ASV Eindhoven

Geldend van 03-07-2020 t/m heden

Intitulé

ASV Eindhoven

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven maakt bekend, dat de raad van deze gemeente in de vergadering van 31 mei 2011 heeft ingetrokken de Subsidieverordening gemeente Eindhoven 2008 en heeft vastgesteld de navolgende

Algemene subsidieverordening gemeente Eindhoven

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    raad: raad van de gemeente Eindhoven;

  • b.

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven;

  • c.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • d.

    jaarlijkse subsidie: subsidie die per kalenderjaar of voor een bepaald aantal kalenderjaren voor een periode van maximaal vier jaar wordt verstrekt;

  • e.

    eenmalige subsidie: een subsidie die wordt verstrekt voor een activiteit met een eenmalig of incidenteel karakter voor een van tevoren bepaalde tijd van maximaal vier jaar;

  • f.

    de minimisverklaring: de door het college vastgestelde verklaring inzake de minimissteun, als bedoeld in de Verordening (EG), nr. 1998/2006.

  • g.

    samenwerkingspartner: een derde met wie de subsidieontvanger de activiteiten uitvoert

  • h.

    algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond

    van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 127), dan wel later daar voor in de plaats tredende

    Europese regelgeving

  • i.

    De-minimissteun: steun die wordt verstrekt op basis van de Verordening (EU) knr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de

    toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352/1); Verordening (EU) nr. 2019/316 van de Commissie tot wijziging

    van de Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op

    De-minimissteun in de Landbouwproductiesector (PbEU L 51 I/1); Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de

    artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), of Verordening (EU) 2018/1923 van de

    Commissie van 7 december 2018 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op

    de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PbEU L 313/2)

  • j.

    Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese

    Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld, waaronder de Algemene

    groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 2017/1084 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie

    van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard

    (PbEU L 156/1); de Landbouw vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën

    steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van

    de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 193/1); en de Visserij vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 1388/2014

    van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet

    van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne

    markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 369/37)

  • k.

    onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent

  • l.

    Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47)

  • m.

    Wet: Algemene wet bestuursrecht

Artikel 2 Reikwijdte verordening
  • 1. Deze verordening is van toepassing op alle gemeentelijke subsidies, tenzij de verordening of bepalingen ervan bij afzonderlijk besluit van de raad buiten toepassing is of zijn verklaard.

  • 2. Subsidies kunnen worden verstrekt voor activiteiten die overeenkomen met de beleidsterreinen die zijn opgenomen in de programmabegroting.

  • 3. Subsidie op basis van deze verordening wordt verstrekt aan een rechtspersoon of een rechtspersoon in oprichting. Het college kan bij nadere regeling (hierna te noemen: subsidieregeling) bepalen dat subsidieverstrekking aan een natuurlijk persoon mogelijk is.

    4. Het college is bevoegd tot het verstrekken van begrotingssubsidies, met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen en - indien de begroting nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd - onder het voorbehoud (als bedoeld in artikel 4:34 van de wet) dat voldoende geldenter beschikking worden gesteld, aan het college.

Artikel 3 Subsidieregelingen
  • 1. Het college kan subsidieregelingen vaststellen, waarin de te subsidiëren activiteiten en de doelgroepen worden omschreven, met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen.

  • 2. Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van subsidies met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen en –indien de begroting nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd- onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.

  • 3. Het college neemt in het kader van deze verordening besluiten over subsidieverlening, subsidieweigering, subsidievaststelling, wijziging of intrekking van de subsidieverlening of subsidievaststelling, bevoorschotting of terugvordering van subsidie. En het kan hiertoe nadere regels stellen.

  • 4. Het college kan voorwaarden aan de beschikking tot subsidieverlening verbinden.

  • 5. Het college kan formulieren vaststellen voor het indienen van de aanvraag om subsidie, voor de (tussentijdse) verantwoording en voor de aanvraag om vaststelling van de subsidie.

Artikel 4 Staatssteunregels
  • 1.

    Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kunnen burgemeester en wethouders bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen

  • 2.

    Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader.

  • 3.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

  • 4.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.

  • 5.

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekkingvoldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.

Artikel 5 Subsidieplafond
  • 1 Het college kan de subsidieplafonds vaststellen. In dat geval bepaalt zij bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de betrokken subsidie.

