Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland van 14 april 2015, PZH-2015-511149546 (DOS-2013-0010135), houdende regels omtrent het Uitvoeringsregeling Plattelands OntwikkelingsProgramma 2014-2020 (POP-3) Zuid-Holland (Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland)

Geldend van 05-05-2021 t/m heden

Intitulé

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland van 14 april 2015, PZH-2015-511149546 (DOS-2013-0010135), houdende regels omtrent het Uitvoeringsregeling Plattelands OntwikkelingsProgramma 2014-2020 (POP-3) Zuid-Holland (Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland)

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland,

Overwegende dat het wenselijk is om met ELFPO middelen aan te sluiten bij de beleidsdoelen uit de Beleidsvisie Groen en de realisatie van die doelen.

gelet op artikel 3 van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013;

Besluiten vast te stellen de “Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland”

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1.1 begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    afschrijvingskosten: de kosten van afschrijving, bedoeld in artikel 69, tweede lid van VO (EU) 1303/2013;

  • b.

    Asv: Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013;

  • c.

    deelplafond: plafond als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Asv;

  • d.

    grondgebruiker: gebruikgerechtigde van de grond;

  • e.

    inpassingsmaatregelen: maatregelen die noodzakelijk zijn om kavels goed bewerkbaar te maken en eventuele neveneffecten van herverkaveling tegen te gaan;

  • f.

    landbouwer: een natuurlijk persoon, of rechtspersoon dan wel en groep natuurlijke personen of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, van wie het bedrijf zich bevindt binnen het territoriale toepassingsgebied van de verdragen als omschreven in artikel 52 VEU, en die een landbouwactiviteit uitoefent;

  • g.

    landbouwactiviteit: primaire productie van landbouwproducten, als bedoeld in bijlage 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

  • h.

    landbouwbedrijf: alle eenheden op het grondgebied van eenzelfde lidstaat die voor landbouwactiviteiten worden gebruikt en door een landbouwer worden beheerd;

  • i.

    netto inkomsten: instroom van kasmiddelen die gebruikers genereren door rechtstreeks te betalen voor de door middel van de gesubsidieerde activiteit verstrekte goederen of diensten, minus alle operationele kosten en de kosten voor vervanging van uitrusting met een korte levensduur die in de overeenkomstige periode zijn gemaakt. Besparingen op de operationele kosten die gerealiseerd worden door de gesubsidieerde activiteit worden als netto inkomsten gerekend, tenzij de besparingen teniet worden gedaan door een evenredige verlaging van een eventuele exploitatiesubsidie;

  • j.

    niet-productieve investering: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of rentabiliteit van de het landbouwbedrijf;

  • k.

    ELFPO: het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling als bedoeld in VO (EU) 1305/2013;

  • l.

    VO (EU) 1303/2013: Verordening (EU) Nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PbEU 2013,L347);

  • m.

    VO (EU) 1305/2013: Verordening (EU) Nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PbEU 2013, L 347);

  • n.

    Vo 702/2014: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

  • o.

    Vo (EU) 2020/2220 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 23 december 2020 tot vaststelling van een aantal overgangsbepalingen voor steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) in de jaren 2021 en 2022 en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013 en (EU) nr. 1307/2013 wat betreft de middelen en toepassing in de jaren 2021 en 2022 en van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat betreft de middelen en verdeling van die steun voor de jaren 2021 en 2022.

  • p.

    voorbereidingskosten: kosten van handelingen ter voorbereiding van de subsidiabele activiteit waar subsidie wordt aangevraagd, waaronder het maken van een projectplan.

Artikel 1.2 toepassingsbereik

1. Subsidie op grond van deze regeling wordt slechts verstrekt voor activiteiten waarvan de resultaten aantoonbaar ten goede komen aan het platteland of de agrarische sector in het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

2. Tot het platteland behoort het gehele grondgebied met uitzondering van woonkernen met meer dan 30.000 inwoners.

3. Subsidie op grond van deze regeling wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

Artikel 1.3 openstelling

1. In afwijking van artikel 26, eerste lid, van de Asv kunnen gedeputeerde staten een openstellingsbesluit vaststellen voor het verstrekken van subsidies op grond van deze regeling.

2. Gedeputeerde staten stellen per openstellingsbesluit vast:

  • a.

    één of meerdere deelplafonds;

  • b.

    een periode waarbinnen per deelplafond een aanvraag om subsidie moet zijn ontvangen.

  • 3.

    In het openstellingsbesluit kunnen gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot de kostentypen, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid.

4. In het openstellingsbesluit kunnen gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot:

  • a.

    de categorieën van activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;

  • b.

    de thema’s waarop een activiteit betrekking moet hebben;

  • c.

    de categorieën van begunstigden;

  • d.

    de kostensoorten die voor subsidie in aanmerking komen;

  • e.

    de geografische begrenzing van de openstelling;

  • f.

    een drempelbedrag met betrekking tot de subsidiabele kosten;

  • g.

    de minimale of maximale hoogte van de subsidie;

  • h.

    de gegevens of bescheiden die bij de aanvraag om subsidie, voorschot, wijziging of vaststelling overlegd moeten worden;

  • i.

    het indienen van een voortgangsrapportage;

  • j.

    overige verplichtingen die aan een subsidieontvanger kunnen worden opgelegd;

  • k.

    het verstrekken van voorschotten.

  • 5. In aanvulling op het vierde lid kunnen Gedeputeerde Staten een vast bedrag aan subsidiabele kosten per activiteit vaststellen.

6. In afwijking van artikel 26, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidies op grond van deze regeling worden ingediend binnen de periode genoemd in het openstellingsbesluit als bedoeld het tweede lid.

Artikel 1.4 POP-3 steun

  • 1.

    POP-3 steun bestaat uit ELFPO-middelen en middelen van nationale overheden, tenzij in een openstellingsbesluit anders is bepaald.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde middelen van nationale overheden bestaan uit:

  • a.

    middelen van de provincie Zuid-Holland, of

  • b.

    middelen van andere overheden.

  • 3.

    Gedeputeerde staten stellen in een openstellingsbesluit vast welke gedeelten van de in het eerste lid bedoelde steun met de openstelling beschikbaar worden gesteld.

  • 4.

    De in deze regeling genoemde subsidiepercentages bestaan voor 50% uit steun afkomstig uit het ELFPO en voor 50% uit nationale overheidsfinanciering, tenzij in een openstellingsbesluit anders is bepaald.

Artikel 1.5 landbouwbedrijven

Vervallen.

Artikel 1.6 samenwerkingsverbanden

1. Indien subsidie wordt aangevraagd door deelnemers in een samenwerkingsverband, komen slechts voor subsidie in aanmerking samenwerkingsverbanden:

  • a.

    waarvan de deelnemers natuurlijke personen of rechtspersonen, ieder met een andere eigenaar en niet in eigendom van een deelnemende natuurlijke persoon, zijn, en

  • b.

    die voldoen aan de concurrentieregels zoals die gelden krachtens de artikelen 206 tot en met 210 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG)nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PbEU 2013, L 347).

2. Indien een aanvraag namens de deelnemers aan een samenwerkingsverband wordt ingediend bevat de aanvraag om subsidie, tevens:

  • a.

     een door alle deelnemende partijen ondertekende samenwerkingsovereenkomst;

  • b.

    de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen bevattende de baten en de lasten van de deelnemende partijen.

  • c.

    gegevens waaruit blijkt dat de penvoerder is aangewezen door de deelnemende partijen aan het samenwerkingsverband om de aanvraag om subsidie in te dienen;

    d. een verklaring van iedere deelnemende partij dat de deelnemer hoofdelijk aansprakelijk is voor onverschuldigd betaalde subsidiebedragen.

3. Ingeval een subsidie wordt verstrekt aan een samenwerkingsverband:

  • a.

    berusten de verplichtingen als bedoeld in artikel 1.14 voortvloeien hoofdelijk op iederedeelnemer aan het samenwerkingsverband;

  • b.

    is de penvoerder verplicht de projectadministratie als bedoeld in artikel 1.14, eerste lid, onder g, te voeren;

  • c.

    kunnen onverschuldigd betaalde subsidiebedragen overeenkomstig artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht hoofdelijk worden teruggevorderd bij iedere deelnemer aan het samenwerkingsverband.

Artikel 1.6a Wijze van indienen van en vereisten aan een subsidieaanvraag

1. In afwijking van artikel 9 van de ASV wordt een aanvraag om subsidie ingediend met gebruikmaking van de meest recente versie van een door Gedeputeerde Staten beschikbaar gesteld formulier.

2. Een aanvraag om subsidie bevat ten minste:

a. een begroting van de kosten van de activiteit;

b. een toelichting op de begroting;

c. een financieringsplan van de kosten van de activiteit;

d. een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteiten bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen zijn aangevraagd, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

e. een overzicht van inkomsten die met de uitvoeringen van de activiteit gegenereerd worden;

f. een projectplan waarin tenminste is opgenomen:

1° de doelstellingen van het project;

2° een probleemanalyse waaruit onder andere de noodzaak van het project en de ter uitvoering van het project te maken kosten blijkt;

3° de wijze van uitvoering van het project;

4° de wijze waarop de resultaten van het project worden getoetst;

5° de verwachte realisatietermijn van het project;

6° de verwachte resultaten van het project.

3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een investering en de investering leidt naar waarschijnlijkheid tot negatieve omgevings-effecten bevat de aanvraag om subsidie een verkenning naar de mogelijke negatieve omgevings-effecten van de investering.

4. Indien de verwachte realisatietermijn van het project langer is dan één jaar bevat de aanvraag om subsidie tevens:

a. een meerjarenbegroting met een liquiditeitsplanning per jaar;

b. een overzicht in de tijd van de te onderscheiden fasen van het project.

5. Een aanvraag om subsidie van een onderneming bevat tevens een verklaring waaruit blijkt dat de onderneming geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, lid 14, van Verordening (EU) 702/2014.

Artikel 1.6b bewijsstukken

1. Als bewijsstukken van documenten die in het kader van deze regeling moeten worden ingediend worden geaccepteerd:

  • a.

    originele documenten;

  • b.

    fotokopieën van originelen;

  • c.

    gedigitaliseerde microfiches van originelen;

  • d.

    elektronische versies van originelen;

2. De bewijsstukken, bedoeld in het eerste lid onder b tot en met d, worden slechts geaccepteerd indien de procedure, bedoeld in bijlage 1 van de Regeling Europese EZK- en LNV- subsidies is gevolgd.

Artikel 1.7 weigeringsgronden

In aanvulling op de artikelen 11 en 12 van de Asv wordt een subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd indien:

  • a.

    voor dezelfde activiteit reeds subsidie is aangevraagd in dezelfde openstellingsperiode;

  • b.

    de aanvrager geen verklaring verstrekt dat de onderneming van de aanvrager geen onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juli 2014 waarbij bepaalde categorieënsteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 193);

  • c.

    ten aanzien van de subsidieaanvrager een uitstaand bevel tot terugvordering bestaat, volgend op een eerdere beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard;

  • d.

    voor dezelfde activiteiten en subsidiabele kosten op grond van enige regeling reeds subsidie isverstrekt tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of – bedrag;

  • e.

    in het openstellingsbesluit de benodigde nationale overheidsfinanciering als bedoeld in artikel1.4, tweede lid, niet of niet volledig beschikbaar is gesteld en de aanvraag niet voorzien is van een subsidiebeschikking voor de benodigde resterende nationale overheidsfinanciering;

  • f.

    dezelfde activiteiten en subsidiabele kosten reeds anderszins uit de begroting van de Unie gefinancierd zijn.

Artikel 1.8 subsidiabiliteit van de kosten

  • 1.

    Subsidiabele kosten kunnen slechts bestaan uit de volgende kostentypen:

  • a.

    personeelskosten;

  • b.

    kosten waarvoor van derden een factuur of document met gelijkwaardige bewijskracht kan worden overlegd;

  • c.

    bijdragen in natura;

  • d.

    afschrijvingskosten.

  • e.

    onbetaalde eigen arbeid

  • 2.

    In afwijking van artikel 11, eerste lid, onder a, van de Asv komen subsidiabele kosten slechts voor subsidie in aanmerking nadat de aanvraag om subsidie is ingediend.

  • 3.

    Indien in het openstellingsbesluit bepaald komen voorbereidingskosten ook voor subsidie in aanmerking indien zij gemaakt zijn binnen één jaar of in een openstellingsbesluit genoemde termijn voordat de aanvraag om subsidie is ingediend.

  • 4.

    Voorbereidingskosten kunnen uitsluitend bestaan uit:

  • a.

    kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs;

  • b.

    kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied;

  • c.

    kosten van haalbaarheidsstudies.

  • 5.

    Kosten zijn slechts subsidiabel voor zover de kosten adequaat en noodzakelijk zijn in relatie tot het doel van de activiteit.

Artikel 1.8a algemene kosten ten behoeve van investeringen.

Algemene kosten ten behoeve van investeringen kunnen slechts bestaan uit:

  • a.

    kosten van architecten, ingenieurs en adviseurs;

  • b.

    kosten van adviezen over duurzaamheid op milieu- en economisch gebied;

  • c.

    kosten van haalbaarheidsstudies.

Artikel 1.8b vereenvoudigde kostenoptie: totale overige kosten als percentage van de directe personeelskosten

  • 1. Indien in een openstellingsbesluit is bepaald, wordt het totaal aan overige kosten berekend door de totale directe personeelskosten te vermenigvuldigen met 40%.

  • 2. De totale directe personeelskosten als bedoeld in het eerste lid worden berekend door de som van de voor iedere medewerker te berekenen directe personeelskosten.

