Besluit vergunningsvrije en meldingsplichtige voorwerpen op de openbare plaats of een gedeelte daarvan en daaraan verbonden nadere regels

Geldend van 29-03-2013 t/m 27-07-2021

Intitulé

Besluit vergunningsvrije en meldingsplichtige voorwerpen op de openbare plaats of een gedeelte daarvan en daaraan verbonden nadere regels

Burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg,

overwegende

dat het op grond van artikel 2:10 A, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg (Apv) verboden is zonder voorafgaande vergunning van het college een openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan;

dat het college op grond van artikel 2:10 D eerste lid categorieën van voorwerpen kan aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid van 2:10 A niet geldt;

dat het wenselijk is van deze bevoegdheid gebruik te maken om de administratieve lasten voor burgers en bedrijven te verlagen;

dat het college op grond van artikel 2:10 D tweede lidnadere regels voor de aangewezen categorieën kan vaststellen ter bescherming van belangen als bedoeld in artikel 2:10 A;

dat het wenselijk is van deze bevoegdheid gebruik te maken om de openbare orde en veiligheid verder te waarborgen;

dat het college op grond van artikel 2:10 D derde lid categorieën van voorwerpen kan aanwijzen waarvoor een meldingsplicht geldt;

dat het wenselijk is van deze bevoegdheid gebruik te maken in het kader van openbare orde

en veiligheid en ten behoeve van het opleggen van precariobelasting voor het gebruik maken van openbare grond;

gelet op artikel 2:10 D, eerste, tweede en derde lid van de Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg;

BESLUITEN:

1. aan te wijzen de volgende categorieën van voorwerpen waarvoor geen vergunning nodig is en de categorieën waarvoor een melding nodig is om een openbare plaats of een gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan;

2. vast te stellen de volgende nadere regels voor de aangewezen categorieën van voorwerpen:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • 1.

    uitstalling: een los voorwerp geplaatst voor een pand op een openbare plaats, dat een onmiskenbare relatie heeft met de bedrijfsactiviteiten van de in dat pand gevestigde onderneming, waaronder tevens wordt verstaan:

    • a.

      voorwerpen en stoffen die behoren tot het reguliere assortiment van een winkel;

    • b.

      uitstallingmaterialen;

    • c.

      kleine speelattracties;

    • d.

      reclame-uitingen geplaatst voor een pand op de openbare plaats, die een onmiskenbare relatie hebben met de bedrijfsactiviteiten van de in dat pand gevestigde onderneming;

  • 2.

    bouwobject: (verplaatsbaar) materiaal en/of materieel ten dienste van bouw-, sloop- en onderhoudswerkzaamheden of van de daartoe betrokken personen, zoals bouwborden, steigers, zeecontainers, schaftketen, verhuisliften, pompinstallaties, omrasteringen, mobiele hijskranen, afval- of puincontainers, eco- en/of chemische toiletten;

  • 3.

    bouwplaatsinrichting: meer dan één bouwobject, afgezet door middel van hekken;

  • 4.

    herdenkingsteken: een gedenkteken, ook wel bermmonument genoemd, dat langs de openbare weg wordt opgericht ter herinnering aan een (of meer) dodelijk(e) verkeersslachtoffer(s);

  • 5.

    openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2 Vergunningsvrije voorwerpen

  • 1. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;

  • 2. zonneschermen indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen;

  • 3. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan;

  • 4. uitstallingen, mits de diepte van de uitstalling vanuit de gevel van het bedrijfspand 1,5 meter bedraagt en de uitstalling uitsluitend binnen de breedte van de gevel wordt geplaatst;

  • 5. afval- of puincontainers indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen;

  • 6. eco- en/of chemische toiletten indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen.

