Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016

Geldend van 17-09-2022 t/m 31-12-2022

Intitulé

Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

Overwegende dat het wenselijk is om projectsubsidies te kunnen verstreken om activiteiten te stimuleren die bijdragen aan groenbeleving, biodiversiteit en agrarisch ondernemerschap,

Gelet op:

artikel 3 van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013;

Besluiten:

Vast te stellen de "Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016"

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Asv: Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013;

  • b.

    planvormingskosten: alle kosten die nodig zijn voor het maken van een ontwerp zoals arbeidskosten en materiaalkosten voor de verkenning, het ontwerp, overleg met de omgeving en belanghebbenden;

  • c.

    voorbereidingskosten: alle kosten om te komen tot uitvoering van een project zoals arbeidskosten en materiaalkosten voor het opstellen van een bestek, het opstellen van offertes voor de uitvoering, communicatie met de omgeving en andere belanghebbenden, aanbesteding en opdrachtverstrekking;

  • d.

    vrijwilliger: persoon die onverplicht en onbetaald werk verricht voor andere mensen of voor de samenleving.

Artikel 1.2 Inzet vrijwilligers

  • 1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komt de inzet van vrijwilligers voor subsidie in aanmerking.

  • 2. De inzet van vrijwilligers komt voor € 35,00 per uur voor subsidie in aanmerking.

  • 3. De inzet van vrijwilligers is subsidiabel indien de werkelijke arbeidstijd gecontroleerd kan worden.

  • 4. De totale subsidie inclusief de subsidie voor de inzet van vrijwilligers is niet hoger dan de totale subsidiabele kosten exclusief de subsidie voor de inzet van vrijwilligers.

Artikel 1.3 Rangschikking

  • 1. Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2. Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3. Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 1.4 Subsidieverplichtingen

  • 1. In aanvulling op de artikelen 18 tot en met 21 van de Asv wordt aan de subsidieontvanger de volgende verplichting opgelegd: het project gaat uiterlijk binnen drie maanden na de subsidieverlening in uitvoering, tenzij in de beschikking een andere termijn wordt bepaald;

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van de subsidieontvanger de verplichtingen wijzigen bij beschikking.

Artikel 1.5 Prestatieverantwoording

  • 1. Bij een subsidie van minder dan € 25.000,00 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een eigen verklaring.

  • 2. Bij een subsidie vanaf € 25.000,00 maar minder dan € 125.000,00 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een eigen verklaring.

  • 3. Bij een subsidie van € 125.000,00 of meer gaat de aanvraag tot subsidievaststelling in de vorm van een activiteitenverslag vergezeld van een financieel verslag met controleverklaring van een accountant.

Artikel 1.6 bevoorschotting en betaling

  • 1. Het voorschot voor subsidies van € 25.000,- en hoger bedraagt maximaal 80% van de maximale subsidie.

  • 2. Het voorschot wordt op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

Artikel 1.7 Instellen deelplafonds

  • 1. Gedeputeerde staten stellen bij afzonderlijk besluit deelplafonds vast voor de afzonderlijke onderdelen in deze regeling.

  • 2. Indien gedeputeerde staten voor een onderdeel in deze regeling geen deelplafond hebben vastgesteld bedraagt het deelplafond voor dat onderdeel € 0,00.

Hoofdstuk 2 Projectsubsidies

§ 2.1 Ganzenrustgebieden

Artikel 2.1.1 begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    ganzenrustgebied: door gedeputeerde staten van Zuid-Holland begrensde percelen landbouwgrond waar overwinterende beschermde inheemse ganzen ongehinderd kunnen foerageren gedurende de periode van 1 november tot 1 april, zoals weergegeven op de kaart in bijlage 1;

  • b.

    gewasperceel: een perceel landbouwgrond dat in gebruik is bij één grondgebruiker, op grond van één gebruikstitel en dat wordt beteeld met één gewas;

  • c.

    grondgebruiker: degene die op titel van eigendom, (erf)pacht dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst gerechtigd is de als ganzenrustgebied aangewezen gewaspercelen in gebruik te hebben en die onderneming is actief in de primaire productie van landbouwproducten;

  • d.

    onderneming: een onderneming als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013;

  • e.

    schadehectare: (deel van een) hectare waarop een tegemoetkoming in de door beschermde inheemse ganzen aangerichte schade aan de landbouw als bedoeld in de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland wordt verstrekt;

  • f.

    verjaging: opzettelijke verontrusting van beschermde inheemse ganzen.

Artikel 2.1.2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1.

    Subsidie kan worden verleend voor het nalaten van de verjaging van beschermde inheemse ganzen in ganzenrustgebieden gedurende de periode van 1 november tot 1 april.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3.

    De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot een min of meer aaneengesloten ganzenrustgebied gedurende de periode 1 november tot 1 april.

Artikel 2.1.3 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2 wordt uitsluitend verstrekt aan grondgebruikers.

Artikel 2.1.4 Aanvraagperiode

In afwijking van de artikelen 11, eerste lid, onder a, en 26, eerste lid, van de Asv wordt de aanvraag voor subsidie ingediend:

  • a.

    binnen zes weken na de datum van de verzending van het besluit op grond van Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland omtrent de hoogte van de uit te betalen tegemoetkoming in de door de beschermde inheemse ganzen veroorzaakte schade in de periode waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft; of

  • b.

    in ieder geval uiterlijk op 1 december van het jaar waarin het besluit op grond van de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland is genomen.

Artikel 2.1.5 Aanvraagvereisten

  • 1.

    Naast de gegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Asv, gaat een aanvraag voor subsidie vergezeld van:

    a. het besluit, bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid;

    b. een verklaring van de aanvrager dat hij gedurende de periode van 1 november tot 1 april verjaging van beschermde inheemse ganzen in ganzenrustgebieden heeft nagelaten.

  • 2.

    Indien de aanvrager een onderneming is gaat de aanvraag voor subsidie eveneens vergezeld van een volledig ingevulde en ondertekende de-minimisverklaring.

Artikel 2.1.6 Weigeringsgrond

In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv wordt subsidie als bedoeld in artikel 2 geweigerd indien voor dezelfde activiteit reeds subsidie is verstrekt voor dezelfde periode.

Artikel 2.1.7 Subsidievereiste

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.2 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het vereiste dat de grondgebruiker voor de betreffende percelen op grond van de Beleidsregel uitvoering Wet natuurbescherming Zuid Holland in aanmerking komt voor een tegemoetkoming in de door beschermde inheemse ganzen aangerichte schade aan de landbouw in de periode van 1 november tot 1 april.

Artikel 2.1.8 Subsidiehoogte

  • 1.

    De subsidie bedraagt € 50,00 per schadehectare van als ganzenrustgebied begrensde gewaspercelen.

  • 2.

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 50,- wordt de subsidie niet verstrekt.

  • 3.

    De subsidie wordt verleend in de vorm van de-minimissteun en bedraagt per onderneming, tezamen met eventueel andere verleende de-minimissteun, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen maximaal € 15.000,00 over een periode van drie belastingjaren.

Artikel 2.1.8a Subsidievaststelling en betaling

De subsidie wordt direct vastgesteld en de betaling van het subsidiebedrag vindt in één keer plaats.

Artikel 2.1.9 staatssteun

Indien de subsidie is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is de volgende verordening van overeenkomstige toepassing: Verordening (EU) Nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector, PbEU, L 352 van 24 december 2013.

Artikel 2.1.10 prestatieverantwoording

In aanvulling op artikel 1.6 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag.

§ 2.2 Verduurzaming landbouw met agrarische structuurversterking

Artikel 2.2.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a.

      planvorming voor verbetering van de verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven, gericht op de verbetering van de landbouwinfrastructuur waarbij een bijdrage wordt geleverd aan verduurzaming van de landbouw; of,

    • b.

      uitvoering van kavelruil, die:

      • i.

        leidt tot verbetering van de verkaveling en van de ligging van kavels ten opzichte van elkaar;

      • ii.

        leidt tot verbetering van de toegankelijkheid van kavels en percelen in de grondgebonden landbouw; en

      • iii.

        een bijdrage levert aan de verduurzaming van de landbouw.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

Artikel 2.2.2 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.2.1 wordt uitsluitend verstrekt aan agrarische ondernemingen en samenwerkingsverbanden daarvan, stichtingen voor kavelruil, landbouworganisaties, natuur- en landschapsorganisaties, waterschappen en gemeenten.

Artikel 2.2.3 Subsidievereisten

  • 1. Om voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.2.1 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de activiteit is gericht op:

      • i.

        verbetering van de agrarische structuur in het gebied door verbeterde ligging van kavels die leidt tot een efficiëntere bedrijfsvoering voor de agrariër; en

      • ii.

        verbeterde verkeersveiligheid, vermindering van CO2-uitstoot en vermindering van wegonderhoud door vermindering in verkeersbewegingen door landbouwmachines;

    • b.

      de activiteit draagt bij aan minimaal twee van de volgende maatschappelijke doelen:

      • i.

        toename biodiversiteit;

      • ii.

        verbetering waterkwaliteit en -kwantiteit;

      • iii.

        tegengaan stikstofuitstoot uit het agrarisch bedrijf;

      • iv.

        tegengaan bodemdaling;

      • v.

        bijdragen aan landschappelijke kwaliteit;

      • vi.

        toename van de beweiding bij de grondgebonden veehouderij;

      • vii.

        vermindering gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen.

  • 2. Onverminderd het eerste lid wordt de activiteit beoordeeld op basis van de volgende beoordelingscriteria:

    • a.

      de mate van effectiviteit van de activiteit, waarbij wordt aangetoond of aannemelijk kan worden gemaakt wat het effect is op de maatschappelijke doelen;

    • b.

      de haalbaarheid van de activiteit, weergegeven in termen als doorlooptijd, cofinanciering en draagvlak;

    • c.

      de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit.

  • 3. Het totaal aantal benodigde punten voor subsidiëring van het project bedraagt minimaal 12 en wordt berekend door de som te nemen van de punten behaald voor ieder afzonderlijk beoordelingscriterium, waarbij:

    • a.

      voor ieder van de beoordelingscriteria, genoemd in het tweede lid, 0, 1, 2, of 3 punten kunnen worden behaald; en

    • b.

      de beoordelingscriteria, bedoeld in het tweede lid, een wegingsfactor hebben van:

      • i.

        3 voor het criterium, genoemd onder a;

      • ii.

        2 voor het criterium, genoemd onder b;

      • iii.

        1 voor het criterium, genoemd onder c.

Artikel 2.2.4 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    de kosten voor het opstellen van een gebiedsinrichtingsplan gericht op maatschappelijk doelbereik;

  • b.

    de kosten van het tot stand brengen van een kavelruilplan;

  • c.

    de kosten van het tot stand brengen van een kavelruilovereenkomst;

  • d.

    de kosten van een kavelruilcoördinator;

  • e.

    de kosten voor inzet van onderzoeksinstellingen en experts;

  • f.

    de kosten van de te houden voorlichtingsbijeenkomsten of te maken voorlichtingsmateriaal;

  • g.

    kadaster- en notariskosten.

Artikel 2.2.5 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie bedraagt voor publiekrechtelijke rechtspersonen ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De hoogte van de subsidie bedraagt voor overige aanvragers ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten.

  • 3. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 10.000,--, wordt de subsidie niet verstrekt.

  • 4. In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de kosten, bedoeld in artikel 2.2.4, onder g, een maximum van 500,00 euro per geruilde hectare.

Artikel 2.2.6 Niet subsidiabele kosten

De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    de kosten van ruil van productierechten en van gebouwen;

  • b.

    de kosten van verrekening tussen eigenaren als gevolg van waardeverschillen van de te verdelen onroerende zaken;

  • c.

    de kosten van werken op of ten behoeve van onroerende zaken;

  • d.

    de kosten voor kavelaanvaardingswerken;

  • e.

    de kosten van de uitvoering van het gebiedsinrichtingsplan.

Artikel 2.2.7 Verplichtingen van de subsidieontvanger

In aanvulling op de artikelen 18 en 19 van de Asv en artikel 1.4 worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

    in het project wordt samengewerkt tussen gebiedspartijen;

  • b.

    de opgedane kennis uit het project wordt gedeeld met de gebiedspartijen en de provincie.

Artikel 2.2.8 Prestatieverantwoording

  • 1. In afwijking van artikel 1.5, eerste lid, toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling desgevraagd aan dat de activiteit:

    • a.

      bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid onder a, is verricht door middel van een kavelruilplan en een gebiedsinrichtingsplan;

    • b.

      bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onder b, is verricht door middel van een kavelruilovereenkomst.

  • 2. In afwijking van artikel 1.5, tweede lid, toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteit:

    • a.

      bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid onder a, is verricht door middel van een kavelruilplan en een gebiedsinrichtingsplan;

    • b.

      bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onder b, is verricht door middel van een kavelruilovereenkomst.

  • 3. In aanvulling op artikel 1.5, derde lid, toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteit:

    • a.

      bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid onder a, is verricht door middel van een kavelruilplan en een gebiedsinrichtingsplan;

    • b.

      bedoeld in artikel 2.2.1, eerste lid, onder b, is verricht door middel van een kavelruilovereenkomst.

§ 2.3 Soortenbeleid leefgebied en maatregelen verbetering natuurwaarden

Artikel 2.3.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor maatregelen die zijn gericht op het versterken en beschermen van populaties van bedreigde dier- of plantensoorten of op het verhogen van de natuurwaarden in Zuid-Holland.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3.

    De activiteit, bedoeld in het eerste lid, draagt bij aan het behoud van bijzondere planten- en diersoorten en verbetering van de natuurwaarden in Zuid-Holland.

Artikel 2.3.2 doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1 wordt verstrekt aan een ieder.

Artikel 2.3.3 Openstelling

  • 1.

    In afwijking van artikel 26, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1 worden ingediend, binnen een door Gedeputeerde Staten te bepalen tijdvak.

  • 2.

    Indien Gedeputeerde Staten het tijdstip bepalen als bedoeld in het eerste lid kunnen zij:

  • a. bepalen voor welke plant- en diersoorten en voor welke terreinen subsidie kan worden aangevraagd;

  • b. bepalen hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld; en

  • c. in aanvulling op artikel 2.3.4 nadere vereisten stellen.

Artikel 2.3.4 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de activiteit betreft een uitvoeringsproject of een studie;

  • b.

    de subsidieaanvrager beschikt over schriftelijke toestemming van de eigenaar in die gevallen waarin de subsidieaanvrager niet de eigenaar is van het terrein waarop de te subsidiëren activiteit wordt uitgevoerd.

Artikel 2.3.5 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen in ieder geval de kosten van materialen en arbeid voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.3.6 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 2.500,--, wordt de subsidie niet verstrekt.

§ 2.4 Groenparticipatie

[vervallen]

§ 2.5 Betrokkenheid groen en natuur

[vervallen]

§ 2.6 Ecologische verbindingen en NNN-gronden

Artikel 2.6.1 begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    ecologische verbindingen: die delen van het Natuurnetwerk Nederland die zijn aangeduid als ecologische verbinding;

  • b.

    natuurbeheer: beheer van grond met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende plant- en diersoorten;

  • c.

    natuurbeheerplan: plan als bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Zuid-Holland 2016;

  • d.

    natuurtype: natuur- en landschapsbeheertype volgens de Index Natuur en Landschap;

  • e.

    NNN: Natuurnetwerk Nederland;

  • f.

    omgevingsverordening: Omgevingsverordening Zuid-Holland of de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zodra deze in werking treedt en de Omgevingsverordening Zuid-Holland vervalt;

  • g.

    stapsteen: verbreding binnen een ecologische verbinding die van voldoende kwaliteit is om te fungeren als foerageer- of voorplantingsgebied voor de doelsoorten;

  • h.

    verwerving: verkrijging van het recht van de volle eigendom of het recht van erfpacht.

Artikel 2.6.2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a.

      verwerving van gronden voor de realisatie van ecologische verbindingen inclusief stapstenen;

    • b.

      inrichting van ecologische verbindingen inclusief stapstenen;

    • c.

      verwerving van gronden voor de realisatie van NNN;

    • d.

      beëindiging van pachtovereenkomsten op NNN-gronden.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, draagt bij aan de realisatie van ecologische verbindingen en de NNN in Zuid-Holland.

Artikel 2.6.3 Indieningstermijn aanvraag

  • 1. In afwijking van artikel 26, eerste lid, van de Asv, kan een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid onder a en c, worden ingediend tot de dag voor de datum waarop koopovereenkomst gesloten wordt.

  • 2. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid onder a en c is tijdig ingediend indien deze voor het sluiten van de koopovereenkomst is ontvangen.

Artikel 2.6.4 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2 wordt uitsluitend verstrekt aan degene die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten overeenkomstig het natuurbeheertype waarvoor de verwerving van het terrein is bedoeld.

Artikel 2.6.5 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid onder a of b, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de vereisten dat:

    • a.

      de ecologische verbinding behoort tot prioriteit 1 of prioriteit 2 zoals aangegeven in de ‘(Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland’ (2017);

    • b.

      ecologische verbindingen worden ingericht voor het natuurbeheertype zoals aangegeven in het natuurbeheerplan en of de (Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland (2017) of bij afwijking daarvan, volgens een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd natuurtype;

    • c.

      de aanvrager beschikt over een inrichtingsplan waarin:

      • i.

        is beschreven welke maatregelen worden genomen om de natuurtypen te realiseren; en

      • ii.

        een beheerparagraaf is opgenomen waarin wordt aangegeven op welke manier de natuurtypen ontwikkeld en in stand worden gehouden en waarbij in ieder geval wordt ingegaan op het toekomstige maaibeheer, inzet van vee en bemesting;.

    • d.

      de kosten van verwerving van het terrein of de kosten van de beëindiging van de pacht zijn getaxeerd door een onafhankelijke taxateur;

    • e.

      ingeval de subsidie het beëindigen van pachtrechten betreft, deze pachtrechten zijn verstrekt vóór het tijdstip dat de subsidieontvanger eigenaar of erfpachter is geworden van het betreffende terrein;

    • f.

      verwerving van het terrein of beëindiging van de pacht is noodzakelijk vanuit het oogpunt van natuur of landschapsbescherming.

  • 2. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, onder c of d, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de vereisten dat:

    • a.

      de NNN-gronden staan aangegeven op de kaart zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage 3, en

    • b.

      de NNN-gronden worden ingericht voor het natuurbeheertype zoals aangegeven in het natuurbeheerplan, of bij afwijking daarvan, volgens een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd natuurtype;

  • 3. In aanvulling op het tweede lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, onder d, voldaan aan de vereisten dat:

    • a.

      de pachtovereenkomst reeds was gevestigd op het moment waarop de gronden door de aanvrager zijn verworven;

    • b.

      de beëindiging van de pachtovereenkomst gewenst is in het kader van natuur- of landschapsbescherming, bescherming van cultuurhistorische waarden of bosbouwkundige waarde of natuurontwikkeling.

Artikel 2.6.6 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, onder a, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten voor de verwerving van de gronden voor zover deze kosten niet meer bedragen dan de reële marktwaarde als landbouwgrond;

    • b.

      de kosten die verbonden zijn aan het vrijmaken van het terrein van pacht, opstal, erfdienstbaarheid, vruchtgebruik of erfpacht;

    • c.

      de kosten voor het kadastraal recht en het registratierecht;

    • d.

      veilingkosten;

    • e.

      notariskosten, waaronder mede wordt verstaan de kosten van het opmaken van de notariële akte;

    • f.

      de kosten van inschrijving in de openbare registers;

    • g.

      overdrachtsbelasting voor zover geen kwijtschelding of vermindering wordt verleend;

    • h.

      schenkingsrecht, voor zover geen kwijtschelding of vermindering wordt verleend;

    • i.

      het afkoopbedrag van de landinrichtingsrente voor zover die rust op het verworven terrein;

    • j.

      kosten voor bodemonderzoek;

    • k.

      kosten van het wegwerken van het ten tijde van de verwerving aanwezige achterstallig onderhoud om de gronden te kunnen beheren;

    • l.

      kosten verbonden aan het verlies bij verkoop of sloop van gebouwen;

    • m.

      taxatie- en bemiddelingskosten.

