Regeling vervallen per 01-01-2023

Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht 2022

Geldend van 11-12-2021 t/m 31-12-2022

Intitulé

Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht 2022

Het algemeen bestuur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht;

op voordracht van het dagelijks bestuur van 9 november 2021;

gelet op de artikelen 110, 113 en 117 van de Waterschapswet;

B E S L U I T :

vast te stellen de:

Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht 2022

Hoofdstuk I Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    het waterschap: het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht;

  • b.

    ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van woonruimte;

  • c.

    ambtenaar belast met de heffing: de ambtenaar bedoeld in artikel 123, lid 3, onderdeel b, van de Waterschapswet;

  • d.

    ambtenaar belast met de invordering: de ambtenaar bedoeld in artikel 123, lid 3, onderdeel c, van de Waterschapswet;

  • e.

    woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;

  • f.

    Kostentoedelingsverordening: de verordening van het waterschap, bedoeld in artikel 120, lid 1, eerste volzin, van de Waterschapswet;

  • g.

    natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare;

  • h.

    ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn;

  • i.

    verharde openbare wegen: de rijbaan van een weg en delen van het kadastraal perceel die dienstbaar zijn aan het verkeer over de weg en verhard zijn;

  • j.

    gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op Kaart nr. 1 behorend bij het Reglement voor het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017 bij besluit van Provinciale Staten van Noord-Holland (12 december 2016), Utrecht (12 december 2016) en Zuid-Holland (14 december 2016), waarin het waterschap bevoegd is het watersysteembeheer uit te oefenen;

  • k.

    de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel 117 van de Waterschapswet.

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen

  • 1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam watersysteemheffing een directe belasting geheven.

  • 2. De heffing wordt geheven van hen die:

    • a.

      ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt als gebruik door een door de ambtenaar belast met de heffing aan te wijzen lid van dat huishouden;

    • b.

      krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap;

    • c.

      krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen in het gebied van het waterschap;

    • d.

      krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap;

  • 3. Heffingsplichtig in de zin van lid 2, onderdelen b, c en d, is degene die bij het begin van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is;

  • 4. Voor de toepassing van lid 2, onderdelen b, c en d, is heffingplichtig de:

    • a.

      beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de onroerende zaak is onderworpen aan het recht van erfpacht, van opstal of van vruchtgebruik;

    • b.

      eigenaar, ingeval de onroerende zaak is onderworpen aan het recht van opstal, indien dat recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de aanleg en/of het onderhoud van ondergrondse dan wel bovengrondse leidingen.

  • 5. Indien de onroerende zaak is onderworpen aan beperkte rechten als bedoeld in het vorige artikellid, heeft voor de heffingplicht:

    • a.

      de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als de erfpachter;

    • b.

      de opstaller voorrang boven de erfpachter.

Artikel 3 Heffingsmaatstaf

Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:

  • a.

    ter zake van ingezetenen: de woonruimte;

  • b.

    ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak, uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;

  • c.

    ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor het kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken.

Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen

Artikel 4 Tarief ingezetenen

Met inachtneming van hetgeen hierover in de Kostentoedelingsverordening is bepaald, bedraagt het tarief van de watersysteemheffing voor de categorie ingezetenen € 123,26 per woonruimte.

Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken

Artikel 5 Belastingobject

  • 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, lid 2, onderdeel b en artikel 9, lid 3 van deze verordening, wordt als één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een kadastraal perceel of een gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten:

    • a

      hetgeen ingevolge artikel 9, lid 1 en 2, wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;

    • b

      een natuurterrein.

  • 2. Voor de heffing worden openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning, aangemerkt als ongebouwde onroerende zaken.

Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken

  • 1. Met inachtneming van hetgeen hierover in de Kostentoedelingsverordening is bepaald, bedraagt het tarief van de heffing voor ongebouwde onroerende zaken € 99,23 per hectare.

  • 2. Om afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in artikel 4 van de Kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief voor verharde openbare wegen € 198,46 per hectare.

Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen

Artikel 7 Belastingobject

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, lid 2, onderdeel c van deze verordening, wordt als één natuurterrein aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten:

  • a.

    hetgeen ingevolge artikel 9, lid 1 en 2, wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;

  • b.

    hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een ongebouwde onroerende zaak.

Artikel 8 Tarief natuurterreinen

Met inachtneming van hetgeen hierover in de Kostentoedelingsverordening is bepaald, bedraagt het tarief van de heffing voor natuurterreinen € 2,24 per hectare.

Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken

Artikel 9 Belastingobject

  • 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, lid 2, onderdeel d van deze verordening, wordt als één gebouwde onroerende zaak aangemerkt:

    • a.

      een gebouwd eigendom;

    • b.

      een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

    • c.

      een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a bedoelde gebouwde eigendommen of van in onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

    • d.

      het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoeld eigendom, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c bedoeld samenstel;

    • e.

      het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel van een in onderdeel a bedoeld eigendom, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c bedoeld samenstel of van een in onderdeel d bedoeld deel.

  • 2. Voor de toepassing van lid 1 maken de ongebouwde eigendommen voor zover die een samenstel vormen met een gebouwd eigendom als bedoeld in lid 1, onderdeel a tot en met e, deel uit van de gebouwde onroerende zaak;

  • 3. In afwijking van het bepaalde in het vorige artikellid maken de ongebouwde eigendommen, voor zover de waarde daarvan bij de waardebepaling op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken op basis van het bepaalde krachtens artikel 18, lid 4, van die wet buiten aanmerking wordt gelaten, geen deel uit van de gebouwde onroerende zaak.

Artikel 10 Tarief

Met inachtneming van hetgeen hierover in de Kostentoedelingsverordening is bepaald, bedraagt het tarief van de heffing voor gebouwde onroerende zaken 0,012483% van de heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 3, onderdeel c van deze verordening.

Hoofdstuk VI Heffing en invordering

Artikel 11 Wijze van heffing

De heffing wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer belastingplichtigen

  • 1. Als ter zake van hetzelfde voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, stelt de ambtenaar belast met de heffing de aanslag ten name van een van hen.

  • 2. Als belastingplicht, bedoeld in lid 1, voortvloeit uit het genot van een onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de aanslag ten name van een van de belastingplichtigen is gesteld, kan de ambtenaar belast met de invordering de belastingaanslag op de gehele onroerende zaak verhalen op degene op wiens naam de aanslag ingevolge lid 1 is gesteld, zonder rekening te houden met de rechten van de overige belastingplichtigen.

Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen

  • 1. Een aanslag die een bedrag van € 5,-- niet te boven gaat, wordt niet opgelegd.

  • 2. Voor de toepassing van lid 1 wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt.

Artikel 14 Vrijstellingen

  • 1. De watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken wordt niet geheven ter zake van ongebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

  • 2. De watersysteemheffing natuurterreinen wordt niet geheven ter zake van natuurterreinen waarvan het waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

  • 3. De watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken wordt niet geheven ter zake van:

    • a

      straatmeubilair, waaronder alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - worden begrepen die zijn geplaatst ten behoeve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van een in het waterschapsgebied gelegen gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen;

    • b

      gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 15 Betaaltermijnen

  • 1. Een belastingaanslag is invorderbaar zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 2. Een navorderingsaanslag is invorderbaar een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet.

  • 3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 is, indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven, de aanslag invorderbaar in één of acht gelijke maandelijkse termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die van de dagtekening. Het aantal maandelijkse termijnen kan op een hiervan afwijkend aantal worden vastgesteld.

  • 4. Het minimum termijnbedrag bij automatische incasso bedraagt € 5,--. Indien hierdoor een lager aantal termijnen ontstaat dan in lid 3 is aangegeven, worden eerst maandelijkse termijnen van € 5,-- geïncasseerd en het restantbedrag tegelijk met de laatste termijn.

Artikel 16 Kwijtschelding

Van de watersysteemheffing natuurterreinen, de watersysteemheffing ongebouwd en de watersysteemheffing gebouwd wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 17 Nadere regels

Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de heffing.

Artikel 18 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing en citeertitel

  • 1. De Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht 2021, vastgesteld bij besluit van 26 november 2020, wordt ingetrokken met ingang van de in lid 3 genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van haar bekendmaking.

  • 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2022

  • 4. Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht 2022.

Ondertekening

Amsterdam, 25 november 2021

Het algemeen bestuur,

Dr. ir. G.M. van den Top

Dijkgraaf

Drs. G. Nottelman,

Secretaris

TOELICHTING OP DE VERORDENING WATERSYSTEEMHEFFING AMSTEL, GOOI EN VECHT 2022

A ALGEMEEN

1.Wettelijke basis

De Verordening Watersysteemheffing Amstel, Gooi en Vecht is gebaseerd op de tekst van de Waterschapswet.

2.De watersysteemtaak

In artikel 1, lid 2, van de Waterschapswet wordt “de zorg voor het watersysteem” als één van de hoofdtaken van het waterschap vermeld. De zorg voor het watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Met het gebruik van de term “zorg voor het watersysteem” wordt benadrukt dat er een nauwe onderlinge samenhang is en dat de verschillende aspecten van de zorg voor het watersysteem als één integrale taak moeten worden uitgevoerd.