Artikel 3 Meldingsplichtige voorwerpen

  • 1. bouwplaatsinrichtingen, mits;

    • a.

      het college tenminste 3 weken voorafgaand aan de plaatsing van de bouwplaatsinrichting of bouwobjecten in kennis wordt gesteld door middel van een (digitaal) meldingsformulier;

    • b.

      mits het geen openbare plaats of gedeelte daarvan in van rijkswege beschermd stads- en dorpsgezicht betreft;

    • c.

      de duur van de ingebruikname van de openbare plaats of gedeelte daarvan aaneensluitend maximaal 3 maanden bedraagt;

    • d.

      er aansluitend aan de periode van plaatsing geen eerdere melding is gedaan.

  • 2. losse bouwobjecten, uitgezonderd losse afval- of puincontainers en losse eco- en/of chemische toiletten, mits;

    • a.

      het college tenminste 3 weken voorafgaand aan de plaatsing van de bouwplaatsinrichting of bouwobjecten in kennis wordt gesteld door middel van een (digitaal) meldingsformulier;

    • b.

      mits het geen openbare plaats of gedeelte daarvan in van rijkswege beschermd stads- en dorpsgezicht betreft;

    • c.

      ingebruikname van de openbare plaats of gedeelte daarvan aaneensluitend maximaal 3 maanden bedraagt;

    • d.

      er aansluitend aan de periode van plaatsing geen eerdere melding is gedaan.

  • 3. herdenkingstekens, mits;

    • a.

      het verkeer niet in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving;

    • b.

      het college tenminste 10 werkdagen voorafgaand aan de plaatsing van het herdenkingsteken in kennis wordt gesteld door middel van een (digitaal) meldingsformulier;

    • c.

      de duur van de ingebruikname van de openbare plaats of gedeelte daarvan aaneensluitend maximaal 1,5 jaar bedraagt;

    • d.

      er aansluitend aan de periode van plaatsing geen eerdere melding is gedaan;

    • e.

      het plaatsen geschiedt door of met toestemming van een nabestaande.

Artikel 4 Algemene regels

  • 1. Het voorwerp brengt door de omvang of vormgeving, constructie, plaats van bevestiging of het beoogde gebruik geen schade toe aan de openbare plaats of gedeelte daarvan;

  • 2. Het voorwerp of het beoogde gebruik daarvan levert geen gevaar op voor de bruikbaarheid of het doelmatig en veilig gebruik van de openbare plaats en vormt geen belemmering voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats of gedeelte daarvan;

  • 3. Het voorwerp of het beoogde gebruik daarvan levert geen overlast op voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken;

  • 4. Het voorwerp of het beoogde gebruik daarvan levert geen risico op voor de openbare orde, veiligheid, het milieu of de volksgezondheid;

  • 5. Er is altijd een vrije en onbelemmerde doorgang in een rechtdoorgaande lijn van minimaal 4,50 meter breed met een vrije hoogte van tenminste 4,20 meter aanwezig ten behoeve van hulpdiensten;

  • 6. Op een voetpad is een vrije doorgang van ten minste 1,5 meter breed, in een zoveel mogelijk rechtdoorgaande lijn, gewaarborgd voor voetgangers en mensen met een fysieke beperking, zoals bijvoorbeeld rolstoel- en rollator gebruikers;

  • 7. Rondom een (ondergrondse) brandkraan en/of andere bluswatervoorzieningen dient te allen tijde een straal van 2,00 meter werkruimte te worden vrijgehouden;

  • 8. Voorwerpen mogen niet worden geplaatst of geplaatst worden gehouden, indien deze een belemmering vormen voor aan, onder, op of boven de openbare plaats of gedeelte daarvan te verrichten (onderhoud)werkzaamheden, evenementen, markten, kermissen, andere festiviteiten en/of gebeurtenissen van algemeen belang;

  • 9. Beschadigingen en/of vervuiling van gemeentelijke eigendommen die is ontstaan als gevolg van het object zal door de gemeente voor rekening van de initiatiefnemer worden hersteld;

  • 10. Door of namens het bestuursorgaan gegeven aanwijzingen in het kader van het algemene belang, de openbare orde of veiligheid dienen strikt te worden opgevolgd. Deze aanwijzingen kunnen onder ander betrekking hebben op het geheel of gedeeltelijk verplaatsen dan wel verwijderen van de geplaatste objecten zonder dat de initiatiefnemer aanspraak kan maken op schadevergoeding;

  • 11. Er wordt tevens voldaan aan de bijzondere regels, zoals bepaald in de navolgende artikelen 5 tot en met artikel 9 van dit besluit.

