Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (APV)

Geldend van 01-07-2017 t/m 30-09-2017

Intitulé

Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:

a.

Weg:

1.

de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

2.

de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;

3.

de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;

4.

andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.

5.

van de weg zoals bedoeld in sub a, onder 1 tot en met 4, maakt deel uit de daartoe behorende ondergrond.

b.

Openbaar water:

alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.

c.

Rechthebbende:

eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.

d.

Voertuigen:

alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al, van het Reglementverkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:

1.

treinen en trams;

2.

kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.

e.

Vaartuigen:

alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten.

f.

Bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

g.

Gebouw:

elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

h.

Vee:

dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II, behorend bij artikel 55 van de Meststoffenwet.

i.

Handelsreclame:

iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.

j.

Leiding:

een buis of kabel, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, met alle daarbij behorende voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, afsluiters, brandkranen, kasten.

k.

Winkeluitstalling:

voorwerpen op de weg (met uitzondering van terras) bedoeld om producten of diensten, dan wel het bedrijf zelf onder de aandacht te brengen.

l.

Trottoir:​

een verhoogd of afgescheiden deel van de weg dat is bedoeld voor gebruik door voetgangers.

m.

Voetgangersgebied:

een zone met G7 RVV borden.

n.

Terras:

voorwerpen op de weg waarmee sta- of zitgelegenheid wordt geboden ten behoeve van het tegen vergoeding schenken van dranken of verstrekken van spijzen voor directe consumptie, en de daarbij behorende terraselementen;

o.

Terraselement:

terrasschotten, stoelen, tafels, bloembakken, aankondigingsborden, reclameborden, banken, picknicktafels, parasols e.d.​

p.

Terrasafscheiding:

ieder terraselement dat feitelijk dient om de grens van het terras ten opzichte van de omliggende openbare weg te markeren, hieronder worden in ieder geval verstaan: terrasschotten, bloembakken, banken, e.d.

Artikel 1:2 Beslistermijn

  • 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  • 2. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

Artikel 1:3 vervallen

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

  • 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning , ontheffing of instemming kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning , ontheffing of instemming is vereist.

  • 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning , ontheffing of instemming is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning , ontheffing of instemming

De vergunning , ontheffing of instemming kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning , ontheffing of instemming , moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning , ontheffing of instemming is vereist;

  • c.

    indien de aan de vergunning , ontheffing of instemming verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    indien van de vergunning , ontheffing of instemming geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn,

    binnen een redelijke termijn;

  • e.

    indien de houder dit verzoekt.

  • f.

    indien de houder of een persoon wiens gedraging aan hem kan worden toegerekend handelt in strijd met artikel 6:2A van deze verordening of 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1:7

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening:

  • -.

    Artikel 2:9: Ontheffing van het verbod optreden als straatartiest;

  • -.

    Artikel 2:10: Vergunning voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg;

  • -.

    Artikel 2:11: Instemming voor het aanleggen, beschadigen, opbreken en veranderen van een weg;

  • -.

    Artikel 2:10A.: Leidingen;

  • -.

    Artikel 2:30: Ontheffing van sluitingstijden horeca;

  • -.

    Artikel 2:38B.: Ontheffing van het verbod inzake (nacht)verblijf aan de weg;

  • -.

    Artikel 2:63.:Ontheffing van het verbod op het uitvliegen van duiven;

  • -.

    Artikel 2:72: Vergunning ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk;

  • -.

    Artikel 4:6: Ontheffing van het verbod inzake overige geluidhinder;

  • -.

    Artikel 5:2: Ontheffing van het verbod inzake parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.;

  • -.

    Artikel 5:6: Ontheffing van het verbod inzake parkeren caravans e.d.;

  • -.

    Artikel 5:7: Ontheffing van het verbod inzake parkeren reclamevoertuigen;

  • -.

    Artikel 5:8: Ontheffing van het verbod inzake parkeren grote voertuigen;

  • -.

    Artikel 5:42: Ontheffing van het verbod inzake rijden op het strand.

Artikel 1:8

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:

  • -.

    Artikel 2:25 Vergunning evenementen;

  • -.

    Artikel 2:28 Exploitatievergunning horeca;

  • -.

    Artikel 2:39: Exploitatievergunning speelautomatenhal;

  • -.

    Artikel 3:4: Vergunning seksbedrijven

Artikel 1:9 Weigeringsgronden

  • 1. Een vergunning, ontheffing of instemming kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

    Indien van de weigeringsgrond in dit lid gebruik wordt gemaakt, wordt dit besluit spoedig aan de aanvrager bekend gemaakt.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan een instemming voor een aanvraag als bedoeld in artikel 2:10A., zesde lid, onder b en artikel 2:11, vijfde lid, onder b worden geweigerd, als de aanvraag daarvoor minder dan drie werkdagen voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

    Indien van de weigeringsgrond in dit lid gebruik wordt gemaakt, wordt dit besluit spoedig aan de aanvrager bekend gemaakt.

Deel

Hoofdstuk 2 Openbare orde

Afdeling 1: Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
  • 1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  • 2. Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3. Het is verboden om, wanneer een voorval, gebeurtenis of samenscholing als bedoeld in het tweede lid plaatsvindt, tezamen met anderen zich in de richting daarvan te begeven als daarbij voorwerpen worden medegevoerd, die plegen te worden gebruikt of geschikt zijn om te worden gebruikt bij wanordelijkheden, zoals een ketting, knuppel, helm of bivakmuts.

  • 4. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  • 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  • 6. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Afdeling 2: Betoging

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen en vergaderingen op openbare plaatsen
  • 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 1 Wet openbare manifestaties, een betoging of vergadering te houden, als bedoeld in de artikelen 3 en 4 Wet openbare manifestaties, moet vóór de openbare aankondiging van deze vergadering of betoging en tenminste 4 x 24 uur voordat deze zal worden gehouden, de burgemeester hiervan schriftelijk kennis geven.

  • 2. Indien aard of omvang van de betoging of vergadering zulks rechtvaardigen, kan de burgemeester de termijn van 4 x 24 uur bekorten.

  • 3. De kennisgeving ( Zie bijgevoegde kennisgeving ) moet tenminste bevatten:

    • a.

      naam, adres en telefoonnummer (en zo mogelijk) faxnummer en e-mailadres van de organisator en kennisgever van de vergadering of betoging;

    • b.

      doel van de vergadering of betoging;

    • c.

      datum waarop de vergadering of betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging;

    • d.

      de plaats en, voorzover van toepassing, de gewenste route en de plaats van beëindiging;

    • e.

      het aantal te verwachten deelnemers en de wijze van samenstelling van de vergadering of betoging;

    • f.

      de middelen van vervoer van de deelnemers aan de vergadering of betoging;

    • g.

      door de organisatie zelf te nemen maatregelen om een ordelijk verloop van de vergadering of betoging te bevorderen.

  • 4. Op de kennisgeving wordt door het Regiokorps Politie Haaglanden de datum en het tijdstip van inlevering vermeld en een kopie daarvan wordt terstond overhandigd of toegezonden aan degene, die de kennisgeving heeft gedaan.

  • 5. Zo mogelijk na mondeling overleg met degene, die de kennisgeving heeft gedaan, wordt hem zo spoedig mogelijk schriftelijk de volgende stukken toegezonden:

    • a.

      de algemene voorschriften van de burgemeester op grond van de wet;

    • b.

      eventuele met de organisator gemaakte afspraken over een ordelijk verloop en eventuele door de burgemeester gestelde voorschriften of beperkingen.

Afdeling 3: Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
  • 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.

  • 2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  • 3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Afdeling 4: Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2:8 Dienstverlening

vervallen

Artikel 2:9 Straatartiest en muziek
  • 1. Het is verboden, op door de Burgemeester aangewezen wegen en tijden ( Zie uitvoeringsbesluit ) op of aan de weg als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen.

  • 2. Op andere dan de in het eerste lid vermelde plaatsen, is het verboden, zonder vergunning van de burgemeester als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen.

  • 3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing mits degene die voornemens is deze activiteiten te verrichten voor aanvang daarvan naam en adres heeft opgegeven bij het politiebureau waar de plaats van uitvoering onder ressorteert, indien

    • a.

      met ten hoogste drie personen wordt opgetreden;

    • b.

      er geen draaiorgels, geluidversterkende apparatuur of slaginstrumenten, zoals trommels, bongo’s en dergelijke, worden gebruikt;

    • c.

      de activiteiten niet langer duren dan een half uur;

    • d.

      de activiteiten slechts worden verricht tussen 08.00 en 21.00 uur en op zondag tussen 13.00 en 21.00 uur.

  • 4. Indien op grond van dit artikel een vergunning is vereist, kan de burgemeester te dien aanzien de belangen in aanmerking nemen die zijn bedoeld in artikel 2:25, zesde lid.

Afdeling 5: Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg
  • 1. Het is verboden zonder vergunning of instemming van het college van burgemeester en wethouders een voorwerp op, in, over of boven de weg te plaatsen, aan te brengen of te hebben, of de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      aan gebouwen bevestigde, niet voor commerciële doeleinden gebruikte vlaggen, wimpels, vlaggenstokken en dergelijke, voor zover deze voorwerpen zo zijn aangebracht, dat zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen;

    • b.

      zonneschermen, mits aangebracht boven een trottoir en voldoen aan de voorwaarden:

      • 1.

        dat geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven het trottoir of minder dan 0,5 meter binnen de buitenkant daarvan bevindt;

      • 2.

        dat geen onderdeel verder dan 1,4 meter buiten de opgaande gevel reikt;

    • c.

      voorwerpen, met uitzondering van tenten, die gedurende korte tijd op de weg worden geplaatst en daar geen gevaar of hinder opleveren voor personen of goederen;

    • d.

      voertuigen, met uitzondering van:

      • -

        voertuigen die onderdeel uitmaken van het bouwverkeer of worden gebruikt bij bouwactiviteiten;

      • -

        fietsen, bromfietsen of motorfietsen die op de weg worden geplaatst met het kennelijk doel om deze te koop aan te bieden of te verhandelen.

    • e.

      winkeluitstallingen, mits die voldoen aan de volgende voorwaarden:

      • 1.

        de uitstalling is slechts gedurende de openingstijden gesitueerd op het gedeelte van het trottoir/voetgangersgebied dat direct aan, en slechts voor, de gevel is gelegen van het pand van de ondernemer en is niet dieper dan 80 cm en niet hoger dan 2,00 m, en;

      • 2.

        a. op het trottoir blijft een obstakelvrije doorgang over van minimaal 1,50 m,

        b. in het geval van een voetgangersgebied blijft een obstakelvrije doorgang over van minimaal 3,50 m, en;

      • 3.

        de uitstalling is niet verankerd in de bestrating en levert geen hinder op voor de omgeving en de gebruiksmogelijkheden van de weg, en;

      • 4.

        de uitstalling maakt geen inbreuk op doelmatig beheer en onderhoud van het trottoir/voetgangersgebied en brengt geen schade toe aan het trottoir/voetgangersgebied, en;

      • 5.

        in de Vlamingstraat, Spuistraat of Venestraat, wordt de uitstalling niet geplaatst gedurende koopavonden, op zaterdagen en zondagen.

    • f.

      terrassen geplaatst op trottoirs en direct aan of voor de gevel van het bij behorende bedrijfspand van waaruit het terras wordt geëxploiteerd, waarbij het terras maximaal de helft van het trottoir mag innemen en er op het trottoir altijd een obstakelvrije doorgang overblijft van minimaal 1,50 m in een rechte lijn, zijn vergunningsvrij, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

      • 1.

        vóór aanvang van de voorgenomen plaatsing, of wijziging van de in gebruik genomen ruimte voor het terras op de weg moet aan het college van burgemeester en wethouder melding worden gedaan van deze plaatsing, of wijziging met het daarvoor door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde meldingsformulier, en;

      • 2.

        het terras dient te voldoen aan de richtlijnen die door het college van burgemeester en wethouders bij nader besluit zijn vastgesteld.

    • g.

      kleine voorwerpen met een publieke functie, die door burgemeester en wethouders bij nader besluit zijn aangewezen;

    • h.

      - vervallen -

    • i.

      voorwerpen geplaatst voor werkzaamheden en voorwerpen geplaatst ten behoeve van bouwwerkzaamheden, mits dit vooraf is gemeld bij het college van burgemeester en wethouders met het vastgestelde meldingsformulier (formulier C) en de voorwerpen:

      • -

        geen gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of het doelmatig en veilig gebruik daarvan, en

      • -

        de voorwerpen niet langer dan 60 uur op de weg worden geplaatst.

    • j.

      voorwerpen in winkelportieken, voorzover deze voorwerpen ten dienste staan van de aan het portiek gelegen winkel(s) en voorzover deze voorwerpen geen hinder voor de omgeving opleveren;

    • k.

      voorwerpen in door burgemeester en wethouders aangewezen winkelpassages, voorzover deze voorwerpen ten dienste staan van in de passage gelegen winkels.

  • 3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd, indien tegen de verlening daarvan overwegend bezwaar bestaat uit een oogpunt van:

    • -.

      doelmatig beheer en onderhoud van de weg, daaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling van gebruiksmogelijkheden van de weg;

    • -.

      bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, tenzij het betreffende voorwerp op grond van de Woningwet dient te worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand;

    • -.

      schade die door het gebruik aan de weg wordt toegebracht, of;

    • -.

      te verwachten hinder voor de omgeving als gevolg van het gebruik van de weg ten behoeve waarvan de vergunning wordt gevraagd, tenzij daarop regels bij of krachtens de Wet milieubeheer of het bepaalde in de artikelen 2:27 t/m 2:29 en artikel 4:6 van toepassing is.

