Beleidsregels uitvoering Participatiewet gemeente Hellendoorn 2021

Geldend van 01-01-2022 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels uitvoering Participatiewet gemeente Hellendoorn 2021

Nijverdal, 30 november 2021 Nr. 2021-028617

Burgemeester en wethouders van de gemeente Hellendoorn;

gelet op het bepaalde in artikel 31, 32, 34 van de Participatiewet en gelet op titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

overwegende dat:

  • het wenselijk is om binnen de vrije beleidsruimte vast te leggen hoe wordt omgegaan met vermogen, vrijlating en vaststelling van vermogen, vrijlating van giften, verlaging van de norm, de norm inrichting alsmede de overbruggingsuitkering;

  • het daarom wenselijk is voor dit doel aparte beleidsregels op te stellen;

B e s l u i t e n:

vast te stellen de

Beleidsregels uitvoering Participatiewet gemeente Hellendoorn 2021

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen, die in deze beleidsregels worden gebruikt en niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      beleidsregels: Beleidsregels uitvoering Participatiewet gemeente Hellendoorn 2021;

    • b.

      woonkosten:

      • -

        als een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs, als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet op de huurtoeslag;

      • -

        als een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, bestaande uit de rioolrechten, het eigenaarsgedeelte van de onroerendezaakbelasting, de opstalverzekering en het eigenaarsdeel van de waterschapslasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor groot onderhoud;

    • c.

      gift: een ontvangst in geld of natura die de verstrekker onverplicht heeft gegeven en waar de belanghebbende niets voor hoeft terug te doen en die de belanghebbende ook niet terug hoeft te betalen;

    • d.

      eenmalige gift: een eenmaal per kalenderjaar van één persoon of organisatie ontvangen gift;

    • e.

      periodieke gift: tweemaal of meer per kalenderjaar van één of meerdere personen of organisaties ontvangen giften;

    • f.

      schadevergoeding: een vergoeding voor geleden schade vanwege onrechtmatig handelen of nalaten van een ander;

    • g.

      materiële schade: vermogensschade oftewel op geld waardeerbare schade, zoals bedoeld in artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek;

    • h.

      immateriële schade: schade die niet bestaat in vermogensschade, zoals bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk wetboek.

Artikel 2 Vrijlaten giften

  • 1.

    Gift(en) word(t)en in aanmerking genomen bij de hoogte van de bijstandsnorm voor zover de eenmalige gift of de optelsom van periodieke giften per kalenderjaar meer bedraagt dan € 1.200,-.

  • 2.

    De in het eerste lid genoemde gift(en) word(t)(en) in aanmerking genomen:

    • a.

      als inkomen, voor zover de gift een periodiek karakter heeft;

    • b.

      als vermogen, in alle andere gevallen.

  • 3.

    Wanneer de gift een gift in natura betreft, wordt de waarde bepaald zoals geldend in het economische verkeer.

  • 4.

    De schadevergoeding die de uitkeringsgerechtigde ontvangt voor materiële schade wordt vrijgelaten, tenzij de schadevergoeding als compensatie is bedoeld voor het verlies van arbeidsvermogen. In dat geval zal de schadevergoeding als inkomen worden aangemerkt voor de periode waarop de vergoeding ziet.

  • 5.

    De schadevergoeding die de uitkeringsgerechtigde ontvangt voor immateriële schade kan voor 1/3e deel worden vrijgelaten.

  • 6.

    Giften van charitatieve instellingen zoals bijvoorbeeld de Voedselbank, kerken, kledingbank of Stichting Hulpfonds Hellendoorn worden buiten beschouwing gelaten.

Artikel 3 Kostendelersnorm

  • 1.

    De kostendelersnorm is niet van toepassing als er sprake is van een medebewoner met wie een commerciële huurprijs is afgesproken.

  • 2.

    Onder commerciële huurprijs wordt verstaan een huurprijs die gelijk of hoger is aan de minimale huurprijs als genoemd in de artikelen 16 en 17 van de Wet op de huurtoeslag.

Artikel 4 Inkomsten (onder)huur en kostganger

  • 1.