Artikel 5 Bijzondere regels voor het plaatsen van zonneschermen

Het is toegestaan zonneschermen te plaatsen indien wordt voldaan aan de algemene regels van artikel 4 en aan de volgende bijzondere regels:

  • 1.

    zonneschermen mogen uitsluitend aanwezig zijn op de voor voetgangers bestemde delen van de openbare plaats of gedeelte daarvan;

  • 2.

    geen onderdeel van het zonnescherm verder dan 1,5 meter buiten de opstaande gevel reikt;

  • 3.

    geen onderdeel van het zonnescherm zich op minder dan 2,2 meter boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de openbare plaats of gedeelte daarvan bevindt;

  • 4.

    geen onderdeel van het zonnescherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de openbare plaats of gedeelte daarvan bevindt.

Artikel 6 Bijzondere regels voor het plaatsen voorwerpen of stoffen ivm laden en lossen

Het is toegestaan voorwerpen of stoffen in verband met laden en lossen te plaatsen indien wordt voldaan aan de algemene regels van artikel 4 en aan de volgende bijzondere regel: Degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten, zorgt ervoor dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare plaats of gedeelte daarvan verwijderd zijn en de de openbare plaats of gedeelte daarvan gereinigd is.

Artikel 7 Bijzondere regels voor het plaatsen van uitstallingen

Het is toegestaan uitstallingen te plaatsen indien wordt voldaan aan de algemene regels van artikel 4 en aan de volgende bijzondere regels:

  • 1.

    de uitstalling mag uitsluitend aanwezig zijn ter hoogte van de eigen onderneming op de voor voetgangers bestemde delen van de openbare plaats of gedeelte daarvan tot 1,5 meter uit de gevel.

  • 2.

    de uitstalling enkel aanwezig is op de openbare plaats of gedeelte daarvan op tijden dat de in dat pand gevestigde onderneming voor het publiek geopend is;

  • 3.

    de uitstalling uitsluitend en zodanig ter breedte van de gevel van het bedrijfspand van de eigen onderneming wordt geplaatst dat nooduitgangen van de eigen onderneming en die van in de nabijheid gelegen onroerende zaken, onbelemmerd te gebruiken zijn;

  • 4.

    de initiatiefnemer zorgt voor een schoon en ordelijk aanzien van de uitstalling en voor het schoonhouden van de openbare plaats of gedeelte daarvan, alsmede de directe omgeving daarvan.

Artikel 8 Bijzondere regels voor het plaatsen van een bouwplaatsinrichting of bouwobjecten

Het is toegestaan bouwplaatsinrichting of bouwobjecten te plaatsen indien wordt voldaan aan de algemene regels van artikel 4 en aan de volgende bijzondere regels:

  • 1.

    straatkolken, rioolputten, brandkranen of enigerlei andere afsluitingen die behoren tot een openbare nutsvoorziening worden niet geopend, onzichtbaar gemaakt of afgedekt;

  • 2.

    aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de openbare plaats of gedeelte daarvan wordt geen prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aangebracht of gehangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de openbare plaats of gedeelte daarvan;

  • 3.

    het object is deugdelijk beveiligd tegen neervallen op de openbare plaats of gedeelte daarvan;

  • 4.

    op de kopse kanten van de objecten in de richting van het verkeer dienen retroreflecterende platen geplaatst te worden om het verkeer hierop attent te maken;

  • 5.