  • 3. De directe personeelskosten per medewerker als bedoeld in het tweede worden berekend overeenkomstig artikel 1.9 eerste lid, onder a, zonder de opslag voor overheadkosten.

  • 4. De leden 3 en 4 van artikel 1.9 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 1.9 personeelskosten

1. Personeelskosten worden berekend door het aantal aan het project of de investering bestede uren te vermenigvuldigen met een volgens één van de volgende methodieken berekend tarief:

  • a.

    een per medewerker bepaald individueel uurtarief, berekend op basis van bruto jaarloon, vermeerderd met een opslag van 43,5% voor werkgeverslasten, waarna over dat bedrag 15% aan overheadkosten wordt berekend en dat bedrag vervolgens door 1.720 uur op basis van een 40-urige werkweek wordt gedeeld;

  • b.

    een door de Minister van Economische Zaken goedgekeurde integrale kostensystematiek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies.

2. Tot het bruto jaarloon als bedoeld in het eerste lid, onder a, behoort het in enig jaar aan een werknemer betaalde salaris, inclusief een niet-prestatie gevonden eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werknemers als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende CAO of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief (overige) vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten.

3. Personeelskosten zijn subsidiabel tot maximaal 1.720 uur per persoon per jaar bij een 40-urig dienstverband.

4. In geval van een parttime dienstverband, worden de personeelskosten per uur en het maximale aantal uur per persoon per jaar waarvoor personeelskosten subsidiabel zijn naar rato berekend.

Artikel 1.9a vereenvoudigde kostenoptie: personeelskosten

Indien in een openstellingsbesluit is bepaald, worden personeelskosten, in afwijking van artikel 1.9, berekend door de kosten, bedoeld in artikel 1.8, eerste lid, onderdelen b tot en met e, voor zover de kosten geen verband houden met de uitvoering van overheidsopdrachten voor werken met een waarde boven het drempelbedrag, genoemd in artikel 4, onderdeel a, van Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PbEU 2014, L 94), te vermenigvuldigen met 20%, waarna dat bedrag wordt vermeerderd met een opslag van 15% aan overheadkosten.

Artikel 1.10 kosten aankoop van gronden

1. Kosten van de aankoop van bebouwde en niet bebouwde gronden zijn subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele kosten.

2. Indien de bebouwde of onbebouwde gronden zijn gelegen in verwaarloosde gebieden of voormalige industriezones, zijn de kosten van de aankoop van de gronden subsidiabel tot maximaal 15% van de totale subsidiabele kosten, indien dit in een openstellingsbesluit is bepaald.

3. Indien de bebouwde of niet bebouwde gronden zijn gelegen in Natura 2000 gebieden of onderdeel uitmaken van Kaderrichtlijn Water-opgaven buiten de Ecologische Hoofd Structuur en een redelijk alternatief voor het behalen van de natuurdoelen ontbreekt, zijn de kosten van de aankoop van gronden subsidiabel tot maximaal 30 % van de totale subsidiabele kosten, indien dit in een openstellingsbesluit door Gedeputeerde Staten is bepaald.

Artikel 1.11 niet-subsidiabele kosten

1. De volgende kosten komen niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten die niet aantoonbaar rechtstreeks aan de activiteit waarop die subsdie betrekking heeft zijn toe te rekenen;

  • b.

    kosten die reeds uit andere hoofde zijn gesubsidieerd tot het op grond van Europese verordeningen toegestane maximale subsidiepercentage of – bedrag;

  • c.

    kosten van rente, debetrente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, kosten van juridische advisering of bijstand ten behoeve van gerechtelijke procedures, boetes en sancties;

  • d.

    vervangingsinvesteringen;

  • e.

    legeskosten, tenzij deze kosten expliciet subsidiabel gesteld worden;

  • f.

    reguliere investeringen in de onderneming van de subsidieontvanger;

  • g.

    kosten die niet voldoen aan de vereisten van goed financieel beheer als bedoeld in artikel 30 van Verordening (EU, EURATOM) Nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002;

  • h.

    winstopslagen binnen een samenwerkingsverband.

2. Indien de activiteit betrekking heeft op een investering in de landbouw wordt eveneens geen subsidie verstrekt voor de aankoop van:

  • a.landbouwproductierechten;

  • b.betalingsrechten;

  • c.dieren;

  • d.zaai- en pootgoed van eenjarige gewassen als mede het planten daarvan.

Artikel 1.12 berekeningswijze bijdragen in natura

1. Bijdragen in natura kunnen bestaan uit werken, goederen, diensten, grond en onroerend goed waarvoor geen door facturen of documenten met gelijkwaardige bewijskracht gestaafde contante betalingen zijn verricht.

2. Bijdragen in natura zijn subsidiabel:

a. voor zover de te verlenen subsidie niet meer bedraagt dan de totale subsidiabele kosten van de activiteit exclusief de bijdragen in natura;

b. indien de aan de bijdrage in natura toegekende waarde niet hoger is dan de waarde die gewoonlijk op de desbetreffende markt wordt aanvaard;

c. indien er een onafhankelijke beoordeling en verificatie van de waarde van de bijdragen in natura mogelijk is.

3. Indien de bijdrage in natura bestaat uit de verstrekking van gronden of onroerende goederen is de bijdrage, in afwijking van het tweede lid, onderdeel c, slechts subsidiabel indien de waarde is getaxeerd en gecertificeerd door een onafhankelijke gekwalificeerde deskundige of een hiertoegemachtigde officiële instantie.

4. Bijdragen in natura in de vorm van verstrekking van gronden zijn subsidiabel tot maximaal de percentages genoemd in artikel 1.10, bijdragen in natura in de vorm van verstrekking van overige onroerende goederen zijn subsidiabel tot maximaal 10% van de totale subsidiabele projectkosten.

5. Indien de bijdrage in natura bestaat uit de verstrekking van gronden of onroerende goederen kan een contante betaling worden gedaan met het oog op een huurovereenkomst voor een nominaal bedrag per jaar dat niet meer bedraagt dan € 1,-

6. Indien de bijdrage in natura bestaat uit onbetaalde arbeid is de bijdrage slecht subsidiabel indien de werkelijke arbeidstijd gecontroleerd kan worden.

7. De waarde van onbetaalde eigen arbeid wordt gewaardeerd op € 35,- per uur.

8. De waarde van onbetaalde arbeid van vrijwilligers wordt gewaardeerd op € 22,- per uur

Artikel 1.13 verdeling subsidieplafond

  • 1.

    Gedeputeerde staten verdelen het beschikbare deelplafond door middel van:

  • a.

    rangschikking op basis van selectiecriteria;

  • b.

    rangschikking op basis van een investeringslijst;

  • c.

    een geografisch criterium, of

  • d.

    een combinatie van de onder a, b, of c genoemde methoden.

  • 2.

    Aanvragen worden gehonoreerd op volgorde van rangschikking, beginnend met de aanvraag die het hoogst gerangschikt is.

  • 3.

    De aanvraag die de meeste punten heeft behaald, wordt het hoogst gerangschikt.

  • 4.

    Gedeputeerde staten stellen een procedure vast voor de honorering van aanvragen voor subsidie die op een gelijke plaats zijn gerangschikt en bij honorering van die aanvragen het deelplafond wordt overschreden.

  • 5.

    In dien na toepassing van de procedure, bedoeld in het vierde lid, twee of meer aanvragen eenzelfde plaats in de rangschikking hebben en de som van de toe te kennen bedragen het deelplafond overstijgt, wordt door middel van loting bepaald welke aanvraag of aanvragen gehonoreerd worden.

Artikel 1.13a rangschikking op basis van selectiecriteria

  • 1.

    Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt op basis van selectiecriteria, wordt de rangschikking bepaald door het totaal aantal punten dat wordt behaald op basis van de selectiecriteria.

  • 2.

    Per selectiecriterium kan 0 tot en met 5 punten worden behaald.

  • 3.

    In aanvulling op artikel 1.3 stellen gedeputeerde staten in een openstellingsbesluit per selectiecriterium een wegingsfactor van 1, 2, 3 of 4 vast.

  • 4.

    Het totaal aantal punten van een aanvraag wordt bepaald door per selectiecriterium de behaalde punten te vermenigvuldigen met de aangeven wegingsfactor.

Artikel 1.13b rangschikking op basis van een investeringslijst

  • 1.

    Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een investeringslijst, wordt de rangschikking bepaald door het aantal punten dat wordt behaald door toepassing van de investeringslijst.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 1.3 stellen gedeputeerde staten in een openstellingsbesluit het aantal te behalen punten per investeringscategorie, de investeringslijst vast.

Artikel 1.13c rangschikking op basis van een geografisch selectiecriterium

  • 1.

    Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen uitsluitend gerangschikt worden op basis van een geografisch selectiecriterium in combinatie met het selectiecriterium effectiviteit, komen, wordt de rangschikking bepaald door het aantal punten dat wordt behaald op het selectiecriterium effectiviteit.

  • 2.

    Tenzij in een openstellingsbesluit een hoger minimum aantal punten is behaald, wordt een aanvraag om subsidie geweigerd indien minder dan 3 punten worden behaald.

Artikel 1.14 verplichtingen van de subsidieontvanger

1. In aanvulling op de artikelen 18 en 19 van de Asv worden aan de subsidieontvanger de volgende verplichtingen opgelegd:

a. indien de subsidieontvanger aanbestedingsplichtig is op grond van de Aanbestedingswet 2012 de Aanbestedingswet 2012 in acht te nemen;

b. te voldoen aan de communicatieverplichtingen omschreven in de Uitvoeringsverordening(EU) Nr. 808/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr.1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo);

c. indien de subsidie betrekking heeft op een investering de investering op het moment van de indiening van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie gebruiksklaar te hebben;

d. indien er sprake is van een investering in infrastructuur of een productieve investering de investering gedurende vijf jaar na eindbetaling gebruiksklaar in stand te houden, of gedurende drie jaar indien er sprake is van een investering door een MKB-bedrijf of er sprake is van een investering die leidt tot door een MKB-bedrijf gecreëerde banen;

e. binnen twee maanden na dagtekening van de beschikking tot subsidieverlening te starten met de uitvoering van de activiteit, tenzij in het openstellingsbesluit of de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald;

f. de activiteit binnen drie jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening te hebben voltooid, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald.

g. een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de realisatie van de gesubsidieerde activiteiten en voor een juiste subsidieverstrekking , hetgeen inhoudt dat alle inkomsten en alle van toepassing zijnde uitgaven in de administratie zijn vastgelegd met bijbehorende bewijsstukken, als :

  • een sluitende urenadministratie;

  • een deugdelijk en volledig inkoopdossier;

  • bewijsstukken, als onderdeel van de administratie aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en dat daaruit de aard van de geleverde zaken en diensten duidelijk blijkt.

h. de administratie en de daartoe behorende bescheiden te bewaren tot 5 jaar na de datum waarop de vaststellingsbeschikking voor de betreffende subsidie is bekendgemaakt;

i. eenmaal per jaar een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten in te dienen, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald;

j. om vervreemding van de onderneming waaraan subsidie is verstrekt of grond waarop een activiteit waarvoor subsidie is verstrekt betrekking heeft, zo spoedig als mogelijk maar uiterlijk de dag van daadwerkelijke vervreemding bij de subsidieverstrekker te melden.

2. Een verslag omtrent de voortgang van de activiteiten als bedoeld in het eerste lid, onder i, bevat ten minste:

a. een overzicht en beschrijving van de uitgevoerde activiteiten;

b. een overzicht en beschrijving van eventuele afwijkingen van het projectplan, alsmede de oorzaak daarvan;

c. een beschrijving van de mate waarin de uitgevoerde activiteiten hebben bijgedragen aan de in het projectplan beschreven doelstellingen;

d. een overzicht en beschrijving van de activiteiten die in het komende jaar uitgevoerd zullen worden;

e. een overzicht en beschrijving van eventuele maatregelen die genomen worden om een eventuele achterstand in te lopen;

f. de financiële voortgang waarin ten minste is opgenomen:

  • 1° een actueel kostenoverzicht in relatie tot de begroting;

  • 2° een financieringsoverzicht alsmede een overzicht van toegezegde financiering van derden;

  • 3° de financiële planning voor de resterende looptijd van de activiteit.

Artikel 1.15 verrekening netto inkomsten gedurende uitvoering

Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 2.1, 2.7 of 2.8 of op Hoofdstuk 3 worden netto inkomsten die tijdens de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden, overeenkomstig artikel 65 van VO (EU)1303/2013 in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.

Artikel 1.16 verrekening netto inkomsten na uitvoering

Indien de subsidie betrekking heeft op paragraaf 2.1, 2.7 of 2.8 of Hoofdstuk 3 worden netto inkomsten die na de uitvoering van de activiteit gegenereerd worden overeenkomstig artikel 61 van VO (EU)1303/2013 in mindering gebracht op de subsidiabele kosten.

Artikel 1.17 verlaging in verband met het niet voldoen aan de verplichting tot instandhouding van een investering in infrastructuur of een productieve investering

1. Indien de subsidie betrekking heeft op een investering in infrastructuur of op een productieveinvestering verlagen Gedeputeerde Staten de vastgestelde subsidie indien binnen de instandhoudingstermijn, bedoeld in artikel 1.14, eerste lid, onder d.

