Regeling vervallen per 01-01-2017

Gemeenschappelijke regeling gezamenlijke ombudsman metropool Amsterdam

Geldend van 01-01-2014 t/m 31-12-2016

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling gezamenlijke ombudsman metropool Amsterdam

Hoofdstuk 1 Inleidende en algemene bepaling

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • b.

    raden: de raden van de deelnemende gemeenten, tevens moet hier worden gelezen ‘het algemeen bestuur van de deelnemende gemeenschappelijke regelingen’;

  • c.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam;

  • d.

    ombudsman: de gezamenlijke ombudsman;

  • e.

    regeling: de gemeenschappelijke regeling ten behoeve van de gezamenlijke ombudsman;

  • f.

    bevoegd bestuursorgaan: raad, college van burgemeester en wethouders of bestuur deelnemende gemeenschappelijke regeling;

  • g.

    commissie voor de raadsorganen: de commissie voor de raadsorganen van het presidium van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam.

Hoofdstuk 2 Instelling

Artikel 2 Belang

Deze regeling is aangegaan om op een effectieve en efficiënte wijze vorm en inhoud te geven aan de door de Gemeentewet aan de raad gegeven mogelijkheid om voor de behandeling van verzoekschriften een gezamenlijke ombudsman in te stellen.

Artikel 3 Gemeenschappelijk orgaan

  • 1. De raden richten door deze regeling een gemeenschappelijk orgaan op als bedoeld in artikel 1, juncto artikel 8, lid 2 van de wet.

  • 2. Het gemeenschappelijk orgaan is genaamd ‘Gezamenlijke ombudsman metropool Amsterdam’ en is gevestigd in de gemeente Amsterdam.

  • 3. De gezamenlijke ombudsman kan tevens worden aangeduid als de Gemeentelijke ombudsman, de Gemeentelijke ombudsman Amsterdam, de Gemeentelijke ombudsman Almere, de Gemeentelijke ombudsman Diemen, de Gemeentelijke ombudsman Landsmeer, de Gemeentelijke ombudsman Waterland, de Gemeentelijke ombudsman Weesp, de Gemeentelijke ombudsman Zaanstad, de ombudsman Stadsregio Amsterdam en de ombudsman Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland.

Artikel 4 Privaatrechtelijke rechtspersonen

  • 1. Deze gemeenschappelijke regeling is van overeenkomstige toepassing op gedragingen van organen van privaatrechtelijke rechtspersonen, die een voorheen gemeentelijke taak vervullen of mede vervullen. Het daartoe bevoegde bestuursorgaan moet een daartoe strekkend besluit hebben genomen.

  • 2. Het daartoe bevoegde bestuursorgaan neemt een besluit als in het vorige lid bedoeld alleen indien:

    • a.

      de akte van oprichting of de statuten in die mogelijkheid voorzien, of;

    • b.

      het bevoegd orgaan van de rechtspersoon schriftelijk heeft verklaard met het overeenkomstig toepassen van deze verordening in te stemmen.

  • 3. Het daartoe bevoegde bestuursorgaan zendt een afschrift van een besluit als bedoeld in lid 1 aan de ombudsman die een lijst bijhoudt van de privaatrechtelijke rechtspersonen. De ombudsman publiceert deze registraties op zijn website.

Hoofdstuk 3 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 5 Toetreding en uittreding

  • 1. Toetreding tot de regeling kan slechts geschieden per 1 januari van enig jaar door een daartoe strekkend gezamenlijk besluit van de deelnemende raden en de raad van de toetredende gemeente.

  • 2. Uittreding uit deze regeling kan slechts geschieden per 1 januari van enig jaar na een daartoe strekkend besluit van de raad van de uittredende gemeente.

  • 3. Dit besluit wordt uiterlijk zes maanden voor de beoogde uittredingsdatum aan de raden en de ombudsman medegedeeld.

  • 4. De financiële gevolgen van een uittreding en de daarbij behorende verplichtingen van de uittredende gemeente worden door de raden vastgesteld na het horen van de ombudsman.

Artikel 6 Wijziging en opheffing

  • 1. Deze regeling kan zowel op voorstel van de ombudsman als op voorstel van een van de raden worden gewijzigd bij gelijkluidend besluit van de raden.

  • 2. Deze regeling wordt opgeheven bij uittreding van de gemeente Amsterdam of wanneer er minder dan twee gemeenteraden overblijven om te participeren in deze regeling.

Hoofdstuk 4 Werkwijze

Artikel 7 Bureau van de gezamenlijke ombudsman

  • 1. Er is een Bureau van de gezamenlijke ombudsman gevestigd in de gemeente Amsterdam.

  • 2. De gemeente Amsterdam verschaft de ombudsman, in overleg met hem, op basis van de vastgestelde begroting werkruimte en uitrusting nodig voor een goede uitoefening van de functie.

  • 3. Het college benoemt, op voordracht van de ombudsman, de ambtenaren die nodig zijn voor een goede uitoefening van de werkzaamheden van de ombudsman.

Artikel 8 Het onderzoek

  • 1. Een ieder heeft het recht de ombudsman schriftelijk te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de wijze waarop een bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen.

  • 2. De ombudsman stelt een onderzoek in tenzij één van de omstandigheden zoals genoemd in artikel 9:22, 9:23 en 9:34 van de Algemene wet bestuursrecht zich voordoet.