  • 4. De aanvrager van een vergunning is verplicht daarvoor gebruik te maken van een door het college van burgemeester en wethouders voor bepaalde categorieën van voorwerpen vastgesteld aanvraagformulier (formulier A).

  • 5. Een aanvraag om vergunning wordt eerst in behandeling genomen, nadat de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde stukken zijn overgelegd conform de door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde richtlijnen (formulier B).

  • 6. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen voor de handelingen als bedoeld in het eerste lid. Deze nadere regels strekken ter bescherming van de belangen als genoemd in het derde lid. In deze nadere regels kan voor bepaalde categorieën van voorwerpen worden bepaald dat de uitzondering als genoemd in het tweede lid onder j. of k. niet van toepassing is.

Artikel 2:10A. Leidingen
  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10, eerste lid, en onverminderd het bepaalde in artikel 2:11, eerste lid, is het verboden om zonder voorafgaande instemming van burgemeester en wethouders een leiding op, aan, in, boven of onder de weg te leggen, te hebben liggen of in enig opzicht te wijzigen.

  • 2. De aanvraag voor de vereiste instemming dient bij het leggen, hebben liggen of in enig opzicht te wijzigen van huisaansluitingen van leidingen, waarvan de lengte niet langer is dan 55 meter, ten minste drie werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden door het college te zijn ontvangen. In alle overige gevallen geldt een termijn van acht weken.

  • 3. De aanvraag om instemming dient te geschieden door de eigenaar van de leiding.

  • 4. Het college van burgemeester en wethouders stelt voor de aanvraag om instemming een formulier en voorwaarden vast waaraan de aanvraag om instemming voor het leggen, hebben liggen of in enig opzicht wijzigen van leidingen dient te voldoen.

  • 5. Het college van burgemeester en wethouders stelt voor het leggen, hebben liggen of in enig opzicht wijzigen van leidingen nadere regels vast.

  • 6. Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag:

    • a.

      om instemming voor het leggen, hebben liggen of in enig opzicht wijzigen van een leiding binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag;

    • b.

      om instemming voor het leggen, hebben liggen of in enig opzicht wijzigen van een huisaansluiting van een leiding, waarvan de lengte niet langer is dan 55 meter, binnen drie werkdagen na ontvangst van de aanvraag.

  • 7. vervallen

  • 8. Een van rechtswege verleende instemming kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of gewijzigd, indien het aanvraagformulier onjuiste gegevens bevat of indien de werkzaamheden onvoorziene en ontoelaatbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben of dreigen te hebben en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid onder b, geen oplossing biedt.

  • 9. Een verleende instemming kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of gewijzigd indien:

    • a.

      de werkzaamheden ontoelaatbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben of dreigen te hebben en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid, onder b, geen redelijke oplossing biedt;

    • b.

      dit noodzakelijk is voor de uitvoering van werkzaamheden van de gemeente of derden;

  • 10. In spoedeisende gevallen kan, als de betrokken belangen dit vereisen:

    • a.

      de eigenaar van de leiding mondeling instemming vragen, en kan het college mondeling instemming verlenen;

    • b.

      het college van burgemeester en wethouders alsmede de in artikel 6:2 bedoelde toezichthouder de eigenaar van de leiding mondelinge of schriftelijke aanwijzingen geven, die terstond dienen te worden opgevolgd;

    • c.

      het college van burgemeester en wethouders haar instemming mondeling wijzigen of intrekken.

      Een mondelinge beslissing wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de eigenaar toegezonden.

  • 11. Het is verboden:

    • a.

      af te wijken van de nadere regels als bedoeld in het vijfde lid;

    • b.

      niet of niet onmiddellijk te voldoen aan de aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid onder b.

  • 12. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      voor het Rijk bij het uitvoeren van zijn of haar publiekrechtelijke taak;

    • b.

      op een bovengrondse hoogspanningskabel;

    • c.

      voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening, de Elektriciteitswet 1998 of de Gaswet.

  • 13. De in het eerste lid bedoelde instemming is zaaksgebonden. De eigenaar van de leiding dient een overdracht van de leiding binnen twee weken te melden aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 14. De eigenaar die leidingen voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit artikel op, aan, in, boven of onder de weg heeft gelegd, heeft liggen of in enig opzicht heeft gewijzigd, wordt geacht daarvoor instemming te hebben verkregen van het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 2:10B.

[vervallen]

Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen, opbreken en veranderen van een weg
  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:83 is het verboden om zonder voorafgaande instemming van het college van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, of handelingen te verrichten die de gebruiksmogelijkheden van de weg beperken.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het eerste lid ten behoeve van huisaansluitingen voor nutsvoorzieningen (telefoon, kabeltelevisie, gas, water, elektra, riool, stadsverwarming), voor zover die geen belemmerende invloed hebben op de doorstroming van verkeer, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg, of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  • 3. De aanvraag om instemming dient te geschieden door degene die opdracht geeft tot het uitvoeren van de handelingen.

  • 4. Het college van burgemeester en wethouders kan voor de handelingen als bedoeld in het eerste lid nadere regels vaststellen.

  • 5. Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag:

    • a.

      om instemming voor handelingen als bedoeld in het eerste lid, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag;

    • b.

      om instemming voor handelingen als bedoeld in het eerste lid die maximaal een oppervlakte van 25 m2 beslaan en niet langer dan 60 uur duren, mits van niet ingrijpende aard, welke, gelet op de veiligheid en doelmatigheid van de weg, niet tot hinder leiden voor motorrijtuigen, bromfietsen, fietsen en trams binnen drie werkdagen na ontvangst van de aanvraag.

  • 6. vervallen

  • 7. Het college van burgemeester en wethouders kan haar instemming weigeren:

    • a.

      indien de handeling als bedoeld in het eerste lid schade toebrengt aan de weg, een belemmerende invloed heeft op de doorstroming van verkeer, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg, of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • b.

      indien de handeling hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan de eisen van redelijke welstand;

    • c.

      in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

  • 8. De weigeringsgronden van het zevende lid, onder a, gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. De weigeringsgronden van het zevende lid, onder b, gelden niet voor bouwwerken. De weigeringsgronden van het zevende lid, onder c, gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  • 9. Een verleende instemming kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of gewijzigd indien:

    • a.

      de handelingen als bedoeld in het eerste lid ontoelaatbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben of dreigen te hebben en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid, onder b, geen redelijke oplossing biedt.

    • b.

      dit noodzakelijk is voor de uitvoering van werkzaamheden van de gemeente of derden.

  • 10. In spoedeisende gevallen kan, als de betrokken belangen dit vereisen:

    • a.

      de opdrachtgever van de handelingen als bedoeld in het eerste lid mondeling instemming vragen, en kan het college mondeling instemming verlenen;

    • b.

      het college van burgemeester en wethouders alsmede de in artikel 6:2 bedoelde toezichthouder de opdrachtgever en opdrachtnemer van de handelingen als bedoeld in het eerste lid mondelinge of schriftelijke aanwijzingen geven, die terstond dienen te worden opgevolgd;

    • c.

      het college van burgemeester en wethouders haar instemming mondeling wijzigen of intrekken.

  • 11. Een mondelinge beslissing wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de opdrachtgever toegezonden.

  • 12. Het is verboden:

    • a.

      af te wijken van de nadere regels als bedoeld in het vierde lid;

    • b.

      niet of niet onmiddellijk te voldoen aan de aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid onder b.

  • 13. De verplichtingen en de verboden in dit artikel gelden niet:

    • a.

      voor het Rijk bij het uitvoeren van zijn of haar publiekrechtelijke taak;

    • b.

      voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening, de Elektriciteitswet 1998 of de Gaswet.

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college:

    • a.

      een uitweg te maken naar de weg;

    • b.

      van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    • c.

      verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 3. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.

Afdeling 6: Veiligheid op de weg

Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid
  • 1. Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeers-wet 1994.

Artikel 2:14 Winkelwagentjes
  • 1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  • 3. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.

  • 4. Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.
  • 1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
  • 1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.

  • 2. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
  • 1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

  • 2. Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn
  • 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  • 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer; daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    • b.

      bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 2:23A Beweegbare bruggen

Het is verboden zonder daartoe bevoegd te zijn:

  • a.

    zich op een beweegbare brug te begeven of te bevinden, wanneer de toegang is of wordt afgesloten;

  • b.

    een afsluiting van een beweegbare brug te openen.

Afdeling 7: Toezicht op evenementen en sportwedstrijden

Artikel 2:24 Begripsomschrijving evenement
  • 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    • a.

      bioscoopvoorstellingen;

    • b.

      markten als bedoel in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    • c.

      kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    • d.

      het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

    • e.

      betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    • f.

      activiteiten als bedoeld in artikel 2:8, 2:9 en de Verordening op de kansspelen;

    • g.

      sportwedstrijden als bedoeld in artikel 2:25B..

  • 2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    • a.

      een herdenkingsplechtigheid;

    • b.

      vervallen;

    • c.

      een optocht niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3, op de weg;

    • d.

      een feest of een wedstrijd op of aan de weg.

  • 3. evenemententerrein: de ruimte die in de evenementenvergunning is aangegeven om de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daarnaar te kijken en/of er aan deel te nemen.

  • 4. grote evenementen: evenementen waarbij naar het oordeel van de burgemeester meer dan 25.000 bezoekers worden verwacht en regelmatig terugkerende evenementen die door de burgemeester als zodanig worden aangemerkt.

Artikel 2:25 Vergunningplicht evenement
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te houden.

  • 2. Het verbod genoemd in lid 1 geldt niet voor ééndaagse evenementen, mits:

    • a.

      het evenement een straatfeest, buurtbarbeque of kleinschalige activiteit in de open lucht betreft;

    • b.

      het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 250;

    • c.

      het evenement tussen 10.00 en 23.00 plaatsvindt;

    • d.

      er geen samenloop is met andere evenementen in de wijk;

    • e.

      het evenement geen of een zeer geringe beperking van het gebruik van de openbare weg veroorzaakt, en het derhalve niet noodzakelijk is om één of meerdere verkeers-maatregel(en) te treffen;

    • f.

      er te allen tijde een rijloper van minimaal 3.50 meter beschikbaar blijft ten behoeve van de hulpdiensten;

    • g.

      er enkel gecertificeerde objecten van een geringe constructie worden geplaatst, bijv. een kleine partytent, springkussen, barbecue etc.;

    • h.

      er geen samenloop is met wegopbrekingen en/of de hoofdroutes van de hulpdiensten.

  • 3 . Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten, die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, is tijdens de duur van het evenement geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid.

  • 4 . Op een evenemententerrein mogen geen activiteiten plaatsvinden, die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, tenzij die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid.

  • 5 . Tenzij de burgemeester anders bepaalt, geldt het verbod in het vierde lid niet voor activiteiten, waarvan aannemelijk is dat zij krachtens een voor onbepaalde tijd of voor een periode langer dan drie maanden verleende vergunning ook op het evenemententerrein zouden plaatsvinden, als daar geen evenement gehouden zou worden.

  • 6 . De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen;

    • d.

      de zedelijkheid of gezondheid.

  • 7 . Bij de toepassing van de in het zesde lid genoemde weigeringsgronden kan de burgemeester in aanmerking nemen:

    • a.

      of er behoefte bestaat aan het evenement waarvoor vergunning wordt gevraagd;

    • b.

      de mate waarin door het evenement beslag gelegd wordt op ruimte, tijd en hulpdiensten;

    • c.

      het aantal bezoekers dat verwacht wordt;

    • d.

      of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie;

    • e.

      of gevaar bestaat voor wanordelijkheden;

    • f.

      of gevaar bestaat voor ernstige belemmeringen voor het verkeer;

    • g.

      of gevaar bestaat voor onaanvaardbare belasting voor de omgeving als gevolg van het plaatsvinden van het evenement.

Artikel 2:25A. Aanvraag om vergunning
  • 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, dient door degene die voornemens is een evenement te organiseren, te worden aangevraagd door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  • 2. De organisator van het evenement als bedoeld in artikel 2:25, tweede lid, stelt de burgemeester ten minste vier weken voorafgaand aan het evenement van het houden daarvan in kennis. Hij maakt hierbij tevens gebruik van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Indien de aanvrager binnen twee weken na de schriftelijke ontvangstbevestiging geen respons ontvangt van de gemeente, is de evenementenmelding akkoord.

  • 3 . In afwijking van het bepaalde in artikel 1:3 moet een aanvraag om vergunning als bedoeld artikel 2:25, eerste lid uiterlijk acht weken voor de datum van het evenement worden ingediend, tenzij het om een groot evenement gaat. In dat laatste geval moet de aanvraag uiterlijk achttien weken voor de datum van het evenement worden ingediend.

  • 4 . In bijzondere gevallen kan de burgemeester bij een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid ontheffing verlenen van de eis dat de aanvraag binnen de in het derde lid gestelde termijnen ingediend moet zijn.

  • 5 . De burgemeester maakt uiterlijk op 1 oktober bekend, welke grote evenementen in het volgend jaar mogen worden verwacht en voor welke ingediende en/of nog in te dienen aanvragen om vergunning voor grote evenementen, de burgemeester behoudens gewijzigde omstandigheden, voornemens is vergunning te verlenen. De burgemeester stelt daarvoor het Overzicht grote evenementen vast, nadat terzake burgemeester en wethouders en de betreffende raadscommissie(s) zijn gehoord. Indien de burgemeester na de vaststelling van het Overzicht voornemens is om het Overzicht te wijzigen en/of indien de burgemeester voornemens is vergunning te verlenen voor een groot evenement, dat niet in het Overzicht voorkomt, handelt de burgemeester overeenkomstig het bepaalde in de vorige volzin

  • 6 . Op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, die betrekking heeft op een groot evenement als bedoeld in artikel 2:24, vierde lid, besluit de burgemeester uiterlijk vier weken voor de datum van het evenement.

