Verordening volgordebeleid plaatsing Wet sociale werkvoorziening

Geldend van 03-08-2010 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 25-11-2009

Intitulé

Verordening volgordebeleid plaatsing Wet sociale werkvoorziening

Het Algemeen Bestuur van het Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant

Gezien het voorstel van het Dagelijks Bestuur d.d. 25-11-2009, gelet op artikel 12 lid 2 van de Wet sociale werkvoorziening (Wsw);

Overwegende dat het wenselijk is te regelen de volgorde waarin personen, die geïndiceerd zijn voor de Wsw en geen dienstbetrekking hebben aanvaard, in aanmerking worden gebracht voor een dienstbetrekking;

Besluit:

Vast te stellen de:

Verordening volgordebeleid plaatsing Wet sociale werkvoorziening

Artikel 1 Begripsomschrijving

  • 1. De Wet: de Wet sociale werkvoorziening;

  • 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet sociale werkvoorziening (Wsw);

  • 3. Dagelijks Bestuur: het Dagelijks Bestuur van het Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant;

  • 4. Algemeen Bestuur: het Algemeen Bestuur van het Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant;

  • 5. Kandidaat: de persoon zoals vermeld in artikel 12 lid 1 van de Wsw;

  • 6. Schoolverlaters: kandidaten afkomstig uit VSO/praktijkonderwijs.

Artikel 2 Wachtlijst

  • 1. Het Dagelijks Bestuur beheert voor de regio Noordoost-Brabant een wachtlijst;

  • 2. Deze wachtlijst bevat een overzicht van ingezetenen die geïndiceerd zijn, geen dienstbetrekking hebben als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet en beschikbaar zijn om een dergelijke dienstbetrekking te aanvaarden;

  • 3. Het Dagelijks Bestuur draagt er zorg voor dat kandidaten op de wachtlijst periodiek worden geïnformeerd over hun positie op de wachtlijst en het tijdstip waarop zij naar verwachting zullen worden geplaatst.

Artikel 3 Volgorde van plaatsing

  • 1. Het Dagelijks Bestuur ziet er op toe dat er te allen tijde sprake is van evenwichtig en zorgvuldig plaatsingsbeleid.

  • 2. Bij de bepaling of er sprake is van evenwichtig en zorgvuldig plaatsingsbeleid hanteert het Dagelijks Bestuur als uitgangspunten dat:

    • a.

      de gemiddelde wachttijd van de kandidaten op de wachtlijst zoveel mogelijk gelijk is aan de gemiddelde wachttijd van de geplaatste kandidaten;

    • b.

      de gerealiseerde plaatsingen, gelet op het bestand van de wachtlijst, zo evenredig mogelijk zijn verdeeld over de categorieën personen met een lichamelijke, psychische en verstandelijke beperking.

  • 3. In afwijking van het vorige lid zullen met voorrang worden geplaatst:

    • a.

      schoolverlaters voor zover zij binnen zes maanden na beëindiging van de opleiding zijn geïndiceerd voor de Wsw;

    • b.

      personen die gebruikmaken van de voorranggarantie in de zin van de Wet c.a.

    • c.

      bijzondere omstandigheden van een individuele kandidaat op de wachtlijst kunnen voor het Dagelijks Bestuur bij wijze van uitzondering aanleiding zijn om af te wijken van de vorige leden van dit artikel.

  • 4. Bijzondere omstandigheden kunnen voor het Dagelijks Bestuur aanleiding zijn om af te wijken van de vorige leden van dit artikel.

  • 5. Jaarlijks rapporteert het Dagelijks Bestuur aan het Algemeen Bestuur over de mate waarin van het vorige artikel gebruik is gemaakt;

  • 6. Het Dagelijks Bestuur draagt er zorg voor dat kandidaten een klacht kunnen indienen indien zij naar hun mening ten onrechte in afwijking van hetgeen in deze verordening is bepaald, niet worden geplaatst.

Artikel 4 Evaluatie

De toepassing van deze verordening wordt jaarlijks geëvalueerd.

Artikel 5 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt met ingang van 25 november 2009 in werking en kan worden aangehaald als Verordening volgordebeleid plaatsing Wet sociale werkvoorziening.

Ondertekening

Aldus besloten door het Algemeen Bestuur van het Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant in de openbare vergadering van 25 november 2009

Toelichting

Op 1 januari 2008 is de herziene Wet sociale werkvoorziening (Wsw) in werking getreden. Deze wet bevordert dat Wsw-geïndiceerden meer in een reguliere werkomgeving gaan werken. Om deze doelstelling te verwezenlijken zijn in de herziene wet enkele belangrijke wijzigingen doorgevoerd. Zo zijn regie en sturing op de Wsw nadrukkelijker in handen gelegd van gemeenten. Gemeenten worden hiermee gestimuleerd een visie te ontwikkelen op welke wijze zij het doel van de wet, het realiseren van aangepaste arbeid die aansluit bij de capaciteten en mogelijkheden van de Wsw-geïndiceerde, het beste kunnen verwezenlijken.

Een tweede verandering heeft betrekking op het geven van meer rechten aan Wsw-geïndiceerden, waaronder het recht op tijdige plaatsing.

In artikel 12 lid 2 van de Wsw is geregeld dat bij verordening regels kunnen worden gesteld over de volgorde waarin ingezetenen die op de wachtlijkst zijn geplaatst, voor een dienstbetrekking in aanmerking kunnen worden gebracht. Bij het ontbreken van een dergelijke verordening geldt de volgorde van de plaatsing op de wachtlijst.

Door deze verordening vast te stellen regelt het Algemeeen Bestuur dat de volgorde van plaatsing zorgvuldig, tijdig en evenwichtig geschiedt.

Bij de vormgeving van het plaatsingsbeleid geldt als uitgangspunten dat:

  • a.

    de gemiddelde wachttijd van de kanddaten op de wachtlijst zoveel mogelijk gelijk is aan de gemiddelde wachttijd van de geplaatste kandidaten;

  • b.

    de gerealiseerde plaatsingen, gelet op het bestand van de wachtlijst, zo evenredig mogelijk zijn verdeeld over de categorieën personen met een lichamelijke, psychische en verstandelijke beperking.

In afwijking van het bovenstaande worden met voorrang geplaatst:

  • a.

    schoolverlaters voor zover zij binnen zes maanden na beëndiging van de opleiding zijn geïndiceerd voor de Wsw;

  • b.

    personen die gebruik maken van de voorranggarantie in de zin van de wet c.a.

Daarnaast is voorrangsruimte gereserveerd voor zogenaamde schrijnende gevallen. Bijzondere omstandigheden van een individuele kandidaat op de wachtlijst kunnen voor het Dagelijks Bestuur bij wijze van uitzondering aanleiding zijn om af te wijken van bovenbeschreven plaatsingsbeleid.

Hierbij moet worden gedacht aan tussen de vijf en tien gevallen per jaar.

Benadrukt wordt dat toepassing van deze verordening op regionale (Brabant Noordoost) schaal en niet per gemeente plaatsvindt. Wel wordt per gemeente gerapporteerde wat de effecten zijn van deze regionale toepassing.

Indien deze regionale toepassing leidt tot onevenredige nadelige effecten voor een individuele gemeente, kan het Dagelijks Bestuur vacatureruimte reserveren om deze nadelige effecten op te heffen.

De toepassing van de verordening wordt jaarlijks door het Algemeen Bestuur geëvalueerd. Die evaluatie kan aanleiding zijn om de verordening aan te passen.