  • 3. Bestuursorganen dienen op verzoeken van de ombudsman binnen een maand te reageren, tenzij de ombudsman anders bepaalt.

  • 4. De ombudsman kan het betrokken bestuursorgaan verzoeken om de uitvoering van een bepaald besluit of regeling voor bepaalde tijd op te schorten of verzoeken om een concrete voorziening. Het bestuursorgaan kan dit verzoek, met redenen omkleed afwijzen.

Artikel 9 Rapportage

  • 1. In de regel wendt de ombudsman zich met zijn aanbevelingen in de eerste plaats tot het betrokken bestuursorgaan.

  • 2. Indien de ombudsman in het rapport als bedoeld in artikel 9:36 Algemene wet bestuursrecht een aanbeveling ter opheffing van een structurele tekortkoming opneemt, deelt het desbetreffende bestuursorgaan binnen drie maanden aan de ombudsman mee op welke wijze aan de aanbeveling gevolg zal worden gegeven. Hiervan wordt een afschrift aan de gemeenteraad gezonden.

  • 3. Indien de ombudsman in het rapport als bedoeld in artikel 9:36 Algemene wet bestuursrecht een aanbeveling ter opheffing van een incidentele tekortkoming opneemt, deelt het desbetreffende bestuursorgaan binnen een maand aan de ombudsman mee op welke wijze aan de aanbeveling gevolg zal worden gegeven. Hiervan wordt een afschrift aan de gemeenteraad gezonden.

Artikel 10 Jaarverslag

Het bij een onderzoek betrokken bestuursorgaan geeft binnen drie maanden na verschijning van het jaarverslag als bedoeld in artikel 81u van de Gemeentewet een reactie op het jaarverslag en de aandachtspunten op het terrein van hun portefeuille.

Artikel 11 Overleg

De ombudsman voert ten minste jaarlijks overleg met een vertegenwoordiging van de raden.

Hoofdstuk 5 Financiën

Artikel 12 Begroting

  • 1. Aan de raad van de gemeente Amsterdam wordt mandaat verleend om jaarlijks de begroting van de ombudsman voor het volgende kalenderjaar vast te stellen.

  • 2. De ombudsman zendt voor de vaststelling van de begroting een concept begroting inclusief meerjarenraming en toelichting naar de raden teneinde hen in de gelegenheid te stellen hun zienswijze bij de gemeenteraad van Amsterdam naar voren te brengen.

  • 3. Voor de samenstelling van de begroting wordt uitgegaan van de in de laatst vastgestelde begroting opgenomen ramingen alsmede de resultatenrekening van het voorlaatste jaar.

  • 4. Binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, wordt de begroting door de ombudsman aan de raden en aan gedeputeerde staten gestuurd.

  • 5. Bij een positief exploitatieresultaat over een begrotingsjaar wordt dit resultaat in het daarop volgende begrotingsjaar aan de begrotingspost Algemene reserve toegevoegd.

  • 6. Het bedrag van de begrotingspost Algemene reserve bedraagt nooit meer dan 10 procent van de gezamenlijke bijdragen van de deelnemende gemeenten van het betreffende begrotingsjaar.

  • 7. Op een wijziging van de begroting is artikel 35 van de wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13 Bijdragen deelnemende gemeenten

  • 1. De jaarlijkse bijdrage van de gemeente Amsterdam is opgenomen in Bijlage B onder I.

  • 2. De jaarlijkse bijdrage van de overige deelnemende gemeenten is opgenomen in bijlage B onder II en vastgesteld op basis van een vast aantal door de ombudsman te behandelen klachten per jaar.

  • 3. In het geval er tegen de in het vorig lid genoemde gemeenten in een jaar meer klachten worden ingediend dan waarvoor de jaarlijkse bijdrage voor de betreffende gemeente is vastgesteld, dan wordt er per extra klacht een naheffingstarief in rekening gebracht bij de betreffende gemeente zoals opgenomen in Bijlage B onder II.

  • 4. De bijdrage van de deelnemende gemeenten, zowel het vaste jaarlijkse bedrag alsook het bedrag per klacht voor naheffing, worden nominaal geïndexeerd conform het percentage voor personele lasten uit de begrotingscirculaire van het betreffende jaar van de Gemeente Amsterdam.

  • 5. De gemeenteraad van de gemeente Amsterdam wordt gemandateerd Bijlage B te wijzigen voor zover:

    • a.

      het de aanpassing betreft zoals genoemd in het vorige lid (nominale indexatie), en/of;

    • b.

      indien een deelnemende gemeente verzoekt om verhoging van de jaarlijkse eigen bijdrage en het daaruit voortvloeiende aantal te behandelen klachten.

Artikel 14 Jaarrekening

  • 1. Aan de raad van de gemeente Amsterdam wordt mandaat verleend om jaarlijks de jaarrekening van de ombudsman over het daaraan voorafgaand kalenderjaar vast te stellen.

  • 2. De jaarrekening wordt voorafgaand aan de vaststelling ter controle voorgelegd aan de gemeenteaccountant van de gemeente Amsterdam.

  • 3. De ombudsman zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de raden en aan gedeputeerde staten.

Hoofdstuk 6 Benoeming en rechtspositie

Artikel 15 Benoeming

  • 1. De raden worden betrokken bij de selectieprocedure van de ombudsman.