  • a.

    de productieactiviteit wordt beëindigd of wordt verplaatst naar een locatie buiten het grondgebied van het in de Europese Unie gelegen deel van het Koninkrijk der Nederlanden;

  • b.

    een verandering in de eigendom van een infrastructuurvoorziening plaatsvindt waardoor een onderneming of een overheidsinstantie een onrechtmatig voordeel behaalt;

  • c.

    een substantiële verandering in de aard, de doelstellingen of de uitvoeringsvoorwaarden plaatsvindt waardoor de oorspronkelijke doelstelling van de investering worden ondermijnd.

2. De verlaging van de subsidie wordt naar rato berekend op basis van de periode waarvoor niet aan de vereisten wordt voldaan.

3. Het eerste lid is niet van toepassing indien de productiecapaciteit wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement.

Artikel 17a wijzigingsverzoeken

1. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek de beschikking tot subsidieverlening wijzigen.

2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt niet gehonoreerd indien de wijziging:

a. leidt tot een activiteit die op grond van het openstellingsbesluit niet subsidiabel is;

b. leidt tot een lager behaald aantal punten op basis van de selectiecriteria dan het minimum aantal punten om voor subsidie in aanmerking te komen;

c. zou leiden tot een lagere plaats op de prioriteitenlijst dan de plaats waarop het subsidieplafond is bereikt.

3. Gedeputeerde staten beslissen binnen 13 weken op een verzoek de beschikking tot subsidieverlening te wijzigen.

Artikel 1.18 aanvraag subsidievaststelling

  • 1.

    In afwijking van artikel 29, eerste lid, van de Asv dient de subsidieontvanger uiterlijk 1 april 2025 een aanvraag tot vaststelling in, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening een eerdere datum is bepaald.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat tenminste:

    • a.

      een inhoudelijk een financieel verslag;

    • b.

      een opgave van alle aan de activiteit gelieerde inkomsten, waaronder mede begrepen eventueel ander toegekende subsidies die op de gesubsidieerde activiteit betrekking hebben.

  • 3.

    Het inhoudelijk verslag bevat ten minste:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten die in het kader van de activiteit zijn verricht;

    • b.

      een evaluatie van de mate waarin de activiteiten hebben bijgedragen aan de doelstellingen, omschreven in het projectplan dat onderdeel vormt van de beschikking tot subsidieverlening;

    • c.

      de kennis en informatie die met de activiteit zijn opgedaan, en

    • d.

      de wijze waarop de kennis en informatie, bedoeld in onderdeel c, openbaar is of zal worden gemaakt, indien openbaarmaking een aan de subsidie verbonden verplichting is.

  • 4.

    Indien de aanvraag tot vaststelling tevens een verzoek om uitbetaling van de subsidie is, bevat de aanvraag tot vaststelling tevens de gegevens als bedoeld in artikel 1.19, tweede lid.

  • 5.

    Bij de rekening en verantwoording, bedoeld in artikel 4:45, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maakt de subsidieontvanger een onderverdeling naar de onderscheiden subsidiabele kosten.

Artikel 18a berekening subsidievaststelling

1. De subsidie wordt vastgesteld op basis van werkelijke kosten en betalingen.

2. Indien de aanvraag tot vaststelling van de subsidie tevens een verzoek om uitbetaling van de subsidie is, stellen Gedeputeerde Staten vast welk bedrag op grond van deze regeling, het openstellingsbesluit en de beschikking tot subsidieverlening kan worden verstrekt.

3. Indien het gevraagde bedrag meer dan 10% hoger is dan het onder het tweede lid berekende bedrag, wordt het onder het eerste lid berekende bedrag verlaagd.

4. De verlaging is gelijk aan het verschil tussen het gevraagde bedrag en het onder het tweede lid berekende bedrag.

5. De subsidie wordt niet verlaagd indien de subsidieontvanger aantoont dat de aanvraag om vaststelling buiten zijn schuld facturen, betaalbewijzen of bewijsstukken bevat van kosten die niet subsidiabel zijn.

Artikel 1.19 deelbetalingen

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag deelbetalingen verlenen.

  • 2.

    Een aanvraag om een deelbetaling bevat ten minste een verslag omtrent de voortgang als bedoeld in artikel 1.14, eerste lid, onder i, en voor zover van toepassing:

  • a.

    facturen en betaalbewijzen;

  • b.

    bewijsstukken inzake gemaakte personeelskosten;

  • c.

    bewijsstukken inzake geleverde bijdragen in natura;

  • d.

    bewijsstukken inzake afschrijvingskosten.

  • e.

    bewijsstukken inzake inbreng onbetaalde eigen arbeid

  • f.

    bewijsstukken ten aanzien van de realisatie van de activiteit.

  • 3.

    De aanvraag om een deelbetaling heeft betrekking op minimaal 25% van de subsidie of minimaal

    € 25.000,-

  • 4.

    Gedeputeerde Staten beslissen binnen 13 weken op een verzoek om deelbetaling.

Artikel 1.20 berekening deelbetaling

  • 1.

    De hoogte van de te verstekken deelbetaling wordt berekend op basis van werkelijke kosten en betalingen.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten stellen vast welk bedrag op grond van deze regeling, het openstellingsbesluit en de beschikking tot subsidieverlening aan deelbetaling kan worden verstrekt.

  • 3.

    Artikel 1.18a, lid drie tot en met zes, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat bij toepassing van het vijfde en zesde lid, voor “de subsidie” wordt gelezen: de deelbetaling.

Artikel 1.20a voorschot

  • 1.

    In afwijking van artikel 22 van de Asv kunnen gedeputeerde staten op verzoek een voorschot verlenen.

  • 2.

    Een voorschot wordt slechts verleend indien de subsidie is verleend op grond van paragraaf 2.2, 2.7 of paragraaf 3.5.

  • 3.

    Het voorschot bedraagt maximaal 50% van de maximale subsidie.

  • 4.

    Het voorschot bestaat volledig uit provinciale middelen.

Artikel 1.21

Vervallen.

Artikel 1.22 wettelijke rente bij terugvordering.

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht, worden terug te vorderen bedragen vermeerderd met de wettelijke rente.

Artikel 1.23 verlagingen

1. Gedeputeerde staten verlagen de verleende subsidie, het voorschot of de vastgestelde subsidie indien er onregelmatigheden zijn geconstateerd.

2. Onder onregelmatigheid wordt elke inbreuk op het Gemeenschapsrecht verstaan die bestaat uit een handeling of een nalaten van een subsidieontvanger waardoor de algemene begroting van de Gemeenschappen of de door de Gemeenschappen beheerde begrotingen worden of zouden kunnen benadeeld, hetzij door de vermindering of het achterwege blijven van ontvangsten uit de eigen middelen, die rechtstreeks voor rekening van de Gemeenschappen worden geïnd, hetzij door een onverschuldigde uitgave.

Artikel 1.24 intrekking of wijziging subsidieverlening of subsidievaststelling

Vervallen.

Hoofdstuk 2 Maatregelen

§2.1 Trainingen, workshops, ondernemers coaching en demonstraties

Artikel 2.1.1 subsidiabele activiteit en prestatie

1. Subsidie kan worden verstrekt voor demonstraties en het verzorgen van trainingen, workshops en coaching aan een groep van landbouwers.

2. De activiteit, als bedoeld in het eerste lid, leidt tot uitwisseling van praktijkrijpe kennis aan grote groepen van landbouwers.

Artikel 2.1.2

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.3, derde lid, kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels stellen omtrent:

  • a.de doelgroep;

  • b.het minimale aantal deelnemers;

  • c.een maximumbedrag dat per deelnemer zal worden vergoed.

Artikel 2.1.3 doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan degene die de opleiding of andere vorm van kennisoverdracht of voorlichting levert.

Artikel 2.1.4 aanvraagvereisten

1. Naast de gegevens als bedoeld artikel 10, eerste lid, van de Asv, gaat een aanvraag voor subsidie vergezeld van een omschrijving van de organisatie waaruit blijkt dat de aanvrager beschikt overvoldoende gekwalificeerd en getraind personeel om de activiteit uit te voeren.

2. Indien de aanvrager om subsidie het voornemen heeft om voor deelname aan een kennisoverdrachtsactiviteit bij de deelnemers een bijdrage in rekening te brengen dan dient dit inzichtelijk gemaakt te worden bij de aanvraag om subsidie.

Artikel 2.1.5 subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het volgende vereiste: de activiteit heeft als doel het informeren over innovaties en modernisering rond één of meerdere van de onder a, b en c genoemde thema’s of rond één of meerdere van de onder d tot en met g genoemde thema’s:

  • a.verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

  • b.beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

  • c.klimaatadaptatie;

  • d.klimaatmitigatie;

  • e.maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

  • f.verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

  • g.behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

Artikel 2.1.6 subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende voorsubsidie in aanmerking:

  • kosten voor de inzet van procesbegeleiders en adviseurs;

  • materiaalkosten;

  • kosten voor ruimten en bijbehorende faciliteiten;

  • kosten voor drukwerk, mailings en de inrichting van website(s);

  • kosten van koop of huurkoop van fysieke investeringen die noodzakelijk zijn bij demonstratieactiviteiten;

  • kosten voor projectmanagement en projectadministratie;

  • algemene kosten als bedoeld in artikel 1.8a.

    In aanvulling op het eerste lid kan subsidie worden verleend voor:

  • voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.8, derde lid;

  • kosten van koop van tweedehands machines en installaties noodzakelijk voor demonstratieactiviteiten, tot maximaal de marktwaarde van de activa.

Artikel 2.1.7 niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.11 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.kosten voor de ontwikkeling van nieuwe kennis;

  • b.kosten voor cursussen of stages die deel uitmaken van normale programma's of leergangen van het reguliere onderwijs;

  • c.inbreng van eigen uren door landbouwers om aan de kennisoverdrachtsactiviteit deel te nemen.

Artikel 2.1.8 subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten.

Artikel 2.1.9 rangschikking

Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria:

  • de mate van effectiviteit van de activiteit;

  • de haalbaarheid van de activiteit;

  • de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit.

Gedeputeerde staten kunnen tevens de mate van innovatie als selectiecriterium hanteren.

Artikel 2.1.10

Vervallen.

§ 2.2 Fysieke investeringen voor innovatie en modernisering van agrarische ondernemingen

Artikel 2.2.1 subsidiabele activiteiten en prestatie

1. Subsidie kan worden verstrekt voor fysieke investeringen:

  • a. die nodig zijn voor het ontwikkelen, beproeven of demonstreren van innovaties in agrarische ondernemingen;

  • b.voor de bredere uitrol van innovaties in agrarische ondernemingen.

2. De activiteit, als bedoeld in het eerste lid, leidt tot innovaties de agrarische sector.

Artikel 2.2.2 doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan landbouwers.

Artikel 2.2.3 subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.2.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het volgende vereiste: de activiteit heeft betrekking op tenminste één van de volgende thema’s:

  • a.verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

  • b.beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

  • c.klimaatadaptatie;

  • d.klimaatmitigatie;

  • e.maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

  • f.verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

  • g.behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

Artikel 2.2.4 subsidiabele kosten

1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgendevoor subsidie in aanmerking:

  • a.de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;

  • b.de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

  • c.de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde van de activa;

  • d.kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;

  • e.de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

  • f.de kosten van haalbaarheidsstudies.

2. In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

  • b.de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

  • c.bijdragen in natura;

  • d.afschrijvingskosten;

  • e.niet verrekenbare of compensabele BTW;

    f.personeelskosten.

Artikel 2.2.5 niet subsidiabele kosten

Vervallen.

Artikel 2.2.6 subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten.

Artikel 2.2.7 rangschikking

1. Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, gerangschikt worden op basis van selectiecriteria, worden de aanvragen gerangschikt op basis van de volgende criteria:

  • a.

    kosteneffectiviteit;

  • b.

    haalbaarheid;

  • c.

    mate van effectiviteit van de activiteit;

  • d.

    mate van innovativiteit.

2. Voor ieder van de in het eerste lid bedoelde criteria kunnen 1 tot en met 4 punten worden behaald.

3. De criteria hebben de volgende wegingsfactoren:

  • a.

    het criterium bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft een wegingsfactor 2 of 3;

  • b.

    het criterium bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een wegingsfactor 1 of 2;

  • c.

    het criterium bedoeld in het eerste lid, onder c, heeft een wegingsfactor 2 of 3;

  • d.

    het criterium bedoeld in het eerste lid, onder d, heeft een wegingsfactor 1 of 2;

4. Indien een aanvraag minder dan 55% van het totaal aantal te behalen punten behaald, wordt de aanvraag niet gehonoreerd.

§ 2.3 Fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers

§ 2.4. Investeringen in infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van landbouwbedrijven

Artikel 2.3.1 Lijst van investeringen

In aanvulling op artikel 1.3 stellen Gedeputeerde Staten een lijst op van fysieke investeringen gericht op verduurzaming van landbouwbedrijven. Deze lijst bevat geen investeringen die alleen of hoofdzakelijk gericht zijn op de verbetering van de rentabiliteit van een landbouwbedrijf.

Artikel 2.3.2 Subsidiabele activiteiten en prestaties

1. Subsidie kan worden verstrekt voor investeringen die zijn opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 2.3.1.

2. In aanvulling op artikel 1.3 kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit het aantal investeringen waarop een aanvraag voor subsidie betrekking heeft, beperken.

3. De activiteit, bedoeld in het eerste lid, leidt tot verduurzaming van landbouwbedrijven van jonge landbouwers.

Artikel 2.3.3 doelgroep

1. Subsidie wordt verstrekt aan jonge landbouwers.

2. Een jonge landbouwer is een persoon die bij het indienen van de aanvraag om subsidie niet ouder is dan 40 jaar, een erkende landbouwkundige opleiding of een gelijkwaardige opleiding afgerond heeft of over ten minste drie jaar werkervaring op een landbouwbedrijf beschikt en die:

  • a. zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigt; en

  • b. hetzij alleen hetzij gezamenlijk met andere landbouwers daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over het landbouwbedrijf heeft wat betreft de beslissingen die op het gebied van het beheer, de voordelen en de financiële risico’s worden genomen.

3. Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, is sprake als de jonge landbouwer:

  • a. op basis van de statuten of een schriftelijke door alle maten of vennoten ondertekende overeenkomst ten minste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemings-beslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000,-; en

  • b. ten minste mede belast is met de dagelijkse bedrijfsvoering.

4. Van daadwerkelijke, langdurige zeggenschap als bedoeld in het tweede

lid, onderdeel b, is geen sprake indien:

  • a. de jonge landbouwer een commanditaire vennoot van het betreffende landbouwbedrijf is; of

  • b. de schriftelijke overeenkomst als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, door elk der partijen eenzijdig kan worden opgezegd.

5. Indien de investering waarvoor subsidie wordt gevraagd wordt gedaan

om te voldoen aan de normen van de Europese Unie voor landbouwproductie, wordt in afwijking van het eerste lid subsidie verstrekt aan jonge landbouwers die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een land-bouwbedrijf vestigen, uiterlijk 24 maanden na de datum waarop de betrokken landbouwer zich als bedrijfshoofd heeft gevestigd.

6. Onder vestiging als bedoeld in het tweede en het vijfde lid wordt de datum waarop de aanvrager een handeling of handelingen stelt of voltooit in verband met die vestiging.

Artikel 2.3.4 aanvraagvereisten

1. In aanvulling op artikel 1.6a bevat de aanvraag om subsidie:

a. het KVK-nummer van het landbouwbedrijf;

b. de notariële akte van overdracht van aandelen of van de oprichting van de besloten vennootschap en het aandelenregister of de door alle maten getekende maatschapsakte met vermelding van alle maten;

c. een projectplan waarin is opgenomen een beschrijving van de investeringen per categorie waaruit blijkt dat de betreffende investering voldoet aan de omschrijving van de categorie genoemd in de lijst.

2. Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van het landbouwbedrijf onder de verschillende bedrijfshoofden zoals bedoeld in artikel 2.3.8, tweede lid, bevat de aanvraag om subsidie tevens een controle verklaring.

3. Gedeputeerde Staten kunnen in aanvulling op artikel 1.3 nadere regels stellen omtrent de in het tweede lid bedoelde controleverklaring.

Artikel 2.3.5 weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.7 wordt subsidie geweigerd indien er op grond van deze paragraaf reeds een subsidie van een euro of meer is verstrekt voor het landbouwbedrijf of er op grond van hoofdstuk 2, titel 6 paragraaf 2 van de Regeling LNV subsidies of de Subsidieregeling jonge agrariërs van de Minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit reeds een subsidie van een euro of meer is verstrekt aan de aanvrager.

Artikel 2.3.6 Subsidievereisten

Indien de fysieke investering een onroerend goed betreft, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.3.2 in aanmerking te komen, voldaan aan het volgende vereiste: de investering vindt op eigen grond van het landbouwbedrijf plaats of er is voor de investering het recht van opstal verleend door de eigenaarvan de grond.

Artikel 2.3.7 Subsiabele kosten

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt voor de volgende kosten:

    • a.

      kosten voor bouw of verbetering van onroerende zaken;

    • b.

      kosten voor verwerving of leasing van onroerende goederen;

    • c.

      kosten van koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • d.

      algemene kosten als bedoeld in artikel 1.8a;

    • e.

      kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat ook subsidie kan worden verstrekt voor:

    • a.

      kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

    • b.

      kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten of merken;

    • c.

      kosten van koop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • d.

      voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.8, vierde lid.

Artikel 2.3.8 Subsidiehoogte

1. De subsidie bedraagt 30% van de subsidiabele kosten indien het landbouwbedrijf volledig bestaat uit jonge landbouwers.

2. Indien er naast jonge landbouwers ook niet-jonge landbouwers bedrijfshoofd zijn in het landbouw-bedrijf wordt de subsidie bedoeld in het eerste lid verlaagd met 20% per niet- jonge landbouwer, de verlaging bedraagt maximaal 80%.

3. Indien de subsidieaanvrager kiest voor de berekening van de subsidie op basis van de verdeling van het eigen vermogen van de onderneming, bedraagt de subsidie in afwijking van het eerste lid, 30% van de subsidiabele kosten vermenigvuldigd met het percentage eigen vermogen van het landbouwbedrijf dat in eigendom is van jonge landbouwers.

4. De subsidie bedraagt maximaal € 20.000,-.

5. Indien toepassing van dit artikel er toe leidt dat de subsidie minder bedraagt dan € 10.000,- wordt de subsidie niet verstrekt.

6. In aanvulling op artikel 1.3 kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit een minimum per investering vaststellen.

Artikel 2.3.9 rangschikking

  • 1.

    Gedeputeerde Staten stellen per fysieke investering op de lijst, genoemd in artikel 2.3.1 een puntenaantal vast.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten hanteren het puntenaantal als bedoeld in het eerste lid voor de rangschikking, bedoeld in artikel 1.13b.

  • 3.

    Voor de rangschikking, bedoeld in artikel 1.13b, kunnen Gedeputeerde Staten tevens de bijdrage aan een in een openstellingsbesluit nader omschreven beleidsdoel hanteren.

Artikel 2.4.1 subsidiabele activiteiten en prestatie

1. Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a. investeringen voor de verbetering van de verkavelingsstructuur van landbouwbedrijven;

  •  

  • b.de verplaatsing van landbouwbedrijven gericht op de verbetering van de landbouwinfrastructuur.

2. De activiteit, als bedoeld in het eerste lid, leidt verbetering van de verkaveling van landbouwbedrijven.

Artikel 2.4.2 doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.landbouwers;

  • b.grondeigenaren die geen landbouwer zijn;

  • c.pachters;

  • d. stichtingen voor kavelruil;

  • e.landbouworganisaties;

  • f.provincies;

  • g.waterschappen;

  • h.gemeenten;

  • i.natuur- en landschapsorganisaties.

Artikel 2.4.3 subsidiabele kosten kavelruil

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1, onder a, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.proceskosten van de verkaveling;

  • b.procedurekosten van de verkaveling;

  • c.investeringskosten om kavels beter bewerkbaar en bereikbaar te maken;

  • d.investeringskosten ten behoeve van inpassingsmaatregelen.

Artikel 2.4.4 subsidiabele kosten verplaatsing landbouwbedrijven

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.1, onder b, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.procedurekosten van de bedrijfsverplaatsing;

  • b.investeringen op de nieuwe bedrijfslocatie;

  • c.investeringskosten om kavels beter bereikbaar te maken;

  • d.investeringskosten ten behoeve van inpassingsmaatregelen.

Artikel 2.4.5 subsidiabele kosten van investeringen

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie kunnen de kosten van investeringen voor kavelruil of verplaatsing van landbouwbedrijven bestaan uit:

  • a.de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;

  • b.de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

  • c.tweede hands installatiegoederen, indien noodzakelijk voor het project en de kosten aantoonbaarde marktwaarde niet overstijgen;

  • d.bijdragen in natura, indien wordt voldaan aan de eisen uit art 69 lid 1 van Verordening (EU) nr.1303/2013;

  • e.algemene kosten met betrekking tot investeringen;

  • f.plan- en advieskosten;

  • g.leges voor vergunningen en procedures;

  • h.haalbaarheidsstudies;

    i.personeelskosten.

Artikel 2.4.6 subsidiehoogte kavelruil

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4.1, eerste lid, onder a, bedraagt:

  • a.100% van de subsidiabele kosten van investeringen ten behoeve van inpassingsmaatregelen;

  • b.40% van de subsidiabele kosten van investeringen ten behoeve van een betere bereikbaarheid en bewerkbaarheid van kavels.

Artikel 2.4.7 subsidiehoogte verplaatsing van landbouwbedrijven

De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.4.1, eerste lid, onder b bedraagt:

  • a.100% van de subsidiabele kosten ten behoeve van een bedrijfsverplaatsing, voor zover dit niet leidt tot een verhoging van de productiecapaciteit, de waarde of de rentabiliteit van de onderneming;

  • b.40% van de subsidiabele kosten ten behoeve van een bedrijfsverplaatsing, voor zover dit leidt tot een verhoging van de productiecapaciteit, de waarde of de rentabiliteit van de onderneming.

Artikel 2.4.8 subsidiehoogte proces en procedure kosten in het kader van kavelruil of verplaatsing landbouwbedrijven

De hoogte van de subsidie voor proces en procedure kosten bedraagt 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.4.3, onder a en b, en artikel 2.4.4, onder a en b.

Artikel 2.4.9 rangschikking

1. Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, gerangschikt worden op basis van selectiecriteria, worden de aanvragen gerangschikt op basis van de volgende criteria:

  • a.

    kosteneffectiviteit;

  • b.

    haalbaarheid;

  • c.

    mate van effectiviteit van de activiteit;

  • d.

    urgentie.

2. Voor ieder van de in het eerste lid bedoelde criteria kunnen 1 tot en met 4 punten worden behaald.

3. De criteria hebben de volgende wegingsfactoren:

  • a.

    het criterium bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft een wegingsfactor 3;

  • b.

    het criterium bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een wegingsfactor 2;

  • c.

    het criterium bedoeld in het eerste lid, onder c, heeft een wegingsfactor 2 of 3;

  • d.

    het criterium bedoeld in het eerste lid, onder d, heeft een wegingsfactor 1 of 2;

4. Indien een aanvraag minder dan 55% van het totaal aantal te behalen punten behaald, wordt de aanvraag niet gehonoreerd.

§ 2.5 Niet-productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en hydrologische maatregelen PAS

Artikel 2.5.1 subsidiabele activiteiten en prestatie

1. Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve hydrologische maatregelen PAS en niet-productieve investeringen voor herstel- of inrichtingsmaatregelen voor natuur, landschap of biodiversiteit.2. De activiteit, als bedoeld in het eerste lid, leidt tot herstel - en inrichtingsmaatregelen voor natuur, landschap en biodiversiteit.

Artikel 2.5.2 doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.landbouwers;

  • b.grondeigenaren die geen landbouwer zijn;

  • c.pachters;

  • d.stichtingen voor kavelruil;

  • e.landbouworganisaties;

  • f.provincies;

  • g.waterschappen;

  • h.gemeenten;

  • i.natuur- en landschapsorganisaties.

Artikel 2.5.2a subsidievereiste

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.5.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het volgende vereiste: de activiteit heeft een aangetoonde directe relatie met de landbouw.

Artikel 2.5.3 subsidiabele kosten

1. Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgendevoor subsidie in aanmerking:

  • a.de kosten van de bouw, verbetering, verwerving of leasing van onroerende goederen;

  • b.de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

  • c.de kosten van tweedehands goederen tot maximaal de marktwaarde van de activa;

  • d.kosten van adviseurs, architecten en ingenieurs;

  • e.de kosten van adviezen duurzaamheid op milieu en economisch gebied;

  • f.de kosten van haalbaarheidsstudies.

2. In aanvulling op het eerste lid kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat ook subsidie kan wordenverstrekt voor:

  • a.de kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

  • b.de kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

  • c.bijdragen in natura;

  • d.afschrijvingskosten, waaronder afschrijvingskosten als gevolg van de waardedaling van grond, als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van VO (EU) 1303/2013;

  • e.niet verrekenbare of compensabele BTW;

    f.personeelskosten.

Artikel 2.5.4 subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 2.5.5 rangschikking

1. Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, gerangschikt worden op basis van selectiecriteria, worden de aanvragen gerangschikt op basis van de volgende criteria:

  • a.

    kosteneffectiviteit;

  • b.

    haalbaarheid;

  • c.

    mate van effectiviteit van de activiteit;

  • d.

    urgentie

2. Voor ieder van de in het eerste lid bedoelde criteria kunnen 1 tot en met 4 punten worden behaald.

3. De criteria hebben de volgende wegingsfactoren:

  • a.

    het criterium bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft een wegingsfactor 2 of 3;

  • b.

    het criterium bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een wegingsfactor 1;

  • c.

    het criterium bedoeld in het eerste lid, onder c, heeft een wegingsfactor 2 of 3;

  • d.

    het criterium bedoeld in het eerste lid, onder d, heeft een wegingsfactor 1 of 2;

4. Indien een aanvraag minder dan 55% van het totaal aantal te behalen punten behaald, wordt de aanvraag niet gehonoreerd.

§ 2.6 Niet-productieve investeringen water

Artikel 2.6.1 subsidiabele activiteiten en prestatie

1. Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve investeringen in het landelijk gebied die betrekking hebben op de herinrichting, inrichting, of transformatie en het beheer van watersystemen voor landbouw-, water- en klimaatdoelen.

2. De activiteit, als bedoeld in het eerste lid, leidt tot verbetering van de kwaliteit van bodem en water, het schoner worden van het leefmilieu, een betere waterkwaliteit en minder wateroverlast

Artikel 2.6.2 doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.landbouwers;

  • b.grondeigenaren die geen landbouwer zijn;

  • c.pachters;

  • d.stichtingen voor kavelruil;

  • e.landbouworganisaties;

  • f.provincies;

  • g.waterschappen;

  • h.gemeenten;

  • i.natuur- en landschapsorganisaties.

Artikel 2.6.2a subsidievereiste

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het volgende vereiste: de activiteit heeft een aangetoonde directe relatie met de landbouw.