    Bij toepassing van de kostendelersnorm wordt het gedeelte van de inkomsten uit (onder)huur of het hebben van één of meer kostganger(s) waarmee nog geen rekening is gehouden bij de kostendelersnorm aangemerkt als inkomen, tenzij deze inkomsten specifiek worden gebruikt voor de betaling van de hogere vaste lasten.

  • 2.

    Inkomsten uit (onder)huur of het hebben van één of meer kostganger(s) worden als inkomen aangemerkt als daarmee nog geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de norm. In het geval van inkomsten uit (onder)huur wordt een bedrag van 30% van de huurprijs met een minimum van 10% van de gehuwdennorm als inkomen aangemerkt. In het geval van inkomsten uit het hebben van een kostganger wordt het kostgeld dat door hem wordt betaald als inkomen aangemerkt.

Artikel 5 Verlaging van de norm

De verlaging in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 27 van de Participatiewet, bedraagt:

  • a.

    het bedrag van de basishuur, zoals omschreven in de artikelen 16 van de Wet op de Huurtoeslag, als een woning wordt bewoond waarvoor de belanghebbende geen woonkosten verschuldigd is of de woonlasten door een ander dan de belanghebbende worden voldaan;

  • b.

    18% van de van de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor een belanghebbende vanaf 21 jaar tot en met de pensioengerechtigde leeftijd die geen woning bewoont.

Artikel 6 Overbruggingsuitkering

  • 1.

    Recht op een overbruggingsuitkering heeft de belanghebbende die over geen of onvoldoende middelen beschikt om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien vanaf de aanvang van de bijstandsverlening tot de eerste uitbetaling van de algemene bijstand. De kosten die zijn ontstaan waarin niet kan worden voorzien, waren niet op voorhand te voorzien en niet te voorkomen.

  • 2.

    De hoogte van de overbruggingsuitkering wordt als volgt vastgesteld:

    Eén keer de van toepassing zijnde bijstandsnorm verminderd met het bedrag aan vakantietoeslag, het beschikbare inkomen en het beschikbare vermogen dat meer dan anderhalf keer de van toepassing zijnde bijstandsnorm is en waarover belanghebbende redelijkerwijs direct kan beschikken.

  • 3.

    De overbruggingsuitkering heeft de vorm van algemene bijstand.

  • 4.

    De overbruggingsuitkering wordt om niet verstrekt, tenzij de noodzaak tot het verstrekken van een overbruggingsuitkering het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

  • 5.

    De overbruggingsuitkering is eenmalig.

Artikel 7 Norm inrichting

  • 1.

    In geval van verblijf in een inrichting wordt een lopende uitkering algemene bijstand met ingang van 3 maanden na de dag waarop de belanghebbende is opgenomen in een inrichting of ziekenhuis omgezet in de norm voor een inrichting, zoals genoemd in artikel 23 van de Participatiewet.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid vindt de omzetting van de norm direct plaats indien er in het geheel geen sprake is van woonlasten en de belanghebbende van 21 jaar of ouder wordt aangemerkt als thuiswonend kind.

Artikel 8 Vaststelling vermogen

  • 1.

    Het vermogen van belanghebbende dient bij aanvang van de bijstand te worden vastgesteld. Indien het vermogen negatief is, dient ook dit bedrag in de beschikking te worden vermeld.

  • 2.

    De groeiruimte (resterende vermogensvrijlating) kan in geval van een negatief vermogen, zoals benoemd in het eerste lid, nooit meer bedragen dan de actuele van toepassing zijnde vermogensgrens.

  • 3.

    Bij vermogenswijzigingen gedurende bijstandsverlening dient de actuele van toepassing zijnde vermogensgrens te worden gehanteerd.

  • 4.

    Bij een lopende uitvaartverzekering wordt de op dat moment geldende afkoopwaarde vrijgelaten bij de vermogensvaststelling. De waarde van deze verzekering wordt pas meegenomen, wanneer het tot een daadwerkelijke afkoop komt.

  • 5.

    Pensioenafkoop, afkoop levensverzekering en andere vergelijkbare ontvangsten tot een bedrag van € 125,- per jaar worden als kruimelbedrag aangemerkt en leiden niet tot een herziening van het vermogen of vrij te laten vermogen.