  • 2. De raden benoemen de ombudsman op voordracht van het presidium van de raad van de gemeente Amsterdam door een gelijkluidend besluit.

Artikel 16 Verklaring en belofte

De ombudsman legt in de vergadering van de gemeenteraad van Amsterdam de eed (verklaring en belofte) af als bedoeld in artikel 81s van de Gemeentewet.

Artikel 17 Rechtspositionele aanspraken en verplichtingen

In bijlage A, behorende bij deze regeling, wordt bepaald welke ambtelijke rechtspositionele regelingen van overeenkomstige toepassing zijn en bij wijziging van deze regelingen van toepassing zullen zijn, alsmede eventuele anders luidende of andere aanspraken.

Artikel 18 Plaatsvervanger

  • 1. De bepalingen in de artikelen 15 en 16 met betrekking tot de ombudsman zijn van overeenkomstige toepassing op diens plaatsvervanger.

  • 2. De plaatsvervangend ombudsman ontvangt een vergoeding per dagdeel dat gelijk staat aan de vergoeding voor een plaatsvervangend raadsheer aan het Gerechtshof. Deze vergoeding wordt jaarlijks geïndexeerd.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 19 Inwerkingtreding en evaluatie

  • 1. Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2014.

  • 2. Drie jaar na inwerkingtreding evalueren de raden in overleg met de ombudsman de werking van de regeling. Nadien wordt telkens één maal in de zes jaar de werking van de regeling geëvalueerd door de raden.

Artikel 20 Citeertitel

Deze gemeenschappelijke regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling gezamenlijke ombudsman metropool Amsterdam.

Bijlage A Rechtspositie ombudsman 2014

Artikel 1

Deze bijlage maakt deel uit van de Gemeenschappelijke Regeling gezamenlijke ombudsman metropool Amsterdam.

Artikel 2 Procedure wijziging rechtspositie ombudsman

  • 1. De raadsgriffier van de gemeente Amsterdam meldt de commissie voor de raadsorganen de wijzigingen van bepalingen uit de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA), alsmede de wijzigingen in de regelingen, voorschriften en verordeningen ter uitvoering daarvan.

  • 2. De commissie voor de raadsorganen bepaalt of de wijzigingen van de bepalingen onverkort voor de ombudsman zouden moeten gelden.

  • 3. Indien de commissie voor de raadsorganen van oordeel is dat de wijzigingen ook zouden moeten gelden voor de ombudsman, legt de commissie voor de raadsorganen de wijzigingen binnen twee maanden gemotiveerd aan de raad van de gemeente Amsterdam voor.

  • 4. Wijzigingen in de NRGA en de uitvoeringsvoorschriften ter uitvoering daarvan zijn niet dan na een daartoe strekkend besluit van de raad van de gemeente Amsterdam op de ombudsman van toepassing.

    Toelichting

    De verantwoordelijkheid voor het tijdig melden van wijzigingen in de NRGA en de voorschriften ter uitvoering daarvan ligt bij de raadsgriffier van de gemeente Amsterdam. Na ontvangst van een melding bepaalt de commissie voor de raadsorganen of de wijzigingen onverkort voor de ombudsman zouden moeten gelden.

    Alleen als de commissie voor de raadsorganen van oordeel is dat de wijzigingen ook voor de ombudsman zouden moeten gelden, legt de commissie voor de raadsorganen de wijzigingen binnen twee maanden na ontvangst van de melding gemotiveerd voor aan de raad. Het is uiteindelijk de raad van de gemeente Amsterdam die beslist of de wijzigingen van de NRGA ook voor de ombudsman gelden.

Artikel 3 Benoeming

  • 1. Het vereiste voor aanstelling van artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA (verklaring omtrent gedrag) is op de te benoemen kandidaat-ombudsman van toepassing, tenzij de voordracht een herbenoeming betreft van de laatstelijk benoemde ombudsman. De benoeming vindt niet plaats als geen verklaring wordt afgegeven.

  • 2. Indien een kandidaat reiskosten heeft gemaakt ter zake van het gevolg geven aan een door of vanwege de raden uitgegane uitnodiging voor een gesprek, dan wel vanwege onderzoeken ter beoordeling van de geschiktheid voor het ambt, worden deze kosten vergoed overeenkomstig artikel 17, vierde lid, van de NRGA.

  • 3. Aan de ombudsman wordt zo spoedig mogelijk een benoemingsakte uitgereikt, welke ten minste vermeldt:

    • a.

      naam, voornamen en geboortedatum;

    • b.

      de ingangsdatum van de benoeming;

    • c.

      de duur van zes jaar waarvoor de benoeming geldt;

    • d.

      de indeling binnen de salarisschaal zoals bedoeld in artikel 4.

Artikel 4 Bezoldiging

  • 1. De ombudsman heeft aanspraak op bezoldiging met ingang van de datum waarop de benoeming ingaat.

  • 2. De bezoldiging wordt in maandelijkse termijnen betaalbaar gesteld.

  • 3. De hoogte van de bezoldiging van de ombudsman is vastgesteld op salarisschaal 18, als genoemd in de Bedragengids van de NRGA, op basis van een 36-urige werkweek. Bij benoeming wordt de indeling binnen de salarisschaal vastgesteld.