  • 2. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, onder b, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      kosten voor maatregelen gericht op de wijziging van de waterhuishouding;

    • b.

      kosten voor grondverzet;

    • c.

      kosten voor het plaatsen van een raster;

    • d.

      kosten voor afvoer van grond;

    • e.

      kosten voor de verwijdering van opstallen;

    • f.

      kosten voor de verwijdering van begroeiing en beplanting;

    • g.

      kosten voor overige maatregelen in verband met de desbetreffende inrichting.

  • 3. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, onder c, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten voor de verwerving van de gronden voor zover deze kosten niet meer bedragen dan de reële marktwaarde als landbouwgrond;

    • b.

      kosten van de taxatie door een onafhankelijk taxateur;

    • c.

      de kosten voor het kadastraal recht en het registratierecht;

    • d.

      veilingkosten;

    • e.

      de kosten van de inschrijving in de openbare registers;

    • f.

      notariskosten, waaronder mede wordt verstaan de kosten van het opmaken van de notariële akte;

    • g.

      overdrachtsbelasting;

    • h.

      schenkingsrecht;

    • i.

      niet verrekenbare of niet compenseerbare BTW;

    • j.

      bodemonderzoek.

  • 4. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, onder d, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      het vrijmaken van pacht van het terrein tegen een reële vergoeding, blijkend uit een taxatie door een onafhankelijk taxateur;

    • b.

      de taxatie door een onafhankelijk taxateur.

Artikel 2.6.7 Niet-subsidiabele kosten

De kosten van bodemsanering komen niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.6.8 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, onder a en b, bedraagt:

    • a.

      voor ecologische verbindingen met prioriteit 1 maximaal 85% van de subsidiabele kosten;

    • b.

      voor ecologische verbindingen met prioriteit 2 maximaal 70% van de subsidiabele kosten.

  • 2. De hoogte van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, onder c, bedraagt:

    • a.

      85% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.6.6, derde lid, onder a;

    • b.

      100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in het artikel 2.6.6, derde lid, onder b tot en met i;

    • c.

      100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.6.6, derde lid, onder j, met een maximum van € 5.000,-.

  • 3. De hoogte van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.2, eerste lid, onder d, bedraagt:

    • a.

      85% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.6.6, vierde lid, onder a;

    • b.

      100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.6.6, vierde lid onder b.

Artikel 2.6.9 Kwalitatieve verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. In aanvulling op artikel 1.4 wordt aan de subsidieontvanger de verplichting opgelegd dat binnen een in de beschikking tot subsidieverlening te bepalen termijn de subsidieontvanger en gedeputeerde staten een overeenkomst sluiten waarin is opgenomen:

    • a.

      de verplichting, inhoudende dat degene aan wie het terrein toebehoort:

      • i.

        het betreffende terrein niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond;

      • ii.

        het terrein beheert overeenkomstig het natuurbeheertype, bedoeld in artikel 2.6.5, eerste lid onder b, of artikel 2.6.5, tweede lid, onder b; en

      • iii.

        datgene nalaat wat de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten in gevaar brengt of verstoort;

    • b.

      dat de verplichtingen, genoemd onder a, zullen overgaan op degenen die het terrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn degene die van de rechthebbende een recht op het gebruik van het goed zullen krijgen;

  • 2. De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, wordt, binnen de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen termijn, notarieel opgemaakt en ingeschreven in de openbare registers.

  • 3. Voor zover aan de subsidieontvanger subsidie is verleend voor de verkrijging van het recht van erfpacht wordt de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, tevens afgesloten tussen gedeputeerde staten en de eigenaar van het terrein.

Artikel 2.6.10 Overige verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. In aanvulling op artikel 2.6.9 worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:

    • a.

      het terrein wordt onmiddellijk na verwerving beheerd als natuur en binnen 2 jaar na verwerving overeenkomstig het natuurbeheertype, bedoeld in artikel 2.6.5, eerste lid onder b, of artikel 2.6.5, tweede lid, onder b;

    • b.

      het terrein mag niet zonder toestemming van gedeputeerde staten worden vervreemd, in erfpacht uitgegeven, of belast met zakelijke rechten;

    • c.

      indien het terrein voor realisatie van een ecologische verbinding reeds opengesteld was voor publiek blijft dit terrein na realisatie van de ecologische verbinding gedurende ten minste 358 dagen per jaar open en toegankelijk voor publiek;

    • d.

      het NNN-terrein wordt gedurende ten minste 358 dagen per jaar kosteloos opengesteld en toegankelijk gehouden voor publiek, tenzij daardoor de ecologische doelstellingen niet worden gehaald;

    • e.

      subsidieontvanger voert een gescheiden boekhouding overeenkomstig artikel 25b, eerste lid, Mededingingswet en houdt een lijst bij van alle verleende subsidies met betrekking tot het terrein;

    • f.

      eventuele opbrengsten uit beheer of exploitatie van het terrein worden aangewend ten behoeve van het beheer;

    • g.

      voor zover subsidie wordt verleend ten behoeve van verkrijging van het erfpachtrecht op de grond, legt subsidieontvanger een ondertekende schriftelijke toezegging van de eigenaar van het betreffende terrein over, dat binnen een jaar na subsidieverlening de eigenaar met gedeputeerde staten een overeenkomst als bedoeld in artikel 2.6.9, onder a, sluit.

    • h.

      in de gevallen, bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, a, c, d en e, van de Awb, is de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd aan gedeputeerde staten, welke wordt vastgesteld op de gerealiseerde vermogenstoename en bepaald aan de hand van de waarde van het met subsidie verworven terrein op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt;

    • i.

      bij beëindiging en liquidatie van de subsidieontvanger behoeft de bestemming van een batig liquidatiesaldo de goedkeuring van gedeputeerde staten;

    • j.

      de gebouwen waarvoor subsidie voor het verlies ervan is verleend, bedoeld in artikel 2.6.6, eerste lid, onder l, of artikel 2.6.6, tweede lid, onder e, worden binnen een jaar na de subsidieverlening gesloopt;

    • k.

      de subsidieontvanger overlegt en werkt samen met de beheerders van omliggende natuurterreinen om tot een samenhangend beheer te komen.

  • 2. Van de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met g, kan worden afgeweken of uitstel worden verleend voor zover een verplichting onredelijk bezwarend is.

  • 3. De hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid onder g, wordt door gedeputeerde staten vastgesteld op de gerealiseerde vermogenstoename en bepaald aan de hand van de waarde van het met subsidie verworven terrein op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt.

Artikel 2.6.11 Afwijkingsbevoegdheid

Indien de ecologische verbinding waarvoor subsidie wordt gevraagd niet is aangeduid als ecologische verbinding in de omgevingsverordening kunnen gedeputeerde staten besluiten om van deze verordening af te wijken indien die ecologische verbinding:

  • a.

    van voldoende kwaliteit is om te fungeren als noodzakelijke migratie-, foerageer- of voorplantingsgebied voor de doelsoorten van de nog niet gerealiseerde verbindingen zoals beschreven in de Nota ecologische verbindingen en de ligging van die verbinding zodanig is, dat de in de Nota genoemde natuurgebieden door die verbinding verbonden worden; of

  • b.

    invulling geeft aan een stapsteen als functioneel onderdeel van een nog te realiseren verbinding zoals vastgelegd in de Nota ecologische verbindingen en van voldoende kwaliteit is om te fungeren als foerageer- of voorplantingsgebied voor de doelsoorten zoals beschreven in de Nota.

§ 2.7 Beschermde natuurmonumenten

Artikel 2.7.1 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten in het kader van beheer, onderhoud en inrichting van gebieden zoals opgenomen in bijlage 4.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3.

    De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot betere bescherming van de aangewezen gebieden.

Artikel 2.7.2 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.7.1 wordt uitsluitend verstrekt aan de pachters, erfpachters of eigenaren van gronden in de gebieden Huys Ten Donck en de Oosterse en Westerse Laagjes.

Artikel 2.7.3 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.1 in aanmerking te komen wordt voldaan aan het vereiste dat de activiteit bijdraagt aan het realiseren van de voor het gebied bepaalde natuurdoelen, als aangeduid in bijlage 4.

Artikel 2.7.4 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen in ieder geval de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    de kosten voor de in bijlage 4 onder a tot en met c opgenomen uit te voeren dan wel uitgevoerde maatregelen in de betreffende gebieden;

  • b.

    de kosten voor de in bijlage 4 onder d opgenomen uit te voeren dan wel uitgevoerde maatregelen voor zover in combinatie met een of meer van de in de in bijlage 4 onder e genoemde pakketten.

Artikel 2.7.5 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt het bedrag dat per eigenaar of pachter per gebied is opgenomen in bijlage 5.

§ 2.8 Innovatieve Pilots Groene Cirkels

Artikel 2.8.1 Begripsbepalingen

  • a.

    demonstratie- of campagnefase: fase waarin de uitkomsten van het experiment worden omgezet naar een voor de praktijk geschikt instrument en voor een ieder bekend en toegankelijk wordt gemaakt of met een bewustwordingscampagne onder de aandacht wordt gebracht;

  • b.

    experimenteerfase: fase waarin het experiment op beperkte schaal wordt uitgevoerd;

  • c.

    initiatieffase: fase waarin een idee wordt ontwikkeld en daarvoor een netwerk wordt geïnteresseerd;

  • d.

    onderzoeksfase: fase waarin verkennend of theoretisch onderzoek plaatsvindt;

  • e.

    pilot: project bestaande uit de volgende deelfasen:

    • i.

      de initiatieffase;

    • ii.

      de onderzoeksfase;

    • iii.

      de experimenteerfase; en

    • iv.

      de demonstratie- of campagnefase.

Artikel 2.8.2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor een pilot of een deelfase van een pilot gericht op innovatie op het gebied van biodiversiteit met de natuur als partner.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3.

    De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot verwerving van kennis over verduurzaming van de economie in combinatie met een aangename leefomgeving.

Artikel 2.8.3 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2 wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen die participeren binnen één van de Groene Cirkels, waarover een overeenkomst met de provincie Zuid-Holland is gesloten.

Artikel 2.8.4 Subsidievereiste

Om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    er wordt samengewerkt met bestaande of beoogde partners zijnde, een onderneming,

  • b.

    de activiteit wordt ondersteund door de partners van de Groene Cirkel waarin de aanvrager participeert.

Artikel 2.8.5 Subsidiabele kosten

Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie.

Artikel 2.8.6 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van de subsidie bedraagt:

    • a.

      voor de initiatief of onderzoeksfase ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 80.000,-;

    • b.

      voor de experimenteerfase ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 150.000,-;

    • c.

      voor de demonstratie- of campagnefase ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 100.000,-

  • 2.

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 20.000,- wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 2.8.7 staatssteun

Indien de subsidie is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is de volgende verordening van overeenkomstige toepassing: Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, PbEU, L 352 van 24 december 2013.

Artikel 2.8.8 Rangschikking

[vervallen]

Artikel 2.8.9 Verplichting

In aanvulling op de artikel 1.4 is de subsidieontvanger verplicht om de resultaten van de activiteit openbaar te maken en te verspreiden.

§ 2.9 Boerenlandpaden

Artikel 2.9.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    boerenlandpad: een (onverhard) pad over particuliere gronden die in agrarisch gebruik zijn;

  • b.

    digitaal beheer: het op zodanige wijze vastleggen, bewaren, beheren en beschikbaar stellen van digitale (route)informatie, dat deze ook na verloop van tijd raadpleegbaar, toegankelijk en actueel is;

  • c.

    wandelroutenetwerk Zuid-Holland: het wandelroutenetwerk van de provincie Zuid-Holland zoals te vinden op http://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/landschap/recreatie-vrije-tijd/wandelroutenetwerk.

Artikel 2.9.2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a.

      de aanleg van boerenlandpaden;

    • b.

      het beheer en de openstelling van boerenlandpaden.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstrekt voor de periode van zeven jaren.

  • 3. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 4. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot instandhouding van boerenlandpaden als onderdeel van het wandelroutenetwerk in de provincie Zuid-Holland.

Artikel 2.9.3 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.9.2 wordt uitsluitend verstrekt aan:

  • a.

    gemeenten;

  • b.

    waterschappen;

  • c.

    regionale samenwerkingsverbanden van gemeenten;

  • d.

    rechtspersonen die zich inzetten voor routes voor wandelen;

  • e.

    agrarische natuurverenigingen;

  • f.

    eigenaren van agrarische gronden;

  • g.

    pachters van agrarische gronden.

Artikel 2.9.4 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.9.4 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de activiteit leidt tot duurzame verbetering van de kwaliteit dan wel de veiligheid van het recreatieve routenet;

    • b.

      de voorziening of route is vrij toegankelijk;

    • c.

      beheer en onderhoud van het routenet en de voorziening (inclusief digitaal beheer) zijn aantoonbaar voor ten minste 7 jaar geregeld;

    • d.

      de activiteit is afgestemd met de coördinerende gemeentelijke, regionale of landelijke (route)organisaties;

    • e.

      de route wordt bewegwijzerd op basis van gestandaardiseerde routemarkering voor wandelen;

    • f.

      de route en voorziening worden ingericht zodanig dat deze geschikt en toegankelijk zijn voor het beoogde gebruik en de beoogde gebruikers.

  • 2. Van het bepaalde in het eerste lid onder b. kan worden afgeweken, mits beperkingen in de toegankelijkheid noodzakelijk zijn voor het vogelbroedseizoen.

Artikel 2.9.5 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen in ieder geval de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      promotie- en voorlichtingskosten verband houdende met de ingebruikname van voorzieningen;

    • b.

      proceskosten tot een maximum van 20% van de subsidiabele kosten;

    • c.

      kosten van aanleg of wijziging van routes;

    • d.

      kosten van realisatie dan wel aanpassing van bewegwijzering, informatieborden en panelen aan de gestandaardiseerde routemarkering;

    • e.

      kosten van kleinschalige inrichtingsmaatregelen;

    • f.

      kosten van voorzieningen om de recreatieve gebruikerscategorieën te scheiden.

  • 2. De kosten, bedoeld in het eerste lid, zijn subsidiabel vanaf de datum dat de overeenkomst Boerenlandpad tussen de eigenaar van de grond en de intermediair is gesloten

Artikel 2.9.6 Niet subsidiabele kosten

De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    aankoopkosten van grond;

  • b.

    reguliere marketing en promotie kosten.

Artikel 2.9.7 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie voor de aanleg van een boerenlandpad bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten indien de activiteit de aanleg van een boerenlandpad betreft.

  • 2. De hoogte van de subsidie bedraagt voor de openstelling en het beheer van een boerenlandpad € 0,45 per meter boerenlandpad per jaar.

Artikel 2.9.8 Voorschotten

In afwijking van artikel 1.6 bedraagt het voorschot voor subsidies van € 25.000,- en hoger maximaal 100% van de maximale subsidie.

§ 2.10 Initiatieven voor Vitale Landbouw

Artikel 2.10.1 Begripsbepaling

In deze paragraaf wordt onder Hoofdlijnennotitie verstaan: door gedeputeerde staten van Zuid-Holland op 26 mei 2020 vastgestelde Hoofdlijnennotitie Vitale Landbouw van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 2.10.2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor het uitvoeren van een project ten behoeve van de verduurzaming van de grondgebonden landbouw en het voedselsysteem.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot innovaties en kennis ten behoeve van een vitale landbouw, zoals verwoord in de Hoofdlijnennotitie.

Artikel 2.10.3 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2 wordt verstrekt aan een ieder.

Artikel 2.10.4 Aanvraagvereisten

Naast de gegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Asv gaat een aanvraag voor subsidie vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop het project openbaar wordt gemaakt en de resultaten worden gedeeld.

Artikel 2.10.5 Weigeringsgronden

In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2 geweigerd indien:

  • a.

    het aangevraagde subsidiebedrag minder dan € 10.000,00 bedraagt;

  • b.

    niet kan worden gegarandeerd dat het project, bedoeld in artikel 2.10.2, eerste lid, openbaar wordt gemaakt en de resultaten worden gedeeld als bedoeld in artikel 2.10.4.

Artikel 2.10.6 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project is gericht op innovatie en experimenteren met nieuwe manieren van werken, en op:

    • i.

      het vormen van een nieuw samenwerkingsverband;

    • ii.

      netwerkontwikkeling; of

    • iii.

      kennisoverdracht.

  • b.

    de uitvoering van het project leidt tot innovaties en kennis ten behoeve van een vitale landbouw, zoals verwoord in de Hoofdlijnennotitie;

  • c.

    het project wordt openbaar gemaakt en de resultaten worden gedeeld.

  • d.

    [vervallen]

  • 2. In aanvulling op het eerste lid wordt het project beoordeeld op basis van de volgende beoordelingscriteria:

    • a.

      de mate van effectiviteit van de activiteit, waarbij aangetoond wordt wat het effect is van het project op de te behalen doelen voor een vitale landbouw;

    • b.

      de haalbaarheid van de activiteit, weergegeven in termen als doorlooptijd, cofinanciering, draagvlak en technische haalbaarheid;

    • c.

      de mate waarin het project een bottom-up aanpak heeft;

    • d.

      de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit.

  • 3. Het totaal aantal punten benodigde punten voor subsidiëring van het project bedraagt minimaal 18 en wordt berekend door de som te nemen van de punten behaald voor ieder afzonderlijk criterium, waarbij:

    • a.

      voor ieder van de beoordelingscriteria, genoemd in het tweede lid, 0, 1, 2, of 3 punten kunnen worden behaald; en

    • b.

      de beoordelingscriteria, bedoeld in het tweede lid, een wegingsfactor hebben van:

      • i.

        4 voor het criterium, genoemd onder a;

      • ii.

        3 voor het criterium, genoemd onder b;

      • iii.

        2 voor het criterium, genoemd onder c;

      • iv.

        1 voor het criterium, genoemd onder d.

Artikel 2.10.7 Subsidiabele kosten

Kosten komen in aanmerking voor subsidie zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie.

Artikel 2.10.8 Niet subsidiabele kosten

De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten van gebouwen en grond;

  • b.

    de kosten van inrichting die niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het project;

  • c.

    exploitatiekosten;

  • d.

    onderhoudskosten van roerende of onroerende goederen.

Artikel 2.10.9 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie als bedoeld in artikel 2.10.2 bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 24.999,00.

  • 2. Indien door toepassing van dit artikel de subsidie minder bedraagt dan € 10.000,00 wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 2.10.10 Subsidieverplichtingen

In aanvulling op de artikel 1.4 van de Asv worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

    een project wordt binnen twee jaar na de start van het project afgerond;

  • b.

    het project wordt openbaar gemaakt en de resultaten worden gedeeld op de wijze, bedoeld in artikel 2.10.4.