In dezelfde bepaling van de Waterschapwet wordt de zorg voor het zuiveren van afvalwater op de voet van artikel 3.4 van de Waterwet als andere hoofdtaak van het waterschap genoemd. Ook is bepaald dat de zorg voor een of meer andere waterstaatsaangelegenheden aan de waterschappen kan zijn of worden opgedragen. De uitvoering van de vaarwegentaak door het waterschap is daar een uiting van. In 2011 hebben de provincies de muskus- en beverrattenbestrijding aan de waterschappen overgedragen. Het muskus- en beverrattenbeheer is op grond van artikel 1, lid 3, van de Waterschapswet onderdeel van de watersysteemzorg.

De zorg voor het watersysteem wordt gezien als één samenhangende taak die het waterschap, uitzonderingen daargelaten, in zijn gehele beheersgebied uitoefent 1 .

3.De watersysteemheffing

Belastingplichtig voor de watersysteemheffing zijn:

de ingezetenen;

de eigenaren 2 van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen;

de eigenaren van natuurterreinen en

de eigenaren van gebouwde onroerende zaken.

Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet modernisering waterschapsbestel blijkt dat degenen die tot de belastingplichtige categorieën behoren per definitie belang hebben bij de uitoefening van de taken van het waterschap. Hun betaling is hierop gebaseerd.

4.De heffingsmaatstaven en de tarieven van de heffing

De Waterschapswet geeft in artikel 121 niet alleen voor de heffing voor ongebouwde en gebouwde onroerende zaken, maar ook voor de heffing voor ingezetenen een duidelijke heffingsmaatstaf. De heffingsmaatstaf voor de ingezetenen is de woonruimte. Voor natuurterreinen en overige ongebouwde onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de oppervlakte en voor gebouwde onroerende zaken is de heffingsmaatstaf de op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) vastgestelde waarde. Het tarief van de belasting moet op grond van de Waterschapswet worden gesteld op een gelijk bedrag per woonruimte (ingezetenen), op een gelijk bedrag per hectare (natuur en overig ongebouwd) of op een vast percentage van de WOZ-waarde (gebouwd). De watersysteemheffing kent daarmee dus ook vier afzonderlijke tarieven.

5.Tariefdifferentiatie

Hoewel de wet uitgaat van uniforme tarieven, is tariefdifferentiatie voor de waterschappen toch een mogelijkheid als bepaalde onroerende zaken duidelijk afwijkend zijn van andere onroerende zaken. In die gevallen heeft het algemeen bestuur van een waterschap de mogelijkheid, maar niet de verplichting, de tarieven te differentiëren. Uit een oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging zijn de gevallen waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief in de wet opgesomd. Het algemeen bestuur van het waterschap heeft bij de vaststelling van de Kostentoedelingsverordening besloten om uitsluitend te differentiëren voor verharde openbare wegen. Daarbij is besloten om het tarief voor verharde openbare wegen, binnen de wettelijke mogelijkheden, 100% hoger vast te stellen dan het tarief voor overige ongebouwde grond.

6.Hoofdstukindeling

De verordening bestaat uit 6 hoofdstukken, genummerd I tot en met VI en 18 artikelen. Hoofdstuk I bevat inleidende bepalingen. De hoofdstukken II tot en met V gaan respectievelijk in op de heffing voor ingezetenen, ongebouwde onroerende zaken (niet zijnde natuurterreinen), natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken. Het slothoofdstuk bevat algemene bepalingen over de heffing en de invordering van de watersysteemheffing.

B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING

Aanhef

Het besluit om de watersysteemheffing in te voeren, is een bevoegdheid van het algemeen bestuur van het waterschap, die tot uitdrukking komt door de vaststelling van de belastingverordening. Artikel 110 van de Waterschapswet is de wettelijke bepaling die over het besluit tot invoering van de belasting en de daarvoor benodigde vaststelling van de belastingverordening gaat. Artikel 113 is de wettelijke bepaling die aangeeft welke belastingen en rechten door de waterschappen geheven mogen worden en artikel 117 is de bepaling op grond waarvan waterschappen ter bestrijding van kosten verbonden aan de zorg voor het watersysteem, onder de naam watersysteemheffing een directe belasting mogen heffen.

Hoofdstuk I Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit artikel zijn omwille van de duidelijkheid omschrijvingen opgenomen van in de verordening vaker voorkomende begrippen.

Onderdeel a

Deze verordening is van toepassing voor het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Het bestaan van dit waterschap alsmede het gebied ervan is vastgelegd in het Reglement voor het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017 bij besluit van Provinciale Staten van Noord-Holland (12 december 2016), Utrecht (12 december 2016) en Zuid-Holland (14 december 2016).