  • 4. De ombudsman gaat jaarlijks naar de eerstvolgende periodiek in zijn salarisschaal tot het maximumbedrag van de salarisschaal is bereikt.

  • 5. De raad van de gemeente Amsterdam kan bij de beslissing waarbij de ombudsman op non-activiteit wordt gesteld, bepalen dat tijdens de duur van de non-activiteit geen bezoldiging of slechts een gedeelte van de bezoldiging wordt genoten, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden genoten.

  • 6. Indien de non-activiteit anders dan door ontslag is geëindigd, kan de raad van de gemeente Amsterdam beslissen, dat de niet genoten bezoldiging alsnog geheel of gedeeltelijk zal worden uitbetaald, in het laatste geval onder aanwijzing van het gedeelte dat zal worden uitbetaald.

  • 7. De aanspraak op de bezoldiging eindigt met ingang van de dag:

    • a.

      van ontslag;

    • b.

      van opheffing van het ambt van gezamenlijke ombudsman metropool Amsterdam;

    • c.

      volgende op die waarop de termijn van benoeming is verstreken;

    • d.

      volgende op die waarop de ombudsman is overleden.

    Toelichting

    De salarisschalen van de gemeente Amsterdam hebben 12 periodieken. Wanneer de ombudsman bij zijn aantreden wordt ingedeeld in periodiek 6, dan zal hij het jaar daarna (automatisch) in periodiek 7 worden ingedeeld.

Artikel 5 Eindejaarsuitkering

De ombudsman heeft aanspraak op een eindejaarsuitkering overeenkomstig de artikelen 3.18 en 3.19 van de NRGA.

Artikel 6 Vakantie, vakantie-uitkering en verlof

  • 1. Ten aanzien van vakantie geldt voor de ombudsman hoofdstuk 6, paragraaf 1, van de NRGA, met uitzondering van artikel 6.2 van de NRGA.

  • 2. De ombudsman heeft recht op een vakantie-uitkering overeenkomstig artikel 6.8 van de NRGA.

  • 3. Ten aanzien van verlof gelden voor de ombudsman de volgende bepalingen:

    • a.

      artikel 6.9 van de NRGA (verlof op feestdagen);

    • b.

      hoofdstuk 6, paragraaf 4, van de NRGA, met uitzondering van artikel 6:20 van de NRGA (bijzonder verlof);

    • c.

      hoofdstuk 6, paragraaf 6, van de NRGA, met uitzondering van artikel 6.30, eerste en tweede lid van de NRGA (ouderschapsverlof);

    • d.

      artikelen 6.32 en 6.33 van de NRGA (zwangerschap- en bevallingsverlof).

  • 4. De ombudsman informeert de commissie voor de raadsorganen vooraf schriftelijk over het opnemen van vakantieverlof en ander verlof.

  • 5. De ombudsman is verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de uren waarop hem ouderschapsverlof is verleend als hij tijdens het ouderschapsverlof of binnen zes maanden nadat hij gebruik heeft gemaakt van het ouderschapsverlof wordt ontslagen op één van de gronden als bedoeld in artikel 81q, derde lid, aanhef en onder a, c, d, e en f, van de Gemeentewet.

  • 6. De ombudsman is verplicht tot terugbetaling van dat deel van de bezoldiging als hij binnen drie maanden nadat hij gebruik heeft gemaakt van ouderschapsverlof minder uren gaat werken dan vóór het ouderschapsverlof.

Artikel 7 Arbeidsongeschiktheid

  • 1. Bij arbeidsongeschiktheid is hoofdstuk 7 van de NRGA van overeenkomstige toepassing op de ombudsman, met dien verstande dat de ombudsman arbeidsongeschiktheid en herstel meldt aan de commissie voor de raadsorganen, alsmede aan een door de commissie voor de raadsorganen aangewezen geneeskundige.

  • 2. Bij ontslag op grond van artikel 81q, derde lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet heeft de ombudsman recht op een suppletie overeenkomstig hoofdstuk 32 van de NRGA.

Artikel 8 Vergoedingen en tegemoetkomingen

  • 1. Ten aanzien van tegemoetkomingen en vergoedingen gelden voor de ombudsman de volgende bepalingen:

    • a.

      hoofdstuk 8, met uitzondering van paragraaf 2, van de NRGA (ziektekosten);

    • b.

      hoofdstuk 9 van de NRGA, met uitzondering van de artikelen 9.8 en 9.15 van de NRGA (verplaatsingskosten);

    • c.

      artikel 11.14, eerste en derde lid, van de NRGA, met uitzondering van de zinsnede over ambtsjubileum in de zin van artikel 3.20 van de NRGA (afscheidsreceptie);

    • d.

      artikel 11.15 van de NRGA (schade aan eigendommen);

    • e.

      artikel 11.31 van de NRGA (uitkering bij overlijden).

  • 2. Ten aanzien van de tegemoetkoming van de in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfskosten voor buitenlandse dienstreizen is artikel 11.11 van de NRGA en de Richtlijn voor buitenlandse werkbezoeken voor ambtenaren van gemeentelijke diensten en bedrijven van Amsterdam van 7 februari 2011 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een buitenlandse dienstreis vooraf ter goedkeuring aan de raad van de gemeente Amsterdam moet worden voorgelegd.

  • 3. De in redelijkheid gemaakte verblijfskosten ter zake van binnenlandse dienstreizen worden overeenkomstig de artikelen 11.8 en 11.10 van de NRGA aan de ombudsman vergoed.

