Beleidsnotitie afwijkingen van het bestemmingsplan (binnen- en buitenplans) van beperkte planologische betekenis

Geldend van 28-01-2012 t/m heden

Intitulé

Beleidsnotitie afwijkingen van het bestemmingsplan (binnen- en buitenplans) van beperkte planologische betekenis

Nijverdal, 16 januari 2012 Nr. 11INT01593

Burgemeester en wethouders van Hellendoorn;

gelet op de artikelen 1:3 en 4:81 tot en met 4:84 Algemene wet bestuursrecht en bijlage II van het Besluit omgevingsrecht;

b e s l u i t e n: vast te stellen de

Beleidsnotitie afwijkingen van het bestemmingsplan (binnen- en buitenplans) van beperkte planologische betekenis

Hoofdstuk 1 Inleiding

In de gemeente Hellendoorn zijn een groot aantal bestemmingsplannen van kracht met een grote verscheidenheid aan regelgeving en veelal met een (te) grote mate van detaillering.

In de "Pilot Hellendoorn" is een nieuw planologisch kader geïntroduceerd met een nieuwe systematiek en nieuwe voorschriften. Deze nieuwe systematiek en voorschriften worden gebruikt bij de nieuwe integrale herzieningen van bestemmingsplannen voor de kernen binnen de gemeente Hellendoorn. Inmiddels zijn een aantal bestemmingsplanherzieningen afgerond en zijn er nog enkele te gaan.

Recent is deze nieuw systematiek vertaald naar de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2008) op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Er bestaat namelijk de wens om in gebieden waarvan de bestemmingsplannen nog niet zijn geactualiseerd uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid met de planologische ruimte voor bouw- en gebruiksregels te gaan werken, zoals deze zijn opgenomen in de nieuwe standaardbestemmingsplanregels.

Tot voor kort is hier afstemming en invulling aan gegeven door toepassing van artikel 3.23, eerste lid van de Wro juncto artikel 4.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): beide aangehaalde wetsartikelen zijn inmiddels vervallen. Hierbij werd er van uitgegaan dat als een aanvraag om een bouwvergunning weliswaar strijdig is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan doch wél voldoet aan de standaardvoorschriften (hoofdopzet) van de nieuwe bestemmingsregeling (inclusief de binnenplanse ontheffing met een nadere afweging), dat er dan in beginsel via de daartoe geëigende wettelijke procedure een buitenplanse ontheffing ex artikel 3.23, lid 1 Wro werd verleend.

Inmiddels is per 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. De bouwvergunning krachtens de Woningwet is vanaf dat moment opgegaan in een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

De systematiek van de Wabo inzake omgevingsvergunningvrij bouwen alsmede de juridische regeling van de zogenaamde kruimellijst van gevallen waarmee buitenplans van het bestemmingsplan kan worden afgeweken, is voor een belangrijk deel geregeld in Bijlage II behorende bij Besluit omgevingsrecht (Bor):

  • -

    in artikel 1 zijn de relevante begripsbepalingen opgenomen;

  • -

    in artikel 2 zijn de categorieën van gevallen weergegeven waarin voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist;

  • -

    in artikel 3 zijn de categorieën van gevallen weergegeven waarin voor bouwactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist; bouwactiviteiten zijn toegestaan mits ze niet in strijd zijn met het ter plaatse geldende bestemmingsplan;

  • -

    in artikel 4 is de zogenaamde “kruimellijst” van gevallen van beperkte planologische betekenis opgenomen die voorheen was opgenomen in artikel 4.1.1 van het Bro;

  • -

    in de artikelen 5, 6 en 7 zijn een aantal nadere randvoorwaarden opgenomen die in acht genomen moeten worden bij toepassing van de hiervoor genoemde artikelen 2, 3 en 4;

  • -

    in artikel 8 is een overgangsbepaling opgenomen.

Verder is de terminologie veranderd: daar waar in de Wro werd gesproken over het begrip “ontheffing van het bestemmingsplan”, is onder de Wabo het begrip “afwijking van het bestemmingsplan” geïntroduceerd; het toestaan dat wordt afgeweken van een bestemmingsplan of beheersverordening geschiedt onder de Wabo door verlening van een omgevingsvergunning.

In 2001 is een eerste beleidsnotitie geformuleerd, waardoor het mogelijk werd de nieuwe planologische ruimte binnen de destijds geldende kaders van artikel 19, lid 3 van de (voorheen geldende) Wet op de Ruimtelijke Ordening juncto artikel 20 van het (voorheen geldende) Besluit Ruimtelijke Ordening 1985 toe te passen voor de dorpskernen binnen de gemeente Hellendoorn.

In 2005 is de notitie geactualiseerd op basis van de eerste ervaringen met het toepassen ervan, de definitieve vaststelling van twee bestemmingsplannen, te weten: “Hellendoorn-dorp” en “Nijverdal West-Noetsele” alsmede gewijzigde wet- en regelgeving.

De thans voorliggende actualisering van de beleidsnotitie is ingegeven door:

  • -

    de veranderende wet- en regelgeving als gevolg van de invoering van de Wabo per 1 oktober 2010;

  • -

    de op basis van het SVBP2008 aangepaste standaardregels voor de bebouwde kom.

Door het actueel houden van het toepassingsbeleid voor buitenplanse afwijkingen van het bestemmingsplan van beperkte planologische betekenis en deze in te zetten als beleidsregel als bedoeld in Hoofdstuk 4, Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt het volgende bereikt:

  • voor de bevolking van de gemeente Hellendoorn ontstaat duidelijkheid binnen welke kaders van bouw- en gebruiksregels de gemeente wil meewerken en/of welke beoordeling dient te worden gemaakt;

  • de “afwijkingsbevoegdheid” kan binnen een grotendeels afgebakend kader efficiënt worden toegepast.

Onderhavige notitie is na dit inleidende hoofdstuk als volgt opgebouwd:

  • -

    een toelichting op de toepassingsmogelijkheden van artikel 4 van Bijlage II van het Bor. Hierin wordt aangegeven wanneer een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2° van de Wabo kan worden toegepast;

  • -

    een toelichting waarin de uitgangspunten van de beleidslijn worden aangegeven om de planologische ruimte, de standaardregel, te kunnen toepassen;

  • -

    een beschrijving van de status van de beleidsnotitie en de wijze van onderbouwen;

  • -

    de standaardbestemmingsplanregels voor de bebouwde kom (= de gemeentelijke planologische ruimte).

Hoofdstuk 2 Artikel 4 van Bijlage II van het Bor in relatie tot artikel 2.12, lid1 sub a, onder 2° van de Wabo

§ 2.1 Inleiding

Om een activiteit te mogen verrichten die strijdig is met het bestemmingsplan kan het college van Burgemeester en Wethouders een omgevingsvergunning verlenen op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2° van de Wabo voor de bij Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aangewezen gevallen. Het gaat hier dus om buitenplanse afwijkingen.

In artikel 4 van Bijlage II van het Bor zijn de categorieën van gevallen opgenomen waarin voor planologische gebruiksactiviteiten (inclusief het bouwen) een omgevingsvergunning kan worden verleend en waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 2°, van de Wabo van het bestemmingsplan (of de beheersverordening) wordt afgeweken.

Hieronder wordt aangegeven welke van de in artikel 4 van Bijlage II van het Bor genoemde gevallen gebruikt kunnen worden in relatie tot deze beleidsnotitie.

§ 2.2 Een omgevingsvergunning artikel 4, lid 1, onder a van Bijlage II Bor

Het betreft hier een bijbehorend bouwwerk binnen de bebouwde kom.

Onder de term “bijbehorend bouwwerk” wordt verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd hoofdgebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

In populaire bewoordingen gezegd, gaat het hier dus om een verzamelterm voor uitbreidingen van een hoofdgebouw, aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en andere soorten bouwwerken met een dak. Het gaat niet om andere bouwwerken waarvoor specifieke regels zijn gesteld, in Bijlage II van het Bor, zoals dakkappellen, dakramen, erf- of perceelafscheidingen, speeltoestellen, vlaggenmasten en (schotel)antennes.

Voor zover het gaat om een bijbehorend bouwwerk bij woningen, dienen de artikelen 16,17,18 en 19 van de standaard bestemmingsplanregels voor de bebouwde kom als richtlijn.

§ 2.3 Een omgevingsvergunning artikel 4, lid 1, onder b van Bijlage II Bor

Het betreft hier een bijbehorend bouwwerk buiten de bebouwde kom, waardoor dit artikel geen betrekking heeft op de plangebieden van (delen van) kernen waar de herziening van de bestemmingsplanregels voor de bebouwde kom voor gelden, waardoor onderhavige beleidsnotitie niet van toepassing is

§ 2.4 Een omgevingsvergunning artikel 4, lid 2 van Bijlage II Bor

Het betreft hier een gebouw t.b.v. een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a van Bijlage II Bor, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemde eisen, mits niet hoger dan 5 m1 en met een oppervlakte van niet meer dan 50 m².

De bestemmingsplanregels voorzien hierin. Verlening van deze omgevingsvergunning zal derhalve in beperkte mate aan de orde zijn.

§2.5 Een omgevingsvergunning artikel 4, lid 3 van Bijlage II Bor

Het betreft hier een bouwwerk, geen gebouw zijnde niet hoger dan 10 m1 en met een oppervlakte van niet meer dan 50 m².

De (bestemmingsplan)regels voorzien hierin. Voor zover het erf- en terreinafscheidingen betreft, geldt in principe het bepaalde in artikel 2, onderdeel 12 van Bijlage II van het Bor. De bepaling hierover in de “Bouwverordening gemeente Hellendoorn” (artikel 2.5.18, lid 2) heeft een aanvullende werking (gelet op artikel 9, lid 2 van de Woningwet). Hierbij kan getoetst worden aan het gemeentelijk schuttingenbeleid, hetgeen ook het beleid is voor het afwijken van bestemmingsplannen met een omgevingsvergunning. In voorkomende gevallen dient aan de hand van de concrete situatie een nadere afweging gemaakt te worden over het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning.

§ 2.6 Een omgevingsvergunning artikel 4, lid 4 van Bijlage II Bor

Het betreft hier een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw. De bestemmingsplanregels voorzien hierin.

§ 2.7 Een omgevingsvergunning artikel 4, lid 5 van Bijlage II Bor

Het betreft hier een omgevingsvergunning voor een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m1. De planologische ruimte en/of de standaard bestemmingsplanregels voor de bebouwde kom (artikel 25, sub d) voorzien hierin. Verlening van deze omgevingsvergunning vraagt een afweging van de concrete situatie, met name in relatie tot de directe omgeving van de te plaatsen antenne-installatie. Hiervoor wordt verwezen naar het door de gemeente vastgestelde antennebeleid.

§ 2.8. Een omgevingsvergunning artikel 4, lid 6 van Bijlage II Bor

Het betreft hier een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w van de Elektriciteitswet 1998.

Omdat zich in onze gemeente geen glastuinbouwbedrijven bevinden binnen de bebouwde kom, heeft dit artikel derhalve geen betrekking op de plangebieden van (delen van) kernen waar de herziening van de bestemmingsplanregels voor de bebouwde kom voor gelden, waardoor onderhavige beleidsnotitie hierop niet van toepassing is.

Op dit artikel is het beleid van het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” van toepassing.

§ 2.9 Een omgevingsvergunning artikel 4, lid 7 van Bijlage II Bor

Het betreft hier een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren.

Omdat zich in onze gemeente geen agrarische bedrijven bevinden binnen de bebouwde kom, heeft dit artikel derhalve geen betrekking op de plangebieden van (delen van) kernen waar de herziening van de bestemmingsplanregels voor de bebouwde kom voor gelden, waardoor onderhavige beleidsnotitie hierop niet van toepassing is.

Op dit artikel is het beleid van het bestemmingsplan “Buitengebied 2009” van toepassing.

§ 2.10 Een omgevingsvergunning artikel 4, lid 8 van Bijlage II Bor

Het betreft hier het gebruik van gronden of bouwwerken ten behoeve van maximaal drie evenementen per jaar en een duur van ten hoogste vijftien dagen per evenement, het opbouwen en afbreken van voorzieningen t.b.v. het evenement daaronder begrepen. Het al dan niet verlenen van een dergelijke omgevingsvergunning vraagt om een specifieke beoordeling.

§ 2.11 Een omgevingsvergunning artikel 4, lid 9 van Bijlage II Bor

Het gaan hier om het wijzigen van het gebruik van bouwwerken, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan “aan huis verbonden beroepen” of om een bedrijf aan huis, zoals deze zijn beschreven in de gemeentelijke planologische ruimte (de standaard bestemmingsplanregels voor de bebouwde kom) of het gemeentelijk mantelzorgbeleid (raadsbesluit 24 april 2007). Bij het wijzigen van het hoofdgebruik (de bestemming) van het gebouw zal een en ander afzonderlijk en integraal moeten worden afgewogen en beoordeeld.

§ 2.12 Een omgevingsvergunning artikel 4, lid 10 van Bijlage II Bor

Het gaat hier om een persoonlijke en niet overdraagbare omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning. Hierbij worden bouwkundige eisen aan de betreffende recreatiewoning gesteld en mag bewoning niet in strijd zijn met respectievelijke de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij, de Wet geurhinder en veehouderij en met de Reconstructiewet concentratiegebieden. Tot slot moet de aanvrager op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik hebben en deze sedertdien onafgebroken bewoond hebben. Bovendien dient de aanvrager op 31 oktober 2003 meerderjarig te zijn geweest.

Hiervoor wordt verder verwezen naar het door de gemeente Hellendoorn vastgestelde beleid voor permanente bewoning van bestaande recreatiewoningen.

Hoofdstuk 3 Beleidslijn voor de toepassing van de bestemmingsregeling voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan

§ 3.1 Inleiding

De regels bestaan uit een deel dat bij recht is toegestaan en een deel waarbij door middel van een omgevingsvergunning binnenplans van het bestemmingsplan kan worden afgeweken.

Deze omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van het bestemmingsplan is in twee delen verdeeld:

  • -

    een omgevingsvergunning voor het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan;

  • -

    een omgevingsvergunning voor het gebruiken in afwijking van het bestemmingsplan.

Om de kaders van de nieuwe planologische ruimte voor een perceel te bepalen c.q. vast te leggen, worden een aantal uitgangspunten gehanteerd bij de toepassing van de standaard bestemmingsplanregels voor de bebouwde kom. Op deze manier wordt duidelijk wat de intentie en de bedoeling van de betreffende regel is en kan deze eenduidig worden toegepast. Voor de functies wonen en niet-wonen zullen voor het bouwen en voor het gebruik deze uitgangspunten uiteen worden gezet.