Onderdeel b

De omschrijving van het begrip ingezetenen is ontleend aan artikel 116, onder a, van de Waterschapswet. Om als ingezetene aangemerkt te kunnen worden, moet sprake zijn van het hebben van woonplaats én het gebruik van woonruimte in het gebied van het waterschap. Het gaat om cumulatieve voorwaarden. Of sprake is van het hebben van woonplaats, wordt aan de hand van gegevens uit de basisregistratie personen bepaald. De situatie bij het begin van het kalenderjaar is bepalend.

Woonruimte is iedere ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Dit betekent dat de gebruiker van de woonruimte niet anders dan bijkomstig afhankelijk mag zijn van voorzieningen elders in het gebouw. In het geval van woonruimten moet dan worden gedacht aan voorzieningen als keuken, douche en toilet. Deze moeten de gebruiker van de woonruimte, met uitsluiting van anderen die niet tot zijn of haar huishouden behoren, exclusief ter beschikking staan. Bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen kunnen om deze reden veelal niet als ingezetenen in de zin van artikel 116, onder a, van de Waterschapswet worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor bewoners van studentenhuizen.

Onderdeel c

De ambtenaar van het waterschap die de heffingsbevoegdheden (inspecteurbevoegdheden) uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen uitoefent, wordt de ambtenaar belast met de heffing genoemd. Tot de inspecteurbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot het vaststellen van belastingaanslagen en de bevoegdheid tot het doen van uitspraken op bezwaarschriften. Het dagelijks bestuur van het waterschap moet een besluit nemen waarin de ambtenaar belast met de heffing wordt aangewezen. Het laatste aanwijzingsbesluit bij het waterschap is genomen op 2 juli 2019. De wettelijke basis is artikel 123, lid 3, onder b, van de Waterschapswet.

Onderdeel d

De ambtenaar van het waterschap die de ontvangersbevoegdheden uit de Invorderingswet 1990 uitoefent, wordt de ambtenaar belast met de invordering genoemd. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot de invordering van de belasting. Ook het verlenen van kwijtschelding van belasting is een ontvangersbevoegdheid. Het dagelijks bestuur van het waterschap moet een besluit nemen waarin de ambtenaar belast met de invordering wordt aangewezen. Het laatste aanwijzingsbesluit bij het waterschap is genomen op 2 juli 2019. De wettelijke basis is artikel 123, lid 3, onder c, van de Waterschapswet.

Onderdeel e

Voor een beschouwing op het begrip woonruimte wordt verwezen naar onderdeel b.

Onderdeel f

Elk waterschap moet volgens artikel 120, lid 1, eerste volzin, van de Waterschapswet voor de watersysteemheffing een verordening vaststellen waarin de toedeling van het kostenaandeel voor elk van de belastingcategorieën is vastgelegd. Deze verordening wordt de Kostentoedelingsverordening genoemd. Het algemeen bestuur van het waterschap heeft de Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en Vecht 2019 vastgesteld op 11 oktober 2018.

Onderdeel g

Natuurterreinen zijn in artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet gedefinieerd als “ongebouwde onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en open wateren met een oppervlakte van ten minste één hectare”.

Onder andere heidevelden, moerassen, zandverstuivingen en duingebieden behoren tot de categorie natuurterreinen. In de regel zullen stadsparken, plantsoenen, e.d. vanwege hun recreatieve functie niet als een natuurgebied kunnen worden aangemerkt. Bij open wateren moet worden gedacht aan vennen, meren, plassen en daarmee vergelijkbare wateren met een open en weids karakter.

De gemiddelde waarde per hectare van natuurterreinen bedraagt 20% van de gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden in het gebied van het waterschap.

De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve omschrijving van het begrip, waarbij de nadruk op de duurzame inrichting en beheer als natuurgebied ligt. Bij de beoordeling of sprake is van een ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur (toetsing aan de zojuist genoemde kwalitatieve omschrijving), zijn ook de feitelijke of uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak van belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is bewerkt en waar inmiddels eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar waar uiteindelijk wel gebouwd zal worden, niet als een natuurterrein kwalificeren. Ook stadsparken, plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun overwegend recreatieve functie niet als natuurterrein in aanmerking genomen kunnen worden.

Onder natuurterreinen worden mede bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare verstaan. Er is sprake van wetsduiding: zodra een bos of open water een oppervlakte van één hectare of meer heeft, is sprake van een natuurterrein. In deze gevallen is niet relevant of de inrichting en het beheer van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen van tenminste één hectare tot de categorie natuurterreinen worden gerekend.

Onderdeel h

Waar in deze verordening wordt gesproken over ongebouwde onroerende zaken, worden steeds ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterrein zijn, bedoeld. Het gaat om de ongebouwde onroerende zaken bedoeld in artikel 117, onder b, van de Waterschapswet.