Paragraaf 2.11 Kwaliteitsimpuls en participatie ten aanzien van de beweegvriendelijke leefomgeving, bestaande groengebieden en het recreatieve routenetwerk  

Artikel 2.11.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • -

    kwaliteitsimpuls: duurzame toename van de recreatieve waarde met een stimulans naar sport en bewegen of de (natuur)beleving;

  • -

    participatie: Groenbeleving en betrokkenheid van burgers bij het groen;

  • -

    beweegvriendelijke leefomgeving: een publiek toegankelijke buitenruimte die het fysiek sportief en recreatief bewegen bevordert;

  • -

    groengebied: buitenstedelijk natuurgebied, recreatiegebied of landschap dat openbaar toegankelijk is;

  • -

    recreatieve routenetwerk: routestructuren voor wandelen, fietsen, varen en de ruiter- en mensport maken gebieden, voorzieningen, bestemmingen en locaties vindbaar, bereikbaar en toegankelijk. Bovendien zijn deze routes zelf faciliteiten voor veel beweeg- en sportactiviteiten zoals wandelen, varen en/of skeeleren. Routestructuren voeren over bestaande infrastructuur, met of zonder markeringen;

  • -

    stad-landverbindingen: fiets-, wandel- of vaarroute vanuit de stad naar een aantrekkelijk landschap, recreatie- of natuurgebied die is aangesloten op het recreatieve routenetwerp;

  • -

    in goede staat verkerend ruiter- of menpad: ruiter- of menpad dat voldoet aan de kwaliteitsrichtlijnen als opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage 8, of aan de kwaliteitskenmerken vastgesteld door Gedeputeerde Staten naar aanleiding van een gemotiveerde aanvraag om van de kwaliteitsrichtlijnen als opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage 8 af te mogen wijken;

  • -

    - ruiter- en menpaden: doorgaande, vrij toegankelijke en meestal onverharde wegen of paden die zijn aangelegd voor paardrijden of mennen;

  • -

    openbaar toegankelijk: gedurende het gehele jaar toegankelijk voor het publiek, tenzij er sprake is van een omstandigheid, genoemd in artikel 2.11, vierde lid van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Zuid-Holland 2016;

  • -

    waterrecreatie: vormen van recreatie op, aan en in het water.

Artikel 2.11.2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die gericht zijn op:

    • a.

      herstel- en inrichtingsmaatregelen van ruiter- en menpaden op de plaatsen aangegeven op de kaart in bijlage 7;

    • b.

      beheer en onderhoud van ruiter- en menpaden;

    • c.

      een kwaliteitsimpuls en participatie ten aanzien van de beweegvriendelijke leefomgeving, bestaande groengebieden en het recreatieve routenetwerk.

  • 2. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, kunnen Gedeputeerde Staten openstellingsbesluiten vaststellen voor subsidie ten behoeve van:

    • a.

      beweegvriendelijke leefomgeving;

    • b.

      versterking sport- en beweegaanbod in de openbare ruimte;

    • c.

      kwaliteitsimpuls recreatie in gebieden;

    • d.

      opvangen recreatiedrukte in groengebieden;

    • e.

      stad-land-verbindingen;

    • f.

      side events sportevenementen;

    • g.

      sportactiviteiten voor mensen met een beperking;

    • h.

      waterrecreatie projecten;

    • i.

      programma Groen doet goed;

    • j.

      waterrecreatie promotie;

    • k.

      Zelfdoen;

    • l.

      Kwaliteitsimpuls recreatie.

  • 3. Gedeputeerde Staten kunnen in de openstellingsbesluiten als bedoeld in tweede lid nadere regels vaststellen omtrent:

    • a.

      aanvraagvereisten;

    • b.

      weigeringsgronden;

    • c.

      deelplafond;

    • d.

      aanvraagperiode;

    • e.

      rangschikking;

    • f.

      doelgroep;

    • g.

      activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;

    • h.

      kosten die voor subsidie in aanmerking komen;

    • i.

      minimale of maximale hoogte van de subsidie;

    • j.

      subsidievereisten;

    • k.

      verplichtingen die aan een subsidieontvanger kunnen worden opgelegd.

  • 4. Subsidie als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 5. De activiteit, bedoeld in het eerste en tweede lid, leidt tot bevordering van fysiek sportief en recreatief bewegen, kwaliteitsverbetering van de beweegvriendelijke leefomgeving, het bestaande groengebied of het recreatieve routenetwerk.

Artikel 2.11.3 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, wordt uitsluitend verstrekt aan:

  • 1.

    Publiekrechtelijke rechtspersonen, stichtingen en verenigingen die zich inzetten voor ruiter- en menpaden.

  • 2.

    Subsidie voor beheer en onderhoud van ruiter- en menpaden als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, wordt uitsluitend verstrekt aan natuurlijke personen, privaatrechtelijke rechtspersonen, Staatsbosbeheer en verenigingen, voor zover deze partijen op basis van eigendom of erfpacht zeggenschap hebben over het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 2.11.4 Aanvraagvereisten

Naast de gegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Asv gaat een aanvraag voor subsidie vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop het uitgevoerde project openbaar wordt gemaakt.

Artikel 2.11.5 Weigeringsgronden

In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, geweigerd indien:

  • a.

    het aangevraagde subsidiebedrag minder dan € 2.500 bedraagt;

  • b.

    aanvrager voor dezelfde identificeerbare activiteit gericht op activiteiten als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, onder a, reeds subsidie heeft ontvangen;

  • c.

    de subsidieaanvraag niet voldoet aan de vereisten opgenomen in het aanvraagformulier en artikel 2.11.4;

  • d.

    het ruiter- of menpad of gedeelte daarvan, waarvoor subsidie wordt aangevraagd in goede staat verkeert;

  • e.

    het gedeelte van het ruiter- of menpad waarvoor subsidie wordt aangevraagd deel uit maakt van een aaneengesloten ruiter- of menpad, waarvan andere gedeelten niet in goede staat verkeren of niet voor subsidie in aanmerking komt.

Artikel 2.11.6 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de activiteiten leveren een bijdrage aan de ambitie en doelen uit de Startnotitie Recreatie & Sport;

  • b.

    beheer en onderhoud van de activiteiten als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, onder a, zijn door subsidie-aanvrager structureel geregeld;

  • c.

    het uitgevoerde project is openbaar toegankelijk;

  • d.

    het gedeelte van het ruiter- of menpad waarvoor subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, wordt aangevraagd maakt deel uit van een aaneengesloten ruiter- of menpad waarbij ieder ander gedeelte:

    • i.

      in aanmerking komt voor subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, en waarvoor subsidie als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, is aangevraagd, of;

    • ii.

      reeds in goede staat verkeert.

Artikel 2.11.7 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen in ieder geval de volgende kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    planvormingskosten en voorbereidingskosten tot een maximum van € 60.000,00;

  • b.

    nazorgkosten die direct verband houden met uitgevoerde activiteiten als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, onder a.

Artikel 2.11.8 Niet subsidiabele kosten

De volgende kosten komen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    aankoopkosten van grond;

  • b.

    kosten voor normale vervangingsinvesteringen;

  • c.

    kosten voor beheer en onderhoud uitgezonderd kosten voor beheer en onderhoud van ruiter- en menpaden;

  • d.

    reguliere marketing en promotie kosten.

Artikel 2.11.9 Subsidiehoogte

  • 1.

    De hoogte van subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 800.000,00.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie, bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, onder b, ten hoogste 75% van de standaardkostprijs voor regulier beheer en onderhoud van de ruiter- en menpaden dat wordt berekend volgens de bij dit besluit behorende bijlage 9.

Artikel 2.11.10 Subsidieverlening

De subsidie, bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, onder b, wordt verleend voor een periode van zes aaneengesloten kalenderjaren, welke periode steeds begint op 1 januari.

Artikel 2.11.11 Subsidieverplichtingen

In aanvulling op de artikelen 18 en 19 van de Asv worden aan de subsidieontvanger voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, de volgende verplichtingen opgelegd:

  • a.

    de activiteiten als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, worden openbaar gemaakt op de wijze, bedoeld in artikel 2.11.4;

  • b.

    de activiteiten als bedoeld in artikel 2.11.2, eerste lid, onder a, worden binnen twee jaar na aanvang van de feitelijke uitvoering van het project afgerond.

Paragraaf 2.12 Groene gezonde leefomgeving

Artikel 2.12.1 Begripsbepaling

In deze paragraaf wordt onder positieve gezondheid verstaan: bredere kijk op gezondheid die er van uitgaat dat gezondheid het vermogen is van mensen om zich aan te passen aan wat zich in het leven voordoet, uitgewerkt in zes dimensies, te weten: lichaamsfuncties, mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, meedoen, dagelijks functioneren.

Artikel 2.12.2 Subsidiabele activiteiten en prestaties

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan de ambitie en doelen uit de Startnotitie Gezond en Veilig Zuid-Holland en die gericht zijn op:

    • a.

      het realiseren van een gezondere leefomgeving door deze meer natuurlijk in te richten;

    • b.

      het vergroten van kennis over de invloed van een natuurlijke omgeving op de gezondheid van de mens; of

    • c.

      het bevorderen van de groenbeleving ten behoeve van de positieve gezondheid.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot bevordering van een meer natuurlijke omgeving of een kwaliteitsverbetering van deze omgeving, ten behoeve van een dimensie van positieve gezondheid.

Artikel 2.12.3 Openstellingsbesluiten

  • 1. Gedeputeerde Staten stellen openstellingsbesluiten vast voor subsidies als bedoeld artikel 2.12.2.

  • 2. Gedeputeerde Staten kunnen in de openstellingsbesluiten, bedoeld in het eerste lid, nadere regels vaststellen omtrent:

    • a.

      aanvraagvereisten;

    • b.

      weigeringsgronden;

    • c.

      deelplafond;

    • d.

      aanvraagperiode;

    • e.

      rangschikking;

    • f.

      doelgroep;

    • g.

      activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;

    • h.

      kosten die voor subsidie in aanmerking komen;

    • i.

      minimale of maximale hoogte van de subsidie;

    • j.

      subsidievereisten;

    • k.

      verplichtingen die aan een subsidieontvanger kunnen worden opgelegd.

§ 2.13 Verbeteren waterkwaliteit

Artikel 2.13.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    waterlichaam: oppervlaktewaterlichaam, grondwaterlichaam, of overig water, voor zover dat lichaam of overig water is begrensd in het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 en een doel heeft toegewezen gekregen;

  • b.

    zwemwaterlocatie: door Gedeputeerde Staten aangewezen locatie als bedoeld in artikel 10b van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden.

Artikel 2.13.2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor een onderzoek of maatregel gericht op de verbetering van de kwaliteit van een waterlichaam of zwemwaterlocatie.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

Artikel 2.13.3 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.13.2 wordt uitsluitend verstrekt aan een waterschap of gemeente.

Artikel 2.13.4 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.13.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het onderzoek of de maatregel draagt bij aan de verbetering van de kwaliteit van een waterlichaam of zwemwaterlocatie;

  • b.

    het onderzoek of de maatregel draagt bij aan een andere provinciale ambitie in Zuid-Holland.

Artikel 2.13.5 Aanvraagvereisten

Naast de gegevens die ingevolge het aanvraagformulier, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Asv, worden verstrekt, bevat de aanvraag in elk geval een termijn waarbinnen het onderzoek of de maatregel afgerond is.

Artikel 2.13.6 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.13.2 bedraagt 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 75.000,00 per onderzoek of maatregel.

Artikel 2.13.7 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid komen voorbereidingskosten voor subsidie in aanmerking voor zover zij niet meer bedragen dan 15% van de subsidiabele kosten.

Artikel 2.13.8 Weigeringsgronden

In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.13.2 geweigerd als het onderzoek of de maatregel behoort tot de reguliere activiteiten of wettelijke taken van de aanvrager.

Artikel 2.13.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger

In aanvulling op artikel 1.4 is de aanvrager in ieder geval verplicht om de bevindingen en resultaten van het onderzoek of de maatregel toegankelijk te maken voor derden.

§ 2.14 Klimaatadaptatie

Artikel 2.14.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Deltaplan Ruimtelijke adaptatie: gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk om er voor te zorgen dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht;

  • b.

    klimaatadaptatie: proces van aanpassing aan het actuele of verwachte klimaat en zijn effecten, opdat de schadelijke gevolgen of de kansen op schadelijke gevolgen door klimaateffecten kunnen worden beperkt of voorkomen, en de voordelen van het veranderende klimaat kunnen worden benut;

  • c.

    maatregelenpakket: pakket van maatregelen ter bevordering van het proces van aanpassing aan het actuele of verwachte klimaat en zijn effecten, opdat schadelijke gevolgen door klimaateffecten kunnen worden beperkt of voorkomen, en de voordelen van het veranderende klimaat kunnen worden benut;

  • d.

    werkregio:

    • i.

      Werkregio Goeree-Overflakkee;

    • ii.

      Werkregio Drechtsteden;

    • iii.

      Werkregio Hoeksche Waard;

    • iv.

      Werkregio Holland Rijnland;

    • v.

      Werkregio Midden Holland;

    • vi.

      Werkregio Vijfheerenlanden;

    • vii.

      Werkregio BAR;

    • viii.

      Werkregio Delfland;

    • ix.

      Werkregio Rotterdam;

    • x.

      Werkregio Voorne-Putten.

Artikel 2.14.2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die gericht zijn op:

    • a.

      procesondersteuning van een werkregio;

    • b.

      procesondersteuning van een gemeente ten behoeve van samenwerking met één of meerdere woningcorporaties;

    • c.

      onderzoeken die bijdragen aan één van de zeven ambities uit het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie;

    • d.

      grootschalige uitvoeringsprojecten;

    • e.

      kleinschalige innovatieve pilots.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, dragen bij aan klimaatadaptatie.

Artikel 2.14.3 Doelgroep

Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid:

  • a.

    onder a, wordt uitsluitend verstrekt aan de penvoerder van een werkregio;

  • b.

    onder b, wordt uitsluitend verstrekt aan gemeenten;

  • c.

    onder c en d, wordt uitsluitend verstrekt aan gemeenten en waterschappen;

  • d.

    onder e, wordt uitsluitend verstrekt aan privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 2.14.4 Subsidievereisten

  • 1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder a, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de activiteit heeft de instemming van alle deelnemers van de werkregio, blijkend uit een samenwerkingsverklaring;

    • b.

      de activiteit ondersteunt de samenwerking rondom gezamenlijke producten.

  • 2. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder b, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het vereiste dat er is sprake van een intensivering van de samenwerking tussen de aanvrager en één of meerdere woningcorporaties om de klimaatadaptatie verder te brengen.

  • 3. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder b, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      er is sprake van een nieuw onderzoek;

    • b.

      het onderzoek wordt door minimaal één andere publiekrechtelijke rechtspersoon ondersteund;

    • c.

      het onderzoek komt ten goede aan de gehele provincie Zuid-Holland.

  • 4. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder d, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      bij de activiteit is minimaal één andere publiekrechtelijke rechtspersoon betrokken;

    • b.

      uit de klimaatstresstest is naar voren gekomen dat het betreffende gebied kwetsbaar is voor extreme neerslag, hitte, droogte of overstroming;

    • c.

      de activiteit levert een bijdrage aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van het betreffende gebied in de provincie Zuid-Holland.

  • 5. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder e, in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de activiteit betreft het klimaatbestendig maken van de ruimtelijke inrichting in bestaand bebouwd gebied;

    • b.

      de activiteit is opschaalbaar.

Artikel 2.14.5 Aanvraagvereisten

  • 1. Indien een aanvraag wordt ingediend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder d of e, gaat de aanvraag naast de gegevens die ingevolge het aanvraagformulier, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Asv, worden verstrekt, in ieder geval vergezeld van een omschrijving van de wijze waarop de resultaten van de activiteit toegankelijk worden gemaakt voor derden.

  • 2. Indien een aanvraag wordt ingediend voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder e, en de aanvrager een onderneming is, gaat de aanvraag naast de gegevens die ingevolge het aanvraagformulier, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Asv, worden verstrekt, vergezeld van een ondertekende de-minimisverklaring als bedoeld in Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU, L 352).

Artikel 2.14.6 Subsidiehoogte

  • 1. De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid:

    • a.

      onder a, bedraagt maximaal € 5.000,00 per werkregio per jaar;

    • b.

      onder b, bedraagt maximaal € 5.000,00 per gemeente per jaar;

    • c.

      onder c, bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000,00;

    • d.

      onder d, bedraagt maximaal 30% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 100.000,00;

    • e.

      onder e, bedraagt maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000,00.

  • 2. Indien toepassing van het eerste lid, onder d en e, ertoe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 5.000,00 wordt de subsidie niet verstrekt.

Artikel 2.14.7 Subsidiabele kosten

  • 1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de proceskosten voor de activiteiten, bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder a en b, voor subsidie in aanmerking.

  • 2. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de onderzoekskosten voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder c, voor subsidie in aanmerking.

  • 3. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de uitvoeringskosten voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder d, voor subsidie in aanmerking.

  • 4. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder e, voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      voorbereidingskosten;

    • b.

      uitvoeringskosten.

Artikel 2.14.8 Niet subsidiabele kosten

  • 1. In afwijking van artikel 2.14.7, tweede lid, komen de voorbereidingskosten niet voor subsidie in aanmerking.

  • 2. In afwijking van artikel 2.14.7, derde lid, komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      voorbereidingskosten;

    • b.

      kosten voor de inhuur van externe adviseurs;

    • c.

      kosten voor beheer en onderhoud;

    • d.

      kosten voor reguliere activiteiten van de aanvrager.

  • 3. In afwijking van artikel 2.14.7, vierde lid, komen de apparaatskosten niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.14.9 Weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb en artikel 11 van de Asv wordt de subsidie geweigerd indien:

  • a.

    de activiteit onderdeel uitmaakt van een programma dat al financiële steun ontvangt van de provincie;

  • b.

    voor dezelfde activiteit op grond van een andere provinciale regeling subsidie is gevraagd of verstrekt;

  • c.

    de subsidieaanvrager of een van de deelnemers van het samenwerkingsverband reeds voor dezelfde activiteit subsidie op grond van deze of een andere subsidieregeling heeft ontvangen;

  • d.

    de activiteit tot de wettelijke of reguliere taken van de aanvrager behoort;

  • e.

    de activiteit niet uitvoerbaar is wegens wettelijke of praktische belemmeringen.

Artikel 2.14.10 Verplichtingen van de subsidieontvanger

In aanvulling op artikel 1.4 heeft de subsidieontvanger in ieder geval de volgende verplichtingen:

  • a.

    de activiteit, bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder a, b en e, wordt binnen twaalf maanden na de beschikking tot subsidieverlening gerealiseerd;

  • b.

    de bevindingen en resultaten van de activiteit, bedoeld in artikel 2.14.2, eerste lid, onder d en e, worden toegankelijk gemaakt voor derden.

Artikel 2.14.11 Prestatieverantwoording

In aanvulling op artikel 1.5 toont de subsidieontvanger:

  • a.

    bij een subsidie van minder dan € 25.000,00, desgevraagd aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag;

  • b.

    bij een subsidie van € 25.000,00 of meer, aan dat de activiteiten zijn verricht door middel van een activiteitenverslag.

Artikel 2.14.12 Staatssteun

Indien de subsidie is aan te merken als steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU, L 352) van overeenkomstige toepassing.

§ 2.15 Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland Gebiedsplan Zuidwestelijke Delta en Gebiedsplan Hollands-Utrechtse Veenweiden

Artikel 2.15.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.

    Gebiedsplan Interbestuurlijk Programma Vitaal platteland Hollands-Utrechtse Veenweiden: Interbestuurlijk Programma Vitaal platteland, Gebiedsplan Hollands-Utrechtse Veenweiden - Naar een duurzaam gebruik van de slappe bodem in de Hollands-Utrechtse Veenweiden;

  • b.

    Gebiedsplan Interbestuurlijk Programma Vitaal platteland Zuidwestelijke Delta: Interbestuurlijk Programma Vitaal platteland, Gebiedsplan Zuidwestelijke Delta – Grenzeloos samenwerken aan een zichtbare en toekomstbestendige Zuidwestelijke Delta;

  • c.

    Hollands-Utrechtse Veenweiden: Veenweidengebieden in de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Noord-Holland, met uitzondering van Laag Holland;

  • d.

    Zuidwestelijke Delta: Goeree-Overflakkee, Hoeksche Waard, Voorne-Putten, Zeeland, West-Brabant.