  • 4. Een vergoeding op grond van deze regeling wordt alleen toegekend na gemaakte kosten en overlegging van een betalingsbewijs, tenzij in deze regeling anders is bepaald.

  • 5. Declaraties worden binnen drie maanden na de gemaakte kosten ingediend bij de gemeente Amsterdam.

  • 6. Ten aanzien van alle gedeclareerde onkosten geldt een verplichting tot openbaarmaking .

  • 7. Indien de ombudsman wordt ontslagen op een van de gronden als bedoeld in artikel 81q, derde lid, aanhef en onder a, c, d, e en f, van de Gemeentewet, kan hij door de raad van de gemeente Amsterdam worden verplicht de overeenkomstig artikel 9.14 van de NRGA toegekende verhuiskostenvergoeding terug te betalen.

  • 8. Vergoedingen van schade, door de ombudsman in de uitoefening van zijn ambt aan derden toegebracht, komen geheel voor rekening van de gemeente Amsterdam, voor zover de schade niet is te wijten aan opzet, grove schuld of grove nalatigheid van de ombudsman.

Artikel 9 Cursus, congres, seminar of symposium

  • 1. De raad van de gemeente Amsterdam stelt jaarlijks het bedrag vast dat door de ombudsman uitgegeven kan worden aan cursussen, congressen, seminars en symposia, met dien verstande dat deelname daaraan van belang is in verband met de vervulling van het ambt als ombudsman.

  • 2. De ombudsman informeert de commissie voor de raadsorganen vooraf schriftelijk over deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia, alsmede over de daaraan verbonden kosten.

Artikel 10 Bedrijfsmiddelen

  • 1. Op aanvraag wordt door het college aan de ombudsman voor de uitoefening van zijn ambt een personal computer met printer met scanfunctie, een laptop of een tablet, bijbehorende software en een smartphone in bruikleen ter beschikking gesteld. De voornoemde bedrijfsmiddelen worden verstrekt overeenkomstig de afspraken die hierover gelden binnen de Bestuursdienst van de gemeente Amsterdam.

  • 2. Ten aanzien van het gebruik van de in bruikleen gegeven bedrijfsmiddelen zijn de hierover binnen de Bestuursdienst van de gemeente Amsterdam geldende regels van overeenkomstige toepassing.

  • 3. De ombudsman ondertekent voor de hem in bruikleen gegeven bedrijfsmiddelen een bruikleenovereenkomst met de gemeente Amsterdam.

  • 4. De in bruikleen gegeven bedrijfsmiddelen zijn eigendom van de gemeente Amsterdam en worden uitsluitend voor zakelijk gebruik ter beschikking gesteld aan de ombudsman.

  • 5. De kosten gemaakt in verband met de in dit artikel genoemde voorzieningen komen ten laste van het budget van het bureau van de ombudsman.

Artikel 11 Betaalbaarstelling

  • 1. De bezoldiging en de betalingen waarop de ombudsman recht heeft op grond van deze regeling worden – na inhouding van loonbelasting en premieheffingen - betaalbaar gesteld overeenkomstig artikel 3.15 van de NRGA.

  • 2. Betaling van bezoldiging en andere geldelijke rechten vindt plaats op de rekening van de natuurlijke persoon die het ambt van ombudsman vervult of heeft vervuld.

  • 3. Voor zover de wet geen dwingende bepalingen geeft, kunnen geldelijke rechten slechts op verzoek van de natuurlijke persoon die het ambt van ombudsman vervult of heeft vervuld geheel of gedeeltelijk aan anderen betaalbaar worden gesteld.

Artikel 12 Herbenoeming en ontslag

  • 1. Behoudens bijzondere omstandigheden wordt ongevraagd ontslag niet verleend dan nadat de ombudsman in de gelegenheid is gesteld, desgewenst bijgestaan door een raadsman, door of vanwege de raad van de gemeente Amsterdam te worden gehoord.

  • 2. Indien het ambt van gezamenlijke ombudsman metropool Amsterdam wordt opgeheven of indien de ombudsman na afloop van de termijn waarvoor de benoeming geldt niet wordt herbenoemd, anders dan op zijn verzoek, wordt hem, indien hij recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en deze ook daadwerkelijk ontvangt, een uitkering toegekend overeenkomstig de artikelen 30a.8 tot en met 30a.18 van de NRGA.

  • 3. De afdrachten voor de werkloosheidsvoorziening ingevolge de Werkloosheidswet en de uitkering volgens de bepalingen van de artikelen 30a.8 tot en met 30a.18 van de NRGA worden verzorgd door de gemeente Amsterdam door inhouding op de bruto bezoldiging.

Artikel 13 Pensioen

  • 1. Ten aanzien van pensioenrechten en verzekering tegen invaliditeit is het ABP-pensioenreglement van toepassing.

  • 2. De gemeente Amsterdam zorgt voor afdracht van de door de ombudsman verschuldigde premies.

  • 3. De premies worden door de gemeente Amsterdam bij de ombudsman in rekening gebracht als hij geen recht heeft op bezoldiging.

Artikel 14 Nevenfuncties

  • 1. De betrekkingen die de ombudsman buiten zijn ambt vervult, worden door hem openbaar gemaakt met de vermelding of het gaat om bezoldigde of onbezoldigde werkzaamheden.