Vervolgens wordt ingegaan op de toepassing van de binnenplanse flexibiliteitsbepaling (10%).

Tot slot wordt de status van deze notitie en de wijze van onderbouwen van een afwijking van het bestemmingsplan door verlening van een omgevingsvergunning toegelicht.

§ 3.2 Functie wonen

Bouwen (artikel 4, lid 1, onder a van Bijlage II Bor)

  • -

    Bepaal allereerst of het om een karakteristieke woning gaat of niet.

    Gaat het om een karakteristieke woning, dan dient het verzoek om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan onderworpen te worden aan een stedenbouwkundige beoordeling waarbij gemotiveerd wordt aangegeven of aan de voorwaarde van de uiterlijke verschijningsvorm wordt voldaan en of de betreffende omgevingsvergunning al dan niet verleend kan worden (zie daartoe artikel 19.4 van de standaard bestemmingsplanregels voor de bebouwde kom).

    Er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van:

    • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

    • het karakteristieke straat- en bebouwingsbeeld.

    Bij een monument in de zin van de Monumentenwet, dient uiteraard de Monumentenwet in acht te worden genomen.

  • -

    Binnen de bestemmingen “Wonen” worden de gronden en opstallen (hoofdgebouw en bijbehorend bouwwerk) gebruikt ten behoeve van de woonfunctie; het aantal woningen mag niet worden veranderd (zie daartoe artikel 5, lid 1 van Bijlage II Bor).

  • -

    Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Deze bouwvlakken worden – uitzonderingsgevallen daargelaten - op de volgende manier gesitueerd:

    • voor vrijstaande woningen:

      bouwblok of bouwstrook 12 m1 diep, mits de tuin daarachter vanaf het verste punt van het hoofdgebouw gemeten minimaal 8 meter diep blijft. Op percelen breder dan 20 meter, kan de bouwdiepte 15 m1 zijn.

    • voor twee-onder-één-kap woningen:

      bouwblok of bouwstrook 12 m1 diep mits de tuin daarachter vanaf het verste punt van het hoofdgebouw gemeten minimaal 8 meter diep blijft;

    • voor rijenwoningen:

      bouwblok of bouwstrook 10 m1 diep;

    • het hoofdgebouw, dient op minimaal 3 m1 uit de zijdelingse perceelgrens te worden gebouwd;

      Afwijkend hiervan dient, in bepaalde stroken waar een open bebouwing aanwezig is, een extra bescherming te worden gelegd ter voorkoming van het volledig dichtbouwen van de ruimte tussen de hoofdgebouwen (incl. aan- en uitbouwen) en de perceelsgrens binnen het bouwvlak. Met de aanduiding afstand bebouwing – zijdelingse perceelsgrens 10 m1 wordt beoogd dat de som van de beide perceelsgrensafstanden (op hetzelfde bouwperceel) minimaal 10 m1 bedraagt.

  • -

    Binnen bouwvlakken kunnen aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd.

    De begrenzing van een bouwvlak wordt bepaald door een lijn te trekken op de voorgevel en daarna drie meter achter de voorgevel. Daar waar perceelsgrenzen aan openbaar gebied grenzen, dient de zijgevel recht te worden doorgetrokken. Indien de achterperceelgrens aan openbaar gebied grenst, dan wordt hier een afstand van 1 meter aangehouden.

    Voor de aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende criteria:

    • voor zover niet omgevingsvergunningvrij als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Bijlage II van het Bor, mogen aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen uitsluitend in het bouwvlak worden gebouwd;

    • de gezamenlijke oppervlakte van aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag per woning maximaal 75 m² bedragen. In bepaalde gevallen kan dit minder zijn indien het een relatief klein perceel betreft vanwege de relatie met het bebouwingspercentage voor het gehele perceel;

    • aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen binnen het bouwblok of de bouwstrook van het hoofdgebouw en voor zover gelegen binnen de hiervoor genoemde afstand tussen de voor- en de achtergevel en tussen het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw worden niet in de berekening van 75 m² meegenomen. De bouwhoogte op de perceelsgrens mag niet meer bedragen dan 3 m1 en deze mag worden verhoogd in een rechte lijn naar ten hoogste 6 m1 op een afstand van minimaal 3 m1 uit de perceelsgrens, waardoor binnen drie meter uit de perceelsgrens geen dakkapel kan komen.

    • aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen in beginsel drie meter achter het verlengde van de voorgevel te worden gebouwd.

    • de goot- en bouwhoogte van aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedragen niet meer dan respectievelijk 3m en 6m, met dien verstande dat de bouwhoogte op de perceelsgrens niet meer mag bedragen dan 3m en deze mag worden verhoogd in een rechte lijn naar ten hoogste 6 m o een afstand van minimaal 3m uit de perceelsgrens; de dakhelling van aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt niet meer dan 60°.

Gebruik (artikel 4, lid 9 van Bijlage II Bor)

  • -

    Binnen de bestemmingen “Wonen” worden de gronden en de opstallen (hoofdgebouwen en aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) gebruikt ten behoeve van de woonfunctie. Het gebruik van de opstallen wordt niet verder geregeld. Het aantal woningen mag niet worden veranderd (zie artikel 5, lid 1, Bijlage II Bor);

  • -

    Aan huis verbonden beroepen zijn bij recht in de woning of in de bijbehorende gebouwen toegestaan. Het betreft hier met name een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, ontwerptechnisch, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Het begrip beroep aan huis is ruimer dan het begrip “vrij beroep” waarin het verleden conform geldende en constante jurisprudentie is gebleken dat in de regel universitaire beroepen als advocaat, huisarts, tandarts etc. door bewoner aan huis mag worden uitgeoefend.

    Wonen dient echter wel de hoofdfunctie te blijven. Duidelijk is dat het om het beroep gaat van degene die daar ook woont. Ondersteuning ter uitoefening van het beroep, zoals de assistente bij een tandarts, is daarbij toegestaan. Een (groeps)praktijk met meerdere advocaten of (huis)artsen is echter geen aan huis verbonden beroep.

Bouwen (in relatie tot artikel 4, lid 1 onder a van Bijlage II Bor)

De binnenplanse afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen voor het bouwen zijn in principe mogelijkheden die in redelijkheid aanvaardbaar zijn te achten binnen de bestemde functie en ten behoeve van die functie. Er behoeft enkel nader te worden gemotiveerd dat het geen stedenbouwkundige en/of ruimtelijke en/of architectonische afbreuk en/of geen verkeersonveilige situatie (i.v.m. zichtlijn) veroorzaakt. Dit is noodzakelijk doordat de situaties veelal grenzend aan openbaar gebied plaatsvinden. Hierdoor kan een dergelijke binnenplanse afwijkingsmogelijkheid worden toegepast (door een omgevingsvergunning te verlenen) als: Ja, mits ……..

Ten behoeve van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor overkappingen zijn nadere ruimtelijke criteria geformuleerd.

Overkappingen buiten de bouwstrook die worden geplaatst op hoekpercelen, die grenzen aan openbaar gebied:

  • dienen in principe minimaal 3 meter achter de voorgevel te worden gesitueerd;

  • dienen in principe minimaal 1 meter uit de perceelsgrens te staan bij een aangrenzende openbare weg;

  • de overkapping dient transparant te worden vormgegeven en bijvoorbeeld geen zware boeidelen of gesloten wanden richting het openbaar gebied te hebben.

Gebruik (omgevingsvergunning in relatie tot artikel 4, lid 9 van Bijlage II Bor)

De bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen voor (het van het bestemmingsplan afwijkende) gebruik houdt in dat hoewel de hoofdfunctie bijvoorbeeld wonen blijft, er een omgevingsvergunning wordt verleend voor het deels van het wonen afwijkende gebruik.

Deze omgevingsvergunning kan onder meer verleend worden voor een (groeps)praktijk met meerdere advocaten of artsen. Zo’n (groeps)praktijk is, zoals eerder in deze beleidsnotitie uiteengezet, dus geen aan huis verbonden beroep. Een (groeps)praktijk met meerdere werknemers is alleen in zeer beperkte mate mogelijk.

Een dergelijke (groeps)praktijk valt onder een omgevingsvergunning (ten behoeve van het van het bestemmingsplan afwijkende gebruik, zie de standaard bestemmingsplanregels voor de bebouwde kom: artikelen 16.6 onder a, 17.6 onder a en 19.6 onder a).

Er wordt dan gesproken van een (kleinschalig)bedrijf. Ook voor andere bedrijven kan, naast de woonfunctie een omgevingsvergunning (voor het van het bestemmingsplan afwijkende gebruik) worden verleend, mits de woonfunctie de hoofdfunctie blijft. Er dient in ieder individueel geval een gedegen afzonderlijke integrale planologische afweging/beoordeling te worden gepleegd, waaruit blijkt dat de bedrijfsuitoefening ter plaatse geen (onevenredige) nadelige gevolgen heeft voor de omgeving.

Daarom is, zoals eerder omschreven, hier in ieder geval een integrale planologische beoordeling noodzakelijk. Er kan geen omgevingsvergunning worden verleend tenzij daartegen uit planologische overwegingen (onder meer functioneel, verkeer, milieu, stedenbouw) geen bezwaar tegen bestaat.

§ 3.3 Niet-woonfuncties

In een nieuw bestemmingsplan worden de bestaande niet-woonfuncties positief bestemd tenzij er reden is om aan te nemen dat er plannen zijn die anders doen besluiten (als het aannemelijk is dat deze functie binnen een periode van 10 jaren zal verdwijnen, kan de betreffende functie onder het overgangsrecht worden geplaatst). Afhankelijk van de mate van hinder van de betreffende activiteit voor de omgeving, zullen er in het bestemmingsplan al dan niet (beperkte) uitbreidingsmogelijkheden worden geboden.

Daar waar dit stedenbouwkundig, ruimtelijk en functioneel, milieutechnisch en verkeerskundig verantwoord wordt geacht, is uitwisseling/omzetting van functies toegestaan waarbij, indien aan de orde, het aantal woningen bij functiemenging niet mag toenemen.

Bouwen (in relatie tot artikel 4, lid 1, onder b van Bijlage II Bor)

In beginsel wordt in het bestemmingsplan veelal in een (beperkte) uitbreiding voorzien. Afhankelijk van het geval en de concrete omstandigheden van het geval zal naast de bestemmingsplanregeling altijd behoefte blijven bestaan aan het toepassen van artikel 4, lid 1, onder b van Bijlage II Bor. Er kan hiervoor moeilijk standaardbeleid worden toegepast. Per geval zal de afweging moeten worden gemaakt of al dan niet medewerking wordt verleend.

Vanwege de specifieke bebouwing vraagt dit iedere keer om een andere stedenbouwkundige en planologische afweging (inclusief verkeer en milieu).

Gebruik (in relatie tot artikel 4, lid 9 van Bijlage II Bor)

De bestemmingsplanregels voorzien voor een deel in uitwisselbaarheid van functies binnen een bestemming. Binnen bijvoorbeeld de bestemmingen "Maatschappelijk" en “Gemengd” is onderlinge uitwisselbaarheid mogelijk; binnen de bestemming "Gemengd" is ook horeca, categorie I toegestaan.

Gelet op de aard en omvang van de wijziging in gebruik, alsmede de wens en noodzaak om met name de milieu-aspecten goed in de afweging te betrekken zal veelal aan de hand van de concrete situatie c.q. het concrete verzoek de specifieke afweging moeten worden gemaakt. Er is geen algemene beleidslijn te formuleren omdat elke situatie om specifieke afweging vraagt! Bij het verlenen van de vereiste omgevingsvergunning geldt een terughoudend beleid. Alleen in het geval dat kan worden aangetoond, dat de bestaande (geldende) bestemming niet opnieuw ingevuld kan worden, bijvoorbeeld doordat een pand al lange tijd ter verkoop of ter verhuur voor een redelijke prijs wordt aangeboden en toch leegstaat, of indien, gelet op alle relevante aspecten en omstandigheden, er op voorhand geen bezwaren bestaan tegen functiewijziging van de bestaande opstallen, wordt verlening van een omgevingsvergunning (voor een van het bestemmingsplan afwijkend gebruik) overwogen. De verandering mag geen grotere en geen onevenredige inbreuk maken op het woon- en leefklimaat van die omgeving dan de bestaande functie had.

§ 3.4 De binnenplanse flexibiliteitsbepaling

Voorts is er in het bestemmingsplan nog een flexibiliteitsbepaling opgenomen. Met deze bepaling kan een omgevingsvergunning worden verleend waarmee voor maximaal 10 procent van de aangegeven maatvoering kan worden afgeweken.

Deze flexibiliteitsbepaling is bedoeld voor uitzonderingssituaties zoals:

  • -

    afwijkingen tussen de verbeelding en de situatie ter plaatse in de praktijk;

  • -

    onmogelijkheden in maatvoering door de reeds aanwezige bestaande bouw;

  • -

    noodzaak door gewijzigde wet- en regelgeving, waardoor bouwkundige problemen ontstaan zoals bijvoorbeeld bij de wijziging van het Bouwbesluit;

  • -

    het vanuit ruimtelijke, stedenbouwkundige, architectonische, welstandsmatige en/of bouwtechnische overwegingen wenselijk wordt geacht;

Deze flexibiliteitsbepaling dient dan ook toegepast te worden bij uitzondering;

Nee, tenzij …. .

Voorbeelden waar deze ontheffing wel kan worden toegepast zijn onder andere:

  • -

    De bouwhoogte binnen de diverse woonbestemmingen. Deze zijn veranderd naar aanleiding van het gewijzigde Bouwbesluit (hoogte verdiepingsvloer). De maximale bouwhoogte voor de woning (hoofdbouw) is bij Wonen - 1 veranderd naar 9 meter en bij Wonen – 2 naar 10 meter. Voorzover deze nog niet in bestemmingsplannen is opgenomen kan een omgevingsvergunning worden verleend om deze hoogtemaat toch te benaderen.

  • -

    De 3 meter (goot)hoogte bij aan-en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen met een plat dak, die gerealiseerd worden ten behoeve van verblijfsgebied. De verplichte vrije hoogte tussen bovenkant afgewerkte vloer en plafond is in het Bouwbesluit 2003 veranderd naar minimaal 2,60 meter. Een duurzame afwerking van het platte dak, is bouwkundig moeilijk te realiseren binnen een hoogte van 3 meter. In alle redelijkheid is het mogelijk om een duurzame bouwkundige afwerking van het platte dak binnen een hoogte van 3,12(5) meter te realiseren. Deze hoogte dient derhalve in principe als richtlijn bij het verlenen van een dergelijke omgevingsvergunning.