Artikel 2.15.2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor onderzoeksprojecten, experimenten of pilots die passen in:

    • a.

      het Gebiedsplan Interbestuurlijk Programma Vitaal platteland Zuidwestelijke Delta; of

    • b.

      het Gebiedsplan Interbestuurlijk Programma Vitaal platteland Hollands-Utrechtse Veenweiden.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

Artikel 2.15.3 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.15.2 wordt uitsluitend verstrekt aan publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 2.15.4 Subsidievereisten

Om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de activiteit is gericht op een of meerdere van de volgende thema’s van:

    • i.

      het Gebiedsplan Interbestuurlijk Programma Vitaal platteland Zuidwestelijke Delta:

      • 1°.

        volhoudbare landbouw;

      • 2°.

        zoet water;

      • 3°.

        genieten en beleven van de Zuid-Hollandse delta;

    • ii.

      het Gebiedsplan Interbestuurlijk Programma Vitaal platteland Hollands-Utrechtse Veenweiden:

      • 1°.

        volhoudbare landbouw;

      • 2°.

        bodemdaling;

      • 3°.

        klimaat;

      • 4°.

        waterkwaliteit

  • b.

    de activiteit vindt plaats in de Zuidwestelijke Delta of de Hollands-Utrechtse Veenweiden;

  • c.

    de betrokken overheid of de betrokken overheden waar de activiteit plaatsvindt ondersteunt of ondersteunen de aanvraag.

Artikel 2.15.5 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 25% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 50.000,00.

Artikel 2.15.6 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten voor subsidie in aanmerking.

§ 2.16 Verbeteren leefgebied boerenlandvogels

Artikel 2.16.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt onder ontwikkelingsbeheer verstaan: niet alleen het beheer zelf maar ook de inkomstenderving voor de betreffende gronden;

Artikel 2.16.2 Subsidiabele activiteiten en prestaties

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende activiteiten:

    • a.

      verwijderen van individuele bomen of terugzetten van hout of houtopstanden in en direct naast weidevogelgebieden;

    • b.

      anti-predatie- en anti-ganzenrasters;

    • c.

      beheerbaar maken van percelen bijvoorbeeld door het verbeteren van de toegankelijkheid voor maaimachines en ander kleiner materieel;

    • d.

      tegengaan van verruiging voor een periode van maximaal 3 jaar;

    • e.

      aanleg van heggen of hagen, patrijzenakkers, wintervoedselvelden of keverbanken inclusief zaaigoed en maximaal 3 jaar ontwikkelingsbeheer

    • f.

      ongeschikt maken van leefgebieden van de icoonsoorten grutto en patrijs voor predatoren;

    • g.

      maatregelen gericht op een hoger waterpeil;

    • h.

      waterhuishoudkundige maatregelen gericht op vernatting inclusief aankoop zonnepompen en 3 jaar beheer.

  • 2. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3. De activiteiten, bedoeld in het eerste lid, dragen bij aan het verbeteren van de leefgebieden en het versterken van de populaties van de icoonsoorten grutto en patrijs. Indien mogelijk wordt predatie tegengegaan of worden weidevogelgebieden beter beheerbaar gemaakt.

Artikel 2.16.3 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.2 wordt uitsluitend verstrekt aan:

  • a.

    agrarische collectieven, als bedoeld in artikel 3.2 van de Subsidieregeling natuur-en landschapsbeheer Zuid-Holland 2016;

  • b.

    terreinbeherende organisaties.

Artikel 2.16.4 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 216.2, eerste lid, onder a, in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    maximaal 5 bomen mogen worden verwijderd;

  • b.

    bij de kap van hout wordt rekening gehouden met de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Er mogen geen beschermde dier- of plantensoorten in of onder de bomen voorkomen of indien dit wel het geval is moet voor aanvang van de werkzaamheden een ontheffing verleend zijn of er moet gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode;

  • c.

    wanneer er dier- of plantensoorten van de Rode Lijst in of onder de boom voorkomen moet schriftelijk worden onderbouwd waarom de boom in dit geval toch gekapt moet worden;

  • d.

    de te kappen bomen maken geen onderdeel uit van het groene erfgoed;

  • e.

    grotere bosjes en opstanden worden alleen in het kader van beheer teruggezet;

  • f.

    de locatie van het terug te zetten of te verwijderen hout wordt op de kaart aangegeven, waarbij per locatie wordt weergegeven hoe de belangenafweging op de volgende punten heeft plaatsgevonden. Subsidie kan alleen verleend worden wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • i.

      er worden andere inrichtings- of beheermaatregelen getroffen op de betreffende locaties;

    • ii.

      er wordt gefaseerd gewerkt of er is een schriftelijke argumentatie waarom dit niet kan;

    • iii.

      er is contact geweest met de lokale natuur- of vogelwerkgroep of er is op een andere manier inzichtelijk gemaakt op welke manier onderzocht is welke beschermde of Rode Lijst soorten op de locatie voorkomen en hoe het leefgebied van deze soorten behouden kan worden.

Artikel 2.16.5 Aanvraagperiode

  • 1. In afwijking van artikel 26, eerste lid van de Asv kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.16.2 worden ingediend vanaf 1 september tot en met 30 september.

  • 2. Een aanvraag is tijdig ingediend indien deze binnen de in het eerste lid genoemde periode is ontvangen.

Artikel 2.16.6 Aanvraagvereisten

Naast de gegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Asv, gaat een aanvraag voor subsidie vergezeld van een plan van aanpak dat ten minste bestaat uit:

  • a.

    een omschrijving van de te verrichten werkzaamheden, inclusief een planning en een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de locatie van de uit te voeren maatregelen;

  • b.

    een kaart waarop de betreffende locatie of de verwachte locatie is aangegeven;

  • c.

    een specificatie van de kosten;

  • d.

    een onderbouwde omschrijving van de verwachte bijdrage aan het versterken of beschermen van de leefgebieden van de populaties van de betreffende icoonsoorten;

  • e.

    een beschrijving van de manier waarop monitoring van de effecten wordt uitgevoerd;

  • f.

    een beschrijving in hoeverre beheer onderdeel is van het project;

  • g.

    indien van toepassing een schriftelijk verslag van het contact met de vogelwerkgroep;

  • h.

    indien van toepassing een schriftelijke argumentatie waarom bomenkap noodzakelijk is;

  • i.

    indien van toepassing een toelichting waarom niet gefaseerd gewerkt wordt in geval van bomenkap.

Artikel 2.16.7 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 200.000,00.

Artikel 2.16.8 Rangschikking

  • 1. In afwijking van artikel 1.3 worden aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.16.2, die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt.

  • 2. De rangschikking wordt gemaakt op basis van de volgende beoordelingscriteria:

    • a.

      de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de structurele verbetering van het biotoop in relatie tot het gevraagde subsidiebedrag;

    • b.

      de mate van effectiviteit van de maatregelen;

    • c.

      de mate waarin de activiteiten uitvoeringsgereed zijn.

  • 3. Voor de hiervoor genoemde criteria in het tweede lid kunnen één tot en met vier punten per criterium worden behaald.

  • 4. Gedeputeerde Staten rangschikken de aanvragen op basis van het aantal punten, beginnend met de aanvraag die het hoogst aantal punten heeft behaald.

  • 5. Indien een aanvraag minder dan 9 punten behaalt, wordt de subsidie geweigerd.

  • 6. Indien toepassing van het tweede en derde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de rangorde van die aanvragen bepaald door het hoogste aantal punten behaald voor de criteria, genoemd in het tweede lid, onder b en c.

  • 7. Indien toepassing van het zesde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de onderlinge rangorde van die aanvragen bepaald door het hoogste aantal punten behaald voor het criterium, genoemd in eerste lid, onder c.

  • 8. Indien toepassing van het zevende lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de onderlinge rangorde van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 2.16.9 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor monitoring van de effectiviteit van de activiteiten en prestaties, bedoeld in artikel 2.16.2, eerste lid, tot een maximum van 10% van de begroting per aanvraag;

  • b.

    kosten voor projectleiding, voor zover deze onderdeel is van een concrete activiteit of prestatie;

  • c.

    in geval van aanleg van patrijzenakkers: vergoeding van gederfde inkomsten met een maximum bedrag per hectare. Hierbij gelden de maximale tarieven zoals vastgesteld in het ANLb, met uitzondering van het bollengebied waar een maximumvergoeding geldt van € 3.500 per hectare;

  • d.

    kosten voor het verkrijgen van een accountantsverklaring tot een maximum van €5.000,00, indien deze nodig is om de rechtmatigheid van de uitgave van het subsidiebedrag aan te tonen.

Artikel 2.16.10 Niet Subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 2.16.9 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor hardware of software voor drones;

  • b.

    kosten voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers;

  • c.

    kosten voor monitoring en onderzoek die niet direct bedoeld zijn om de effectiviteit van de maatregel te beoordelen;

  • d.

    kosten voor maatregelen op het gebied van communicatie en educatie.

Artikel 2.16.11 Weigeringsgronden

In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv wordt subsidie geweigerd indien:

  • a.

    de subsidieaanvraag onvolledig is;

  • b.

    voor de activiteit reeds subsidie is verstrekt op basis van het Openstellingsbesluit POP-3 investeringen weidevogels, biodiversiteit en landschap Zuid-Holland 2017 of op grond van een andere subsidieregeling;

  • c.

    het project onvoldoende aantoonbaar bijdraagt aan het versterken of beschermen van de leefgebieden van de populaties van de icoonsoorten grutto of patrijs. Dit is in ieder geval zo indien de aanvraag onvoldoende aansluit bij de doelen van het Actieplan Boerenlandvogels, te weten:

    • i.

      verbeteren van de openheid van het gebied, bijvoorbeeld door tegengaan van verruiging;

    • ii.

      vochtiger maken van voor weidevogels geschikte gebieden;

    • iii.

      realiseren van voldoende variatie van de begroeiing en van schuilplekken in het gewas voor jonge vogels, bijvoorbeeld door te investeren in kruidenrijk grasland;

  • d.

    het project niet uitvoerbaar is vanwege wettelijke of praktische belemmeringen;

  • e.

    de te verstrekken subsidie lager is dan € 5.000,00.

Artikel 2.16.12 Verplichtingen

In aanvulling op artikel 1.4 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

  • a.

    de activiteit, bedoeld in artikel 2.16.2, eerste lid, onder a, b, en g, wordt tot minstens vijf jaar na uitvoering daarvan in stand gehouden;

  • b.

    de activiteit, bedoeld in artikel 2.16.2, eerste lid, onder d, wordt tot minstens vijf jaar na aanvang van de uitvoering daarvan in stand gehouden;

  • c.

    indien monitoring onderdeel uitmaakt van de subsidieverlening dan worden de resultaten hiervan overgelegd aan Gedeputeerde Staten.

Hoofdstuk 3 Slotbepalingen

Artikel 3.1 Evaluatie

De evaluatie van de risicoanalyse als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Asv vindt drie jaar na de inwerkingtreding van deze regeling plaats.

Artikel 3.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin dit besluit is geplaatst.

Artikel 3.23 Werkingsduur en overgangsrecht

Deze regeling vervalt op 31 december 2023, met dien verstande dat de regeling van kracht blijft voor subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.

Artikel 3.3 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016.

Den Haag, 11 oktober 2016

Drs. J. Smit, voorzitter

Drs. G.M. Smid-Marsman, plv. secretaris

(kaart) Bijlage 1 behorende bij art. 2.1.1 van de subsidieregeling groen ganzenrustgebieden Alblasserwaard

http://www.zuid-holland.nl/publish/pages/14514/bijlage1behorendebijartikel2-1-1vandesubsidieregelinggroenganzenrustgebiedenalblasserwaard2016.pdf

(kaart) Bijlage 1 behorende bij art. 2.1.1 van de subsidieregeling groen ganzenrustgebieden Reeuwijk

http://www.zuid-holland.nl/publish/pages/14515/bijlage1behorendebijartikel2-1-1vandesubsidieregelinggroenganzenrustgebiedenreeuwijk2016.pdf

(kaart) Bijlage 2 behorende bij art. 2.2.3 van de Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016

(kaart) Bijlage 3 behorende bij art. 2.6.5 van de Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016

Bijlage 4 behorende bij artikel 2.7.3 van de Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016

  • a.

    Maatregelen Huys ten Donck

  • -

    Aanplant van bomen/struiken;

  • -

    Markeren, kappen, snoeien, dunnen en verwerken en vervoer van bomen/struiken;

  • -

    Maaien weiden en oprillen/afvoeren maaisel;

  • -

    Realiseren van glooiende oevers, en;

  • -

    Uitdiepen, schonen waterpartijen en gangen en verwerken afval uit watergangen.

 

  • b.

    Maatregelen Oosterse en Westerse Laagjes

  • -

    Uitstellen van de eerste maai- en weidedatum;

  • -

    Instellen van een periode waarin niet wordt gemaaid en beweid;

  • -

    Het daarvoor extensiveren van het agrarische gebruik;

  • -

    Verbeteren van de waterhuishouding voor natuurwaarden, en;

  • -

    Geen ongewenste recreatie, jacht en chemische onkruidbestrijding.

 

  • c.

    De onder b genoemde maatregelen zijn per (erf)pachter onderverdeeld in twee pakketten:

  • -

    Pakket 1. Instellen rustperiode en voldoende foerageergelegenheid voor wintergasten en doortrekkers;

  • -

    Pakket 2. Instellen rustperiode in verband met. broedende vogels in de periode 1 april tot en met 14 juni.

Bijlage 5 behorende bij artikel 2.7.5 van de Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016

Westerse & Oosterse Laagjes

(erf)pachter/ eigenaar

oppervlakte

betaling

Oosterse laagjes pakket 2

Vollebregt e.a.

4.3 ha

€ 3.890,-

Westerse laagjes pakket 2

R.A. van Gaalen

2.25.70 ha

€ 1.250,-

Westerse laagjes pakket 1&2

P.H. van der Jagt

3.76.80 ha

€ 1.311,-

Westerse laagjes pakket 1&2

A.A. de Jong

4.49.10 ha

€ 1.457,-

Westerse laagjes pakket 2

K. in ‘t Veld

4.79.20 ha

€ 2.472,-

Huys ten Donck

Overwater Rentmeesters

26 ha

€ 20.000,-

Bijlage 6 bij artikel 2.11.2, eerste lid, onderdeel a, van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

[vervallen]

Bijlage 7 bij artikel 2.11.2, eerste lid, onderdeel b, van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

Dit betreft een geactualiseerde kaart met als peildatum 9 januari 2019, waarbij geldt dat subsidie voor herstel- of inrichtingsmaatregelen van ruiter- en menpaden uitsluitend kan plaats vinden op de plaatsen aangegeven op de kaart. Dit betreft de rode lijnen (bestaand ruiter- of menpad).

Bijlage 8 bij artikel 2.11.1 van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

Kwaliteitsrichtlijnen ruiter – en menpaden

Voor het ruiter- en menpadenplan van de provincie Zuid Holland zijn de volgende richtlijnen van toepassing voor de kwaliteit van de paden. Deze richtlijnen worden gehanteerd ten behoeve van het aanvragen van subsidie.

Deze richtlijnen vormen geen harde eis bij de subsidietoekenning; beargumenteerd afwijken van deze richtlijn is mogelijk, bijv. een te smal pad aanleggen, omdat de berm te smal is en er geen alternatieve route mogelijk is. Ook alle overige richtlijnen mogen op die manier worden gezien. De richtlijn is niet van toepassing op bestaande ruiter/menpaden, waar geen subsidie voor wordt aangevraagd. Alle subsidieaanvragen dienen uiteraard in overleg met/door de terreineigenaren en/of beheerders te zijn geaccordeerd en op gebiedsniveau te worden afgestemd om uiteindelijk samenhangende netwerken te kunnen realiseren. Daarbij wordt uiteraard rekening gehouden met vigerende regelgeving, zoals Natura 2000 beheerplannen.

Het op een consequente, uniforme en overzichtelijke manier inrichten van knooppunten en afslagen binnen een routenetwerk is voor de doelgroep ruiters en menners van groot belang om veilig en met plezier te kunnen recreëren. De Kwaliteitsrichtlijnen zijn daarom onderverdeeld in de richtlijnen voor veiligheid, begaanbaarheid, landschappelijke aantrekkelijkheid / beleving, bereikbaarheid, toegankelijkheid en samenhang.

1. Veiligheid

Rijden in stedelijk gebied en op verharde wegen met veel verkeer heeft niet de voorkeur voor ruiters. Uiteraard zullen daarin soms compromissen moeten worden gesloten om de noodzakelijke verbindingen te kunnen maken om een compleet netwerk te realiseren.

De volgende richtlijnen zijn van toepassing voor ruiter- en menpaden:

  • ruiter- en menpaden zoveel mogelijk scheiden van andere weggebruikers (zonering), met name van gemotoriseerd verkeer, maar liefst ook fietsers;

  • waarschuwingsborden bij kruisingen met gemotoriseerd verkeer;

  • minimale afmeting ruiterpad: 1 mtr. breed met aan weerszijden 0,50 mtr. vrij van obstakels / passeerplek 1,75 mtr. breed / 3 mtr. vrije doorrijhoogte;

  • minimale afmeting menpad: 2 mtr. breed met aan weerszijden 0,50 mtr. vrij van obstakels / passeerplek 3,50 mtr. breed / 3,50 mtr. vrije doorrijhoogte.

Het is onwenselijk en zelfs gevaarlijk als een pad wordt aangelegd in de directe nabijheid (binnen 1,5 mtr.) van prikkeldraad.

   

2. Begaanbaarheid

De bodemsoort bepaalt de maatregelen die nodig zijn om een pad aan te kunnen leggen en te onderhouden, waarbij voldoende draagkracht en ontwatering gerealiseerd kan worden. Ter plekke is vaak nader onderzoek gewenst. Gestreefd moet worden naar een licht verende bodem, waarbij de hoeven nietverder wegzakken dan maximaal 5 cm. Dit is uiteraard niet altijd realiseerbaar bijv. in het duingebied of op klei na hevige regen*.

Bij gebruik van de berm: let op voldoende breedte, voldoende draagkracht, geen obstakels en een ruimte tussen ruiter- menpad en weg/sloot van minimaal 1 mtr., welke eventueel kan worden afgezet met natuurlijke materialen als houtwal of heg/struiken. (zie ook de specificaties bij 1.Veiligheid).

*In de communicatie over de route kan informatie daarover worden opgenomen.

3. Landschappelijke aantrekkelijkheid / beleving

Bij het ontwerpen en inrichten van een routenetwerk zijn ruiters en menners, net als andere recreanten, gericht op het verblijven in een rustige en groene omgeving. Variatie in bodemsoort en/of het bieden van uitdagingen is wenselijk. Uitdagingen kunnen zijn: een galopbaan (overzichtelijk, breed, recht stuk van minimaal 500 mtr. lang), (TREC)hindernissen, doorwaadbare plaats etc., zolang de veiligheid van ruiters en andere recreanten niet in het geding komt. Ter plekke moet het mogelijk zijn om het pad langs de hindernis te laten lopen, zodat men de keuze heeft om de hindernis wel/niet te nemen.

 

4. Bereikbaarheid

Routenetwerken dienen zoveel mogelijk aan te sluiten bij ruitersportverenigingen en hippische accommodaties met een maximale afstand van 3 km. (= ca. 30 minuten stappen) tot de route. Hierdoor kunnen eventuele rust- en overnachtingsplaatsen eenvoudiger worden gerealiseerd. Hou hierbij de verkeersveiligheid in gedachten, dus zo min mogelijk over verharde wegen (is mede afhankelijk van de voorkeur per gemeente).

Parkeerterreinen in de nabijheid van een routenetwerk met voldoende ruimte voor auto met paardentrailer (ca. 4,00 x 10,00-15,00 mtr.) bevordert de bereikbaarheid voor ruiters/menners van buiten het gebied.