  • 2. De ombudsman informeert de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk over betrekkingen die hij voornemens is buiten zijn ambt te gaan vervullen. Indien aanvaarding van een betrekking op bezwaren stuit, maken de raden dit zo spoedig mogelijk kenbaar.

Artikel 15 Verbod aannemen geld en geschenken / deelname in ondernemingen

  • 1. Artikel 11.3 van de NRGA (verbod aannemen geld en geschenken) is van overeenkomstige toepassing op de ombudsman.

  • 2. Het is de ombudsman zonder toestemming van de raden niet toegestaan om deel te nemen in een onderneming die een bedrijf uitoefent dat in enig opzicht aan de beoordeling onderworpen is of onder toezicht staat van de deelnemende gemeenten.

Artikel 16 Verjaring rechten en terugvordering

  • 1. De in deze regeling omschreven aanspraken zijn niet meer opeisbaar vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarin deze voor het eerst realiseerbaar waren.

  • 2. Als aan de ombudsman als gevolg van verwijtbaar handelen of nalaten te veel of ten onrechte is betaald, vindt geen terugvordering meer plaats vijf jaar na de dag van betaalbaarstelling.

Artikel 17 Uitvoeringsvoorschriften

Elke regeling, voorschrift en verordening ter uitvoering van de in deze regeling van toepassing verklaarde bepalingen uit de NRGA, is eveneens van toepassing op deze regeling.

Artikel 18 Nagelaten betrekkingen

Ten aanzien van de nagelaten betrekkingen van de ombudsman zijn de overeenkomstige bepalingen uit de NRGA van toepassing.

Artikel 19 Uitvoeringslasten

Alle kosten voortvloeiende uit de rechtspositionele aanspraken van de ombudsman en gewezen ombudsman komen ten laste van het budget van het bureau van de ombudsman.

Artikel 20 Onvoorziene situaties

In gevallen waarin deze regeling niet of niet genoegzaam voorziet, beslist de raad van de gemeente Amsterdam, gehoord de commissie voor de raadsorganen. De overige raden worden van deze beslissing onverwijld in kennis gesteld.

Bijlage B

I.

Deelnemende gemeente

Jaarlijkse bijdrage in €

Extra bijdrage 2014 in €

Amsterdam

1.824.352

50.000

II.

Overige deelnemende gemeente

Bedrag per jaar in €

Aantal klachten

Naheffing per klacht in € indien het aantal klachten wordt overschreden

Almere

43.297,29

100 klachten

432,97

Diemen

2.706,08

5 klachten

432,97

Landsmeer

1.353,04

5 klachten

432,97

Stadsregio

2.706,08

5 klachten

432,97

Veiligheidsregio

2.706,08

5 klachten

432,97

Waterland

2.706,08

5 klachten

432,97

Zaanstad

43.297,29

100 klachten

432,97

Toelichting bij 'Gemeenschappelijke regeling gezamenlijke ombudsman metropool Amsterdam'

Algemeen

De gemeenten Amsterdam, Almere, Diemen, Landsmeer, Waterland, Weesp en Zaanstad en Stadsregio Amsterdam en Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland maken al jaren gebruik van dezelfde Ombudsman. De Gemeentewet schrijft in artikel 81y jo. 81z voor dat een dergelijke samenwerking in de vorm van een gemeenschappelijke regeling kan worden geregeld. Deze verordening is gericht op het instellen van een gemeenschappelijk orgaan van de betreffende gemeenten, Stadsregio Amsterdam en Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland.

De gemeenschappelijke regeling is redelijk beperkt. De reden hiervoor is dat een groot aantal onderwerpen in titel 9.2 van de Algemene wet bestuursrecht, in hoofdstuk IVc van de Gemeentewet en in de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn geregeld.

Dit betreft onder andere de volgende onderwerpen:

  • -

    de onafhankelijke positie;

  • -

    de ambtsperiode;

  • -

    de eed;

  • -

    verboden handelingen;

  • -

    regeling van ontslag en non-activiteit;

  • -

    de bevoegdheid een onderzoek in te stellen;

  • -

    het verdere procesrecht;

  • -

    begroting, jaarrekening.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Dit artikel geeft definities. Waar in de tekst ‘raad’ of ‘gemeenteraad’ staat, dient daar ook ‘algemeen bestuur van de Stadsregio Amsterdam of Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland’ te worden gelezen. De Gemeentewet schrijft voor dat de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) kan worden toegepast voor samenwerking via een gezamenlijke ombudsman. Hierbij is bepaald dat de Wgr ten aanzien van gemeenschappelijke organen opgenomen bepalingen slechts van toepassing is voor zover de aard van de aan de ombudsman opgedragen taken zich daartegen niet verzet.

De commissie voor de raadsorganen van de gemeente Amsterdam is het eerste aanspreekpunt voor de ombudsman voor aangelegenheden die het bureau betreffen. Daarnaast heeft de commissie voor de raadsorganen een rol met betrekking tot de werkgeversaspecten ten aanzien van de functionaris ombudsman. De commissie voor de raadsorganen is ook het eerste aanspreekpunt voor de directeur Rekenkamer Metropool Amsterdam, de gemeenteaccountant (tevens directeur ACAM) en de raadsgriffier van de gemeente Amsterdam.