§ 3.5 Status beleidsnotitie en onderbouwen van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4 van Bijlage II Bor

De onderhavige beleidsnotitie wordt vastgesteld als een beleidsregel als bedoeld onder Hoofdstuk 4, Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 4:81 t/m 4:84) en bekendgemaakt op grond van artikel 139 van de Gemeentewet. De vaststelling is gebeurd door het bevoegd orgaan, in dit geval het college van burgemeester en wethouders.

Uitgangspunt bij het maken van de nieuwe bestemmingsplanregeling is dat met de nieuwe bestemmingsplannen verlening van omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 4 van Bijlage II van het Bor nog slechts bij uitzondering en dus goed onderbouwd mogen worden verleend. Helemaal uitsluiten kan niet (de wet gaat immers voor het bestemmingsplan !). Dit betekent dus ook dat daar waar nog geen nieuwe plannen van kracht zijn, in beginsel alleen dan een omgevingsvergunning op grond van artikel 4 van Bijlage II van het Bor wordt verleend als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan past in de opzet voor de nieuwe bestemmingsplannen. De nieuwe regeling wordt in veel gevallen het toetsingskader voor de beoordeling van verzoeken om een omgevingsvergunning. Artikel 4 van Bijlage II van het Bor zal in die gevallen veelal worden toegepast.

De standaardregels zijn qua rechtszekerheid onder te verdelen in 2 groepen:

  • A.

    een groep regels die het bouwen binnen een bepaalde bestemming bij recht toestaat en voor iedereen in de gemeente Hellendoorn gelden.

  • B.

    een groep regels voor gebruik en bouwen die met een omgevingsvergunning (voor het binnenplans afwijken van het bestemmingsplan) kunnen worden verleend en daarbij om een specifieke nadere afweging en motivering vragen.

Ad A.

Conform artikel 4:82 Awb volstaat het bij een besluit slechts te verwijzen naar de vaste gedragsregel voor zover deze is vastgelegd in een beleidsregel.

Voor de groep regels die bij recht zijn toegestaan en waarbij is gehandeld volgens de uitgangspunten, zoals deze zijn beschreven in hoofdstuk 3 van deze notitie, kan worden volstaan met een verwijzing naar de vaste gedragslijn zoals deze is vastgelegd in de beleidsregel (=beleidsnotitie). Aan deze regels kan iedereen in de dorpskernen van de gemeente dezelfde rechten ontlenen, waarbij er sprake is van een grote mate van rechtsgelijkheid.

N.B. Wel dient te worden bezien of er sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het handelen overeenkomstig de beleidsregel onevenredig zou zijn in verhouding tot de gevolgen en de bijzondere omstandigheden (artikel 4:84 Awb).

Ad B.

Voor de situaties waarbij een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan op basis van artikel 4 van Bijlage II van het Bor wordt verleend, kan niet worden volstaan met een verwijzing. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 4 van Bijlage II van het Bor dient de nadere beoordeling in deze situatie deel uit te maken van de onderbouwing. De omvang van de onderbouwing zal voor bouwen in de regel dan ook kleiner zijn dan voor het gebruik, zoals ook blijkt uit de paragrafen 3.2, 3.3 en 3.4.

In een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan conform artikel 4 van Bijlage II van het Bor dient altijd te worden verwezen naar het betreffende artikel waarop verlening van de betreffende omgevingsvergunning is gebaseerd.

Burgemeester en Wethouders van Hellendoorn,

de secretaris de burgemeester

Bijlage 1 Standaard bestemmingsplanregels voor de bebouwde kom

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze voorschriften wordt verstaan onder:

  • a.

    het plan: het bestemmingsplan ………… van de gemeente Hellendoorn;

  • b.

    d e plankaart: de kaart met bijbehorende verklaring, bestaande uit .. blad, schaal 1:…, met het nummer .., waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangegeven;

  • c.

    bestemmingsvlak: een op de plankaart aangegeven vlak met eenzelfde bestemming;

  • d.

    bestemmingsgrens: een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens vormt van een bestemmingsvlak;

  • e.

    bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats;

  • f.

    bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

  • g.

    gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

  • h.

    bebouwing:

    • 1.

      gebouwen;

    • 2.

      bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

  • i.

    bouwvlak: een op de plankaart aangegeven, door bouwgrenzen omsloten vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten;

  • j.

    bouwgrens: een op de plankaart aangegeven lijn, die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze voorschriften toegelaten afwijkingen;

  • k.

    bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

  • l.

    bouwperceelgrens: een grens van het bouwperceel;

  • m.

    bebouwingspercentage: een op de plankaart of in de voorschriften aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

  • n.

    woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

  • o.

    hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen, dan wel gelet op de bestemming, als belangrijkste gebouw valt aan te merken;

  • p.

    bijgebouw: een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw;

  • q.

    aan- of uitbouw: een onderdeel van een hoofdgebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan de hoofdvorm, alsmede bijgebouwen die aan het hoofdgebouw of een aan- of uitbouw zijn verbonden en een direct toegang hebben tot het hoofdgebouw of de aan- of uitbouw;

  • r.

    overkapping: een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet of slechts gedeeltelijk met wanden is omsloten;

  • s.

    erker: een uitbouw van het hoofdgebouw met een beperkte omvang (breedte, hoogte, diepte) en transparante verschijningsvorm waardoor het stedenbouwkundig aanzicht niet wezenlijk wordt beïnvloed;

  • t.

    bestaand bij bebouwingsbepalingen: de hoogte, afstand en vorm van het bouwwerk of het aantal dat op het tijdstip van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan bestaat, wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een bouwvergunning, waarvoor de aanvraag om bouwvergunning voor dat tijdstip is ingediend;

  • u.

    bestaand bij gebruiksbepalingen/doeleinden: het gebruik dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van het betreffende gebruiksverbod, met uitzondering van gebruik dat in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan;

  • v.

    aan huis verbonden beroep: een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, ontwerp-technisch, adviesgevend of daarmee gelijk te stellen dienstverlenend beroep, dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is;

  • w.

    detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

  • x.

    horecabedrijf: een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies worden verstrekt;

  • y.

    horeca, categorie I: een horecabedrijf, waar in hoofdzaak maaltijden worden verstrekt en waar doorgaans geen overlast voor het leefklimaat veroorzaakt wordt, zoals restaurants, hotels en pensions en een horecabedrijf dat vooral is gericht op het overdag en 's avonds verstrekken van in hoofdzaak alcoholvrije dranken en eenvoudige etenswaren, zoals ijssalons, croissanterieën, lunchrooms en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen horecabedrijven;

  • z.

    horeca, categorie II: een horecabedrijf, waar meestal in hoofdzaak alcoholische dranken worden verstrekt, en/of waarvan de exploitatie doorgaans overlast voor het leefklimaat kan veroorzaken en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals cafés, bars, snackbars en cafetaria's;

  • aa.

    horeca, categorie III: een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen wezenlijke onderdelen vormen, zoals discotheken, dancings en nachtclubs;

  • bb.

    (straat)peil:

    • 1.

      voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

    • 2.

      voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein;

  • cc.

    dienstwoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is;

  • dd.

    woon-/zorgcomplex: het complex van woon- en verblijfsruimten en centrale voorzieningen ten behoeve van de huisvesting en verzorging of verpleging van specifieke doelgroepen uit de samenleving die hulp behoeven, zoals een bejaardentehuis, verpleegtehuis of een woongroep voor gehandicapten;

  • ee.

    woonwagen: een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;

  • ff.

    zijgevellijn: de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een gebouw tot aan de perceelgrenzen;

  • gg.

    prostitutiebedrijf: een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig prostitutie wordt verricht. Onder een prostitutiebedrijf worden in ieder geval verstaan: een erotische massagesalon, sekstheater, bordeel of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

  • hh.

    escortbedrijf: het bedrijfsmatig aanbieden van prostitutie, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte van het escortbedrijf wordt uitgeoefend;

  • ii.

    indelingslijn: een als zodanig op de plankaart aangegeven lijn ten behoeve van het indelen van een bouwvlak of bestemmingsvlak met het oog op een verschil in maatvoering en/of gebruik;

  • jj.

    standplaats: een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die op het leidingennet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van de gemeente kunnen worden aangesloten;

  • kk.

    dienstwoning/bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze voorschriften wordt als volgt gemeten:

  • a.

    de lengte/diepte en de breedte van een bouwwerk: tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren);

  • b.

    de oppervlakte van een bouwwerk: tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van scheidsmuren) op 1 m boven peil. Indien geen gevel aanwezig is op 1 m hoogte boven peil geldt de verticale projectie van de zichtbare bebouwing op het bouwperceel;

  • c.

    de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil, zoals bedoeld in de begripsomschrijving (artikel 1 bb), tot aan het hoogste punt van een bouwwerk;

  • d.

    de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Voorzover in de voorschriften een goothoogte is voorgeschreven, is deze niet van toepassing op dakkapellen en op ondergeschikte dakvlakken;

  • e.

    dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; voorzover in de voorschriften een dakhelling is voorgeschreven, is deze niet van toepassing op de horizontale gedeelten van afgeknotte daken, de onderste dakvlakken van mansardekappen, dakkapellen en op dakvlakken welke niet evenwijdig aan de noklijn zijn gelegen.

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels en uitbouwen met een maximum oppervlak van 2m² en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m ten opzichte van de bouwgrens of bestemmingsgrens bedraagt.

BESTEMMINGSBEPALINGEN

Artikel 3 Woondoeleinden

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor woondoeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    wonen;

  • b.

    aan huis verbonden beroepen.

2. Bebouwingsbepalingen

  • a.

    Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

    • 1.

      het aantal woningen bedraagt ten hoogste het bestaande aantal, dan wel het aantal dat op de plankaart in het bouwvlak is opgenomen;

    • 2.

      de woningen worden vrijstaand en/of tot ten hoogste het bestaande aantal aaneen of gestapeld gebouwd, dan wel tot ten hoogste het aantal aaneen of gestapeld dat op de plankaart is aangegeven;

    • 3.

      de hoofdgebouwen worden uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd;

    • 4.

      de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden uitsluitend binnen een bouwvlak en/of op de gronden aangegeven met "te bebouwen erven" gebouwd;

    • 5.

      de afstand van de zijgevels van hoofdgebouwen, niet zijnde zijgevels van de aaneen gebouwde zijden van woningen, tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt ten minste 3 m, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is;

    • 6.

      de afstand tussen de zijgevellijnen van het hoofdgebouw, inclusief de aan- en/of uitbouwen die liggen binnen het bouwvlak, en de perceelsgrenzen van een bouwperceel dient aan beide zijden minimaal 3 meter te bedragen, doch mag samen opgeteld niet minder dan 10 meter, danwel de bestaande afstand indien deze minder dan 10 meter bedraagt, bedragen daar waar op de plankaart aangegeven met “afstand 10 m” ;

    • 7.

      de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden binnen het bouwvlak op een afstand van ten minste 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, dan wel achter het verlengde daarvan gebouwd; deze bepaling geldt niet voor een tweede of volgende naar de weg gekeerde gevel die niet als voorgevel is aan te merken;

    • 8.

      de op de plankaart aangegeven maximale goot- en bouwhoogten en minimale en maximale dakhellingen dienen voor hoofdgebouwen in acht te worden genomen;

    • 9.

      de goot- en bouwhoogte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedragen niet meer dan respectievelijk 3 en 6 m, met dien verstande dat de bouwhoogte op de perceelgrens niet meer mag bedragen dan 3 m en deze mag worden verhoogd in een rechte lijn naar ten hoogste 6 m op een afstand van minimaal 3 m uit de perceelgrens; de dakhelling van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bedraagt niet meer dan 60°;

    • 10.

      de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een woning bedraagt maximaal 75 m², met dien verstande dat:

      • a.

        de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen die liggen binnen het bouwvlak en tussen het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw niet worden meegerekend bij deze oppervlakte;

      • b.

        de gezamenlijke bebouwde oppervlakte met gebouwen niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bedraagt;

    • 11.

      daar waar op de plankaart gebouwen zijn aangeduid als "karakteristiek" dient de bestaande uitwendige hoofdvorm, zoals blijkend uit de goothoogte, bouwhoogte, dakvorm en situering, gehandhaafd te blijven. Lid 2, sub a, onder 8 is niet van toepassing op deze woningen;

    • 12.

      ter plaatse van de aanduiding “stallingsruimten” kunnen garageboxen met een maximale bouwhoogte van 3 m worden gebouwd. De hiervoor gestelde bepalingen ten aanzien van bijgebouwen zijn niet van toepassing op deze gebouwen.

  • b.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt, naast de aanvullende werking van de Bouwverordening zoals opgenomen in de bijzondere bepalingen van dit plan, de volgende bepaling:

    • -

      de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m.

3. Ontheffing van de bebouwingsbepalingen

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld;

ontheffing verlenen van het bepaalde in:

  • a.

    lid 2, sub a, onder 4 en 7:

    • 1.

      ten behoeve van een uitbouw, zijnde een erker, voor de naar de weg gekeerde bouwgrens en/of voor de in lid 2, sub a, onder 7 genoemde 3 m met maximaal 1,5 meter uit de gevel van het hoofdgebouw, voorzover de gevelbreedte van de uitbouw niet meer bedraagt dan 60% van de gevelbreedte(s) van het hoofdgebouw en er een ruimte van minimaal 2 m tussen de aan het openbaar gebied grenzende erfgrens en deze bebouwing overblijft;

    • 2.

      ten behoeve van de plaatsing van ten hoogste één prieeltje of tuinhuisje met een oppervlakte van ten hoogste 10 m² en een bouwhoogte van ten hoogste 3 m, mits deze wordt geplaatst op ten minste 1 m uit de perceelgrens en achter de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan;

    • 3.

      ten behoeve van een aan- of uitbouw met een breedte van ten hoogste 2,5 meter aan de zijgevel van een hoofdgebouw die is gericht naar het openbaar gebied, mits deze wordt gebouwd minimaal 3 m achter het verlengde van de voorgevel en er een ruimte van minimaal 4 m tussen de erfgrens en deze bebouwing overblijft. De vrijstelling wordt uitsluitend verleend indien een aanbouw zoals bedoeld onder a.1 niet is verleend;

    • 4.

      ten behoeve van een overkapping, mits deze overkapping wordt gerealiseerd vanaf minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw, dan wel achter het verlengde daarvan en deze overkapping een bouwhoogte heeft van maximaal 3 m;

  • b.

    lid 2, sub a, onder 8:

    en toestaan dat de goot- en bouwhoogte worden vergroot ten behoeve van een gedeeltelijke kapverhoging over de volledige breedte van de kap van het hoofdgebouw voorzover deze wordt gebouwd op het dakvlak dat afloopt naar de achtergevel van het hoofdgebouw en de gevel van de opbouw minimaal 1 m uit de achtergevel van de woning wordt gebouwd;

  • c.

    lid 2, sub a, onder 9:

    dat de aan- of uitbouwen of het bijgebouwen, voorzover deze aaneengebouwd zijn op de perceelsgrens geen wijkende kap behoeven te krijgen;

  • d.

    lid 2, sub a, onder 10:

    • 1.

      uitsluitend in het geval van verlening van een onteheffing als bedoeld in lid 7, sub b voor het vergroten van het oppervlak tot maximaal 150 m², mits de gezamenlijke oppervlakte met gebouwen niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bouwperceel bedraagt;

    • 2.

      voor het vergroten van het oppervlak tot maximaal 150 m², uitsluitend in het geval dat:

      • -

        de bestaande oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen meer bedraagt dan de 75 m², genoemd in lid 3, sub a onder 10 en;

      • -

        dit meerdere geheel of gedeeltelijk wordt gesloopt en;

      • -

        de oppervlakte van de nieuwbouw ten hoogste de helft bedraagt van de oppervlakte die wordt gesloopt;

  • e.

    lid 2, sub a, onder 11:

    voor het aanbrengen van veranderingen aan de bestaande uitwendige hoofdvorm, mits de karakteristiek van de bebouwing als totaal niet verandert.

4. Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het bebouwingsbeeld;

  • -

    de verkeersveiligheid;

nadere eisen stellen aan:

  • a.

    de plaats van de hoofdgebouwen ten opzichte van andere woningen, waarbij met name wordt bedoeld het bouwen in de voorgevelrooilijn;

  • b.

    de plaats en (goot)hoogte van de gebouwen indien binnen 3 m van de erfgrens wordt gebouwd;

  • c.

    de minimale goothoogte van de hoofdgebouwen indien de goothoogte meer dan 1 m verschilt ten opzichte van bestaande hoofdgebouwen op naastgelegen bouwpercelen;

  • d.

    de plaats van aan- en uitbouwen, bijgebouwen of overkappingen ten opzichte van het hoofdgebouw, indien het bouwplan er toe leidt, dat aan beide kanten van het hoofdgebouw bijgebouwen gerealiseerd gaan worden;

  • e.

    de plaats van andere bouwwerken.

5. Aanlegvergunning karakteristieke panden

  • a.

    Gehele of gedeeltelijke afbraak van de op de plankaart als "karakteristiek" aangeduide gebouwen of andere bouwwerken is uitsluitend toegestaan, indien daarvoor vooraf door Burgemeester en Wethouders een aanlegvergunning is verleend.

  • b.

    De aanlegvergunning wordt alleen verleend, indien ofwel aannemelijk is gemaakt dat herbouw in dezelfde karakteristiek zal plaatsvinden, dan wel indien er, naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders, geen mogelijkheid is om verval van het karakteristieke bouwwerk tegen te gaan.

6. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving. Hieronder wordt in ieder geval begrepen het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige (vakantie)woning.

7. Ontheffing van de gebruiksbepaling

  • a.

    Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 6, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

  • b.

    Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 6 ten behoeve van kleinschalige bedrijfsactiviteiten die in de woning worden uitgeoefend, mits dit geen nadelige invloed heeft op het woonklimaat (milieuhygiëne, parkeren) en de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft. Onder kleinschalige bedrijfsactiviteiten worden begrepen activiteiten in de dienstverlenende of ambachtelijke sfeer waarvoor geen grote opslag of stallingsruimte nodig is en die zijn genoemd in categorie 1 van de Staat van bedrijven, dan wel die daarmee vergelijkbaar zijn.

  • c.

    Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 6 voor het in gebruik nemen van een aanbouw of bijgebouw, danwel (tijdelijke) woonunit, als (tijdelijke) zelfstandige wooneenheid ten gevolge van het gemeentelijk mantelzorgbeleid dat is vastgesteld door de gemeenteraad op 24 april 2007.

8. procedure ontheffingen

Alvorens tot ontheffing als bedoeld onder 3 en 7 over te gaan, worden de volgende procedureregels in acht genomen:

  • 1.

    het ontwerp-besluit ligt vóór de vaststelling van die ontheffing, gedurende een termijn van ten minste zes weken op het gemeentehuis voor belanghebbenden ter inzage;

  • 2.

    de terinzagelegging wordt vooraf bekendgemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze en door publicatie in één of meer in de gemeente verschijnende dag- of nieuwsbladen;

  • 3.

    de bekendmaking houdt in dat belanghebbenden gedurende de onder 1 genoemde termijn aan Burgemeester en Wethouders schriftelijk hun zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit van de ontheffing kenbaar kunnen maken;

  • 4.

    reclamanten worden in staat gesteld hun zienswijzen mondeling toe te lichten;

  • 5.

    indien omtrent het ontwerp-besluit zienswijzen zijn ingediend, wordt het besluit met redenen omkleed;

  • 6.

    Burgemeester en Wethouders delen aan hen die zienswijzen hebben ingediend de beslissing daaromtrent mede.

9. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 6 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten”;

Artikel 4 Woonwagenstandplaats

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor woonwagenstandplaats aangeduide gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    het wonen op standplaatsen ten behoeve van woonwagens;

  • b.

    afschermend groen, indien als zodanig aangeduid op de plankaart.

2. Bebouwingsbepalingen

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a.

    de gebouwen en woonwagens worden gebouwd binnen het bouwvlak;

  • b.

    binnen de bestemming mogen niet meer woonwagens worden geplaatst dan het aantal genoemd op de plankaart;

  • c.

    de maximale oppervlakte per woonwagen bedraagt 50 m²;

  • d.

    de inhoud van andere, niet voor bewoning bestemde gebouwen bedraagt per woonwagen maximaal 50 m³;

  • e.

    de maximale goot- en bouwhoogte van gebouwen bedragen respectievelijk 3 m en 5 m;

  • f.

    de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 3 m.

3. Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het bebouwingsbeeld;

  • -

    de verkeersveiligheid;

nadere eisen stellen aan de plaats van de gebouwen.

4. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving. Hieronder worden in ieder geval begrepen het gebruik voor doeleinden van handel en nijverheid en het gebruik als stort- of opslagplaats anders dan tijdelijk huisvuil of tuinafval ten behoeve van onderhoud.

5. Ontheffing van de gebruiksbepaling

Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 4, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

6. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 4 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.

Artikel 5 Maatschappelijke doeleinden

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor maatschappelijke doeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    onderwijs en educatieve doeleinden;

  • b.

    sociaal/medische doeleinden;

  • c.

    culturele doeleinden;

  • d.

    levensbeschouwelijke doeleinden;

  • e.

    uitsluitend woon-/zorgcomplexen, indien als zodanig aangeduid op de plankaart;

  • f.

    brandweerkazerne, indien als zodanig aangeduid op de plankaart;

  • g.

    uitsluitend opslag ten behoeve van bovengenoemde doeleinden, indien een bouwvlak op de plankaart is aangeduid met “opslag”;

  • h.

    bestaande dienstwoningen;

2. Bebouwingsbepalingen

  • a.

    Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

    • 1.

      de gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;

    • 2.

      de op de plankaart aangegeven minimale en maximale goothoogten, bouwhoogten en dakhellingen, alsmede maximale bebouwingspercentages dienen in acht te worden genomen;

    • 3.

      daar waar op de plankaart het hoofdgebouw is aangeduid als "karakteristiek" dient de bestaande uitwendige hoofdvorm, zoals blijkend uit de goothoogte, nokhoogte, dakvorm en situering, gehandhaafd te blijven. Lid 2 sub a onder 2 is niet van toepassing.

  • b.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt, naast de aanvullende werking van de Bouwverordening zoals opgenomen in de bijzondere bepalingen van dit plan, de volgende bepaling:

    • -

      de bouwhoogte bedraagt binnen het bouwvlak niet meer dan de bouwhoogte van de gebouwen genoemd onder a en daarbuiten niet meer dan 4 m.

3. Ontheffing van de bebouwingsbepalingen

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld;

ontheffing verlenen van het bepaalde in:

  • a.

    lid 2 sub a, onder 1:

    voor het bouwen van bebouwing tot een oppervlakte van 100 m² en een bouwhoogte van 4 m, met uitzondering van karakteristieke bouwwerken, zoals een hooiberg of monument, waarvoor een bouwhoogte van 6 m is toegestaan;

  • b.

    lid 2, sub a, onder 3:

    voor het aanbrengen van veranderingen aan de bestaande uitwendige hoofdvorm, mits de karakteristiek van het gebouw als totaal niet verandert.

4. Aanlegvergunning karakteristieke panden

  • a.

    Gehele of gedeeltelijke afbraak van de op de plankaart als "karakteristiek" aangeduide gebouwen of andere bouwwerken is uitsluitend toegestaan, indien daarvoor vooraf door Burgemeester en Wethouders een aanlegvergunning is verleend.

  • b.

    De aanlegvergunning wordt alleen verleend, indien ofwel aannemelijk is gemaakt dat herbouw in de zelfde karakteristiek zal plaatsvinden, dan wel indien er, naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders, geen mogelijkheid is om verval van het karakteristieke bouwwerk tegen te gaan.

5. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving. Hieronder wordt in ieder geval begrepen de, vanaf omliggende gronden en opstallen, zichtbare opslag en stalling van goederen op erven.

6. Ontheffing van de gebruiksbepaling

  • a.

    Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 5, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

  • b.

    Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 5 voor het gebruik van woon-/zorg-complexen ten behoeve van de overige onder 1 genoemde doeleinden, indien de nadelige effecten op het woon- en leefklimaat hierdoor niet onevenredig worden vergroot.

7. Procedure ontheffing

Alvorens tot ontheffing als bedoeld onder 3 en 6 over te gaan, worden de volgende procedureregels in acht genomen:

  • 1.

    het ontwerp-besluit ligt vóór de vaststelling van die ontheffing, gedurende een termijn van ten minste zes weken op het gemeentehuis voor belanghebbenden ter inzage;

  • 2.

    de terinzagelegging wordt vooraf bekendgemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze en door publicatie in één of meer in de gemeente verschijnende dag- of nieuwsbladen;

  • 3.

    de bekendmaking houdt in dat belanghebbenden gedurende de onder 1 genoemde termijn aan Burgemeester en Wethouders schriftelijk hun zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit van de ontheffing kenbaar kunnen maken;

  • 4.

    reclamanten worden in staat gesteld hun zienswijzen mondeling toe te lichten;

  • 5.

    indien omtrent het ontwerp-besluit zienswijzen zijn ingediend, wordt het besluit met redenen omkleed;

  • 6.

    Burgemeester en Wethouders delen aan hen die zienswijzen hebben ingediend de beslissing daaromtrent mede.

8. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 5 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.

Artikel 6 Bedrijfsdoeleinden

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor bedrijfsdoeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    bedrijven behorende tot de categorieën 1 of 2 van de bij deze voorschriften behorende Staat van bedrijven;

  • b.

    aannemersbedrijf, indien als zodanig aangeduid op de plankaart;

  • c.

    uitsluitend opslag ten behoeve van bovengenoemde doeleinden, indien een bouwvlak op de plankaart is aangeduid met “opslag”;

  • d.

    bestaande dienstwoningen.

2. Beschrijving in hoofdlijnen

Bedrijven genoemd in de Staat van bedrijven en vallende in de categorieën 1 of 2 zijn zonder meer toelaatbaar, mits de volledige bedrijfsvoering plaatsvindt binnen de daarvoor bestemde percelen. Stalling van materialen/voertuigen en dergelijke op openbaar terrein is niet toegestaan.

Voorzover een bedrijf vergelijkbaar is met de bedrijven genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijven, maar daar niet in is genoemd, gaan Burgemeester en Wethouders bij een verzoek om ontheffing als bedoeld in lid 7, sub b, onder 1 na of het betreffende bedrijf, naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woonbebouwing, al dan niet onder te stellen voorwaarden, wat betreft geur, stof, gevaar en geluid, kan worden gelijkgesteld met de bedrijven welke voor de betreffende categorie zijn opgenomen in de Staat van bedrijven.

Voorzover een bedrijf vergelijkbaar is met een bestaand bedrijf en dit bedrijf zich wil vestigen in plaats van het bestaande bedrijf gaan Burgemeester en Wethouders bij een verzoek om ontheffing als bedoeld in lid 7, sub b, onder 2 na of het betreffende bedrijf, naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woonbebouwing, al dan niet onder te stellen voorwaarden, wat betreft geur, stof, gevaar en geluid, kan worden gelijkgesteld met het bestaande bedrijf.

3. Bebouwingsbepalingen

  • a.

    Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

    • 1.

      de gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;

    • 2.

      de op de plankaart aangegeven minimale en maximale goothoogten, bouwhoogten en dakhellingen, alsmede maximale bebouwingspercentages dienen in acht te worden genomen;

    • 3.

      daar waar op de plankaart het gebouw is aangeduid als "karakteristiek" dient de bestaande uitwendige hoofdvorm, zoals blijkend uit de goothoogte, nokhoogte, dakvorm en situering, gehandhaafd te blijven. Lid 3, sub a, onder 2 is niet van toepassing.

  • b.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden, naast de aanvullende werking van de Bouwverordening zoals opgenomen in de bijzondere bepalingen van dit plan, de volgende bepalingen:

    • 1.

      de bouwhoogte bedraagt binnen het bouwvlak niet meer dan de bouwhoogte van de gebouwen zoals genoemd onder a;

    • 2.

      ter plaatse van de aanduiding “verkooppunt van motorbrandstoffen” bedraagt de bouwhoogte niet meer dan 6 m;

    • 3.

      in de overige gevallen bedraagt de bouwhoogte niet meer dan 4 m.

4. Ontheffing van de bebouwingsbepalingen

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld;

ontheffing verlenen van het bepaalde in:

  • a.

    lid 3, sub a, onder 1:

    voor het bouwen van bebouwing tot een oppervlakte van 100 m² en een bouwhoogte van 4 m;

  • b.

    lid 3, sub a, onder 3:

    voor het aanbrengen van veranderingen aan de bestaande uitwendige hoofdvorm, mits de karakteristiek van het gebouw als totaal niet verandert.

5. Aanlegvergunning karakteristieke panden

  • a.

    Gehele of gedeeltelijke afbraak van de op de plankaart als "karakteristiek" aangeduide gebouwen of andere bouwwerken is uitsluitend toegestaan indien daarvoor vooraf door Burgemeester en Wethouders een aanlegvergunning is verleend.