 

5. Toegankelijkheid

Bij het realiseren van routenetwerken zullen op sommige locaties mogelijk drukke/gevaarlijke oversteken, spoorlijnen, ponten, bruggen en tunnels niet kunnen worden voorkomen. Indien men over een brug moet, dan is een afscherming van minimaal 1,40 mtr. en een niet te steile aan/afrit gewenst met een langere aanloop. Een tunnel dient minimaal 3,50mtr. hoog te zijn en 5,00 mtr. breed, waarvan 2,50 mtr. Voor ruiter/menpad. Is de tunnel lager dan 2,75 mtr. of is een brug onvoldoende afgeschermd, dan zijn veilige op/afstapplaatsen noodzakelijk. Let ook op niet direct zichtbare obstakels, zoals wortels en konijnenholen. Verkeerslichten voor ruiters/menners dienen een knop te hebben op een hoogte van 1,60 mtr.

Om verkeer buiten een gebied en vee en/of wild binnen een gebied te houden en vrije doorgang voor ruiters en menners te realiseren, zijn de beste opties het aanleggen van een draaihek (doorrijbreedte van minimaal 1,70 mtr. voor ruiters en 2,00 mtr. voor menners met voldoende afstand tot het evt. veerooster) of een carterbreaker.

6. Samenhang

Routes worden aangeduid d.m.v. markeringen met internationaal erkende symbolen. Om routes onderling te verbinden, wordt bovendien gewerkt met een knooppuntensysteem. Ieder knooppunt krijgt een uniek nummer dat op de markering wordt aangegeven. Ook wordt met pijltjes verwezen naar de nabij gelegen knooppunten, zodat men een eigen route kan samenstellen. Ter illustratie zijn hieronder enkele voorbeelden van deze markeringen weergegeven. Over kleurstelling en eventuele logo’s dienen nadere afspraken te worden gemaakt. Voor het bepalen van de (unieke) knooppuntnummers en het ontwerpen van de markeringen wordt dan ook verzocht om contact op te nemen met de Provincie Zuid-Holland. Bij gebruik van gedigitaliseerde routenetwerken kan gewerkt worden met GPS, maar ook dan zijn routemarkeringen gewenst.

Het routenetwerk dient zoveel mogelijk vrij te zijn van verwarrende hippische routemarkeringen. Bij veelgebruikte opstappunten is het aan te bevelen de lengte van de route aan te geven en of er eventuele hindernissen in de route aanwezig zijn.

Hou verder bij de inrichting rekening met de snelheid van paarden, zodat ruiters aanwijzingen op tijd zien. Bij voldoende vrij zicht kan gedacht worden aan een gedeeld ruimtegebruik met andere recreanten. Dit dient goed te worden aangegeven in de bebordingen.

Bij de routemarkeringen zijn er de volgende aandachtspunten:

  • voldoende duidelijk voor recreanten, ook van buiten het gebied;

  • voor het maken van een begroting kan men uitgaan van gemiddeld 2,5 bord/aanduiding per km;

  • materiaal, plaats en wijze van bevestigen in overeenstemming met eisen geldig voor het gebied;

  • plaatsing aan de rechterzijde binnen een afstand van 5 tot 10 mtr. voor kruising, afslag, splitsing of oversteek;

  • plaatsing consequent op een hoogte tussen 60 en 90 cm. boven het maaiveld;

  • voorzien van afbeelding van een ruiter en/of menner om aan te duiden voor wie de route is bestemd (zie bijgaand voorbeeld). 

Rustplaatsen zijn gewenst, indien de route langer is dan 20 km. Om naar keuze langere/kortere routes aan te bieden zouden ruiter- en menpaden in lussen met elkaar kunnen worden verbonden. Ten slotte: ruiter- en menpaden en routestructuren dienen uitgewerkt te worden in samenwerking met en met goedkeuring van de terreineigenaren/beheerders om zodoende kwetsbare gebieden te kunnen ontzien; wij zijn immers te gast in hun gebied.

Verantwoording

Deze richtlijnen zijn opgesteld in samenwerking met de klankbordgroep ruiteren en mennen Zuid-Holland die gecoördineerd wordt door de Provincie Zuid-Holland.

Auteurs

Anita Verloop-Groenen, KNHS-Regioconsulent Zuid-Holland A.Verloop-Groenen@knhs.nl

Ellen Kluit, Streekmanager Ruiteren&Mennen Zuid-Holland emk2400@gmail.com

Bronnen

 KNHS Handboek ruiter- en menpaden

 Brochure NRHP Richtlijnen voor het inrichten van hippische routestructuren

Bijlage 9 bij artikel 2.11.9, vierde lid van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

Standaard kostprijsberekening regulier beheer en onderhoud ruiter- en menpaden

  • 1.

    Voor regulier beheer en onderhoud van ruiter- en menpaden wordt de volgende kostprijs per kilometer per jaar gehanteerd:

    Regulier beheer en onderhoud ruiterpad: € 1.175,-

    Regulier beheer en onderhoud menpad: € 2.500,-

  • 2.

    De bedragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen bij ministeriële regeling worden gewijzigd voor zover de (index)daartoe aanleiding geeft (bijvoorbeeld de consumentenprijsindex).

Toelichting

Artikel 1.2

Op basis van artikel 1.2 is het mogelijk dat de cofinanciering van de subsidieontvanger (deels) bestaat uit de inzet van vrijwilligers. De inzet van vrijwilligers is subsidiabel voor € 35,- per uur. Door de inzet van vrijwilligers te waarderen worden de totale subsidiabele kosten van een activiteit hoger. Omdat de vrijwilligersuren de subsidieontvanger geen geld kosten, worden de inzet van vrijwilligers ook aan de financieringskant op de begroting opgenomen.

De werking van artikel 1.2 wordt geïllustreerd worden aan de hand van een voorbeeld.

Een vereniging heeft subsidie aangevraagd. De subsidie bedraagt 50% van de kosten.

Voor de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd huurt de vereniging een adviesbureau in voor € 17.500,-. Daarnaast voeren de leden van de vereniging ook activiteiten uit. De vereniging heeft zelf weinig eigen middelen.

Zonder dat de inzet van vrijwilligers voor subsidie in aanmerking komen zou de subsidie 50% van € 17.500,- = € 8.750,- bedragen. Hiermee kan de vereniging de verkenning echter niet uitvoeren.

Om de subsidie € 17.500,- te laten bedragen moeten de kosten van de activiteit uit komen op € 35.000,-. Dat kan bereikt worden met de waardering van de inzet van vrijwilligers:

kosten

Dekking

Inhuur bureau

€ 17.500,-

Subsidie PZH

50% van

€ 17.500,-

Inzet van vrijwilligers

500 uur x € 35,-

€ 17.500,-

Inzet vrijwilligers

(eigen bijdrage)

€ 17.500,-

Totaal

€ 35.000,-

 

€ 35.000,-

 

De werking van het vierde lid van artikel 1.2, waarin de subsidie voor de inzet van vrijwilligers wordt gemaximeerd, wordt geïllustreerd aan de hand van het volgende voorbeeld:

 

kosten

Inhuur bureau

€ 17.500,-

Inzet van vrijwilligers

600 uur x € 35,-

€ 21.000,-

Totaal

€ 38.500,-

In dit voorbeeld worden 600 uren van vrijwilligers ingezet bij de activiteit. Deze uren vertegenwoordigen een waarde van € 21.000,-. De totale kosten bedragen in dit voorbeeld € 38.500,-.

De subsidie van de provincie zou dan 50% van € 38.500,- bedragen. Maar dat is meer (€ 19.250,-) dan de totale kosten exclusief vrijwilligers ( € 17.500,-). Op grond van het vierde lid van artikel 1.2 bedraagt de subsidie dan € 17.500,-. De 100 uren extra van de vrijwilligers tellen in dit geval dus niet mee voor de hoogte van de subsidie.

§ 2.1 ganzenrustgebieden

Agrariërs die rust bieden aan ganzen in de zogenaamde ganzenrustgebieden kunnen hiervoor subsidie krijgen. De subsidie van 50,00 per hectare wordt verleend boven op de schadevergoeding die vanuit het Faunafonds verstrekt wordt. Het afzien van die verjaging vormt de grondslag voor het verlenen van de extra vergoeding. De grenzen van de ganzenrustgebieden, waarbinnen grondgebruikers in aanmerking kunnen komen voor subsidie, staan vermeld op de kaart die is opgenomen in bijlage 1.

De paragraaf wordt uitgevoerd door het Faunafonds, zodat agrariërs maar met één loket voor zowel de schade-tegemoetkoming als de subsidie te maken krijgen.

§ 2.2 Agrarische structuurversterking voor de grondgebonden landbouw

Een betere verkaveling houdt in een nieuwe verdeling van kavels onder de eigenaren, om per eigenaar zoveel mogelijk een aaneengesloten grondeigendom te krijgen nabij de boerderij en/of minder versnippering van het eigendom. Dit leidt tot een verbetering van de agrarische bedrijfsvoering.

Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet de kavel zijn opgenomen op de kaart in bijlage 2.

§ 2.3 Soortenbeleid leefgebied en maatregelen verbetering natuurwaarden

Met subsidie voor versterking en bescherming van bedreigde dier- of plantensoorten of natuurwaarden in uitvoeringsprojecten wordt bedoeld dat daadwerkelijk maatregelen worden getroffen ter verbetering van het leefgebied van dier- of plantensoorten of de natuurwaarden. Enkele voorbeelden zijn: het creëren van extra voedsel- schuil of voortplantingsplaatsen of het opheffen van barrières tussen leefgebieden. Waar nog onderzoek nodig is om goede maatregelen te treffen ter bescherming van een speciale soort is het ook mogelijk subsidie voor onderzoek aan te vragen.

§ 2.4 Groenparticipatie

Met het begrip groenparticipatie wordt gedoeld op verschillende vormen van een intensiever gebruik van de beschikbare groen en recreatiegebieden in de provincie. Bij bewegen in het groen gaat het om een intensiever sportief gebruik van de groengebieden, bij natuurbeleving om een intensiever gebruik van de groengebieden gecombineerd met educatie: het ontdekken en leren kennen van flora en fauna in de natuur en kennis van de seizoenswisselingen. Bij stimulering van vrijwilligers in het groen gaat het om het benutten van groengebieden door vrijwilligers, gecombineerd met zorg en beheer van diezelfde natuur.

De provincie wil graag bevorderen dat er kennisuitwisseling en samenwerking ontstaat tussen de diverse projecten binnen de drie programma’s. Daarom vragen we de aanvrager deel te nemen aan het netwerk rondom de programma’s. Voor meer informatie:

 

Op basis van artikel 2.4.6 worden aanvragen op kwaliteit beoordeeld op basis van 4 criteria.

Per criterium kan 0, 1, 2 of 3 punten worden behaald. De aanvraag met het hoogst aantal punten wordt als eerste gerangschikt. Op basis van de rangschikking worden de aanvragen gehonoreerd tot het moment dat het subsidieplafond bereikt wordt. 

  • -

    Criterium a. het aantal bezoekers en vrijwilligers dat met de activiteit direct bereikt wordt.

In de aanvraag om subsidie moet het aantal bezoekers van het bestaande groengebied en het aantal vrijwilligers dat met de activiteit direct bereikt wordt, worden vermeld. Als onderbouwing kunnen resultaten van eerdere ( vergelijkbare) activiteiten worden gebruikt.

 

De punten toekenning is als volgt:

 

0 punten

1 punt

2 punten

3 punten

Aantal bezoekers en vrijwilligers

0-25

25-100

100-500

500+

  

  • -

    Criterium b. de mate waarin de activiteit vernieuwend is.

  • Nieuwe activiteiten behalen een hogere score dan activiteiten die regulier worden verricht. Aan een geheel nieuwe activiteit worden 3 punten toegekend. Aan een activiteit die al wel in Nederland is uitgevoerd, maar nog niet in de Provincie Zuid-Holland worden 2 punten toegekend. Is de activiteit al eerder uitgevoerd in de Provincie Zuid-Holland maar nog niet op de betreffende locatie, dan wordt 1 punt toegekend. In het geval de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die (al dan niet door de aanvrager) regulier worden uitgevoerd, wordt nul punten toegekend.

 

  • -

    Criterium c. het aantal mensen dat via communicatie over de activiteit bereikt wordt.

  • Uit de aanvraag om subsidie moet blijken op welke wijze en in welke media er over de activiteit gecommuniceerd wordt. Aan een activiteit waarover in een regionaal dagblad wordt gecommuniceerd worden meer punten toegekend dan aan een activiteit waarover alleen op de eigen website gecommuniceerd wordt. Het bereik van een regionaal dagblad is namelijk groter dan het bereik van de eigen website.

  •  

  • De puntentoekenning is als volgt:

 

0 punten

1 punt

2 punten

3 punten

Bereik communicatie

0-100

100-1.000

1.000-5.000

5.000+

 

  • -

    Criterium d. de mate waarin nieuwe doelgroepen worden bereikt.

  • Tot de nieuwe doelgroepen behoren mensen die niet eerder het groengebied hebben bezocht of aan een vrijwilligersactiviteit hebben deelgenomen. Uit de aanvraag om subsidie moet blijken om welke nieuwe doelgroepen het gaat en op welke wijze de nieuwe doelgroepen bereikt wordt. Het puntenaantal dat kan worden behaald is afhankelijk van het percentage dat de nieuwe doelgroepen uitmaakt ten opzichte van het totaal aantal bezoekers en vrijwilligers.

 

De punten toekenning is als volgt:

 

0 punten

1 punt

2 punten

3 punten

Bereik nieuwe doelgroepen

<10%

10-25%

25-50%

50%

 

§ 2.6 Verwerving en inrichting ecologische verbindingen

Deze paragraaf voorziet in de subsidiering van verwerving van grond voor en de kosten van inrichting van ecologische verbindingen. De subsidie voor verwerving ecologische verbindingen valt onder een regeling die is goedgekeurd door de Europese commissie. Voor de subsidie voor de inrichting van de ecologische verbindingen geldt zo nodig de toepasselijke de-minimisregeling. De subsidieregeling is bedoeld voor de verwerving van gronden die zijn gelegen in de ecologische verbindingen in de hoofdstructuur (EHS). De EHS is een samenhangend netwerk van natuurbeschermings-gebieden van (inter)nationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten 

Voor deze in de EHS gelegen gronden kan uitsluitend subsidie worden verleend, indien de grond door de provincie in de Verordening Ruimte is aangeduid als 'ecologische verbinding'. Hierbij heeft deze begrenzing een enigszins indicatief karakter. In vrijwel alle gevallen zal het bij de verwerving van grond gaan om (landbouw)grond die is of wordt omgezet in natuurgrond.

Na subsidieverlening voor de verwerving van terreinen geldt voor de subsidieontvanger een aantal verplichtingen. De subsidieontvanger dient een gescheiden boekhouding te voeren conform artikel 25b, eerste lid, Mededingingswet (artikel 12, eerste lid, onder h). In genoemde bepaling heeft de Nederlandse wetgever de Europese transparantierichtlijn 2006/111/EG geïmplementeerd. Deze bepaling bevat gedetailleerde informatie over de wijze waarop de boekhoudkundige scheiding dient te worden uitgevoerd. Om te verzekeren dat de grond ook in de toekomst natuurgrond zal blijven en zal worden beheerd overeenkomstig het voorgeschreven natuurbeheertype, is de subsidieontvanger verplicht een kwalitatieve verplichting te vestigen op het terrein. Ingevolge artikel 6:252 BW kan bij overeenkomst worden bedongen dat de verplichting van een der partijen om iets te dulden of niet te doen ten aanzien vaneen haar toebehorend registergoed, zal overgaan op degenen die het goed onder bijzondere titel zullen verkrijgen, en dat mede gebonden zullen zijn degenen die van de rechthebbende een recht tot gebruik van het goed zullen verkrijgen. Deze verplichting wordt de 'kwalitatieve verplichting' genoemd.

Hoewel de basis van de kwalitatieve verplichting verbintenis rechtelijk is, bestaat door inschrijving in de openbare registers de mogelijkheid aan de overeenkomst zakelijke werking te verlenen. De subsidieontvanger dient met de provincie een overeenkomst te sluiten, waarin een dergelijke kwalitatieve verplichting(met boeteclausule bij niet-nakoming) is opgenomen. De in de overeenkomst op te nemen kwalitatieve verplichting behelst dat, vanaf het moment dat de grond is omgevormd tot natuurterrein, dit in beginsel niet meer anders mag worden beheerd, dan als natuurterrein. Aangezien de kwalitatieve verplichting overgaat op degenen die het goed middels overdracht zullen verkrijgen, wordt met deze verplichting verzekerd dat de grond na omvorming natuurterrein blijft. Dit is in beginsel een eeuwigdurende verplichting.

Mocht er sprake zijn van vermogensvorming als gevolg van verkoop of onteigening, dan zullen Gedeputeerde Staten op grond van deze regeling deze vermogensvorming afromen. Deze vergoeding is verschuldigd indien de subsidieontvanger de gesubsidieerde grond vervreemdt, bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt, de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of indien de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden. Het is ook mogelijk subsidie aan te vragen voor de verwerving van grond en los daarvan voor de beëindiging van pachtovereenkomsten. Het is immers mogelijk dat gronden verworven zijn, waarop nog pachtrechten rusten. Om te voorkomen dat in dergelijke gevallen geen subsidie voor de beëindiging van pacht meer kan worden verleend, wat tot gevolg kan hebben, dat deze gronden niet spoedig tot een natuurterrein zullen worden omgevormd, is de mogelijkheid opgenomen om subsidie te verlenen voor de kosten die verbonden zijn aan beëindiging van pacht.

 

§ 2.8 Innovatieve Pilots Groene Cirkels

Op grond van deze paragraaf worden innovatieve pilots of deelfasen van een pilot in het kader van Groene Cirkels. Een klimaat neutrale onderneming, een duurzame economie én een aangename leefomgeving. Dat zijn de ambities waarvoor Groene Cirkels zich inzet. Dat doet zij door de natuur als uitgangspunt te nemen en programma’s te realiseren rond de onderwerpen energie, water, grondstoffen, mobiliteit en leefomgeving. Zo ontstaat een economisch krachtig bedrijf in een aantrekkelijke omgeving waarin het goed wonen, werken, ondernemen en recreëren is.

 

§ 2.9 Boerenlandpaden

Op basis van deze paragraaf wordt de aanleg en het beheer en de openstelling van boerenlandpaden gesubsidieerd. De boerenlandpaden zijn een onderdeel van het recreatieve netwerk voor wandelen.

TOELICHTING BIJ HET BESLUIT VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN ZUID-HOLLAND VAN 4 JULI 2017, DOS-2013-0010135, PZH-2017-604726109, TOT WIJZIGING VAN DE SUBSIDIEREGELING GROEN ZUID-HOLLAND 2016 (PROV. BLAD 2017, 5394)

Het Faunafonds op 1 januari 2017 opgehouden te bestaan. In paragraaf 2.1 van de Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016 werd een aantal keer naar het Faunafonds en de beleidsregels van het Faunafonds verwezen. Met dit wijzigingsbesluit wordt het feit dat het Faunafonds als zelfstandig bestuursorgaan niet meer bestaat, verwerkt in de Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016.

 

TOELICHTING bij het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 2 oktober 2017, PZH-2017-611344259, DOS-2016-0005086, tot wijziging van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

De ondehavige wijziging van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 (Srg) heeft betrekking op paragraaf 2.6 Verwerving en inrichting ecologische verbindingen.