Artikel 2.6.3 subsidiabele kosten

  • 1.

    Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      de kosten van de bouw of verbetering van onroerende zaken;

    • b.

      de kosten van verwerving of leasing van onroerende zaken;

    • c.

      de kosten van aankoop van grond;

    • d.

      de kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

    • e.

      algemene kosten als bedoeld in artikel 1.8a;

    • f.

      de kosten van projectmanagement en projectadministratie.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid kunnen gedeputeerde staten in het openstellingsbesluit bepalen dat ook subsidie verstrekt kan worden voor:

    • a.

      de kosten voor verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

    • b.

      de kosten voor verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

    • c.

      de kosten van koop van tweedehands installaties en machines tot maximaal de marktwaarde van de activa.

Artikel 2.6.4 subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 2.6.5 rangschikking

  • 1.

    Aanvragen kunnen worden gerangschikt op basis van selectiecriteria, een geografisch selectiecriterium of een investeringslijst.

  • 2.

    In een openstellingsbesluit wordt aangeven op welke wijze aanvragen gerangschikt worden.

  • 3.

    Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, gerangschikt worden op basis van selectiecriteria, worden de aanvragen gerangschikt op basis van de volgende criteria:

    • a.

      de mate van effectiviteit van de activiteit;

    • b.

      de haalbaarheid van de activiteit;

    • c.

      de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit;

    • d.

      de mate van urgentie.

  • 4.

    Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een investeringslijst, vindt rangschikking plaats op basis van artikel 1.13b.

  • 5.

    Indien aanvragen worden gerangschikt op basis van een investeringslijst kan in het openstellingsbesluit worden bepaald dat aanvragers die door middel van een collectief inkoopsysteem een lagere aanschafprijs hebben bedongen een in het openstellingsbesluit bekend gemaakte hoeveelheid extra punten worden toegekend.

  • 6.

    Indien de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt worden op basis van een geografisch selectiecriterium, vindt rangschikking plaats op basis van artikel 1.13c.

§ 2.7 Samenwerken voor innovaties

Artikel 2.7.1 subsidiabele activiteit en prestatie

1. Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a. de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband;

  •  

  • b. het gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op innovatie;

  • c. de uitvoering van een innovatieproject.

2. De activiteit, als bedoeld in het eerste lid, leidt tot het verder ontwikkelen, valideren en verfijnen van kennis en innovaties.

Artikel 2.7.2

In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.3, derde lid, kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels stellen omtrent:

  • a.de deelnemende partijen in het samenwerkingsverband;

  • b.het minimale aantal bij het samenwerkingsverband betrokken partijen.

Artikel 2.7.3 doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan:

a. het samenwerkingsverband;

b. de initiatiefnemer van een samenwerkingsverband in wording.

Artikel 2.7.4 aanvraagvereisten

Naast de gegevens als bedoeld artikel 10, eerste lid, van de Asv, gaat een aanvraag voor subsidie vergezeld van:

  • a.een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen, aan te passen of uit te voeren innovatieve project;

  • b.een beschrijving van de verwachte resultaten en van de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit en het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren;

  • c.een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken;

  • d.een beschrijving van de interne procedures van het samenwerkingsverband waarmee een transparante werking en besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee belangenconflicten worden voorkomen.

Artikel 2.7.5 weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.7 wordt subsidie, als bedoeld in artikel 2.7.1, geweigerd indien:

  • a.er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds op grond van hoofdstuk 3 van deze regeling subsidie is verstrekt;

  • b.er sprake is van een bestaande reguliere samenwerking.

Artikel 2.7.6 subsidievereisten

1. Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het volgendevereiste: de activiteit heeft betrekking op tenminste één van de volgende thema’s:

  • a.verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

  • b.beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

  • c.klimaatadaptatie;

  • d.klimaatmitigatie;

  • e.maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

  • f.verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

  • g.behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

2. Het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.7.3, bestaat ten minste uit twee partijen die van belang zijn voor het verwezenlijken van de doelstelling van de projectvraag en bevat ten minste één landbouwer of een organisatie die het belang van landbouwers vertegenwoordigt.

Artikel 2.7.7 subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband en het gezamenlijk formuleren van een projectplan, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • kosten voor het werven van deelnemers;

  • kosten voor het netwerken om het innovatieproject goed te definiëren;

  • kosten voor het opstellen van een projectplan en de samenwerkingsovereenkomst;

  • kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

 

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor de uitvoering van een innovatieproject, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • coördinatiekosten van het samenwerkingsverband;

  • kosten voor het verspreiden van resultaten van het project;

  • operationele kosten direct verbonden aan de uitvoering van het innovatieproject;

  • kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

 

Indien voor de uitvoering van een innovatieproject een investering wordt gedaan, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • kosten voor bouw of verbetering van onroerende zaken:

  • kosten voor verwerving of leasing van onroerende zaken;

  • kosten voor aankoop van grond;

  • kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

  • algemene kosten als bedoeld in artikel 1.8a.

 

In aanvulling op het derde lid kunnen gedeputeerde staten in een openstellingsbesluit bepalen dat ten behoeve van investeringen, de volgende kosten ook voor subsidie in aanmerking komen:

  • kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

  • kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

  • kosten van de koop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de marktwaarde;

  • voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.8, vierde lid.

Artikel 2.7.8 niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.8 komen voorbereidingskosten die worden gemaakt voor indiening van een aanvraag voor subsidie met betrekking tot de oprichting van een projectmatig samenwerkingsverband en het gezamenlijk formuleren van een projectplan, niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.7.9 subsidiehoogte

Indien de activiteit betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van de subsidie:

  • 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.7.7, eerste lid;

  • 70% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.7.7, tweede lid;

  • 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.7.7, derde en vierde lid, voor zover het kosten van een productieve investering betreft;

  • 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.7.7, derde en vierde lid, voor zover het kosten van een niet-productieve investering betreft.

 

Indien de activiteit geen betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van de subsidie:

  • 25% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een grote onderneming is;

  • 35% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een middelgrote onderneming is;

  • 45% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een kleine onderneming is.

 

De percentages genoemd in het tweede lid, kunnen worden verhoogd met 15% indien:

  • het samenwerkingsverband bestaat uit tenminste één kleine- of middelgrote onderneming als omschreven in bijlage 1 bij Vo (EU) 651/2014 en geen van de partijen meer dan 70% van

  • een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling minimaal 10% van de kosten draagt.

Artikel 2.7.10 rangschikking

Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria:

  • de mate van effectiviteit van de activiteit;

  • de haalbaarheid van de activiteit;

  • de mate van innovatie

  • de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit.

Artikel 2.7.11 verplichting

De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van de activiteit openbaar te maken via he EIP-netwerk als bedoeld in artikel 57, derde lid van Vo (EU) 1305/2013 en andere geëigende netwerken.

§ 2.8 Samenwerken in het kader van EIP

Artikel 2.8.1 begrippen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a.EIP: het Europees Partnerschap voor innovatie, voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw;

  • b.operationele groepen: samenwerkingsverbanden die deel uit maken van het een EIP, de groep bestaat uit minimaal twee actoren, waarvan minimaal één landbouwer deel uitmaakt of een organisatie die hun vertegenwoordigt en de groep is gericht op het ontwikkelen, valideren en verfijnen van innovaties.

Artikel 2.8.2 subsidiabele activiteit en prestatie

1. Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a. de oprichting van een operationele groep;

  • b.het gezamenlijk formuleren van een projectplan gericht op innovatie;

  • c.de uitvoering van een innovatieproject door de operationele groep.

2. De activiteit, als bedoeld in het eerste lid, leidt tot het verder ontwikkelen, valideren en verfijnen van kennis en innovaties binnen het Europese EIP-netwerk.

Artikel 2.8.3

In aanvulling op artikel 1.3, derde lid, kunnen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit nadere regels stellen omtrent:

a. de deelnemende partijen aan de operationele groep;

b. het minimale aantal bij de operationele groep betrokken partijen.

Artikel 2.8.4 doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan:

a. de operationele groep;

b. de initiatiefnemer van een operationele groep in wording.

Artikel 2.8.5 aanvraagvereisten

Naast de gegevens als bedoeld artikel 10, eerste lid, van de Asv, gaat een aanvraag voor subsidie vergezeld van:

  • a.een beschrijving van het te ontwikkelen, te testen, aan te passen of uit te voeren innovatieveproject;

  • b.een beschrijving van de verwachte resultaten en van de bijdrage aan de doelstelling om de productiviteit en het duurzame beheer van hulpbronnen te verbeteren;

  • c.een uitwerking van de beoogde activiteiten voor kennisverspreiding van de resultaten met gebruik van de hiertoe geëigende netwerken;

  • d.een beschrijving van de interne procedures van de operationele groep waarmee een transparantewerking en besluitvorming gegarandeerd wordt en waarmee belangenconflicten worden voorkomen.

Artikel 2.8.6 weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.7 wordt subsidie, als bedoeld in artikel 2.7.1, geweigerd indien:

  • a.er voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds op grond van hoofdstuk 3 van deze regeling subsidie is verstrekt;

  • b.er sprake is van een bestaande reguliere samenwerking.

Artikel 2.8.7 subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.8.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het volgendevereiste: de activiteit heeft betrekking op tenminste één van de volgende thema’s:

  • a.verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaarde strategie, met nieuwe marktconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;

  • b.beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;

  • c.klimaatadaptatie;

  • d.klimaatmitigatie;

  • e.maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlakte water en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;

  • f.verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;

  • g.behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

Artikel 2.8.8 subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor de oprichting van een operationele groep en het gezamenlijk formuleren van een projectplan, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • kosten voor het werven van deelnemers;

  • kosten voor het netwerken om het innovatieproject goed te definiëren;

  • kosten voor het opstellen van een projectplan en de samenwerkingsovereenkomst;

  • kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

 

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor de uitvoering van een innovatieproject, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • coördinatiekosten van de operationele groep;

  • kosten voor het verspreiden van resultaten van het project;

  • operationele kosten direct verbonden aan de uitvoering van het innovatieproject;

  • kosten voor projectmanagement en projectadministratie.

 

Indien voor de uitvoering van een innovatieproject een investering wordt gedaan, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • kosten voor bouw of verbetering van onroerende zaken:

  • kosten voor verwerving of leasing van onroerende zaken;

  • kosten voor aankoop van grond;

  • kosten van de koop of huurkoop van nieuwe machines en installaties tot maximaal de marktwaarde van de activa;

  • algemene kosten als bedoeld in artikel 1.8a.

 

In aanvulling op het derde lid kunnen gedeputeerde staten in een openstellingsbesluit bepalen dat ten behoeve van investeringen, de volgende kosten ook voor subsidie in aanmerking komen:

  • kosten van verwerving of ontwikkeling van computersoftware;

  • kosten van verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en merken;

  • kosten van de koop van tweedehands machines en installaties tot maximaal de marktwaarde;

  • voorbereidingskosten als bedoeld in artikel 1.8, vierde lid.

Artikel 2.8.9 niet subsidiabele kosten

In afwijking van artikel 1.8 komen voorbereidingskosten die worden gemaakt voor indiening van een aanvraag voor subsidie met betrekking tot de oprichting van een operationele groep en het gezamenlijk formuleren van een projectplan, niet voor subsidie in aanmerking.

Artikel 2.8.10 subsidiehoogte

Indien de activiteit betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van de subsidie:

  • 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.8, eerste lid;

  • 70% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.8, tweede lid;

  • 40% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.8, derde en vierde lid, voor zover het kosten van een productieve investering betreft;

  • 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 2.8.8, derde en vierde lid, voor zover het kosten van een niet-productieve investering betreft.

 

Indien de activiteit geen betrekking heeft op de handel in en de voortbrenging van landbouwproducten bedraagt de hoogte van de subsidie:

  • 25% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een grote onderneming is;

  • 35% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een middelgrote onderneming is;

  • 45% van de subsidiabele kosten indien de subsidieontvanger een kleine onderneming is.

 

De percentages genoemd in het tweede lid, kunnen worden verhoogd met 15% indien:

  • het samenwerkingsverband bestaat uit tenminste één kleine- of middelgrote onderneming als omschreven in bijlage 1 bij Vo (EU) 651/2014 en geen van de partijen meer dan 70% van

  • of een onderzoeks- of onderwijsinstelling aan het samenwerkingsverband deelneemt en deze instelling minimaal 10% van de kosten draagt.

Artikel 2.8.11 rangschikking

Aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria:

  • de mate van effectiviteit van de activiteit;

  • de haalbaarheid van de activiteit;

  • de mate van innovatie

  • de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit.

Artikel 2.8.12 verplichting

In aanvulling op artikel 1.14 is de operationele groep verplicht om de resultaten van de activiteit openbaar te maken via het EIP-netwerk als bedoeld in artikel 57, derde lid, van VO (EU) 1305/2013 en andere geëigende netwerken.

Hoofdstuk 3 Leader

§ 3.1 Algemeen

Artikel 3.1.1 begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.concrete actie: actie als bedoeld in artikel 2, negende lid, van VO (EU) 1303/2013;

  • b.LAG: lokale actiegroep als bedoeld in artikel 34 van VO (EU) 1303/2013;

  • c.LOS: een vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkelingsstrategie als bedoeld in artikel 33 van VO (EU) 1303/2013.

Artikel 3.1.2 afwijking wijze van rangschikking

Gedeputeerde Staten kunnen in een openstellingsbesluit afwijken van artikel 1.3 en artikel 1.13.