  • b.

    De aanlegvergunning wordt alleen verleend indien ofwel aannemelijk is gemaakt dat herbouw in de zelfde karakteristiek zal plaatsvinden, dan wel indien er, naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders, geen mogelijkheid is om verval van het karakteristieke bouwwerk tegen te gaan.

6. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving. Hieronder wordt in ieder geval begrepen de, vanaf omliggende gronden en opstallen, zichtbare opslag en stalling van goederen op erven.

7. Ontheffing van de gebruiksbepaling

  • a.

    Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 6, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

  • b.

    Burgemeester en Wethouders kunnen met inachtneming van het gestelde in lid 2 ontheffing verlenen het bepaalde in lid 6, voor de vestiging van bedrijven:

    • 1.

      die niet zijn genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijven en die wat betreft geur, stof, geluid en gevaar kunnen worden gelijkgesteld met de bedrijven uit de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijven;

    • 2.

      die vergelijkbaar zijn met de bestaande bedrijven en die wat betreft geur, stof, geluid en gevaar kunnen worden gelijkgesteld met die bedrijven.

8. Procedure Ontheffing

Alvorens tot ontheffing als bedoeld onder 4 en 7 over te gaan, worden de volgende procedureregels in acht genomen:

  • 1.

    het ontwerp-besluit ligt vóór de vaststelling van die ontheffing, gedurende een termijn van ten minste zes weken op het gemeentehuis voor belanghebbenden ter inzage;

  • 2.

    de terinzagelegging wordt vooraf bekendgemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze en door publicatie in één of meer in de gemeente verschijnende dag- of nieuwsbladen;

  • 3.

    de bekendmaking houdt in dat belanghebbenden gedurende de onder 1 genoemde termijn aan Burgemeester en Wethouders schriftelijk hun zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit van de ontheffing kenbaar kunnen maken;

  • 4.

    reclamanten worden in staat gesteld hun zienswijzen mondeling toe te lichten;

  • 5.

    indien omtrent het ontwerp-besluit zienswijzen zijn ingediend, wordt het besluit met redenen omkleed;

  • 6.

    Burgemeester en Wethouders delen aan hen die zienswijzen hebben ingediend de beslissing daaromtrent mede.

9. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 6 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.

Artikel 7 Kantoren

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor kantoren aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    kantoren;

  • b.

    dienstverlening met hoofdzakelijk een baliefunctie die in de regel in winkelpanden wordt uitgeoefend, zoals een kappersbedrijf, een schoonheidssalon, een reisbureau, een bank en een videotheek;

  • c.

    wonen, overeenkomstig de bestaande situatie;

  • d.

    uitsluitend opslag ten behoeve van kantoren, indien een bouwvlak op de plankaart is aangeduid met “opslag”.

2. Bebouwingsbepalingen

  • a.

    Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

    • 1.

      de gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;

    • 2.

      de op de plankaart aangegeven minimale en maximale goothoogten, bouwhoogten en dakhellingen, alsmede maximale bebouwingspercentages dienen in acht te worden genomen;

    • 3.

      daar waar op de plankaart het gebouw is aangeduid als "karakteristiek" dient de bestaande uitwendige hoofdvorm, zoals blijkend uit de goothoogte, nokhoogte, dakvorm en situering, gehandhaafd te blijven. Lid 2, sub a, onder 2 is niet van toepassing.

  • b.

    Indien op de plankaart “te bebouwen erven” zijn aangeduid bij een bouwvlak, dan zijn op deze gronden aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan onder de volgende voorwaarden:

    • 1.

      de goot- en bouwhoogten bedragen niet meer dan respectievelijk 3 m en 6 m;

    • 2.

      de dakhelling bedraagt niet meer dan 60°;

    • 3.

      de gezamenlijke oppervlakte aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw bedraagt maximaal 200 m².

  • c.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt, naast de aanvullende werking van de Bouwverordening zoals opgenomen in de bijzondere bepalingen van dit plan, de volgende bepaling:

    • -

      de bouwhoogte bedraagt binnen het bouwvlak niet meer dan de bouwhoogte van de gebouwen genoemd onder a en daarbuiten niet meer dan 4 m.

3. Ontheffing van de bebouwingsbepalingen

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld;

ontheffing verlenen van het bepaalde in:

  • a.

    lid 2, sub a, onder 1:

    op bouwpercelen zonder “te bebouwen erven” voor het bouwen van ondergeschikte bebouwing tot een oppervlakte van 100 m² en een bouwhoogte van 4 m;

  • b.

    lid 2, sub a, onder 3:

    voor het aanbrengen van veranderingen aan de bestaande uitwendige hoofdvorm, mits de karakteristiek van het gebouw als totaal niet verandert;

4. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving. Hieronder wordt in ieder geval begrepen de, vanaf omliggende gronden en opstallen, zichtbare opslag en stalling van goederen op erven.

5. Ontheffing van de gebruiksbepaling

Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 4, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

6. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 4 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.

Artikel 8 Gemengde doeleinden

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor gemengde doeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    detailhandel;

  • b.

    horeca, categorie I;

  • c.

    dienstverlening met hoofdzakelijk een baliefunctie die in de regel in winkelpanden wordt uitgeoefend, zoals een kappersbedrijf, een schoonheidssalon, een reisbureau, een bank en een videotheek;

  • d.

    wonen, indien een aantal woningen op de kaart is aangegeven en verder overeenkomstig de bestaande situatie;

  • e.

    uitsluitend opslag ten behoeve van bovengenoemde functies, indien een bouwvlak op de plankaart is aangeduid met “opslag”.

2. Bebouwingsbepalingen

  • a.

    Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

    • 1.

      de gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;

    • 2.

      de op de plankaart aangegeven minimale en maximale goothoogten, bouwhoogten en dakhellingen, alsmede maximale bebouwingspercentages en het maximaal aantal woningen dienen in acht te worden genomen;

    • 3.

      daar waar op de plankaart het gebouw is aangeduid als "karakteristiek" dient de bestaande uitwendige hoofdvorm, zoals blijkend uit de goothoogte, nokhoogte, dakvorm en situering, gehandhaafd te blijven. Lid 2, sub a, onder 2 is niet van toepassing.

  • b.

    Indien op de plankaart “te bebouwen erven” zijn aangeduid bij een bouwvlak, dan zijn op deze gronden aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan onder de volgende voorwaarden:

    • 1.

      de goot- en bouwhoogten bedragen niet meer dan respectievelijk 3 m en 6 m;

    • 2.

      de dakhelling bedraagt niet meer dan 60°;

    • 3.

      de gezamenlijke oppervlakte aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw bedraagt maximaal 200 m².

  • c.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt, naast de aanvullende werking van de Bouwverordening zoals opgenomen in de bijzondere bepalingen van dit plan, de volgende bepaling:

    • -

      de bouwhoogte bedraagt binnen het bouwvlak niet meer dan de bouwhoogte van de gebouwen zoals genoemd onder a en daarbuiten niet meer dan 4 m.

3. Ontheffing van de bebouwingsbepalingen

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld;

ontheffing verlenen van het bepaalde in:

  • a.

    lid 2, sub a, onder 1:

    op bouwpercelen zonder “te bebouwen erven” voor het bouwen van ondergeschikte bebouwing tot een oppervlakte van 100 m² en een bouwhoogte van 4 m;

  • b.

    lid 2, sub a, onder 3:

    voor het aanbrengen van veranderingen aan de bestaande uitwendige hoofdvorm, mits de karakteristiek van het gebouw als totaal niet verandert;

4. Aanlegvergunning karakteristieke panden

  • a.

    Gehele of gedeeltelijke afbraak van de op de plankaart als "karakteristiek" aangeduide gebouwen of andere bouwwerken is uitsluitend toegestaan indien daarvoor vooraf door Burgemeester en Wethouders een aanlegvergunning is verleend.

  • b.

    De aanlegvergunning wordt alleen verleend indien ofwel aannemelijk is gemaakt dat herbouw in de zelfde karakteristiek zal plaatsvinden, dan wel indien er, naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders, geen mogelijkheid is om verval van het karakteristieke bouwwerk tegen te gaan.

5. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving. Hieronder wordt in ieder geval begrepen de, vanaf omliggende gronden en opstallen, zichtbare opslag en stalling van goederen op erven.

6. Ontheffing van de gebruiksbepaling

  • a.

    Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 5, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

  • b.

    Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2, sub a onder 2, voorzover het betreft het aantal woningen, of van het bepaalde in lid 5 voor het gebruik van de eerste en hogere verdiepingen van een bestaand hoofdgebouw ten behoeve van ten hoogste één woning, mits dit in overeenstemming is met de door gemeente en provincie gemaakte meerjarenafspraak woningbouw. Voordat deze ontheffing kan worden verleend, moet worden voldaan aan de bepalingen van artikel 76 Wet geluidhinder.

7. Procedure ontheffing

Alvorens tot ontheffing als bedoeld onder 3 en 6over te gaan, worden de volgende procedureregels in acht genomen:

  • 1.

    het ontwerp-besluit ligt vóór de vaststelling van die ontheffing, gedurende een termijn van ten minste zes weken op het gemeentehuis voor belanghebbenden ter inzage;

  • 2.

    de terinzagelegging wordt vooraf bekendgemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze en door publicatie in één of meer in de gemeente verschijnende dag- of nieuwsbladen;

  • 3.

    de bekendmaking houdt in dat belanghebbenden gedurende de onder 1 genoemde termijn aan Burgemeester en Wethouders schriftelijk hun zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit van de ontheffing kenbaar kunnen maken;

  • 4.

    reclamanten worden in staat gesteld hun zienswijzen mondeling toe te lichten;

  • 5.

    indien omtrent het ontwerp-besluit zienswijzen zijn ingediend, wordt het besluit met redenen omkleed;

  • 6.

    Burgemeester en Wethouders delen aan hen die zienswijzen hebben ingediend de beslissing daaromtrent mede.

8. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 5 wordt aangemerkt als een strafbaar feit, in de zin van artikel artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.

Artikel 9 Horeca

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor horeca aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    horeca, categorie I, indien aangeduid met I op de plankaart;

  • b.

    horeca, categorie I en II, indien aangeduid met II op de plankaart;

  • c.

    horeca, categorie I, II en III, indien aangeduid met III op de plankaart;

  • d.

    wonen op de eerste en hogere verdiepingen van gebouwen overeenkomstig de bestaande situatie.

2. Bebouwingsbepalingen

  • a.

    Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

    • 1.

      de gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;

    • 2.

      de op de plankaart aangegeven minimale en maximale goothoogten, bouwhoogten en dakhellingen, alsmede maximale bebouwingspercentages dienen in acht te worden genomen;

    • 3.

      daar waar op de plankaart het gebouw is aangeduid als "karakteristiek" dient de bestaande uitwendige hoofdvorm, zoals blijkend uit de goothoogte, nokhoogte, dakvorm en situering, gehandhaafd te blijven. Lid 2, sub a, onder 2 is niet van toepassing.

  • b.

    Indien op de plankaart “te bebouwen erven” zijn aangeduid bij een bouwvlak, dan zijn op deze gronden aan- en uitbouwen en bijgebouwen toegestaan onder de volgende voorwaarden:

    • 1.

      de goot- en bouwhoogten van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bedragen niet meer dan respectievelijk 3 m en 6 m;

    • 2.

      de dakhelling bedraagt niet meer dan 60°;

    • 3.

      de gezamenlijke oppervlakte aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw bedraagt maximaal 200 m².

  • c.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt, naast de aanvullende werking van de Bouwverordening zoals opgenomen in de bijzondere bepalingen van dit plan, de volgende bepaling:

    • -

      de bouwhoogte bedraagt binnen het bouwvlak niet meer dan de bouwhoogte van de gebouwen zoals genoemd onder a en daarbuiten niet meer dan 4 m.

3. Ontheffing van de bebouwingsbepalingen

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld;

ontheffing verlenen van het bepaalde in:

  • a.

    lid 2, sub a, onder 1:

    op bouwpercelen zonder “te bebouwen erven” voor het bouwen van ondergeschikte bebouwing tot een oppervlakte van 100 m² en een bouwhoogte van 4 m;

  • b.

    lid 2, sub a, onder 3:

    voor het aanbrengen van veranderingen aan de bestaande uitwendige hoofdvorm, mits de karakteristiek van het gebouw als totaal niet verandert;

4. Aanlegvergunning karakteristieke panden

  • a.

    Gehele of gedeeltelijke afbraak van de op de plankaart als "karakteristiek" aangeduide gebouwen of andere bouwwerken is uitsluitend toegestaan indien daarvoor vooraf door Burgemeester en Wethouders een aanlegvergunning is verleend.

  • b.

    De aanlegvergunning wordt alleen verleend indien ofwel aannemelijk is gemaakt dat herbouw in de zelfde karakteristiek zal plaatsvinden, dan wel indien er, naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders, geen mogelijkheid is om verval van het karakteristieke bouwwerk tegen te gaan.

5. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving. Hieronder wordt in ieder geval begrepen de, vanaf omliggende gronden en opstallen, zichtbare opslag en stalling van goederen op erven.

6. Ontheffing van de gebruiksbepaling

  • a.

    Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 5, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

  • b.

    Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 5 voor vormen van horeca uit een hogere categorie dan toegestaan volgens de aanduiding op de plankaart, indien de nadelige effecten op het woon- en leefklimaat in de directe omgeving van de betreffende locatie hierdoor niet onevenredig worden vergroot.

  • c.

    Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 5 voor het gebruik van eerste en hogere verdiepingen van een bestaand hoofdgebouw ten behoeve van ten hoogste één woning, mits dit in overeenstemming is met de door de gemeente en de provincie gemaakte meerjarenafspraak woningbouw. Voordat deze ontheffing kan worden verleend, moet worden voldaan aan de bepalingen van artikel 76 Wet geluidhinder.

7. Procedure ontheffing

Alvorens tot ontheffing als bedoeld onder 3 en 6 over te gaan, worden de volgende procedureregels in acht genomen:

  • 1.

    het ontwerp-besluit ligt vóór de vaststelling van die ontheffing, gedurende een termijn van ten minste zes weken op het gemeentehuis voor belanghebbenden ter inzage;

  • 2.

    de terinzagelegging wordt vooraf bekendgemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze en door publicatie in één of meer in de gemeente verschijnende dag- of nieuwsbladen;

  • 3.

    de bekendmaking houdt in dat belanghebbenden gedurende de onder 1 genoemde termijn aan Burgemeester en Wethouders schriftelijk hun zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit van de ontheffing kenbaar kunnen maken;

  • 4.

    reclamanten worden in staat gesteld hun zienswijzen mondeling toe te lichten;

  • 5.

    indien omtrent het ontwerp-besluit zienswijzen zijn ingediend, wordt het besluit met redenen omkleed;

  • 6.