  • 6.

    Vermogensopbouw als gevolg van doorbetalen van hypotheek, evenals daarmee groeiende overwaarde, wordt gezien als sparen tijdens een uitkering en als dusdanig niet meegenomen in de vermogensberekening.

  • 7.

    Bij buitensporig sparen is onderzoek naar de oorsprong daarvan gerechtvaardigd.

Artikel 9 Vrijlating vermogen auto

  • 1.

    De waarde van een auto of gemotoriseerd voertuig wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd en kan worden vrijgelaten tot een bedrag van maximaal € 4.500,-.

  • 2.

    Een tweede auto of gemotoriseerd voertuig kan worden vrijgelaten tot een bedrag van € 500,- op de gehele waarde.

  • 3.

    Als een voertuig, zoals genoemd in eerste of tweede lid, gedurende de bijstandsperiode wordt vervangen of verkocht, dient belanghebbende daarvan te allen tijde melding te doen.

  • 4.

    Als het vervangende voertuig of de opbrengst bij verkoop, zoals genoemd in het derde lid, een waarde heeft die hoger is dan de waarde zoals genoemd in het eerste of tweede lid, zal het meerdere worden meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.

  • 5.

    De waarde van de auto wordt vastgesteld op de dagwaarde aan de hand van de ANWB koerslijst (of een vergelijkbare website).

Artikel 10 Vermogensintering

  • 1.

    Indien er sprake is van een onverantwoorde manier van interen op het vermogen, waardoor (te snel) een bijstandsbehoeftige situatie ontstaat, zal berekend worden over welke periode belanghebbende geen beroep op bijstand zou hoeven te doen als op het vermogen op een verantwoorde wijze was ingeteerd.

  • 2.

    De interingsperiode wordt berekend door de vermogensoverschrijding (totale vermogen verminderd met het vrij te laten vermogen volgens artikel 34, tweede en derde lid van de Participatiewet) te delen door 1,5 keer de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermeerderd met de te betalen maandelijkse zorgpremie en eventueel aanwezige bijzondere kosten.

Artikel 11 Hardheidsclausule

Er kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afgeweken worden van de bepalingen in deze beleidsregels, indien strikte toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 12 Citeertitel

De beleidsregels kunnen aangehaald worden als: Beleidsregels uitvoering Participatiewet gemeente Hellendoorn 2021.

Artikel 13 Inwerkingtreding

De Beleidsregels uitvoering Participatiewet gemeente Hellendoorn 2021 treden in werking op 1 januari 2022.

Ondertekening

Burgemeester en wethouders van Hellendoorn,

de secretaris, de burgemeester,

Artikelsgewijze toelichting Beleidsregels uitvoering Participatiewet gemeente Hellendoorn 2021

Artikel 1 Begripsbepalingen

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting

Artikel 2 Vrijlaten giften

Artikel 31, tweede lid onder m van de Participatiewet beschrijft dat een gift en een materiële en immateriële schadevergoeding niet als middel worden aangemerkt voor zover deze naar het oordeel van het college uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

De gift die in het kader van bijstandsverlening binnen de gemeente Hellendoorn als verantwoord wordt aangemerkt, wordt vastgesteld op een maximum bedrag van € 1.200,- op jaarbasis.

Een gift of de optelsom van giften word(t)(en) vrijgesteld van de middelentoets bij de bepaling van de bijstandsuitkering wanneer deze het bedrag van € 1.200,- niet overschrijdt. Hierbij wordt alvast aangesloten op de in de Tweede Kamer ingediende motie 24 515 , nr 580 waarmee men een landelijke vrijstelling van giften ter hoogte van € 1.200,- per jaar wil realiseren. Dit komt overeen met de gedachte dat het geven van een gift niet ontmoedigd moet worden.