§ 3.2 Capaciteitsopbouw, opleiding en netwerkvorming

Artikel 3.2.1 subsidiabele activiteit en prestatie

1. Subsidie kan worden verstrekt voor capaciteitsopbouw, opleiding en netwerkvorming in het kadervan de voorbereiding en de uitvoering van de LOS.

2. De activiteit, als bedoeld in het eerste lid, leidt tot de vorming van een of meerdere LAG’s.

Artikel 3.2.2 doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.de penvoerder van een nieuw op te richten LAG;

  • b.de penvoerder van een LAG die in de periode 2007-2013 een plaatselijke groep was als bedoeld in artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1968/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) ( Pb EU 2005, L 277);

  • c.rechtspersonen.

Artikel 3.2.3 subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende voorsubsidie in aanmerking:

  • a.de kosten van opleidingen van plaatselijke belanghebbenden;

  • b.de kosten van haalbaarheidsstudies of studies over het betreffende gebied;

  • c.de kosten voor het opstellen van een LOS;

  • d.de kosten van adviseurs voor het opstellen van een LOS;

  • e.de kosten van het raadplegen van belanghebbenden voor het opstellen van een LOS.

Artikel 3.2.4 subsidiehoogte

De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten.

Artikel 3.2.5 rangschikking

Gedeputeerde Staten hanteren voor de rangschikking als bedoeld in artikel 1.13 tenminste de volgende criteria:

  • a.het aantal en de diversiteit van de betrokken samenwerkingspartners waarmee aangetoond kan worden dat er voldoende draagvlak is voor het initiatief;

  • b.de kwaliteit van het procesplan waarmee aangetoond kan worden dat de aanvrager in staat is tot het opstellen van een LOS en het oprichten van een LAG;

  • c.de mate waarin de aangedragen thema’s bijdragen aan de doelen van POP3 als bedoeld in artikel 4 van VO (EU) 1305/2013;

  • d.de mate waarin de aangedragen thema’s bijdragen aan de doelen van het provinciaal beleid.

§ 3.3 Uitvoering van LEADER-projecten

Artikel 3.3.1 subsidiabele activiteit en prestatie

1. Subsidie kan worden verstrekt voor de uitvoering van concrete acties die passen binnen een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS.

2. De activiteit, als bedoeld in het eerste lid, leidt tot realisatie van de doelstellingen van de LOS.

Artikel 3.3.2 doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.publiekrechtelijke rechtspersonen;

  • b.privaatrechtelijke rechtspersonen;

  • c.een LAG;

  • d.de penvoerder van een LAG;

    e.natuurlijke personen die een onderneming drijven die staat ingeschreven in het handelsregister en beschikt over een BTW-nummer.

Artikel 3.3.3 weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 1.7 wordt subsidie geweigerd indien voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie op grond van hoofdstuk 2 is verstrekt.

Artikel 3.3.4 subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen alle kosten gemaakt ter voorbereiding of uitvoering van projecten die passen binnen de LOS voor subsidie in aanmerking.

Artikel 3.3.5 subsidiehoogte

1. De hoogte van de subsidie wordt bepaald door Gedeputeerde Staten, op basis van een adviesdaarover van de LAG.

2. Het advies van de LAG is gebaseerd op de berekeningsmethode zoals vastgelegd in de LOS.

Artikel 3.3.6 rangschikking

1. Selectie van de aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen vindt plaats door de LAG opbasis van de LOS.

2. De selectiecriteria zijn daarbij in ieder geval uitgewerkt op basis van de volgende aspecten:

  • a.de mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS;

  • b.de mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER;

  • c.de mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt;

  • d.de mate van efficiency en doelmatigheid van het project.

3. De werkwijze van LEADER als bedoeld in het tweede lid, onder b, bestaat uit de volgende elementen Bottom-up, integraal, innovatief, samenwerkend en gebiedsgericht.

§ 3.4 Voorbereiding en uitvoering van samenwerkingsactiviteiten van de LAG

Artikel 3.4.1 subsidiabele activiteit en prestatie

1. Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a. de voorbereiding van samenwerkingsactiviteiten met het oog op het opstellen van een samenwerkingsproject en het zoeken van geschikte partners en gebieden daarvoor; 

  • b.de uitvoering van samenwerkingsactiviteiten.

2. De activiteit, als bedoeld in het eerste lid, leidt tot samenwerking met LAG’s binnen Nederland, uit andere lidstaten of derde landen.

Artikel 3.4.2 doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.de penvoerder van de LAG;

  • b.rechtspersonen.

Artikel 3.4.3 subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.het samenwerkingsproject past binnen de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS;

  • b.er wordt samen gewerkt met LAG’s uit andere gebieden in Nederland of gebieden in andere lidstaten of met gebieden in derde landen.

Artikel 3.4.4 subsidiabele kosten

1. Indien een aanvraag om subsidie betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 3.4.1, eerste lid, onder a, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de volgende voor subsidie in aanmerking:

  • a.de kosten van haalbaarheidsstudies voor interterritoriale of transnationale samenwerking;

  • b.de kosten voor het opstellen van een projectplan;

  • c.operationele kosten en personeelskosten voor de organisatie van een samenwerkingsproject;

  • d.reis- en verblijfkosten.

2. Indien een aanvraag om subsidie betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 3.4.1, eerste lid, onder, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de volgende voor subsidie in aanmerking:

  • a. uitvoeringskosten;

  • b.operationele kosten en personeelskosten voor de organisatie van een samenwerkingsproject;

  • c.reis- en verblijfkosten.

Artikel 3.4.5 subsidiehoogte

1. De hoogte van de subsidie wordt bepaald door Gedeputeerde Staten, op basis van een advies daarover van de LAG.

2. Het advies van de LAG is gebaseerd op de berekeningsmethode zoals vastgelegd in de LOS.

Artikel 3.4.6 rangschikking

1. De selectie van aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen vindt plaats door de LAG opbasis van de LOS.

2. De selectiecriteria zijn daarbij in ieder geval uitgewerkt op basis van de volgende aspecten:

  • a.de mate waarin het project bijdraagt aan de doelen van de LOS;

  • b.de mate waarin het project past binnen de werkwijze van LEADER;

  • c.de mate waarin het project haalbaar is vanuit financieel en organisatorisch oogpunt;

  • d.de mate van efficiency en doelmatigheid van het project.

3. De werkwijze van LEADER als bedoeld in het tweede lid, onder b, bestaat uit de volgende elementen Bottom-up, integraal, innovatief, samenwerkend en gebiedsgericht.

§ 3.5 Lopende kosten, promotie en voorlichting

Artikel 3.5.1 subsidiabele activiteit en prestatie

1. Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a. beheer van de uitvoering van de LOS; 

  • b. promotie en voorlichting van de LOS.

2. De activiteit, als bedoeld in het eerste lid, leidt tot uitvoering van de LOS door de LAG.

Artikel 3.5.2 doelgroep

Subsidie wordt verstrekt aan:

  • a.de penvoerder van de LAG;

  • b.rechtspersonen.

Artikel 3.5.3 subsidievereiste

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.4.1 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan het volgende vereiste: het project past binnen de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde LOS.

Artikel 3.5.4 subsidiabele kosten

1. Indien een aanvraag om subsidie betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.1, eerste lid, onder a, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de volgende voor subsidie in aanmerking:

  • a.operationele kosten en personeelskosten;

  • b.opleidingskosten;

  • c.kosten voor public relations;

  • d.in afwijking van artikel 1.11, eerste lid, onder c, de kosten van financiële diensten waaronder begrepen kosten voor bankdiensten en financieringen;

  • e.kosten voor monitoring en evaluatie.

2. Indien een aanvraag om subsidie betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.1, eerste lid, onder onder b, komen voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie de volgende voor subsidie in aanmerking:

  • a.kosten voor het faciliteren van de uitwisseling tussen belanghebbenden;

  • b.kosten voor het promoten van en het verstrekken van informatie over de LOS;

  • c.kosten voor de ondersteuning van potentiële begunstigden bij de ontwikkeling van concreteprojecten en het voorbereiden van aanvragen.

Artikel 3.5.5 subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten tot een maximum van 25% van de totale publieke financiering van de LOS.

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij is geplaatst.

Artikel 4.1a toezicht

Met het toezicht op deze regeling zijn belast aangewezen ambtenaren van de provincie Zuid-Holland, de Rijksdienst voor ondernemend Nederland, de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit, het Rijk, de Europese Commissie en de Europese Rekenkamer.

Artikel 4.2 citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland.

Ondertekening

Den Haag, 14 april 2015
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,
Drs. J. Smit, voorzitter
Drs. J.H. de Baas, wnd.secretaris
 

Toelichting

Algemeen

De Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland is gebaseerd op een modelregeling die door alle twaalf provincies als basis wordt gebruikt voor de provinciale subsidieregeling. In de modelregeling zijn wijzigingen doorgevoerd. Met dit wijzigingsbesluit worden de wijzigingen in de modelregeling ook verwerkt in de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland.

Artikelsgewijze toelichting

A.

De definitie van jonge landbouwer is verplaatst naar paragraaf 2.3. Toegevoegd aan de begripsbepalingen zijn de begrippen inpassingsmaatregelen en voorbereidingskosten.

B.

Het toepassingsbereik van de regeling is gewijzigd, zodat duidelijk is dat alleen subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die ten goede komen aan het in de Europese Unie gelegen gedeelte van het Koninkrijk der Nederlanden.

C.

Met de wijziging wordt het ook mogelijk om nadere verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden, in een openstellingsbesluit op te nemen.

D.

Op grond van de regeling kan alleen subsidie worden verstrekt aan landbouwbedrijven die zijn aan te merken als een kleine of middelgrote onderneming. Voor de definities wordt verwezen naar bijlage 1 van de Europese Verordening nr. 651/2014 van de Commissie.

E.

In artikel 1.6 staan de voorwaarden waar een samenwerkingsverband moet voldoen. Gewijzigd is dat de samenwerkingsovereenkomst door alle deelnemende partijen moet zijn ondertekend en dat iedere deelnemer een verklaring moet overleggen waarin de deelnemer verklaart dat hij hoofdelijk aansprakelijk is voor eventueel terug te vorderen subsidiebedragen.

G.

De weigeringsgrond dat subsidie wordt geweigerd indien de activiteit wordt uitgevoerd om te kunnen voldoen aan een wettelijke verplichting, is vervallen. Voor dergelijke activiteiten zal namelijk geen openstelling plaats hebben.

Daarnaast is de weigeringsgrond dat een aanvraag niet voorzien is van een subsidiebeschikking van een ander bestuursorgaan, gewijzigd. Het is niet meer voldoende om een intentie te overleggen. Een intentie om subsidie te gaan verstrekken biedt onvoldoende zekerheid.

H.

In artikel 1.8 staat waaruit de voorbereidingskosten uitsluitend uit kunnen bestaan. Toegevoegd zijn de personeelskosten en kosten van eigenarbeid voor architecten, ingenieurs en adviseurs die bij desubsidieaanvrager werkzaam zijn.

I.

De berekeningswijze van de personeelskosten is gewijzigd. Het percentage voor de toeslag van de werkgeverslasten is in het artikel opgenomen. Tevens is de definitie van het begrip bruto jaarloon in de regeling opgenomen.

J.

Aan artikel 1.10 is toegevoegd voor welke gevallen Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit kunnen bepalen dat de aankoop van gronden subsidiabel zijn tot 30% van de totale subsidiabele kosten.

K.

Geschrapt is de bepaling dat geen subsidie wordt verstrekt voor kosten van activiteiten die worden uitgevoerd in strijd met EU-maatregelen of nationaal recht.

Voor dergelijke activiteiten zal namelijk geen openstellingsbesluit worden vastgesteld.

L.

Het artikel over de berekeningswijze van bijdragen in natura is gewijzigd. De voorwaarden waaronder de bijdragen in natura subsidiabel zijn, zijn herschreven. Daarnaast is de hoogte van de waardering van de inzet van vrijwilligers en van eigen arbeid in de regeling opgenomen.

M.

In artikel 1.14 staan de verplichtingen waaraan de subsidieontvanger moet voldoen.

De verplichting omtrent het aanbesteden is gewijzigd, er wordt nog slechts verwezen naar de Aanbestedingswet 2012. Voor de communicatieverplichting wordt nu verwezen naar de meest recente Euro-pese verordening ( Uitvoeringsverordening nr. 808/2014) waarin de Europese eisen met betrekking tot de communicatie zijn opgenomen.

Toegevoegd is de verplichting om een gesubsidieerde investering op het moment van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie daadwerkelijk gebruiksklaar te hebben. Alleen de feitelijke aankoop of levering van de investering is niet voldoende.

N.en O.

De artikelen 1.15 en 1.16 zijn gewijzigd, omdat de artikelen een herhaling bevatten van Europese regelgeving. Voor de wijze waarop de netto inkomsten worden verrekend met de subsidie, wordt verwezen naar de relevante Europese regelgeving ( artikel 61 en artikel 65 van Verordening 1303/2013)

Q.

In het nieuwe artikel 1.17a wordt aangegeven in welke gevallen een wijzigingsverzoek niet gehonoreerd zal worden. Of een wijzigingsverzoek gehonoreerd kan worden hangt af van de activiteit die op grond van het betreffende openstellingsbesluit subsidiabel was. Daarnaast hangt het af van de selectiecriteria die in het betreffende openstellingsbesluit waren opgenomen.

Wordt de omvang een activiteit na een wijziging bijvoorbeeld veel minder, dan kan dat er toe leiden dat het wijzigingsverzoek niet gehonoreerd zal worden.

R.