Onderdeel i

Het begrip ‘verharde openbare wegen’ is relevant met het oog op de tariefdifferentiaties die voor deze onroerende zaken in artikel 122, derde lid, onder b en c, van de Waterschapswet worden genoemd. De mogelijkheid om tarieven te differentiëren is beperkt tot verharde openbare wegen. Het gaat hier om de rijbanen zelf en om verharde delen van het kadastrale perceel buiten de rijbanen, die dienstbaar zijn aan het verkeer over de weg. Wegdelen die dienstbaar zijn aan het verkeer over de weg maar die zelf niet verhard zijn (onverharde bermen bijvoorbeeld en obstakelvrije zones buiten de verharding) kunnen niet tot de verharde openbare weg worden gerekend en kunnen dus ook niet in de tariefdifferentiatie voor verharde openbare wegen worden betrokken. Dit vloeit voort uit het arrest van de Hoge Raad van 9 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2079.

Onderdeel j

In artikel 1 van de Waterschapswet is het functionele karakter van de waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied. In verband hiermee is onder andere de zorg voor het watersysteem aan hen opgedragen. De provincies Noord-Holland, Utrecht en Zuid-Holland hebben het gebied in het Reglement van het waterschap vastgelegd in een bij het Reglement behorende kaart (Kaart nr 1).

Onderdeel k

Waar in deze verordening over ‘de heffing’ wordt gesproken, wordt steeds de watersysteemheffing, genoemd in artikel 117, aanhef, van de Waterschapswet, bedoeld.

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplichtigen

In artikel 2 is aangegeven van wie de belasting wordt geheven. Ook is in het artikel het belastbaar feit (beter gezegd: zijn in het artikel de belastbare feiten) opgenomen. Deze vallen samen met de omschrijving van de belastingplichtigen. Belastingplichtig zijn degenen bij wie het belastbaar feit zich voordoet. In overeenstemming met artikel 117 van de Waterschapswet zijn als belastingplichtigen respectievelijk aangewezen degenen die woonachtig zijn in het gebied van het waterschap en die aldaar het gebruik hebben van woonruimte (de ingezetenen) en degenen die in het gebied van het waterschap eigenaar zijn van ongebouwde onroerende zaken, van natuurterrein of van gebouwde onroerende zaken. Deze vier belastingplichtige categorieën zijn in artikel 2, lid 2, onderdelen a tot en met d, opgenomen.

In lid 3 van het artikel is vastgelegd dat het begin van het kalenderjaar bepalend is voor de belastingplicht van de eigenaren van ongebouwde onroerende zaken, de eigenaren van natuurterreinen en de eigenaren van gebouwde onroerende zaken. Dit volgt uit artikel 119, lid 1, van de Waterschapswet. Als het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak in de loop van het jaar aanvangt of eindigt, heeft dat dus geen invloed op de belastingplicht vanwege het tijdstipkarakter van de heffing. Uit artikel 1, onderdeel b, van deze verordening blijkt overigens dat het begin van het kalenderjaar ook bepalend is voor de ingezetenen. Deze bepaling stoelt op artikel 116, onder a, van de Waterschapswet.

In artikel 119, lid 2 en 3, van de wet is voor een aantal specifieke situaties de rangorde bij het bepalen van de heffingplichtige aangegeven. Deze regelingen zijn in lid 4 en 5 van artikel 2 overgenomen.

Artikel 3 Heffingsmaatstaf

Dit artikel geeft per belastingcategorie de heffingsmaatstaf aan. De bepaling is gebaseerd op artikel 121, lid 1, van de Waterschapswet. De heffingsmaatstaf voor ingezetenen is de woonruimte en voor natuurterreinen en overig ongebouwd is de heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak. Voor gebouwde onroerende zaken is dat de voor het kalenderjaar vastgestelde WOZ-waarde.

Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen

Artikel 4 Tarief ingezetenen

In artikel 4 is de relatie tussen het tarief en de Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht en is, in overeenstemming met artikel 121, lid 1, onder a, van de Waterschapswet, vastgelegd dat het tarief op een gelijk bedrag per woonruimte wordt gesteld.

Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken

Artikel 5 Belastingobject ongebouwde onroerende zaken

De voorschriften voor de afbakening van de objecten waarop de heffing betrekking heeft, staan in artikel 118 van de Waterschapswet. Lid 3 regelt de afbakening van een ongebouwde onroerende zaak. Het ongebouwd wordt afgebakend op basis van de kadastrale registratie: als één ongebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt een kadastraal perceel of een gedeelte daarvan. Hierbij geldt wel de nuancering dat hetgeen wat volgens de wet wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak en als een natuurterrein, bij de afbakening van het ongebouwde object buiten aanmerking moet worden gelaten. In artikel 5, lid 1, komt deze wettelijke regeling terug.