    Burgemeester en Wethouders delen aan hen die zienswijzen hebben ingediend de beslissing daaromtrent mede.

8. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 5 wordt aangemerkt als een strafbaar feit, in de zin van artikel artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.

Artikel 10 Begraafplaats

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor begraafplaats aangewezen gronden zijn bestemd voor begraafplaats.

2. Bebouwingsbepalingen

  • a.

    Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

    • 1.

      de oppervlakte van gebouwen bedraagt maximaal 250 m²;

    • 2.

      de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 3,5 m en 10 m;

    • 3.

      de gebouwen worden gebouwd op ten minste 5 m afstand van de bestemming woondoeleinden.

  • b.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende bepaling:

    • -

      de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 m.

3. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving.

4. Ontheffing van de gebruiksbepaling

Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 3, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

5. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 3 wordt aangemerkt als een strafbaar feit, in de zin van artikel artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.

Artikel 11 Verkeer en verblijf

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor verkeer en verblijf aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    wegen;

  • b.

    fiets-/voetpad;

  • c.

    verblijfsgebied;

  • d.

    parkeervoorzieningen;

  • e.

    groenvoorzieningen;

  • f.

    speelvoorzieningen;

  • g.

    water;

  • h.

    additionele voorzieningen ten behoeve van het telecommunicatieverkeer, de waterhuishouding, de energie-voorziening en andere doeleinden van openbaar nut.

Het aantal rijstroken van de wegen mag ten hoogste twee bedragen.

2. Bebouwingsbepalingen

  • a.

    Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

  • b.

    De hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 10 m bedragen.

3. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving.

4. Ontheffing van de gebruiksbepaling

Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 3, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

5. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 3 wordt aangemerkt als een strafbaar feit, in de zin van artikel artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.

Artikel 12 Groenvoorzieningen

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor groenvoorzieningen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    plantsoen, gazon, groenstroken;

  • b.

    sport- en speelvoorzieningen;

  • c.

    voet- en fietspaden;

  • d.

    nutsvoorzieningen;

  • e.

    langsparkeren, aansluitend op de bestemming verkeer en verblijf;

  • f.

    water;

  • g.

    onverharde wegen, indien als “onverharde weg” aangeduid op de plankaart.

2. Bebouwingsbepalingen

  • a.

    Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

  • b.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 m.

3. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving.

4. Ontheffing van de gebruiksbepaling

  • a.

    Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 3, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

  • b.

    Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3 ten behoeve van de aanleg van parkeervoorzieningen, zoals haaksparkeren tot een maximum van 5% van het bestemmingsvlak.

  • c.

    Alvorens tot ontheffing als bedoeld onder b over te gaan, worden de volgende procedureregels in acht genomen:

    • 1.

      het ontwerp-besluit ligt vóór de vaststelling van die ontheffing, gedurende een termijn van ten minste zes weken op het gemeentehuis voor belanghebbenden ter inzage;

    • 2.

      de terinzagelegging wordt vooraf bekendgemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze en door publicatie in één of meer in de gemeente verschijnende dag- of nieuwsbladen;

    • 3.

      de bekendmaking houdt in dat belanghebbenden gedurende de onder 1 genoemde termijn aan Burgemeester en Wethouders schriftelijk hun zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit van de ontheffing kenbaar kunnen maken;

    • 4.

      reclamanten worden in staat gesteld hun zienswijzen mondeling toe te lichten;

    • 5.

      indien omtrent het ontwerp-besluit zienswijzen zijn ingediend, wordt het besluit met redenen omkleed;

    • 6.

      Burgemeester en Wethouders delen aan hen die zienswijzen hebben ingediend de beslissing daaromtrent mede.

5. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 3 wordt aangemerkt als een strafbaar feit, in de zin van artikel artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.

Artikel 13 Recreatiedoeleinden

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor recreatiedoeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor zomerhuizen.

2. Bebouwingsbepalingen

  • a.

    Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

    • 1.

      het aantal zomerhuizen bedraagt ten hoogste het bestaande aantal;

    • 2.

      de gebouwen worden uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd;

    • 3.

      de bouw- en goothoogte van de zomerhuizen bedraagt niet meer dan 3 en 6 m;

    • 4.

      de inhoud bedraagt, inclusief eventuele ondergrondse (kelder)ruimten, niet meer dan 250 m³;

    • 5.

      aan- en uitbouwen mogen buiten het bouwvlak worden gebouwd tot ten hoogste 50% van het vloeroppervlak van het bouwvlak.

  • b.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt, naast de aanvullende werking van de Bouwverordening zoals opgenomen in de afstemmingsbepalingen van dit plan, de volgende bepaling:

    • -

      de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m.

3. Ontheffing van de bebouwingsbepalingen

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • -

    de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

  • -

    het straat- en bebouwingsbeeld;

ontheffing verlenen van het bepaalde in:

  • a.

    lid 2, sub a, onder 2:

    voor de bouw van maximaal één vrijstaand tuinhuisje bij een zomerhuis met een maximum inhoud van 25 m3 binnen.

4. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving. Hieronder wordt in ieder geval begrepen het gebruik van een zomerhuis als (permanente) woning.

5. Ontheffing van de gebruiksbepaling

Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 4, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

6. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 4 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.

Artikel 14 Sportieve recreatie

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor sportieve recreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a.

    zaal- en veldsporten;

  • b.

    groenvoorzieningen en water;

  • c.

    parkeervoorzieningen.

2. Bebouwingsbepalingen

  • a.

    Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

    • 1.

      de gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;

    • 2.

      de op de plankaart aangegeven minimale en maximale goothoogten, bouwhoogten en dakhellingen, alsmede maximale bebouwingspercentages dienen in acht te worden genomen;

  • b.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende bepaling:

    • -

      de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m, met uitzondering van lichtmasten, waarvoor een maximum hoogte van 20 m geldt.

3. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving.

4. Ontheffing van de gebruiksbepaling

  • a.

    Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 3, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

  • b.

    Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 3, voor het gebruik van eerste en hogere verdiepingen van een bestaand gebouw ten behoeve van ten hoogste één woning, mits dit in overeenstemming is met de door de gemeente en de provincie gemaakte meerjarenafspraak woningbouw. Voordat deze ontheffing kan worden verleend, moet worden voldaan aan de bepalingen van artikel 76 Wet geluidhinder.

  • c.

    Alvorens tot ontheffing als bedoeld onder b over te gaan, worden de volgende procedureregels in acht genomen:

    • 1.

      het ontwerp-besluit ligt vóór de vaststelling van die ontheffing, gedurende een termijn van ten minste zes weken op het gemeentehuis voor belanghebbenden ter inzage;

    • 2.

      de terinzagelegging wordt vooraf bekendgemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze en door publicatie in één of meer in de gemeente verschijnende dag- of nieuwsbladen;

    • 3.

      de bekendmaking houdt in dat belanghebbenden gedurende de onder 1 genoemde termijn aan Burgemeester en Wethouders schriftelijk hun zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit van de ontheffing kenbaar kunnen maken;

    • 4.

      reclamanten worden in staat gesteld hun zienswijzen mondeling toe te lichten;

    • 5.

      indien omtrent het ontwerp-besluit zienswijzen zijn ingediend, wordt het besluit met redenen omkleed;

    • 6.

      Burgemeester en Wethouders delen aan hen die zienswijzen hebben ingediend de beslissing daaromtrent mede.

5. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 3 wordt aangemerkt als een strafbaar feit, in de zin van artikel artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.

Artikel 15 Nutsdoeleinden

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart voor nutsdoeleinden aangewezen gronden zijn bestemd voor doeleinden die een openbaar nut dienen, zoals rioolgemaaltjes, transformatorhuisjes en bebouwing ten behoeve van telecommunicatie of gasvoorzieningen.

2. Bebouwingsbepalingen

  • a.

    Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

    • 1.

      de gebouwen worden gebouwd binnen het bouwvlak;

    • 2.

      de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan respectievelijk 3 m en 6 m;

    • 3.

      daar waar op de plankaart het gebouw is aangeduid als "karakteristiek" dient de bestaande uitwendige hoofdvorm, zoals blijkend uit de goothoogte, nokhoogte, dakvorm en situering, gehandhaafd te blijven. Lid 2, sub a, onder 2 is niet van toepassing.

  • b.

    Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende bepaling:

    • -

      de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 10 m.

3. Ontheffing van de bebouwingsbepalingen

Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 2, sub a, onder 3 voor het aanbrengen van veranderingen aan de bestaande uitwendige hoofdvorm, mits de karakteristiek van het gebouw als totaal niet verandert.

4. Gebruiksbepaling

Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met de in lid 1 gegeven doeleindenomschrijving.

5. Ontheffing van de gebruiksbepaling

Burgemeester en Wethouders verlenen ontheffing van het bepaalde in lid 4, indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

6. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 4 wordt aangemerkt als een strafbaar feit, in de zin van artikel artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten.

Artikel 16 Waardevol groen (dubbelbestemming)

1. Doeleindenomschrijving

De op de plankaart met "waardevol groen" aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en herstel van landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle groenvoorzieningen en tuinen.

2. Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op de landschappelijke inpassing nadere eisen stellen aan:

- de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3. Voorschriften betreffende uitvoering van werken en werkzaamheden

  • a.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van Burgemeester en Wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

    • -

      het aanbrengen van bomen en inheemse heesterbeplanting;

    • -

      het ophogen, bodem verlagen, afgraven of ontginnen van gronden;

    • -

      het vellen, rooien van houtgewas, opgaande begroeiing of wegbeplanting, met uitzondering van bomen die op grond van de Kapverordening kapvergunningplichtig zijn;

    • -

      het aanbrengen van verharding.

  • b.

    De onder a bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft, die het normale onderhoud tot doel hebben.

  • c.

    De onder a bedoelde vergunning mag niet worden verleend indien hierdoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden van het gebied.

4. Strafbepaling

Overtreding van het bepaalde in lid 3 onder a wordt aangemerkt als een strafbaar feit, in de zin van artikel artikel 1a, onder 2 van de Wet op economische delicten”;.

AFSTEMMINGSBEPALINGEN

Artikel 17 Uitsluiting aanvullende werking Bouwverordening

De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9 lid 2 van de Woningwet buiten toepassing,

behoudens ten aanzien van de volgende onderwerpen:

  • a.

    richtlijnen voor de verlening van vrijstelling van de stedenbouwkundige bepalingen (artikel 2.5.1);

  • b.

    anti-cumulatiebepaling (artikel 2.5.2);

  • c.

    bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer (artikel 2.5.3);

  • d.

    bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten (artikel 2.5.4);

  • e.

    ruimte tussen bouwwerken (artikel 2.5.17);

  • f.

    erf- en terreinafscheidingen (artikel 2.5.18);

  • g.

    bouwen nabij bovengrondse hoogspanningsleidingen en ondergrondse hoofdtransportleidingen (artikel 2.5.19);

  • h.

    parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen (artikel 2.5.30).

Artikel 18 Afstemming welstand

Voor de bouwonderdelen van gebouwen of bouwwerken, niet zijnde vrije bouwwerken als bedoeld in de Woningwet, die niet zijn genoemd in de voorschriften van dit bestemmingsplan zoals onder andere dakkapellen, is enkel het welstandsbeleid van de gemeente Hellendoorn bepalend voor de wijze waarop deze kunnen worden gebouwd. Uitzondering hierop zijn de dakkapellen op aanbouwen en uitbouwen en bijgebouwen, die binnen 3 meter van de perceelsgrens zouden komen te liggen. Deze zijn immers niet toegestaan. (voorwaarde dat dakvlak in rechte lijn wordt getrokken)

Artikel 19 Toepassing artikel 8, lid 2 van de Wet openluchtrecreatie

De bestemmingen verzetten zich tegen het gebruik als bedoeld in artikel 8, lid 2 van de Wet op de openluchtrecreatie.

OVERIGE BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 20 Ontheffingsbevoegdheid

  • 1.

    Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van de desbetreffende bepalingen van het plan en toe te staan dat:

    • a.

      kleine, niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, wachthuisjes (abri's), telefooncellen, fietsenstallingen, weegbruggen en dienstgebouwtjes voor onderhoud of gebruik van openbaar groen, wegen of speelplaatsen, in afwijking van de bestemming volgens het plan worden gebouwd, voorzover deze gebouwtjes geen grotere oppervlakte hebben dan 25 m² en geen grotere goothoogte dan 3 m en bouwhoogte van 5 m hebben;

    • b.

      van de in het bestemmingsplan aangegeven bestemmingsgrenzen in geringe mate wordt afgeweken, voorzover zulks bij de definitieve uitmeting noodzakelijk blijkt voor een goede uitvoering van het plan, mits de afstand van de bouwgrenzen tot de grenzen van de weg niet wordt verminderd;

    • c.

      van de voorgeschreven maten tot een maximum van 10% wordt afgeweken, mits de afstand van de bouwgrenzen tot de grenzen van de weg niet wordt verminderd;

    • d.

      ten aanzien van de bouwhoogte van antenne-installaties en -masten mag worden afgeweken voorzover de bouwhoogte niet meer dan 40 m ten opzichte van het maaiveld bedraagt;

    • e.

      buiten het bouwvlak wordt gebouwd voorzover volledig beneden het peil wordt gebouwd en:

      • -

        een verticale diepte van 6 m niet wordt overschreden;

      • -

        het maaiveld wordt afgewerkt op een wijze die past binnen de bestemming;

      • -

        er geen onevenredige toename van de parkeerdruk plaatsvindt.

  • 2.

    De ontheffingen als bedoeld in lid 1 worden niet verleend indien:

    • a.

      daardoor op enig aangrenzend terrein de realisering van het bestemmingsplan wordt belemmerd;

    • b.

      daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende erven;

    • c.

      het stedenbouwkundig beeld hierdoor in ernstige mate wordt verstoord.

  • 3.