Artikel 1.18 bevat de voorschriften waaraan een aanvraag tot vaststelling van de subsidie moet voldoen. Gewijzigd is dat de aanvraag niet meer binnen 13 weken na afloop van de activiteiten moet zijn ingediend, maar uiterlijk op de datum die in de beschikking tot subsidieverlening is opgenomen. Dit komt de duidelijkheid ten goede.

S.

In het nieuwe artikel 1.18a is aangegeven op welke wijze het bedrag wordt berekend waarop de subsidie wordt vastgesteld. Op basis van het ELFPO komt de aanvraag tot vaststelling niet voor. Het ELFPO gaat uit van betaalaanvragen. Bij betaalaanvragen mogen alleen kosten worden opgevoerd die subsidiabel zijn. Worden er te veel kosten opgevoerd die niet subsidiabel zijn, dan vind er een extra verlaging plaats van het bedrag dat kan worden uitbetaald.

De betaalaanvragen komen in deze regeling in twee vormen voor: de aanvraag om een voorschot en de aanvraag tot vaststelling.

T.

Ten tijde van de vaststelling van de Uitvoeringsregeling waren personeelskosten nog niet subsidiabel op grond van het Nederlandse POP-programma. Inmiddels kan wel subsidie worden verstrekt voor personeelskosten. Bij een aanvraag om een voorschot dienen dan ook bewijsstukken inzake personeelskosten te worden overlegd, in het geval de subsidie ook betrekking heeft op personeelskosten.

U.

Omdat in artikel 1.18a al wordt beschreven op welke wijze het uit te betalen bedrag op basis van een betaalverzoek wordt berekend, kan in artikel 1.20 worden verwezen naar artikel 1.18a.

V.

Aan artikel 1.21 wordt toegevoegd dat een voorschot vooruitlopend op realisatie maximaal 50% van de verleende subsidie kan bedragen. Dit is een voorwaarde die het ELFPO stelt aan voorschotten vooruitlopend op realisatie of uitvoering van de activiteit.

W.

Artikel 1.24 vervalt omdat de bepaling in de praktijk tegen uitvoeringsproblemen aanloopt.

X.

In artikel 2.1.6 wordt de term loonkosten vervangen door personeelskosten, zo wordt aangesloten bij de overige onderdelen van deze regeling. Omdat eigen arbeid een vorm van bijdragen in natura is, worden de onderdelen g en h samengevoegd.

Y.

Kosteneffectiviteit is een selectiecriterium dat altijd moet worden gehanteerd bij de rangschikking van aanvragen om subsidie. Het criterium wordt dus van het tweede lid verplaatst naar het eerste lid.

Z.

Ten tijde van de vaststelling van de Uitvoeringsregeling waren personeelskosten nog niet subsidiabel op grond van het Nederlandse POP-programma. Inmiddels kan wel subsidie worden verstrekt voorpersoneelskosten.

AA.

De bepaling dat geen subsidie wordt verstrekt voor de kosten van gebouwen waarvoor in de afgelopen 10 jaar steun is verstrekt of die op het moment van de subsidievaststelling niet aan de nationale vereisten voldoen, kan worden geschrapt omdat de bepaling niet meer in het Nederlandse POP-programma staat.

AB.

Kosteneffectiviteit is een selectiecriterium dat altijd moet worden gehanteerd bij de rangschikking van aanvragen om subsidie. Het criterium wordt dus van het tweede lid verplaatst naar het eerste lid.

AC.

De paragraaf 2.3 “Fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers” wordt ingevuld.

Per openstelling stellen Gedeputeerde Staten een lijst met investeringen vast waarvoor subsidie kan worden aangevraagd en worden verleend. In de lijst geven Gedeputeerde Staten tevens het puntenaantal vast dat per investering behaald kan worden.

In artikel 2.3.3 wordt aangegeven op welke wijze wordt vastgesteld of een aanvrager een jonge landbouwer is en op welke wijze wordt vastgelegd of de jonge landbouwer zich voor het eerst als bedrijfshoofd vestigt.

De aanvrager kan kiezen op welke wijze de subsidie moet worden berekend. De subsidie kan worden berekend op basis van het aantal jonge landbouwers dat bedrijfshoofd is ten opzichte van het aantal niet- jonge landbouwers dat bedrijfshoofd is. De aanvrager kan ook kiezen om de subsidie te berekenen op basis van het aandeel van het eigen vermogen van het landbouwbedrijf dat in eigendom is van jonge-landbouwers.

Indien de aanvrager kiest voor de berekening op basis van het eigen vermogen, moet bij de aanvraag een accountantsverklaring worden overlegd waarmee inzicht wordt geboden over de verdeling van het eigen vermogen van het landbouwbedrijf.

De berekening van de subsidie op basis van het aantal jonge landbouwers dat bedrijfshoofd is ten opzichte van het aantal niet- jonge landbouwers dat bedrijfshoofd is van het landbouwbedrijf waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft werkt als volgt:

De investering waarvoor subsidie wordt gevraagd kost € 60.000,-.

Wanneer alleen jonge landbouwers bedrijfshoofd zijn bedraagt de subsidie 30% van de kosten tot maximaal € 20.000,-. In dit geval bedraagt de subsidie dus € 18.000,-.

In het geval er naast de jonge landbouwer(s) één niet-jonge landbouwer bedrijfshoofd is, wordt de subsidie verlaagd met 20%. In dit geval bedraagt de subsidie dus € 18.000 – 20%( =€ 3.600,-)= € 14.400,-..

Zijn er naast de jonge landbouwer(s) twee niet-jonge landbouwers bedrijfshoofd dan bedraagt de subsidie € 18.000 – 40%( = € 7.200) = € 10.800,-. De maximale verlaging van de subsidie is 80%. Dus bij vier of meer niet- jonge landbouwers die bedrijfshoofd zijn naast de jonge landbouwers bedraagt de subsidie in dit voorbeeld € 18.000,- - 80% (=€ 14.400,-) = € 3.200,-)

AD.

Ten tijde van de vaststelling van de Uitvoeringsregeling waren personeelskosten nog niet subsidiabel op grond van het Nederlandse POP-programma. Inmiddels kan wel subsidie worden verstrekt voor personeelskosten.

AE. tot en met AG.

De artikelen 2.4.6 tot en met 2.4.8 zijn herschreven, zodat duidelijker is wat de berekeningswijze is van de subsidie voor de verschillende kostensoorten.

AH.

Artikel 2.4.9 is herschreven zodat de formulering gelijk is aan de andere rangschikkingsartikelen in deze regeling.

AI.

Toegevoegd is dat de investeringen een directe relatie moeten hebben met de landbouw. Deze voorwaarde vloeit voor uit het ELFPO.

AJ.

Ten tijde van de vaststelling van de Uitvoeringsregeling waren personeelskosten nog niet subsidiabelop grond van het Nederlandse POP-programma. Inmiddels kan wel subsidie worden verstrekt voor personeelskosten.

AK.

Artikel 2.5.5 is herschreven zodat de formulering gelijk is aan de andere rangschikkingsartikelen in deze regeling.

AL.

Toegevoegd is dat de investeringen een directe relatie moeten hebben met de landbouw. Deze voorwaarde vloeit voor uit het ELFPO.

AM.

Ten tijde van de vaststelling van de Uitvoeringsregeling waren personeelskosten nog niet subsidiabel op grond van het Nederlandse POP-programma. Inmiddels kan wel subsidie worden verstrekt voor personeelskosten.

AN.

Bij de wijziging van het Nederlandse POP-programma heeft ook een verschuiving in de financiële verdeling van de ELFPO middelen plaatsgevonden. Hierdoor is het mogelijk dat voor niet-productieve in-vesteringen water een subsidie wordt verstrekt die geheel bestaat uit ELFPO middelen.

AO.

Artikel 2.6.5 is herschreven zodat de formulering gelijk is aan de andere rangschikkingsartikelen in deze regeling.

AP.

Toegevoegd is dat ook de initiatiefnemer een samenwerkingsverband in wording een subsidie kan verkrijgen. Het oprichten van een projectmatig samenwerkingsverband is namelijk ook een activiteit waarvoor subsidie kan worden verstrekt.

AQ.

Als subsidievereiste is toegevoegd waaraan een samenwerkingsverband moet voldoen. Aan het samenwerkingsverband moeten ten minste twee partijen deelnemen waaronder én landbouwer of een organisatie die landbouwers vertegenwoordigd.

AR.

Aan artikel 2.7.7 is toegevoegd dat ook het schrijven van een projectplan voor subsidie in aanmerking. Eveneens zijn de personeelskosten toegevoegd als subsidiabele kosten.

AS.

Omdat ook de oprichting van een samenwerkingsverband voor subsidie in aanmerking komt, komen voorbereidingskosten niet voor subsidie in aanmerking. Dit zijn namelijk vaak dezelfde activiteiten.

AT.

Artikel 2.7.9 is herschreven zodat duidelijker is op welke wijze de subsidie per kostensoort wordt berekend.

AU.

Kosteneffectiviteit is een selectiecriterium dat altijd moet worden gehanteerd bij de rangschikking van aanvragen om subsidie. Het criterium wordt dus van het tweede lid verplaatst naar het eerste lid.

AV.

Artikel 2.8.3 is herschreven zodat de formulering beter aansluit bij de paragraaf.

AW.

Toegevoegd is dat ook de initiatiefnemer een operationele groep in wording een subsidie kan verkrijgen. Het oprichten van een operationele groep is namelijk ook een activiteit waarvoor subsidie kan worden verstrekt.

AX.

Aan artikel 2.8.8 is toegevoegd dat ook het schrijven van een projectplan voor subsidie in aanmerking. Eveneens zijn de personeelskosten toegevoegd als subsidiabele kosten.

AY.

Artikel 2.8.10 is herschreven zodat duidelijker is op welke wijze de subsidie per kostensoort wordt berekend.

AZ.

Kosteneffectiviteit is een selectiecriterium dat altijd moet worden gehanteerd bij de rangschikking van aanvragen om subsidie. Het criterium wordt dus van het tweede lid verplaatst naar het eerste lid.

BA.

Voor LEADER kunnen Gedeputeerde Staten besluiten om het subsidieplafond op een afwijkende manier te verdelen dan artikel 1.3 en artikel 1.13 voorschrijven. In plaats van een tender kunnen Gedeputeerde Staten ook kiezen om aanvragen te behandelen op volgorde van ontvangst. Welke wijze van verdeling Gedeputeerde Staten hanteren blijkt uit een openstellingsbesluit.

TOELICHTING bij het wijzigingsbesluit van 24 mei 2016, PZH 2016-55378219 (DOS-2014-0010135) tot wijziging van artikel 1.8 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland

De Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland is gebaseerd op de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland (Asv). In de Asv staan bepalingen die voor alle subsidieregelingen van toepassing zijn. Eén van die bepalingen is artikel 11. Artikel 11 bepaalt onder ander dat subsidie geweigerd wordt voor zover de te subsidiëren activiteit reeds in uitvoering is voordat de aanvraag is ingediend.

In de praktijk blijkt het lastig te bepalen wanneer een activiteit in uitvoering is. Om een goede aanvraag om subsidie te kunnen doen, worden doorgaans al wel kosten gemaakt ter voorbereiding van de activiteit. Door de wijziging in artikel 1.8 wordt duidelijk vanaf welk moment kosten subsidiabel zijn, namelijk vanaf het moment van indienen van de aanvraag. Voorbereidingskosten zijn subsidiabel ook als zij voor het moment van indienen zijn gemaakt.

TOELICHTING bij het wijzigingsbesluit van 23 augustus 2016, PZH 2016-561465982 (DOS-2013-0010135) tot wijziging van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland

Algemeen

De Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland is gebaseerd op een modelregeling die door alle twaalf provincies als basis wordt gebruikt voor de provinciale subsidieregeling. In de modelregeling zijn wijzigingen doorgevoerd. Met dit wijzigingsbesluit worden de wijzigingen in de modelregeling ook verwerkt in de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland.

TOELICHTING bij het wijzigingsbesluit van 18 april 2017, DOS-2013-0010135, PZH-2017-584213349, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland in verband met wijzigingen in het Nederlandse POP-programma

A.

Een aantal begripsbepalingen is gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft de begripsbepaling van netto inkomsten. Toegevoegd is dat er geen sprake is van netto inkomsten in het geval een eventuele exploitatiesubsidie wordt verlaagd, omdat door de gesubsidieerde activiteit bespaard kan worden op de exploitatiekosten.

De exploitatiesubsidie kan ook door andere overheden worden verstrekt.

B.

De voorwaarde dat de subsidie ten goede moet komen aan het landelijkgebied of het platteland of de agrarische sector, is gewijzigd. Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen, hebben of betrekking op de agrarische sector of op het platteland. De term landelijkgebied overlapte met de term platteland.

C.

De procedure voor de selectie van aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen is veranderd. Dit heeft gevolgen voor onder andere het openstellingsbesluit. De selectiecriteria, het puntenaantal en de wegingsfactoren worden in de Uitvoeringsregeling zelf opgenomen. In het openstellingsbesluit kunnen geen andere selectiecriteria meer worden gehanteerd.

Toegevoegd is dat er nadere regels geteld kunnen worden omtrent het verstrekken van voorschotten. In een openstellingsbesluit kan bijvoorbeeld bepaald worden dat een verzoek om voorschot minimaal € 50.000,- moet bedragen.

D.