In artikel 5, lid 2, is weergegeven wat in artikel 118, lid 5, van de Waterschapswet, is bepaald. Er is niet zozeer sprake van een afbakeningsvoorschrift, maar van een (fictie)bepaling op grond waarvan de in dit lid genoemde objecten als ongebouwde eigendommen worden aangemerkt. Het gaat om openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail en hun kunstwerken. Ook waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen worden in genoemde wettelijke bepaling als ongebouwde onroerende zaken aangemerkt. Ook voor deze objecten geldt trouwens dat de afbakening plaatsvindt op basis van kadastrale grenzen. Delen van waterverdedigingswerken die worden aangemerkt als woning, zijn uitdrukkelijk geen ongebouwde objecten.

Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken

Op grond van artikel 121, lid 1, onder b, van de Waterschapswet, wordt het tarief van de heffing voor ongebouwde onroerende zaken in het eerste lid gesteld op een gelijk bedrag per hectare. Daarnaast is in het tweede een apart tarief voor verharde openbare wegen opgenomen, dat 100% hoger is dan het tarief voor overige ongebouwde grond, zoals bedoeld in het eerste lid. Deze bepalingen en de relatie met de Kostentoedelings-verordening, zijn in artikel 6 opgenomen.

Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen

Artikel 7 Belastingobject

De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan artikel 116, onder c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve omschrijving van het begrip natuurterreinen, waarbij de nadruk ligt hierbij op de duurzame inrichting en het beheer van de onroerende zaak als natuurterrein: de inrichting en het beheer moeten geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Bij de beoordeling van de vraag of van een natuurterrein sprake is, zijn ook de feitelijke of uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak van belang. Zo zal een perceel nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is bewerkt en waar inmiddels eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar waar uiteindelijk wel gebouwd zal worden, niet als een natuurterrein kwalificeren. Ook stadsparken, plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun overwegende recreatieve functie niet een natuurterrein als bedoeld in de Waterschapwet zijn.

Over de interpretatie van het begrip ‘natuurterreinen’ (wanneer zijn de inrichting en het beheer van een terrein geheel of nagenoeg geheel en duurzaam afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur?) is een aantal procedures tussen waterschappen en natuurterreinbeheerders gevoerd. In 2014 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan en hierbij ook invulling gegeven aan het begrip ‘geheel of nagenoeg geheel’ in relatie tot de definitie van het begrip natuurterreinen uit de Waterschapswet 3 . Volgens de Hoge Raad is voor een oordeel op de vraag of sprake is van een natuurterrein slechts relevant of de beheer-activiteiten die op het betreffende terrein plaatsvinden, er al dan niet op zijn gericht dat het natuurtype zich kan ontwikkelen of wordt behouden. Zijn de activiteiten hierop gericht/vinden de activiteiten ten behoeve van de gegeven natuurdoelstelling plaats, dan zijn inrichting en beheer van het terrein naar het oordeel van de Hoge Raad geheel of nagenoeg geheel afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur en is er dus sprake van een natuurterrein. Het arrest van de Hoge Raad komt er kortgezegd op neer dat de vraag of sprake is van een natuurterrein, beoordeeld moet worden vanuit het perspectief van de eigenaar van het terrein. Het arrest heeft ook duidelijk gemaakt dat de Hoge Raad het voor een antwoord op de vraag of sprake is van een natuurterrein, niet relevant acht of met de beheeractiviteiten eventueel ook agrarische opbrengsten worden gegenereerd en wat daarvan de omvang is. In het aan de Hoge Raad voorgelegde geval bracht het feit dat sprake was van een resterend agrarisch opbrengstvermogen van meer dan 10% bijvoorbeeld niet mee dat van een natuurterrein geen sprake was. De term geheel of nagenoeg geheel (die in het fiscale recht voor 90% of meer staat), moet in het kader van de watersysteemheffing voor natuurterreinen met andere woorden niet rekenkundig worden benaderd.

Het begrip ‘duurzaam’ geeft aan dat geen sprake mag zijn van een situatie die tijdelijk is bedoeld.

Bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare worden op grond van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet als natuurterreinen aangemerkt. Zij hoeven niet aan het vereiste te voldoen dat zij geheel of nagenoeg geheel en duurzaam moeten zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bossen die bedrijfsmatig worden geëxploiteerd onder het begrip natuurterreinen vallen. De wetgever heeft hiervoor gekozen omdat het onderscheid in niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen enerzijds en bossen die wel als zodanig worden geëxploiteerd, in de praktijk moeilijk is te maken 4 . Natte veenweidegebieden worden, op grond van de overweging dat deze gebieden ook een agrarische functie hebben, door de wetgever niet als natuurterrein maar als agrarische grond aangemerkt.

