VERORDENING, houdende bepalingen, volgens welke de Gezagvoerders van schepen, die op de eilanden der kolonie Curaçao op particuliere gronden stranden, het recht erlangen om daar de aan boord aanwezige goederen aan wal te brengen en over die gronden te vervoeren

Geldend van 08-01-1938 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 29-12-1935

Intitulé

VERORDENING, houdende bepalingen, volgens welke de Gezagvoerders van schepen, die op de eilanden der kolonie Curaçao op particuliere gronden stranden, het recht erlangen om daar de aan boord aanwezige goederen aan wal te brengen en over die gronden te vervoeren

Artikel 1

De eigenaar, huurder, houder of gebruiker van aan de kusten dezer kolonie gelegen gronden is verplicht, om aan de gezagvoerders van op de kusten gestrande vaartuigen, aan de agenten en consignatarissen van schip en lading of aan de andere rechthebbenden daarop, die wenschen de aan boord aanwezige goederen aan land te brengen of over land te vervoeren, of tot het lossen, het vlotmaken of herstellen dier vaartuigen, werklieden, voer- en werktuigen naar het strand te brengen, over hun gronden een uitweg te verleenen, en wel zoo mogelijk in de richting waarheen de goederen vervoerd moeten worden.

Artikel 2

Wanneer hij weigert zulks te doen, of indien hij ten wiens behoefte de uitweg moet worden verleend beweert, dat er, zonder nadeel, een kortere kan worden aangewezen, zal op Curaçao het Hoofd van Politie en op de andere eilanden der kolonie de Gezaghebber een weg kunnen aanwijzen en desnoods met geweld den toegang daartoe verschaffen; alles onverminderd de verplichting van den eigenaar, huurder, houder of gebruiker der gronden om aan de gezagvoerders van op de kusten gestrande vaartuigen, aan de agenten en consignatarissen van schip en lading of aan de andere rechthebbenden daarop te vergoeden de schade, welke door de vertraging, uit zijn weigering voorspruitende, mocht zijn ontstaan.

Artikel 3

De gezagvoerders der vaartuigen, de agenten en consignatarissen van schip en lading of andere rechthebbenden daarop, die van het recht hun in artikel 1. toegekend gebruik maken, zijn verplicht om aan den eigenaar, huurder, houder of gebruiker der gronden te vergoeden alle schade, die door hen of door de personen die zij in hun dienst hebben genomen is toegebracht aan de wegen waarlangs zij de goederen vervoerden, aan de op de gronden aanwezige gebouwen, beplantingen, bezaaiingen of wat ook; alles onverminderd hun gehoudenheid tot het voldoen van hulp- en bergloonen overeenkomstig de bepalingen van het Curaçaosch Wetboek van Koophandel.

Artikel 4

De eigenaar, huurder, houder of gebruiker der gronden is bovendien gerechtigd om, voor het gebruik van den weg, van hen te wier behoeve zij dat hebben afgestaan, een vergoeding te eischen.

Artikel 5

Wanneer de partijen het daaromtrent niet kunnen eens worden, zullen zij zich kunnen wenden met een verzoekschrift tot het Hof van Justitie, om het bedrag dier vergoeding te bepalen.

Artikel 6

Het Hof van Justitie zal, na verhoor van het Openbaar Ministerie, na verhoor of behoorlijke oproeping van partijen en, zoo het noodig acht, na plaatsopneming of het verhoor van getuigen of deskundigen, bij vonnis, waarvan geen oproep kan plaatshebben, het bedrag bepalen.

Indien de bedoelde getuigen of deskundigen wonen op de andere eilanden der kolonie, zal het verhoor aan de Kantonrechter van hun woonplaats kunnen opgedragen.

Artikel 7

Bij het bepalen van het bedrag zal worden gelet op de last, welke het gebruik van de weg aan den eigenaar, huurder, houder of gebruiker der gronden heeft bezorgd, alsmede op het voordeel, dat zij, die er gebruik van hebben gemaakt, er van hebben getrokken.

Artikel 8

Deze verordening treedt in werking op den dag der uitgifte van het Publicatieblad, waarin zij geplaatst is.