    Alvorens tot ontheffing als bedoeld onder lid 1 onder d over te gaan, worden de volgende procedureregels in acht genomen:

    • a.

      het ontwerp-besluit ligt vóór de vaststelling van die ontheffing, gedurende een termijn van ten minste zes weken op het gemeentehuis voor belanghebbenden ter inzage;

    • b.

      de terinzagelegging wordt vooraf bekendgemaakt op de in de gemeente gebruikelijke wijze en door publicatie in één of meer in de gemeente verschijnende dag- of nieuwsbladen;

    • c.

      de bekendmaking houdt in dat belanghebbenden gedurende de onder a genoemde termijn aan Burgemeester en Wethouders schriftelijk hun zienswijzen omtrent het ontwerp-besluit van de ontheffing kenbaar kunnen maken;

    • d.

      reclamanten worden in staat gesteld hun zienswijzen mondeling toe te lichten;

    • e.

      indien omtrent het ontwerp-besluit zienswijzen zijn ingediend, wordt het besluit met redenen omkleed;

    • f.

      Burgemeester en Wethouders delen aan hen die zienswijzen hebben ingediend de beslissing daaromtrent mede.

Artikel 21 Prostitutiebeleid

Onder strijdig gebruik als bedoeld in de gebruiksbepalingen van dit bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen het gebruik van de gronden en bouwwerken voor prostitutie- of escortbedrijf.

Artikel 22 Overgangsbepalingen

A. Overgangsbepalingen ten aanzien van het bouwen

Bouwwerken, welke ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan bestaan, dan wel nadien worden gebouwd of kunnen worden gebouwd, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, en die in enigerlei opzicht van het plan afwijken, mogen, mits de bestaande afwijkingen naar de aard en omvang niet worden vergroot:

  • 1.

    gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

  • 2.

    na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om vergunning daarvoor geschiedt binnen één jaar na het tenietgaan.

B. Overgangsbepalingen ten aanzien van het gebruik

Het gebruik van gronden en/of bouwwerken dat bestond ten tijde van het van kracht worden van het verbod tot gebruik in strijd met de aan die gronden toegekende bestemming, en dat in enigerlei opzicht afwijkt van het plan, mag worden voortgezet, zo lang en voorzover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot.

C. Uitzonderingen op het overgangsrecht

  • 1.

    Het gestelde onder lid A is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan, doch zonder of in afwijking van de daarvoor geldende vergunning zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

  • 2.

    Het gestelde onder lid B is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangs-bepalingen van dat plan.

Artikel 23 Slotbepaling

Deze voorschriften kunnen worden aangehaald als "Voorschriften behorende bij …. , van de gemeente Hellendoorn".

STAAT VAN BEDRIJVEN

De gebruikte afkortingen zijn:

  • < : kleiner dan;

  • >+ : groter dan of gelijk aan;

  • - : tot;

  • cat. : categorie;

  • i.e. : inwonersequivalenten;

  • n.e.g. : niet elders genoemd;

  • o.c. : opslagcapaciteit;

  • p.c. : productiecapaciteit;

  • p.o. : productie-oppervlakte;

  • v.c. : verwerkingscapaciteit;

  • t/u : ton per uur

SBI-code

OMSCHRIJVING

Geur

Stof

Geluid

Gevaar

Afst.

Cat.

 
 
 
 
 
 
 
 

01

LANDBOUW EN DIENSTVERLENING T.B.V. DE LANDBOUW

 
 
 
 
 
 

0141.1

hoveniersbedrijven

10

10

10

10

10

1

15

VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN

 
 
 
 
 
 

1581

Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen:

 
 
 
 
 
 

1581

- v.c. < 2500 kg meel/week

30

10

30

10

30

2

1593 t/m 1595

Vervaardiging van wijn, cider e.d.

10

0

30

0

30

2

18

VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT

 
 
 
 
 
 

182

Vervaardiging van kleding en -toebehoren (excl. Van leer)

10

10

30

30

30

2

20

HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D.

 
 
 
 
 
 

205

Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken

10

30

30

0

30

2

22

UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA

 
 
 
 
 
 

221

Uitgeverijen (kantoren)

0

0

10

0

10

1

2222.6

Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen

10

0

30

0

30

2

2223

Grafische afwerking

10

0

10

0

10

1

2223

Binderijen

30

0

30

0

30

2

2224

Grafische reproduktie en zetten

30

0

10

10

30

2

2225

Overige grafische aktiviteiten

30

0

30

10

30

2

223

Reproduktiebedrijven opgenomen media

10

0

10

0

10

1

24

VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUKTEN

 
 
 
 
 
 

2442

Farmaceutische produktenfabrieken:

 
 
 
 
 
 

2442

- verbandmiddelenfabrieken

10

10

30

10

30

2

28

VERVAARD. VAN PRODUKTEN VAN METAAL (EXCL. MACH./TRANSPORTMIDD.)

 
 
 
 
 
 

33

VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN

 
 
 
 
 
 

33

Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d.

30

0

30

0

30

2

 
 
 
 
 
 
 
 

36

VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G.

 
 
 
 
 
 

362

Fabricage van munten, sieraden e.d.

30

10

10

10

30

2

363

Muziekinstrumentenfabrieken

30

10

30

10

30

2

50

HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS

 
 
 
 
 
 

501, 502, 504

Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven

10

0

30

10

30

2

5020.4

Autobeklederijen

10

10

10

10

10

1

5020.5

Autowasserijen

10

0

30

0

30

2

503, 504

Handel in auto- en motorfiets-onderdelen en -accessoires

0

0

30

10

30

2

505

Benzineservisestations:

 
 
 
 
 
 

505

zonder LPG

30

0

30

30

30

2

51

GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING

 
 
 
 
 
 

511

Handelsbemiddeling (kantoren)

0

0

10

0

10

1

5121

Grth in akkerbouwprodukten en veevoeders

30

30

30

30

30

2

5122

Grth in bloemen en planten

10

10

30

0

30

2

5125, 5131

Grth in ruwe tabak, groenten, fruit en consumptie-aardappelen

30

30

30

30

30

2

5132, 5133

Grth in vlees, vleeswaren, zuivelprodukten, eieren, spijsoliën

10

0

30

30

30

2

5134

Grth in dranken

0

0

30

0

30

2

5135

Grth in tabaksprodukten

10

0

30

0

30

2

5136

Grth in suiker, chocolade en suikerwerk

10

10

30

0

30

2

5137

Grth in koffie, thee, cacao en specerijen

30

10

30

0

30

2

5138, 5139

Grth in overige voedings- en genotmiddelen

10

10

30

30

30

2

514

Grth in overige consumentenartikelen

10

10

30

10

30

2

5156

Grth in overige intermediaire goederen

10

10

30

10

30

2

5162

Grth in machines en apparaten

0

0

30

0

30

2

517

Overige grth (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d.

0

0

30

0

30

2

52

REPARATIE T.B.V. PARTICULIEREN

 
 
 
 
 
 

527

Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen)

10

0

10

10

10

1

60

VERVOER OVER LAND

 
 
 
 
 
 

6022

Taxibedrijven, taxistandplaatsen

0

0

30

0

30

2

71

VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN

 
 
 
 
 
 

711

Personenautoverhuurbedrijven

10

0

30

10

30

2

714

Verhuurbedrijven voor roerende goederen n.e.g.

10

10

30

10

30

2

72

COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE

 
 
 
 
 
 

72

Computerservice- en informatietechnologie-bureau's e.d.

0

0

10

0

10

1

73

SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK

 
 
 
 
 
 

731

Natuurwetenschappelijk speur- en ontwikkelingswerk

30

10

30

30

30

2

732

Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek

0

0

10

0

10

1

74

OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING

 
 
 
 
 
 

74

Overige zakelijke dienstverlening: kantoren

0

0

10

0

10

1

7481.3

Foto- en filmontwikkelcentrales

10

0

30

10

30

2

7484.4

Veilingen voor huisraad, kunst e.d.

0

0

10

0

10

1

90

MILIEUDIENSTVERLENING

 
 
 
 
 
 

9000.3

Afvalverwerkingsbedrijven:

 
 
 
 
 
 

9000.3

- verwerking fotochemisch en galvano-afval

10

10

30

10

30

2

93

DIVERSE ORGANISATIES

 
 
 
 
 
 

9301.2

Chemische wasserijen en ververijen

30

0

30

30

30

2

9301.3

Wasverzendinrichtingen

0

0

30

0

30

2

Bijlage 2 Schuttingenbeleid

Hoofdstuk 1 Inleiding

Het komt geregeld voor dat er wensen zijn om niet-vergunningvrije erf- of perceelafscheidingen te plaatsen met overschrijding van de voorgevelrooilijn. Hierbij moet gedacht worden aan situaties bij onder andere hoekwoningen waarbij aan de zijkant van de woning en grenzend aan het openbaar gebied een erfafscheiding wordt geplaatst.

Woonwijken kenmerken zich door een intensieve bebouwingsdichtheid in Nederland, hetgeen in de gemeente Hellendoorn niet anders is. Wat nog een open karakter heeft, is van grote invloed op de beleving van en de leefbaarheid in de wijk. Juist voor deze leefbaarheid is het van groot belang om voldoende kwaliteit van het openbaar gebied te behouden. Daarentegen speelt de woonwens van de bewoners. Die willen op het perceel een zo maximaal mogelijk woongenot.

Volgens artikel 5:48 van het Burgerlijk Wetboek heeft iedere terreineigenaar het recht om zijn erf te omheinen. Daarbij moet hij echter de eventuele beperkingen volgens gemeentelijke regels in acht nemen. Erf- of perceelafscheidingen kunnen in beginsel (omgevings)vergunningvrij worden geplaatst indien wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2, onderdeel 12 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Voor het plaatsen van niet-omgevingsvergunningvrije erf- of perceels afscheidingen, zoals bedoeld in eerder genoemde situaties, kunnen deze indien gewenst, worden vergund met een omgevingsvergunning op basis van de geldende bestemmingsplannen waarin deze afwijkingsbevoegdheid is opgenomen.

Voor zover het ter plaatse geldende bestemmingsplan hierin nog niet voorziet, kan een dergelijke omgevingsvergunning worden verleend op basis van artikel 4, lid 3 van Bijlage II van het Bor. De bepaling hierover in de “Bouwverordening gemeente Hellendoorn “(in casu artikel 2.5.18 lid 2) heeft een aanvullende werking (gelet ook op het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de Woningwet).

n.b. Artikel 2.5.18 van de “Bouwverordening gemeente Hellendoorn” luidt als volgt:

1. Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten.

2. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.

Daarnaast is er een gemeentelijk afwegings- cq. toetsingskader getiteld “Schuttingenbeleid gemeente Hellendoorn”. Deze notitie is op 7 maart 2007 in werking getreden.

Op deze manier is duidelijkheid gecreëerd naar de inwoners van de gemeente binnen welke criteria de bedoelde omgevingsvergunning kan worden verleend. Bij de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is deze beleidsnotitie geactualiseerd.

Vanwege de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) per 1 oktober 2010, en de veranderingen in wet- en regelgeving die dat met zich heeft gebracht, moet deze notitie andermaal geactualiseerd worden.

Hoofdstuk 2. Erfafscheidingen en de mogelijkheden ervan

§ 2.1 Vergunningvrije erfafscheidingen

In artikel 2, lid 12 van Bijlage II van het Bor is bepaald dat erf-of perceelafscheidingen omgevingsverguningvrij gerealiseerd mogen worden, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a.

    niet hoger dan 1 m1, of;

  • b.

    niet hoger dan 2 m1, en

    1° op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat;

    2° achter de voorgevelrooilijn;

    3° op meer dan 1 m1 van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Gezien het voornoemde wordt er omgevingsvergunningvrij geen ruimte gegeven voor het bouwen met een grotere hoogte dan één meter bij overschrijding van de voorgevelrooilijn en/of grenzend aan het openbaar gebied. Daarvoor is altijd een omgevingsvergunning nodig.

Of een omgevingsvergunning kan worden verleend hangt van een aantal factoren af.

§ 2.2 Erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn en/of grenzend aan openbaar gebied

§ 2.2.1 inleiding

In beginsel kan gesteld worden dat niet met een overschrijding van de voorgevelrooilijn, hoger dan één meter mag worden gebouwd. Er bestaan echter wel mogelijkheden om, indien dit gewenst is, hier medewerking aan te verlenen.

§ 2.2.2 Mogelijkheden om een omgevingsvergunning te verlenen.

In diverse geldende bestemmingsplannen is een mogelijkheid opgenomen om een omgevingsvergunning (voor het binnenplans afwijken van het bestemmingsplan) te verlenen.

Voor zover het geldende bestemmingsplan hierin nog niet voorziet, kan deze ontheffing worden verleend op basis van artikel 4 lid 3 van Bijlage II van het Bor, waarvan de tekst luidt:

Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerst lid, onder a, onder 2°, van de wat van het bestemmingsplan of beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 10 m, en

b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²

Daarnaast is er nog de aanvullende werking van artikel 2.5.18 van de “Bouwverordening gemeente Hellendoorn “(op basis van art 9, lid 2 Woningwet).

§ 2.2.3. artikel 4, lid 3 van Bijlage II van het Bor

Door de gemeente is een “beleidsnotitie vrijstelling artikel 19, lid 3 Wet op de Ruimtelijke Ordening” vastgesteld, welke in 2001 in werking is getreden. In 2005 is deze beleidsnotitie geactualiseerd, bijgesteld en gewijzigd op basis van de eerste ervaringen met het toepassen ervan, de definitieve vaststelling van twee bestemmingsplannen (Hellendoorn-dorp en Nijverdal West Noetsele) en gewijzigde wet- en regelgeving. In juli 2008 is de beleidsnotitie nogmaals geactualiseerd naar aanleiding van de nieuwe wetgeving voor ruimtelijke ordening. Naar aanleiding van het inwerkingtreden van de Wabo per 1 oktober 2010, dient de beleidsnotitie wederom te worden geactualiseerd.

Het bouwen van een erf- of perceelafscheiding moet worden gekwalificeerd als het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, waarvoor in de nieuwe standaardbestemmingsplanregels voor de bebouwde kom een afstemmingsbepaling is opgenomen.

De regeling hierin luidt als volgt:

  • b.

    Voor het bouwen van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden - naast de aanvullende werking van de bouwverordening als bedoeld in artikel 27 van deze regels - de volgende regels:

    1. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m, met uitzondering van vlaggenmasten die tot een hoogte van 10 m zijn toegestaan

Zoals is vastgelegd in artikel 9, lid 2 van de Woningwet blijft derhalve de aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien van erf- en terreinafscheidingen, van overeenkomstige toepassing.

In dat kader is, ten aanzien van erf- en terreinafscheidingen, in artikel 2.5.18 van de bouwverordening bepaald:

  • 1.

    Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn niet toegelaten.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.

§ 2.2.4. Conclusie

Het vorenstaande betekent dat voor erf- en terreinafscheidingen, die de voorgevelrooilijn overschrijden en grenzen aan het openbaar gebied, er mogelijkheden kunnen zijn om een omgevingsvergunning te verlenen. Artikel 4, lid 3 van Bijlage II van het Bor biedt daarvoor de gemeentelijke beleidsruimte om een omgevingsvergunning te verlenen voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan.