Giften met een terugkerend of periodiek karakter kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Daarom worden deze giften als inkomen aangemerkt (tweede lid). Onder periodieke giften wordt verstaan dat een bedrag één keer in de twee maanden of vaker wordt ontvangen. Ook een eenmalig ontvangen bedrag, dat naar zijn aard hiermee overeenkomt, kan als inkomen worden aangemerkt. Hierbij zal onder meer bepalend zijn wat de bron van deze gift is en of deze vergelijkbaar is met de in artikel 32, eerste lid van de Participatiewet genoemde inkomensbronnen. In alle andere gevallen zal de gift in aanmerking worden genomen als vermogen.

De gift, die wordt ontvangen als compensatie voor het verlies in arbeidsvermogen (vierde lid), wordt op het inkomen in mindering gebracht. Indien blijkt dat de vergoeding niet wordt aangewend om de geleden schade weg te nemen, dan wordt het resterende bedrag als vermogen in aanmerking genomen.

De vrijlating van 1/3e deel van de immateriële schadevergoeding (vijfde lid) is gebaseerd op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 06-07-1999, nr. 97/5510 NABW en CRvB 13-09-2005, nr. 04/1980 NABW). Er zal daarnaast altijd onderzoek worden gedaan naar de individuele omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat er een groter gedeelte vrij gelaten dient te worden (dit gelet op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3892).

Bij de vrijlating van giften wordt geen onderscheid gemaakt tussen giften van charitatieve instellingen en giften van personen (zesde lid). Door de giften niet volledig in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. Uitgangspunt is dat particulier en georganiseerd initiatief zoveel mogelijk wordt gerespecteerd.

Artikel 3 Kostendelersnorm

In artikel 19a, eerste lid onder b en c van de Participatiewet wordt bepaald dat de kostendelersnorm niet van toepassing is als er sprake is van (onder)huur of kostgangers met wie is afgesproken dat die persoon zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als belanghebbende en hiervoor een commerciële prijs is overeengekomen. Voor de uitleg van het begrip commerciële huurprijs is aansluiting gezocht bij de minimale huurprijzen die in de artikelen 16 en 17 van de Wet op de huurtoeslag worden genoemd. Als de huurprijs gelijk is of hoger is dan de minimale huurprijs, zoals bedoeld in artikel 17, tweede en derde lid van de Wet op de huurtoeslag, wordt er uitgegaan van een commerciële huurprijs en is de kostendelersnorm niet van toepassing.

Artikel 4 Inkomsten (onder)huur en kostganger

Bij toepassing van de kostendelersnorm wordt het gedeelte van de inkomsten uit (onder)huur of het hebben van een of meer kostgangers waarmee nog geen rekening is gehouden bij de kostendelersnorm aangemerkt als inkomen, tenzij deze inkomsten specifiek worden gebruikt voor de betaling van de vaste lasten. Dit laatste gelet op de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 21 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3527.

Artikel 5 Verlaging van de norm

Als belanghebbende uitzonderlijk lage (of geen) woonlasten heeft, kan dat aanleiding zijn om met toepassing van artikel 27 van de Participatiewet de bijstand lager vast te stellen. In de Participatiewet wordt overigens niet het begrip ‘woonkosten’ of ‘woonlasten’ gehanteerd, maar ‘lagere noodzakelijke kosten van het bestaan als gevolg van de woonsituatie’. Daarbij moet wel nagegaan worden of er kosten voor water, gas, licht en dergelijke voor belanghebbende verschuldigd zijn gebleven. Het voorgaande is nadrukkelijk niet bedoeld voor de situaties waarin sprake is van inwoning bij de ouder(s), familie, kennissen en dergelijke en de belanghebbende geen bijdrage levert in de woonlasten. De verlaging wordt evenmin toegepast als de woning door aflossingen van de belanghebbende hypotheekvrij is geworden.

De verlening van bijstand aan een belanghebbende zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geschiedt op grond van artikel 40, eerste en tweede lid van de Participatiewet en artikel 11 van het Besluit Participatiewet door de aangewezen centrumgemeenten. Maar niet elke belanghebbende zonder woning is een adresloze in de zin van de Participatiewet. Belanghebbende kan immers ook de beschikking hebben over een postadres bij familie of een instantie.

Op grond van artikel 27 Participatiewet kan het college de norm voor een alleenstaande (ouder) of gehuwden of de toeslag voor een alleenstaande (ouder) lager vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.