Artikel 2:25B Sportwedstrijden
  • 1. De organisator van een sportwedstrijd, als omschreven in de bij deze verordening behorendelijst ( Zie bijgevoegde lijst ) , moet ten minste dertig dagen vóór de wedstrijddatum, de burgemeester van zijn voornemen tot het houden van de wedstrijd schriftelijk kennis geven.

  • 2. Als een kennisgeving, gelet op het tijdstip, waarop de wedstrijddatum wordt vastgesteld, niet dertig dagen tevoren kan worden gedaan, geeft de organisator hiervan kennis aan de burgemeester uiterlijk zeven dagen vóór de wedstrijddatum.

  • 3. De burgemeester stelt een formulier vast voor het doen van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.

  • 4. De voorgeschreven kennisgeving is gedaan, zodra het in het derde lid bedoelde formuliervolledig en naar waarheid ingevuld, tijdig ingeleverd is ter plaatse als op dat formulier aangegeven en het in het vijfde lid bedoelde bewijs van ontvangst uitgereikt is.

  • 5. Degene, die de kennisgeving inlevert, ontvangt daarvan een bewijs, waarin het tijdstip van inlevering vermeld is.

  • 6. Een kennisgeving kan meerdere wedstrijden betreffen.

  • 7. Al dan niet in verband met de bij de kennisgeving verstrekte gegevens kan de burgemeester voorschriften geven ter beveiliging van personen en goederen, en ter voorkoming van wanordelijkheden, ernstige verkeersbelemmeringen of ernstige hinder voor toeschouwers of derden.

  • 8. Als de burgemeester van oordeel is, dat naar redelijke verwachting, noch door de door de organisator toegezegde maatregelen, noch door het geven van voorschriften, noch door de redelijkerwijs te nemen politiemaatregelen, onevenredige schade aan de in het zevende lid bedoelde belangen voorkomen kan worden, is de burgemeester bevoegd het houden van de wedstrijd te verbieden.

  • 9. Het is de organisator verboden een wedstrijd als bedoeld in het eerste lid te laten plaatsvinden, als:

    • a.

      de kennisgeving ervan niet overeenkomstig het bepaalde in het eerste tot en met zesde lid gedaan is;

    • b.

      gehandeld wordt in afwijking van de gegevens, die bij deze kennisgeving verstrekt zijn;

    • c.

      de door de burgemeester ingevolge het zevende lid gegeven voorschriften niet worden nagekomen;

    • d.

      de burgemeester het houden van de wedstrijd verboden heeft.

  • 10. De burgemeester kan van het bepaalde in het negende lid onder a. ontheffing verlenen.

Artikel 2:26 Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement als bedoeld in artikel 2:25 de orde te verstoren.

Artikel 2:26A. Ordeverstoring bij sportwedstrijden.
  • 1. Het is verboden bij een sportwedstrijd als bedoeld in artikel 2:25B. de orde te verstoren.

  • 2. Hij, die aanwezig is bij een sportwedstrijd als bedoeld in artikel 2:25B. is verplicht op last van een ambtenaar van politie de ruimte of locatie waar de sportwedstrijd plaatsvindt onmiddellijk te verlaten indien die wedstrijd plaatsvindt in strijd met het bepaalde in artikel 2:25B. of indien ter plaatse wanordelijkheden ontstaan dan wel dreigen te ontstaan.

Artikel 2:26B. Stadionomgevingsverbod.
  • 1. De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf vier uur vòòr het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van voetbalwedstrijden van de organisator ex artikel 2:25B. Het verbod geldt voor een bepaalde tijd welke niet langer is dan twee jaar.

  • 2. De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het vorige lid bedoelde verbod, nadat is vast komen te staan dat de persoon de openbare orde in of in de omgeving van het stadion heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de organisator wordt gespeeld. Tevens kan dit verbod worden opgelegd aan personen aan wie een stadionverbod is opgelegd.

Afdeling 8: Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Begripsbepalingen
  • In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a. Horeca-inrichting:

    • 1.

      een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daarbij behorende terrassen;

    • 2.

      voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de niet voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg bereikbaar zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel 1 van de Straathandelsverordening voor zover daar regelmatig of op gezette tijden:

      I. gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken;

      II. amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van een speelautomatenhal, of

      III. gelegenheid wordt gegeven anders dan tegen betaling tot het verrichten van seksuele handelingen;

  • b. Ondernemer: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico de horeca-inrichting wordt gedreven en de bestuurders van de rechtspersoon of hun gevolmachtigden met uitzondering van de bestuurders van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 4 Drank- en Horecawet;

  • c. Leidinggevende: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in de inrichting of het bedrijf;

  • d. Bezoeker: een ieder die zich in een horeca-inrichting bevindt met uitzondering van:

    • 1.

      de leidinggevenden;

    • 2.

      dienstdoende personen, zoals barpersoneel, keukenhulpen, schoonmakers en portiers;

    • 3.

      personen van wie de aanwezigheid in de horeca-inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

  • e. Categorieën van horeca-inrichtingen:

    • a.

      Categorie 1: horeca-inrichtingen, die alleen zijn gericht op exploitatie gedurende de dag;

    • b.

      Categorie 2: alle overige horeca-inrichtingen;

    • c.

      Categorie 3: horeca-inrichtingen als bedoeld onder b die tevens zijn gericht op exploitatie in de nachtelijke uren en gelegen zijn in een uitgaanskern zoals aangegeven op een door burgemeester en wethouders vastgestelde kaart.

Artikel 2:28 Exploitatie horeca-inrichting
  • 1. Het is verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder exploitatievergunning van de burgemeester.

  • 2. Geen exploitatievergunning is vereist voor een horeca-inrichting die zich bevindt in:

    • a.

      een zorginstelling;

    • b.

      een museum;

    • c.

      een bedrijfskantine of -restaurant, of

    • d.

      rouwcentra, begraafplaatsen en crematoria.

  • 3. Een exploitatievergunning wordt verleend voor onbepaalde tijd, tenzij in de exploitatievergunning anders staat vermeld.

  • 4. Een afschrift van de exploitatievergunning is in de horeca-inrichting aanwezig.

  • 5. De burgemeester weigert of trekt de exploitatievergunning in indien:

    • a.

      de vestiging of de exploitatie van de horeca-inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan;

    • b.

      de ondernemer of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • c.

      de ondernemer of de leidinggevende onder curatele staat;

    • d.

      de ondernemer of de leidinggevende niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;

    • e.

      de ingediende bescheiden niet of niet langer overeenstemmen met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen beslissing;

    • f.

      voor de horeca-inrichting een vergunning krachtens artikel 3 van de Drank- en Horecawet is vereist en die vergunning is geweigerd, ingetrokken, of de aanvraag om die vergunning buiten behandeling is gelaten.

  • 6. De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien:

    • a.

      naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting door de aanwezigheid van de horeca-inrichting nadelig wordt beïnvloed;

    • b.

      de ondernemer of de leidinggevende het bij of krachtens de bepalingen in deze paragraaf geregelde overtreedt;

    • c.

      de ondernemer of de leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de horeca-inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn horeca-inrichting activiteiten plaatsvinden, waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    • d.

      de ondernemer of de leidinggevende zich schuldig maakt aan discriminatie;

    • e.

      er sprake is van een gewijzigde exploitatie, met uitzondering van een wijziging in het beheer als bedoeld in artikel 2:30C, tweede lid, of een wijziging in de ondernemer, waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd;

    • f.

      zich in of vanuit de horeca-inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de horeca-inrichting gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting;

    • g.

      er aanwijzingen zijn dat in de horeca-inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  • 7. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2:28A Vrijstelling
  • 1. De burgemeester kan:

    • a.

      bepalen dat het exploiteren van categorieën van horeca-inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van de exploitatie-vergunningplicht wordt vrijgesteld;

    • b.

      voorschriften verbinden aan een vrijstelling als bedoeld onder a.

  • 2. De exploitatie van een horeca-inrichting waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a, van toepassing is, geschiedt zodanig dat daardoor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

Artikel 2:28B Vergunningaanvraag
  • 1. De vergunning kan uitsluitend door de ondernemer worden aangevraagd door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  • 2. De aanvraag vermeldt welke categorie, als bedoeld in artikel 2:27, onder e, op de horeca-inrichting van toepassing is.

  • 3. Bij de aanvraag om de vergunning moeten in ieder geval worden overgelegd:

    • a.

      een locatietekening (plattegrond) in een schaal van maximaal 1:100 met de afmetingen van de horeca-inrichting en een eventueel terras;

    • b.

      een schriftelijk stuk waaruit de juridische relatie van de ondernemer met het desbetreffende perceel tot uitdrukking komt, zoals een huurovereenkomst, pachtovereenkomst of eigendomsbewijs;

    • c.

      een ondernemingsplan met informatie over de aard van de werkzaamheden, alsmede informatie over de te verkopen producten, de exploitatievorm en de beoogde doelgroep;

    • d.

      indien de aanvraag een alcoholhoudende horeca-inrichting betreft, een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet;

    • e.

      indien de aanvraag een alcoholvrije horeca-inrichting betreft, een Verklaring Omtrent het Gedrag als bedoeld in de Wet op de Justitiële Documentatie, betrekking hebbend op de ondernemer(s) en leidinggevende(n);

    • f.

      een op grond van de wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB) vastgesteld en ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden.

Artikel 2:28C Beslistermijn

In afwijking van artikel 1:2 beslist de burgemeester binnen 13 weken na de datum waarop de burgemeester de aanvraag heeft ontvangen.

Artikel 2:28D Tijdelijke vergunning
  • 1. De vergunning kan voor een bepaalde termijn worden verleend:

    • a.

      indien niet met voldoende zekerheid de mate van nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde kan worden beoordeeld;

    • b.

      indien de inrichting een tijdelijk karakter heeft.

  • 2. De burgemeester kan de termijn, als bedoeld in het vorige lid, verlengen; de termijn kan, al dan niet verlengd, de duur van drie jaar niet te boven gaan.

Artikel 2:28E. Beslistermijn

In afwijking van artikel 1:2 beslist de burgemeester binnen 13 weken na de datum waarop de burgemeester aanvraag heeft ontvangen.

Artikel 2:28F. Vervallen van de vergunning / mutaties
  • 1. Een vergunning ex artikel 2:28 vervalt, zodra het exploiteren van de horeca-inrichting is beëindigd en op een volledige aanvraag om een nieuwe vergunning voor het exploiteren van dezelfde horeca-inrichting is beslist, of, indien zodanige aanvraag niet is ingediend binnen 13 weken na het beëindigen van het exploiteren van de horeca-inrichting, bij het verstrijken van deze termijn.

  • 2. Van beëindiging van het exploiteren van de horeca-inrichting is sprake, indien:

    • a.

      de horeca-inrichting blijkens de registers van de Kamer van Koophandel en Fabrieken niet meer voor rekening van de ondernemer, op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd;

    • b.

      op grond van andere informatie blijkt, dat de horeca-inrichting niet meer voor rekening van de ondernemer, op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd.

  • 3. Van de beëindiging van het exploiteren van de horeca-inrichting doet de ondernemer op wiens naam de vergunning is gesteld onverwijld schriftelijk mededeling aan de burgemeester.

Artikel 2:29 Openings- en sluitingstijden
  • 1. Het is de ondernemer of de leidinggevende verboden een horeca-inrichting, die behoort tot categorie 1, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 23.00 uur en 07.00 uur, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in lid 3.

  • 2. Het is verboden een horeca-inrichting, die behoort tot categorie 2, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op vrijdagen, zaterdagen en zondagen tussen 02.30 uur en 07.00 uur en op de overige dagen van de week tussen 02.00 uur en 07.00 uur, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in lid 3, 5 of 7.

  • 3. De burgemeester kan voor een horeca-inrichting, waarvan de ondernemer ten genoegen van de burgemeester heeft aangetoond, dat de exploitatie van die horeca-inrichting geen nadelige invloed heeft op de openbare orde of op het woon- of leefklimaat in de naaste omgeving van die horeca-inrichting, ontheffing verlenen van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod, zij het met die beperking, dat:

    • a.

      alleen een horeca-inrichting behorende tot categorie 1 in aanmerking komt voor een ontheffing voor de uren welke zijn gelegen tussen 05.00 uur en 07.00 uur;

    • b.

      alleen een horeca-inrichting behorende tot categorie 2 in aanmerking komt voor een ontheffing voor de uren gelegen tussen 02.00 uur en 04.00 uur of tussen 02.30 en 05.00 uur.

  • 4. De burgemeester kan de ontheffing bedoeld in het derde lid weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien een van de in artikel 2:28, vijfde en zesde lid, genoemde situaties zich voordoet.

  • 5. De ondernemer van een horeca-inrichting die beschikt over een exploitatievergunning met categorie 2 sluitingstijden, kan maximaal twaalf festiviteiten per jaar houden, waarbij het de ondernemer of leidinggevende is toegestaan de horeca-inrichting, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tot 06.00 uur, mits de ondernemer uiterlijk zeven werkdagen voor de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, de burgemeester van de festiviteit kennis heeft gegeven.

  • 6. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of het woon- of leefklimaat voor een of meer horeca-inrichtingen, categorieën van horeca-inrichtingen of voor de tot de horeca-inrichting behorende terrassen de in het eerste en tweede lid genoemde openings- en sluitingstijden – al dan niet tijdelijk – beperken, dan wel andere openings- en sluitingstijden vaststellen.

  • 7. De burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van een bijzondere omstandigheid, algemene ontheffing verlenen van de krachtens het eerste en tweede lid geldende openings- en sluitingstijden voor een bepaald gebied of voor een of meer bepaalde horeca-inrichtingen.