Er bestaat de behoefte om invulling te geven aan een afwegings- cq. toetsingskader die kan worden gebruikt bij het beoordelen van ontheffingsaanvragen voor erfafscheidingen die grenzen aan het openbaar gebied. Op deze manier ontstaat er duidelijkheid over de criteria waaronder de bedoelde ontheffing kan worden verleend.

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten beleidslijn voor erf- of perceelafscheidingen met overschrijding van de voorgevelrooilijn en/of grenzend aan het openbaar gebied

§ 3.1. Inleiding

Om de kaders van de planologische ruimte voor een perceel te bepalen cq. vast te leggen, zullen uitgangspunten worden geformuleerd die gebruikt kunnen worden bij de verlening van een omgevingsvergunning voor erfafscheidingen.

Vaak zijn er wensen om niet vergunningvrije erf- of terreinafscheidingen te plaatsen met overschrijding van de voorgevelrooilijn. Hier moet onder andere worden gedacht aan situaties bij hoekwoningen waarbij aan de zijkant van de woning en grenzend aan het openbaar gebied een erfafscheiding wordt geplaatst.

Woonwijken kenmerken zich door een intensieve bebouwingsdichtheid in Nederland, hetgeen in de gemeente Hellendoorn niet anders is. Wat nog een open karakter heeft, is van grote invloed op de beleving van en leefbaarheid in de wijk. Juist voor deze beleving en leefbaarheid is het van groot belang om voldoende kwaliteit van het openbaar gebied te behouden en te ervaren. Vanuit ruimtelijk oogpunt is het gewenst te voorkomen dat het openbaar gebied wordt begrensd door lange, in een rechte lijn gesloten wanden.

Daarentegen speelt de woonwens van de bewoners. Die willen op het perceel een zo maximaal mogelijk woongenot.

Doelstelling is om een eenduidig juridisch kader te scheppen voor het plaatsen van aan het openbaar gebied grenzende erfafscheidingen waarbij het bebouwingsbeeld en de kwalitatieve beleving vanuit het openbaar gebied niet onevenredig wordt aangetast.

Het is dus van belang hier nader beleid voor te ontwikkelen, waardoor duidelijkheid over de toetsingscriteria ontstaan.

§ 3.2 Toetsingskader voor de omgevingsvergunning op basis van het geldende bestemmingsplan en/of de artikel 4, lid 3 van Bijlage II van het Bor.

Bij het eventueel toestaan van erfafscheidingen, waarbij de voorgevelrooilijn wordt overschreden en/of deze grenst aan het openbaar gebied, zal rekening moeten worden gehouden met de privacywens van de individuele burger, maar van primair belang is echter de kwalitatieve beleving vanuit het openbaar gebied.

Vanuit ruimtelijk oogpunt is het van belang om ten behoeve van de beleving vanuit het openbaar gebied te zorgen voor een duurzame en hoogwaardig kwalitatieve oplossing. Hierbij wordt het vanuit stedenbouwkundig oogpunt belangrijk geacht dat aandacht wordt besteed aan een duurzame toekomstwaarde van de erfafscheiding. Hierdoor moet worden voorkomen dat rommelige situaties en aaneensluitende gesloten wanden ontstaan.

Stedenbouwkundig gezien is de meest gewenste duurzame oplossing een zowel bij het huis passende steen als een passende architectonische uitvoering van de erfafscheiding. Qua vormgeving zal het dan een erfafscheiding moeten betreffen waarin met een voldoende hoge borstwering en een afwisseling van penanten, eenheid en geleding ontstaat. In deze meest gewenste uitvoering is het mogelijk tussen de penanten naast een (begroeid) rasterwerk ook een schuttingdeel toe te staan.

Een second best alternatief kan een in hout uitgevoerde erfafscheiding zijn, hetgeen prijstechnisch lager ligt en ook in de praktijk veelal gangbaar is. Door een schuttingelement te laten opvolgen door een (begroeid) rasterdeel kan een gewenste geleding in de vormgeving worden gebracht.

Het is derhalve voorstelbaar dat bij het goed uitvoeren van een erfafscheiding, dit in veel gevallen onder een kwaliteitsvoorwaarde aanvaardbaar kan worden geacht.

Voorwaarde hierbij is, dat een tuin niet alleen privacy mag bieden aan de bewoner, maar ook dat de erfafscheiding enigszins een kwalitatieve beleving van de leefruimte biedt aan de gebruikers van het openbare gebied. Hier wordt onder verstaan dat voorkomen moet worden dat in een rechte lijn een geheel gesloten wand ontstaat op de grens met het openbaar gebied. Verder is het, ter voorkoming van een rommelig aanblik, van belang dat er duurzame materialen worden gebruikt.

De te benoemen criteria zijn onder te verdelen in ruimtelijke criteria vanuit de vormgeving en in welstandscriteria vanuit de materiaalkeuze. De uitgangspunten en criteria die ten grondslag liggen aan het toetsingskader betekenen het volgende:

Ruimtelijke criteria:

  • -

    Zijtuinen mogen vanaf 3 m1 achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw in beperkte mate afgesloten worden. Dit is conform de afstandsnorm voor gebouwen achter de voorgevel op basis van het gemeentelijke beleid voor het met een omgevingsvergunningen afwijken van het bestemmingsplan.

  • -

    De maximale hoogte is 2 m1, zodat bij enig hellend of hoger gelegen terrein toch nog gebruik kan worden gemaakt van gebruikelijke houten prefab-elementen met een hoogte van 1,8 m1.

  • -

    Volledige geslotenheid over de gehele lengte van de erfafscheiding is niet acceptabel. Van belang is dat de voorbijganger het niet ervaart en/of niet beleeft als een lange (in één lijn) gesloten rechte wand. De kwaliteit van de beleving is te realiseren door een evenwichtige geleding aan te brengen in de erfafscheiding. Dit kan zowel in materiaal (metselwerk met penanten) als door afwisseling van gesloten en open delen (houten erfafscheiding) die op termijn veelal begroeit zullen worden.

  • -

    Een rommelige situatie en contrasterende uitvoering is niet acceptabel. Dit volgt uit vormgeving, materiaalkeuze en kleurstelling die zoveel mogelijk bij de woning dient te passen en een goede kwaliteit van de materialen.

Welstandcriteria:

Voor een erf- of perceelafscheiding, als bouwwerk geen gebouw zijnde, gelden de volgende criteria voor de redelijke eisen van welstand:

  • Materiaal overeenkomstig een eventueel aangrenzende erf- of perceelafscheiding, overeenkomstig het hoofdgebouw en/of uitgevoerd in metselwerk of hout of ander natuurlijk en niet te snel verwerend materiaal.

  • Toepassing van gebruikelijke materialen: dus niet toegestaan zijn beton (uitgezonderd beton palen), kunststof, bouwhekken, staal (uitgezonderd gegalvaniseerd gazen hekwerk), golfplaten, damwandprofiel en dergelijke.

  • Kleur afgestemd op het hoofdgebouw of uitgevoerd in donkere kleurtinten. Geen opvallend kleurgebruik. Een terughoudend kleurgebruik en vermijden van contrast met bebouwing in de omgeving.

  • Bij uitvoering in hout de planken zodanig toepassen dat geen beeld van een dichte plaat ontstaat (zoals potdekseltechniek).

  • Bij uitvoering in metselwerk uitvoering conform het hoofdgebouw, eventueel daarboven metalen stijlen met gazen hekwerk in een donkere kleur of schotten van houten planken tussen gemetselde penanten.

  • De erf- of terreinafscheiding voldoet aan de eventuele aanvullende criteria voor erf- of terreinafscheidingen in het gebiedsgerichte beoordelingskader.

Vanuit de voornoemde ruimtelijke en welstandscriteria zijn twee erf- of terreinafscheiding als voorbeeld opgesteld, zodat een standaard met een zekere flexibiliteit in maatvoering ontstaat, waar medewerking aan kan worden verleend.

Samengevat betreffen het volgende hoofdlijnen waar de voorbeelden aan voldoen:

  • Minimaal 3 m1 achter de (meest belangrijke) voorgevelrooilijn;

  • Maximaal 2 m hoog, gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van het aangrenzende afgewerkte (openbare) terrein;

  • Materialen van een hoogwaardige en duurzame kwaliteit;

  • Kleurstelling passend bij hoofdgebouw;

  • Bij houten schuttingdelen geen gesloten plaat, zoals potdekseltechniek;

  • Geen geslotenheid, geen lange in één rechte lijn gesloten wand;

  • Evenwichtige geleding aanbrengen in de erfafscheiding;

De toetsingscriteria hebben geleid tot de volgende twee standaard voorbeelden:

• Een uitvoering in hout waar conform de maatvoering in het voorbeeld, een gesloten schuttingelement wordt opgevolgd door open raamwerk.

afbeelding binnen de regeling

• Een uitvoering van de meest gewenste duurzame kwaliteit in steen, in kleurgebruik gelijk aan het hoofdgebouw, waarbij geleding volgens voorbeeld wordt uitgevoerd.

afbeelding binnen de regeling

§ 3.3. Uitzonderingssituaties

Het toetsingskader is goed toepasbaar bij standaard situaties bij hoekwoningen met maximaal twee zijden grenzend aan het openbaar gebied.

Bij het toetsingskader wordt er van uit gegaan dat er tussen de openbare weg en de erfafscheiding nog groen en/of trottoir ligt. Voor situaties waarbij de erfafscheiding direct aan de weg grenst zal nog een nadere afweging moeten plaats vinden welke van de twee voorbeelden acceptabel is. Het betreft dan veelal een gebied met een hoge bebouwingsdichtheid en smalle wegprofielen waardoor een natuurlijk materiaal kan contrasteren in de omgeving. Derhalve kan hier niet zonder meer uit alle twee de keuzen van dit beleid worden gekozen. In deze uitzonderingssituatie zal de nadere afweging, indien dit noodzakelijk is, ook op de (verkeers)veiligheidsaspecten dienen in te gaan.

Woningen met meer dan 2 zijden naar het openbare gebied en woningen met de zogenoemde stedenbouwkundige “voor- /achterkant situatie” vallen buiten dit toetsingskader. Die situaties zullen altijd bijzonder zijn waarvoor een afzonderlijke afweging wordt gemaakt.

Hoofdstuk 4 Status toetsingskader Schuttingbeleid

§ 4.1 Status beleid

Het toetsingskader kan worden toegepast bij:

  • -

    omgevingsvergunningen voor het binnenplans afwijken van geldende bestemmingsplannen;

  • -

    de overweging en onderbouwing voor omgevingsvergunningen voor het (met toepassing van artikel 4, lid 3 van Bijlage II van het Bor) buitenplans afwijken van geldende bestemmingsplannen;

  • -

    het verlenen van omgevingsvergunningen op grond van artikel 2.5.18, lid 2 van de Bouwverordening gemeente Hellendoorn.

Onderhavig beleid voor erfafscheidingen met bijbehorend toetsingskader wordt vastgesteld als een beleidsregel als bedoeld in Hoofdstuk 4, Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 4:81 t/m 4:84) en bekendgemaakt op grond van artikel 139 van de Gemeentewet. De vaststelling is gebeurd of zal gebeuren door het bevoegd orgaan, in dit geval het college van burgemeester en wethouders.

Dit beleid is een toevoeging aan de “Beleidsnotitie buitenplanse afwijkingen van het bestemmingsplan van beperkte planologische betekenis” onder hoofdstuk 3 waarin het afwegingskader voor het verlenen van een omgevingsvergunning wordt toegelicht.

§ 4.2 Toepassing bij verlening van een omgevingsvergunning

Conform artikel 4:82 Awb kan bij een besluit qua motivering worden volstaan met een verwijzing naar de vaste gedragsregel voor zover deze voldoet aan de gestelde voorbeelden en is vastgelegd in de beleidsregel.

Voor de overige situaties dient de nadere beoordeling te bestaan uit een onderbouwing waaruit blijkt dat de uitvoering van de erfafscheiding voldoet aan de uitgangspunten duurzaamheid, de geleding van open en gesloten en de kwaliteit.

In een omgevingsvergunning conform artikel 4, lid 3 van Bijlage II van het Bor dient echter altijd te worden verwezen naar dit artikel waarop de ontheffing is gebaseerd.

N.B. Wel dient altijd te worden bezien of er sprake is van bijzondere omstandigheden, die de toepassing van de beleidsregel onevenredig maken in verhouding tot die situatie (artikel 4:84 Awb).

§ 4.3 Handhaving

Dit schuttingenbeleid geldt voor alle nieuwe situaties en/of de situaties die niet vastliggen op de foto’s van cyclorama vanaf 2004.

In relatie tot het handhavingstraject zal 31 december 2004 als peildatum dienen op basis van de op dat moment aanwezige geregistreerde fotobeelden in cyclorama 2004. (alle foto opnamen uit 2004).

Alle geregistreerde erfafscheidingen op de foto’s van cyclorama 2004 zullen onder een generaal pardon vallen.

Alle niet vergunde erfafscheidingen gelegen voor de voorgevelrooilijn(hoger dan 1 meter), grenzend aan het openbaar gebied en die niet geregistreerd zijn op cyclorama 2004 zullen op basis van dit schuttingenbeleid worden getoetst.

Naast cyclorama zijn ook andere vormen van bewijslast mogelijk. Indien Cyclorama 2004 beschikbaar is zal deze doorslaggevend zijn.

BIJLAGE: VERDUIDELIJKING BEGRIPPEN

Ligging van de voorgevelrooilijn

De voorgevelrooilijn is de aan de zijde van de openbare weg gelegen scheidslijn tussen het gedeelte van een perceel waar volgens het desbetreffende bestemmingsplan geen hoofdgebouwen opgericht mogen worden en het gedeelte van een perceel waar volgens het desbetreffende bestemmingsplan wel hoofdgebouwen mogen worden opgericht.

Tussen bouwvlakken op aan elkaar grenzende percelen wordt de voorgevelrooilijn gevormd door de verbindingslijn tussen de dichtst bij elkaar, aan de wegzijde gelegen hoeken van die bouwvlakken.

Ingeval de voorgevelrooilijn op deze wijze niet uit het bestemmingsplan kan worden afgeleid, is de voorgevelrooilijn:

  • a.

    langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing:

    de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;

  • b.

    langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:

    bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg;

    bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.

    Op hoeken van wegen is derhalve sprake van een voorgevelrooilijn langs beide wegen. Er is echter maar sprake van één voorgevel.