Artikel 3 Gemeenschappelijk orgaan

Er kan een gemeenschappelijk orgaan worden opgericht door middel van een gemeenschappelijke regeling. In artikel 81z van de Gemeentewet wordt ook verwezen naar de Wgr waarbij aangegeven wordt dat de bepalingen slechts van toepassing zijn voorzover de aard van de aan de ombudsman opgedragen taken zich daartegen niet verzet. Het gemeenschappelijk orgaan is genaamd Gezamenlijke Ombudsman Metropool Amsterdam, maar kan ook anders worden aangeduid. Dit is bedoeld om in de communicatie met in het bijzonder de burger herkenbaar te zijn. Wanneer de Ombudsman bijvoorbeeld klachten behandelt in de gemeente Zaanstad, dan zal de benaming Gemeentelijke ombudsman Zaanstad worden gebruikt.

Artikel 4 Privaatrechtelijke rechtspersonen

De Ombudsman behandelt ook klachten over gedragingen van privaatrechtelijke rechtspersonen, die een voorheen gemeentelijke taak vervullen of mede vervullen voor één of meer van de raden. Het daartoe bevoegde bestuursorgaan moet daarbij hebben besloten dat de bevoegdheid van de ombudsman zich mede over hun gedragingen uitstrekt. In de gemeente Amsterdam zijn dit ten tijde van het opstellen van deze regeling in elk geval: NV Verzekeringsbedrijf Groot Amsterdam, Stichting Gemeentelijke Kredietbank, NV Zeedijk, Stadsmobiel BV, Stichting Amsterdams Historisch Museum, Waternet en Cition BV. Al deze rechtspersonen vervullen nog taken die onder de verantwoordelijkheid van de Gemeente Amsterdam vallen, waardoor het wenselijk is dat de Gemeentelijke Ombudsman de klachten over deze rechtspersonen kan behandelen.

Voor de overeenkomstige toepassing wordt onder bestuursorgaan mede verstaan een orgaan van de rechtspersoon en wordt een gedraging van een werknemer toegerekend aan het orgaan van de rechtspersoon onder wiens verantwoordelijkheid hij werkt.

Artikel 5 Toetreding en uittreding

Bij toetreding van een gemeente zorgen alle deelnemers ervoor dat er zo spoedig mogelijk een gelijkluidend besluit wordt genomen door de raden en de algemeen besturen van de regio’s. Toetreding van een nieuwe gemeente is in beginsel altijd mogelijk, maar slechts per 1 januari van enig jaar. Dit is wettelijk bepaald in artikel 81p van de Gemeentewet. Hetzelfde geldt voor uittreding, alleen mogelijk per 1 januari van enig jaar. Een besluit tot uittreding moet vóór 1 juli voorafgaande aan de datum van uittreding worden genomen (Gemeentewet). De reden daarvoor is dat het besluit tot uittreding vóór 1 juli moet zijn gemeld aan de Nationale Ombudsman..

Artikel 6 Wijziging en opheffing

Ook indien deze regeling dient te worden gewijzigd, zorgen de deelnemers ervoor dat dit op zo spoedig mogelijke termijn gebeurt.

De regeling wordt opgeheven als de gemeente Amsterdam uittreedt, omdat het personeel van het bureau in dienst is van de gemeente Amsterdam, het bureau in de gemeente Amsterdam gevestigd is, etc. Bij uittreding van de gemeenteraad van Amsterdam, komen al deze zaken ook te vervallen.

Bij uittreding van alle gemeenten behalve Amsterdam heeft de gemeenschappelijke regeling geen reden voor bestaan, voor een regeling zijn minimaal twee deelnemers vereist.

Artikel 7 Bureau van de gezamenlijke ombudsman

Het bureau van de Ombudsman is gevestigd in de gemeente Amsterdam en staat onder leiding van de ombudsman. De ambtenaren van het bureau worden aangesteld in dienst van de gemeente Amsterdam.

De Gemeentewet schrijft voor dat de ambtenaren van het bureau door het college moeten worden benoemd op voordracht van de ombudsman. In een apart besluit wordende rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de ambtenaren van het bureau gemandateerd door het college van Amsterdam aan de ombudsman. Aan het mandaat zijn instructies en beperkingen verbonden. Deze instructies en beperkingen mogen niet in strijd zijn met de onafhankelijke taakuitoefening door de ombudsman. De ambtenaren van het bureau zijn verder ter zake van de inhoudelijke werkzaamheden uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de Ombudsman. Het college mag bovendien aan deze ambtenaren geen andere werkzaamheden opdragen.

De rechtspositieregeling van de gemeente Amsterdam (NRGA) is rechtstreeks van toepassing op de ambtenaren werkzaam bij de Ombudsman. Wanneer de NRGA wordt gewijzigd, dan zijn deze wijzigingen automatisch van toepassing op deze groep medewerkers.

Voor wat betreft de overige bedrijfsvoeringsaspecten die het bureau van de ombudsman aangaan, geldt dat de ombudsman verschillende bevoegdheden op basis van mandaat, machtiging en volmacht verkrijgt van het college. Bij de uitoefening van die bevoegdheden is de ombudsman gehouden aan de gemeentebrede spelregels zoals die onder meer gelden voor huisvesting, ICT, communicatiemiddelen enz.