    (elektrische) draden en kabels moeten zodanig worden aangepast dat het publiek daarmee niet in aanraking kan komen. (Elektrische) draden en kabels dienen te worden vastgezet;

  • 6.

    de afstand van de voorwerpen tot de gevel van een gebouw, opgeslagen goederen of een bossage dient te zijn:

    a) minimaal 15,00 meter indien het een houten of plastic container of bouwkeet betreft;

    b) minimaal 15,00 meter indien de inhoud (brand)gevaarlijke stoffen bevat;

    c) minimaal 7,50 meter indien het een stalen, doch open container of bouwkeet betreft;

    d) minimaal 5,00 meter indien het een gesloten container of bouwkeet betreft;

  • 7.

    de voorwerpen dienen zodanig te worden beheerd dat vandalisme en brandstichting tot een minimum worden beperkt;

  • 8.

    afvalstoffen, stoffen en losse voorwerpen dienen zodanig te worden beheerd en opgeslagen te zijn dat verspreiding buiten de bouwplaats c.q. het afgezette terrein niet mogelijk is;

  • 9.

    na afloop van de plaatsingperiode dient de openbare plaats of gedeelte daarvan in ordentelijke staat te worden opgeleverd;

  • 10.

    ingebruikname van de openbare plaats of gedeelte daarvan door de bouwplaatsinrichting of bouwobjecten kan voor een periode van maximaal 3 maanden, gerekend vanaf het moment van ingebruikname;

  • 11.

    de aanvang van de werkzaamheden dient tenminste 3 weken van te voren (digitaal) gemeld te worden;

  • 12.

    op de dag van beëindiging van de werkzaamheden dient hiervan (digitale) melding te worden gedaan.

Artikel 9 Bijzondere regels voor het plaatsen van herdenkingstekens

Het is toegestaan herdenkingstekens te plaatsen indien wordt voldaan aan de algemene regels van artikel 4 en aan de volgende bijzondere regels:

  • 1.

    een verzoek voor het plaatsen van een herdenkingsteken gedaan door een niet-nabestaande, behoeft schriftelijke instemming van de nabestaande(n);

  • 2.

    met het oog op verkeersveiligheid dient het herdenkingsteken van lichtabsorberend materiaal te zijn gemaakt;

  • 3.

    met het oog op verkeersveiligheid dient het herdenkingsteken enkel niet felle, niet in het oog springende kleuren, te bevatten;

  • 4.

    met het oog op verkeersveiligheid dient het herdenkingsteken bescheiden afmetingen te hebben, binnen de marge van 60 cm bij 60 cm;

  • 5.

    het herdenkingsteken moet sober zijn, maar mag niet het karakter van een graf hebben;

  • 6.

    het herdenkingsteken mag geen scherpe of gevaarlijke vormen hebben;

  • 7.

    de kosten voor aanschaf, plaatsen, beheer en verwijdering komen voor rekening van de initiatiefnemer;

  • 8.

    ingebruikname van de openbare plaats of gedeelte daarvan door het herdenkingsteken kan voor een periode van maximaal 1,5 jaar, gerekend vanaf het moment van ingebruikname;

  • 9.

    het plaatsen van het herdenkingsteken dient tenminste 10 werkdagen van te voren (digitaal) gemeld te worden;

  • 10.

    de initiatiefnemer dient na de toegestane termijn het herdenkingsteken te verwijderen;

  • 11.

    op de dag van verwijdering van het herdenkingsteken dient hiervan (digitale) melding te worden gedaan.

Artikel 10 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

Artikel 11 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: “Besluit vergunningsvrije en meldingsplichtige voorwerpen op de openbare plaats of een gedeelte daarvan en daaraan verbonden nadere regels”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van 1 november 2011 .
G. BrinkmanMBA, drs. J.W. van der Sluijs
secretaris, burgemeester