In de huidige Srg wordt voor het verstrekken van subsidie ten behoeve van ecologische verbindingen onderscheid gemaakt tussen 2 prioriteiten. In deze wijziging van de Srg wordt een nieuwe prioriteit, prioriteit A, geïntroduceerd waarvoor maximaal 100% subsidie en een maximaal subsidiebedrag van € 1.500.000 mogelijk is. Prioriteit A ziet op speciale ecologische verbindingen waarvoor in het bijzonder de wens geldt tot versnelling van de realisatie. Maar ook wanneer bij voorbeeld de verbinding deel uitmaakt van een groter project waarin door andere partijen – zoals het Rijk - reeds grote bedragen zijn geïnvesteerd, of wanneer er sprake is van een laatste schakel in de voltooiing van een ecologische verbinding, kan deze onder prioriteit A vallen. De verschillende prioriteringen worden per verbinding weergegeven op de kaart zoals opgenomen in de bijlage.

Er is voorzien in overgangsrecht waardoor het oude regiem van de Srg blijft gelden voor aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreden van de gewijzigde regeling.

Tenslotte is de nota Ecologische verbindingszones in Zuid-Holland 1998 vervangen door de (Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland (2017). De regeling is met verwijzing daarnaar dienovereenkomstig aangepast. De (Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland (2017) wordt geplaatst op de provinciale website van de provincie Zuid-Holland.

TOELICHTING BIJ HET BESLUIT VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN ZUID-HOLLAND VAN 21 NOVEMBER 2017, PZH-2017-615323894, DOS-2016-0005086, TOT WIJZIGING VAN DE SUBSIDIEREGELING GROEN ZUID-HOLLAND 2016 (PROV. BLAD 2017, 5662)

Artikel I, onderdelen A tot en met E

De onderdelen A tot en met E hebben betrekking op paragraaf 2.4 Groenparticipatie van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 (Srg).

Een tweetal wijzigingen hebben plaatsgevonden.

I. Voor de wijziging mochten alleen kinderen van 4 tot 12 jaar deelnemen aan activiteiten die betrekking hebben op het beleven van de natuur binnen en buiten de stad. Door de wijziging komen ook jongeren in de leeftijdscategorie tot en met 18 jaar in aanmerking hieraan deel te nemen. Voor het basis onderwijs ontwikkelde projecten kunnen zodoende een vervolg krijgen tijdens het middelbare onderwijs. Voorts is de aanvraagperiode aangepast zodat beschikkingen voor de zomerperiode kunnen worden verleend.

II. Gezond eten en een gezond eetpatroon zijn van belang voor de gezondheid van ieder individu, maar ook voor de samenleving als geheel. Voorkomen is beter (en goedkoper) dan genezen. Maar de feiten zijn zorgelijk: van de Nederlandse kinderen eet minder dan 1% genoeg groente en minder dan 5% genoeg fruit. En meer dan 10% van de kinderen en jongeren tussen de 4 en 20 jaar heeft overgewicht. Daarom besteden scholen en kinderopvangcentra steeds meer aandacht aan Jong Leren Eten en is er de afgelopen jaren allerlei lesaanbod ontwikkeld om kinderen bewust te maken van duurzaam en gezond voedsel. Maar waar vind je al dat lesaanbod en hoe maak je er een samenhangend en effectief lesprogramma van voor je school?

Het programma Jong Leren Eten wil kinderopvangcentra en scholen hierbij ondersteunen en zo bevorderen dat kinderen en jongeren leren kiezen voor gezond en duurzaam eten. We willen dat kinderen en jongeren van 0 tot 18 jaar meer weten over voedsel zodat ze gezonde en bewuste keuzes maken. Ons doel is dat ze meer groente en fruit eten en dat ze zich bewust zijn van gezonde en duurzame keuzemogelijkheden.

Jong leren eten concentreert zich op eten; op kennisontwikkeling én op proeven, beleven en ervaren. De provincie ondersteunt het programma en wil dit breed inzetten. Dat betekent dat een ieder die denkt een bijdrage te kunnen leveren dit kenbaar kan maken bij de provincie.

Artikel I, onderdeel F

Onderdeel F heeft betrekking op een nieuwe paragraaf in de Srg, § 2.10 Stimulering maatschappelijke initiatieven op Duurzame Landbouw.

Algemeen

Provinciale Staten hebben op 29 juni 2016 het Ambitiedocument ‘InnovatieAgenda Duurzame Landbouw’ vastgesteld. Deze gaat over het stimuleren en faciliteren van innovatie in de grondgebonden landbouw en de voedselketen ten behoeve van een economisch rendabele agrarische sector. Hierin staat de grondgebonden landbouw centraal. De kern van de aanpak uit het Ambitiedocument bestaat uit het faciliteren van proeftuinen, waar duurzame innovaties worden ontwikkeld. Een proeftuin is een zichtbare plek in Zuid-Holland waar de provincie, samen met koplopers in de voedselketen en in de landbouwketen, duurzame landbouw uitprobeert en ontwikkelt. Om dit voor elkaar te krijgen zijn er programma’s opgestart gericht op kennis, ontwikkeling en innovatie van landbouw. De uitvoeringsregeling POP3 ondersteunt de uitvoering hiervan, maar ook het samenwerkingsverband Platform Duurzame Landbouw en het Kennis- en Ontwikkelprogramma.

In de praktijk komen wij nu tegen dat niet alle maatschappelijke initiatieven, (educatie) projecten en programma’s passen binnen de beperkende EU-kaders van de uitvoeringsregeling POP3. Daarom willen wij per 1 januari 2018 aanvullend een stimuleringspotje instellen voor de ondersteuning van maatschappelijke initiatieven en kleine projecten. Impulsen die snel te beslissen zijn en kleiner zijn dan de POP3 aanvragen of niet passen binnen de subsidies van een landschapstafel maar die wel bijdragen aan de doelen van de Beleidsvisie Groen. Hierdoor is het mogelijk dat een aantal projecten versneld uitgevoerd worden anders dan bij een POP3 aanvraag of een subsidie via een landschapstafel die een lange(re) en (meer) ingewikkelde procedure kennen.

De te subsideren projecten dienen een bijdrage te leveren met de ambitie en doelen uit de InnovatieAgenda. De provincie houdt de regie vanwege de snelheid en overzichtelijkheid vanwege het beleidskader van de InnovatieAgenda en de directe zicht op proeftuinen Duurzame Landbouw. Zodoende kan dit eventueel aan elkaar gekoppeld worden om netwerksturing te bevorderen.

Artikelsgewijs

Artikel 2.10.8

Het tweede lid bepaalt dat indien op grond van andere provinciale regelingen van Zuid-Holland subsidie is verstrekt, dit bedrag in mindering moet worden gebracht op de te verstrekken subsidie op grond van deze paragraaf.

Het derde lid bepaalt dat wanneer andere bestuursorganen dan de provincie Zuid-Holland een bijdrage leveren aan het project, dit bedrag in mindering moet worden gebracht op de te verstrekken subsidie.

In beide voornoemde gevallen aldus het vierde lid, leidt dit ertoe dat wanneer de te vertrekken subsidie op grond van deze paragraaf minder dan € 5.000 bedraagt, deze niet mag worden verleend.

Toelichting bij het Besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 2 oktober 2018, PZH-2018-661534998, DOS-2016-0005086, tot wijziging van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 ten aanzien van paragraaf 2.4 over groenparticipatie en toevoeging van paragraaf 2.11 Kwaliteitsverbetering van bestaande groengebieden en het recreatieve routenetwerk

ALGEMEEN DEEL

Artikel I, wijzigingen A, B en C.

Deze onderdelen zien op een wijziging op § 2.4 Groenparticipatie van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016.

Met het begrip groenparticipatie wordt gedoeld op verschillende vormen van een intensiever gebruik van de beschikbare groen en recreatiegebieden in de provincie. Bij bewegen in het groen gaat het om een intensiever sportief gebruik van de groengebieden, bij natuurbeleving om een intensiever gebruik van de groengebieden gecombineerd met educatie: het ontdekken en leren kennen van flora en fauna in de natuur en kennis van de seizoenswisselingen. Bij stimulering van vrijwilligers in het groen gaat het om het benutten van groengebieden door vrijwilligers, gecombineerd met zorg en beheer van diezelfde natuur.

De provincie wil graag bevorderen dat er kennisuitwisseling en samenwerking ontstaat tussen de diverse projecten binnen de drie programma’s. Daarom vragen we de aanvrager deel te nemen aan het netwerk rondom de programma’s. Voor meer informatie:

  • -

    Groen doet Goed (projecten om met kinderen de stenige wijken uit te gaan naar de natuur en het platteland om de stad): http://groendoetgoed.com/

  • -

    De Groene Motor (voor projecten die leiden tot meer vrijwilligers in het groen): http://www.landschaperfgoedzh.nl/degroenemotor/

  • -

    http://www.jonglereneten.nl

 

Artikel I, wijziging D.

Gedeputeerde Staten willen de financiële ruimte die in 2018 is vrijgekomen vanuit middelen voor recreatiebeheer inzetten voor de kwaliteitsverbetering van bestaande groengebieden. Om tot een goede besteding te komen van deze gelden is contact gezocht met het Bestuurlijke groene partneroverleg en de Natuur- en landschapsorganisaties. Dat heeft een aantal concrete bestedingsvoorstellen opgeleverd. Door partijen ingediende voorstellen zijn met de meetlat groenrendement getoetst op hun bijdrage aan provinciale beleidsambities. Daarbij is meegenomen in hoeverre een bijdrage wordt geleverd aan de verhoging van de recreatieve waarde en natuurbeleving van de Zuid-Hollandse groengebieden. Vervolgens is gekeken in hoeverre deze voorstellen aansluiten bij de in ontwikkeling zijnde Visie en Uitvoeringsagenda rijke groenblauwe leefomgeving. Tenslotte is meegenomen of de projecten op korte termijn gerealiseerd kunnen worden.

Een aantal voorstellen bleek goed te passen in de in voorbereiding zijnde Uitvoeringsagenda rijke groenblauwe leefomgeving. Andere voorstellen bleken goed te passen binnen reeds bestaande regelingen of bleek het instrument ‘opdracht’ meer geëigend te zijn.

Uiteindelijk bleek er echter ook een aanzienlijk aantal projecten te zijn waar het op basis van de eerder genoemde afwegingskaders zeer gewenst bleek een provinciale bijdrage aan te geven, maar waarvoor de actuele provinciale subsidieregelingen geen mogelijkheden bieden. Omdat verwacht wordt dat ook de komende jaren ruimte zal ontstaan om middelen vrij te maken voor de kwaliteitsverbetering van bestaande groengebieden en om ook dan aan dergelijke initiatieven een provinciale bijdrage te kunnen leveren is onderhavige paragraaf ‘Paragraaf 2.11 Kwaliteitsverbetering van bestaande groengebieden en het recreatieve routenetwerk’, aan de bestaande Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 toegevoegd. De bedoelde projecten verschillen zo sterk in onderling karakter dat het aangeven van criteria voor de beoordeling van de aanvragen tot een zeer complexe regeling zou leiden. Vandaar dat er in deze regeling voor gekozen is op de kaart in de bijlage een aantal projecten die voor subsidie in aanmerking kunnen komen aan te duiden. Een voordeel van deze methode is dat jaarlijks - door aanpassing van de kaarten in de bijlagen - de subsidieverlening in die voorkomende gevallen flexibel kan worden ingezet.

Voorts wordt betreffende paragraaf 2.11 ook benut voor het toekennen van subsidie in het kader het ruiterpadenplan en fysieke maatregelen voor waterrecreatie.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

A

Artikel 2.4.3

Om te bevorderen dat meerdere partijen gebruik kunnen maken van de subsidieregeling, is in artikel 2.4.3 toegevoegd dat per aanvrager per locatie slechts één aanvraag voor subsidie in behandeling wordt genomen. Het is hiermee niet meer mogelijk dat één aanvrager voor één locatie voor meerdere afzonderlijke (deel)projecten aanvragen voor subsidie indient.

Met de locatie wordt de plaats waar de activiteit wordt uitgevoerd bedoeld. Een landgoed wordt als één locatie gezien. Verschillende groengebieden die fysiek van elkaar gescheiden zijn door bijvoorbeeld doorgaande (provinciale) wegen of een (groot) waterlichaam, worden als verschillende locaties gezien.

B.

Artikel 2.4.3 a

Het is wenselijk dat de activiteiten na afloop van de subsidieperiode, zonder provinciale subsidie voortgezet/ gecontinueerd kunnen worden. Met continuering wordt bedoeld hoe de activiteiten gecontinueerd kunnen worden na afloop van de subsidie, zonder een nieuwe PZH subsidie.

C.

Artikel 2.4.7

Op basis van artikel 2.4.7 worden aanvragen op kwaliteit beoordeeld op basis van 5 criteria. Per criterium kan 0, 1, 2 of 3 punten worden behaald. De aanvraag met het hoogst aantal punten wordt als eerste gerangschikt. Op basis van de rangschikking worden de aanvragen gehonoreerd tot het moment dat het subsidieplafond bereikt wordt.

Criterium a: het aantal bezoekers en vrijwilligers dat met de activiteit direct bereikt wordt.

In de aanvraag om subsidie moet het aantal bezoekers van het bestaande groengebied en het aantal vrijwilligers dat met de activiteit direct bereikt wordt, worden vermeld. Als onderbouwing kunnen resultaten van eerdere ( vergelijkbare) activiteiten worden gebruikt.

De punten toekenning is als volgt:

 

0 punten

1 punt

2 punten

3 punten

Aantal bezoekers en vrijwilligers

0-25

25-100

100-500

500+

 

Criterium b: de mate waarin de activiteit vernieuwend is.

Nieuwe activiteiten behalen een hogere score dan activiteiten die regulier worden verricht. Aan een geheel nieuwe activiteit worden 3 punten toegekend. Aan een activiteit die al wel in Nederland is uitgevoerd, maar nog niet in de Provincie Zuid-Holland worden 2 punten toegekend. Is de activiteit al eerder uitgevoerd in de Provincie Zuid-Holland maar nog niet op de betreffende locatie, dan wordt 1 punt toegekend. In het geval de aanvraag betrekking heeft op activiteiten die (al dan niet door de aanvrager) regulier worden uitgevoerd, wordt nul punten toegekend.

Criterium c: het aantal mensen dat via communicatie over de activiteit bereikt wordt.

Uit de aanvraag om subsidie moet blijken op welke wijze en in welke media er over de activiteit gecommuniceerd wordt. Aan een activiteit waarover in een regionaal dagblad wordt gecommuniceerd worden meer punten toegekend dan aan een activiteit waarover alleen op de eigen website gecommuniceerd wordt. Het bereik van een regionaal dagblad is namelijk groter dan het bereik van de eigen website.

De puntentoekenning is als volgt:

 

0 punten

1 punt

2 punten

3 punten

Bereik communicatie

0-100

100-1.000

1.000-5.000

5.000+

 

Criterium d: de mate waarin nieuwe doelgroepen worden bereikt.

Tot de nieuwe doelgroepen behoren mensen die niet eerder het groengebied hebben bezocht of aan een vrijwilligersactiviteit hebben deelgenomen. Uit de aanvraag om subsidie moet blijken om welke nieuwe doelgroepen het gaat en op welke wijze de nieuwe doelgroepen bereikt wordt. Het puntenaantal dat kan worden behaald is afhankelijk van het percentage dat de nieuwe doelgroepen uitmaakt ten opzichte van het totaal aantal bezoekers en vrijwilligers.

De punten toekenning is als volgt:

 

0 punten

1 punt

2 punten

3 punten

Bereik nieuwe doelgroepen

<10%

10-25%

25-50%

50%

 

Criterium e: de mate van continuering van de activiteit.

Uit de aanvraag voor subsidie moet blijken in welke mate de activiteiten gecontinueerd kunnen worden na afloop van de looptijd van de subsidie van de Provincie Zuid-Holland. De mate waarin de activiteit gecontinueerd kan worden is groter naar mate er meer financiële middelen beschikbaar zijn (van bijvoorbeeld andere financiers).

De punten toekenning is als volgt:

0 punten indien de activiteit niet gecontinueerd kan worden;

1 punt indien de activiteit gedeeltelijk ( ca. 25% van de activiteit of meer ) gecontinueerd kan worden;

2 punten indien de activiteit grotendeels (ca. 75% van de activiteit of meer) gecontinueerd kan worden;

3 punten indien de activiteit volledig gecontinueerd kan worden.

 

D.

Artikel 2.11.1 Begripsbepalingen

Groengebied:

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat onder landschappen tevens de agrarische landschappen worden begrepen.

Groengebied / recreatieve routenetwerk / openbaar toegankelijk:

Zowel bij het begrip groengebied als bij het recreatief routenetwerk is aangegeven dat deze openbaar toegankelijk moeten zijn. Vervolgens is het begrip openbaar toegankelijk gedefinieerd als: ‘gedurende het gehele jaar toegankelijk voor het publiek, tenzij er sprake is van een omstandigheid, genoemd in artikel 2.11, vierde lid van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Zuid-Holland 2016’. Het gaat dan bijvoorbeeld om te voorkomen dat vogels tijdens het broedseizoen of vleermuizen tijdens de winterslaap worden gestoord. Dan moet de mogelijkheid bestaan deze gebieden af te sluiten voor het publiek. Door aansluiting te zoeken bij artikel 2.11, vierde lid, van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Zuid-Holland 2016 wordt hierop geanticipeerd. Het artikellid bepaalt dat een gebied niet openbaar toegankelijk is indien: sluiting nodig is bij of krachtens de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 of de Wet natuurbescherming; het terrein naar zijn aard buiten machte van de subsidieontvanger niet toegankelijk is; er bescherming van de persoonlijke levenssfeer noodzakelijk is tot een maximum van een hectare, of het terrein vrijgesteld is op grond van het natuurbeheerplan.

Artikel 2.11.2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat met ‘bestaand groengebied’ wordt aangeduid dat het groengebied ten tijde van de inwerkingsteling van onderhavige wijziging reeds bestaat.

Toelichting besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 22 januari 2019, PZH-2018-674012450, DOS-2016-0005086, tot wijziging van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

Aan de subsidievoorwaarden voor aanleg, beheer en onderhoud van ruiter- en menpaden worden enkele voorwaarden toegevoegd ten behoeve van de kwaliteit, samenhang en veiligheid voor de verschillende gebruikers. Daarvoor zijn enkele kwaliteitsrichtlijnen opgesteld voor de aanleg van nieuwe paden. Ook zijn enkele bepalingen opgenomen die zien op samenhang en aaneengeslotenheid van goede ruiter- en menpaden. Vanwege het groot aantal beheerders en grondeigenaren is het van belang dat de paden in z’n geheel worden opgeknapt en beheerd. In artikel 2.6.11 wordt dit geregeld; hiermee wordt voorkomen dat slechts enkele delen van een aaneengesloten pad worden opgeknapt cq beheerd.

Toelichting bij het besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 5 maart 2019, PZH-2019-678019652, DOS-2016-0005086, tot wijziging van de Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016

De onderhavige wijziging van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 (Srg) heeft betrekking op

paragraaf 2.6 Verwerving en inrichting ecologische verbindingen.

In de huidige Srg wordt voor het verstrekken van subsidie ten behoeve van ecologische verbindingen onderscheid gemaakt tussen 3 prioriteiten. De in een vorige wijziging van de Srg toegevoegde nieuwe prioriteit, prioriteit A, is thans niet meer van belang omdat voor beide verbindingen in die prioriteit inmiddels voorzien is in een subsidiebeschikking. Voor de resterende verbindingen, in prioriteit 1 en 2, wordt het maximale subsidiepercentage verhoogd van 50 % naar 85 % respectievelijk 70 %. Het maximale subsidiebedrag van € 1 miljoen per beschikking is vervallen, waardoor het maximale bedrag gelijk wordt aan het (resterende) subsidieplafond. In de definitie van het begrip ‘ecologische verbinding’ wordt nog uitsluitend verwezen naar de Verordening ruimte 2014. Verder zijn er enkele tekstuele actualisaties en verduidelijkingen doorgevoerd.