  • 8. De burgemeester kan een verbod opleggen een festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien naar zijn oordeel het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Artikel 2:30 Sluiting horeca-inrichting
  • 1. De burgemeester kan een horeca-inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien:

    • a.

      die horeca-inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;

    • b.

      die horeca-inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften;

    • c.

      een van de in artikel 2:28, vijfde of zesde lid, genoemde situaties zich voordoet.

  • 2. Een besluit tot sluiting wordt op, in of nabij de toegang van de horeca- inrichting aangebracht.

  • 3. Een sluiting kan op verzoek van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  • 4. Het is de ondernemer of de leidinggevende van de horeca-inrichting verboden na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de horeca-inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

  • 5. Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten horeca-inrichting als bezoeker te verblijven.

Artikel 2:30A Aanwezigheid van en toezicht door ondernemer en leidinggevende
  • 1. Het is verboden een horeca-inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de ondernemer of leidinggevende in de horeca-inrichting aanwezig is.

  • 2. De ondernemer en de leidinggevende zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de horeca-inrichting en/of buiten de horeca-inrichting doch in directe relatie daarmee, geen strafbare feiten plaatsvinden.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor door de burgemeester aangewezen horeca-inrichtingen of categorieën van horeca-inrichtingen.

Artikel 2:30B Beëindiging exploitatie
  • 1. De exploitatievergunning vervalt, zodra het exploiteren van de horeca-inrichting is beëindigd en op een volledige aanvraag om een nieuwe vergunning voor het exploiteren van dezelfde horeca-inrichting is beslist, of, indien zodanige aanvraag niet is ingediend binnen 13 weken na het beëindigen van het exploiteren van de horeca-inrichting, bij het verstrijken van deze termijn.

  • 2. Van beëindiging van het exploiteren van de horeca-inrichting is sprake, indien:

    • a.

      de horeca-inrichting blijkens het Handelsregister van de Kamer van Koophandel niet meer voor rekening van de ondernemer, op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd;

    • b.

      op grond van andere informatie blijkt, dat de horeca-inrichting niet meer voor rekening van de ondernemer, op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd.

Artikel 2:30C Wijziging leidinggevende
  • 1. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende, indien de ondernemer of leidinggevende kan aantonen dat de nieuwe leidinggevende op de exploitatievergunning is bijgeschreven.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, kan het beheer tot op de aanvraag is beslist, tijdelijk worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende, indien de ondernemer of leidinggevende een bevestiging van de burgemeester kan tonen waaruit blijkt dat die nieuwe leidinggevende ten behoeve van bijschrijving op de exploitatievergunning is aangemeld.

Artikel 2:31 Verboden gedragingen

Het is verboden in een horeca-inrichting:

  • a.

    de orde te verstoren, dan wel strafbare feiten te plegen;

  • b.

    zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:29, eerste of tweede lid.

Artikel 2:32 Handel binnen horeca-inrichtingen
  • 1. In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 2. De ondernemer van een horeca-inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een horeca-inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2:27 tot en met 2:30C en de daarop rustende bepalingen.

Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een horeca-inrichting als bedoeld in artikel 2:27 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2:28 tot en met 2:28E. en artikel 2:29. tot en met 2:30.

Afdeling 8A Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de drank- en horecawet

Artikel 2:34a Begripsbepaling

In deze afdeling en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

- alcoholhoudende drank,

- horecabedrijf,

- horecalocaliteit,

- inrichting,

- paracommerciële rechtspersoon,

- sterke drank,

- slijtersbedrijf en

- zwak-alcoholhoudende drank,

dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.

Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen
  • 1. Een paracommercieel rechtspersoon kan maximaal 12 bijeenkomsten per jaar organiseren van persoonlijke aard of bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.

  • 2. Artikel 2:30, eerste en tweede lid is overeenkomstig van toepassing.

  • 3. Artikel 2:30 derde en vijfde lid is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde bijeenkomsten.

  • 4. Een paracommercieel rechtspersoon doet ten minste twee weken voorafgaand aan de bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan melding aan de burgemeester.

  • 5. De burgemeester kan een paracommercieel rechtspersoon verbieden een bijeenkomst te organiseren als bedoeld in het eerste lid of aanvullende voorschriften stellen indien naar zijn oordeel:

    • a.

      dit in het belang is van de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid, dan wel het woon- en leefklimaat;

    • b.

      het tweede, derde of vierde lid is overtreden;

    • c.

      bijeenkomsten als bedoeld in het eerste lid bedrijfsmatig worden georganiseerd;

    • d.

      artikel 20, eerste of twee lid van de drank en horecawet is overtreden.

Artikel 2:34c Beperkingen ten aanzien van het verstrekken van sterke drank
  • 1. Het is verboden bedrijfsmatig of anders dan om niet sterke drank te verstrekken in een inrichting van de volgende aard:

    • a.

      inrichting waar onderwijs wordt gegeven;

    • b.

      inrichting die geheel of gedeeltelijk uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sportorganisaties of –instellingen;

    • c.

      inrichting die geheel of gedeeltelijk uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdorganisaties of –instellingen.

  • 2. De burgemeester kan op schriftelijk verzoek ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Afdeling 9: Nachtverblijf en toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:35 Begripsomschrijvingen inzake nachtverblijf

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • 1.

    inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;

  • 2.

    houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37 Nachtregister

De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester vastgestelde model.

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:38A. Aanbieden logeergelegenheid

Het is verboden op of aan de weg op te treden tot het verschaffen of doen verschaffen van tijdelijke woon- of logeergelegenheden, ongeacht of dit gebeurt door deze gelegenheden bij het publiek aan te bevelen, of door aan het publiek hulp bij het verkrijgen daarvan aan te bieden.

Artikel 2:38B. (Nacht)verblijf aan de weg
  • 1. Het is verboden om -al dan niet gebruikmakend van enige vorm van beschutting, waar onder in ieder geval begrepen het gebruik van een auto- op of aan de weg tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen, danwel tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat door een ambtenaar van politie in het belang van de openbare orde of veiligheid is aangezegd dat dit moet worden beëindigd.

  • 2. Het is verboden op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijk doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten danwel gelegenheid daartoe te bieden.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste en tweede lid gestelde ontheffing verlenen.

Afdeling 10: Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
  • 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

  • 4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.

Artikel 2:42 Plakken en kladden
  • 1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  • 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:

    • a.

      een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    • b.

      met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  • 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  • 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
  • 1. Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
  • 1. Het is verboden op de weg inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:44A Vervoer geprepareerde voorwerpen
  • 1. Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid bedoelde voorwerp niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:45 Betreden en beschadiging van plantsoenen e.d.
  • 1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.

  • 2. Het is verboden op de weg:

    • a.

      enige schade toe te brengen aan bomen, heesters, planten of bloemen

    • b.

      op plaatsen, welke bij besluit van het college zijn aangewezen, te handelen in strijd met de aan deze kennisgeving vermelde nadere voorschriften ter voorkoming van schade als bedoeld onder a;

    • c.

      op plaatsen, welke bij besluit van het college zijn aangewezen, bij zich te hebben of te vervoeren, ter plaatse voorkomende bloemen of planten of takken van ter plaatse voorkomende bomen en heesters, tenzij deze met toestemming van de rechthebbende ter plaatse zijn verkregen of van elders afkomstig zijn.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod.

Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.
  • 1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg.

  • 2. Onder weg wordt verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 3. Het verbod geldt niet indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.

  • 4. Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op of aan de weg
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    • b.

      zich op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk bouwwerk op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:47A. Skaten en skateboarden
  • 1. Onder skates wordt in dit artikel verstaan: rolschaatsen en de moderne varianten van rolschaatsen zoals rollerskates, (in-line-) skates, skeelers etc.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen delen van de weg aanwijzen waar het is verboden om:

    • -

      te skaten; en

    • -

      te skateboarden.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde plaatsen kunnen worden aangewezen in het belang van:

    • -

      het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, waaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling vande gebruiksmogelijkheden van de weg;

    • -

      de voorkoming of opheffing van hinder, anders dan in artikel 4:6 of;

    • -

      de voorkoming van schade aan de weg en straatmeubilair.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten dat het verbod, zoals vervat in het tweede lid, ook geldt ten aanzien van andere, met skates en skateboards vergelijkbare voorwerpen.

Artikel 2:48 Verboden gebruik van drank of softdrugs
  • 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied,alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;

    • b.

      de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.

  • 3. Het is verboden op de weg, die deel uit maakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied softdrugs te gebruiken.

  • 4. Onder softdrugs worden verstaan: de middelen, genoemd in lijst II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet.

Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    • b.

      zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  • 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden en daarmee op enigerlei wijze de orde te verstoren in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien:

  • a.

    dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

  • b.

    waardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:52 Bedelarij

Het is verboden in door de burgemeester aangewezen wegen en tijden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw om geld of andere zaken te bedelen.

Artikel 2:53 Bespieden van personen
  • 1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.

  • 2. Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.

Artikel 2:56

[vervallen]

Artikel 2:57 Loslopende honden
  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;

    • b.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

  • 2. Het college kan bij besluit plaatsen aanwijzen, waar het in het eerste lid gestelde verbod gedurende het gehele jaar of een gedeelte daarvan niet geldt.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
  • 1. De eigenaar of houder van een hond, is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op de weg.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  • 3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond of degene die de hond onder zijn hoede heeft er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

  • 4. De houder of verzorger van de hond en ook degene die een hond onder zijn hoede heeft is verplicht, indien hij zich op de weg bevindt, een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor verwijdering van de uitwerpselen. Het college stelt hiervoor geschikt hulpmiddelen vast, wil het doeltreffend zijn.

  • 5. De houder of verzorger van de hond en ook degene die een hond onder zijn hoede heeft, die zich met die hond op of aan de weg bevindt, is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
  • 1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  • 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  • 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    • a.

      vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    • b.

      door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

    • c.

      zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  • 4. Een hond als bedoeld in het eerste lid dient voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
  • 1. Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben; dan wel

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel

    • c.

      aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.

  • 2. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven.

  • 3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Artikel 2:63 Duiven
  • 1. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod.

  • 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale ophokverordening.

Artikel 2:64 Bijen
  • 1. Het is verboden bijen te houden:

    • a.

      binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;

    • b.

      binnen een afstand van 30 meter van de weg.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen.

  • 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

  • 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement

  • 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 2:65 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.

Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is gemaakt aan de bezoekers van het terrein.

Afdeling 11: Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:66 Begripsomschrijvingen inzake heling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

  • b.

    verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
  • 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

    • a.

      het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    • b.

      de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    • c.

      een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

    • d.

      de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  • 2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • a.

    wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen;

  • b.

    de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(s) onverwijld doch woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;

  • c.

    aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;

  • d.

    indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris;

  • e.

    zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar;

  • f.

    wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.

Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

Afdeling 12: Vuurwerk

Artikel 2:71 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:

Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen
  • 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.

  • 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.

  • 3. Een aanvraag om vergunning als bedoeld in het eerste lid kan voorts worden geweigerd, indien een persoon verbonden aan de desbetreffende inrichting binnen de laatste drie en een half (3½) jaar een overtreding heeft begaan van hetgeen bij of krachtens de wet is geregeld omtrent het vervoer, de opslag en/of verkoop van vuurwerk.

  • 4. Het aantal vergunningen als bedoeld in het eerste lid bedraagt maximaal 75.

Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
  • 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  • 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  • 3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:73A. Vreugdevuren
  • 1. Het is verboden op de weg te vervoeren, op de weg bij zich te dragen of anderszins voorhanden te hebben kerstbomen, autobanden en andere voorwerpen of stoffen, met het kennelijk doel deze op de weg te verbranden.

  • 2. Dit verbod geldt niet als ter plaatse en naar het bevredigend oordeel van een ambtenaar van politie wordt aangetoond, dat het vervoer en/of de opslag van de genoemde voorwerpen of stoffen gebeurt voor andere handelingen dan in het eerste lid worden genoemd.

Afdeling 13: Drugsoverlast

Artikel 2:74 Handel in en gebruik van verdovende middelen
  • 1. Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of

    zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden, of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

  • 2. Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats middelen als bedoeld in de artikel 2 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voor handen te hebben.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op voorwerpen en activiteiten die in het belang van de Volksgezondheid, in het bijzonder de preventie, de bestrijding van drugsverslaving of hulpverlening aan verslaafden, van overheidswege worden bevorderd of zijn goedgekeurd.

Artikel 2:74A. Overlastgevende woonpanden
  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden een op basis van artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden, nadat dat door de burgemeester in het openbaar bekend is gemaakt.

  • 2. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen aan door hem daartoe aangewezen rechthebbende(n) en hun bloed- en aanverwanten.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor personen wier tegenwoordigheid in het perceel of op het erf om dringende reden vereist is.

Artikel 2:74B. Verzameling van personen in verband met harddrugs of heling
  • 1. Het is verboden op of aan wegen die door de burgemeester zijn aangewezen ( Zie bijgevoegd besluit ) omdat deopenbare orde dit in verband met het openlijk gebruik van of de handel in harddrugs dan heling naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, deel te nemen aan een verzameling van meer dan 4 personen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verzameling verband houdt met het gebruik van of de handel in harddrugs dan wel heling.

  • 2. De aanwijzing van wegen, zoals bedoeld in het eerste lid wordt gegeven voor ten hoogste zesmaanden, welke termijn telkenmale kan worden verlengd.