Geen woonkosten

In deze beleidsregel is bepaald dat de norm wordt verlaagd met de basishuur indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. In artikel 1 van deze beleidsregels is bepaald wat onder woonkosten moet worden verstaan:

  • a.

    indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag;

  • b.

    indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.

Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn:

  • bij het niet aanhouden van een woning;

  • bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers;

  • indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten betaalt van de woning;

  • als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het aldus verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm of toeslag te verlagen op grond van artikel 27 Participatiewet (zie ook TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 54-55).

Overigens kan het college als een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de bijstand in voorkomende gevallen ook lager vaststellen op grond van het individualiseringsbeginsel van artikel 18, eerste lid van de Participatiewet.

Artikel 6 Overbruggingsuitkering

Het uitgangspunt is dat er in beginsel geen overbruggingsuitkering wordt toegekend voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, omdat de voor belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geacht toereikend te zijn. Als een belanghebbende tot de ingangsdatum van het recht op een bijstandsuitkering, een andere uitkering of andere inkomsten ontvangt (hiermee wordt niet bedoeld zak- en kleedgeld van COA), bestaat er geen recht op een overbruggingsuitkering.

Een overbruggingsuitkering wordt alleen ingezet als een belanghebbende een bijstandsuitkering aanvraagt en op de datum van aanvraag niet beschikt over inkomsten uit arbeid of een andere uitkering die betrekking heeft op de periode voorafgaande aan de aanvraagdatum c.q. voldoende vermogen. Bijvoorbeeld statushouders en ex-partners die tijdens hun huwelijk of samenwonen geheel of gedeeltelijk afhankelijk waren van het inkomen van hun toenmalige partner.

De overbruggingsuitkering is eenmalig in te zetten en is bedoeld voor die situaties die onvoorzien en niet te voorkomen waren. Het voorziet in het voorkomen van dubbele lasten en ontstaan van betalingsachterstanden.

De overbruggingsuitkering is een extra uitkering naast het mogelijke recht op bijstand en de mogelijkheid tot het verstrekken van een voorschot op grond van artikel 52 van de Participatiewet. De bijstandsuitkering wordt namelijk achteraf betaald. Dit betekent dat een belanghebbende tot de eerste betaling van de uitkering mogelijk niet over (voldoende) middelen beschikt. Hoewel de mogelijkheid bestaat tot het verstrekken van een voorschot op grond van artikel 52 van de Participatiewet, is dit niet in alle gevallen een voldoende oplossing. Een voorschot wordt namelijk verrekend met de eerstvolgende uitbetaling van de bijstandsuitkering, waardoor een belanghebbende mogelijk opnieuw niet over voldoende middelen beschikt om de periode tot de volgende betaling te overbruggen. Daarom wordt alleen in de hiervoor genoemde situatie een eenmalige overbruggingsuitkering verstrekt.

Artikel 7 Norm inrichting

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 8 Vaststelling vermogen

De vaststelling van vermogen bij aanvang van en tijdens de bijstandsperiode wordt in deze toelichting uitgewerkt.

Het vermogen wordt exact vastgesteld. Dit betekent bijvoorbeeld dat de banksaldi worden teruggerekend naar de ingangsdatum van de uitkering. Er wordt geen saldo vrijgelaten in verband met lopende uitgaven.

De schadevergoeding (tegemoetkoming) die een belanghebbende ontvangt in verband met het herstel van toeslagen (toeslagenaffaire) mag niet worden meegeteld als middel voor de algemene bijstand en bij de vaststelling van het vermogen. Dit volgt uit artikel 31, tweede lid onderdeel I van de Participatiewet en artikel 7 onderdeel p van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.

Als van de schadevergoeding spullen worden gekocht, heeft dit geen gevolgen voor het recht op bijstand. Het gaat om een vrij te besteden vergoeding. Dus als bijvoorbeeld een auto wordt gekocht, wordt de auto niet meegenomen bij de beoordeling van het vermogen voor de bijstand.