Artikel 8 Het onderzoek

Bij de ombudsman komen allerlei vragen, verzoeken en klachten binnen. Sommige hiervan vragen om (uitgebreid) onderzoek. De verzoeken die de ombudsman in dit verband aan bestuursorganen richt, dienen binnen een maand te worden beantwoord. Het bureau van de ombudsman heeft vaak echter ook te maken met simpele, feitelijke vragen waar geen verdergaand onderzoek voor nodig lijkt te zijn. De verzoeken om informatie die de ombudsman (of het bureau van de ombudsman) in dit verband doet, dienen binnen een week beantwoord te worden.

De ombudsman kan het bestuursorgaan verzoeken om de uitvoering van een bepaald besluit of regeling op te schorten als er sprake lijkt te zijn van direct dreigende maatregelen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij dreigende ontruiming, invordering van bedragen en fatale termijnen. De ombudsman kan het bestuursorgaan ook verzoeken om een ‘concrete voorziening’. Ook hierbij dient het weer te gaan om dringende gevallen die spoed behoeven. Hierbij kan het gaan om broodnood of een verzoek om een voorschot van een uitkering, etcetera. In deze spoedeisende gevallen reageert het betrokken bestuursorgaan per ommegaande op het verzoek van de ombudsman.

Artikel 9 Rapportage

Het bestuursorgaan deelt de ombudsman mee op welke wijze aan de aanbevelingen gevolg zal worden gegeven. In de praktijk is het zo dat indien het bestuursorgaan geen gevolg wil geven aan de aanbevelingen van de ombudsman, het rapport geagendeerd wordt voor bespreking in de raadscommissie.

Artikel 10 Jaarverslag en artikel 11 Overleg

Geen toelichting.

Artikel 12 Begroting

Overeenkomstig artikel 10, vierde lid, van de Wgr regelt deze regeling dat de ombudsman bevoegd is tot de behandeling van verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18, eerste lid, Awb.

Volgens artikel 34 van de Wgr wordt de begroting door het algemeen bestuur van het gemeenschappelijk orgaan vastgesteld. In dit geval is er geen bestuur, wel samenwerkende raden. Nu het bureau van de ombudsman in Amsterdam gevestigd is en de medewerkers in dienst zijn van de gemeente Amsterdam, ligt het voor de hand om mandaat te verlenen aan de raad van de gemeente Amsterdam om de begroting te laten vaststellen. Dit is voorheen ook altijd zo gegaan, maar nu wordt dit expliciet vastgelegd.

Met het vaststellen van de begroting wordt niet de hoogte van de bijdrage van de deelnemers aan de regeling vastgesteld. Met andere woorden de begroting wordt vastgesteld aan de hand van de door de raden ter beschikking gestelde financiële middelen.

De datum in deze bepaling is gebaseerd op artikel 34 Wgr.

Artikel 13 Bijdragen deelnemende gemeenten

De bijdrage van de deelnemende gemeente is gebaseerd op de reeds bestaande financiële afspraken tussen de gemeenten en de ombudsman. De bijdrage van de gemeente Amsterdam is gebaseerd op de begroting 2013.

Door het vaststellen van de gemeenschappelijke regeling verbinden alle deelnemende gemeente zich voor de in de in dit artikel en Bijlage B genoemde bedragen. Ook verbinden zij zich aan de nominale indexatie. De jaarlijkse bijdrage van een deelnemende gemeente kan verder uitsluitend op basis van een verzoek van die gemeente worden aangepast. Wanneer dat verzoek een verhoging betreft van de jaarlijkse bijdrage, dan kan dat verzoek worden gericht aan de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam. De gemeenteraad van de gemeente Amsterdam is in dat geval gemandateerd om de verhoging in Bijlage B op te nemen. Een verzoek tot verlaging van de jaarlijkse bijdrage zal bij het gemeenschappelijk orgaan (alle deelnemende gemeente) moeten worden ingediend waarna alleen met instemming van alle deelnemende gemeente de bijdrage wordt verlaagd.

De bijdrage van de deelnemende gemeenten, met uitzondering van de gemeente Amsterdam, is vastgelegd per gemeente op basis van een vast aantal door de Ombudsman te behandelen klachten per jaar. Worden er door de betreffende gemeente meer te behandelen klachten veroorzaakt, geldt er een naheffingstarief per klacht. Per gemeente zijn deze bedragen per jaar, het aantal klachten dat hiervoor door de Ombudsman wordt behandeld zonder naheffing en het tarief per klacht als naheffing in de bijlage Y opgenomen.

De bijdrage van de gemeente Amsterdam bedraagt € 1.954.352 (in 2014 incidenteel € 2.004.352) en kan hoger zijn voor zover er een hogere begroting voor de Ombudsman wordt vastgesteld (zie bepaling Begroting) door bijvoorbeeld een door de Gemeente Amsterdam veroorzaakte verwachting van meer te behandelen klachten.

Artikel 14 Jaarrekening

Zie toelichting artikel 12. Hetzelfde geldt voor de jaarrekening. Ook hiervoor wordt verwezen naar artikel 34 van de Wgr.

Artikelen 15 tot en met 18

Geen toelichting.

Artikel 19 Inwerkingtreding en evaluatie

Ingevolge artikel 81p van de Gemeentewet kan een gemeentelijke ombudsman alleen per 1 januari van enig jaar worden ingesteld en beëindigd.

Artikel 20

Geen toelichting.