  • 3. Degene die zich bevindt in een verzameling als in het eerste lid bedoeld is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2:74C. Verblijfsontzeggingen in verband met harddrugs
  • 1. Degene die in een gebied, dat door de burgemeester is aangewezen ( Zie bijgevoegd besluit ) , omdat naar zijn oordeel de openbare orde in dat gebied ernstig is verstoord door de aanwezigheid van verslaafden en/of handelaren in harddrugs, zich gedraagt in strijd met:

    • a.

      de artikelen 2:1, 2:49, en 2:79 voor zover de gedragingen in verband staan met harddrugs

    • b.

      artikel 2:74 (handel en gebruik verdovende middelen)

    • c.

      artikel 2:74B. (verzameling personen i.v.m. harddrugs of heling)

    • d.

      artikel 3:16 (tippelverbod)

    • e.

      artikel 2:48 (alcohol- en softdrugsverbod) is verplicht zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak vanvierentwintig uur niet te bevinden, nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  • 2. Degene die messen of andere voorwerpen, die als wapen kunnen worden gebruikt zoals verboden in de Wet wapens en munitie, openlijk voorhanden heeft, is verplicht zich terstond uit een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste lid, te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van vierentwintig uur niet te bevinden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  • 3. Degene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste lid in een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden ten minste drie ordeverstorende gedragingen heeft begaan, is verplicht zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van 1 maand niet te bevinden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  • 4. Degene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig het derde lid een bevel van de burgemeester heeft gekregen zich te verwijderen uit dat gebied en die in een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar weer een ordeverstorende gedraging heeft begaan, is verplicht zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van 2 maanden niet te bevinden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  • 5. Degene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig het vierde lid een bevel van de burgemeester heeft gekregen zich te verwijderen uit dat gebied en die in een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar weer een ordeverstorende gedraging heeft begaan, is verplicht zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van 3 maanden niet te bevinden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  • 6. Onder ordeverstorende gedragingen als bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid worden verstaan de gedragingen als bedoeld in het eerste en tweede lid, alsmede het niet voldoen aan een opgelegd verwijderingsbevel, geweldsdelicten en diefstallen uit auto’s op of aan de weg, voor zover een verband bestaat tussen het delict en harddrugs.

Afdeling 14: Bestuurlijke ophouding

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:26, 2:26B., 2:45, 2:48, 2:49, 2:73, 2:73A., 2:79 of 5:34 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.

Afdeling 15: Veiligheidsrisicogebieden

Artikel 2:76 Aanwijzing veiligheidsrisicogebied ten behoeve van preventief fouilleren
  • 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

  • 2. Alvorens de burgemeester overgaat tot het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied, hoort de burgemeester de betreffende raadscommissie.

  • 3 Het in het tweede lid gestelde is niet van toepassing, indien naar het oordeel van de burgemeester sprake is van een spoedeisend belang op grond waarvan zijn besluit tot het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied niet kan worden uitgesteld. De burgemeester hoort de betreffende raadscommissie zo spoedig mogelijk over het genomen besluit.

Afdeling 16: Cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
  • 1. De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  • 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke plaatsen:

    • a.

      parkeerterreinen;

    • b.

      plaatsen die vanwege doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties (Wom) vallen.

Afdeling 17: Toegankelijkheid gebouwen in geval van calamiteiten

Artikel 2:78 Sleuteladres

vervallen

Artikel 2:79 Openbare orde
  • 1. De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet.

  • 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

  • 3. Het bevel tot sluiting geldt voor bepaalde of onbepaalde tijd; in het laatste geval wordt het bevel tot sluiting opgeheven bij openbaar te maken besluit.

  • 4. Een ieder is verplicht toe te laten, dat het in het tweede lid bedoelde besluit ter plaatse wordt aangebracht en daar aangebracht blijft, zolang het bevel van kracht is.

  • 5. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

  • 6. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.

Afdeling 18 de Omgevingsvergunning

Artikel 2:80

Op de in deze afdeling geregelde activiteiten is tevens van toepassing de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 2:81

Op de in deze afdeling geregelde activiteiten zijn niet van toepassing de artikelen 1:2, 1:3 en 1:5.

Artikel 2:82 Algemene bepalingen

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  • 1.

    bevoegd gezag: het gezag als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 2.
    • a.

      houtopstand: één of meer bomen, hakhout of een houtwal;

    • b.

      boom: een houtachtig overblijvend gewas met een omtrek van de stam van minimaal 30 centimeter op 1.30 meter boven het maaiveld gerekend langs de stam, indien het bomen betreft op achtererven van woningen niet groter dan 50 vierkante meter en niet zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied, geldt een omtrek van de stam van minimaal 90 centimeter op 1,3 meter boven maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam. In het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht of vanwege de plaatsing op de lijst met monumentale bomen worden als bomen ook aangemerkt, bomen met een omtrek van kleiner dan 30 centimeter respectievelijk 90 centimeter bij voornoemde achtererven niet groter dan 50 vierkante meter;

    • c.

      dunning: velling, die uitsluitend als een voorzorgsmaatregel ter bevordering van de groei en instandhouding van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd indien deze houtopstand als bosperceel kan worden aangemerkt;

    • d.

      bosperceel: houtopstanden, die een zelfstandige eenheid vormen en of een grotere oppervlakte beslaan dan 10 are of, in geval van eenrijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen meer dan 20 bomen omvatten zoals bedoeld in de Boswet;

    • e.

      eigenaar: de natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is van of een beperkt zakelijk recht heeft op de houtopstand;

    • f.

      hakhout: één of meer bomen, die na geveld te zijn opnieuw op de stronk uitlopen;

    • g.

      herplantwaarde: monetaire waardering van houtopstand conform de meest recente richtlijnen van de Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen;

    • h.

      bomenfonds: het tijdelijk fonds voor gelden ten behoeve van herplant van houtopstanden;

    • i.

      boomziekte: een biologische aantasting van bomen of andere houtopstand door bacteriën, schimmels, insecten of ander natuurlijke oorzaak;

    • j.

      Adviesraad: de Adviesraad Monumentale Bomen, bestaande uit vertegenwoordigers van de landelijke Bomenstichting, de Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor ‘s-Gravenhage en omstreken en onafhankelijke boomdeskundigen;

    • k.

      monumentale houtopstand: houtopstand als bedoeld in artikel 2:85 van deze verordening;

    • l.

      kandelaberen: het terugsnoeien van een kroon met meer dan 50% tot eventueel een hoofdstam met takstompen;

    • m.

      vellen: kappen, rooien, met in begrip van verplanten, kandelaberen, het snoeien van meer dan 30% tot maximaal 50%, van het kroonvolume, alsmede het verrichten van handelingen zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

    • n.

      MOR: Ministeriële regeling omgevingsrecht.

Artikel 2:83 Veranderen van de weg

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen of verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald.

Artikel 2:84 Uitweg
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.

  • 2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel 2:85 Lijst van monumentale bomen
  • 1. Het college stelt een lijst vast met monumentale houtopstand, die verder wordt aangeduid als: lijst van monumentale bomen. Deze lijst omvat de plaatselijke en kadastrale aanduiding, de tenaamstelling, twee foto’s met zomer- en winterbeeld van de houtopstand en een beschrijving van de houtopstand. Er wordt een kaart bijgevoegd met daarop aangeduid de beschermde houtopstand.

  • 2. De eigenaar van een houtopstand, die op de lijst staat vermeld, is verplicht schriftelijk aan de gemeente mededeling te doen van:

    • -

      de eigendomsoverdracht van de houtopstand;

    • -

      het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand anders dan door velling op grond van een verleende ontheffing.

    De mededeling dient te geschieden binnen vier weken na de eigendomsoverdracht c.q. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan.

Artikel 2:86 Adviezen en inspraak
  • 1. Alvorens het college tot vaststelling of wijziging van de lijst van monumentale bomen overgaat, wint zij omtrent haar voornemen advies in bij de Adviesraad.

  • 2. Bij het voornemen tot de vaststelling en wijziging van de lijst met monumentale bomen wordt de gelegenheid geboden om binnen 4 weken na bekendmaking van dit voornemen zienswijzen kenbaar te maken.

Artikel 2:87 Kapverbod
  • 1. Het is verboden een houtopstand zonder vergunning of, indien de houtopstand is vermeld op de lijst van monumentale bomen zonder ontheffing, van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op houtopstanden als bedoeld in artikel 15 lid 2 van de Boswet, die aantoonbaar op bosbouwkundige of bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd.

  • 3. Het verbod is evenmin van toepassing op:

    • a.

      een houtopstand, die bij wijze van dunning moet worden geveld;

    • b.

      een houtopstand, die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet, een aanschrijving krachtens de Woningwet of het bepaalde in het artikel 2:94;

    • c.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • d.

      het periodiek terugzetten van reeds geknotte, gekandelaberde of andere lei- of snoeivormen zonder wijziging van de periodieke snoeiplaatsen;

    • e.

      het direct vellen van een houtopstand indien hiervoor door de burgemeester mondeling toestemming is gegeven vanwege acuut gevaar voor veiligheid van personen en zaken. De mondelinge toestemming wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk gemotiveerd en aan de aanvrager alsmede belanghebbenden toegezonden.

Artikel 2:88 Weigering vergunning/ontheffing
  • 1. Het bevoegd gezag kan de vergunning of ontheffing, als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

    • -

      natuur-, educatieve en milieuwaarden;

    • -

      belevings- en gebruikswaarden.

  • 2. De aanvrager van een vergunning wordt erop gewezen dat hij dient te voldoen aan de verplichtingen van het vigerende bestemmingsplan en de regelgeving gericht op natuurbescherming.

Artikel 2:89

Op een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, beslist het bevoegd gezag niet alvorens zij de in artikel 2:86 genoemde Adviesraad over de aanvraag heeft gehoord. Artikel 2:86, eerste en tweede lid, is op de aanvraag van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:90
  • 1. Een ontheffing of een vergunning dient te worden aangevraagd door, namens of met toestemming van de eigenaar of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  • 2. In aanvulling op artikel 7.5 van de MOR moet een aanvraag om ontheffing of vergunning vergezeld gaan van drie verschillende foto’s van de houtopstand van minimaal 10x15 centimeter en niet ouder dan twee maanden, waarvan tenminste twee een beeld van de houtopstand in zijn omgeving geven.

  • 3. Een vergunning vervalt indien daarvan niet binnen maximaal anderhalf jaar na het onherroepelijk zijn van die vergunning, gebruik is gemaakt.

Artikel 2:91 Bijzondere vergunningvoorschriften ter bescherming van de houtopstand
  • 1. Aan een vergunning of ontheffing zoals bedoeld in de artikelen 2:87, eerste lid, kunnen in het belang van de bescherming en het behoud van nabije houtopstanden voorschriften worden verbonden.

  • 2. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kan behoren het voorschrift:

    • a.

      dat binnen een bepaalde termijn van de vergunning gebruik dient te worden gemaakt;

    • b.

      dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de daarbij te geven aanwijzingen moet worden herplant;

    • c.

      dat pas tot vellen mag worden overgegaan indien vergunningen inzake bouw, aanleg of andere ruimtelijke herinrichting onherroepelijk zijn geworden en de feitelijke en financiële uitvoering van deze werken voldoende gewaarborgd is;

    • d.

      dat ter bescherming van flora of fauna op een aangewezen locatie gedurende een bepaalde periode niet mag worden geveld;

    • e.

      dat pas tot vellen mag worden overgegaan indien een ontheffing op grond van de Wet Natuurbescherming onherroepelijk is geworden.

  • 3. Wordt een voorschrift tot herplant gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet geslaagde herplant moet worden vervangen.

  • 4. Indien uitvoering van een herplant niet mogelijk is of naar maatstaven van redelijkheid onvoldoende compensatie biedt voor het vellen van de houtopstand wordt aan de ontheffing of vergunning het voorschrift verbonden, dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een bedrag gelijk aan de herplantwaarde in het bomenfonds is gestort.

  • 5. Tot de aan de vergunning of ontheffing te verbinden voorschriften behoort het voorschrift dat ook alle rechtsopvolgers van degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, verplicht zijn daaraan te voldoen.

Artikel 2:92 Herplant-/instandhoudingsplicht
  • 1. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze verordening van toepassing is, zonder ontheffing of vergunning is geveld anders dan bij wijze van dunning, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het met betrekking tot die houtopstand tot vergunningverlening het college aan de eigenaar of de publiekrechtelijk bevoegde van de grond, waarop de houtopstand zich bevond, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen en binnen een door hem te stellen termijn. Artikel 2:91, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, is de eigenaar of de publiekrechtelijk bevoegde van de grond waarop de houtopstand zich bevindt, verplicht om overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen binnen een door haar te stellen termijn maatregelen te nemen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  • 3. Ook alle rechtsopvolgers van degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, zijn verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 2:93 Bomenfonds
  • 1. De bedragen gestort in het bomenfonds mogen slechts worden gebruikt ten behoeve van herplanten van houtopstanden ten genoegen van de vergunningverlener.

  • 2. Het college informeert de raad jaarlijks over de besteding van het bomenfonds.

Artikel 2:94 Bestrijding van boomziekten
  • 1. Indien zich op een terrein één of meer bomen of andere houtopstand bevinden, die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de insecten, die boomziekten verspreiden, is de eigenaar of de publiekrechtelijke bevoegde op aanschrijving van het college en binnen de door haar daarbij te stellen termijn verplicht:

    • a.

      de houtopstand te vellen;

    • b.

      de houtopstand ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen;

    • c.

      de niet ontbaste bomen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen, dat verspreiding van boomziekten wordt voorkomen;

    • d.

      in geval van iepziekte alle onder hierboven a, b en c genoemde maatregelen te treffen;

    • e.

      alle andere maatregelen te treffen ter voorkoming van boomziekten behoudens beperkingen bij of krachtens de Plantenziektenwet gesteld.

    • f.

      tot herbeplanting over te gaan overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen.

  • 2. Het is verboden gevelde door boomziekte aangetaste bomen, of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij het betreft geheel ontbast hout of hout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2:95 Afstand tot de erfgrens

De afstand tot de erfgrenslijn als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0.5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.