Formeel geldt voor de besteding van de tegemoetkoming geen inlichtingenplicht. Maar met het oog op rechtmatigheidsonderzoeken in de toekomst, wordt van een belanghebbende wel gevraagd dit soort bestedingen te melden. Dit om te voorkomen dat het in de toekomst voor een belanghebbende lastig is om aan te tonen van welk geld de bestedingen zijn aangeschaft.

Als het vermogen bij aanvang van de bijstand niet definitief kan worden vastgesteld, dan wordt dit voorlopig vastgesteld. Er wordt een heronderzoek gepland voor definitieve vaststelling op de termijn waarop verwacht wordt dat deze vaststelling kan plaatsvinden (beoordeling door de consulent). Dit is bijvoorbeeld het geval als er een boedelscheiding moet plaatsvinden.

Pensioenafkoop, afkoop levensverzekering en andere vergelijkbare ontvangsten tot een bedrag van € 125,- per jaar worden als kruimelbedragen aangemerkt. Hiervoor geldt geen meldingsplicht en is schending van de inlichtingenplicht dus niet aan de orde.

Spaargeld opgebouwd tijdens uitkering mag gebruikt worden voor goederen. Dit wordt niet gezien als vermogen mits niet buitensporig.

Artikel 9 Vrijlating vermogen auto

De waarde van een auto of gemotoriseerd voertuig tot € 4.500,- wordt buiten beschouwing gelaten bij de vermogenstoets. Het bezit van een auto of motor wordt hierbij als algemeen gebruikelijk bezit in natura aangemerkt (artikel 34, tweede lid onder a van de wet). Als de waarde van de auto meer bedraagt dan € 4.500,-, wordt het meerdere als vermogen in aanmerking genomen. Voor een tweede auto of gemotoriseerd voertuig geldt een vrijlating van € 500,- op de gehele waarde. De vrijlating van € 4.500,- is van toepassing op de auto of gemotoriseerd voertuig die de belanghebbende het langst in zijn/haar bezit heeft. In uitzonderlijke situaties waarbij eerst een motor of scooter is aangeschaft en daarna een auto kan hiervan worden afgeweken.

Als een auto of gemotoriseerd voertuig tijdens de bijstandsperiode wordt vervangen, dient belanghebbende daar te allen tijde melding van te doen. Als het vervangende voertuig een waarde heeft die hoger is dan € 4.500,- zal het meerdere worden meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.

Vermogen verkregen door verkoop van een bestaande auto waar al rekening mee is gehouden bij de aanvraag van de bijstand, wordt niet als inkomen of vermogen aangemerkt. Hiervan wordt afgeweken indien er aantoonbare verschillen zijn tussen de vastgestelde waarde van de auto en de opbrengst bij verkoop. Het meerdere zal dan worden meegenomen bij de vaststelling van het vermogen.

In principe wordt de waarde van een auto of gemotoriseerd voertuig vastgesteld aan de hand van de dagwaarde op de ANWB koerslijst. Als er echter voldoende andere gegevens voorhanden zijn waaruit volgt dat de waarde afwijkt van de waarde van de ANWB Koerslijst, kan van die andere waarde worden uitgegaan.

Artikel 10 Vermogensintering

Wanneer de toepasselijke vermogensgrens wordt overschreden, bestaat er geen recht op algemene bijstand. Het bedrag waarmee de vermogensgrens wordt overschreden, zal eerst opgemaakt moeten worden (ook wel interen genoemd). Wanneer na intering op het vermogen een belanghebbende opnieuw een aanvraag om algemene bijstand indient, zal het college beoordelen of de belanghebbende op een verantwoorde manier heeft ingeteerd. Dit bepaalt het college aan de hand van de interingsnorm, zoals geformuleerd in het tweede lid. Als tijdens de bijstandsverlening blijkt dat de belanghebbende zijn inlichtingenplicht heeft geschonden voor wat betreft het vermogen waarover hij beschikte op het moment van de aanvraag, zal het college aan de hand van de interingsnorm van het tweede lid bepalen hoeveel maanden te vroeg deze belanghebbende ten onrechte aanspraak heeft gekregen op recht op bijstand. Vervolgens zal de ten onrechte uitgekeerde bijstand over deze maanden worden teruggevorderd.

Artikel 11 Hardheidsclausule

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 12 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.