Het artikel met de oorspronkelijke naam “deelplafond” is aangepast en her noemt tot “POP-3 steun”. Door het hanteren van de term POP-3 steun wordt duidelijk dat de subsidie die op basis van deze regeling verstrekt wordt, niet gelijk is aan de totale POP-3 steun. Bijvoorbeeld bij LEADER is het een vereiste dat ook een andere nationale overheid een subsidie verstrekt.

E.

De verantwoording van POP-3 subsidies zijn aan strenge eisen gebonden. Met dit artikel wordt duidelijkheid gegeven welke documenten als bewijsstukken kunnen dienen.

F.

Vanwege een wijziging in artikel 1.13 is de verwijzing in artikel 1.7 weigeringsgronden aangepast.

G.

Met de wijziging van het eerste lid van artikel 1.8 wordt duidelijk dat ook de bijdragen in natura pas voor subsidie in aanmerking komen nadat de aanvraag om subsidie is ingediend.

Met de wijziging van het tweede lid wordt geregeld dat voorbereidingskosten alleen subsidiabel zijn als dat in het openstellingsbesluit staat vermeld. Indien de voorbereidingskosten niet als subsidiabele kosten zijn opgenomen, dan komen die kosten niet voor subsidie in aanmerking.

H.

In het Nederlandse POP programma is een tweede wijze voor het berekenen van een subsidiabel uurtarief opgenomen. Dit is de Integrale Kostprijs Systematiek (IKS). De IKS is vooral in het voordeel voor subsidieontvangers die veel te maken hebben met RVO. Om de IKS te mogen hanteren, dient de Minister van Economische Zaken een goedkeurend besluit te hebben gegeven. Het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies geeft aan op welke wijze een goedgekeurde IKS te verkrijgen is.

I.

In het artikel over de niet-subsidiabele kosten worden twee kostensoorten toegevoegd. Winstopslagen binnen een samenwerkingsverband zijn niet subsidiabel. Ook zijn kosten die niet voldoen aan de vereisten van goed financieel beheer niet subsidiabel. Vanwege de subsidie mogen geen buitensporige kosten worden gemaakt.

J.

Het artikel over de rangschikking wordt vervangen door een geheel nieuw artikel. Dit naar aanleiding van het Handboek Selectiecriteria dat interprovinciaal tot stand is gekomen. Naast de selectie van projecten op basis van selectiecriteria is het ook mogelijk om te selecteren op basis van een investeringslijst of een geografisch criterium. In een openstellingsbesluit staat vermeld op welke wijze geselecteerd wordt.

K.

Aan het artikel over de aan de subsidie verbonden verplichtingen wordt een verplichting toegevoegd. Het betreft de melding van vervreemding van de gronden waarop de activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden. Deze verplichting is toegevoegd in het licht van de instandhoudingsverplichting.

M.

Met de wijziging wordt expliciet duidelijk dat de aanvraag tot vaststelling van de POP-3 subsidie uiterlijk 1 april 2023 ingediend moet zijn. Verder uitstel is niet mogelijk. In de beschikking tot subsidieverlening kan een eerdere datum worden opgenomen.

N.

De mogelijkheid om voorschotten vooruitlopend op realisatie, dus voordat er kosten zijn gemaakt en betaald, te verlenen wordt beperkt. Dit is met deze wijziging nog alleen mogelijk als een openstellingsbesluit dat mogelijk maakt.

O.

Het artikel over de rangschikking wordt aangepast, zodat de criteria voldoen aan het Handboek Selectiecriteria. Naast de standaard te hanteren selectiecriteria zijn ook de wegingsfactoren bepaald.

P.

De verplichting om het bepalen van de prijs voor het bijwonen van de kennisoverdrachtsactie is vervallen. Dit omdat de bijdragen van deelnemers gebruikt kunnen worden om de kosten van de kennisoverdrachtsactie te kunnen dekken.

Q.

Het artikel over de rangschikking wordt aangepast, zodat de criteria voldoen aan het Handboek Selectiecriteria. Naast de standaard te hanteren selectiecriteria zijn ook de wegingsfactoren bepaald.

R.

In artikel 2.3.4 wordt de term “accountantsverklaring” vervangen door “controle verklaring”. Deze term sluit meer aan bij de praktijk

S en T.

Het artikel over de rangschikking wordt aangepast, zodat de criteria voldoen aan het Handboek Selectiecriteria. Naast de standaard te hanteren selectiecriteria zijn ook de wegingsfactoren bepaald.

U.

Het tweede lid van artikel 2.6.4 vervalt. De opbouw van het subsidiepercentage wordt in hoofdstuk 1 geregeld in artikel 1.4

V tot en met X.

Het artikel over de rangschikking wordt aangepast, zodat de criteria voldoen aan het Handboek Selectiecriteria. Naast de standaard te hanteren selectiecriteria zijn ook de wegingsfactoren bepaald.

Y.

Met het ingevoegde artikel 4.1a wordt duidelijk welke partijen belast zijn met het toezicht op de POP-3 subsidies.

TOELICHTING OP HET BESLUIT VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN 7 NOVEMBER 2017, PZH-2017-616190143 (DOS-2013-0010135), TOT WIJZIGING VAN DE UITVOERINGSREGELING POP-3 ZUID-HOLLAND (PROV. BLAD 2017, 5257)

A.

Met deze wijziging is het duidelijker dat het mogelijk is dat partijen in een samenwerkingsverband eenaanvraag om subsidie in kunnen dienen. Projecten van meerdere partijen in een samenwerkingsverbandzijn veelal effectiever dan projecten van individuele partijen. Samenwerking wordt dan ook gestimuleerd.

B en C.

Met deze wijzigingen ontstaat meer flexibiliteit om de openstellingen zo efficiënt mogelijk in te richten.Zo kan het aantal investeringen waarop een aanvraag betrekking heeft worden beperkt en kan er eenminimum bedrag per investering worden vastgesteld.

D.

Met deze wijziging is het duidelijk dat in de situatie dat er meerdere aanvragen gelijk gerangschikt zijnen het subsidieplafond zodanig is dat er slechts één van de gelijk gerangschikte aanvragen gehonoreerdkan worden, door middel van loting wordt bepaald welke aanvraag dat is.

TOELICHTING op het besluit van Gedeputeerde Staten van 13 maart 2018, PZH-2018-641006755(DOS-2013-0010135) tot wijziging van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland

Met dit wijzigingsbesluit worden technische wijzigingen die zijn doorgevoerd in de landelijke model subsidieregeling voor POP-3 ook worden doorgevoerd in de provinciale uitvoeringsregeling POP-3.

Onderdeel C

De voorwaarde dat alleen subsidie kan worden verstrekt aan kleine of middelgrote landbouwbedrijven, komt niet in het Nederlandse POP-3 programma voor en is niet vereist op grond van Europese verordeningen. De voorwaarde kan dus vervallen.

Onderdelen B en G

In de uitvoeringsregeling wordt de term kostentypen geïntroduceerd. Met de term wordt aangegeven op welke wijze subsidiabele kosten gemaakt kunnen worden. Een architect kan worden ingehuurd (kosten derden), maar een architect kan ook bij de subsidieontvanger in loondienst zijn (personeelskosten). Een machine kan aangekocht worden (kosten derden), maar ook al in bezit van de subsidieontvanger zijn (afschrijvingskosten).

Onderdelen J en K

De wijzen waarop het beschikbare deelplafond kan worden verdeeld staan beschreven in het Handboek Selectiecriteria. Op 8 december 2017 is door het Comité van Toezicht het Handboek selectiecriteria 2017 geaccordeerd.

Met het nieuwe artikel 1.13 en de ingevoerde artikelen 1.13a, 1.13b en 1.13c is het Handboek 2017 verwerkt in de uitvoeringsregeling.

Onderdeel S

Het artikel is aangepast is aan het (nieuwe) onderscheid tussen kostentypen en kosten.

Onderdeel T

Het artikel is aangepast aan het Handboek selectiecriteria 2017.

TOELICHTING op het besluit van Gedeputeerde Staten van 16 april 2019, PZH-2019-676904818 (DOS-2013-0010135) tot wijziging van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland ten aanzien van artikel 1.19, artikel 1.20 en artikel 1.20a

De POP-3 subsidies bestaan voor 50% uit Europese middelen en voor 50% uit provinciale middelen. Doordat de subsidies voor 50% uit Europese middelen bestaan, is ook Europese regelgeving van toepassing op de POP-3 subsidies.

De Europese regelgeving wijkt op sommige punten af van het Nederlandse bestuursrecht. In de Europese regelgeving komen de figuren van ‘subsidievaststelling’ en ‘voorschot’ niet voor, in plaats daarvan kent de Europese regelgeving de ‘betaalaanvraag’.

Binnen de Uitvoeringsregeling POP-3 werden de begrippen ‘deelbetaling’ en ‘voorschot’ voor hetzelfde gebruikt. Dat impliceerde dat er geen voorschotten (zoals bedoeld in het Nederlandse bestuursrecht) verleend konden worden. Met dit wijzigingsbesluit wordt het onderscheid tussen ‘deelbetaling’ en ‘voorschot’ in de regeling zichtbaar, hierdoor kunnen voorschotten verstrekt worden. Het voorschot bedraagt maximaal 50% van de verleende subsidie, het voorschot bestaat volledig uit provinciale middelen.

Toelichtingop het Besluit van Gedeputeerde Staten van 20 april 2021, PZH-2021-764606938 (DOS 2013-0010135) tot wijziging van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland ten aanzien van de verlening van de POP-3 periode en het toevoegen van vereenvoudigde kostenopties (Besluit tot wijziging hoofdstuk 1 van de Uitvoeringsregeling POP-3 Zuid-Holland)

A.

Het in artikel 1.1 toegevoegde onderdeel o betreft een verwijzing naar de Europese verordening waarin de verlenging van de POP-3 periode is geregeld.

B.

Er wordt een lid toegevoegd om mogelijk te maken dat Gedeputeerde Staten in een openstellingsbesluit een vast bedrag aan subsidiabele kosten per activiteit per activiteit kunnen vaststellen. Dat bedrag vormt dan de basis voor de berekening van de subsidie. De aanvrager hoeft dan niet meer het gevraagde bedrag te onderbouwen met bijvoorbeeld offertes.

C.

De citeertitel van de ministeriële regeling is aangepast.

D.

Onbetaalde eigen arbeid is als afzonderlijk kostentype opgenomen. Dit vanwege het onderscheid dat gemaakt wordt tussen onbetaalde eigen arbeid en onbetaalde arbeid van vrijwilligers.

E.

In 2021 is het mogelijk geworden om gebruik te maken van de vereenvoudigde kostenoptie (SCO) voor het berekenen van de totale overige kosten binnen het project (alle kosten los van de directe personeelskosten). Voor de SCO totale overige kosten als percentage van de directe personeelskosten houdt dit in dat de totale overige kosten worden berekend middels een 40% opslag op de totale directe personeelskosten. Hierdoor is er binnen het project geen noodzaak meer tot het onderbouwen van deze kosten middels facturen en betaalbewijzen.

Voor deze opslag wordt de som van de directe personeelskosten voor iedere medewerker berekend op basis van artikel 1.9 lid 1 sub a. Echter dient de genoemde 15% overhead uit deze berekening niet meegenomen te worden. De berekening wordt dus als volgt:

Subsidiepercentage is 70% Som subsidiabele directe personeelskosten exclusief 15% overhead is € 850.000,00 Overige kosten: € 850.000,00 * 40% = € 340.000,00 Subsidiebedrag: (€ 850.000,00 + € 340.000,00) * 70% subsidiepercentage = € 833.000,00

E.

In 2021 is het mogelijk geworden om gebruik te maken van de vereenvoudigde kostenoptie (SCO) voor wat betreft personeelskosten. Voor de SCO personeelskosten houdt dit in dat er over de overige directe kosten binnen het project (alle directe kosten los van de personeelskosten), die geen verband houden met de uitvoering van overheidsopdrachten voor werken met een waarde boven het Europese drempelbedrag (€ 5.186.000,- volgens Richtlijn 2014/24/EU), een opslag voor personeelskosten berekend wordt zonder dat hier een administratieve verplichting tegenover staat in de vorm van een onderbouwing van het uurtarief of het bijhouden van een urenregistratie. Deze opslag wordt berekend door de som van de overige directe kosten binnen het project te vermenigvuldigen met 20%, waarna dat bedrag wordt vermeerderd met een opslag van 15% aan overheadkosten. Bijvoorbeeld:

Subsidiepercentage is 100%

Totale subsidiabele overige directe kosten: € 300.000,00

Opslag personeelskosten: € 300.000,00 * 20% * 1.15 = € 69.000,00

Subsidiebedrag: (€ 300.000,00 + € 69.000,00) * 100% = € 369.000,00

G.

In artikel 1.11 stond opgenomen dat geen subsidie werd verstrekt voor de kosten van de vervaardiging van producten die melk- of zuivelproducten imiteren of vervangen. De Europese regel waarop de bepaling gebaseerd was, is vervallen.

J.

De verplichting met betrekking tot het voeren van de administratie is aangepast in verband met de SCO’s. Wanneer een SCO wordt toegepast hoeft een subsidieontvanger niet meer alle bewijsstukken te overleggen.

K.

De datum waarop een aanvraag tot vaststelling ingediend moet zijn is gewijzigd in april 2025. Dit in verband met de verlening van de POP-3 periode met 2 jaar,

L.

Wanneer een SCO wordt toegepast hoeft een subsidieontvanger niet meer alle bewijsstukken te overleggen. Dit is aangepast in artikel 1.19.

M.

Met deze wijziging wordt het ook mogelijk om voorschotten te verstrekken voor projecten die onder paragraaf 2.2 van de Uitvoeringsregeling zijn gesubsidieerd.