Artikel 2:96 Schadevergoeding

Op een aanvraag op grond van artikel 17 van de Boswet om schadevergoeding beslist het college. De bepalingen van de Schadevergoedingsverordening zijn hierop van overeenkomstige toepassing, indien sprake is van aantoonbaar nadeel.

Artikel 2:97 Handelsreclame
  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die onroerende zaak handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats

  • 3. Het verbod geldt niet voor onverlichte:

    • a.

      opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats;

    • b.

      opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:

      • -

        een openbare verkoping of een aanleiding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

      • -

        het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor de zaak is bestemd;

    • c.

      opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uivoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

    • d.

      opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer;

    • e.

      opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken waarvoor voor de oprichting van die onroerende zaken geen omgevingsvergunning is vereist op grond van artikel 2.1 eerste lid, onder a en c en artikel 2.2 eerste lid, onder h en i van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 4. Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken.

  • 5. Een vergunning als bedoeld in het eerste en tweede lid kan worden geweigerd:

    • a.

      indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • b.

      in het belang van de verkeersveiligheid;

    • c.

      in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  • 6.

    • a.

      Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale landschapsverordening;

    • b.

      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken;

    • c.

      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Hoofdstuk 3 REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN

Afdeling 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 3:1 Afbakening

De artikelen 1:2, 1:3 en 1:5 tot en met 1:6 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde.

Artikel 3:2 Begripsbepaling

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

-

advertentie:

elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;

-

beheerder:

de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;

-

bevoegd bestuursorgaan:

het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;

-

bezoeker:

degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

1. de exploitant;

2. de beheerder;

3. de schoonmaker;

4. de prostituee,

5. de toezichthouder(s) krachtens artikel 6:2;

6. andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

-

escortbedrijf:

de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee;

-

exploitant:

de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend;

-

klant:

degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten;

-

prostituee:

degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

-

prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

-

prostitutiebedrijf:

de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie;

-

raamprostitutiebedrijf:

de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats;

-

seksbedrijf:

de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling;

-

seksinrichting:

voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;

-

werkruimte:

als zelfstandig aan te merken onderdeel van seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht.

Afdeling 2: VERGUNNING SEKSBEDRIJF

Artikel 3:3 Vergunning
  • 1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen of te wijzigen zonder vergunning.

  • 2. Het bevoegde bestuursorgaan beslist binnen twaalf weken op de aanvraag om een vergunning.

  • 3. De in het tweede lid gestelde termijn kan door de burgemeester met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.

  • 4. Een vergunning kan mede voor één seksinrichting worden verleend.

  • 5. De vergunning wordt voor de duur van één jaar verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is niet overdraagbaar.

  • 6. De vergunning kan worden verlengd.

Artikel 3:4 Aanvraag
  • 1. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door het bevoegde bestuursorgaan vastgesteld formulier.

  • 2. Bij de aanvraag wordt vermeld voor welke activiteit vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a.

      de persoonsgegevens van de exploitant;

    • b.

      het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • c.

      of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag de exploitant een vergunning voor een seksbedrijf is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een seksbedrijf is ingetrokken;

    • d.

      het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    • e.

      het adres van een onder het seksbedrijf vallende seksinrichting;

    • f.

      het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    • g.

      een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van de exploitant;

    • h.

      indien van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant;

    • i.

      een actuele verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen, verstrekt door de Belastingdienst;

    • j.

      bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van het seksbedrijf;

    • k.

      indien van toepassing, de plaatselijke ligging van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een situatieschets met een noordpijl en schaalaanduiding;

    • l.

      indien van toepassing, de plattegrond van de seksinrichting waarvoor vergunning wordt aangevraagd, door middel van een tekening met een schaalaanduiding;

    • m.

      een op grond van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB) vastgesteld en ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden;

    • n.

      een recent (maximaal drie maanden oud) uittreksel uit de Basisregistratie personen ter onderbouwing van het opgegeven adres van de exploitant en/of beheerder.

  • 3. Als er een beheerder is aangesteld, is het tweede lid, onder a, c, g, h en n, van overeenkomstige toepassing op de beheerder.

  • 4. Als de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.

Artikel 3:5 Weigeringsgronden
  • 1. Een vergunning wordt geweigerd als:

    • a.

      de exploitant of de beheerder onder curatele staat;

    • b.

      de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;

    • c.

      de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;

    • d.

      de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;

    • e.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    • f.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;

    • g.

      er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;

    • h.

      de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;

    • i.

      de exploitant of beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van de APV Den Haag];

      2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;

      3°. artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;

      4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of

      6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

    • j.

      de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening.

  • 2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijk gesteld:

    • a.

      een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;

    • b.

      vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,- bedraagt.

  • 3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.

  • 5. Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:

    • a.

      voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:7, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;

    • b.

      als niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:4 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;

    • c.

      als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;

    • d.

      als de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;

    • e.

      als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:13, eerste en tweede lid;

    • f.

      als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:14 gestelde verplichtingen zal naleven.

Artikel 3:6 Eisen met betrekking tot vergunning
  • 1. De vergunning vermeldt in ieder geval:

    • a.

      de naam van de exploitant;

    • b.

      indien van toepassing, die van de beheerder(s);

    • c.

      voor welke activiteit de vergunning is verleend;

    • d.

      het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;

    • e.

      het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;

    • f.

      indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;

    • g.

      de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

    • h.

      de geldigheidsduur van de vergunning;

    • i.

      het nummer van de vergunning.

  • 2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.

Artikel 3:7 Intrekkingsgronden
  • 1. De vergunning wordt ingetrokken als:

    • a.

      de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;

    • b.

      de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;

    • c.

      is gehandeld in strijd met de artikelen 3:8, 3:11, aanhef en onder a, 3:12, eerste lid, 3:13 en 3:14, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;

    • d.

      zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;

    • e.

      zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, onder a tot en met i;

    • f.

      de vergunninghouder dat verzoekt;

    • g.

      de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan of een beheersverordening.

  • 2. De vergunning kan tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken als:

    • a.

      is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;

    • b.

      in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;

    • c.

      een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;

    • d.

      is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;

    • e.

      is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;

    • f.

      zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;

    • g.

      de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;

    • h.

      er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;

    • i.

      gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning;

    • j.

      de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksinrichting strafbare feiten worden gepleegd.

Artikel 3:8 Melding gewijzigde omstandigheden

De vergunninghouder meldt elke verandering waardoor zijn seksbedrijf niet langer in overeenstemming is met de op grond van artikel 3:6, eerste lid, in de vergunning opgenomen gegevens, zo spoedig mogelijk aan het bevoegde bestuursorgaan. Deze verleent een gewijzigde vergunning, als het seksbedrijf aan de vereisten voldoet.

Artikel 3:9 Verlenging vergunning
  • 1. Op een aanvraag om verlenging van een vergunning zijn de artikelen 3:3, 3:4, 3:5, 3:6 en 3:13, derde lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat actuele gegevens en bescheiden waarover het bevoegde bestuursorgaan al beschikking heeft niet nogmaals overgelegd dienen te worden.

  • 2. Als ten minste twaalf weken voorafgaand aan de vervaltermijn van de vergunning verlenging van de vergunning is aangevraagd, blijft de vergunning van kracht totdat op de aanvraag om verlenging is besloten.

Afdeling 3: UITOEFENEN SEKSBEDRIJF

PARAGRAAF 3.1 REGELS VOOR ALLE SEKSBEDRIJVEN
Artikel 3:10 Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang
  • 1. Het is de exploitant en de beheerder verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur en op zaterdag en zondag tussen 01.30 uur en 07.00 uur tenzij bij vergunning anders is bepaald.

  • 2. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers.

  • 3. Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting.

Artikel 3:11 Adverteren
  • 1. Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf:

    • a.

      geen vermelding op te nemen van het telefoonnummer, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onder e, van het nummer, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, onder i, en van de bedrijfsnaam;

    • b.

      vermelding op te nemen van een ander telefoonnummer dan bedoeld onder a, en

    • c.

      als het een prostitutiebedrijf betreft, onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen.

PARAGRAAF 3.2 REGELS VOOR ALLE PROSTITUTIEBEDRIJVEN EN PROSTITUEES
Artikel 3:12 Leeftijd en verblijfstitel prostituees
  • 1. Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die:

    • a.

      nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt;

    • b.

      in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000.

Artikel 3:13 Bedrijfsplan
  • 1. Een prostitutiebedrijf beschikt over een bedrijfsplan, waarin in ieder geval wordt beschreven welke maatregelen de exploitant treft:

    • a.

      op het gebied van hygiëne;

    • b.

      ter bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het zelfbeschikkingsrecht van de prostituees;

    • c.

      ter bescherming van de gezondheid van de klanten;

    • d.

      ter voorkoming van strafbare feiten.

  • 2. De door de exploitant te treffen maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, waarborgen dat:

    • a.

      de hygiëne in een seksinrichting voldoet aan de algemene eisen die hiervoor in de branche gelden en dat dit controleerbaar is;

    • b.

      inzichtelijk en controleerbaar is welke maatregelen een exploitant in zijn bedrijfsvoering en inrichting van de werkruimten treft voor gezonde en veilige werkomstandigheden voor prostituees;

    • c.

      in de seksinrichting te allen tijde voldoende condooms met een CE-markering voor gebruik beschikbaar zijn;

    • d.

      in de werkruimten voor de prostituees een goed functionerende alarmvoorziening aanwezig is;

    • e.

      de prostituee zich regelmatig kan laten onderzoeken op seksueel overdraagbare aandoeningen en door de exploitant voldoende geïnformeerd is over de mogelijkheden van een dergelijk onderzoek;

    • f.

      de prostituee niet gedwongen wordt zich geneeskundig te laten onderzoeken;

    • g.

      de prostituee vrij is in de keuze van de arts(en) die zij wil bezoeken;

    • h.

      de prostituee klanten en diensten kan weigeren zonder dat dat voor haar andere werkzaamheden gevolgen heeft;

    • i.

      de prostituee kan weigeren alcohol of drugs te gebruiken zonder dat dat voor haar werkzaamheden gevolgen heeft;

    • j.

      aan de voor de exploitant werkzame beheerder voldoende professionele eisen op het gebied van agressiebeheersing en bedrijfshulpverlening worden gesteld en waar nodig wordt gezorgd voor scholing hierin;

    • k.

      de exploitant zich een oordeel vormt over de mate van zelfredzaamheid van de prostituee voordat deze voor of bij hem gaat werken, teneinde vast te stellen of zij voldoet aan de eisen die hij hiervoor in zijn bedrijfsplan heeft opgenomen;

    • l.

      de exploitant voor elke voor of bij hem werkzame prostituee kan aantonen onder welke verhuur- of arbeidsvoorwaarden zij haar diensten aanbiedt;

    • m.

      de exploitant of beheerder zich er regelmatig van vergewist dat de prostituee niet door derden gedwongen wordt tot prostitutie en dat hij in dit kader informatie van hulpverleningsinstanties ter beschikking stelt;

    • n.

      de exploitant aan de voor of bij hem werkzame prostituees informatie ter beschikking stelt over de mogelijkheden om hulp te krijgen als een prostituee wil stoppen met haar werk in de prostitutie;

    • o.

      de overlast aan de omgeving van de onder het seksbedrijf vallende seksinrichtingen beperkt wordt.

  • 3. Het bedrijfsplan wordt overgelegd bij de aanvraag om een vergunning.

  • 4. De exploitant meldt een voorgenomen wijziging van het bedrijfsplan onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan. De wijziging wordt na goedkeuring van het bevoegde bestuursorgaan als onderdeel van het bedrijfsplan aangemerkt, als deze voldoet aan de eisen die overeenkomstig het eerste en tweede lid aan een bedrijfsplan worden gesteld.

  • 5. De rechten voor prostituees, die worden gewaarborgd op grond van het tweede lid, worden op schrift gesteld en in een voor haar begrijpelijke taal uitgereikt aan elke prostituee die werkzaam is voor of bij de exploitant.

  • 6. In de seksinrichting wordt in ten minste twee talen en voor de klant goed zichtbaar bekend gemaakt dat een prostituee klanten en diensten mag weigeren en mag weigeren alcohol of drugs te gebruiken.

Artikel 3:14 Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf
  • 1. De exploitant of de beheerder is aanwezig gedurende de uren dat het prostitutiebedrijf daadwerkelijk wordt uitgeoefend.

  • 2. De exploitant van een prostitutiebedrijf draagt er zorg voor dat:

    • a.

      de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees redelijkerwijs hun eigen werktijden kunnen bepalen;

    • b.

      er een deugdelijke bedrijfsadministratie wordt gevoerd waarin de actuele gegevens zijn opgenomen van in ieder geval;

      1° de voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees;

      2° de verhuuradministratie;

      3° met betrekking tot alle voor of bij het prostitutiebedrijf werkzame prostituees, de documentatie die ten grondslag ligt aan de vorming van het oordeel over de mate van zelfredzaamheid, bedoeld in artikel 3:13, tweede lid, onder k;

      4° de werkroosters van de beheerders.

    • c.

      de bedrijfsadministratie met inachtneming van de wettelijke termijnen wordt bewaard en te allen tijde beschikbaar is voor toezichthouders;

    • d.

      medewerkers van de gemeentelijke gezondheidsdienst en van andere door de burgemeester of het college aangewezen instellingen worden toegelaten tot seksinrichtingen als ze voornemens zijn voorlichtings- en preventieactiviteiten uit te voeren of voorlichtingsmateriaal te verspreiden;

    • e.

      onverwijld bij de politie wordt gemeld ieder signaal van mensenhandel of andere vormen van dwang en uitbuiting;

    • f.

      onverwijld aan het bevoegde bestuursorgaan wordt gemeld als gedurende ten minste één maand geen gebruik gemaakt zal worden van de vergunning. Deze melding vermeldt de reden en de verwachte duur;

    • g.

      gedaan wordt wat nodig is voor een goede gang van zaken binnen het prostitutiebedrijf;

    • h.

      geen strafbare feiten plaatsvinden in of vanuit het prostitutiebedrijf.