De objectafbakeningsvoorschriften van artikel 118, lid 4, van de wet gelden ook voor bossen en open wateren. Bij open wateren moet overigens worden gedacht aan wateren met een weids karakter. Openbare waterwegen behoren overigens niet tot de categorie natuurterreinen, maar tot de categorie ongebouwd niet zijnde natuur.

Artikel 8 Tarief natuurterreinen

Het tarief van de heffing wordt op een gelijk bedrag per hectare gesteld. Dit is in artikel 121, eerste lid, onderdeel c, van de Waterschapswet bepaald. Daarnaast wordt in deze bepaling de relatie met de Kostentoedelingsverordening tot uitdrukking gebracht.

Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken

Artikel 9 Belastingobject

Het belastingobject is in dit geval de gebouwde onroerende zaak. Wat onder één gebouwde onroerende zaak moet worden verstaan, blijkt uit artikel 118, lid 1 en 2, van de Waterschapswet. De regeling van de Waterschapswet is in artikel 9 overgenomen.

De Waterschapswet sluit wat betreft de afbakening van gebouwde onroerende zaken zoveel als mogelijk aan bij de objectafbakening van de Wet waardering onroerende zaken (hierna Wet WOZ genoemd). De wetgever heeft hieraan vormgegeven door bij een samenstel van ongebouwde en gebouwde eigendommen te bepalen dat sprake is van één gebouwde onroerende zaak. De ongebouwde onroerende zaak gaat in deze gevallen deel uitmaken van de gebouwde onroerende zaak. Voorbeelden van dergelijke objecten zijn sportterreinen met kantine en kleedkamers, golfbanen met clubgebouw, maneges, campings en kazerneterreinen met oefenterreinen. De gemeentelijke objectafbakening is leidend.

Niet alle ongebouwde eigendommen kunnen een samenstel met een gebouwd eigendom vormen. Dit is in lid 3 van artikel 9 tot uitdrukking gebracht. Op grond van deze bepaling kunnen ongebouwde eigendommen die bij de waardebepaling op grond van de Wet WOZ buiten aanmerking worden gelaten, geen deel uitmaken van de gebouwde onroerende zaak. Het gaat concreet om de ongebouwde eigendommen die zijn opgenomen in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ, dus bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, Natuurschoonwetlandgoederen, natuurterreinen, openbare land- en waterwegen en spoorwegen inclusief hun kunstwerken. Deze onroerende zaken blijven, ook al vormen ze een samenstel met een gebouwd eigendom, dus ongebouwd.

Artikel 10 Tarief

Het tarief van de belasting wordt voor gebouwde onroerende zaken op een vast percentage van de WOZ-waarde gesteld. Deze regeling is in artikel 121, lid 1, onderdeel d, van de Waterschapswet opgenomen. Daarnaast geeft artikel 10 de relatie met de Kostentoedelingsverordening aan.

Hoofdstuk VI Heffing en invordering

Artikel 11 Wijze van heffing

Volgens artikel 125 van de Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen op de volgende wijzen worden geheven:

  • bij wege van aanslag;

  • bij wege van voldoening op aangifte of

  • op andere wijze.

Heffing bij wege van afdracht op aangifte is niet mogelijk. De toegestane heffingstechnieken verschillen van elkaar. Voor welke heffingswijze wordt gekozen zal veelal van de aard en de ingewikkeldheid van de te heffen belasting afhangen. Voor de watersysteemheffing is gekozen voor heffing bij wege van aanslag.

Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer belastingplichtigen

Waterschappen zijn bevoegd om in gevallen waarin voor hetzelfde voorwerp van de belasting of voor hetzelfde belastbare feit twee of meer personen belastingplichtig zijn, de belastingaanslag op naam van een van hen te stellen. De ambtenaar belast met de heffing stelt hier beleidsregels voor op. Vloeit de belastingplicht voort uit eigendom van een onroerende zaak en is de aanslag op naam van een van de belastingplichtigen gesteld, dan kan de ambtenaar belast met de invordering de gehele belastingschuld op deze persoon verhalen. Deze persoon moet het gehele bedrag van de aanslag voldoen. Hij is wel bevoegd wat hij heeft voldaan naar evenredigheid van ieders belastingplicht op de overige belasting-plichtigen te verhalen. Dit blijkt uit artikel 142, lid 1 tot en met 3, van de Waterschapswet. De regeling van artikel 142 Waterschapswet maakt de toevoeging ‘cum suis’, die in het verleden in voorkomende gevallen wel eens op het aanslagbiljet werd opgenomen, overbodig.

Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen

Dit artikel is een weergave van wat in artikel 115a van de Waterschapswet is bepaald. Lid 1 van artikel 115a bepaalt dat een aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven gaat, niet wordt opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de bepaling voorkomt dat aanslagen voor geringe bedragen moeten worden opgelegd.