    2 Burgemeester en wethouders kunnen een subsidieplafond verlagen als:

    a. het plafond wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en

    b. de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of

    goedgekeurd

    3 Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging

    en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.

    4 Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op

    de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen

Hoofdstuk 2 Aanvraag van de subsidie

Artikel 6 Bij aanvraag in te dienen gegevens
  • 1. De aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college.

  • 2. Een subsidieaanvraag gaat naast het bepaalde in artikel 4:2 van de Awb vergezeld van:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelen en resultaten, die daarmee worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen. In het bijzonder ook in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente Eindhoven of haar ingezetenen en op door de gemeente Eindhoven vastgestelde doelen of beleidsterreinen;

    • c.

      een begroting en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • d.

      indien van toepassing bij een jaarlijkse subsidie, de stand van de egalisatiereserve en bestemmingsreserve(s)op het moment van de aanvraag;

    • e.

      vermelding van bestaan van (zakelijke) relaties op het niveau van bestuur of directie van de subsidieaanvrager met bloed- of aanverwanten dan wel eigen bedrijven, eigen stichtingen of andere eigen rechtspersonen en de aard van deze verhoudingen alsmede de financiële impact ervan;

    • f.

      een opgave van eventuele samenwerkingspartners;

    • g.

      Als de aanvrager een onderneming is

      1°. een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen

      voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

      2°. een verklaring als bedoeld in de verordening met betrekking tot deminimissteun (de-minimisverklaring

  • 3. Indien een aanvrager voor het eerst een subsidie aanvraagt, voegt hij een exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten, het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar als bijlagen toe aan het aanvraagformulier. Een balans is niet vereist als het een subsidie betreft van niet meer dan €5.000,--.

  • 4. Het college kan bepalen dat ook andere of minder dan de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag van belang zijn, worden overgelegd.

Artikel 7 Aanvraagtermijn
  • 1. Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt ingediend uiterlijk vóór 1 oktober in het jaar voorafgaande aan het jaar of de jaren, waarop de aanvraag betrekking heeft.

  • 2. Een aanvraag voor een eenmalige subsidie wordt ingediend tenminste 13 weken vóór aanvang van de activiteiten.

  • 3. Een aanvraag voor een eenmalige subsidie tot en met €5.000,-- als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onderdeel d van de Wet dient te worden ingediend tenminste 6 weken voorafgaande aan de activiteiten.

  • 4. Het college kan bij subsidieregeling andere termijnen stellen voor daarbij aan te wijzen subsidies voor het indienen van een aanvraag.

Artikel 8 Beslistermijn
  • 1. Het college beslist op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie uiterlijk op 31 december van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar.

  • 2. Het college beslist op een aanvraag voor een eenmalige subsidie binnen 8 weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 3. Het college beslist op een aanvraag voor een eenmalige subsidie tot en met €5.000,-- als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, onderdeel d van de Awb binnen 3 weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

  • 4. Het college kan bij subsidieregeling andere termijnen stellen voor daarbij aan te wijzen subsidies.

  • 5. Als een aanvraag om subsidie in verband met staatssteun aan de Europese Commissie is voorgelegd, beslist het college daarop binnen 8 weken na de beslissing van de Europese Commissie.

Hoofdstuk 3 Weigering van de subsidie

Artikel 9 Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden
  • 1 Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Wet weigeren burgemeester en wethouders de subsidie in ieder geval:

    a. als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie

    onverenigbaar is met de interne markt, of

    b. als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van

    de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is

    verklaard, of

    c. het college voor dezelfde activiteiten reeds subsidie heeft verstrekt, of

    d. subsidieverstrekking niet past binnen de door de raad vastgestelde beleidskaders en financiële kaders.

    2 Onverminderd het vorige lid weigeren burgemeester en wethouders de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met

    een Europees steunkader, omdat:

    a. Subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in

    het desbetreffende steunkader, of

    b. De subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.