PARAGRAAF 3.3 RAAM- EN STRAATPROSTITUTIE
Artikel 3:15 Raamprostitutie
  • 1. Het is een prostituee verboden:

    • a.

      zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en

    • b.

      passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.

  • 2. Het verbod van het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing op een prostituee die werkzaam is in onder een raamprostitutiebedrijf vallende een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.

Artikel 3:16 Straatprostitutie

Het is verboden zich op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, of in een voor publiek toegankelijk gebouw, op te houden met het kennelijke doel zich door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, beschikbaar te stellen voor prostitutie of op of aan de weg ontuchtige handelingen te verrichten als dit kennelijk geschiedt in het kader van prostitutie.

Artikel 3:17 Handhaving straatprostitutie
  • 1. Met het oog op de naleving van het verbod, bedoeld in artikel 3:16, kan door een politieambtenaar of toezichthouder aan personen het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen en zich gedurende een tijdvak van vierentwintig uur niet te bevinden op bepaalde wegen.

  • 2. Met het oog op de in artikel 3:5, vijfde lid, sub d, genoemde belangen kan door politieambtenaren of toezichthouders aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden als bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk van de aangewezen wegen te verwijderen.

  • 3. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:5, vijfde lid, sub d, genoemde belangen aan personen aan wie in een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden ten minste driemaal een bevel is gegeven als bedoeld in het tweede lid bij besluit verbieden zich gedurende een tijdvak van 1 maand te bevinden op of aan de wegen bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Degene die een bevel van de burgemeester, als bedoeld in het derde lid, heeft gekregen en die in een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar weer het verbod, bedoeld in artikel 3:16, overtreedt, is verplicht zich terstond zich te verwijderen van de aangewezen wegen gedurende een tijdvak van 2 maanden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  • 5. Degene die een bevel van de burgemeester als bedoeld in het vierde lid heeft gekregen en die in een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar weer het verbod, bedoeld in artikel 3:16, overtreedt, is verplicht zich terstond te verwijderen van de aangewezen wegen en zich daar gedurende een tijdvak van 3 maanden niet te bevinden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  • 6. De burgemeester beperkt het in het derde, vierde en vijfde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  • 7. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid.

Afdeling 4: Overige bepalingen

Artikel 3:18 Verbodsbepalingen klanten
  • 1. Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.

  • 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.

Artikel 3:19 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke
  • 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen als het bevoegde bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Artikel 3:20 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
  • 1. In geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan van een afzonderlijke seksinrichting -al dan niet tijdelijk- de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

  • 2. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  • 3. Het is verboden voor de exploitant of de beheerder van een seksinrichting om bezoekers toe te laten of aldaar te laten verblijven gedurende de periode dat de inrichting overeenkomstig het eerste lid gesloten is.

  • 4. Van het bevel tot sluiting wordt een afschrift aangebracht op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. Een ieder is verplicht dit toe te laten en het afschrift te laten hangen zolang de sluiting van kracht is.

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1: Geluid- en lichthinder

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • b.

    inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit;

  • c.

    houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • d.

    collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
  • 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor ten hoogste vier door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.

Artikel 4:3

Reserveren

Artikel 4:4

Reserveren

Artikel 4:6 Overige geluidhinder
  • 1. Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Het verbod geldt niet, voor zover artikel 2:56, de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1990, de Bouwverordening of het Vuurwerkbesluit van toepassing zijn.

Afdeling 2: Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Afdeling 3: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
  • 1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hem gestelde regels:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    • d.

      mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;

  • 2. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.\

  • 3. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door hem aangeduide voorwerp of stof:

    • a.

      op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel

    • b.

      op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.

  • 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale Verordening.

Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen
  • 1. Dit artikel verstaat onder:

    • a.

      meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet;

    • b.

      emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e gelezen moet worden: 'tijdens het uitrijden van de mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt';

    • c.

      grond: bouwland, maïsland en grasland.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, ondag en op de volgende feest- en gedenkdagen: de Nieuwjaarsdag, de tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd en de vijfde mei.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voorzover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde verboden.

  • 5. Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat verkeren.

Artikel 4:16

[vervallen]

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1: Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Begripsomschrijvingen inzake parkeerexcessen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • b.

    voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:

    • 1.

      treinen en trams;

    • 2.

      fietsen, bromfietsen;

    • 3.

      invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    • 4.

      kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen;

  • c.

    parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
  • 1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    • b.

      voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.

  • 4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
  • 1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2. Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken
  • 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:6 Caravans e.d.
  • 1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:

    • a.

      langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het college kan wegen en weggedeelten aanwijzen waar voor bepaalde categorieën voor bepaalde perioden, het onder het eerste lid onder a bedoelde verbod niet geldt

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  • 2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 07.00 tot 18.00 uur.

  • 4. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2. Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
  • 1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

vervallen

Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets
  • 1. Het is verboden fietsen of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde parkeervoorzieningen te laten staan op een door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen weg of weggedeelte.

  • 2. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

  • 3. Het is verboden fietsen of bromfietsen te laten staan in parkeervoorzieningen op een door het college aangewezen weg of weggedeelten, langer dan een door het college te bepalen periode.

  • 4. Het is verboden fietsen of bromfietsen zonder wezenlijke tijdsonderbreking te laten staan op een door het college aangewezen weg of weggedeelte, langer dan een door het college te bepalen periode.

Afdeling 2: Collecteren

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen
  • 1. Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

  • 2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      instellingen die zijn vermeld op het landelijke collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving en die geld of goederen inzamelen in de aan hen door het Centraal Bureau Fondsenwerving toegewezen periode, of;

    • b.

      in de gemeente Den Haag gevestigde verenigingen en stichtingen, die krachtens statuten en activiteiten een doel nastreven dat van algemeen (gemeenschaps)belang is en die geld of goederen inzamelen buiten de periodes die door het Centraal Bureau Fondsenwerving zijn toegewezen aan gecertificeerde instellingen;

    en indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

    • 1.

      De gebruikte collectebussen moeten zijn voorzien van een duidelijk opschrift waaruit de naam en doelstelling van de instelling blijkt;

    • 2.

      Op de weg mag niet na zonsondergang en aan de huizen niet na 21.00 uur worden gecollecteerd;

    • 3.

      Uiterlijk een week voor aanvang van de inzameling moet aan het college melding worden gedaan van de inzameling onder vermelding van de naam van de inzamelende instelling, naam contactpersoon en het doel, de plaats, datum en het tijdstip van de inzameling;

    • 4.

      De verplichtingen en de verboden in dit artikel gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer of de op deze wet gebaseerde Afvalstoffenverordening.

Afdeling 3: Openbaar water

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water
  • 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

  • 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

  • 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken
  • 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30 Veiligheid op het water
  • 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen
  • 1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  • 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Afdeling 4: Gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:31A Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • -.

    bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • -.

    motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden
  • 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets of met een fiets of een paard.

  • 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van het publiek.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:

    • a.

      op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

  • 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Afdeling 5: Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
  • 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden,

    alles voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

  • 3. De burgemeester kan van dit verbod ontheffing verlenen.

  • 4. De ontheffing kan worden geweigerd:

    • a.

      in het belang van de openbare orde en veiligheid;

    • b.

      ter bescherming van de woon- en leefomgeving;

  • 5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 6: Verstrooiing van as

Artikel 5:35 Begripsomschrijving

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36 Verboden plaatsen
  • 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    • a.

      verharde delen van de weg;

    • b.

      gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;

    • c.

      op het strand en in zee, gedurende de periode van 15 mei tot 1 oktober, tussen zonsopgang en zonsondergang;

    • d.

      speel- en ligweiden;

    • e.

      kinderspeelplaatsen.

  • 2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  • 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

Artikel 5:37 Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Afdeling 7: Aangelegenheden betreffende het toezicht op het strand

Artikel 5:38 Zwemmen in zee.

Het is verboden:

  • a.

    zich bij het baden of zwemmen in zee te bevinden met een voorwerp bestemd of gebruikt om zich daarmede drijvende te houden;

  • b.

    zich van een strandhoofd af in zee te begeven of in de naaste omgeving daarvan te baden of te zwemmen.

Artikel 5:39 Strandstoelen e.d.

vervallen

Artikel 5:40 Spelen op het strand

Het is verboden op het strand of bij het baden of zwemmen in zee enig spel of enige sport te beoefenen als daarvan gevaar of overlast voor personen dan wel beschadiging van goederen is te duchten.

Artikel 5:41 Varen in zee.
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      een vaartuig op het strand te hebben of te brengen;

    • b.

      zich met een vaartuig in zee tussen de strandhoofden te bevinden.

    • c.

      om tot een afstand van 1000 meter, loodrecht gemeten vanaf de laagwaterlijn richting zee, te waterskiën, een waterscooter (jetski) te gebruiken en/of te parasailen.

  • 2. Dit verbod geldt niet op de door burgemeester en wethouders bij besluit ( Zie uitvoeringsbesluit ) vastgestelde plaatsen en tijden ten aanzien van de in dat besluit genoemde categorie van vaartuigen, mits daarbij de door burgemeester en wethouders vastgestelde voorschriften in acht worden genomen.

  • 3 Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:42 Rijden op het strand.
  • 1. Het is verboden:

    • a.

      het strand te berijden met een motorvoertuig;

    • b.

      een motorvoertuig op het strand te plaatsen of te laten staan.

    • c.

      het strand te berijden met een door wind voortbewogen voertuig;

    • d.

      op het strand bromfietsen te berijden, te plaatsen of te laten staan;

    • e.

      tussen 19.00 uur en 10.00 uur te slapen op het strand.

  • 2. Het is verboden gedurende het tijdvak van 15 mei tot 1 oktober op het strand:

    • a.

      fietsen te berijden, te plaatsen of te laten staan, tussen 07.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      te rijden met rij- of trekdieren of wagens tussen 07.00 uur en 19.00 uur.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in lid 2 onder b. is het verboden anders dan stapvoets het strand te berijden met rij- of trekdieren of bespannen wagens.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, en van het verbod, neergelegd in het tweede lid en het derde lid.

Hoofdstuk 6 Straf-, boete-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

  • 1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak: artikel 2:1, 2:3, 2:6, 2:10, 2:10B., 2:11, 2:12, 2:18, 2:25, 2:25B., 2:26, 2:26A., 2:26B., 2:28, 2:29, 2:30, 2:31, 2:32, 2:33, 2:36, 2:37, 2:38, 2:41, 2:44, 2:48, 2:49, 2:50, 2:52, 2:67, 2:68, 2:69, 2:72, 2:73, 2:73A., 2:74, 2:74A., 2:74B., 2:74C., 2:75, 2:79, 3:3, 3:8, 3:10, 3:11, 3:12, 3:13, 3:14, 3:15, 3:16, 3:18, 3:19, 3:20, 4:3, 4:4, 4:6, 4:13, 4:14, 5:2, 5:3, 5:7, 5:8, 5:9, 5:13, 5:24, 5:34, 5:36, 5:37, 5:39, 5:42, eerste lid, 5:42, derde lid.

  • 2. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: artikel 2:8, 2:9, 2:13, 2:14, 2:15, 2:16, 2:17, 2:19, 2:20, 2:21, 2:22, 2:23, 2:23A., 2:42, 2:43, 2:45, 2:46, 2:47, 2:47A., 2:51, 2:53, 2:56, 2:57, 2:58, 2:59, 2:60, 2:63, 2:64, 2:65, 4:8, 4:9, 5:4, 5:6, 5:10, 5:11, 5:12, 5:28, 5:29, 5:30, 5:31, 5:33, 5:38, 5:40, 5:41, 5:42, tweede lid.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde lid, 2:11, tweede lid, [2:12, eerste lid,] en 4:11, eerste lid.

Artikel 6:1A Boetebepaling bestuurlijke boete

  • 1. Overtreding door een natuurlijke persoon of rechtspersoon van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde of de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen kan worden beboet met een bestuurlijke boete:

    2:6, 2:9, 2:10, 2:11, 2:12, 2:13, 2:14, 2:15, 2:16, 2:17, 2:18, 2:19, 2:20, 2:23, 2:23A, 2:25, 2:25B, 2:26, 2:26A, 2:26B, 2:28, 2:29, 2:30, 2:30A, 2:31, 2:32, 2:38A, 2:38B, 2:41, 2:42, 2:43, 2:44A, 2:45, 2:46, 2:47, 2:47A, 2:48, 2:49, 2:50, 2:51, 2:53, 2:57, 2:58, 2:59, 2:60, 2:63, 2:64, 2:65, 2:72, 2:73, 2:73A, 2:74, lid 2, 2:74A, 2:74C, 3:15, 3:16, 3:17, 3:18, 4:6, 4:8, 4:9, 4:13, 4:14, 5:2, 5:3, 5:4, 5:5, 5:6, 5:7, 5:8, 5:9, 5:10, 5:12, 5:13, 5:24, 5:28, 5:29, 5:30, 5:31, 5:33, 5:34, 5:36, 5:37, 5:38, 5:40, 5:41, 5:42, 6:2A.

  • 2. Bij overtreding door een natuurlijke persoon van een voorschrift als genoemd in de bijlage bij dit artikel, is de hoogte van de bestuurlijke boete gelijk aan het bedrag dat in de bijlage is vermeld bij het desbetreffende voorschrift.

  • 3. Bij overtreding door een rechtspersoon van een voorschrift als genoemd in de bijlage bij dit artikel wordt de hoogte van de bestuurlijke boete die geldt voor een natuurlijke persoon vermenigvuldigd met de factor twee.