Als meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het voorgaande voor het totaal van de aanslagen op het biljet. Dit is van belang in situaties waarin een belastingplichtige eigenaar van meerdere objecten met een klein aanslagbedrag in het gebied van het waterschap is. Als het waterschap de voor deze belastingplichtige bestemde aanslagen op één biljet verenigt, kan er boven de eerder bedoelde doelmatigheidsdrempel worden uitgekomen en kan dus wel een aanslag worden opgelegd.

Artikel 14 Vrijstellingen

Uit efficiencyoverwegingen is in artikel 14 bepaald dat de watersysteemheffing niet wordt geheven voor onroerende zaken (ongebouwde, gebouwde en natuurterreinen) die bij het waterschap in eigendom zijn. Hierdoor wordt voorkomen dat het waterschap aan zichzelf aanslagen moet opleggen. Dit is niet doelmatig (vestzak-broekzak). In artikel 14 is daarnaast een vrijstelling voor straatmeubilair opgenomen. Straatmeubilair behoort tot de categorie gebouwde onroerende zaken. Het verschil met de eerdergenoemde gebouwde onroerende zaken is dat het straatmeubilair niet in eigendom van het waterschap hoeft te zijn om voor vrijstelling in aanmerking te komen.

Artikel 15 Betaaltermijnen

Artikel 9 van de Invorderingswet kent een regeling op het gebied van betaaltermijnen, waarvan volgens artikel 139 van de Waterschapswet kan worden afgeweken. In deze verordening wordt bij de regeling van de Invorderingswet aangesloten.

Een aanslag in de watersysteemheffing moet met inachtneming van het bepaalde in de Invorderingswet binnen zes weken na de dagtekening van het aanslagbiljet worden betaald en een navorderingsaanslag binnen één maand na de dagtekening.

Lid 3 van artikel 15 bevat een aparte regeling voor gevallen waarin de belastingplichtige een machtiging tot automatische incasso aan het waterschap heeft afgegeven. Is hiervan sprake, dan kan aan de belastingplichtige een ruimer aantal betaaltermijnen worden gegund.

In lid 4 is bepaald dat het minimumtermijnbedrag in geval van automatische incasso € 5,-- is. Deze regeling kan vooral nuttig zijn in gevallen waarin sprake is van relatief lage belastingaanslagen.

Artikel 16 Kwijtschelding

Op grond van lid 3 van artikel 144 Waterschapswet kan het algemeen bestuur van een waterschap bepalen dat in het geheel geen dan wel slechts gedeeltelijk kwijtschelding van belasting wordt verleend.

Het algemeen bestuur van het waterschap heeft dit voor de heffingen voor eigenaren en rechthebbenden bepaald. Van de watersysteemheffing ingezetenen wordt dus wel kwijtschelding verleend.

Artikel 17 Nadere regels

Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven op het gebied van de heffing en de invordering van de watersysteemheffing. Deze bepaling is in de verordening opgenomen om er geen misverstanden over te laten bestaan dat er op het gebied van de heffing en de invordering van de belasting ook op andere plaatsen dan in de verordening zelf relevante regels kunnen zijn opgenomen.

De bevoegdheid van het dagelijks bestuur om nadere regels te stellen strekt zich uit tot de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan de Minister van Financien, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur zijn toegekend.

Artikel 18 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de heffing en citeertitel

Volgens lid 2 treedt de verordening acht dagen na haar bekendmaking in werking. Deze regeling is gebaseerd op artikel 74 van de Waterschapswet.

Omtrent de bekendmaking van de verordening is verder wat in artikel 73 van de Waterschapswet is bepaald, van belang. Bekendmaking van de verordening is essentieel, want zonder bekendmaking heeft de verordening geen verbindende kracht. Sinds 1 januari 2014 vindt bekendmaking volgens artikel 73 plaats door het besluit bekend te maken in het waterschapsblad, dat op elektronische wijze wordt uitgegeven. Het algemeen bestuur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft in de verordening elektronische bekendmaking AGV bepaald dat bekendmaking plaatsvindt in het elektronische waterschapsblad, dat voor iedeeen te raadplegen is via de website van het Waterschap en op www.overheid.nl.

In lid 4 is de citeertitel van de verordening genoemd.


Noot
1

MvT bij de Wet modernisering waterschapsbestel, TK 2005 -2006, 30601, nr. 3, blz. 11

Noot
2

In de toelichting wordt gemakshalve de term ‘eigenaren’ (van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken) gebruikt. De juridisch juiste term is ‘degene die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot heeft’ van deze zaken.

Noot
3

Hoge Raad 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3118.

Noot
4

Zie de toelichting bij het Waterschapsbesluit, Staatsblad 2007, 497, bladzijde 131.