    3 Onverminderd de vorige leden kunnen burgemeester en wethouders de subsidie verder in ieder geval weigeren:

    a. als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze

    onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

    b. als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

    c. als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    d. als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

    e. als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid,

    van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is net de interne markt;

    f. de aanvrager ook zonder subsidie over de benodigde gelden, hetzij uit eigen middelen of uit middelen van derden kan

    beschikken om de kosten van zijn activiteiten te dekken;

    g. op het niveau van bestuur en directie (zakelijke) relaties bestaan met bloed- of aanverwanten dan wel eigen bedrijven,

    eigen stichtingen dan wel andere eigen rechtspersonen die naar het oordeel van het college ongewenst zijn;

    h. de doelstellingen of activiteiten van aanvrager in strijd zijn met de wet- en regelgeving, het algemeen belang of de openbare

    orde;

    i. de activiteiten een politieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke boodschap hebben;

    j. voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd geen of onvoldoende gelden op de begroting zijn gereserveerd;

    k. gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de te verlenen subsidie niet of in onvoldoende mate zal worden besteed (of

    bijdragen) aan het beleidsdoel of doel waarvoor de subsidie is bedoeld;

    l. in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.

    4 Het college kan een subsidie in ieder geval weigeren of intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet

    bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

    5 Het college vordert een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie

    of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak

Hoofdstuk 4 Verlening van de subsidie

Artikel 10 Tussentijdse rapportage
  • 1. Indien een subsidie meer dan €50.000 bedraagt, dient de subsidieontvanger uiterlijk 1 juli een halfjaarrapportage in bij het college.

  • 2. Indien de halfjaarrapportage aanleiding geeft tot inhoudelijke en/of financiële aanpassingen door de subsidieontvanger, rapporteert subsidieontvanger het college hierover uiterlijk 1 oktober.

  • 3. Het college kan in de verleningsbeschikking afwijken van het bepaalde in het eerste en het tweede lid.

  • 4. In de overige gevallen besluit het college in de verleningsbeschikking over de wijze van rapporteren.

Artikel 11 Betaling en bevoorschotting
  • 1. Indien een beschikking tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, wordt gegeven, vindt de betaling van de gehele subsidie in één keer plaats.

  • 2. Indien een beschikking tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, wordt gegeven, wordt 100% bevoorschot in één termijn.

  • 3. In de overige gevallen besluit het college bij de subsidieverlening ambtshalve over bevoorschotting. Daarbij worden de hoogte en de termijnen van de voorschotten bepaald en kan dit afhankelijk worden gesteld van de voortgang en uitvoering van de activiteiten. 

  • 4. Indien sprake is van een beschikking tot subsidieverlening aan een rechtspersoon in oprichting, wordt pas overgegaan tot bevoorschotting nadat de oprichtingakte is overgelegd.

Artikel 12 BTW en niet subsidiabele kosten
  • 1 Subsidie kan alleen worden verstrekt voor BTW indien deze niet verrekend kan worden met de Belastingdienst of niet gecompenseerd kan worden bij het BTW-compensatiefonds.

  • 2 subsidiabele kosten zijn kosten die redelijk zijn en direct gerelateerd zijn aan de activiteit, het betreffende programma of project.

Hoofdstuk 5 Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 13 Algemene verplichtingen
  • 1. De subsidieontvanger doet ogenblikkelijk melding aan het college, zodra aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, niet of niet geheel zullen worden verricht of dat niet geheel aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen en voorwaarden zal worden voldaan.

  • 2. De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over:

    • a.

      a. besluiten of procedures die zijn gericht op beëindiging van de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, dan wel ontbinding van de rechtspersoon;

    • b.

      b. relevante wijzigingen in de algemene en financiële situatie en relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhoudingen met derden;

    • c.

      c. ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;

    • d.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het doel van de rechtspersoon.

  • 3. De subsidieontvanger heeft de toestemming van het college nodig voor de handelingen, bedoeld in artikel 4:71 van de Awb, als zij van invloed zijn op de gesubsidieerde activiteiten.

Artikel 14 Bijzondere verplichtingen
  • 1. In de gevallen bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de Awb is de subsidieont­vanger aan de gemeente Eindhoven een vergoeding van vermogenswaarden verschuldigd.

  • 2. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding, zoals bedoeld in artikel 4:41, tweede lid van de Awb wordt uitgegaan van:

    • a.

      a. de waarde van de goederen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat in geval van een aanspraak op schadevergoeding voor verlies of beschadiging van za­ken wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de sub­sidieontvanger wordt ontvangen;

    • b.

      b. de mate waarin de subsidiëring door de gemeente heeft bijgedragen tot het verwerven van eigendommen of het vormen van vermogen;

    • c.

      indien het onroerende zaken betreft, geschiedt de waardebepaling, zoals be­doeld in het vorige lid door een onafhankelijke deskundige.