Toelichting bij het besluit van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 21 mei 2019, PZH-2019-688165249, DOS-2016-0005086, tot wijziging van de paragrafen 2.8 en 2.9 van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

Met de wijzigingen in paragraaf 2.8 Groene Cirkels (artikel 2.8.3 doelgroep en artikel 2.8.4 subsidievereisten) wordt verduidelijkt aan welke vereisten voldaan moet zijn om voor subsidie op grond van deze paragraaf in aanmerking te komen.

Met de wijziging in paragraaf 2.9 Boerenlandpaden (artikel 2.9.7) wordt het mogelijk om ook bij een aanvraag voor subsidie die betrekking heeft op meerdere boerenlandpaden en waarbij het subsidiebedrag € 25.000,- is of hoger, een voorschot te verstrekken van 100%. Het indienen van gebundelde aanvragen voor subsidie, in plaats van een aanvraag voor subsidie per boerenlandpad, wordt hiermee gestimuleerd.

Toelichting bij het besluit van gedeputeerde staten van 16 februari 2021, PZH-2021-764801157 (DOS-2016-0005086) tot wijziging van Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016

ARTIKEL I

A

Met dit besluit wordt de tekst van paragraaf 2.9 Boerenlandpaden geactualiseerd naar de Startnotitie Sport en Recreatie en tekstueel gecorrigeerd. De actualisatie heeft betrekking op de focus op wandelen en het feit dat de wandelroutekaart niet meer jaarlijks wordt geactualiseerd.

B

Algemeen

De subsidiemogelijkheid in Srg paragraaf 2.10 is bedoeld voor initiatieven die bijdragen aan de realisatie van de Hoofdlijnennotitie Vitale Landbouw. Subthema’s in de Hoofdlijnennotitie zijn:

  • Economische vitale landbouw,

  • Kringlooplandbouw,

  • Landbouw met ruimte voor biodiversiteit, water, landschap,

  • Het regionaal voedselsysteem en

  • Brede maatschappelijke inbedding.

Het is belangrijk dat het om projecten gaat waarbij het initiatief komt vanuit de Zuid-Hollandse samenleving, uitgevoerd door primair Zuid-Hollandse boeren, ondernemers, instellingen. Daarbij is het van belang dat het effect van het project groter is dan voor één bedrijf of casus. De zeggingskracht en toepasbaarheid moet (in potentie) groter zijn. Het samen leren en co-creëren in het project heeft sterke voorkeur. Fysieke investeringen zijn mogelijk, maar altijd in samenhang met gezamenlijke leereffecten en co-creatie.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2.10.2 Subsidiabele activiteiten en prestatie

Subsidie kan worden verstrekt voor “Innovatie en experimenteren met nieuwe manieren van werken in een bedrijf en bij voorkeur in een keten” en altijd in ieder geval 1 van de overige activiteiten: het vormen van een nieuw samenwerkingsverband, netwerkontwikkeling, kennisoverdracht.

Artikel 2.10.4 Aanvraagvereisten

Effectiviteit

Aangetoond wordt wat het effect is van het project op de te behalen doelen voor een vitale landbouw;

  • De meerwaarde van het project voor één of meerdere thema’s uit de Hoofdlijnennotitie Vitale Landbouw.

  • Gaat van het project een voorbeeldwerking uit? Levert het project ervaringen op waarmee ook anderen hun voordeel kunnen doen?

  • De mate van geschiktheid van het project voor bredere toepasbaarheid.

Haalbaarheid

Wordt aangetoond in termen als doorlooptijd, cofinanciering, draagvlak en technische haalbaarheid;

  • Blijk van oriëntatie op (technische) haalbaarheid en voor handen zijnde kennis.

  • Blijk van oriëntatie op business model en marktpotentieel

  • Zijn de risico’s voor het project in beeld gebracht en welke beheersmaatregelen zijn voorzien?

Bottom up

De mate waarin blijk wordt gegeven dat het project een bottom-up aanpak heeft. Dit vertaalt zich in de actieve deelname van Zuid-Hollandse ondernemer(s) of ondernemende initiatiefnemers. De centrale vraag- of probleemstelling ligt bij de ondernemer zelf.

Efficiency

De kosteneffectiviteit wordt bepaald door de totaal aangevraagde subsidiabele kosten te relateren aan de mate waarin de activiteit bijdraag aan één of meerdere van de thema’s. Hierbij wordt in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:

  • De hoogte van de kosten in relatie tot de prestatie.

  • De relevantie van de kosten, wordt de gevraagde subsidie aan de juiste zaken besteed?

  • Efficiënt gebruik van kennis en arbeid, in hoeverre wordt bestaande kennis goed benut, staat de overhead van het project in redelijke verhouding tot de prestatie?

C

Met dit besluit wordt de werkingsduur van de Subsidieregeling Groen 2016 verlengd naar het jaar 2023. Dit maakt het mogelijk om in de collegeperiode van Gedeputeerde Staten 2019 – 2023 subsidies te beschikken op basis van de Subsidieregeling Groen 2016 die passen binnen de programma’s die zijn opgenomen in de begroting.

ToelichtingBesluit van gedeputeerde staten van 18 mei 2021, PZH-2021-773653919 (DOS-2016-0005086) tot wijziging van Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016 (Wijzigingsbesluit 2021 Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016)

ARTIKEL I

Met dit besluit worden de onderwerpen voucherregeling programma Groen doet goed extra gemeenten en voucherregeling programma Groen doet goed regionale aanbieders toegevoegd aan paragraaf 2.11, zodat hiervoor openstellingsbesluiten kunnen worden vastgesteld.

Toelichting Besluit van gedeputeerde staten van 22 juni 2021, PZH-2021-776168489 (DOS-2016-0005086) tot wijziging van Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016 (Wijzigingsbesluit 2021 Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016)

ARTIKEL I

A.

Vanuit de visie dat maatschappelijke inbedding essentieel is voor een duurzaam behoud van natuur, is zelfrealisatie door grondeigenaren het uitgangspunt van de NNN-realisatieopgave. Onze Groene Partners geven hierbij aan dat zij bereid zijn om, daar waar zich kansen voor doen op de grondmarkt, zich met hulp van de provincie in te zetten om NNN-gronden te verwerven teneinde deze gronden middels zelfrealisatie om te zetten naar natuur. De wijziging van Srg paragraaf 2.6 maakt financiële ondersteuning voor de aankoop van NNN-gronden door derden met de doelstelling deze gronden in te richten als NNN, mogelijk. Voor ecologische verbindingszones (EVZs) bestond deze regeling al, maar wij breiden deze nu uit naar NNN-gebieden. Dit instrument zorgt er voor dat de Groene Partners nog actiever kunnen participeren in de realisatie-opgave van het NNN en de deadline van 2027 haalbaarder wordt.

Met dit besluit wordt financiële ondersteuning bij de aankoop van NNN-gronden mogelijk gemaakt. Deze financiële ondersteuning is gelijk aan de subsidie die een grondeigenaar krijgt bij afwaardering van zijn grond als gevolg van functieverandering.

B.

Met dit besluit worden de onderwerpen kwaliteitsimpuls recreatie in gebieden, stad-land verbindingen en Gezond Natuur Wandelen toegevoegd aan paragraaf 2.11, zodat hiervoor openstellingsbesluiten kunnen worden vastgesteld.

C.

De kaart behoord tot artikel 2.6.5. Op deze kaart staan de NNN-gronden aangegeven waar een subsidieaanvraag voor verwerving van NNN-gronden of beëindiging van pachtovereenkomsten op NNN-gronden in aanmerking komt.

Toelichting Besluit van gedeputeerde staten van 5 oktober 2021, PZH-2021-786464644 (DOS-2016-0005086) tot wijziging van Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016 (Wijzigingsbesluit 2021 Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016)

ARTIKEL I

A.

Met dit besluit wordt het onderwerp ‘erfgoed, sport en recreatie’ toegevoegd aan paragraaf 2.11, zodat hiervoor een openstellingsbesluit kan worden vastgesteld.

Toelichting behorende bij het Wijzigingsbesluit Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

I. Algemeen

Inleiding

Deze wijziging van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 (hierna: subsidieregeling) ziet op het invoegen van vier paragrafen in hoofdstuk 2. Daarnaast is er van de mogelijkheid gebruik gemaakt om een aantal paragrafen te actualiseren.

Paragraaf 2.6 Ecologische verbindingen en NNN-gronden

De ecologische verbindingen maken onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland en zijn in de Omgevingsverordening aangeduid op kaart 7 in bijlage II. In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening die in werking treedt op de datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de ecologische verbindingen aangeduid op de kaart in bijlage II. In de verordening zijn de ecologische verbindingen vastgelegd als lijnen van 50 meter breed. In de (herziene) Nota Ecologische verbindingen staat beschreven dat een verbinding idealiter bestaat uit een corridor (een doorgaande lijnstructuur vaak langs een watergang) en kleine en grote stapstenen. De stapstenen zijn van voldoende kwaliteit om te fungeren als foerageer- en/of voorplantingsgebied. In de corridor gaat het voor de meeste doelsoorten primair om verspreiding en is de aanwezigheid van bepaalde structuurelementen (natuurlijke oevers of houtwallen) belangrijk. De breedte van de corridor en de grootte van de stapstenen is dus maatwerk per verbinding en hangt ook af van de praktische mogelijkheden voor realisatie. Het begrip stapsteen is toegevoegd aan dit artikel.

Initiatieven binnen de begrenzing van de verbindingen zoals vastgelegd in de verordening komen in aanmerking voor subsidie. Als een initiatiefnemer net buiten de lijnen van de verordening een stapsteen of corridor wil realiseren dan wordt dit in principe gefaciliteerd door in gesprek te gaan over de mogelijkheden en ecologische doelen en daarna (in overleg met de grondeigenaar) een aanpassing aan de NNN begrenzing voor te bereiden. Het is vervolgens mogelijk om vooruitlopend op die aanpassing aan gedeputeerde staten te vragen om af te wijken van de kaart. Die afwijkingsbevoegdheid is opgenomen in het nieuwe artikel 2.6.11 (zie hiervoor de artikelsgewijze toelichting)

Paragraaf 2.13 Verbeteren waterkwaliteit

Deze paragraaf beoogt de uitvoering van maatregelen en onderzoeken te stimuleren die de (zwem) waterkwaliteit verbeteren en die tevens synergie hebben met andere activiteiten die waterkwaliteit beïnvloeden. Bijvoorbeeld: vergroten natuur en biodiversiteit, terugdringen emissies van schadelijke stoffen en terugdringen blauwalg. Deze paragraaf beoogt met name om de uitvoering van nieuwe en innovatieve maatregelen en onderzoeken te stimuleren, waarvoor geen budgetten in de lopende begrotingen of doelsubsidies beschikbaar zijn.

De provinciale ambities voor de wate

rkwaliteit van oppervlaktewater, grondwater, overige wateren en zwemwater zijn neergelegd in het regionale waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 en de bijbehorende bijlage B (”KRW-nota. Bijdrage provincie Zuid-Holland aan het stroomgebiedbeheerplan 2022-2027 ter uitvoering van de Kaderrichtlijn Water”). De daarin vastgelegde doelen voor oppervlaktewaterlichamen en grondwater moeten op grond van de Kaderrichtlijn Water in 2027 bereikt zijn. Om deze doelen te behalen worden er maatregelen uitgevoerd door gemeenten, waterschappen en de provincie.

De provincie Zuid-Holland wijst jaarlijks de zwemwaterlocaties in natuurwater aan op grond van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden. Deze locaties liggen zowel langs de kust als in binnenwateren. Tijdens het zwemseizoen worden de locaties gecontroleerd op veiligheid en waterkwaliteit. Helaas wordt het zwemwater gedurende het badseizoen jaarlijks geplaagd door blauwalgen en fecale bacteriën door uitwerpselen van ganzen. Hierdoor vermindert het zwemplezier.

Naast deze paragraaf is er voor onderzoeken en maatregelen die een hogere bijdrage vergen dan het hiervoor geldende subsidieplafond de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen voor niet-productieve investeringen in agrarische gebieden ten behoeve van waterkwaliteit (POP3, vanaf 2023 Nationaal Strategisch Plan).

Paragraaf 2.14 Klimaatadaptatie

Inleiding

Op basis van de nationale afspraken in het Deltaprogramma, werkt de provincie samen met haar partners aan het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van Zuid-Holland. Daarbij gaat het om het voorkomen of beperken van schade door hevige neerslag, bij langdurige droogte, tijdens perioden van hitte, in relatie tot bodemdaling en/of als gevolg van overstromingen. Groene, natuurinclusieve maatregelen hebben daarbij de voorkeur (‘groen tenzij’) om tevens de biodiversiteit te vergroten.

Op basis van de strategie “Weerkrachtig Zuid-Holland” stimuleert en faciliteert de provincie mede-overheden (gemeenten, waterschappen) en andere publieke en private partijen in haar gebied om klimaatadaptief beleid en handelen tot het ‘nieuwe normaal’ te maken. In de ‘Provinciale Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Zuid-Holland’ staat welke opgaven daarbij voor het grondgebied van Zuid-Holland het meest urgent zijn om aan te pakken. Beide documenten worden periodiek geactualiseerd op basis van nieuwe inzichten of bijgestelde KNMI-klimaatscenario’s.

Deze paragraaf heeft tot doel het klimaatadaptieve beleid en handelen in Zuid-Holland te versnellen. Daarbij gaat het om de volgende activiteiten:

  • Regionale samenwerking:

Gemeenten, waterschappen en provincie werken samen aan klimaatadaptatie in “werkregio’s”. Dit is een nationale afspraak die de gezamenlijke overheden hebben gemaakt in het kader van het nationale Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA). Deze regio’s en de samenstelling daarvan staan benoemd in de Tijdelijke impulsregeling klimaatadaptatie 2021-2027 waarmee de regio’s uitvoeringsbijdragen kunnen aanvragen bij het Rijk. In een aantal regio’s zijn ook andere partijen aangehaakt, zoals drinkwaterbedrijven. De samenwerking levert gezamenlijke producten op zoals bijvoorbeeld een regionale adaptatiestrategie, uitvoeringsagenda of aanvraag voor een rijksbijdrage uit de Impulsregeling. Partijen dragen gezamenlijk de proceskosten van deze samenwerking. Door middel van deze subsidieregeling draagt ook de Provincie daar aan bij als één van de samenwerkende partijen. De penvoerder van de werkregio kan deze subsidie aanvragen.

  • Samenwerking met woningcorporaties:

Een groot deel van de bestaande woningvoorraad is eigendom van woningcorporaties. Daarmee zijn woningcorporaties belangrijke partners voor het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de bestaande bebouwde omgeving in Zuid-Holland. Gemeenten kunnen over klimaatadaptatie specifieke prestatieafspraken maken met woningbouwcorporaties. Voorbeelden van dergelijke afspraken zijn te vinden in het rapport prestatieafspraken en klimaatadaptatie in Zuid-Holland (https://www.google.com/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=&cad=rja&uact=8&ved=2ahUKEwinvbfEz5D3AhX5_7sIHZzjDlkQFnoECAMQAQ&url=https%3A%2F%2Fwww.zuid-holland.nl%2Fpublish%2Fpages%2F27752%2Frapportageklimaatadaptatiewoningcorporatiesenprestatieafsprakenzuid-holland.pdf&usg=AOvVaw1_z3A15c_Ry1IGl7oMt-BZ).

Het toepassen van maatregelen voor klimaatadaptatie door woningcorporaties is voor zowel woningcorporaties als gemeenten het meest (kosten-) effectief wanneer deze goed worden afgestemd met de maatregelen die gemeenten (kunnen) nemen in de omliggende openbare ruimte. Er is veel behoefte aan onderlinge kennisuitwisseling over mogelijke maatregelen en het afstemmen van werkzaamheden op bestaande beheer- en onderhoudsplanningen. Samenwerking tussen een gemeente en de inliggende woningcorporatie(s) op het gebied van klimaatadaptatie is nog geen gemeengoed en vraagt extra (uren-)inzet van de samenwerkende partijen. Door middel van deze paragraaf draagt de Provincie daar deels aan bij. Daarbij verdient het de voorkeur dat er per gemeente één samenwerking ontstaat, waar alle of zo veel mogelijk woningcorporaties die binnen die gemeente actief zijn aan deelnemen.

  • Onderzoek:

In het Nationale Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) staan 7 ambities centraal, waaraan de gezamenlijke overheden concreet invulling moeten geven:

  • 1.

    Kwetsbaarheden in beeld brengen

  • 2.

    Risicodialogen voeren en strategie opstellen

  • 3.

    Uitvoeringsagenda’s opstellen

  • 4.

    Meekoppelkansen benutten

  • 5.

    Stimuleren en faciliteren

  • 6.

    Reguleren en borgen

  • 7.

    Handelen bij calamiteiten

Om aan elk van deze stappen concreet invulling te kunnen geven, is nog veel nieuwe kennis nodig. De provincie is zelf of in samenwerking met ander overheidspartijen opdrachtgever voor onderzoeken die hieraan bijdragen, maar wil ook kunnen bijdragen aan relevante onderzoeken door derden. Daarvoor is deze paragraaf bedoeld.

  • Grootschalige uitvoeringsprojecten:

Gemeenten hebben stresstesten uitgevoerd om hun kwetsbaarheden ten aanzien van wateroverlast, hittestress, droogte en overstromingsrisico’s in beeld te brengen. Zowel gemeenten als waterschappen voeren concrete projecten uit om de geconstateerde kwetsbaarheden te verminderen en zo te komen tot een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van de openbare ruimte in Zuid-Holland. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om de aanleg van urban waterbuffers in de diepe ondergrond, het verbeteren van infiltratiemogelijkheden onder wegvakken of pleinen, het waterbestendig inrichten van overloopgebieden, versterking van het stedelijke watersysteem of het toepassen van maatregelen of voorzieningen die specifiek bijdragen aan de bestrijding van hittestress. Groene voorzieningen (bijvoorbeeld wadi’s of bomen) hebben daarbij de voorkeur omdat deze ook bijdragen aan het versterken van de biodiversiteit.

Niet alle uitvoeringsprojecten van gemeenten of waterschappen die gebaseerd zijn op de uitgevoerde stresstesten, komen in aanmerking voor een rijksbijdrage vanuit het Deltafonds via de vigerende Impulsregeling. Via deze paragraaf kunnen deze projecten – mits onderbouwd vanuit de uitgevoerde stresstesten – in aanmerking komen voor een provinciale bijdrage. Subsidie aan deze uitvoeringsprojecten leidt ertoe dat:

  • 1.

    concrete adaptatiemaatregelen versneld kunnen worden uitgevoerd,

  • 2.

    de herinrichting na geplande uitvoeringsprojecten in het kader van bijvoorbeeld regulier onderhoud of de aanleg van nieuwe (ondergrondse) infrastructuur, kan worden uitgebreid met adaptatiemaatregelen, of

  • 3.

    nieuwe, innovatieve, adaptatiemaatregelen op grotere schaal kunnen worden toegepast.

  • Kleinschalige innovatieve pilots:

De provincie wil ook de ontwikkeling van kleinschalige, innovatieve toepassingen voor individuele gebouwen of woning(-eigenaren) stimuleren. Met name bedoeld voor innovatieve kleinschalige initiatieven die niet onder bestaande subsidieregelingen van gemeenten of waterschappen vallen.

Bijvoorbeeld:

  • -

    innovatieve pilots voor het realiseren van regenwaterbuffers onder bestaande woningen ten behoeve van hergebruik van regenwater;

  • -

    draagkrachtberekeningen voor het combineren van een groen/blauw dak met zonnepanelen op grote of zwakke daken;

  • -

    ontwikkelen, toepassen en testen van goed opschaalbare innovatieve low-tech oplossingen voor woningen (‘natte krat’; hittestress-oplossingen uit onze nieuwe challenge);

  • -

    toepassing van innovatieve hittebestendige materialen bij beheer en onderhoud van bestaande woningen (witte dakpannen bijvoorbeeld).

