

€ 1.026,22

ha.

p/jr

B1a

Wintervoedsel - klei

€ 2.121,00

ha.

p/jr

B1b

Wintervoedsel - zand

€ 1.839,50

ha.

p/jr

B1c

Wintervoedsel - jaarlijks beheer op zand- en kleigrond zonder landbouwkundig gebruik

€ 1.026,22

ha.

p/jr

B2a

Wilde bijenrand op bouwland - klei met landbouwkundig gebruik

€ 2.773,38

ha.

p/jr

B2b

Wilde bijenrand op bouwland - zand met landbouwkundig gebruik

€ 2.582,05

ha.

p/jr

B2c

Wilde bijenrand op bouwland - zand en klei zonder landbouwkundig gebruik

€ 1.026,22

ha.

p/jr

B3a

Patrijzenrand - klei met landbouwkundig gebruik

€ 3.169,58

ha.

p/jr

B3b

Patrijzenrand - zand met landbouwkundig gebruik

€ 2.868,94

ha.

p/jr

B3c

Patrijzenrand - natuurbeheer op zand en klei zonder landbouwkundig gebruik

€ 1.026,22

ha.

p/jr

B4a

Bloemblok voor akkervogels - klei met landbouwkundig gebruik

€ 3.169,58

ha.

p/jr

B4b

Bloemblok voor akkervogels - zand met landbouwkundig gebruik

€ 2.868,94

ha.

p/jr

B4c

Bloemblok voor akkervogels - natuurbeheer zonder landbouwkundig gebruik

€ 1.026,22

ha.

p/jr

7, Bijlage als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel e, onder 3°, van de Subsidieregeling stimuleringskader landschap Noord-Brabant

[vervallen]


Noot
1

Gebruik bij Robinia-acacia goed geschilde palen omdat de schors van Robinia giftig kan zijn voor paarden