  • 3. Het college kan besluiten dat geen vergoeding verschuldigd is indien de

    activiteiten of werkzaamheden van de subsidieontvanger worden overgenomen en voortgezet door een rechtspersoon met een gelijke of nagenoeg gelijke doelstelling en de activa en passiva ten boekwaarde worden overgenomen.

    4. Op het niveau van bestuur en directie van de subsidieontvanger en eventuele samenwerkingspartners is geen sprake van ongewenste verhoudingen met bloed- of aanverwanten dan wel eigen bedrijven, stichtingen of andere rechtspersonen.

Hoofdstuk 6 Verantwoording en vaststelling van de subsidie

Artikel 15 Verantwoording subsidies tot en met €5.000,--
  • 1. Subsidies tot en met €5.000,-- worden door het college:

    • a.

      direct vastgesteld of;

    • b.

      ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken, nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht;

  • 2. Bij een ambtshalve vaststelling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan het college de aanvrager verplichten om op door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 16 Verantwoording subsidies van meer dan €5.000,-- tot en met €50.000,--
  • 1. Indien de subsidieverlening meer dan €5.000- of meer bedraagt, maar minder of gelijk aan €50.000,--, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend.

    2.De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht.

  • 3. Het college kan bij subsidieregeling andere termijnen stellen of andere of minder gegevens verlangen.

Artikel 17 Verantwoording subsidies van meer dan €50.000,--
  • 1. Indien de subsidieverlening meer dan €50.000,-- bedraagt, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar waarvoor de subsidie is verleend.

  • 2. De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;

    • b.

      een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

    • c.

      een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daar op;

    • d.

      een beoordelingsverklaring voor subsidies van meer dan €100.000,-- tot en met €500.000,--.

    • e.

      een controleverklaring voor subsidies van meer dan €500.000,--.

  • 3. Het college kan bij subsidieregeling of in de verleningsbeschikking andere termijnen stellen of meer of minder gegevens verlangen.

Artikel 18 Vaststelling subsidie
  • 1. Het college stelt binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast.

  • 2. Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 4 weken worden verdaagd.

  • 3. Het college kan bij subsidieregelingcategorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen, waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in te dienen.

  • 4. Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, genoemd in artikel 15 en 16 is ontvangen, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk

    een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kunnen zij overgaan tot ambtshalve vaststelling.

    5. Het college kan in afzonderlijke subsidieregelingen andere termijnen stellen voor daarbij aan te wijzen subsidies

Hoofdstuk 7 Overige bepalingen

Artikel 19 Reserves en voorzieningen
  • 1. Het college kan bij de subsidieverlening een instelling verplichten een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72 Awb te vormen.

  • 2. Het is een instelling in principe toegestaan om bestemmingsreserves of voorzieningen te vormen, voor zover dit bij de aanvraag om subsidie wordt aangegeven en planmatig door aanvrager wordt onderbouwd. Het college dient in te stemmen met de bij een aanvraag aangegeven bestemmingsreserve of voorziening.

  • 3. Het college kan bij de subsidieverlening (beperkende) voorwaarden verbinden ten aanzien van de hoogte van bestemmingsreserves en voorzieningen.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 20 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing voor aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. Dit met uitzondering van de artikelen 1, 2, 3, tweede lid en 8, eerste lid.

Artikel 21 Intrekking

De Subsidieverordening gemeente Eindhoven 2014 wordt ingetrokken.

Artikel 22 Overgangsbepalingen
  • 1. Subsidies die zijn aangevraagd of verstrekt vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld overeenkomstig de regeling die gold ten tijde van de aanvraag.

Artikel 23 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op haar bekendmaking.

Artikel 24 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als ASV Eindhoven.

Eindhoven, 28 juni 2011.

Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,

, burgemeester.

, secretaris.

Uitgegeven,28 juni 2011.

Mij bekend,

de gemeentesecretaris van Eindhoven,

mw. drs. P.M. Pistor.

dhe/EJ11024152