In veel gevallen zal de effectiviteit van deze innovatieve toepassingen nog niet bewezen of meetbaar zijn. De provincie stimuleert de toepassers daarom hun ervaringen bij de toepassing hiervan te delen ten behoeve van kennisdeling en doorontwikkeling.

Europese staatssteunregelgeving

De provincie toetst subsidieaanvragen aan de Europese staatssteunregelgeving. Staatssteun omvat, kort gezegd, niet-marktconforme voordelen van de overheid aan ondernemingen, waarmee de mededinging wordt vervalst en het handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Daarbij wordt elke eenheid die goederen of diensten aanbiedt op een markt aangemerkt als onderneming. Als een aangevraagde subsidie leidt tot het verstrekken van onverenigbare staatssteun dan kan de provincie deze weigeren.

Provinciale subsidies aan ondernemingen die voldoen aan de staatssteuncriteria moeten in beginsel ter goedkeuring worden aangemeld bij de Europese Commissie. De aanmeldingsplicht kent echter een aantal uitzonderingen.

Eén van de uitzonderingen is geregeld in de de-minimisverordening. Subsidie die onder de zogenaamde de-minimisverordening valt levert geen staatssteun op. Deze verordening is in beginsel van toepassing op subsidies waarvan het bruto steunbedrag, ongeacht vorm en doel, voor een onderneming over een periode van drie belastingjaren het plafond van € 200.000,00 niet overschrijdt.

Indien de aanvrager voor de activiteit in het kader van deze paragraaf als onderneming wordt aangemerkt moet hij een ondertekende de-minimisverklaring met de subsidieaanvraag meesturen, waarmee wordt aangetoond dat het plafond niet wordt overschreden.

Paragraaf 2.15 Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland Gebiedsplan Zuidwestelijke Delta en Gebiedsplan Hollands-Utrechtse Veenweiden

In juli 2018 maakten Rijk (minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit), het IPO, Unie van Waterschappen en de VNG afspraken om onderwerpen in het landelijk gebied gezamenlijk op te pakken in het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland (IBP-VP). De Zuidwestelijke Delta en de Hollands-Utrechtse Veenweiden zijn twee van de 15 gebieden in Nederland. In het najaar van 2020 zijn de gebiedsplannen Interbestuurlijk Programma Vitaal platteland Zuidwestelijke Delta en Hollands-Utrechtse Veenweiden vastgesteld en heeft het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 27 oktober 2020 een eenmalige specifieke uitkering Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland gebiedsplan Zuidwestelijke Delta van € 4,4 mln en voor de Hollands-Utrechtse veenweiden van € 2,4 mln beschikbaar gesteld aan penvoerder Provincie Zuid-Holland. De uitvoering van de gebiedsplannen is gestart en het programma loopt tot en met 2024. De rechtspersonen die subsidie aanvragen vanuit de specifieke uitkering, kunnen ook financiering nodig hebben vanuit de andere stakeholders uit het project. Eén van deze stakeholders kan de provincie Zuid-Holland zijn. Deze paragraaf is bedoeld om vanuit de provincie Zuid-Holland, niet zijnde in de rol van penvoerder, projecten te subsidiëren die worden uitgevoerd in het kader van de in de gebiedsplannen opgenomen thema’s.

Paragraaf 2.16 Verbeteren leefgebied boerenlandvogels

Met de Wet natuurbescherming is de zorg voor en bescherming van beschermde soorten gedecentraliseerd van het Rijk naar de provincies. Het soortenbeleid wordt vormgegeven aan de hand van Zuid-Hollandse icoonsoorten. Dit zijn soorten die gezamenlijk symbool staan voor landschappelijke en ecologische kwaliteiten in Zuid-Holland én/of voor maatschappelijke kwaliteiten en ecosysteemdiensten. Gedachte achter deze lijst met icoonsoorten is het idee dat de natuur van Zuid-Holland in volle breedte gaat profiteren van maatregelen die worden genomen ten faveure van deze icoonsoorten (‘paraplu-functie’). Met deze paragraaf wil de provincie Zuid-Holland ruimte bieden voor het versterken van de populaties van de boerenlandvogels. Hiermee wordt invulling gegeven aan het Actieplan Boerenlandvogels. De provincie Zuid-Holland zet al ruimschoots in op het beheer van weide-, akker- en bollenvogels.

Middels deze paragraaf komt er ruimte voor investeringen ter versterking van de leefgebieden en de populaties van de icoonsoorten grutto en patrijs. Het vergroten van de openheid van weidevogelgebieden is een belangrijke maatregel voor weidevogels. De provincie is echter ook bezig met het vergroten van het aandeel bos. Maatregelen voortkomend uit deze verschillende beleidsrichtingen dienen voor een optimale effectiviteit op elkaar te worden afgestemd.

De provincie vindt het van groot belang dat er inzicht is in de effectiviteit van de maatregelen. Anders dan eerdere jaren is monitoring van de effectiviteit van het project nu een verplicht onderdeel van elk project. Hiervoor kan maximaal 10% van het projectbudget aan de aanvraag worden toegevoegd.

II. Artikelsgewijs

Onderdeel H (artikel 2.1.8a Subsidievaststelling en betaling)

Omdat de subsidie pas kan worden aangevraagd nadat de activiteit heeft plaatsgevonden, wordt de subsidie direct vastgesteld en wordt het subsidiebedrag daarna in één keer uitbetaald.

Onderdeel I (paragraaf 2.5 Betrokkenheid groen en natuur)

Deze paragraaf vervalt omdat gebleken is dat de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verleend niet vallen onder een projectsubsidie, maar onder een exploitatiesubsidie en dat de subsidie kan worden aangevraagd door één aanvrager, namelijk door degene bij wie de uitvoering van het programma De Groene Motor of het programma Mens en Natuur belegd is. Om die reden is ervoor gekozen om deze activiteiten als begrotingssubsidie op te nemen op de begroting.

Onderdeel N (artikel 2.6.11 Afwijkingsbevoegdheid)

De situatie kan zich voordoen dat er subsidie wordt gevraagd voor verwerving van gronden voor de realisatie van ecologische verbindingen en de inrichting van ecologische verbindingen die niet op de kaart staan. Gedeputeerde staten kunnen dan besluiten om van de omgevingsverordening af te wijken en subsidie te verlenen als die ecologische verbinding van voldoende kwaliteit is en een zodanige ligging heeft dat de in de Nota ecologische verbindingen genoemde natuurgebieden door die verbinding met elkaar verbonden worden. Als de subsidie is verleend zal er vervolgens een traject gestart worden om die ecologische verbinding op te nemen op de kaart in de omgevingsverordening. Gedeputeerde staten zijn bevoegd om die kaart aan te passen.

Onderdeel AB (paragrafen 2.13 tot en met 2.16)

Artikel 2.13.1 Begripsbepalingen

Waterlichaam

Waterlichaam is in deze paragraaf gedefinieerd als oppervlaktewaterlichaam, grondwaterlichaam, of overig water, voor zover dat lichaam of overig water is begrensd in het Regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 en een doel heeft toegewezen gekregen. Het regionaal waterprogramma Zuid-Holland heeft zijn grondslag in artikel 4.4 van de Waterwet. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (voorzien op 1 januari 2023) zal dit vanwege overgangsrecht op laatstgenoemde wet gebaseerd zijn. De naam van het regionaal waterprogramma blijft ongewijzigd. De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft betrekking op alle oppervlaktewater en grondwater. Echter het oppervlaktewaterlichaam is een grotere eenheid waarvoor ecologische en chemische doelen ingevolge de KRW door provinciale staten zijn vastgesteld. In Zuid-Holland zijn er daarnaast voor overige wateren in beperktere vorm ecologische doelen door gedeputeerde staten vastgesteld.

Zwemwaterlocaties

Zwemwaterlocaties worden jaarlijks op grond van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden aangewezen in een besluit van gedeputeerde staten en zijn te vinden via de website zwemwater.nl. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet vindt aanwijzing van zwemwaterlocaties plaats op grond van artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 2.13.4 Subsidievereisten

De subsidiabele activiteit betreft een onderzoek of maatregel. Om voor subsidie in aanmerking te komen dient dat onderzoek of die maatregel bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van een waterlichaam of zwemwaterlocatie en daarnaast ook aan een andere provinciale ambitie van Zuid-Holland. Een onderzoek of maatregel draagt bij aan de verbetering van de waterkwaliteit, wanneer hierdoor de toestand op het gebied van ecologie, chemie of algengroei gunstig wordt beïnvloed ten opzichte van de daarvoor gestelde doelen of grenzen. Met provinciale ambities wordt bedoeld: de zeven ambities die zijn beschreven in de Omgevingsvisie Zuid-Holland (in werking per 15 maart 2022). Deze zeven ambities zijn: samen werken aan Zuid-Holland, bereikbaar Zuid-Holland, schone energie voor iedereen, een concurrerend Zuid-Holland, versterken natuur in Zuid-Holland, sterke dorpen en steden in Zuid-Holland, en gezond en veilig Zuid-Holland.

Artikel 2.13.7 Subsidiabele kosten

Voorbereidingskosten komen alleen voor subsidie in aanmerking voor zover zij niet meer bedragen dan 15% van de subsidiabele kosten. Voorbereidingskosten zijn in artikel 1.1 omschreven als: alle kosten om te komen tot uitvoering van een project zoals arbeidskosten en materiaalkosten voor het opstellen van een bestek, het opstellen van offertes voor de uitvoering, communicatie met de omgeving en andere belanghebbenden, aanbesteding en opdrachtverstrekking.

Artikel 2.13.8 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd als het onderzoek of de maatregel behoort tot de reguliere activiteiten of wettelijke taken van gemeenten en waterschappen.

Artikel 2.13.9 Verplichtingen van de subsidieontvanger

Een onderzoek dat of maatregel die door een subsidieontvanger is uitgevoerd, kan bevindingen en resultaten opleveren die voor anderen waardevol zijn. Om ervoor te zorgen dat die informatie wordt benut is de verplichting opgenomen om die bevindingen en resultaten toegankelijk te maken voor derden. Een voorbeeld hiervan kan zijn de onderzoeksresultaten naar de mogelijkheden voor een effectieve bestrijding van de Amerikaanse rivierkreeft.

Artikel 2.14.3 Doelgroep

In onderdeel a is bepaald dat de penvoerder van de werkregio de aanvraag kan indienen. Werkregio’s zijn geen juridische entiteiten. Dit betekent dat de penvoerder een gemeente is die of een waterschap is dat ten behoeve van de werkregio de aanvraag indient. De penvoerder is dan tevens de ontvanger van de subsidie.

Artikel 2.14.4 Subsidievereisten

Zoals hiervoor aangegeven dient de penvoerder van de werkregio de aanvraag in en om te kunnen toetsen of de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd de instemming heeft van alle deelnemers van de werkregio is in het eerste lid bepaald dat er een samenwerkingsverklaring wordt overgelegd waaruit die instemming blijkt. Verder moet de activiteit de samenwerking rondom gezamenlijke producten ondersteunen. Hierbij kan worden gedacht aan ondersteuning bij het indienen van een aanvraag voor een specifieke uitkering op grond van de Tijdelijke impulsregeling klimaatadaptatie 2021–2027, het opstellen van een strategie en het opstellen van een uitvoeringsprogramma.

Artikel 2.16.2 Subsidiabele activiteiten en prestaties

Onder het versterken van de leefgebieden en de populaties worden de activiteiten verstaan die zijn opgenomen in het eerste lid.

Voor de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder a. zijn nadere subsidievereisten opgenomen in artikel 2.16.4. Hierin is bepaald dat:

  • tot maximaal vijf bomen verwijderd mogen worden. Grotere bosjes en opstanden mogen alleen in het kader van beheer teruggezet worden. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

    • Houtkap en terugzetten van hakhout kan gevoelig liggen. Daarom is het van belang dat er helder wordt gecommuniceerd over de reden van de kap.

    • De te kappen bomen dienen geen onderdeel te zijn van het zogenaamde groene erfgoed. Zie hiervoor https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=groen%5Ferfgoed 

    • Bij de kap van hout dient rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming (onderdeel soortenbescherming).

    • In de aanvraag dient de locatie van het terug te zetten of te verwijderen hout op de kaart aangegeven te worden. Per locatie dient te worden weergegeven hoe de belangenafweging heeft plaatsgevonden. Hierbij gaat het om de volgende punten

      • of er ook andere inrichtings- of beheermaatregelen zijn of worden getroffen op de betreffende locaties, en

      • of er beschermde soorten of vogelsoorten van de rode lijst voorkomen, en

      • of er al dan niet gefaseerd wordt gewerkt (bij grotere opstanden en langere singels verdient het de aanbeveling om deze gefaseerd terug te zetten, en

      • of er contact is geweest met de lokale vogelwerkgroep.

    • let op: gemeentelijke bepalingen ten aanzien van kap en herplant verschillen per gemeente en blijven gewoon van toepassing.

Onder de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder b, valt ook de benodigde apparatuur voor elektrische afrastering.

Bij de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder g, kan gedacht worden aan:

  • Maatregelen gericht op een hoger waterpeil. Dat kunnen stuwen, dammen, duikers en andere inrichtingsmaatregelen inclusief gemaaltje of zonnepompen zijn en onderhoud ervan gedurende drie jaar.

  • Aanleg van heggen of hagen, patrijzenakkers, wintervoedselvelden of keverbanken inclusief zaaigoed en maximaal 3 jaar ontwikkelingsbeheer. Onder ontwikkelingsbeheer verstaan we niet alleen het beheer zelf maar ook de inkomstenderving voor de betreffende gronden. Hierbij gelden de maximale tarieven zoals vastgesteld in het ANLb, met uitzondering van het bollengebied waar een maximumvergoeding geldt van € 3.500 per hectare. Hierbij geldt dat patrijzenakkers en wintervoedselvelden ook in de vorm van - minimaal 9 meter brede - randen kunnen worden aangelegd. Bij de maatregelen voor patrijzen en andere akkervogels geldt dat de uitgangspunten van het Partridge-project zullen worden aangehouden https://www.vogelbescherming.nl/bescherming/wat-wij-doen/onze-boerenlandvogels/kerngebieden-en-projecten/partridge1/informatiemap

Het is partijen toegestaan om meer dan 1 aanvraag in te dienen. Alle aanvragen worden afzonderlijk beoordeeld.

Artikel 2.16.6 Aanvraagvereisten

Naast de gegevens, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Asv, gaat een aanvraag voor subsidie vergezeld van een plan van aanpak dat ten minste bestaat uit:

  • a.

    Een omschrijving van de te verrichten werkzaamheden, inclusief een planning en de locatie van de uit te voeren werkzaamheden. Als de locatie nog niet duidelijk is, dan kan de verwachte locatie worden vermeld. De (verwachte) locatie dient te worden weergegeven op perceelsniveau. Indien het niet mogelijk is om op perceelsniveau aan te geven, dan dient het niveau dat wel mogelijk is te worden aangegeven (bijvoorbeeld bedrijfs- of polderniveau);

  • b.

    Een specificatie van de kosten. De specificatie van de kosten is ook voorzien van een onderbouwing van het bedrag. Hiervoor kunnen bv offertes worden meegestuurd voor het uit te voeren project, of voor recent uitgevoerde vergelijkbare projecten;

  • c.

    Een onderbouwde omschrijving van de verwachte bijdrage aan het versterken of beschermen van de leefgebieden van de populaties van de betreffende icoonsoorten. Dit kan onder andere door inzicht te geven in de omvang van de lokale populaties van de betreffende soorten, bv op basis van recente of historische monitoringsgegevens. Ook dient in de beschrijving te worden aangegeven hoe de te treffen maatregelen zich verhouden tot eventuele andere factoren die van invloed zijn op de lokale populatie (zoals waterpeil, mate van openheid/verstoring en het gevoerde beheer). Reden hiervan is dat het effectiever is om verschillende typen maatregelen te clusteren;

  • d.

    Monitoring is een verplicht onderdeel. Middels monitoring dient de effectiviteit van de investering inzichtelijk gemaakt te worden. Dat kan bijvoorbeeld door BTS-tellingen uit te voeren om te bepalen of er broedparen aanwezig zijn en of deze ook broedsucces hebben.

  • e.

    Een beschrijving in hoeverre (overgangs/ontwikkelings)beheer onderdeel is van het project. En hoe het beheer na de overgangsperiode van 3 jaar zal worden georganiseerd.

Artikel 2.16.8 Rangschikking

Het is de ambitie van de provincie Zuid-Holland om bij keuzes in de programmering van initiatieven het maatschappelijk rendement van de geïnvesteerde ‘groene euro’s’ te vergroten. Dit rendementsdenken wordt vormgegeven door enerzijds aan de voorkant handvatten te bieden voor het voeren van het goede gesprek daarover, anderzijds door bij de gunningscriteria voor deze paragraaf duidelijk te zijn over de criteria waarop de ingediende subsidies worden afgewogen. Door aan de voorkant duidelijkheid te geven over de criteria worden de initiatiefnemers al in een vroeg gestimuleerd om de beoogde projecten zo goed mogelijk te laten bijdragen aan de doelen van het (soorten)beleid.

Om de subsidiegelden zo effectief mogelijk te benutten is in deze paragraaf gekozen voor een methode waarbij de subsidieaanvragen onderling met elkaar worden vergeleken en op basis van kwaliteit van de aanvraag gerangschikt.

Per criterium waarop projecten gescoord worden, wordt hieronder aangegeven welke elementen worden betrokken bij de inhoudelijke beoordeling.

  • a.

    Mate van verbetering van de leefgebieden van de populaties van de icoonsoorten grutto of patrijs (omvang en kwaliteit) in relatie tot het gevraagde subsidiebedrag: hoe sterker de mate van verbetering van het leefgebied en hoe lager het gevraagde subsidiebedrag, des te hoger de score. Aandachtspunten hierbij zijn de omvang van het project, de mate van kwaliteitsverbetering en de totale som van de gevraagde subsidie. Het gaat hier feitelijk om het rendement van de subsidie.

  • b.

    Effectiviteit: hoe meer zekerheid is over de effectiviteit van de maatregelen, des te hoger de score. Hebben de maatregelen uit het project zich al eens bewezen of zijn er twijfels over de effectiviteit?

  • c.

    Uitvoerbaarheid: hoe meer uitvoeringsgereed, hoe hoger de score. Aandachtspunten hierbij zijn eventuele vergunningen, de beschikbaarheid van de gronden, danwel de toestemming van de grondeigenaar.

Beoordeling criteria a tot en met c:

1= slecht; 2 = onvoldoende; 3 = voldoende, 4 = zeer goed

Artikel 2.16.9 Subsidiabele kosten

Monitoring en onderzoek is alleen subsidiabel voor zover ze bedoeld zijn om de effectiviteit van voorgestelde maatregelen te beoordelen. Monitoring en onderzoek mogen niet meer dan 10% van de totale begroting per aanvraag bedragen. Als monitoring deel uitmaakt van de subsidieaanvraag dan wordt er van de subsidieontvanger verwacht dat de resultaten hiervan worden gedeeld met de provincie.

Projectleiding is subsidiabel voor zover dit onderdeel is van concrete activiteiten of prestaties (zie artikel 2.16.2, eerste lid).

Specifiek overgangsbeheer valt niet onder de SNL of onder het ANLb. Daarom kan overgangsbeheer, net als onderhoud en het plaatsen en verwijderen van anti-predatie- en anti-ganzenrasters, voor maximaal 3 jaar mee worden begroot in de aanvraag.

Artikel 2.16.10 Niet Subsidiabele kosten

De aanleg van natuurvriendelijke oevers is niet subsidiabel, omdat deze onvoldoende bijdragen aan het doel van deze paragraaf. De aanleg van weidevogeloevers is wel subsidiabel.