  • 4. De op te leggen bestuurlijke boete worden verhoogd met 100% van het boetebedrag, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van constatering van de overtreding een eerdere overtreding, bestaande uit eenzelfde gedraging, is geconstateerd en de bestuurlijke boete voor de eerdere overtreding onherroepelijk is geworden.

  • 5. Indien het boetebedrag bedoeld in het derde of vierde lid, hoger is dan het wettelijk maximum boetebedrag bedoeld in artikel 154b, zesde lid, van de Gemeentewet, geldt het wettelijk maximum boetebedrag.

Artikel 6:2 Toezichthouders

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, zijn belast: de Inspecteurs Openbare Ruimte, de Boswachters, Controleurs Binnenwateren en de Controleurs Openbare Ruimte werkzaam bij de Dienst Stadsbeheer.

  • 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen belasten met dit toezicht .

Artikel 6:2A

Een ieder is verplicht om de door de in artikel 6:2 bedoelde toezichthouder gegeven aanwijzingen na te leven.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening, gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van een door burgemeester en wethouders nader te bepalen datum.

  • 2. Met ingang van de in het lid 1 bedoelde datum wordt de Algemene politieverordening voor 's-Gravenhage 1982 (5/1982) ingetrokken.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

  • 1. Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, blijven - indien en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht totdat de termijn, waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij met inachtneming van hetgeen terzake in de vergunning of ontheffing is bepaald worden ingetrokken.

  • 2. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, blijven - indien en voorzover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht totdat de termijn, waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij met inachtneming van hetgeen terzake in het voorschrift of de beperking is bepaald worden ingetrokken.

  • 3. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.

  • 4. Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid.

  • 5. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.

  • 6. Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, zijn niet van toepassing:

    • a.

      gedurende acht weken na het in werking treden van deze verordening;

    • b.

      ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.

  • 7. De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

Artikel 6:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag.

Bijlage als bedoeld in artikel 6:1A, tweede lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag

Artikel

Onderwerp

Boete in euro’s

2:6, lid 1

Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

140 (bijlage Bboor)

2:9, lid 1

Straatartiest en muziek (uitvoeringsbesluit)

230 (bijlage Bboor)

2:9, lid 2

Straatartiest en muziek (op andere plaatsen)

230 (bijlage Bboor)

2:10, lid 1

Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg

230 (bijlage Bboor)

2:11, lid 1

Aanleggen, beschadigen, opbreken en veranderen van een weg

230 (bijlage Bboor)

2:12, lid 1

Maken, veranderen van een uitweg

300

2:13, lid 1

Veroorzaken van gladheid

90

2:14, lid 1

Winkelwagentjes (rechthebbende op een bedrijf)

90 (bijlage Bboor)

2:14, lid 3

Winkelwagentjes (gebruiker)

90 (bijlage Bboor)

2:15

Hinderlijke beplanting of voorwerp

90

2:16

Openen straatkolken e.d.

90

2:17, lid 1

Kelderingangen e.d.

90

2:18, lid 1

Rookverbod in bossen en natuurterreinen

140 (bijlage Bboor)

2:18, lid 2

Rookverbod in bossen en natuurterreinen (brandende voorwerpen)

280 (bijlage Bboor)

2:19, lid 1

Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

90

2:20

Vallende voorwerpen

90

2:23, lid 1, onderdeel a.

Veiligheid op het ijs (ijsvlakte)

90

2:23, lid 1, onderdeel b.

Veiligheid op het ijs (bakens etc.)

90

2:23A, onderdeel a.

Beweegbare bruggen (zich bevinden op brug waarvan toegang is afgesloten)

90

2:23A, onderdeel b.

Beweegbare bruggen (afsluiting openen)

90

2:25, lid 1

Vergunningplicht evenement

90 (bijlage Bboor)

2:25B, lid 9

Sportwedstrijden

90

2:26

Ordeverstoring bij evenement

90

2:26A, lid 1

Ordeverstoring bij sportwedstrijden

90

2:26B, lid 1

Stadionomgevingsverbod

90

2:28, lid 1

Exploitatievergunning horeca-inrichting

90

2:29, lid 1

Sluitingstijden categorie 1

280 (bijlage Bboor)

2:29, lid 2

Sluitingstijden categorie 2

280 (bijlage Bboor)

2:30, lid 4

Toelating bezoekers in op last van burgemeester gesloten horeca-inrichting

280

2:30, lid 5

Aanwezigheid bezoekers in op last van burgemeester gesloten horeca-inrichting

280

2:30A, lid 1

Toezicht in horeca-inrichting (afwezigheid ondernemer of leidinggevende)

90

2:30A, lid 2

Toezicht in of buiten de horeca-inrichting (voorkomen strafbare feiten)

90

2:31 onderdeel b.

Sluitingstijden (bezoeker)

90 (bijlage Bboor)

2:32, lid 2

Handel in horeca-inrichting

90

2:38A

Aanbieden logeergelegenheid

90

2:38B, lid 1

(Nacht)verblijf aan de weg (aanzegging tot beëindiging)

140 (bijlage Bboor)

2:38B, lid 2

(Nacht)verblijf aan de weg (verboden slaapplaats)

140 (bijlage Bboor)

2:41, lid 1

Betreden gesloten woning of lokaal (174a Gemeentewet)

90

2:41, lid 2

Betreden gesloten woning of lokaal (13b Opiumwet)

90

2:42, lid 1

Plakken en kladden (algemeen)

140 (bijlage Bboor)

2:42, lid 2, onderdeel a.

Plakken en kladden (aanplakbiljet)

140 (bijlage Bboor)

2:42, lid 2, onderdeel b.

Plakken en kladden (met kalk etc.)

140 (bijlage Bboor)

2:42, lid 5

Plakken en kladden (handelsreclame)

140 (bijlage Bboor)

2:43, lid 1

Vervoer plakgereedschap e.d.

140 (bijlage Bboor)

2:45, lid 1

Betreden van plantsoenen e.d.

45 (bijlage Bboor)

2:45, lid 2

Beschadiging van plantsoenen e.d.

90

2:46, lid 1

Rijden over bermen e.d.

90

2:47, lid 1a

Hinderlijk gedrag op of aan de weg (klimmen op beeld, monument etc.)

90 (bijlage Bboor)

2:47, lid 1b

Hinderlijk gedrag op of aan de openbare weg (overig)

140 (bijlage Bboor)

2:47A, lid 2

Skaten en skateboarden

90

2:48, lid 1

Verboden gebruik of voorhanden hebben van drank

90 (bijlage Bboor)

2:48, lid 3

Verboden gebruik of voorhanden hebben van softdrugs

90

2:49, lid 1 onderdeel a.

Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen (portiek of poort)

90 (bijlage Bboor)

2:49, lid 1 onderdeel b.

Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen (raamkozijn of drempel)

90 (bijlage Bboor)

2:50

Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

140 (bijlage Bboor)

2:50

Hinderlijk gedrag (verontreinigen)

140 (bijlage Bboor)

2:50

Gebruik van voor publiek toegankelijke ruimte voor een ander doel dan waarvoor de ruimte is bestemd

90 (bijlage Bboor)

2:51, onderdeel a.

Neerzetten van fietsen e.d. (tegen de wil van gebruiker van gebouw)

45 (bijlage Bboor)

2:51, onderdeel b.

Neerzetten van fietsen e.d. (versperren ingang)

45 (bijlage Bboor)

2:53, lid 1

Bespieden van personen (kennelijke bedoeling)

140 (bijlage Bboor)

2:53, lid 2

Bespieden van personen

140 (bijlage Bboor)

2:57, lid 1a

Loslopende honden op een weg binnen de bebouwde kom

90 (bijlage Bboor)

2:57, lid 1b

Loslopende honden op kinderspeelplaats e.d.

140 (bijlage Bboor)

2:58, lid 1

Verontreiniging door honden

140 (bijlage Bboor)

2:58, lid 4

Hulpmiddel ter verwijdering van uitwerpselen

90 (bijlage Bboor)

2:58, lid 5

Hulpmiddel niet tonen op eerste vordering

90 (bijlage Bboor)

2:59, lid 2

Gevaarlijke honden aanlijngebod

€ 230

2:59, lid 3

Gevaarlijke honden muilkorfgebod

€ 230

2:59, lid 4

Gevaarlijke honden microchip

€ 230

2:60, lid 2

Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

140 (bijlage Bboor)

2:63, lid 1

Duiven

90

2:64, lid 1, onderdeel a.

Bijen (bij woningen)

90

2:64, lid 1, onderdeel b.

Bijen (bij de weg)

90

2:65

Overlast van fiets op markt en kermissterrein

45 (bijlage Bboor)

2:72, lid 1

Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

150

2:73, lid 1

Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling (aangewezen gebied)

100 (bijlage Bboor)

2:73, lid 2

Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling (schade, overlast e.d.)

100 (bijlage Bboor)

2:73A, lid 1

Vreugdevuren

90

2:74, lid 2

Softdrugs gebruiken in de openbare ruimte

90

2:74A, lid 1

Overlastgevende woonpanden

90

2:74C, lid 1

Verblijfsontzeggingen (aangewezen gebied)

150

2:74C, lid 2

Verblijfsontzeggingen (wapens)

150

2:74C, lid 3

Verblijfsontzeggingen (ordeverstorende gedragingen)

150

2:74C, lid 4

Verblijfsontzeggingen (recidive)

150

2:74C, lid 5

Verblijfsontzeggingen (recidive)

150

3:15, lid 1, onderdeel a

Raamprostitutie (vanuit gebouw)

230

3:15, lid 1, onderdeel b

Raamprostitutie (passanten)

230

3:16

Straatprostitutie

230

3:17, lid 7

Handhaving straatprostitutie

370

3:18, lid 1

Verbodsbepaling klanten

230

4:6, lid 1

Overige geluidhinder

140 (bijlage Bboor)

4:8

Natuurlijke behoefte doen

140 (bijlage Bboor)

4:9

Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

90

4:13, lid 3, onderdeel a.

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen (als zodanig)

120

4:13, lid 3, onderdeel b.

Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen (anders dan conform gestelde regels)

120

4:14, lid 2

Stankoverlast door meststoffen

90

5:2, lid 1, onderdeel a.

Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. (op de weg)

120

5:2, lid 1, onderdeel b.

Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. (gebruik weg als werkplaats)

120

5:3, lid 1

Te koop aanbieden van voertuigen

180 (bijlage Bboor)

5:4

Defecte voertuigen

90 (bijlage Bboor)

5:5, lid 1

Voertuigwrakken

90

5:6, lid 1, onderdeel a.

Caravans e.d. (langer dan drie achtereenvolgende dagen)

90 (bijlage Bboor)

5:6, lid 1, onderdeel b.

Caravans e.d. (in strijd met uiterlijk aanzien gemeente)

90

5:7, lid 1

Parkeren van reclamevoertuigen

180 (bijlage Bboor)

5:8, lid 1

Parkeren van grote voertuigen (strijd met uiterlijk aanzien gemeente)

90

5:8, lid 2

Parkeren van grote voertuigen (verdeling beschikbare parkeerruimte)

90

5:9, lid 1

Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen

90

5:10, lid 1

Parkeren van voertuigen met stank verspreidende stoffen

90

5:12, lid 1

Overlast van fiets of bromfiets (buiten parkeervoorzieningen)

60

5:12, lid 2

Overlast van fiets of bromfiets (wrakken)

60

5:12, lid 3

Overlast van fiets of bromfiets (langer parkeren dan toegestaan)

60

5:12, lid 4

Overlast van fiets of bromfiets (zonder wezenlijke tijdsonderbreking laten staan)

60

5:13, lid 1

Inzameling van geld of goederen

140

5:24, lid 1

Voorwerpen op, in of boven openbaar water

90

5:28, lid 1

Beschadigen van waterstaatswerken

90

5:29

Reddingsmiddelen

140

5:30, lid 1

Veiligheid op het water

140 (bijlage Bboor)

5:31, lid 1

Overlast aan vaartuigen

90 (bijlage Bboor)

5:31, lid 2

Overlast aan vaartuigen

90

5:33, lid 1

Beperking verkeer in natuurgebieden e.d. met motorvoertuig

140 (bijlage Bboor)

5:33, lid 1

Beperking verkeer in natuurgebieden e.d. met bromfiets

95 (bijlage Bboor)

5:33, lid 1

Beperking verkeer in natuurgebieden e.d. met fiets

55 (bijlage Bboor)

5:33, lid 1

Beperking verkeer in natuurgebieden e.d. met paard

55 (bijlage Bboor)

5:34, lid 1

Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

280 (bijlage Bboor)

5:36, lid 1

Verstrooiing van as op verboden plaatsen

90

5:37

Hinder of overlast incidentele as verstrooiing

90

5:38, onderdeel a.

Zwemmen in zee (drijfmiddel)

60

5:38, onderdeel b.

Zwemmen in zee (bij strandhoofd)

60

5:40

Spelen op het strand (hinder, gevaar etc.)

60

5:41, lid 1, onderdeel a.

Vaartuig op strand

60

5:41, lid 1, onderdeel b.

Vaartuig tussen strandhoofden

60

5:41, lid 1, onderdeel c.

Waterskiën, jetski of parasailen

90

5:42, lid 1, onderdeel a.

Rijden op het strand (motorvoertuig)

90

5:42, lid 1, onderdeel b.

Motorvoertuig op strand plaatsen e.d.

60

5:42, lid 1, onderdeel c.

Rijden met door wind bewogen voertuig op strand

60

5:42, lid 1, onderdeel d.

Rijden met bromfiets op strand

90

5:42, lid 2, onderdeel a.

Fietsen op het strand

60

5:42, lid 2, onderdeel b.

Rij- of trekdieren op het strand

90

5:42, lid 3

Anders dan stapvoets het strand berijden

90

6:2A

Aanwijzingen toezichthouders

90